Wet van 23 december 1994, houdende vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag
Voor zover een bedrag ter zake waarvan de aanspraak op de vermindering van belasting is ontstaan, alsnog geheel of gedeeltelijk wordt ontvangen, wordt de belasting opnieuw verschuldigd op het tijdstip van ontvangst. Artikel 89 is van toepassing.
Ingeval de belastingplichtige zijn vordering ter zake van een bedrag als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een andere ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968, treedt deze andere ondernemer met betrekking tot die vordering of het overgedragen gedeelte daarvan voor de toepassing van dit artikel op het tijdstip van die overdracht in de plaats van de belastingplichtige.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan de vermindering, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden en beperkingen worden gesteld.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 93
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen ter verzekering van een juiste toepassing van de wet regels worden gesteld ter aanvulling van de in deze wet geregelde onderwerpen.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Artikel 94
De inwerkingtreding van deze wet wordt bij wet geregeld.
Artikel 95
Deze wet wordt aangehaald als: Wet belastingen op milieugrondslag.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 84a
Vervallen
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 88a
Vervallen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 88b
Vervallen
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk VIB. CO2-heffing industrie
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 87a
Vervallen
Artikel 87b
Vervallen
Artikel 87c
Vervallen
Artikel 87d
Vervallen
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 72
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. luchthaven: luchthaven als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart voorzien van een start- en landingsbaan van ten minste 2.100 meter, voor zover die luchthaven als burgerluchthaven dan wel, indien het een militaire luchthaven betreft, mede door andere dan militaire luchtvaart wordt gebruikt;
- b. exploitant van de luchthaven: rechtspersoon of natuurlijke persoon die de luchthaven als onderneming drijft; hieronder wordt mede begrepen de burgerexploitant, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;
- c. vliegtuig: gemotoriseerd vliegtuig met een maximaal toegelaten startgewicht van meer dan 4.000 kilogram, met uitzondering van vliegtuigen in gebruik bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht of andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vliegtuigen;
- d. luchtvaartmaatschappij: luchtvaartmaatschappij als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, alsmede ieder ander op wiens naam een vliegtuig is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, van de Wet luchtvaart, dan wel is ingeschreven in een buitenlands register van luchtvaartuigen;
- e. passagier: natuurlijk persoon van 2 jaar of ouder die anders dan als lid van het boordpersoneel wordt vervoerd met een vliegtuig;
- f. lid van het boordpersoneel: lid van het boordpersoneel als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart, alsmede ieder die uitsluitend wordt vervoerd om aan boord van een ander vliegtuig tijdens een vlucht van dat andere vliegtuig werkzaamheden als lid van het boordpersoneel te verrichten.
Artikel 73
Onder de naam vliegbelasting wordt een belasting geheven ter zake van het vertrek van een passagier met een vliegtuig vanaf een in Nederland gelegen luchthaven.
Als vertrek van een passagier wordt niet aangemerkt het vertrek vanaf een luchthaven indien:
- a. dat vertrek als onderdeel van één vervoersovereenkomst plaatsvindt aansluitend op het moment van aankomst van de passagier met een vliegtuig op die luchthaven;
- b. de aansluiting de belangrijkste reden is voor het gebruik van de luchthaven; en
- c. de passagier het gebied van de luchthaven, dat een vertrekkende passagier alleen mag betreden met een geldig vervoersbewijs, tussen het moment van aankomst en het moment van vertrek niet langer dan 24 uur heeft verlaten.
Artikel 74
De belasting wordt geheven van de exploitant van de luchthaven.
Afdeling 6. Teruggaven
Artikel 75
De vliegbelasting wordt berekend over het aantal passagiers dat met een vliegtuig vertrekt van de luchthaven.
Artikel 76
De vliegbelasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de passagier met een vliegtuig vertrekt van de luchthaven.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 77
Het tarief bedraagt € 30,25 per passagier.
Artikel 78
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de belastingplichtige een administratie moet voeren voor de toepassing van de vliegbelasting.
Artikel 79
De luchtvaartmaatschappij verstrekt aan de exploitant van de luchthaven de gegevens die nodig zijn voor een juiste toepassing van dit hoofdstuk. De verstrekking van deze gegevens vindt plaats gelijktijdig met de verstrekking van de gegevens die de luchtvaartmaatschappij als gebruiker van de luchthaven verplicht is aan de exploitant van de luchthaven te verstrekken.
De luchtvaartmaatschappij is gehouden tot betaling van de vliegbelasting die de exploitant van de luchthaven bij haar in rekening brengt, voor zover deze belasting door de exploitant van de luchthaven is verschuldigd ter zake van het vertrek van passagiers met een vliegtuig van die luchtvaartmaatschappij.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 45a
De artikelen 2, vijfde, zesde, zevende en elfde lid, en 83 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 6. Teruggaaf
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 5. Herberekening
Hoofdstuk VIC. Co2-heffing glastuinbouw
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 5. Herberekening
Hoofdstuk VIC. Co2-heffing glastuinbouw
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 5*. Vrijstelling
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Afdeling 6*. Teruggaaf
Afdeling 8. Overgangsregeling
Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid
Afdeling 3. Maatstaf van heffing
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 6. Teruggaaf
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 6. Overig
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 59a
Vervallen
Artikel 59b
Vervallen
Artikel 59c
Indien de verlaging van het tarief, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, wordt verminderd of komt te vervallen, blijven de bepalingen gesteld bij of krachtens artikel 47, eerste lid, onderdelen u tot en met y, artikel 59a en artikel 59b, zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de dag met ingang waarvan de verlaging van het tarief wordt verminderd of komt te vervallen, gedurende 15 jaren na het tijdstip waarop de coöperatie is aangewezen als bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van toepassing ten aanzien van de levering van elektriciteit aan personen ten aanzien van wie op de eerst genoemde dag artikel 59a en, indien het een vereniging van eigenaars betreft, artikel 59b, van toepassing waren. Een eventuele rechtsopvolger van de persoon treedt in de plaats van die persoon.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 6. Overig
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 31a
Met betrekking tot een toestemming tot overbrenging als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, die is verleend vóór 1 januari 2019, wordt de periode van overbrenging, bedoeld in artikel 28, tweede lid, in afwijking van dat lid geacht aan te vangen op het tijdstip van de aanvang van de eerste fysieke overbrenging na 31 december 2018 met toepassing van die toestemming.
Afdeling 5. Vrijstellingen
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 6a. Overige bepalingen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 1. Algemeen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Afdeling 7*. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 1. Algemeen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Artikel 31b
Vervallen
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 61a
In de gevallen, bedoeld in artikel 47, zevende lid, onderdeel b, wordt de belasting ter zake van de leveringen die vanaf het begin van het kalenderjaar zijn verricht, herrekend met inachtneming van artikel 61. Indien deze herrekening leidt tot een hoger of lager belastingbedrag dan de belasting die zonder de herrekening over de gehele verbruiksperiode verschuldigd zou zijn, wordt de belasting die moet worden voldaan over het tijdvak waarin de overeenkomst tot levering wordt beëindigd dienovereenkomstig verhoogd onderscheidenlijk verlaagd. Bij de bepaling van de belasting die op de eindafrekening aan de verbruiker wordt vermeld, wordt de verhoging of verlaging, bedoeld in de tweede volzin, in aanmerking genomen.
Afdeling 7. Bijzondere regelingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 29a
Onder bij of krachtens op de voordracht van Onze Minister bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen is vrijgesteld de afgifte ter verwijdering aan een inrichting van zuiveringsslib dat is bestemd om binnen die inrichting te worden verbrand.
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 1. Wijze van heffing
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 23a
Vervallen
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 70a
Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van belasting verleend voor aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor vaartuigen op communautaire wateren, met inbegrip van de visserij.
De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend voor aardgas dat wordt gebruikt als brandstof voor particuliere pleziervaartuigen.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder een particulier pleziervaartuig verstaan een vaartuig dat wordt gebruikt door de eigenaar daarvan of door de natuurlijke of rechtspersoon die het gebruik daarvan geniet door huur of anderszins, voor andere dan commerciële doeleinden en met name voor andere doeleinden dan voor het vervoer van personen of goederen of voor het verrichten van diensten onder bezwarende titel, dan wel ten behoeve van overheidsinstanties.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Afdeling 3. Maatstaf van heffing, verschuldigdheid en tarief
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 60a
In afwijking van artikel 59, eerste lid, onderdeel c, bedraagt het tarief voor elektriciteit die wordt geleverd aan een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting, voor dat gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
- –. niet hoger is dan 10 000 kWh, per kWh € 0,04089;
- –. hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000 kWh, per kWh € 0,04089;
- –. hoger is dan 50 000 kWh, maar niet hoger dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,01236;
- –. hoger is dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,00127.
De tarieven, genoemd in het eerste lid, zijn niet van toepassing als de verbruiker een onderneming in moeilijkheden is.
Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de tarieven, bedoeld in het eerste lid, worden toegepast en worden nadere regels gesteld ter vaststelling wanneer de verbruiker moet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste tot en met derde lid van dit artikel.
Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige:
- a. aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening met betrekking tot transparantievereisten:
- 1°. de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd;
- 2°. het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;
- 3°. de datum waarop de steun voor het eerst is verleend;
- 4°. per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar;
- b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt:
- a. aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is;
- b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de gegevens en inlichtingen beschikt.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, of zesde lid, onderdeel a.
Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien beschikbaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
- a. de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast;
- b. het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige.
Hoofdstuk VIB. CO2-heffing industrie
Afdeling 2. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 25a
De kennisgever, bedoeld in artikel 24, onderdeel b, dient de aanvraag tot het geven van de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, in bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Zodra de kennisgever constateert dat gegevens in de aanvraag onjuist of onvolledig zijn meldt hij dit onverwijld aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
De kennisgever dient de aanvraag in binnen vier weken nadat de verklaring, bedoeld in artikel 16, onderdeel e, EVOA, is ontvangen, dan wel ontvangen had moeten zijn, voor alle afvalstoffen die zijn overgebracht uit Nederland met toepassing van de toestemming, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat trekt de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, in indien na afgifte van de beschikking blijkt dat de in de aanvraag of de beschikking vermelde gegevens zodanig onjuist of onvolledig zijn, dat het gewicht, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel b of de wijze van verwerking in het buitenland, bedoeld in artikel 25, tweede lid, niet juist kan worden vastgesteld.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat geeft de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, ambtshalve af indien:
- a. de aanvraag niet binnen de termijn, genoemd in het tweede lid, is ontvangen; dan wel
- b. de beschikking op grond van het derde lid is ingetrokken.
Een ambtshalve afgegeven beschikking als bedoeld onder b vervangt voor de toepassing van artikel 25, derde lid, de op grond van het derde lid ingetrokken beschikking met ingang van het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt ingevolge artikel 26, aanhef en onderdeel c.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat verstrekt de gegevens van de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, aan de inspecteur ten behoeve van de belastingheffing.
Bij of krachtens op voordracht van Onze Ministers vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
- a. de wijze van indiening van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, waarbij in afwijking van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden bepaald dat de aanvraag geheel of gedeeltelijk elektronisch wordt ingediend of in ontvangst wordt genomen;
- b. de gegevens die de kennisgever verstrekt bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid;
- c. de wijze waarop de kennisgever gehouden is zijn administratie te voeren;
- d. de inhoud en het afgeven van de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid;
- e. de wijze waarop de melding, genoemd in het eerste lid, tweede zin, wordt gedaan.
Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens het zesde lid, onderdeel c, gestelde regels zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen ambtenaren.
Van een besluit als bedoeld in het zevende lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
In geval van overtreding van de bij of krachtens het zesde lid, onderdeel c, gestelde regels kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een last onder dwangsom opleggen.
Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 29b
Vrijgesteld is de afgifte ter verwijdering of overbrenging ter verwijdering van afzonderlijk aangeboden asbest en asbesthoudende producten die toegepast zijn geweest als dakbedekking.
Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Hoofdstuk VIA. Minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 60b
In afwijking van artikel 59, eerste lid, onderdeel c, bedraagt het tarief voor elektriciteit die wordt geleverd aan een walstroominstallatie die geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 70a, derde lid, per kWh 30% van het tarief, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel c, vierde aandachtstreepje.
Het tarief, genoemd in het eerste lid, is niet van toepassing als de verbruiker een onderneming in moeilijkheden is.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder het tarief, genoemd in het eerste lid, wordt toegepast en worden nadere regels gesteld ter vaststelling wanneer de verbruiker moet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste tot en met derde lid.
Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige:
- a. aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de Algemene Groepsvrijstellingsverordening met betrekking tot transparantievereisten:
- 1°. de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd;
- 2°. het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;
- 3°. de datum waarop de steun voor het eerst is verleend;
- 4°. per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar;
- b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt:
- a. aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in artikel Bijlage I van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is;
- b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de gegevens en inlichtingen beschikt.
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, of zesde lid, onderdeel a.
Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het vijfde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien beschikbaar aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
- a. de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast;
- b. het nummer bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige.
Artikel 71h
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. afvalverbrandingsinstallatie: afvalverbrandingsinstallatie of afvalmeeverbrandingsinstallatie als bedoeld in artikel 3, veertigste, onderscheidenlijk eenenveertigste, lid, van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PbEU 2010, L 334) waarin blijkens een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de Omgevingswet huishoudelijke afvalstoffen, gemengde bedrijfsafvalstoffen of gemengd sorteerresidu mogen worden verbrand;
- b. broeikasgas: broeikasgas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- c. broeikasgasinstallatie: broeikasgasinstallatie als bedoeld in de artikelen 16.1, tweede lid, en 16.3 van de Wet milieubeheer;
- d. dispensatierecht: overdraagbaar recht om gedurende het kalenderjaar een emissie van één ton kooldioxide-equivalent in de lucht te veroorzaken in het kalenderjaar waarin die uitstoot plaatsvindt zonder toepassing van het tarief, genoemd in artikel 71p, eerste lid, onderdeel a;
- e. één ton kooldioxide-equivalent: één ton kooldioxide-equivalent als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- f. industrieel emissieverslag: industrieel emissieverslag als bedoeld in artikel 16b.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- g. industriële installatie: broeikasgasinstallatie, afvalverbrandingsinstallatie of lachgasinstallatie;
- h. industriële jaarvracht: aantal ton kooldioxide-equivalent van een industriële installatie in een kalenderjaar dat in de lucht is veroorzaakt en ter zake waarvan de CO2-heffing industrie wordt geheven;
- i. lachgasinstallatie: installatie die blijkens een op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht afgegeven omgevingsvergunning bestemd is voor de productie van acrylonitril of caprolactam en die geen broeikasgasinstallatie is;
- j. meetbare warmte: meetbare warmte als bedoeld in artikel 2, zevende lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59);
- k. Restgassen: afgas als bedoeld in artikel 2, elfde lid, van de Verordening kosteloze toewijzing van emissierechten;
- l. stadsverwarming: stadsverwarming als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2019/331 van de Commissie van 19 december 2018 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2019, L 59).
Artikel 71i
Dit hoofdstuk is van toepassing op industriële installaties met uitzondering van broeikasgasinstallaties van een glastuinbouwbedrijf of energiebedrijf voor glastuinbouw waarop hoofdstuk VIC van toepassing is en broeikasgasinstallaties die direct of indirect uitsluitend worden geëxploiteerd voor:
- a. stadsverwarming;
- b. het verwarmen of koelen van ruimten van gebouwen of locaties, daaronder begrepen het nagenoeg uitsluitend verwarmen of koelen van ruimten van gebouwen of locaties, en de meetbare warmte niet wordt gebruikt voor de productie van producten en daarmee verband houdende activiteiten; of
- c. het opwekken van elektriciteit zonder het gebruik van restgassen als brandstof.
Artikel 71j
Onder de naam CO2-heffing industrie wordt een belasting geheven ter zake van:
- a. de emissie van broeikasgas door een broeikasgasinstallatie;
- b. de emissie van kooldioxide door een afvalverbrandingsinstallatie; of
- c. de emissie van kooldioxide en distikstofoxide door een lachgasinstallatie.
Van de heffing zijn uitgezonderd de emissies door broeikasgasinstallaties:
- a. als gevolg van het opwekken van elektriciteit zonder het gebruik van restgassen als brandstof; of
- b. als gevolg van het opwekken van meetbare warmte die wordt uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming indien de broeikasgasinstallatie in het belastingtijdvak meer dan driekwart van zijn totaal geproduceerde meetbare warmte in dat belastingtijdvak heeft uitgevoerd ten behoeve van stadsverwarming.
Van de heffing is uitgezonderd de emissie van kooldioxide door broeikasgasinstallaties en afvalverbrandingsinstallaties die worden overgedragen voor geologische opslag en waarbij wordt voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.
Artikel 71k
De CO2-heffing industrie wordt geheven van degene die een industriële installatie exploiteert.
De exploitant van een broeikasgasinstallatie is de exploitant, bedoeld in artikel 16.11, eerste lid, tweede zin, van de Wet milieubeheer. De exploitant van een afvalverbrandingsinstallatie is degene aan wie de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 71h, onderdeel a, is verleend. De exploitant van een lachgasinstallatie is degene aan wie de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 71h, onderdeel i, is verleend.
Indien de werking van een industriële installatie is beëindigd, wordt de belasting geheven van degene die als laatste de industriële installatie heeft geëxploiteerd.
Artikel 71l
De belasting wordt berekend over:
- a. de industriële jaarvracht van een industriële installatie in het belastingtijdvak verminderd met het aantal dispensatierechten voor die industriële installatie in hetzelfde belastingtijdvak; en
- b. de industriële jaarvracht van een industriële installatie in het belastingtijdvak die niet onder onderdeel a valt.
De grondslag is niet lager dan nihil.
Artikel 71m
De industriële jaarvracht is overeenkomstig hetgeen is vermeld in het industrieel emissieverslag.
Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit de industriële jaarvracht ambtshalve heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 16b.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer en die vaststelling is onherroepelijk geworden, is de industriële jaarvracht overeenkomstig die vaststelling.
Artikel 71n
Het aantal dispensatierechten is het aantal dispensatierechten dat de exploitant voor een industriële installatie op 1 september van het jaar na afloop van het belastingtijdvak op zijn rekening heeft als bedoeld in artikel 16b.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit op of na de datum, genoemd in het eerste lid, op de rekening dispensatierechten stort of afboekt als bedoeld in artikel 16b.16, vierde lid, van de Wet milieubeheer, is het aantal dispensatierechten het aantal dispensatierechten dat na die storting of afboeking op de rekening staat.
Artikel 71o
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van broeikasgas plaatsvindt.
Artikel 71p
Het tarief bedraagt:
- a. in het geval van artikel 71l, eerste lid, onderdeel a, per ton kooldioxide-equivalent voor een broeikasgasinstallatie of lachgasinstallatie € 78,67 en voor een afvalverbrandingsinstallatie € 103,66;
- b. in het geval van artikel 71l, eerste lid, onderdeel b, per ton kooldioxide-equivalent het tarief, genoemd in artikel 71f, eerste lid.
Het tarief voor een afvalverbrandingsinstallatie, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, wordt bij aanvang van de volgende kalenderjaren, alvorens artikel 90 wordt toegepast, telkens verhoogd. Deze verhoging is voor:
- –. het kalenderjaar 2027: € 49,66;
- –. het kalenderjaar 2028: € 50,42;
- –. het kalenderjaar 2029: € 50,42; en
- –. het kalenderjaar 2030: € 49,39.
Artikel 90 vindt geen toepassing op een bedrag in dit lid nadat daarmee het tarief is verhoogd.
Voor een broeikasgasinstallatie wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil. De termijnkoers van het broeikasgasemissierecht is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van dat jaar, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan datzelfde jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van die éénjaarstermijncontracten in die maanden.
Het derde lid is niet van toepassing voor zover de grondslag, bedoeld in artikel 71l, eerste lid, onderdeel a, hoger is door de overdracht van dispensatierechten, bedoeld in afdeling 16b.3.3, van de Wet milieubeheer.
Artikel 71q
Indien voor een industriële installatie het aantal dispensatierechten van een belastingtijdvak de industriële jaarvracht van dat belastingtijdvak overtreft, gebruikt de exploitant dat overschot aan dispensatierechten voor een herberekening van de belasting die is betaald voor die industriële installatie over de vijf belastingtijdvakken voorafgaand aan het eerstgenoemde belastingtijdvak.
De herberekening geschiedt in de aflopende volgorde die is gebaseerd op de hoogte van het tarief beginnend met het belastingtijdvak met het hoogste tarief.
Voor de herberekening worden de tarieven gebruikt die van toepassing waren op het belastingtijdvak dat wordt herberekend.
Indien uit de herberekening blijkt dat over een bepaald belastingtijdvak een teveel aan belasting is betaald, wordt dat bedrag aan teveel betaalde belasting in mindering gebracht op de belasting verschuldigd over het belastingtijdvak waarover aangifte wordt gedaan.
Artikel 71r
Voor de heffing en invordering van de belasting wordt voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de op die wetten berustende bepalingen onder rijksbelastingdienst verstaan de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit. Hierbij staat deze dienst onder het gezag van de Minister van Financiën.
Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit ambtshalve de industriële jaarvracht heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 16b.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer of ambtshalve het aantal dispensatierechten heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 16b.24, vierde lid, van de Wet milieubeheer, en die vaststelling is onherroepelijk geworden op een tijdstip na vier jaren en tien maanden na het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden, vervalt, in afwijking van artikel 20, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag, en vervalt, in afwijking van de artikelen 67c en 67f van die laatstgenoemde wet, de bevoegdheid tot het opleggen van de boeten twee maanden na het hiervoor bedoelde tijdstip.
In afwijking van de artikelen 10, tweede lid, en 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan uiterlijk 1 oktober van het jaar volgend op dat tijdvak.
Bestaande geheimhoudingsbepalingen staan er niet aan in de weg dat de ambtenaren van de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit gegevens of informatie verkregen op grond van deze afdeling gebruiken voor de taken, bedoeld in hoofdstuk 16b van de Wet milieubeheer, dan wel gegevens of informatie verkregen op grond van de taken, bedoeld in hoofdstuk 16b van de Wet milieubeheer, gebruiken voor de taak, bedoeld in deze afdeling.
Artikel 71s
Het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit verstrekt de inspecteur en de ontvanger de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de CO2-heffing industrie.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Afdeling 4. Overig
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 4. Tarief
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Wijze van heffing
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 71a
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. broeikasgas: broeikasgas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- b. broeikasgasemissierecht: broeikasgasemissierecht als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- c. broeikasgasinstallatie: broeikasgasinstallatie als bedoeld in artikel 16a.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- d. één ton kooldioxide-equivalent: één ton kooldioxide-equivalent als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer;
- e. elektriciteitsemissieverslag: elektriciteitsemissieverslag als bedoeld in artikel 16a.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 71b
Onder de naam minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking wordt een belasting geheven ter zake van de emissie van broeikasgas als gevolg van de opwekking van elektriciteit.
Artikel 71c
De belasting wordt geheven van degene die een broeikasgasinstallatie exploiteert. De exploitant van een broeikasgasinstallatie is de exploitant, bedoeld in artikel 16.11, eerste lid, tweede zin, van de Wet milieubeheer.
Indien de werking van een broeikasgasinstallatie is beëindigd, wordt de belasting geheven van degene die als laatste de broeikasgasinstallatie heeft geëxploiteerd.
Artikel 71d
De belasting wordt berekend over het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt overeenkomstig het elektriciteitsemissieverslag van de broeikasgasinstallatie.
In afwijking van het eerste lid wordt, indien de emissieautoriteit ambtshalve de elektriciteitsjaarvracht heeft vastgesteld als bedoeld in artikel 16a.8, tweede lid, van de Wet milieubeheer en die vaststelling is onherroepelijk geworden, de belasting berekend over het aantal ton kooldioxide-equivalent dat in de lucht is veroorzaakt overeenkomstig die vaststelling.
Artikel 71e
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van broeikasgas plaatsvindt.
Artikel 71f
Het tarief bedraagt per ton kooldioxide-equivalent: € 0.
Aan het begin van elk kalenderjaar wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, bij regeling van Onze Minister vervangen door een ander tarief. Dit tarief wordt berekend als volgt. Als uitgangspunt wordt genomen het bedrag voor dat kalenderjaar, genoemd in het vierde lid. Vervolgens wordt dat bedrag verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil.
De termijnkoers van het broeikasgasemissierecht, bedoeld in het tweede lid, is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van het jaar waarvoor het tarief wordt vastgesteld overeenkomstig het tweede lid, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan dat jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van broeikasgasemissierechten in die maanden.
Het bedrag, bedoeld in het tweede lid, derde zin, bedraagt voor:
- –. het kalenderjaar 2020: € 12,30;
- –. het kalenderjaar 2021: € 13,50;
- –. het kalenderjaar 2022: € 14,90;
- –. het kalenderjaar 2023: € 16,40;
- –. het kalenderjaar 2024: € 18,00;
- –. het kalenderjaar 2025: € 19,80;
- –. het kalenderjaar 2026: € 21,80;
- –. het kalenderjaar 2027: € 24,00;
- –. het kalenderjaar 2028: € 26,40;
- –. het kalenderjaar 2029: € 29,00;
- –. de kalenderjaren vanaf 2030: € 31,90.
Artikel 71g
Voor de heffing en invordering van de belasting wordt voor de toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de op die wetten berustende bepalingen onder rijksbelastingdienst verstaan de Dienst Nederlandse Emissieautoriteit. Hierbij staat deze dienst onder het gezag van de Minister van Financiën.
Indien het bestuur van de Nederlandse emissieautoriteit de elektriciteitsjaarvracht, bedoeld in artikel 16a.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, ambtshalve vaststelt en deze vaststelling onherroepelijk is geworden op een tijdstip na vier jaren en tien maanden na het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden, vervalt de bevoegdheid tot het opleggen van een naheffingsaanslag, bedoeld in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de bevoegdheid tot het opleggen van de boeten, bedoeld in de artikelen 67c en 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen twee maanden na het hiervoor bedoelde tijdstip.
In afwijking van de artikelen 10, tweede lid, en 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting worden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan uiterlijk op het tijdstip waarop het elektriciteitsemissieverslag moet worden ingediend.
Bestaande geheimhoudingsbepalingen staan er niet aan in de weg dat de ambtenaren van de dienst Nederlandse emissieautoriteit gegevens of informatie verkregen op grond van deze afdeling gebruiken voor de taak, bedoeld in hoofdstuk 16a van de Wet milieubeheer, dan wel gegevens of informatie verkregen op grond van de taak, bedoeld in hoofdstuk 16a van de Wet milieubeheer, gebruiken voor de taak, bedoeld in deze afdeling.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 5. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 5. Belastingvermindering
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 5. Belastingvermindering
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 71aa
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op broeikasgasinstallaties van een glastuinbouwbedrijf of energiebedrijf voor glastuinbouw waarop hoofdstuk VIC van toepassing is.
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 5a. Exportvermindering
Afdeling 7. Bijzondere regelingen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 5a. Exportvermindering
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 71t
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00;
- b. broeikasgasinstallatie: broeikasgasinstallatie als bedoeld in de artikelen 16.1, tweede lid, en 16.3 van de Wet milieubeheer;
- c. standaard CO2-emissiefactor voor aardgas: standaard CO2-emissiefactor voor aardgas in kilogram CO2/GJ aardgas die bij of krachtens artikel 16.12 van de Wet milieubeheer jaarlijks door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat wordt gepubliceerd;
- d. glastuinbouwbedrijf: bedrijf voor het telen van gewassen in een of meer kassen;
- e. energiebedrijf voor glastuinbouw: bedrijf waarvandaan warmte direct of indirect wordt getransporteerd naar een of meer glastuinbouwbedrijven en dat zelf geen glastuinbouwbedrijf is;
- f. restwarmte: thermische energie die als onvermijdelijk bijproduct in industriële of bedrijfsmatige processen overblijft en die zonder transport naar een gebruiker ongebruikt terecht zou komen in lucht of water.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot een glastuinbouwbedrijf of energiebedrijf voor de glastuinbouw.
Artikel 71ta
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een glastuinbouwbedrijf dat in het gehele tijdvak:
- a. een totale oppervlakte in de kassen heeft van minder dan 2.500 m2; of
- b. gewassen in kassen teelt uitsluitend vanwege het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis, voor educatieve doeleinden, bij onderzoeksinstellingen of bij volkstuinen.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op een energiebedrijf voor glastuinbouw:
- a. dat in het gehele tijdvak geen aardgas verstookt;
- b. waarvandaan in het gehele tijdvak minder dan 75% van de met aardgas opgewekte warmte direct of indirect is getransporteerd naar een of meer glastuinbouwbedrijven en dat, indien de inspecteur daarom verzoekt, dat aantoont; of
- c. waarvandaan in het gehele tijdvak uitsluitend restwarmte is getransporteerd naar een of meer glastuinbouwbedrijven.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van dit artikel.
Artikel 71u
Onder de naam CO2-heffing glastuinbouw wordt een belasting geheven ter zake van de emissie van kooldioxide.
Artikel 71v
De CO2-heffing glastuinbouw wordt geheven van de exploitant van het glastuinbouwbedrijf, dan wel de exploitant van het energiebedrijf voor glastuinbouw.
De exploitant is de rechtspersoon of natuurlijke persoon die het glastuinbouwbedrijf dan wel het energiebedrijf voor glastuinbouw als onderneming drijft.
Artikel 71w
De belasting wordt berekend over het aantal ton kooldioxide dat is veroorzaakt op basis van het aantal normaalkubiekemeters aardgas dat door het glastuinbouwbedrijf of het energiebedrijf voor glastuinbouw is verstookt.
Het aantal ton kooldioxide wordt berekend met de formule: An x 31,65 x standaard CO2-emissiefactor voor aardgas / 1.000.000. Hierbij staat An voor de verstookte hoeveelheid aardgas in normaal kubieke meters.
De belastingplichtige monitort de hoeveelheid aardgas die is verstookt overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
Artikel 71x
De belasting wordt verschuldigd op het tijdstip waarop de emissie van kooldioxide plaatsvindt.
Artikel 71y
Het tarief bedraagt per ton kooldioxide voor:
- –. het kalenderjaar 2025: € 9,61;
- –. het kalenderjaar 2026: € 11,60;
- –. het kalenderjaar 2027: € 13,31;
- –. het kalenderjaar 2028: € 15,02;
- –. het kalenderjaar 2029: € 16,72;
- –. de kalenderjaren vanaf 2030: € 18,43.
Voor zover er aardgas is verstookt in een broeikasgasinstallatie wordt het tarief, genoemd in het eerste lid, verminderd met de termijnkoers van het broeikasgasemissierecht. Het tarief is niet lager dan nihil. De termijnkoers is voor een kalenderjaar het gewone gemiddelde, in euro, van de dagelijkse éénjaarstermijnkoersen van broeikasgasemissierechten (slotverkoopkoersen) voor levering in december van dat jaar, zoals waargenomen van 1 september tot en met 31 oktober voorafgaand aan datzelfde jaar op de koolstofbeurs in de Europese Unie met het hoogste handelsvolume van die éénjaarstermijncontracten in die maanden.
Afdeling 4. Overig
Artikel 71z
In afwijking van de artikelen 10, tweede lid, en 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting voldaan en de daarop betrekking hebbende aangifte gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste drie maanden na het einde van het tijdvak.
Bij ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid onderdeel a, van de algemene wet inzake rijksbelastingen wordt bepaald dat voor de CO2-heffing glastuinbouw het eerste tijdvak dat aanvangt op 1 januari 2025 de kalenderjaren 2025 en 2026 beslaat. Voor dat tijdvak wordt in artikel 30h, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, van de algemene wet inzake rijksbelastingen in plaats van «kalenderjaar of boekjaar» telkens gelezen «tijdvak».
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 5. Belastingvermindering
Afdeling 5a. Exportvermindering
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 7. Bijzondere regelingen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Wijze van heffing
Afdeling 2. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 71ha
Indien een afvalverbrandingsinstallatie tevens een broeikasgasinstallatie is, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk met betrekking tot afvalverbrandingsinstallaties van toepassing.
Artikel 24a
Voor de toepassing van artikel 24, onderdeel b, stelt de kennisgever, indien hij niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de belasting.
De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe door de inspecteur verstrekte vergunning.
Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring overgelegd van degene aan wie de toestemming, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, is verleend, waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 5. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 6. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 7. Bijzondere regelingen
Hoofdstuk IX. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Wijze van heffing
Afdeling 2. Aanvullende regelingen
Hoofdstuk X. Slotbepalingen
Bijlage A. behorende bij de Wet belastingen op milieugrondslag
- –. Albanië;
- –. Andorra;
- –. Belarus;
- –. België;
- –. Bosnië en Herzegovina;
- –. Bulgarije;
- –. Cyprus;
- –. Denemarken, met inbegrip van de Faeröer, maar met uitzondering van Groenland;
- –. Duitsland;
- –. Estland;
- –. Finland;
- –. Frankrijk, met uitzondering van Frans Polynesië, Frans Guyana, Franse Zuidelijke en Antarctische Gebieden, Guadeloupe, Martinique, Mayotte, Nieuw-Caledonië, Réunion, Saint-Barthélemy, Saint-Pierre en Miquelon, Sint Maarten (Franse deel) en Wallis en Futuna;
- –. Griekenland;
- –. Hongarije;
- –. Ierland;
- –. IJsland;
- –. Italië;
- –. Kosovo;
- –. Kroatië;
- –. Letland;
- –. Liechtenstein;
- –. Litouwen;
- –. Luxemburg;
- –. Malta;
- –. Moldavië;
- –. Monaco;
- –. Montenegro;
- –. Noord-Macedonië;
- –. Noorwegen, met uitzondering van Svalbard (Spitsbergen), Jan Mayen en de van Noorwegen afhankelijke gebieden («biland»);
- –. Nederland, met inbegrip van Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten;
- –. Oekraïne;
- –. Oostenrijk;
- –. Polen;
- –. Portugal, met inbegrip van de autonome regio’s Madeira en de Azoren;
- –. Roemenië;
- –. San Marino;
- –. Servië;
- –. Slovenië;
- –. Slowakije;
- –. Spanje, met inbegrip van de autonome regio de Canarische Eilanden;
- –. Tsjechië;
- –. Vaticaanstad;
- –. het Verenigd Koninkrijk, met inbegrip van het Brits Kroonbezit, Akrotiri en Dhekelia en Gibraltar, maar met uitzondering van Anguilla, Bermuda, het Brits Antarctisch Territorium, het Brits Indische Oceaanterritorium, de Britse Maagdeneilanden, de Falklandeilanden, de Kaaimaneilanden, Montserrat, de Pitcairneilanden, Sint-Helena, Ascension en Tristan de Cunha, de Turks- en Caicoseilanden en Zuid-Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden;
- –. Zweden;
- –. Zwitserland.
Bijlage B. behorende bij de Wet belastingen op milieugrondslag
- –. Afghanistan;
- –. Algerije;
- –. Armenië;
- –. Azerbeidzjan;
- –. Bahrein;
- –. Benin;
- –. Burkina Faso;
- –. Centraal-Afrikaanse Republiek;
- –. Egypte;
- –. Eritrea;
- –. Gambia;
- –. Georgië;
- –. Ghana;
- –. Groenland (Denemarken);
- –. Guinee;
- –. Guinee-Bissau;
- –. Irak;
- –. Iran;
- –. Israël;
- –. Jan Mayen (Noorwegen)
- –. Jemen;
- –. Jordanië;
- –. Ivoorkust;
- –. Kaapverdië;
- –. Kameroen;
- –. Kazachstan;
- –. Koeweit;
- –. Kirgizië;
- –. Libanon;
- –. Liberia;
- –. Libië;
- –. Mali;
- –. Marokko;
- –. Mauritanië;
- –. Niger;
- –. Nigeria;
- –. Oezbekistan;
- –. Oman;
- –. Palestijnse Gebieden;
- –. Qatar;
- –. Rusland;
- –. Saint-Pierre en Miquelon (Frankrijk);
- –. Saoedi-Arabië;
- –. Senegal;
- –. Sierra Leone;
- –. Sudan;
- –. Svalbard (Spitsbergen) (Noorwegen);
- –. Syrië;
- –. Tadzjikistan;
- –. Togo;
- –. Tunesië;
- –. Turkije;
- –. Turkmenistan;
- –. Tsjaad;
- –. Verenigde Arabische Emiraten.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)