Wet van 23 december 1994, houdende vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 186
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, worden verleend.

6.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 4. Tarief

Artikel 36l

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, voor zover de hoeveelheid die door een verbruiker is betrokken hoger is dan 159 000 L halfzware olie, 153 000 L gasolie onderscheidenlijk 119 000 kilogram vloeibaar gemaakt petroleumgas per kalenderjaar.

De teruggaaf bedraagt:

2.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan degene die de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken.

3.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief als bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel d, voor het verbruik niet hoger dan 5000 m3, voorzover het verbruik van warmte in een onroerende zaak die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 158 000 MJ per verbruiksperiode van 12 maanden.

4.

De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het derde lid bedoelde onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het verschil tussen het tarief, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel d, voor het verbruik niet hoger dan 5000 m3 en het tarief voor het verbruik gelegen tussen 5000 m3 en 170 000 m3.

5.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door een verbruiker in een verbruiksperiode van 12 maanden van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.

6.

De teruggaaf, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend aan de verbruiker.

7.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.

8.

De teruggaaf, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het zevende lid bedoelde onroerende zaken. De teruggaaf bedraagt 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.

9.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste, derde, vijfde, zevende, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zestiende lid, wordt verleend.

10.

Artikel 27, derde tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

11.

De teruggaafregeling, bedoeld in het zevende lid, is onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen, eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij een charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, mits:

Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in de eerste volzin, aanhef en onderdeel a, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.

De teruggaafregeling, bedoeld in de eerste volzin, is onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen, eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij instellingen die een sociaal belang behartigen.

12.

Onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die charitatief, cultureel, wetenschappelijk of het algemeen nut beogend is dan wel een sociaal belang behartigt, mits:

De teruggaaf, bedoeld in de eerste volzin, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting. Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel a en onderdeel b, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.

13.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d tot en met f, die worden gebruikt op een in artikel 36k, eerste lid, bedoelde wijze.

14.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in artikel 36k, derde lid, bedoelde wijze.

15.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en overige gassen die worden gebruikt op een in artikel 36k, vierde lid, bedoelde wijze.

16.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voorzover met betrekking tot zakelijk verbruik van aardgas boven de 10 000 000 m3 of elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.

Artikel 36m

1.

Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen van aardgas en elektriciteit, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.

2.

Artikel 27, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Artikel 36n

1.

De belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, is gehouden een administratie te voeren zodanig dat - voor zover dat voor de heffing van de belasting van belang kan zijn - daaruit te allen tijde duidelijk blijken:

2.

Bij toepassing van artikel 36e, derde en negende lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen moet worden voldaan.

Afdeling 8. Bijzondere regeling voor op duurzame wijze geproduceerde energie

Artikel 36o

Vervallen

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Artikel 36p

Vervallen

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Artikel 36q

Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van zakelijk verbruikte elektriciteit bij een verbruik boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, voor het gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat hoger is dan 10 000 000 kWh, indien de verbruiker in het kader van met Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gemaakte afspraken verplichtingen op zich heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie en hij als energie-intensief bedrijf wordt aangemerkt.

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Artikel 36r

Vervallen

Afdeling 6. Teruggaven

Artikel 36s

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Afdeling 6. Teruggaven

Artikel 36t

Vervallen

Hoofdstuk VI. Algemene bepalingen

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 37

1.

Ter zake van uitslag wordt de belasting geheven van de vergunninghouder van de inrichting.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 33, tweede lid, geheven van degene die de kolen voorhanden heeft.

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 37a

De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 9, eerste lid en derde lid, 10, 11g, 18, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 25, eerste en vierde lid, 36i, eerste, derde, vierde en zesde lid, en 36l, eerste lid, onderdelen a en b, vermelde bedragen.

Artikel 38

1.

Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.

2.

Als inrichting kan worden aangemerkt:

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 38a

Onze Ministers zenden binnen twee en een half jaar na de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de grondwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoerbaarheid van deze bepalingen alsmede over de mogelijk in de praktijk gebleken negatieve milieu-effecten en economische problemen.

Artikel 38b

Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk 1 juli 2002 aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoering en de werking van artikel 36p alsmede over de wenselijkheid van handhaving van de desbetreffende regeling.

Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting

Artikel 39

1.

Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek dient te bevatten.

3.

In afwijking van artikel 38, tweede lid, kan, indien degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen niet beschikt over een plaats waar kolen worden vervaardigd dan wel opgeslagen, een verzoek om een vergunning voor een inrichting door de inspecteur worden toegewezen, indien deze persoon in Nederland is gevestigd en in de uitoefening van zijn onderneming optreedt als:

4.

De artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 40

1.

Ter zake van uitslag wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 33, tweede lid, verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de kolen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid

Afdeling 3. Maatstaf van heffing

Hoofdstuk V

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Afdeling 6a. Overige bepalingen

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Afdeling 6. Teruggaven

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Hoofdstuk VII. Vliegbelasting

Afdeling 6. Teruggaven

Hoofdstuk VII. Vliegbelasting

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 5. Vrijstellingen

Afdeling 6. Verplichting ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Afdeling 4. Tarief

Afdeling 5. Vrijstellingen

Afdeling 6. Teruggaaf

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Afdeling 4. Tarief

Afdeling 4. Tarief

Afdeling 5*. Vrijstelling

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Afdeling 7*. Verplichting ten dienste van de belastingheffing

Afdeling 8. Overgangsregeling

Artikel 41

Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, met uitzondering van artikel 88 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 42

De belasting wordt berekend over het gewicht van de kolen, uitgedrukt in kilogram.

Artikel 43

Het tarief bedraagt per 1000 kilogram kolen € 18,85.

Artikel 44

1.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt anders dan als brandstof.

2.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit.

3.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die duaal worden gebruikt.

4.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend.

5.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing

Artikel 45

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een in artikel 44, eerste tot en met derde lid, bedoelde wijze.

2.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die – anders dan vanuit een inrichting – zijn gebracht naar een andere lidstaat dan wel een derde land.

3.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing

Artikel 46

1.

De belastingplichtige voert een administratie waaruit, voor zover dat voor de heffing van belang kan zijn, de gegevens betreffende het vervaardigen, invoeren, uitslaan en gebruik van kolen duidelijk blijken.

2.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van de belasting, regels worden gesteld met betrekking tot:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op kolen die zijn geplaatst onder een EU-douaneregeling.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Afdeling 4. Tarief

Artikel 47

1.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.

3.

Onder levering van aardgas, onderscheidenlijk elektriciteit, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968.

4.

Met betrekking tot elektriciteit wordt onder distributienet verstaan een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, met uitzondering van een distributiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van ten hoogste 0,4 kilovolt en een verbruik van ten hoogste 0,1 GWh per jaar, indien een ander dan een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet een recht van gebruik heeft van dat systeem.

5.

Met betrekking tot aardgas wordt onder distributienet verstaan een transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet.

6.

Indien in een tijdvak van 18 maanden een of meerdere voorschotnota’s worden uitgereikt dan wel een of meerdere voorschotbedragen worden ontvangen en uiterlijk binnen 13 weken na afloop van dat tijdvak geen eindfactuur wordt uitgereikt, wordt dat tijdvak van 18 maanden aangemerkt als verbruiksperiode.

7.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, is de verbruiksperiode in de aldaar bedoelde gevallen:

Afdeling 5. Vrijstellingen

Artikel 48

1.

Onder de naam energiebelasting wordt een belasting geheven op aardgas en elektriciteit.

2.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt als aardgas mede aangemerkt elk product dat direct of indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als aardgas.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt voor de toepassing van de artikelen 47, zesde lid, 55, 59 tot en met 62 en 64, derde lid, en de op die artikelen berustende bepalingen waterstof niet als aardgas aangemerkt.

Artikel 49

Vervallen

Artikel 50

1.

De belasting wordt geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit via een aansluiting aan de verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een aansluiting aan een CNG-vulstation.

2.

Indien de verbruiker, bedoeld in het eerste lid, via een aansluiting elektriciteit op het distributienet heeft ingevoed ter zake waarvan artikel 2.31 van de Energiewet wordt toegepast, is het eerste lid van toepassing op het positieve saldo van de via de aansluiting geleverde elektriciteit minus de via de aansluiting ingevoede elektriciteit.

3.

De belasting wordt voorts geheven ter zake van:

4.

Indien een levering van aardgas of elektriciteit wordt verricht aan een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het leveren van aardgas of elektriciteit of die een energieopslagfaciliteit exploiteert dan wel aan een verbruiker die op zijn beurt het geleverde aardgas of de geleverde elektriciteit levert aan een verbruiker, wordt eerstgenoemde levering niet aangemerkt als een levering als bedoeld in het eerste lid of het derde lid, onderdeel a.

5.

Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing met betrekking tot de levering van elektriciteit aan een huurder van een woning, voor zover die elektriciteit door de verhuurder van die woning is opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, waarbij de productie-installatie is aangebracht op of aan het gebouw met toebehoren waarvan de woning onderdeel uitmaakt, dan wel op of aan de bij dat gebouw behorende grond met toebehoren.

6.

Het derde lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing met betrekking tot het verbruik van:

7.

Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaraan een organisatorische eenheid die een energieopslagfaciliteit exploiteert moet voldoen.

8.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 51

1.

Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt als verbruik in de zin van artikel 50, derde lid, onderdeel d, niet aangemerkt het verbruik van aardgas voor de vervaardiging van aardgas en minerale oliën als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de accijns, in dezelfde inrichting waarin dat aardgas is ontstaan.

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

1.

De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel 50, derde lid, onderdelen b, c en d, de belasting geheven van de verbruiker.

3.

In afwijking van het eerste lid, wordt bij een levering van elektriciteit waarbij sprake is van peer-to-peer handel als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, de belasting geheven van de marktdeelnemer die de automatische uitvoering en afwikkeling van de levering realiseert.

Artikel 54

1.

Voor de toepassing van artikel 53, eerste lid, stelt degene die de levering aan de verbruiker verricht, indien hij niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de belasting.

2.

De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe door de inspecteur verstrekte vergunning.

3.

Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.

4.

Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.

5.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken.

6.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 55

De belasting wordt berekend:

Artikel 56

1.

De belasting met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd:

2.

Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden.

3.

In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 50, derde lid, onderdelen b, c en d, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt.

4.

Indien de verrekening, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel e, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.

Artikel 57

Indien in een verbruiksperiode ten aanzien van degene van wie op grond van artikel 53, tweede lid, de belasting wordt geheven zowel sprake is van door hem op grond van artikel 53, tweede lid, verschuldigde belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair wordt geheven van degene, bedoeld in artikel 53, eerste lid.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

1.

Het tarief bedraagt voor:

2.

Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas het tarief, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje, per kubieke meter voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler.

4.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en d, bedragen de tarieven nihil voor in artikel 48, tweede lid, als aardgas aangemerkte producten en waterstof voor zover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.

5.

Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk verbruik als niet-zakelijk verbruik, worden de tarieven, genoemd in het eerste lid, voor verbruik boven 10 000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig aangemerkt.

6.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste en derde lid.

7.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste lid.

Artikel 60

1.

In afwijking van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten voor aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm3, voor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:

2.

De tarieven, genoemd in het eerste lid, zijn niet van toepassing als de verbruiker een onderneming in moeilijkheden is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter vaststelling wanneer de verbruiker moet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.

3.

Indien behalve voor het in het eerste lid vermelde doel mede aardgas wordt toegepast in één of meerdere woonhuizen, wordt per verbruiksperiode van twaalf maanden per woonhuis een geleverde hoeveelheid van 5000 kubieke meter in de heffing betrokken naar de tarieven, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tenzij de geleverde hoeveelheden voor de verschillende toepassingen en de verschillende woonhuizen afzonderlijk worden gemeten.

4.

Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, worden de in het eerste lid genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.

5.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid.

6.

Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige:

7.

Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt:

8.

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, of zevende lid, onderdeel a.

9.

Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien hij hierover beschikt aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit:

Artikel 61

Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de hoeveelheidsgrenzen, genoemd in artikel 59, eerste lid, artikel 60, eerste en derde lid, 67, eerste lid, en 68, tweede lid, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

Artikel 62

Indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de verbruiker de geleverde hoeveelheid aardgas gemeten wordt in Nm3, worden de tarieven toegepast, zoals die met betrekking tot aardgas in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, en artikel 60, eerste lid, worden toegepast per kubieke meter.

Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid

Artikel 63

1.

Op de ter zake van de levering van elektriciteit, bedoeld in artikel 50, eerste lid, verschuldigde belasting wordt een vermindering toegepast met betrekking tot onroerende zaken die op zich als gebouwde eigendommen zijn aan te merken en die kunnen dienen als woning of ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben. De vermindering bedraagt € 519,80 per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting.

2.

Indien het bedrag van de over de verbruiksperiode verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald.

3.

In de gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen, wordt bij de berekening van het voorschotbedrag naar evenredigheid rekening gehouden met de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid.

4.

Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de in het eerste lid genoemde bedragen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

5.

Bij toepassing van artikel 50, derde lid, zijn het eerste en vierde lid van overeenkomstige toepassing.

6.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

7.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 64

1.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt bij een installatie voor elektriciteitsopwekking met een totaal opgesteld elektrisch vermogen van niet meer dan 20 megawatt vrijstelling van de belasting verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit tot een hoeveelheid die correspondeert met 0,2635 Nm3 per kWh elektriciteit die de exploitant van de installatie invoedt op een distributienet alsmede 0,1498 Nm3 per kWh elektriciteit die de exploitant van de installatie niet invoedt op een distributienet. De hoeveelheid opgewekte elektriciteit die wordt betrokken bij de berekening van de hoeveelheid aardgas waarvoor de per verbruiksperiode te berekenen vrijstelling wordt verleend is maximaal de hoeveelheid elektriciteit die de exploitant heeft opgewekt met de installatie.

3.

Indien het aardgas, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en in het tweede lid, een bovenste verbrandingswaarde heeft die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, wordt het volume, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar evenredigheid verhoogd, onderscheidenlijk verlaagd.

4.

Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van:

Als levering of verbruik van elektriciteit voor elektrolytische procedés wordt in ieder geval aangemerkt de levering of het verbruik van elektriciteit voor de productie van waterstof, waaronder wordt verstaan de demineralisatie of elektrolyse van water alsmede de purificatie en compressie van de uit dit water ontstane waterstof.

Als metallurgische procedés worden aangemerkt:

De vrijstelling voor metallurgische procedés geldt alleen voor bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 6 september 2025 van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 24 of 25.

5.

Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor mineralogische procedés.

Als mineralogische procedés worden aangemerkt de vervaardiging van glas en glaswerk, de vervaardiging van keramische producten, de vervaardiging van cement, kalk of gips, de vervaardiging van kalkzandsteen of cellenbeton en de vervaardiging van steenwol.

De vrijstelling voor mineralogische procedés geldt alleen voor de bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 6 september 2025 van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 23.

6.

Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt anders dan als brandstof dan wel aardgas dat wordt gebruikt als additief of als vulstof in producten die direct of indirect zijn bestemd voor verbruik, worden aangeboden voor verkoop of worden verbruikt als aardgas. De vrijstelling is niet van toepassing indien het gebruik van die producten:

7.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, worden verleend.

8.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Artikel 67

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, voor zover het verbruik van warmte in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 5 372 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf maanden.

2.

De teruggaaf wordt verleend aan de gebruiker van de onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het positieve verschil tussen het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, en het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, als aan die gebruiker een hoeveelheid aardgas geleverd zou zijn die correspondeert met de verbruikte warmte.

3.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 68

1.

Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door een verbruiker gedurende dezelfde periode binnen een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.

2.

Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend voor zover met betrekking tot zakelijk verbruik van elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.

3.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 69

1.

Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.

2.

Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij een algemeen nut beogende instelling of bij een instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, mits:

3.

Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die een algemeen nut beogende instelling is of die een instelling is die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en het tweede lid, onderdeel e, mits:

4.

Voor de toepassing van dit artikel en de op dit artikel berustende bepalingen wordt een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelijkgesteld met notarieel verleden statuten indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.

5.

De teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend aan de gebruiker van de desbetreffende onroerende zaak en bedragen 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.

6.

De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting.

7.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in dit artikel, worden verleend.

8.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 70

1.

Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit die worden gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel d, bedoelde wijze.

2.

Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, eerste volzin, eerste aandachtsstreepje, bedoelde wijze.

3.

Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, vierde lid, eerste volzin, tweede aandachtsstreepje, vijfde en zesde lid, bedoelde wijze.

4.

Op verzoek wordt aan de verbruiker van wie geen belasting wordt geheven als bedoeld in artikel 53 teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid bedoelde wijze.

5.

Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, worden verleend.

6.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 71

1.

De belastingplichtigen, bedoeld in artikel 53, eerste en tweede lid, voeren een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.

3.

Bij regeling van Onze Minister worden voorwaarden gesteld aan de administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt of waarin stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen.

Hoofdstuk VII. Vliegbelasting

Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Artikel 80

Vervallen

Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen

Artikel 81

Vervallen

Artikel 82

Vervallen

Artikel 83

Vervallen

Artikel 84

Vervallen

Artikel 85

Vervallen

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 86

Vervallen

Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing

Artikel 87

Vervallen

Artikel 88

Vervallen

Hoofdstuk VIA. Minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 89

1.

De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan.

2.

Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot een negatief bedrag verleent de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag. Het verzoek om teruggaaf geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarover de belasting berekend is.

Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht

Artikel 90

De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 18, 28, 43, 59, eerste en derde lid, 71p, eerste en tweede lid, en 77 vermelde bedragen. Het bepaalde in de eerste zin vindt tevens toepassing op de bedragen voor het kalenderjaar 2025 en volgende kalenderjaren, genoemd in artikel 71y, eerste lid, met dien verstande dat daarbij telkens voor elk betreffend kalenderjaar de tabelcorrectiefactor wordt toegepast die op dat kalenderjaar ziet en voorts die tabelcorrectiefactor telkens eveneens wordt toegepast op de bedragen voor de kalenderjaren die op dat kalenderjaar volgen.

Artikel 91

2.

Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het derde lid bedoelde kennisgeving.

3.

Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan geven, stelt hij de belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.

Artikel 92

1.

Bij de toepassing van artikel 89 wordt voor de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting , de energiebelasting en de vliegbelasting een vermindering op de verschuldigde belasting toegepast, voor zover komt vast te staan dat een door de belastingplichtige ter zake te ontvangen bedrag niet is en niet zal worden ontvangen.

2.

De aanspraak op de vermindering van belasting ontstaat op het tijdstip waarop komt vast te staan dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet is en niet zal worden ontvangen, met dien verstande dat deze aanspraak uiterlijk ontstaat één jaar na het tijdstip waarop het geheel of gedeeltelijk niet ontvangen bedrag opeisbaar is geworden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)