Wet van 23 december 1994, houdende vaststelling van de Wet belastingen op milieugrondslag
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 4. Tarief
Artikel 36l
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot halfzware olie, gasolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas, voor zover de hoeveelheid die door een verbruiker is betrokken hoger is dan 159 000 L halfzware olie, 153 000 L gasolie onderscheidenlijk 119 000 kilogram vloeibaar gemaakt petroleumgas per kalenderjaar.
De teruggaaf bedraagt:
- a. indien voornoemde producten zijn belast naar het tarief, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdelen a, b en c:
- –. voor halfzware olie, per 1000 L € 148,28;
- –. voor gasolie, per 1000 L € 149,52; en
- –. voor vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 176,88;
- b. indien voornoemde producten zijn belast naar het tarief, bedoeld in artikel 36i, derde lid:
- –. voor halfzware olie, per 1000 L € 2,1204;
- –. voor gasolie, per 1000 L € 2,1383; en
- –. voor vloeibaar gemaakt petroleumgas, per 1000 kilogram € 2,5293.
De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend aan degene die de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief als bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel d, voor het verbruik niet hoger dan 5000 m3, voorzover het verbruik van warmte in een onroerende zaak die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 158 000 MJ per verbruiksperiode van 12 maanden.
De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het derde lid bedoelde onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het verschil tussen het tarief, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel d, voor het verbruik niet hoger dan 5000 m3 en het tarief voor het verbruik gelegen tussen 5000 m3 en 170 000 m3.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door een verbruiker in een verbruiksperiode van 12 maanden van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
De teruggaaf, bedoeld in het vijfde lid, wordt verleend aan de verbruiker.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.
De teruggaaf, bedoeld in het zevende lid, wordt verleend aan de gebruiker van de in het zevende lid bedoelde onroerende zaken. De teruggaaf bedraagt 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste, derde, vijfde, zevende, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende en zestiende lid, wordt verleend.
Artikel 27, derde tot en met vijfde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
De teruggaafregeling, bedoeld in het zevende lid, is onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen, eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij een charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling, mits:
- a. de instelling beschikt over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende doelstelling blijkt;
- b. de feitelijke werkzaamheden van de instelling overeenkomen met de doelstelling;
- c. de instelling niet of slechts in beperkte mate werkzaam is op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
- d. de instelling niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
- e. de instelling beschikt over een eigen aansluiting.
Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in de eerste volzin, aanhef en onderdeel a, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
De teruggaafregeling, bedoeld in de eerste volzin, is onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen, eveneens van toepassing met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij instellingen die een sociaal belang behartigen.
Onder bij regeling van Onze Minister te stellen nadere voorwaarden en beperkingen wordt op verzoek teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, gebruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die charitatief, cultureel, wetenschappelijk of het algemeen nut beogend is dan wel een sociaal belang behartigt, mits:
- a. de instellingen die de onroerende zaak gebruiken beschikken over notarieel verleden statuten waaruit de charitatieve, culturele, wetenschappelijke, het algemeen nut beogende of sociaal belang behartigende doelstelling blijkt;
- b. de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert beschikt over notarieel verleden statuten waaruit blijkt dat de instelling zich uitsluitend beheer en exploitatie van de onroerende zaak ten nutte van instellingen als bedoeld in onderdeel a ten doel stelt;
- c. de feitelijke werkzaamheden van de instellingen, bedoeld in onderdelen a en b, overeenkomen met de doelstelling;
- d. de instellingen, bedoeld in onderdeel a, niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
- e. de instellingen, bedoeld in onderdelen a en b, niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen dan wel daarvan zijn vrijgesteld;
- f. de instelling, bedoeld in onderdeel b, beschikt over een eigen aansluiting.
De teruggaaf, bedoeld in de eerste volzin, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting. Een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt gelijkgesteld met notarieel verleden statuten als bedoeld in de eerste volzin, onderdeel a en onderdeel b, indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d tot en met f, die worden gebruikt op een in artikel 36k, eerste lid, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in artikel 36k, derde lid, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en overige gassen die worden gebruikt op een in artikel 36k, vierde lid, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voorzover met betrekking tot zakelijk verbruik van aardgas boven de 10 000 000 m3 of elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.
Artikel 36m
Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen van aardgas en elektriciteit, voor zover de door de belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, ter zake te ontvangen bedragen niet zijn en niet zullen worden ontvangen.
Artikel 27, derde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 36n
De belastingplichtige, bedoeld in artikel 36e, tweede lid, is gehouden een administratie te voeren zodanig dat - voor zover dat voor de heffing van de belasting van belang kan zijn - daaruit te allen tijde duidelijk blijken:
- a. de gegevens betreffende de door hem verrichte leveringen;
- b. de gegevens betreffende de toepassing van de in artikel 36i, eerste lid, onderdelen d en g, bedoelde hoeveelheidgrenzen.
Bij toepassing van artikel 36e, derde en negende lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichtingen moet worden voldaan.
Afdeling 8. Bijzondere regeling voor op duurzame wijze geproduceerde energie
Artikel 36o
Vervallen
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 36p
Vervallen
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 36q
Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister, mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt voorzien in een regeling op grond waarvan, onder daarbij te stellen voorwaarden, vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering van zakelijk verbruikte elektriciteit bij een verbruik boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting, voor het gedeelte van de geleverde hoeveelheid per verbruiksperiode van 12 maanden per aansluiting dat hoger is dan 10 000 000 kWh, indien de verbruiker in het kader van met Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gemaakte afspraken verplichtingen op zich heeft genomen ter verbetering van de energie-efficiëntie en hij als energie-intensief bedrijf wordt aangemerkt.
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 36r
Vervallen
Afdeling 6. Teruggaven
Artikel 36s
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Afdeling 6. Teruggaven
Artikel 36t
Vervallen
Hoofdstuk VI. Algemene bepalingen
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 37
Ter zake van uitslag wordt de belasting geheven van de vergunninghouder van de inrichting.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 33, tweede lid, geheven van degene die de kolen voorhanden heeft.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 37a
De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 9, eerste lid en derde lid, 10, 11g, 18, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, 25, eerste en vierde lid, 36i, eerste, derde, vierde en zesde lid, en 36l, eerste lid, onderdelen a en b, vermelde bedragen.
Artikel 38
Een plaats kan alleen als inrichting worden gebruikt indien daartoe een vergunning is verstrekt door de inspecteur.
Als inrichting kan worden aangemerkt:
- a. een plaats waar kolen worden vervaardigd;
- b. een plaats waar geen kolen worden vervaardigd maar die dient voor de opslag van kolen, indien de hoeveelheid kolen die gemiddeld over een jaar voorhanden is meer bedraagt dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen hoeveelheid.
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 38a
Onze Ministers zenden binnen twee en een half jaar na de inwerkingtreding van de bepalingen inzake de grondwaterbelasting en de afvalstoffenbelasting aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoerbaarheid van deze bepalingen alsmede over de mogelijk in de praktijk gebleken negatieve milieu-effecten en economische problemen.
Artikel 38b
Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer uiterlijk 1 juli 2002 aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoering en de werking van artikel 36p alsmede over de wenselijkheid van handhaving van de desbetreffende regeling.
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Artikel 39
Degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek dient te bevatten.
In afwijking van artikel 38, tweede lid, kan, indien degene die een vergunning voor een inrichting wil verkrijgen niet beschikt over een plaats waar kolen worden vervaardigd dan wel opgeslagen, een verzoek om een vergunning voor een inrichting door de inspecteur worden toegewezen, indien deze persoon in Nederland is gevestigd en in de uitoefening van zijn onderneming optreedt als:
- a. handelaar in kolen, maar de door hem gekochte kolen niet zelf in opslag neemt, of
- b. tussenpersoon die de kolen niet zelf in opslag neemt.
De artikelen 43 tot en met 50 van de Wet op de accijns zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 40
Ter zake van uitslag wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van de uitslag.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 33, tweede lid, verschuldigd op het tijdstip van de aanvang van het voorhanden hebben van de kolen.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 2. Grondslag, belastingplicht en verschuldigdheid
Afdeling 3. Maatstaf van heffing
Hoofdstuk V
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 6a. Overige bepalingen
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Afdeling 6. Teruggaven
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Afdeling 6. Teruggaven
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 5. Vrijstellingen
Afdeling 6. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 5. Vrijstellingen
Afdeling 6. Teruggaaf
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 4. Tarief
Afdeling 5*. Vrijstelling
Hoofdstuk V. Kolenbelasting
Afdeling 7*. Verplichting ten dienste van de belastingheffing
Afdeling 8. Overgangsregeling
Artikel 41
Ter zake van de belasting bij invoer zijn de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, met uitzondering van artikel 88 van de Gedelegeerde Verordening Douanewetboek van de Unie, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 42
De belasting wordt berekend over het gewicht van de kolen, uitgedrukt in kilogram.
Artikel 43
Het tarief bedraagt per 1000 kilogram kolen € 18,85.
Artikel 44
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt anders dan als brandstof.
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit.
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de uitslag en de invoer van kolen die duaal worden gebruikt.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing
Artikel 45
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een in artikel 44, eerste tot en met derde lid, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot kolen die – anders dan vanuit een inrichting – zijn gebracht naar een andere lidstaat dan wel een derde land.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de indiening van het verzoek en de wijze waarop kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden voor teruggaaf wordt voldaan.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing
Artikel 46
De belastingplichtige voert een administratie waaruit, voor zover dat voor de heffing van belang kan zijn, de gegevens betreffende het vervaardigen, invoeren, uitslaan en gebruik van kolen duidelijk blijken.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen, ter verzekering van de heffing van de belasting, regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. het vervoer van kolen;
- b. het leveren van kolen;
- c. het voorhanden hebben van kolen buiten een inrichting.
Het tweede lid is niet van toepassing op kolen die zijn geplaatst onder een EU-douaneregeling.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Hoofdstuk VI. Energiebelasting
Afdeling 4. Tarief
Artikel 47
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. motorrijtuig: hetgeen ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de accijns onder dit begrip wordt verstaan;
- b. vervallen;
- c. vervallen;
- d. verbruiksperiode:
- 1°. in gevallen waarin periodiek voorschotnota’s worden uitgereikt of, indien geen voorschotnota’s worden uitgereikt, periodiek voorschotbedragen worden ontvangen, gevolgd door een jaarlijkse eindfactuur: het tijdvak waarop de eindfactuur betrekking heeft;
- 2°. in overige gevallen: kalenderjaar;
- e. eindfactuur: definitieve jaarlijkse factuur waarin verrekening plaatsvindt met de voorschotnota’s of voorschotbedragen die betrekking hebben op de verbruiksperiode waarop de jaarlijkse factuur ziet;
- f. aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd; een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten;
- g. installatie voor elektriciteitsopwekking: een zelfstandige installatie waarin elektriciteit wordt opgewekt door middel van aardgas of elektriciteit, waarbij tot de installatie behoren onderdelen die rechtstreeks worden ingezet voor het opwekken van elektriciteit, daarmee in technisch verband staan en gevolgen kunnen hebben voor het opwekken van elektriciteit, alsmede onderdelen die zijn aangebracht uit het oogpunt van milieuverbetering, veiligheid of efficiëntie;
- h. installatie voor blokverwarming: een gemeenschappelijke voorziening voor de verwarming van meer dan een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken;
- i. hernieuwbare energiebronnen: wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas;
- j. biomassa: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
- k. zuivere biomassa: producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken die geheel biologisch afbreekbaar zijn, alsmede industrieel en huishoudelijk afval dat geheel biologisch afbreekbaar is;
- l. Nm3: een normaalkubiekemeter;
- m. aardgas: producten van de GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00;
- n. elektriciteit: elektrische energie van de GN-code 2716;
- o. brandstof: stof – met inbegrip van alle daaraan toegevoegde stoffen – dienende voor verbranding met het doel de daarbij ontstane energie te benutten;
- p. kosten van de aankoop van energieproducten en elektriciteit, productiewaarde en toegevoegde waarde: hetgeen ingevolge artikel 17, eerste lid, onderdeel a, van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PbEU 2003, L 283) onder deze begrippen wordt verstaan;
- q. CNG: aardgas dat na compressie geschikt is voor de aanwending in motorrijtuigen;
- r. CNG-vulstation: een rechtstreeks op het distributienet van aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen;
- s. zakelijk verbruik: verbruik door een zakelijke eenheid die zelfstandig, op ongeacht welke plaats, leveringen van goederen en diensten verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die economische activiteiten. Economische activiteiten omvatten alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of verrichter van diensten, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Rijks-, regionale en lokale overheden, alsmede andere publiekrechtelijke lichamen worden als zakelijke eenheid aangemerkt voor zover zij werkzaamheden of transacties verrichten die bij een behandeling als niet-zakelijke eenheid tot concurrentieverstoring van enige betekenis zouden leiden;
- t. niet-zakelijk verbruik: verbruik anders dan het zakelijk verbruik, bedoeld in onderdeel t;
- u. productie-installatie: installatie als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, die bestemd is voor de productie van elektriciteit;
- v. walstroominstallatie: een installatie aan land die het mogelijk maakt om schepen die zijn afgemeerd te voorzien van elektriciteit en die beschikt over een zelfstandige aansluiting of die is voorzien van een comptabele meetinrichting die voldoet aan bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden;
- w. energieopslag: het omzetten van elektrische energie in een vorm van energie die kan worden opgeslagen, het opslaan van dergelijke energie, en de daaropvolgend omzetting van dergelijke energie in elektrische energie;
- x. energieopslagfaciliteit: een installatie waar energieopslag plaatsvindt;
- y. eindafrekening: de laatste factuur aan de verbruiker die wordt opgemaakt bij het beëindigen van het contract;
- z. begunstigde: een onderneming als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die staatssteun ontvangt als gevolg van een steunmaatregel;
- aa. kmo: een kleine, middelgrote onderneming of micro-onderneming als bedoeld in bijlage I van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);
- ab. EAN-code: uniek identificatienummer conform de Europese Artikel Nummering betreffende de aansluiting;
- ac. waterstof: producten van de GN-code 2804 1000.
Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van het begrip zuivere biomassa.
Onder levering van aardgas, onderscheidenlijk elektriciteit, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan ingevolge de Wet op de omzetbelasting 1968.
Met betrekking tot elektriciteit wordt onder distributienet verstaan een transmissie- of distributiesysteem voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, met uitzondering van een distributiesysteem voor elektriciteit met een spanningsniveau van ten hoogste 0,4 kilovolt en een verbruik van ten hoogste 0,1 GWh per jaar, indien een ander dan een distributiesysteembeheerder voor elektriciteit als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet een recht van gebruik heeft van dat systeem.
Met betrekking tot aardgas wordt onder distributienet verstaan een transmissie- of distributiesysteem voor gas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet.
Indien in een tijdvak van 18 maanden een of meerdere voorschotnota’s worden uitgereikt dan wel een of meerdere voorschotbedragen worden ontvangen en uiterlijk binnen 13 weken na afloop van dat tijdvak geen eindfactuur wordt uitgereikt, wordt dat tijdvak van 18 maanden aangemerkt als verbruiksperiode.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, onder 2°, is de verbruiksperiode in de aldaar bedoelde gevallen:
- a. ingeval de overeenkomst tot levering in de loop van het kalenderjaar aanvangt en niet voorafgegaan is door een overeenkomst tot levering bij dezelfde leverancier: het gedeelte van het kalenderjaar vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst tot levering aanvangt;
- b. ingeval de overeenkomst tot levering in de loop van het kalenderjaar wordt beëindigd en niet wordt opgevolgd door een overeenkomst tot levering bij dezelfde leverancier en ter zake van deze beëindiging een eindafrekening wordt opgemaakt: het gedeelte van het kalenderjaar tot het tijdstip waarop de overeenkomst tot levering eindigt.
Afdeling 5. Vrijstellingen
Artikel 48
Onder de naam energiebelasting wordt een belasting geheven op aardgas en elektriciteit.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt als aardgas mede aangemerkt elk product dat direct of indirect is bestemd voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als aardgas.
In afwijking van het tweede lid wordt voor de toepassing van de artikelen 47, zesde lid, 55, 59 tot en met 62 en 64, derde lid, en de op die artikelen berustende bepalingen waterstof niet als aardgas aangemerkt.
Artikel 49
Vervallen
Artikel 50
De belasting wordt geheven ter zake van de levering van aardgas of elektriciteit via een aansluiting aan de verbruiker, alsmede ter zake van de levering van aardgas via een aansluiting aan een CNG-vulstation.
Indien de verbruiker, bedoeld in het eerste lid, via een aansluiting elektriciteit op het distributienet heeft ingevoed ter zake waarvan artikel 2.31 van de Energiewet wordt toegepast, is het eerste lid van toepassing op het positieve saldo van de via de aansluiting geleverde elektriciteit minus de via de aansluiting ingevoede elektriciteit.
De belasting wordt voorts geheven ter zake van:
- a. de levering, anders dan via een aansluiting, van aardgas of elektriciteit aan de verbruiker, of van aardgas aan een CNG-vulstation;
- b. het verbruik van aardgas of elektriciteit, indien dit product is verkregen door tussenkomst van een energiehandelsmarkt als bedoeld in artikel 1.1 Energiewet of een waterstofbeurs en geen sprake is van een levering via een aansluiting;
- c. het verbruik van aardgas of elektriciteit door degene die leveringen aan de verbruiker verricht of het verbruik van elektriciteit door een organisatorische eenheid die een energieopslagfaciliteit exploiteert;
- d. het verbruik van aardgas of elektriciteit, indien het aardgas of de elektriciteit is verkregen op andere wijze dan door een levering.
Indien een levering van aardgas of elektriciteit wordt verricht aan een organisatorische eenheid die zich bezighoudt met het leveren van aardgas of elektriciteit of die een energieopslagfaciliteit exploiteert dan wel aan een verbruiker die op zijn beurt het geleverde aardgas of de geleverde elektriciteit levert aan een verbruiker, wordt eerstgenoemde levering niet aangemerkt als een levering als bedoeld in het eerste lid of het derde lid, onderdeel a.
Het derde lid, onderdeel a, is niet van toepassing met betrekking tot de levering van elektriciteit aan een huurder van een woning, voor zover die elektriciteit door de verhuurder van die woning is opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, waarbij de productie-installatie is aangebracht op of aan het gebouw met toebehoren waarvan de woning onderdeel uitmaakt, dan wel op of aan de bij dat gebouw behorende grond met toebehoren.
Het derde lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing met betrekking tot het verbruik van:
- a. elektriciteit die de verbruiker heeft opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen, met uitzondering van elektriciteit uit biomassa die niet als zuivere biomassa wordt aangemerkt;
- b. elektriciteit die de verbruiker heeft opgewekt door middel van een noodinstallatie in geval van storingen bij de levering via het distributienet;
- c. stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas dat de verbruiker heeft gewonnen;
- d. elektriciteit die de verbruiker heeft opgewekt door middel van een installatie voor elektriciteitsopwekking met een totaal opgesteld elektrisch vermogen van niet meer dan 20 megawatt.
Bij of krachtens op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaraan een organisatorische eenheid die een energieopslagfaciliteit exploiteert moet voldoen.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 51
Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt als verbruik in de zin van artikel 50, derde lid, onderdeel d, niet aangemerkt het verbruik van aardgas voor de vervaardiging van aardgas en minerale oliën als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet op de accijns, in dezelfde inrichting waarin dat aardgas is ontstaan.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 52
Vervallen
Artikel 53
De belasting wordt geheven van degene die de levering verricht.
In afwijking van het eerste lid wordt bij toepassing van artikel 50, derde lid, onderdelen b, c en d, de belasting geheven van de verbruiker.
In afwijking van het eerste lid, wordt bij een levering van elektriciteit waarbij sprake is van peer-to-peer handel als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, de belasting geheven van de marktdeelnemer die de automatische uitvoering en afwikkeling van de levering realiseert.
Artikel 54
Voor de toepassing van artikel 53, eerste lid, stelt degene die de levering aan de verbruiker verricht, indien hij niet in Nederland is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft, een fiscaal vertegenwoordiger aan. De fiscaal vertegenwoordiger treedt namens hem op en treedt in zijn plaats met betrekking tot alle rechten en verplichtingen die hij heeft inzake de belasting.
De fiscaal vertegenwoordiger is in het bezit van een daartoe door de inspecteur verstrekte vergunning.
Degene die een vergunning als fiscaal vertegenwoordiger wil verkrijgen, dient daartoe een verzoek in bij de inspecteur.
Bij het verzoek, bedoeld in het derde lid, wordt een verklaring overgelegd van degene die de levering aan de verbruiker verricht waaruit blijkt dat deze degene die het verzoek indient, machtigt op te treden als zijn fiscaal vertegenwoordiger.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de gegevens die het verzoek, bedoeld in het derde lid, moet bevatten alsmede met betrekking tot voorwaarden waaronder de vergunning wordt verleend, gewijzigd en ingetrokken.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 55
De belasting wordt berekend:
- a. voor aardgas: per eenheid brandstof, uitgedrukt in kubieke meter, met inachtneming van de bij of krachtens de Energiewet gestelde regels ter bepaling van de geleverde hoeveelheid;
- b. voor elektriciteit en waterstof: per eenheid energie-inhoud, uitgedrukt in kWh.
Artikel 56
De belasting met betrekking tot de levering van aardgas en de levering van elektriciteit wordt verschuldigd:
- a. in gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen:
- 1°. op het tijdstip waarop een voorschotnota wordt uitgereikt onderscheidenlijk een voorschotbedrag wordt ontvangen; alsmede
- 2°. op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over een verbruiksperiode, dan wel, bij toepassing van artikel 47, zesde lid, op de laatste dag van het aldaar bedoelde tijdvak van 18 maanden;
- b. in gevallen waarin geen voorschotnota wordt uitgereikt of voorschotbedrag wordt ontvangen, maar wel een factuur wordt uitgereikt: op het tijdstip van de uitreiking van de factuur;
- c. in overige gevallen: op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, worden de hoeveelheden aardgas en elektriciteit, waarop de voorschotnota dan wel het voorschotbedrag is gebaseerd, aangemerkt als geleverde hoeveelheden.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting bij toepassing van artikel 50, derde lid, onderdelen b, c en d, verschuldigd op het tijdstip waarop het verbruik plaatsvindt.
Indien de verrekening, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel e, leidt tot een lager bedrag dan over de verbruiksperiode aan belasting is voldaan, wordt het verschil in mindering gebracht op de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur is uitgereikt.
Artikel 57
Indien in een verbruiksperiode ten aanzien van degene van wie op grond van artikel 53, tweede lid, de belasting wordt geheven zowel sprake is van door hem op grond van artikel 53, tweede lid, verschuldigde belasting als van aan hem in rekening gebrachte belasting ter zake van aan hem geleverde hoeveelheden aardgas of elektriciteit, wordt in totaal niet meer belasting geheven dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien de totale hoeveelheid aardgas of elektriciteit was betrokken van één leverancier, met dien verstande dat de belasting primair wordt geheven van degene, bedoeld in artikel 53, eerste lid.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Artikel 58
Vervallen
Artikel 59
Het tarief bedraagt voor:
- a. aardgas, met uitzondering van aardgas als bedoeld in onderdeel b, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm3 voor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
- –. niet hoger is dan 1 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,60066;
- –. hoger is dan 1 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 170 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,60066;
- –. hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,33085;
- –. hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,21396;
- –. hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter € 0,05313;
- b. aardgas, met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm3, dat wordt geleverd aan een CNG-vulstation € 0,20928 per kubieke meter;
- c. elektriciteit voor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
- –. niet hoger is dan 2 900 kWh, per kWh € 0,09161;
- –. hoger is dan 2 900 kWh, maar niet hoger dan 10 000 kWh, per kWh € 0,09161;
- –. hoger is dan 10 000 kWh, maar niet hoger dan 50 000 kWh, per kWh € 0,06671;
- –. hoger is dan 50 000 kWh, maar niet hoger dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,03735;
- –. hoger is dan 10 000 000 kWh, per kWh € 0,00379 voor niet-zakelijk verbruik en per kWh € 0,00310 voor zakelijk verbruik;
- d. waterstof per kWh het tarief voor zakelijk gebruik, genoemd in onderdeel c, vijfde aandachtsstreepje.
Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, worden de in het eerste lid, onderdelen a en b, genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas het tarief, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje, per kubieke meter voor de totale hoeveelheid aardgas die wordt geleverd aan een verbruiker die dat aardgas gebruikt voor een installatie voor blokverwarming niet zijnde een installatie voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of van warmte opgewekt met vaste, vloeibare of gasvormige biomassa, aquathermie, een lucht-water-warmtepomp of een elektrische boiler.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en d, bedragen de tarieven nihil voor in artikel 48, tweede lid, als aardgas aangemerkte producten en waterstof voor zover deze als brandstof worden gebruikt in de inrichting waarin zij zijn ontstaan.
Indien bij een aansluiting sprake is van zowel zakelijk verbruik als niet-zakelijk verbruik, worden de tarieven, genoemd in het eerste lid, voor verbruik boven 10 000 000 kWh toegepast naar evenredigheid van elk type verbruik. Indien het verbruik nagenoeg geheel bestaat uit zakelijk verbruik of niet-zakelijk verbruik, wordt het volledige verbruik als zodanig aangemerkt.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste en derde lid.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de toepassing van het eerste lid.
Artikel 60
In afwijking van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, bedraagt het tarief voor aardgas voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten voor aardgas met een bovenste verbrandingswaarde van 35,17 megajoule per Nm3, voor dat gedeelte van de geleverde dan wel verbruikte hoeveelheid per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting dat:
- –. niet hoger is dan 170 000 kubieke meter, per kubieke meter 30% van het tarief, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tweede aandachtsstreepje;
- –. hoger is dan 170 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 1 000 000 kubieke meter, per kubieke meter 48% van het tarief, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, derde aandachtsstreepje;
- –. hoger is dan 1 000 000 kubieke meter, maar niet hoger dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter 100% van het tarief, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, vierde aandachtsstreepje;
- –. hoger is dan 10 000 000 kubieke meter, per kubieke meter 100% van het tarief, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, vijfde aandachtsstreepje.
De tarieven, genoemd in het eerste lid, zijn niet van toepassing als de verbruiker een onderneming in moeilijkheden is. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter vaststelling wanneer de verbruiker moet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.
Indien behalve voor het in het eerste lid vermelde doel mede aardgas wordt toegepast in één of meerdere woonhuizen, wordt per verbruiksperiode van twaalf maanden per woonhuis een geleverde hoeveelheid van 5000 kubieke meter in de heffing betrokken naar de tarieven, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, tenzij de geleverde hoeveelheden voor de verschillende toepassingen en de verschillende woonhuizen afzonderlijk worden gemeten.
Bij aardgas met een bovenste verbrandingswaarde die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, worden de in het eerste lid genoemde tarieven naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd alsmede de hoeveelheidsgrenzen naar evenredigheid verhoogd onderscheidenlijk verlaagd.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid.
Indien een begunstigde staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt de belastingplichtige:
- a. aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit jaarlijks vóór een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen datum en op een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen wijze ten aanzien van die begunstigde de volgende gegevens en inlichtingen die worden gebruikt in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit paragraaf 3.2.1.4, punt 58, onder (b), van de Richtsnoeren 2022/C 80/01 staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022 met betrekking tot transparantievereisten:
- 1°. de naam en het adres van de begunstigde en de provincie waarin deze is gevestigd;
- 2°. het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007;
- 3°. de datum waarop de steun voor het eerst is verleend;
- 4°. per EAN-code het bedrag van de staatssteun in het betreffende kalenderjaar;
- b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Een begunstigde die staatssteun ontvangt als gevolg van de toepassing van dit artikel verstrekt:
- a. aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op diens verzoek gegevens en inlichtingen waaruit blijkt of de begunstigde een kmo is, indien op basis van gegevens en inlichtingen als bedoeld in het zesde lid, onderdeel a, blijkt dat de begunstigde in een kalenderjaar meer staatssteun heeft ontvangen als gevolg van de toepassing van dit artikel dan het drempelbedrag, bedoeld in paragraaf 3.2.1.4, punt 58, onder (b), van de Richtsnoeren 2022/C 80/01 staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2022, en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de op grond van dit onderdeel te verstrekken gegevens en inlichtingen nodig heeft om te bepalen of de begunstigde een kmo is;
- b. aan Onze Minister op diens verzoek gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn in het kader van artikel 108, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voor zover de belastingplichtige niet over de noodzakelijke gegevens en inlichtingen beschikt.
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan een last onder dwangsom opleggen ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, of zevende lid, onderdeel a.
Ten behoeve van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens het zesde lid, onderdeel a, verstrekt de inspecteur indien hij hierover beschikt aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit:
- a. de naam van de belastingplichtige die het eerste lid toepast;
- b. het nummer, bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007, het adres, telefoonnummer en e-mailadres van die belastingplichtige.
Artikel 61
Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de hoeveelheidsgrenzen, genoemd in artikel 59, eerste lid, artikel 60, eerste en derde lid, 67, eerste lid, en 68, tweede lid, naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
Artikel 62
Indien op basis van een contract tussen de belastingplichtige en de verbruiker de geleverde hoeveelheid aardgas gemeten wordt in Nm3, worden de tarieven toegepast, zoals die met betrekking tot aardgas in artikel 59, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, en artikel 60, eerste lid, worden toegepast per kubieke meter.
Afdeling 3. Maatstaf van heffing en verschuldigdheid
Artikel 63
Op de ter zake van de levering van elektriciteit, bedoeld in artikel 50, eerste lid, verschuldigde belasting wordt een vermindering toegepast met betrekking tot onroerende zaken die op zich als gebouwde eigendommen zijn aan te merken en die kunnen dienen als woning of ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf of beroep of anderszins een verblijfsfunctie hebben. De vermindering bedraagt € 519,80 per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting.
Indien het bedrag van de over de verbruiksperiode verschuldigde belasting lager is dan het bedrag van de vermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt het verschil aan de verbruiker terugbetaald.
In de gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen, wordt bij de berekening van het voorschotbedrag naar evenredigheid rekening gehouden met de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid.
Bij een verbruiksperiode korter dan wel langer dan twaalf maanden worden de in het eerste lid genoemde bedragen naar evenredigheid verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.
Bij toepassing van artikel 50, derde lid, zijn het eerste en vierde lid van overeenkomstige toepassing.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur kunnen voorwaarden en beperkingen worden gesteld waaronder de belastingvermindering, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 64
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van:
- a. aardgas dat wordt gebruikt in een installatie voor elektriciteitsopwekking tot een volume dat correspondeert met 0,2635 Nm3 per opgewekte kWh elektriciteit;
- b. aardgas dat wordt gebruikt in een installatie voor elektriciteitsopwekking met behulp waarvan elektriciteit wordt opgewekt uitsluitend door middel van hernieuwbare energiebronnen en elektriciteit;
- c. elektriciteit die wordt gebruikt in een installatie voor elektriciteitsopwekking; en
- d. elektriciteit en aardgas die worden gebruikt voor de instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt bij een installatie voor elektriciteitsopwekking met een totaal opgesteld elektrisch vermogen van niet meer dan 20 megawatt vrijstelling van de belasting verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor het opwekken van elektriciteit tot een hoeveelheid die correspondeert met 0,2635 Nm3 per kWh elektriciteit die de exploitant van de installatie invoedt op een distributienet alsmede 0,1498 Nm3 per kWh elektriciteit die de exploitant van de installatie niet invoedt op een distributienet. De hoeveelheid opgewekte elektriciteit die wordt betrokken bij de berekening van de hoeveelheid aardgas waarvoor de per verbruiksperiode te berekenen vrijstelling wordt verleend is maximaal de hoeveelheid elektriciteit die de exploitant heeft opgewekt met de installatie.
Indien het aardgas, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en in het tweede lid, een bovenste verbrandingswaarde heeft die lager of hoger is dan 35,17 megajoule per Nm3, wordt het volume, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, naar evenredigheid verhoogd, onderscheidenlijk verlaagd.
Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van:
- –. elektriciteit die wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procedés; en
- –. aardgas dat wordt gebruikt voor metallurgische procedés.
Als levering of verbruik van elektriciteit voor elektrolytische procedés wordt in ieder geval aangemerkt de levering of het verbruik van elektriciteit voor de productie van waterstof, waaronder wordt verstaan de demineralisatie of elektrolyse van water alsmede de purificatie en compressie van de uit dit water ontstane waterstof.
Als metallurgische procedés worden aangemerkt:
- a. de vervaardiging van metalen in primaire vorm;
- b. smeden, persen, stampen en profielwalsen van metaal;
- c. oppervlaktebehandeling bestaande uit harden of warmtebehandeling van metalen.
De vrijstelling voor metallurgische procedés geldt alleen voor bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 6 september 2025 van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 24 of 25.
Vrijstelling van de belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt voor mineralogische procedés.
Als mineralogische procedés worden aangemerkt de vervaardiging van glas en glaswerk, de vervaardiging van keramische producten, de vervaardiging van cement, kalk of gips, de vervaardiging van kalkzandsteen of cellenbeton en de vervaardiging van steenwol.
De vrijstelling voor mineralogische procedés geldt alleen voor de bedrijven die volgens de Standaard Bedrijfsindeling van 6 september 2025 van het Centraal Bureau voor de Statistiek behoren tot code 23.
Vrijstelling van belasting wordt verleend ter zake van de levering of het verbruik van aardgas dat wordt gebruikt anders dan als brandstof dan wel aardgas dat wordt gebruikt als additief of als vulstof in producten die direct of indirect zijn bestemd voor verbruik, worden aangeboden voor verkoop of worden verbruikt als aardgas. De vrijstelling is niet van toepassing indien het gebruik van die producten:
- a. niet als verbruik wordt aangemerkt ingevolge artikel 51, eerste lid; of
- b. is onderworpen aan het tarief van nihil, bedoeld in artikel 59, vierde lid.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de vrijstellingen, bedoeld in het eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 65
Vervallen
Artikel 66
Vervallen
Artikel 67
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend voor aardgas dat is belast naar het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, voor zover het verbruik van warmte in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken die door een installatie voor blokverwarming wordt verwarmd, hoger is dan 5 372 000 megajoule per verbruiksperiode van twaalf maanden.
De teruggaaf wordt verleend aan de gebruiker van de onroerende zaak. De teruggaaf bedraagt het positieve verschil tussen het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 59, derde lid, en het bedrag van de belasting dat volgt uit toepassing van artikel 59, eerste lid, onderdeel a, als aan die gebruiker een hoeveelheid aardgas geleverd zou zijn die correspondeert met de verbruikte warmte.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 68
Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, voor zover de belasting over de hoeveelheden aardgas en elektriciteit die door een verbruiker gedurende dezelfde periode binnen een kalenderjaar van verschillende leveranciers zijn betrokken, hoger is dan de belasting die zou zijn verschuldigd indien sprake was van één leverancier.
Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend voor zover met betrekking tot zakelijk verbruik van elektriciteit boven de 10 000 000 kWh per verbruiksperiode van twaalf maanden per aansluiting het tarief voor niet-zakelijk verbruik in rekening is gebracht.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 69
Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die in hoofdzaak is bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard.
Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij een algemeen nut beogende instelling of bij een instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, mits:
- a. de in de aanhef bedoelde instellingen niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
- b. de in de aanhef bedoelde instellingen geen publiekrechtelijk lichaam zijn;
- c. de in de aanhef bedoelde instellingen beschikken over een eigen aansluiting;
- d. de in de aanhef bedoelde algemeen nut beogende instelling niet aan vennootschapsbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
- e. de werkzaamheden van de in de aanhef bedoelde instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, geheel of nagenoeg geheel worden verricht door natuurlijke personen om niet of naar een loon dat in belangrijke mate lager is dan hetgeen in het economische verkeer gebruikelijk is.
Op verzoek wordt teruggaaf verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit, verbruikt in een onroerende zaak die hoofdzakelijk in gebruik is bij meer dan één instelling die een algemeen nut beogende instelling is of die een instelling is die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, en het tweede lid, onderdeel e, mits:
- a. de in de aanhef bedoelde instellingen niet of slechts in beperkte mate werkzaam zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs;
- b. de in de aanhef bedoelde instelling die voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5c, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, beschikt over notarieel verleden statuten waaruit de een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt, dan wel, voor zover het gaat om verenigingen als bedoeld in artikel 26 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek die niet beschikken over notarieel verleden statuten, over door die verenigingen verstrekte verklaringen waaruit de een sociaal belang behartigende doelstelling blijkt;
- c. de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert, beschikt over notarieel verleden statuten waaruit blijkt dat de instelling zich ten doel stelt de onroerende zaak te beheren en exploiteren ten nutte van instellingen als bedoeld in de aanhef;
- d. de feitelijke werkzaamheden van de instelling, bedoeld in onderdeel c, overeenkomen met de doelstelling;
- e. de in de aanhef bedoelde algemeen nut beogende instelling en de instelling, bedoeld in onderdeel c, niet aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen dan wel daarvan zijn vrijgesteld;
- f. de in de aanhef bedoelde instellingen en de instelling, bedoeld in onderdeel c, geen publiekrechtelijk lichaam zijn, en
- g. de instelling, bedoeld in onderdeel c, beschikt over een eigen aansluiting.
Voor de toepassing van dit artikel en de op dit artikel berustende bepalingen wordt een statuut als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelijkgesteld met notarieel verleden statuten indien dit statuut schriftelijk is vastgelegd.
De teruggaven, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend aan de gebruiker van de desbetreffende onroerende zaak en bedragen 50 percent van de aan hem in rekening gebrachte belasting.
De teruggaaf, bedoeld in het derde lid, wordt verleend aan de instelling die de desbetreffende onroerende zaak beheert en exploiteert en bedraagt 50 percent van de aan haar in rekening gebrachte belasting.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in dit artikel, worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 70
Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas en elektriciteit die worden gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel d, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot elektriciteit die wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel c, en vierde lid, eerste volzin, eerste aandachtsstreepje, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt aan de verbruiker teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel b, vierde lid, eerste volzin, tweede aandachtsstreepje, vijfde en zesde lid, bedoelde wijze.
Op verzoek wordt aan de verbruiker van wie geen belasting wordt geheven als bedoeld in artikel 53 teruggaaf van de belasting verleend met betrekking tot aardgas dat wordt gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid bedoelde wijze.
Bij op voordracht van Onze Minister vast te stellen algemene maatregel van bestuur worden voorwaarden en beperkingen gesteld waaronder de teruggaven, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, worden verleend.
Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.
Artikel 71
De belastingplichtigen, bedoeld in artikel 53, eerste en tweede lid, voeren een administratie waaruit duidelijk alle gegevens blijken die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn.
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent de wijze waarop aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan.
Bij regeling van Onze Minister worden voorwaarden gesteld aan de administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt of waarin stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen.
Hoofdstuk VII. Vliegbelasting
Hoofdstuk VIII. Verpakkingenbelasting
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 80
Vervallen
Afdeling 5. Belastingvermindering en vrijstellingen
Artikel 81
Vervallen
Artikel 82
Vervallen
Artikel 83
Vervallen
Artikel 84
Vervallen
Artikel 85
Vervallen
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 86
Vervallen
Afdeling 7. Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing
Artikel 87
Vervallen
Artikel 88
Vervallen
Hoofdstuk VIA. Minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 89
De in een tijdvak verschuldigd geworden belasting moet op aangifte worden voldaan.
Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot een negatief bedrag verleent de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag. Het verzoek om teruggaaf geschiedt bij de aangifte over het tijdvak waarover de belasting berekend is.
Afdeling 2. Grondslag en belastingplicht
Artikel 90
De artikelen 10.1 en 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn van overeenkomstige toepassing op de in de artikelen 18, 28, 43, 59, eerste en derde lid, 71p, eerste en tweede lid, en 77 vermelde bedragen. Het bepaalde in de eerste zin vindt tevens toepassing op de bedragen voor het kalenderjaar 2025 en volgende kalenderjaren, genoemd in artikel 71y, eerste lid, met dien verstande dat daarbij telkens voor elk betreffend kalenderjaar de tabelcorrectiefactor wordt toegepast die op dat kalenderjaar ziet en voorts die tabelcorrectiefactor telkens eveneens wordt toegepast op de bedragen voor de kalenderjaren die op dat kalenderjaar volgen.
Artikel 91
De inspecteur beslist op het verzoek, bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, 27, derde lid, 30, eerste lid, 45, eerste en tweede lid, 54, derde lid, 67, eerste lid, 68, eerste en tweede lid, 69, eerste tot en met derde lid, 70, eerste tot en met derde lid, 70a, eerste lid, 89, tweede lid, en 92, eerste lid, bij een voor bezwaar vatbare beschikking.
Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek geeft de inspecteur een beschikking op dat verzoek, dan wel zendt hij de in het derde lid bedoelde kennisgeving.
Indien de inspecteur de beschikking niet binnen de in het tweede lid genoemde termijn kan geven, stelt hij de belanghebbende daarvan onder opgaaf van redenen in kennis en noemt hij de termijn waarop de beschikking wel zal worden gegeven.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op:
- a. verzoeken aan de inspecteur tot aanwijzing van een teruggaaftijdvak op grond van bepalingen krachtens artikel 45, derde lid;
- b. verzoeken aan de inspecteur tot aanwijzing van een teruggaaftijdvak op grond van bepalingen krachtens artikel 70, vierde lid.
Artikel 92
Bij de toepassing van artikel 89 wordt voor de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting , de energiebelasting en de vliegbelasting een vermindering op de verschuldigde belasting toegepast, voor zover komt vast te staan dat een door de belastingplichtige ter zake te ontvangen bedrag niet is en niet zal worden ontvangen.
De aanspraak op de vermindering van belasting ontstaat op het tijdstip waarop komt vast te staan dat het bedrag, bedoeld in het eerste lid, niet is en niet zal worden ontvangen, met dien verstande dat deze aanspraak uiterlijk ontstaat één jaar na het tijdstip waarop het geheel of gedeeltelijk niet ontvangen bedrag opeisbaar is geworden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)