← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 23 december 1994, tot vaststelling van het uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

Geldende tekst a fecha 2021-01-01

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 3 december 1992, nr. WM92-19, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Afdeling Wetgeving Milieubelastingen, gedaan mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 6, derde lid, 10a, zesde lid, 13, zevende lid, 18a, derde lid, 28, achtste lid, 30, tweede lid, en 38, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag;

De Raad van State gehoord (advies van 18 december 1992, nr. W06.92.0614);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 21 december 1994, nr. WM94-71M, Directoraat-Generaal voor Fiscale Zaken, Afdeling Wetgeving Milieubelastingen, uitgebracht mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen

Artikel 1
2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Grondwaterbelasting

Artikel 2

Vervallen

Artikel 3
1.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht op teruggaaf is ontstaan, en dient uiterlijk te worden gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van twaalf maanden.

2.

Teruggaaf wordt alleen verleend indien de eindfacturen worden overgelegd.

Artikel 4

Voor de toepassing van artikel 22, tweede lid, van de wet wordt de toepassing van stoffen, preparaten of voorwerpen binnen een inrichting waar afvalstoffen worden gestort, geacht hetzij verband te houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uit te maken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, indien de stoffen, preparaten of voorwerpen in de inrichting dienen voor, dan wel bestaan uit:

Hoofdstuk IV. Afvalstoffenbelasting

Artikel 4a

De in artikel 11h van de wet bedoelde vrijstelling wordt slechts verleend indien de belastingplichtige in zijn administratie aantekening houdt van de in dat artikel bedoelde buitengewone omstandigheden die zich hebben voorgedaan.

Artikel 4b

Voor de toepassing van artikel 11i, eerste lid, van de wet wordt ter zake van de vorderingen waarvoor tevens een verzoek als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is gedaan, teruggaaf verleend voor zover ter zake van die vorderingen teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend.

Artikel 4c
1.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 11j, eerste lid, van de wet kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht op teruggaaf is ontstaan, en dient uiterlijk te worden gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden.

2.

Teruggaaf wordt alleen verleend indien de eindfacturen worden overgelegd.

Hoofdstuk III. Afvalstoffenbelasting

Artikel 5

Voor de toepassing van artikel 22, tweede lid, van de wet wordt de toepassing van stoffen, preparaten of voorwerpen binnen een inrichting waar afvalstoffen worden verbrand, geacht hetzij verband te houden met de bedrijfsvoering van de inrichting, hetzij deel uit te maken van het bedrijfsproces dat leidt tot de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, indien de stoffen, preparaten of voorwerpen in de inrichting dienen voor de activiteiten, dan wel bestaan uit de materialen of voorwerpen, bedoeld in artikel 4, onderdelen a, f, g, h, i, of k.

Artikel 5a

Het tarief, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, voor afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1100 kilogram per kubieke meter vindt slechts toepassing indien aan de artikelen 5b tot en met 5e wordt voldaan.

Artikel 5b

Voor de toepassing van artikel 5a worden de afvalstoffen niet geperst aangeleverd.

Artikel 5c
1.

De afvalstoffen, bedoeld in artikel 5a, worden aangevoerd in een container, een kipwagen, een vaartuig of in een big bag waarvan de inhoud in kubieke meters bekend is.

2.

De inhoud van een container, laadbak van een kipwagen of laadruim van een vaartuig wordt tot op één decimaal nauwkeurig vastgesteld in kubieke meters door:

3.

Bij de toepassing van het tweede lid, aanhef en onderdeel a, worden kopschotten buiten beschouwing gelaten.

4.

De inhoud van een container, de laadbak van een kipwagen of het laadruim van een vaartuig is op een nagelvast aangebrachte plaat aan de linker- en rechterbuitenzijde van de container, de laadbak of het laadruim vermeld.

5.

Op de in het vierde lid aangegeven plaat is tevens het voor de container, de kipwagen of het vaartuig unieke registratienummer aangebracht.

6.

De inhoud en het unieke registratienummer worden in zwarte cijfers en letters van ten minste 15 centimeter hoogte aangebracht op een gele achtergrond.

7.

De inhoud van een big bag is duidelijk leesbaar en op een eenvoudig waarneembare plaats in de zijwanden van de big bag in cijfers en letters van ten minste 20 cm hoogte en in een contrasterende kleur in het weefsel ingeweven of aangebracht.

8.

De afvalstoffen worden aangevoerd op zodanige wijze dat zij binnen de begrenzingen van de container, de laadbak, het laadruim of de big bag blijven.

9.

De administratie van de houder van de inrichting is zodanig ingericht dat daarin op overzichtelijke wijze is opgenomen of en op welke wijze aan de in de voorgaande leden vermelde voorwaarden al dan niet wordt voldaan.

Artikel 5d
1.

De aanbieder van de afvalstoffen, bedoeld in artikel 5a, overhandigt aan de houder van de inrichting voorafgaand aan de aanvoer een lijst van de door hem gebruikte containers, kipwagens of vaartuigen met hun inhoud en registratienummer.

2.

Indien de inhoud van een container, laadbak van een kipwagen of laadruim van een vaartuig is vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 5c, tweede lid, aanhef en onderdeel b, overhandigt de aanbieder van de afvalstoffen aan de houder van de inrichting tevens een gewaarmerkte kopie van het meetrapport dat door het geaccrediteerde laboratorium met betrekking tot de vaststelling van het volume is opgemaakt. De gewaarmerkte kopie bevat tevens het unieke registratienummer, bedoeld in artikel 5c, vijfde lid.

3.

De aanbieder van afvalstoffen in big bags stelt voorafgaand aan de aanvoer van de afvalstoffen de houder van de inrichting in kennis van de aanvoer van afvalstoffen in big bags en geeft daarbij aan het aantal big bags en de inhoud per big bag.

Artikel 5e

Voor de bepaling van het verschuldigde tarief van de afvalstoffenbelasting over de aangevoerde afvalstoffen, bedoeld in artikel 5a, wordt te allen tijde de inhoud toegepast die op de plaat, bedoeld in artikel 5c, vierde lid, is vermeld, onderscheidenlijk die welke op de voet van artikel 5c, zevende lid, op de big bag is aangebracht.

Artikel 6
1.

Een aanvraag als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, eerste zin, van de wet wordt langs elektronische weg ingediend bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, met gebruikmaking van de hiertoe beschikbaar gestelde voorziening. Daarbij worden de bij die voorziening voorgeschreven aanwijzingen opgevolgd.

2.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 6a

Voor de toepassing van artikel 18c, eerste lid, van de wet wordt ter zake van de vorderingen waarvoor tevens een verzoek als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is gedaan, teruggaaf verleend voor zover ter zake van die vorderingen teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend.

Hoofdstuk IV. Brandstoffenbelasting

Artikel 6b
1.

Het verzoek, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet, wordt uiterlijk ingediend op de laatste dag voor de aanvang van het eerste tijdvak waarop het verzoek betrekking heeft.

2.

Op het verzoek is artikel 2, zevende en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.

3.

De beschikking wordt gegeven onder de voorwaarde dat in de administratie van elke partij kolen de energie-inhoud en het koolstofgehalte wordt vastgelegd.

4.

De inspecteur kan de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet, intrekken bij voor bezwaar vatbare beschikking indien de administratie niet langer voldoet aan het derde lid.

5.

In het geval waarin de beschikking op grond van het vierde lid is ingetrokken, kan een hernieuwd verzoek pas vijf jaren na die intrekking worden ingewilligd.

Artikel 6c
1.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de wet, wordt verleend indien degene die kolen gebruikt een verklaring heeft overgelegd aan degene die die kolen aan hem heeft geleverd, dat hij die kolen gebruikt op de in artikel 26, eerste lid, van de wet bedoelde wijze.

2.

Geen vrijstelling wordt verleend indien de in het eerste lid bedoelde kolen worden gebruikt in een installatie voor het opwekken van elektriciteit met een elektrisch vermogen van minder dan 60kW.

3.

In het geval waarin de kolen aan de gebruiker zijn afgeleverd, wordt de vrijstelling, bedoeld in artikel 26, derde lid, van de wet, verleend, indien degene die de kolen gebruikt een verklaring heeft overgelegd aan degene die de kolen aan hem heeft geleverd, dat hij de kolen gebruikt op de in artikel 26, derde lid, van de wet bedoelde wijze.

4.

Degene die de kolen gebruikt richt zijn administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de vrijstelling, bedoeld in artikel 26, eerste en derde lid, van de wet van belang zijnde bedrijfshandelingen.

5.

Indien de belastingplichtige zelf de kolen gebruikt op de in artikel 26, eerste of derde lid, van de wet bedoelde wijze is het vierde lid van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de aan diens administratie te stellen eisen.

Artikel 7
1.

De kennisgever vermeldt in de aanvraag, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, van de wet:

2.

Indien een lager belastingbedrag in aanmerking wordt genomen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet, specificeert de kennisgever in de aanvraag op welke wijze de afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, al dan niet na opslag, sortering of bewerking, zijn of zullen worden verwerkt. De kennisgever vermeldt daartoe:

Bij het gewicht, vermeld ingevolge de onderdelen a tot en met i, specificeert de kennisgever de aard en verwerkingswijze van de afvalstoffen. Indien bij een of meer van genoemde onderdelen sprake is van meer dan één verwerkingswijze, specificeert de kennisgever deze gegevens per verwerkingswijze. Bij de aanvraag verklaart de kennisgever te beschikken over een schriftelijke verklaring van de ontvanger, bedoeld in artikel 2, veertiende lid, EVOA, aan de hand waarvan de hoeveelheden, bedoeld in onderdelen a tot en met i, kunnen worden vastgesteld, onder vermelding van de plaats waar en de datum wanneer de laatstgenoemde verklaring is opgesteld.

3.

De schriftelijke verklaring, bedoeld in het tweede lid, laatste zin, wordt ondertekend door de ontvanger en bevat:

4.

De kennisgever doet de melding, bedoeld in artikel 25a, eerste lid, tweede zin, van de wet op de daartoe bij de voorziening, bedoeld in artikel 6, eerste lid, voorgeschreven wijze.

5.

De kennisgever is gehouden op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat hieruit te allen tijde de gegevens blijken die van belang zijn voor een juiste vaststelling van de hoeveelheden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, daaronder begrepen de verklaring, bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, en de hem ter beschikking staande gegevens die aan die verklaring ten grondslag liggen. De kennisgever is verplicht deze gegevens gedurende zeven jaar te bewaren.

6.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Artikel 7a

Vervallen

Artikel 7b
1.

Het tijdvak waarover de teruggaaf van belasting, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, wordt verleend is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.

2.

Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak waarin kolen zijn gebruikt op de in artikel 28, eerste lid, van de wet bedoelde wijze.

3.

Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens over de bestemming van de kolen waarop de teruggaaf betrekking heeft overgelegd.

4.

De administratie van degene die om teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

5.

Artikel 6c, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet.

Artikel 8
1.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat vermeldt in de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet, de gegevens die de kennisgever ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met h, bij zijn aanvraag heeft verstrekt.

2.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan de gegevens die de kennisgever bij zijn aanvraag heeft verstrekt vergelijken met gegevens die ter zake ingevolge de EVOA zijn verstrekt.

3.

In gevallen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat tevens in de beschikking de gegevens die de kennisgever heeft vermeld in zijn aanvraag ingevolge artikel 7, tweede lid.

4.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Artikel 8a

Het verbruik, bedoeld in artikel 36c, zesde lid, van de wet, van aardgas en overige gassen blijkt uit de administratie.

Artikel 8aa
1.

Het verzoek om een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van de wet bevat de volgende gegevens:

2.

Een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger wordt slechts verleend indien de verzoeker:

3.

De verlening van een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de voorwaarde dat de verzoeker optreedt voor alle leveringen als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van de wet. De inspecteur kan op verzoek hiervan afwijken.

4.

De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:

De buitenlandse leverancier wordt van de intrekking van de vergunning in kennis gesteld, alsmede van de gronden waarop deze berust.

Artikel 8b
1.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 36k, eerste lid, van de wet, wordt verleend indien degene die producten als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onderdelen d tot en met f, van de wet gebruikt een verklaring heeft overgelegd aan degene die het desbetreffende product aan hem heeft geleverd, dat hij dat product gebruikt op de in artikel 36k, eerste lid, van de wet bedoelde wijze.

2.

Geen vrijstelling wordt verleend indien de in artikel 36k, eerste lid, van de wet bedoelde installatie een elektrisch vermogen heeft van minder dan 60 kW.

3.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 36k, derde lid, van de wet, wordt verleend indien degene die de elektriciteit gebruikt een verklaring heeft overgelegd aan degene die die elektriciteit aan hem heeft geleverd, dat hij die elektriciteit gebruikt op de in artikel 36k, derde lid, van de wet bedoelde wijze.

4.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 36k, vierde lid, van de wet, wordt verleend indien degene die het aardgas of de overige gassen gebruikt een verklaring heeft overgelegd aan degene die dat aardgas of die overige gassen aan hem heeft geleverd dat hij dat aardgas of die overige gassen gebruikt op de in artikel 36k, vierde lid, van de wet bedoelde wijze.

5.

Degene die aardgas, overige gassen of elektriciteit gebruikt op een wijze waarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 36k, eerste, derde of vierde lid, van de wet wordt verleend dient:

6.

Wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de toepassing van een vrijstelling als bedoeld in artikel 36k, eerste, derde of vierde lid, van de wet worden onmiddellijk gemeld aan degene die het aardgas, de overige gassen of de elektriciteit levert.

Artikel 8c
1.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, eerste lid, van de wetkan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand, en dient uiterlijk te worden gedaan binnen dertien weken na het einde van het kalenderjaar.

2.

De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

3.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, derde lid, van de wet wordtuiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden.

4.

Ter vaststelling van de hoeveelheid verbruikte warmte meet de gebruiker van de onroerende zaak deze hoeveelheid met behulp van een warmtehoeveelheidsmeter.

5.

Bij het verzoek om de in het derde lid bedoelde teruggaaf wordt de afrekening overgelegd die door de exploitant van de installatie voor blokverwarming of in diens opdracht is opgemaakt.

6.

Op verzoek van de gebruiker kan de inspecteur onder nader te stellen voorwaarden toestaan dat de plaatsing van warmtehoeveelheidsmeters achterwege blijft, indien plaatsing hiervan om technische dan wel financiële redenen niet in redelijkheid kan worden gevergd en op een andere wijze tot een aanvaardbare vaststelling van de hoeveelheid verbruikte warmte kan worden gekomen.

7.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, vijfde lid, van de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht op teruggaaf is ontstaan, en dient uiterlijk te worden gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden.

8.

De in het zevende lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

9.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, zevende en twaalfde lid, van de wet, wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden.

10.

De in het negende lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend indien de eindfactuur wordt overgelegd.

Artikel 8ca
1.

Het tijdvak waarover een teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 36l, dertiende, veertiende of vijftiende lid, van de wet wordt verleend is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.

2.

Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken na het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak waarin het aardgas, de overige gassen of de elektriciteit is gebruikt op een in artikel 36k, eerste, derde of vierde lid, van de wet bedoelde wijze.

3.

Teruggaaf wordt alleen verleend indien de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het aardgas, de overige gassen of de elektriciteit waarop de teruggaaf betrekking heeft, worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

4.

Artikel 8b, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, dertiende lid, van de wet.

5.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 36l, zestiende lid, van de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht op teruggaaf is ontstaan, en wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden.

Artikel 8d

Voor de toepassing van artikel 36m, eerste lid, van de wet wordt ter zake van de vorderingen waarvoor tevens een verzoek als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 is gedaan, teruggaaf verleend voorzover ter zake van die vorderingen teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend.

Artikel 8e

Vervallen

Artikel 8f

De administratie van een installatie waarin zuivere biomassa zodanig wordt verwerkt dat daaruit elektriciteit wordt opgewekt, of waarin stortgas, rioolwaterzuiveringsgas of biogas wordt gewonnen, dient te voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

Artikel 8g

Vervallen.

Artikel 8h

Vervallen.

Artikel 8i

Vervallen

Artikel 8ia

Vervallen

Artikel 8j

Vervallen

Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting

Artikel 9
1.

In afwijking van artikel 8, eerste en derde lid, vermeldt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de beschikking, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet, uitsluitend de gegevens bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met h, die ter zake ingevolge de EVOA zijn ontvangen, indien en voor zover:

2.

Indien Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat de beschikking afgeeft ingevolge artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de wet, nadat de kennisgever een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 25a, eerste lid, tweede zin, van de wet, vermeldt Onze Minister in de beschikking de gegevens, genoemd in artikel 7, eerste lid, en, indien van toepassing, artikel 7, tweede lid, zoals door de kennisgever gecorrigeerd bij de melding.

3.

Bij toepassing van het eerste lid stelt Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, voordat hij de beschikking afgeeft, de kennisgever in de gelegenheid een aanvraag in te dienen binnen een daarvoor door hem te stellen termijn waarin hij alsnog de gegevens, genoemd in artikel 7, verstrekt. De artikelen 6 tot en met 9, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een dergelijke aanvraag.

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11
1.

Voor zover sprake is van een verwerking of bewerking van afvalstoffen die gepaard gaat met gewichtsverlies, wordt de vermindering, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de wet, zodanig toegepast dat ter zake van de stoffen, preparaten of voorwerpen bij het verlaten van de inrichting wordt uitgegaan van de belasting die verschuldigd werd bij de afgifte ter verwijdering van de afvalstoffen waaruit zij zijn ontstaan.

2.

Het verhoudingsgetal, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de wet, wordt uitsluitend toegepast door degene die beschikt over een door de inspecteur afgegeven vergunning. In deze vergunning kan de inspecteur nadere voorwaarden stellen met betrekking tot de administratie.

Artikel 12
1.

Het vervoer van kolen, bedoeld in artikel 33, derde lid, onderdeel a, b of c, van de wet, naar een inrichting, een andere lidstaat via Nederland of een derde land, alsmede het brengen van kolen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de wet, vanuit een inrichting naar een andere inrichting, een ondernemer in een andere lidstaat, een publiekrechtelijk lichaam, anders dan als ondernemer, in een andere lidstaat of een derde land, wordt aangetoond met een bescheid.

2.

In het bescheid, bedoeld in het eerste lid, worden vermeld:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 8ab
1.

De tarieven voor zakelijk verbruik, bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdelen d en g, van de wet, zijn van toepassing indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die het aardgas of de elektriciteit aan hem levert, dat het verbruik van dat aardgas of die elektriciteit zakelijk verbruik betreft als bedoeld in artikel 36i, zevende lid, van de wet.

2.

De verbruiker dient:

3.

Wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de toepassing van de tarieven, bedoeld in het eerste lid, worden onmiddellijk gemeld aan degene die het aardgas of de elektriciteit levert.

Artikel 8ac
1.

Het tarief als bedoeld in artikel 36i, eerste lid, onderdeel h, van de wet is van toepassing indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die het aardgas aan hem levert, dat het aardgas uitsluitend wordt aangewend in een CNG-vulstation.

2.

De verbruiker dient overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde verklaring te handelen. Indien niet meer overeenkomstig de verklaring gehandeld wordt, meldt de verbruiker dat onmiddellijk aan degene die het aardgas levert.

Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 8ad

In de gevallen waarin een voorschotnota wordt uitgereikt of, indien geen voorschotnota wordt uitgereikt, een voorschotbedrag wordt ontvangen, dient bij de berekening van het voorschot naar evenredigheid rekening te worden gehouden met de belastingvermindering, bedoeld in artikel 36j, eerste lid, van de wet.

Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Hoofdstuk III. Belasting op leidingwater

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Artikel 13

De in artikel 33, tweede lid, en artikel 34, eerste lid, van de wet bedoelde personen of publiekrechtelijke lichamen richten hun administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze alle voor de heffing van kolen van belang zijnde gegevens zijn opgenomen.

Artikel 14
1.

Het brengen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdelen a en d, van de wet, van kolen vanuit een derde land of vanuit een plaats voor tijdelijke opslag naar een inrichting, alsmede het brengen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel c, van de wet, van kolen die zijn geplaatst onder een EU-douaneregeling naar een inrichting, wordt bij het aangeven voor het vrije verkeer van de kolen op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, aangetoond met een vervoersopdracht. De vervoersopdracht wordt opgemaakt door de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de kolen worden overgebracht, dan wel in diens opdracht.

2.

Op de in het eerste lid bedoelde vervoersopdracht wordt een verklaring gesteld van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de kolen zullen worden overgebracht dat de kolen worden overgebracht naar zijn inrichting en in de administratie van zijn inrichting worden opgenomen.

3.

De in het eerste lid bedoelde kolen moeten hun bestemming hebben bereikt binnen één maand na het tijdstip waarop de vereiste aangifte op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, is gedaan.

Artikel 15

Het brengen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel a, van de wet, van kolen vanuit een derde land naar een plaats voor tijdelijke opslag, het in Nederland plaatsen onder een EU-douaneregeling van vanuit een derde land binnengebrachte kolen, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel b, van de wet, alsmede het onder ambtelijk toezicht vernietigen van kolen die onder een EU-douaneregeling zijn geplaatst, bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van de wet, geschiedt met inachtneming van de formaliteiten die op grond van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 1:1, eerste en tweede lid, van de Algemene douanewet, moeten worden vervuld.

Artikel 16
1.

In de vervoersopdracht, bedoeld in artikel 14, worden vermeld:

2.

De vervoersopdracht is gedagtekend en ondertekend.

3.

Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid vergunninghouder is van een inrichting, wordt tevens het nummer van zijn vergunning vermeld.

4.

De vergunninghouder van de inrichting die de vervoersopdracht heeft opgemaakt of heeft doen opmaken, bewaart afschriften van de vervoersopdrachten op overzichtelijke wijze bij zijn administratie.

Artikel 17
1.

De vrijstellingen, bedoeld in artikel 44, eerste, tweede en derde lid, van de wet, worden verleend, indien:

2.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet, wordt niet verleend indien de kolen worden gebruikt in een installatie voor het opwekken van elektriciteit met een elektrisch vermogen van minder dan 60 kW.

3.

Degene die de kolen gebruikt, richt zijn administratie zodanig in dat daarin op overzichtelijke wijze de gegevens zijn opgenomen omtrent alle voor de vrijstellingen, bedoeld in artikel 44, eerste, tweede of derde lid, van de wet, van belang zijnde bedrijfshandelingen.

Artikel 18
1.

Het tijdvak waarover een teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 45, eerste of tweede lid, van de wet, wordt verleend is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.

2.

Het verzoek om teruggaaf wordt gedaan binnen dertien weken:

3.

Bij het verzoek om teruggaaf worden de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens over de bestemming van de kolen waarop de teruggaaf betrekking heeft overgelegd.

4.

Artikel 17, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, met betrekking tot kolen die worden gebruikt op een wijze als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet.

5.

De administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Artikel 19
1.

Het verzoek om een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger, bedoeld in artikel 54, derde lid, van de wet, bevat de volgende gegevens:

2.

Een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger wordt slechts verleend indien de verzoeker:

3.

De verlening van een vergunning voor een fiscaal vertegenwoordiger is tevens gebonden aan de voorwaarde dat de verzoeker optreedt voor alle leveringen als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet. De inspecteur kan op verzoek hiervan afwijken.

4.

De inspecteur kan de vergunning intrekken of wijzigen:

De buitenlandse leverancier wordt van de intrekking van de vergunning in kennis gesteld, alsmede van de gronden waarop deze berust.

Artikel 20
1.

Het tarief voor zakelijk verbruik, genoemd in artikel 59, eerste lid, onderdeel c, van de wet, is van toepassing indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit aan hem levert dat het verbruik van die elektriciteit zakelijk verbruik betreft als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel t, van de wet.

2.

De verbruiker dient:

3.

Wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de toepassing van het tarief, bedoeld in het eerste lid, worden onmiddellijk gemeld aan degene die de elektriciteit levert.

Artikel 21
1.

Het tarief, bedoeld in artikel 59, eerste lid, onderdeel b, van de wet, is van toepassing indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die het aardgas aan hem levert, dat het aardgas uitsluitend wordt aangewend in een CNG-vulstation.

2.

De verbruiker dient overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde verklaring te handelen. Indien niet meer overeenkomstig de verklaring gehandeld wordt, meldt de verbruiker dat onmiddellijk aan degene die het aardgas levert.

Artikel 22
1.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de wet, wordt verleend indien degene die aardgas of elektriciteit gebruikt, een verklaring heeft overgelegd aan degene die dat aardgas of die elektriciteit aan hem heeft geleverd, dat hij dat aardgas of die elektriciteit gebruikt op een in artikel 64, eerste lid, van de wet bedoelde wijze.

2.

Geen vrijstelling wordt verleend indien de in artikel 64, eerste lid, van de wet bedoelde installatie een elektrisch vermogen heeft van minder dan 60 kW.

3.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet, wordt verleend indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit of het aardgas heeft geleverd, dat hij die elektriciteit of dat aardgas gebruikt op de wijze, bedoeld in artikel 64, derde lid, van de wet.

4.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, vierde lid, van de wet, wordt verleend indien de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die dat aardgas heeft geleverd, dat hij dat aardgas gebruikt op de wijze, bedoeld in artikel 64, vierde lid, van de wet.

5.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 64, vijfde lid, van de wet, wordt verleend indien degene die het aardgas gebruikt een verklaring heeft overgelegd aan degene die dat aardgas aan hem heeft geleverd, dat hij dat aardgas gebruikt op de in artikel 64, vijfde lid, van de wet bedoelde wijze.

6.

Degene die aardgas of elektriciteit gebruikt op een wijze waarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 64, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van de wet wordt verleend dient:

7.

Wijzigingen in de situatie die van invloed zijn op de toepassing van een vrijstelling als bedoeld in artikel 64, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van de wet worden onmiddellijk gemeld aan degene die het aardgas of de elektriciteit levert.

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24
1.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 67, eerste lid, van de wet, wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode.

2.

Ter vaststelling van de hoeveelheid verbruikte warmte meet de gebruiker van de onroerende zaak deze hoeveelheid met behulp van een warmtehoeveelheidsmeter.

3.

Bij het verzoek om de in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt de afrekening overgelegd die door de exploitant van de installatie voor blokverwarming of in diens opdracht is opgemaakt.

4.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.

5.

Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.

Artikel 25
1.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht op teruggaaf is ontstaan, dan wel, wanneer de leveranciers verschillende verbruiksperioden hanteren, na afloop van de kalendermaand waarin de laatste van die verbruiksperioden afloopt, en wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode, onderscheidenlijk na afloop van de laatste verbruiksperiode.

2.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 68, tweede lid, van de wet, kan worden gedaan na afloop van elke kalendermaand waarin recht op teruggaaf is ontstaan, en wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode.

3.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

4.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.

5.

Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste en tweede lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.

Artikel 26
1.

Het verzoek om teruggaaf, bedoeld in artikel 69, eerste tot en met derde lid, van de wet, wordt uiterlijk gedaan binnen dertien weken na afloop van de verbruiksperiode.

2.

De in het eerste lid bedoelde teruggaaf wordt alleen verleend indien de eindfactuur wordt overgelegd.

3.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.

4.

Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.

Artikel 27
1.

Het tijdvak waarover een teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 70, eerste tot en met derde lid, van de wet wordt verleend is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.

2.

Het verzoek om teruggaaf van belasting wordt gedaan binnen dertien weken na het einde van het in het eerste lid bedoelde tijdvak waarin het aardgas of de elektriciteit is gebruikt op een in artikel 64, eerste, derde, vierde of vijfde lid, van de wet bedoelde wijze.

3.

Teruggaaf van belasting wordt alleen verleend indien de aankoopfacturen en de van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het aardgas of de elektriciteit waarop de teruggaaf betrekking heeft, worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

4.

Artikel 22, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf, bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de wet.

5.

Artikel 22, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op de teruggaaf van belasting, bedoeld in artikel 70, eerste, tweede en derde lid, van de wet.

6.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt voorts alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.

7.

Voor het berekenen van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt het verbruik in de verbruiksperiode, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet, in aanmerking genomen.

8.

Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.

Hoofdstuk VII. Vliegbelasting

Artikel 28
1.

Teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 70a, eerste lid, van de wet wordt op verzoek verleend aan degene aan wie de belasting in rekening is gebracht.

2.

Het tijdvak waarover de teruggaaf wordt verleend, is het kalenderkwartaal. De inspecteur kan op verzoek een ander tijdvak aanwijzen.

3.

Het verzoek om teruggaaf van belasting wordt gedaan binnen dertien weken na het eind van het in het tweede lid bedoelde tijdvak waarin het aardgas is geleverd.

4.

Teruggaaf wordt voorts alleen verleend indien:

5.

De teruggaaf wordt voorts alleen verleend indien de aankoopfactuur en de van belang zijnde gegevens en verklaringen over de bestemming van het aardgas waarop de teruggaaf betrekking heeft, worden overgelegd en indien de administratie van degene die om teruggaaf verzoekt, voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden.

6.

De teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, wordt alleen verleend als het bedrag aan belasting expliciet op de factuur in rekening is gebracht en slechts voor zover die factuur is betaald.

7.

Indien een hoger bedrag aan belasting is gefactureerd dan door degene die de levering heeft verricht verschuldigd is, wordt voor het bepalen van de hoogte van de teruggaaf, bedoeld in het eerste lid, het bedrag aan verschuldigde belasting gebruikt.

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Artikel 29

Een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 3, eerste lid, artikel 18, tweede lid, artikel 24, eerste lid, artikel 25, eerste en tweede lid, artikel 26, eerste lid, artikel 27, tweede lid, en artikel 28, derde lid, wordt gedaan met gebruikmaking van een daartoe door de inspecteur beschikbaar gesteld formulier.

Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting

Artikel 30

Dit besluit treedt in werking met ingang van de datum waarop de bepalingen van de Wet belastingen op milieugrondslag, waarin dit besluit zijn grondslag vindt, in werking treden.

Artikel 31

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 27a

Vervallen

Afdeling 1. Sierteelt

Artikel 28

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

Artikel 28a

Vervallen

Artikel 28b

Vervallen

Artikel 28c

Vervallen

Artikel 28d

Vervallen

Afdeling 1. Sierteelt

Artikel 28e

Vervallen

Artikel 28f

Vervallen

Artikel 28g

Vervallen

Artikel 28h

Vervallen

Artikel 28i

Vervallen

Artikel 28j

Vervallen

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 9a

Vervallen

Artikel 9b

Vervallen

Artikel 9c

Vervallen

Artikel 9d

Vervallen

Artikel 9e

Vervallen

Artikel 9f

Vervallen

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Artikel 18a
1.

Het verbruik van aardgas, bedoeld in artikel 51, eerste lid, van de wet, dient te blijken uit de administratie.

Afdeling 2. Groenten en fruit

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 21a
1.

De uitzondering in artikel 59, derde lid, van de wet voor installaties voor stadsverwarming waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa, is mede van toepassing gedurende de eerste periode van maximaal twee jaar na de ingebruikneming van een installatie voor stadsverwarming die is ontworpen om grotendeels gebruik te maken van restwarmte, aardwarmte of warmte opgewekt met vaste of vloeibare biomassa.

2.

De periode, bedoeld in het eerste lid, vangt aan op het moment waarop de levering van warmte door middel van de installatie een aanvang neemt.

3.

Het eerste lid is slechts van toepassing als de houder van de installatie aan degene die het aardgas aan hem levert een verklaring heeft overgelegd:

Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting

Afdeling 1. Sierteelt

Afdeling 2. Groenten en fruit

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 21b
1.

Het verlaagde tarief, bedoeld in artikel 59a, eerste lid, van de wet, kan alleen worden toegepast bij de vaststelling van de belasting die verschuldigd wordt op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over de verbruiksperiode waarin degene die de levering verricht van de coöperatie een opgaaf heeft ontvangen van de hoeveelheid door de coöperatie opgewekte elektriciteit die zij aan het lid van de coöperatie heeft toegerekend. Daarbij wordt de verlaging van het tarief toegepast op de elektriciteit die over de gehele verbruiksperiode is geleverd, voor zover ter zake wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 59a van de wet en, in voorkomend geval, bij artikel 59b van de wet gestelde voorwaarden en beperkingen.

2.

De elektriciteit die is opgewekt door een coöperatie met behulp van een productie-installatie als bedoeld in artikel 59a, tweede lid, onderdeel b, van de wet, komt slechts in aanmerking voor toerekening als bedoeld in artikel 59a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, voor zover daarvoor garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit als bedoeld in artikel 1, onderdeel x, van de Elektriciteitswet 1998 zijn verstrekt. Voor de toepassing van de eerste volzin worden slechts de garanties van oorsprong in aanmerking genomen die betrekking hebben op de hoeveelheid elektriciteit die de coöperatie in de productieperiode via de aansluiting heeft geleverd, verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die in dezelfde periode via de aansluiting aan de coöperatie is geleverd.

3.

Het verlaagde tarief, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegepast indien de coöperatie aan degene die de levering verricht:

Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting

Afdeling 2. Groenten en fruit

Afdeling 2. Groenten en fruit

Hoofdstuk IX. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting

Hoofdstuk VIa. Vliegbelasting

Afdeling 1. Sierteelt

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 11a

Als een installatie als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c, van de wet, wordt mede aangemerkt een installatie waarin blijkens boeken en bescheiden uitsluitend zuivere biomassa of naar haar aard zuivere biomassa wordt verbrand.

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Hoofdstuk VII. Verpakkingenbelasting

Afdeling 1. Sierteelt

Afdeling 2. Groenten en fruit

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Hoofdstuk VIII. Algemene bepaling

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 11b
1.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 29a van de wet, wordt verleend indien uit de administratie van de belastingplichtige blijkt welk gedeelte van de hoeveelheid afvalstoffen die in het tijdvak van aangifte ter verwijdering aan de inrichting is afgegeven, bestaat uit zuiveringsslib dat is bestemd om binnen de inrichting te worden verbrand.

2.

De verbranding van het zuiveringsslib, bedoeld in het eerste lid, moet plaatsvinden binnen drie jaar na de afgifte van dat zuiveringsslib aan de inrichting. De datum van verbranding wordt vastgelegd in de administratie, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij regeling van Onze Minister kunnen ten behoeve van de uitvoering van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Hoofdstuk VI. Energiebelasting

Afdeling 1. Sierteelt

Afdeling 2. Groenten en fruit

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 21c
1.

De verbruiker, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de wet, wordt aangemerkt als onderneming in moeilijkheden, wanneer het bedrijf van de verbruiker waaraan het aardgas wordt geleverd niet of niet langer levensvatbaar is.

2.

Een bedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt geacht niet of niet langer levensvatbaar te zijn, wanneer zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

3.

Wanneer een of meer omstandigheden als bedoeld in het tweede lid zich voordoen, meldt de verbruiker binnen acht weken schriftelijk aan de leverancier van het aardgas dat hij niet langer in aanmerking komt voor het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, omdat hij niet langer voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 60, tweede lid, van de wet. Hierbij vermeldt de verbruiker de datum waarop deze wijziging is ingetreden. De leverancier van het aardgas beëindigt de toepassing van het tarief, bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet, drie maanden na de datum genoemd in de melding van de verbruiker, bedoeld in de eerste volzin, tenzij deze melding is gevolgd door een intrekking van deze melding als bedoeld in het vijfde lid.

4.

Een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid wordt geacht zich niet te hebben voorgedaan, wanneer binnen de termijn van acht weken, bedoeld in het derde lid:

5.

Wanneer de melding, bedoeld in het derde lid, eerste volzin, heeft plaatsgevonden en het vierde lid van toepassing is, trekt de verbruiker deze melding schriftelijk in binnen twee weken na afloop van de termijn van acht weken, genoemd in het derde lid. De eerdere melding wordt dan geacht niet te hebben plaatsgevonden.

6.

Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van het tweede, derde en vierde lid.

Artikel 21d
1.

Het tarief, bedoeld in artikel 60a, eerste lid, van de wet, is slechts van toepassing indien de elektriciteit via een aansluiting wordt geleverd en de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit aan hem levert, dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een oplaadinstallatie voor elektrische voertuigen die beschikt over een zelfstandige aansluiting en dat deze oplaadinstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.

2.

Het tarief, genoemd in artikel 60b, eerste lid, van de wet, is slechts van toepassing indien de elektriciteit via een aansluiting wordt geleverd en de verbruiker een verklaring heeft overgelegd aan degene die de elektriciteit aan hem levert, dat de elektriciteit uitsluitend wordt aangewend in een walstroominstallatie als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel w, van de wet die geheel of nagenoeg geheel bestemd is voor schepen niet zijnde particuliere pleziervaartuigen als bedoeld in artikel 70a, derde lid, van de wet, en dat deze walstroominstallatie geen deel uitmaakt van een meer omvattende onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken.

3.

De verbruiker trekt de verklaring binnen zes weken schriftelijk in, indien de door hem overgelegde verklaring, bedoeld in het eerste en tweede lid, op enig moment niet meer juist is. De schriftelijke intrekking wordt door hem ondertekend, waarbij het moment, bedoeld in de vorige volzin, wordt vermeld.

4.

Artikel 21c is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21e

Indien in de verbruiksperiode elektriciteit wordt betrokken van meerdere leveranciers via één aansluiting wordt de vermindering, bedoeld in artikel 63, eerste lid, van de wet slechts door één van de leveranciers toegepast.

Afdeling 1. Sierteelt

Afdeling 2. Groenten en fruit

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

Artikel 11c
1.

De vrijstelling, bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de wet, wordt slechts verleend ter zake van de afgifte ter verwijdering aan een inrichting van afzonderlijk en onvermengd asbest en asbesthoudende producten die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend toegepast zijn geweest als dakbedekking en zijn vrijgekomen bij de sanering van een asbesthoudend dak, wanneer:

2.

De vrijstelling wordt uitsluitend toegepast wanneer degene die het asbest en de asbesthoudende producten afgeeft, of doet afgeven, voorafgaand aan de afgifte ter verwijdering een verklaring aan de houder van de inrichting verstrekt waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen, bedoeld in het eerste lid.

3.

De houder van de inrichting richt zijn administratie zodanig in dat daaruit blijkt welk gedeelte van de hoeveelheid afvalstoffen die in het tijdvak van aangifte ter verwijdering aan de inrichting is afgegeven, bestaat uit asbest en asbesthoudende producten als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de wet waarvoor wordt voldaan aan de in het eerste en tweede lid vermelde nadere voorwaarden en beperkingen.

4.

Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de verklaring, bedoeld in het tweede lid, en het tijdstip waarop die verklaring uiterlijk verstrekt moet zijn. Voorts kunnen bij regeling van Onze Minister nadere regels worden gesteld ten behoeve van de uitvoering van dit artikel.

Hoofdstuk V. Kolenbelasting

Artikel 29a
1.

De vermindering op de verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 92, eerste lid, van de wet, bedraagt, in geval komt vast te staan dat een door de belastingplichtige ter zake van het leveren van goederen of het verrichten van diensten te ontvangen bedrag gedeeltelijk niet is en niet zal worden ontvangen, het gedeelte van het ter zake niet ontvangen bedrag dat naar evenredigheid correspondeert met de ter zake op aangifte voldane belasting.

2.

De opnieuw verschuldigde belasting, bedoeld in artikel 92, derde lid, van de wet, bedraagt, in geval door de belastingplichtige alsnog geheel of gedeeltelijk een bedrag wordt ontvangen ter zake van het leveren van goederen of het verrichten van diensten ten aanzien waarvan een aanspraak op de vermindering van belasting is ontstaan, het gedeelte van het ter zake ontvangen bedrag dat naar evenredigheid correspondeert met de ter zake toegepaste vermindering.