Wijzigingsgeschiedenis

Wet van 3 april 1996, houdende hernieuwde vaststelling van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag ter aanpassing aan de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag)

5 versions · 2021-02-22
2021-02-22
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag — arts. 18, 19, 21 y 4 m
2021-01-22
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag — arts. 18, 19, 21 y 4 m

Wijzigingen op 2021-01-22

@@ -10,7 +10,7 @@
##### Artikel 1
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, [de artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=6&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [9, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2013-01-01&g=2013-01-01) gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
1. Onverminderd de [artikelen 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), en [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) kunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, [de artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=6&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [9, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2021-01-22&g=2021-01-22), en [10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2021-01-22&g=2021-01-22) gezamenlijk of afzonderlijk in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij het in het eerste lid bedoelde besluit in werking gestelde bepalingen.
@@ -24,7 +24,7 @@
##### Artikel 2
Zo spoedig mogelijk na het moment waarop bepalingen uit [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&z=2013-01-01&g=2013-01-01) buiten werking zijn gesteld, dan wel het moment waarop de werking van deze bepalingen van rechtswege is geëindigd, wordt van Onzentwege aan de beide kamers der Staten-Generaal mededeling gedaan van hetgeen is verricht ingevolge de bevoegdheden die in die bepalingen zijn gegeven.
Zo spoedig mogelijk na het moment waarop bepalingen uit [hoofdstuk II](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&z=2021-01-22&g=2021-01-22) buiten werking zijn gesteld, dan wel het moment waarop de werking van deze bepalingen van rechtswege is geëindigd, wordt van Onzentwege aan de beide kamers der Staten-Generaal mededeling gedaan van hetgeen is verricht ingevolge de bevoegdheden die in die bepalingen zijn gegeven.
##### Artikel 3
@@ -72,125 +72,137 @@
##### Artikel 8
1. Dit lid is in werking gesteld door Stb. 2021/24.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de commissaris van de Koning zijn bevoegd het vertoeven in de open lucht te beperken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
3. Dit lid is in werking gesteld door Stb. 2021/24.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het tweede lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.
##### Artikel 9
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de commissaris van de Koning zijn bevoegd aan personen ten aanzien van wie ernstig vermoeden bestaat dat zij de openbare orde en veiligheid in gevaar zullen brengen, te bevelen een gebied te verlaten of te verbieden zich daarheen te begeven of daarin terug te keren.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd aan degene op wie het eerste lid is toegepast, een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van het levensonderhoud van hem en van degenen in wier onderhoud hij voorziet.
3. Indien iemand ingevolge het eerste lid niet in zijn woonplaats kan verblijven, is Onze Minister van Veiligheid en Justitie bevoegd hem op diens verzoek onderdak, verzorging en verpleging voor rekening van het Rijk te verschaffen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het vierde lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.
##### Artikel 10
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan [artikel 56 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=56) of afzonderlijke artikelleden daarvan voor het gehele land of een gedeelte daarvan buiten werking stellen.
2. Onze voornoemde Minister treft de nodige voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie voor het geval dat op grond van het eerste lid bepalingen van de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) buiten werking worden gesteld.
3. Voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op bijstand van de politie gedurende situaties waarin op grond van [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), of [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) bepalingen uit de [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983) in werking zijn, geschiedt het treffen van deze voorzieningen in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
##### Artikel 11
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat geen samenkomsten of vergaderingen op openbare plaatsen, geen samenkomsten of vergaderingen van meer dan tien personen op andere dan openbare plaatsen of geen betogingen zullen worden gehouden dan met zijn schriftelijke vergunning.
2. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
3. Elke samenkomst, vergadering of betoging gaat, ook indien voor het houden daarvan vergunning is gegeven, op door of namens de burgemeester gedane vordering terstond uiteen.
4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op andere dan openbare plaatsen.
##### Artikel 12
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd de vertoning in het openbaar, dan wel in tegenwoordigheid van meer dan tien personen van alle, dan wel van door Onze voornoemde Minister niet met name toegelaten films voor een door hem daarbij te bepalen tijdsduur te verbieden.
##### Artikel 13
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd beperkende bepalingen vast te stellen omtrent het vervaardigen, uitgeven, voorhanden hebben, verspreiden, aanbrengen of in de handel brengen van geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen. Hij kan een en ander ten aanzien van bepaalde geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen geheel verbieden.
2. De daartoe strekkende regelingen van Onze voornoemde Minister worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de **Staatscourant**.
##### Artikel 14
1. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de commissaris van de Koning zijn bevoegd het vertoeven in de open lucht te beperken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
De autoriteiten die daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen, zijn bevoegd elk aan de post of aan andere instellingen van vervoer of aan een inrichting van telecommunicatie toevertrouwd stuk of bericht in beslag te nemen, af te luisteren of op te nemen, te onderzoeken, achter te houden, geheel of gedeeltelijk te vernietigen, te wijzigen, onleesbaar te maken of te verhinderen dat het zijn bestemming bereikt.
2. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 15
1. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De burgemeester is bevoegd een ieder aan zijn kleding en degene die de openbare orde en veiligheid verstoort of ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat hij zich daaraan schuldig zal maken, ook aan zijn lichaam te onderzoeken.
2. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het tweede lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.
##### Artikel 9
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie en de commissaris van de Koning zijn bevoegd aan personen ten aanzien van wie ernstig vermoeden bestaat dat zij de openbare orde en veiligheid in gevaar zullen brengen, te bevelen een gebied te verlaten of te verbieden zich daarheen te begeven of daarin terug te keren.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd aan degene op wie het eerste lid is toegepast, een tegemoetkoming toe te kennen in de kosten van het levensonderhoud van hem en van degenen in wier onderhoud hij voorziet.
3. Indien iemand ingevolge het eerste lid niet in zijn woonplaats kan verblijven, is Onze Minister van Veiligheid en Justitie bevoegd hem op diens verzoek onderdak, verzorging en verpleging voor rekening van het Rijk te verschaffen.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste en tweede lid.
5. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het vierde lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze voornoemde Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.
##### Artikel 10
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan [artikel 56 van de Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788&artikel=56) of afzonderlijke artikelleden daarvan voor het gehele land of een gedeelte daarvan buiten werking stellen.
2. Onze voornoemde Minister treft de nodige voorzieningen met betrekking tot de bijstand van de politie voor het geval dat op grond van het eerste lid bepalingen van de [Politiewet 2012](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0031788) buiten werking worden gesteld.
3. Voor zover deze voorzieningen betrekking hebben op bijstand van de politie gedurende situaties waarin op grond van [artikel 7, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=7), of [8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007981&artikel=8) bepalingen uit de [Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983) in werking zijn, geschiedt het treffen van deze voorzieningen in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.
##### Artikel 11
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. De burgemeester is bevoegd te bepalen dat geen samenkomsten of vergaderingen op openbare plaatsen, geen samenkomsten of vergaderingen van meer dan tien personen op andere dan openbare plaatsen of geen betogingen zullen worden gehouden dan met zijn schriftelijke vergunning.
2. Aan de vergunning kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden.
3. Elke samenkomst, vergadering of betoging gaat, ook indien voor het houden daarvan vergunning is gegeven, op door of namens de burgemeester gedane vordering terstond uiteen.
4. Het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging op andere dan openbare plaatsen.
##### Artikel 12
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd de vertoning in het openbaar, dan wel in tegenwoordigheid van meer dan tien personen van alle, dan wel van door Onze voornoemde Minister niet met name toegelaten films voor een door hem daarbij te bepalen tijdsduur te verbieden.
##### Artikel 13
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd beperkende bepalingen vast te stellen omtrent het vervaardigen, uitgeven, voorhanden hebben, verspreiden, aanbrengen of in de handel brengen van geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen. Hij kan een en ander ten aanzien van bepaalde geschriften, opschriften, tekeningen of afbeeldingen geheel verbieden.
2. De daartoe strekkende regelingen van Onze voornoemde Minister worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de **Staatscourant**.
##### Artikel 14
Indien een of meer van de [artikelen 9 tot en met 53 van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=9) in werking zijn gesteld, wordt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geen gebruik gemaakt jegens militairen.
##### Artikel 16
1. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De autoriteiten die daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen, zijn bevoegd elk aan de post of aan andere instellingen van vervoer of aan een inrichting van telecommunicatie toevertrouwd stuk of bericht in beslag te nemen, af te luisteren of op te nemen, te onderzoeken, achter te houden, geheel of gedeeltelijk te vernietigen, te wijzigen, onleesbaar te maken of te verhinderen dat het zijn bestemming bereikt.
2. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 15
De burgemeester is bevoegd alle plaatsen, ook tegen de wil van de rechthebbende, te betreden dan wel door ambtenaren van politie of buitengewone opsporingsambtenaren te doen betreden en aldaar onderzoek of een doorzoeking te verrichten of door die ambtenaren te doen verrichten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Een machtiging als bedoeld in [artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) kan worden gegeven voor een groter aantal woningen dan bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=5). Het verslag, bedoeld in [artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10), wordt mede toegezonden aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
4. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 17
1. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De burgemeester is bevoegd een ieder aan zijn kleding en degene die de openbare orde en veiligheid verstoort of ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat hij zich daaraan schuldig zal maken, ook aan zijn lichaam te onderzoeken.
2. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
De autoriteiten die daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen, zijn bevoegd alle voorwerpen ten aanzien waarvan ernstig vermoeden bestaat dat zij zullen dienen tot verstoring van de openbare orde en veiligheid, of waaruit aanwijzingen kunnen worden verkregen omtrent een mogelijke verstoring van de openbare orde, te onderzoeken, in beslag te nemen, dan wel het gebruik daarvan te beperken of geheel te verbieden.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Van elke inbeslagneming wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de inbeslagneming vermeldt, wordt binnen tweemaal vierentwintig uren aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en aan de belanghebbende in afschrift medegedeeld, voor zover mededeling aan de belanghebbende niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van de staat. Voorts wordt van elke beperking en elk verbod aan Onze voornoemde Minister onverwijld kennis gegeven, onder opgave van de redenen die tot deze maatregel hebben geleid.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Indien een of meer van de [artikelen 9 tot en met 53 van de Oorlogswet voor Nederland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007983&artikel=9) in werking zijn gesteld, wordt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, geen gebruik gemaakt jegens militairen.
##### Artikel 16
1. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De burgemeester is bevoegd alle plaatsen, ook tegen de wil van de rechthebbende, te betreden dan wel door ambtenaren van politie of buitengewone opsporingsambtenaren te doen betreden en aldaar onderzoek of een doorzoeking te verrichten of door die ambtenaren te doen verrichten, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn bevoegd zich bij het betreden door andere personen te doen vergezellen.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Een machtiging als bedoeld in [artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=2) kan worden gegeven voor een groter aantal woningen dan bedoeld in [artikel 5, eerste lid, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=5). Het verslag, bedoeld in [artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006763&artikel=10), wordt mede toegezonden aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie.
Tegen elke inbeslagneming, elke beperking of elk verbod kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Onze Minister beslist hierop zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken.
4. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 17
1. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
De autoriteiten die daartoe door Onze Minister van Veiligheid en Justitie zijn aangewezen, zijn bevoegd alle voorwerpen ten aanzien waarvan ernstig vermoeden bestaat dat zij zullen dienen tot verstoring van de openbare orde en veiligheid, of waaruit aanwijzingen kunnen worden verkregen omtrent een mogelijke verstoring van de openbare orde, te onderzoeken, in beslag te nemen, dan wel het gebruik daarvan te beperken of geheel te verbieden.
2. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Van elke inbeslagneming wordt proces-verbaal opgemaakt. Dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de inbeslagneming vermeldt, wordt binnen tweemaal vierentwintig uren aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie en aan de belanghebbende in afschrift medegedeeld, voor zover mededeling aan de belanghebbende niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van de staat. Voorts wordt van elke beperking en elk verbod aan Onze voornoemde Minister onverwijld kennis gegeven, onder opgave van de redenen die tot deze maatregel hebben geleid.
3. Dit lid is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit lid in werking treden.
Tegen elke inbeslagneming, elke beperking of elk verbod kan door belanghebbenden beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Veiligheid en Justitie. Onze Minister beslist hierop zo spoedig mogelijk, doch in elk geval binnen acht weken.
4. Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 18
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. Indien de omstandigheden die tot de afkondiging van de algemene noodtoestand hebben geleid, een bedreiging voor het volksbestaan inhouden, zijn Onze Minister van Veiligheid en Justitie en, indien onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, de commissaris van de Koning bevoegd iedere persoon ten aanzien van wie gegrond vermoeden bestaat dat hij de openbare orde en veiligheid in gevaar zal brengen, te interneren.
2. De geïnterneerde wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de redenen van zijn internering, voor zover het belang van de staat zich hiertegen niet verzet, en wordt hierover zo mogelijk gehoord. Van elke internering wordt proces-verbaal opgemaakt. In dit proces-verbaal, dat mede de redenen van de internering vermeldt, wordt de verklaring van de geïnterneerde of de reden van het ontbreken daarvan opgenomen.
3. Het proces-verbaal wordt binnen tweemaal vierentwintig uren in afschrift toegezonden aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie, aan de rechtbank van de plaats waar de geïnterneerde geïnterneerd is, en aan de geïnterneerde. Voor zover mededeling van de redenen van de internering aan de geïnterneerde strijdig wordt geoordeeld met het belang van de staat, worden deze in het voor hem bestemde afschrift niet opgenomen. Bij de toezending van het afschrift aan de geïnterneerde wordt mededeling gedaan van het recht een verzoekschrift overeenkomstig [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2021-01-22&g=2021-01-22) in te dienen en om aanwijzing van een raadsman te verzoeken.
4. Op verzoek van de rechtbank zendt Onze Minister van Veiligheid en Justitie haar alle ter zake dienende stukken en verschaft hij haar mondeling alle gevraagde inlichtingen. Onze voornoemde Minister is bevoegd bij het verschaffen van schriftelijke en mondelinge gegevens te bepalen dat het belang van de staat zich verzet tegen kennisneming daarvan door anderen dan de rechtbank.
5. Op verzoek van de geïnterneerde die geen raadsman heeft, wordt voor hem een raadsman aangewezen. De [artikelen 37](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=37), [38](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=38) en [43 tot en met 45 van het Wetboek van Strafvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=43) zijn van overeenkomstige toepassing.
6. De geïnterneerde heeft recht op kennisneming van de processtukken, behoudens voor zover het bepaalde in de laatste volzin van het vierde lid toepassing heeft gevonden.
##### Artikel 19
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. De geïnterneerde kan de in [artikel 18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=18&z=2013-01-01&g=2013-01-01), bedoelde rechtbank schriftelijk verzoeken te beslissen over de rechtmatigheid van de internering en zijn invrijheidstelling te gelasten. De rechtbank hoort hem zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand na de indiening van het verzoekschrift.
1. De geïnterneerde kan de in [artikel 18, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=18&z=2021-01-22&g=2021-01-22), bedoelde rechtbank schriftelijk verzoeken te beslissen over de rechtmatigheid van de internering en zijn invrijheidstelling te gelasten. De rechtbank hoort hem zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een maand na de indiening van het verzoekschrift.
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie wordt in de gelegenheid gesteld de redenen van de internering nader toe te lichten.
@@ -232,21 +244,21 @@
2. Daartoe hoort zij de geïnterneerde en stelt zij Onze Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid de redenen van de internering nader toe te lichten.
3. [Artikel 19, derde tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. [Artikel 19, derde tot en met twaalfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2021-01-22&g=2021-01-22), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 22
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
1. Tegen een beslissing van de rechtbank genomen op grond van [artikel 19, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of [artikel 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2013-01-01&g=2013-01-01), kan binnen twee maanden na verzending van de beschikking beroep in cassatie worden ingesteld door de geïnterneerde en Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De [artikelen 426**a** tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=427) zijn op de behandeling van dit beroep van toepassing.
2. Tegen een afwijzende beslissing ingevolge [artikel 19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), staat beroep in cassatie slechts open gelijktijdig met dat tegen een in het eerste lid bedoelde beslissing.
1. Tegen een beslissing van de rechtbank genomen op grond van [artikel 19, elfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2021-01-22&g=2021-01-22), of [artikel 21, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2021-01-22&g=2021-01-22), kan binnen twee maanden na verzending van de beschikking beroep in cassatie worden ingesteld door de geïnterneerde en Onze Minister van Veiligheid en Justitie. De [artikelen 426**a** tot en met 429 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001827&artikel=427) zijn op de behandeling van dit beroep van toepassing.
2. Tegen een afwijzende beslissing ingevolge [artikel 19, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2021-01-22&g=2021-01-22), staat beroep in cassatie slechts open gelijktijdig met dat tegen een in het eerste lid bedoelde beslissing.
##### Artikel 23
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
In het bestuur van de goederen van de geïnterneerde en het waarnemen van diens belangen wordt zonodig voorzien op de wijze voorgeschreven in [afdeling 1 van titel 18 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=1). Te dien einde wordt aan de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de geïnterneerde onverwijld kennis gegeven van de internering. [Artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
In het bestuur van de goederen van de geïnterneerde en het waarnemen van diens belangen wordt zonodig voorzien op de wijze voorgeschreven in [afdeling 1 van titel 18 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&afdeling=1). Te dien einde wordt aan de officier van justitie in het arrondissement van de woonplaats van de geïnterneerde onverwijld kennis gegeven van de internering. [Artikel 9, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2021-01-22&g=2021-01-22), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 24
@@ -260,11 +272,11 @@
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
Onverminderd de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2013-01-01&g=2013-01-01) wordt een geïnterneerde in vrijheid gesteld, zodra dit naar het oordeel van Onze Minister van Veiligheid en Justitie mogelijk is.
Onverminderd de [artikelen 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=21&z=2021-01-22&g=2021-01-22) en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2021-01-22&g=2021-01-22) wordt een geïnterneerde in vrijheid gesteld, zodra dit naar het oordeel van Onze Minister van Veiligheid en Justitie mogelijk is.
##### Artikel 26
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=18&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in [artikel 18, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=18&z=2021-01-22&g=2021-01-22).
2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie is bevoegd in spoedeisende gevallen regels te geven waarbij wordt afgeweken van de regels, bedoeld in het eerste lid, of deze buiten werking worden gesteld. De door Onze Minister gegeven regels worden op een door hem te bepalen wijze bekendgemaakt en treden na deze bekendmaking terstond in werking. Deze regels worden in ieder geval geplaatst in de Staatscourant.
@@ -272,7 +284,7 @@
Dit artikel is nog niet in werking getreden; ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken kan bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, dit artikel in werking treden.
In zaken betreffende een verzoek als bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en betreffende beroep in cassatie als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2013-01-01&g=2013-01-01) is geen griffierecht ingevolge de [Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899) verschuldigd.
In zaken betreffende een verzoek als bedoeld in [artikel 19, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=19&z=2021-01-22&g=2021-01-22), en betreffende beroep in cassatie als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=22&z=2021-01-22&g=2021-01-22) is geen griffierecht ingevolge de [Wet griffierechten burgerlijke zaken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0028899) verschuldigd.
##### Artikel 28
@@ -292,17 +304,17 @@
1. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft:
- a. hij die in strijd handelt met een verbod als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- b. hij die in strijd handelt met een beperking, bevel of verbod als bedoeld in [de artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01), en [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- c. hij die in strijd handelt met een beperking of een verbod als bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- d. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2013-01-01&g=2013-01-01);
- e. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in [het eerste lid van artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2013-01-01&g=2013-01-01), of een voorwaarde als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, niet nakomt.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk in strijd handelt met een bevel of verbod als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01).
- a. hij die in strijd handelt met een verbod als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=12&z=2021-01-22&g=2021-01-22);
- b. hij die in strijd handelt met een beperking, bevel of verbod als bedoeld in [de artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-22&g=2021-01-22), en [9, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2021-01-22&g=2021-01-22);
- c. hij die in strijd handelt met een beperking of een verbod als bedoeld in [artikel 17, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=17&z=2021-01-22&g=2021-01-22);
- d. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in [artikel 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=13&z=2021-01-22&g=2021-01-22);
- e. hij die in strijd handelt met een bepaling of een verbod als bedoeld in [het eerste lid van artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=11&z=2021-01-22&g=2021-01-22), of een voorwaarde als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, niet nakomt.
2. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk in strijd handelt met een bevel of verbod als bedoeld in [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2021-01-22&g=2021-01-22).
3. De feiten, in het eerste lid strafbaar gesteld, worden beschouwd als overtredingen, die in het tweede lid strafbaar gesteld, als misdrijven.
@@ -328,7 +340,7 @@
##### Artikel 35
Deze wet treedt, met uitzondering van [de artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=6&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [9, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [10 tot en met 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [16, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=16&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [17, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=17&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [18 tot en met 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=18&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=26&z=2013-01-01&g=2013-01-01), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=27&z=2013-01-01&g=2013-01-01) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=28&z=2013-01-01&g=2013-01-01) in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Deze wet treedt, met uitzondering van [de artikelen 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=5&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=6&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=7&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [8, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=8&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [9, eerste, tweede, derde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=9&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [10 tot en met 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=10&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [14, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=14&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [15, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=15&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [16, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=16&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [17, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=17&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [18 tot en met 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=18&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=26&z=2021-01-22&g=2021-01-22), [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=27&z=2021-01-22&g=2021-01-22) en [28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007982&hoofdstuk=II&artikel=28&z=2021-01-22&g=2021-01-22) in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
##### Artikel 36
2013-01-01
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag — arts. 5, 6, 7 y 11 más
2004-05-01
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag — arts. 1, 2, 26 y 2 más
1999-02-17
Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag
original version Tekst op deze datum