← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 29 november 1996 tot vaststelling van de gewijzigde Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (aanvulling met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof)

Geldende tekst a fecha 2019-01-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede ter uitvoering van artikel 117, vierde lid, van de Grondwet, wenselijk is de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren uit te breiden met onder meer de onderwerpen omvang van de taak, arbeidstijd, vakantie en verlof, en dat het in verband daarmee gewenst is deze wet opnieuw vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder functionele autoriteit:

Hoofdstuk 1A. Benoeming, beëdiging, installatie en ambtskostuum

§ 1A.1. Benoeming

Artikel 1a

Het in deze wet bepaalde ten aanzien van de leden van het College van procureurs-generaal is niet van toepassing op de procureur-generaal, bedoeld in artikel 130, vierde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 1b

Vervallen

Artikel 1c

Vervallen

Artikel 1d

Vervallen

Artikel 1e

Vervallen

Artikel 1f

Vervallen

§ 1A.2. Beëdiging en installatie

Artikel 1g

Vervallen

Hoofdstuk 2. Volledige taak en deeltaak

Artikel 2
1.

De benoeming in het ambt van president van, vice-president van, raadsheer in of raadsheer in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, senior raadsheer, raadsheer of raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, senior rechter A, senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger in een rechtbank, of procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal, advocaat-generaal of advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister voor het leven.

2.

De benoeming in het ambt van procureur-generaal, deel uitmakend van het College van procureurs-generaal, landelijk hoofdadvocaat-generaal bij het ressortsparket, hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal of advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, dan wel hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie of substituut-officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

3.

De benoeming in het ambt van plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal, plaatsvervangend officier van justitie, officier enkelvoudige zittingen dan wel plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen geschiedt bij besluit van Onze Minister.

4.

In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal de landelijk hoofdadvocaat-generaal of een hoofdadvocaat-generaal, senior advocaat-generaal, advocaat-generaal of plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal.

5.

In afwijking van het derde lid kan het College van procureurs-generaal een hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officier van justitie A, senior officier van justitie, officier van justitie, substituut-officieren van justitie of plaatsvervangend officier van justitie bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal.

6.

De benoeming in het ambt van senior-gerechtsauditeur of gerechtsauditeur geschiedt bij besluit van Onze Minister, indien het een benoeming in tijdelijke dienst betreft, onderscheidenlijk bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister, indien het een benoeming in vaste dienst betreft. Onze Minister benoemt niet onderscheidenlijk doet geen voordracht voor benoeming dan op voorstel van de betrokken functionele autoriteit.

7.

De benoeming in het ambt van griffier dan wel substituut-griffier van de Hoge Raad geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.

8.

De benoeming in het ambt van rechter in opleiding en officier in opleiding geschiedt bij besluit van Onze Minister.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Tot rechterlijk ambtenaar kan alleen een Nederlander worden benoemd.

Artikel 5
1.

Tot rechterlijk ambtenaar kan worden benoemd degene:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen graden, verleend door een universiteit, de Open Universiteit of een hogeschool als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, of daaraan gelijkwaardige getuigschriften worden aangewezen die voor de toepasselijkheid van het eerste lid, onderdeel a, gelijk worden gesteld aan de in dat lid bedoelde graad Bachelor op het gebied van het recht.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorts nadere regels worden gesteld met betrekking tot de beroepsvereisten voor de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1° tot en met 7°, 9° en 10°, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Artikel 6

Tenzij anders is bepaald, worden de in dit hoofdstuk genoemde bevoegdheden ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar uitgeoefend door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een bij een gerechtshof of rechtbank werkzame rechterlijk ambtenaar betreft, het gerechtsbestuur.

Hoofdstuk 3. Bezoldiging en andere financiële arbeidsvoorwaarden

Artikel 7
1.

De rechterlijke ambtenaren die hun ambt op basis van een aanstelling vervullen, ontvangen een salaris.

2.

Voor de bepaling van hun salaris worden de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, ingedeeld in de volgende categorieën:

categorie 1: president van en procureur-generaal bij de Hoge Raad;

categorie 2: vice-president van en plaatsvervangend procureur-generaal bij de Hoge Raad;

categorie 3: raadsheer in en advocaat-generaal bij de Hoge Raad; procureur-generaal, lid van het College van procureurs-generaal; hoofdofficier van justitie bij de arrondissementsparketten Amsterdam, Den Haag en Rotterdam en bij het arrondissementsparket in de arrondissementen Gelderland en Overijssel gezamenlijk; hoofdofficier van justitie bij het landelijk parket; hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket;

categorie 4: landelijk hoofdadvocaat-generaal; hoofdofficier van justitie bij de overige parketten;

categorie 5: plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij de arrondissementsparketten Amsterdam, Den Haag en Rotterdam en bij het arrondissementsparket in de arrondissementen Gelderland en Overijssel gezamenlijk; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het landelijk parket; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij het functioneel parket;

categorie 6: hoofdadvocaat-generaal; plaatsvervangend hoofdofficier van justitie bij de overige parketten;

categorie 7: senior raadsheer in een gerechtshof; senior rechter A in een rechtbank; senior advocaat-generaal; senior officier van justitie A;

categorie 8: raadsheer in een gerechtshof; senior rechter in een rechtbank, advocaat-generaal bij het ressortsparket of het parket-generaal; senior officier van justitie;

categorie 9: rechter in een rechtbank; officier van justitie;

categorie 9a: rechter in opleiding; officier in opleiding;

categorie 10: griffier van de Hoge Raad; gerechtsauditeur, tevens raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof waarbij hij is aangesteld; gerechtsauditeur, tevens rechter-plaatsvervanger in de rechtbank waarbij hij is aangesteld; substituut-officier van justitie; officier enkelvoudige zittingen; senior-gerechtsauditeur;

categorie 11: gerechtsauditeur; substituut-griffier van de Hoge Raad.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de hoogten van de salarissen van de rechterlijke ambtenaren bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de indeling in het tweede lid vastgesteld.

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9
1.

De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 5f, tweede en derde lid, die een ambt op basis van een aanwijzing vervullen en niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar salaris genieten, ontvangen over de periode van hun aanwijzing een salaris overeenkomstig het bij en krachtens artikel 7 bepaalde.

2.

De rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 5f, tweede lid, die werkzaamheden verrichten na daartoe door de functionele autoriteit te zijn opgeroepen en niet reeds uit anderen hoofde als rechterlijk ambtenaar salaris genieten, ontvangen een vergoeding volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.

3.

Voor de toepassing van het eerste lid:

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13
1.

Indien krachtens artikel 7, derde lid, voor het salaris van een rechterlijk ambtenaar een schaal is vastgesteld, geniet deze bij de eerste benoeming met ingang van de datum van indiensttreding het als eerste in de schaal vermelde salaris en vervolgens telkens na één jaar het daarna in de schaal vermelde salaris.

2.

Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar wiens eerste benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft kan door het betrokken gerechtsbestuur van het eerste lid worden afgeweken. Indien het gerechtsbestuur voornemens is in deze zin te besluiten, stelt het de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid hierover advies uit te brengen. Heeft de Raad voor de rechtspraak advies uitgebracht, dan zendt het gerechtsbestuur een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad voor de rechtspraak.

3.

Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar, anders dan bedoeld in het tweede lid, kan door Onze Minister van het eerste lid worden afgeweken, doch niet anders dan op voorstel van of na het inwinnen van advies bij de functionele autoriteit.

Artikel 14
1.

Bij een opvolgende benoeming in een ambt waaraan een hoger maximum salaris is verbonden en waarvoor krachtens artikel 7, derde lid, een schaal is vastgesteld, geschiedt de inpassing in die schaal, met ingang van de datum van indiensttreding, op het naast hogere bedrag. De jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris blijft geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.

2.

Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar wiens opvolgende benoeming een ambt bij een gerechtshof of rechtbank betreft kan door het betrokken gerechtsbestuur ten gunste van de rechterlijk ambtenaar worden afgeweken van het eerste lid, eerste volzin. Indien het gerechtsbestuur voornemens is in deze zin te besluiten, stelt het de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid hierover advies uit te brengen. Heeft de Raad advies uitgebracht, dan zendt het gerechtsbestuur een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad.

3.

Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar, anders dan bedoeld in het tweede lid, kan door Onze Minister van het eerste lid worden afgeweken, doch niet anders dan op voorstel van of na het inwinnen van advies bij de functionele autoriteit.

Artikel 15
1.

Bij een opvolgende benoeming in een ambt waaraan een gelijk maximum salaris is verbonden en waarvoor krachtens artikel 7, derde lid, een schaal is vastgesteld, geschiedt de inpassing in die schaal van de rechterlijk ambtenaar die nog niet het aan dat ambt verbonden maximum salaris geniet, met ingang van de datum van indiensttreding, op het naast hogere bedrag. De jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris blijft geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.

2.

In geval van een in artikel 5b, vierde lid, bedoelde wijziging van de vaststelling van het gerecht of het parket waarbij een ambt wordt vervuld, wordt aan het in het eerste lid bepaalde overeenkomstige toepassing gegeven.

Artikel 16
1.

Indien een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, die nog niet het maximum salaris van de voor hem geldende salarisschaal geniet, naar het oordeel van het in artikel 6 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan zijn salaris worden verhoogd tot een in die salarisschaal vermeld hoger bedrag.

2.

Indien een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar, die het maximum salaris van de voor hem geldende salarisschaal geniet, naar het oordeel van het in artikel 6 bedoelde gezag zijn ambt uitstekend vervult, kan zijn salaris worden verhoogd tot een bedrag vermeld in de salarisschaal behorende bij het ambt waarvan het maximum salaris het naast hogere is van dat van het ambt waarin hij is benoemd.

3.

Het oordeel over de wijze waarop een ambt wordt vervuld, bedoeld in het eerste en tweede lid, komt tot stand op basis van het verslag van een met de rechterlijk ambtenaar gehouden functioneringsgesprek of een vastgestelde beoordeling van het functioneren van de rechterlijk ambtenaar.

4.

Verhoging van het salaris als bedoeld in het eerste en tweede lid geschiedt met ingang van een door het in artikel 6 bedoelde gezag te bepalen dag. In geval van verhoging van het salaris als bedoeld in het eerste lid, blijft de jaarlijkse verhoging tot het daarna in de schaal vermelde salaris geschieden op dezelfde dag van het jaar als waarop die overeenkomstig artikel 13 plaatsvond.

5.

Een salarisverhoging als bedoeld in het tweede lid kan worden ingetrokken indien de rechterlijk ambtenaar zijn ambt naar het oordeel van het in artikel 6 bedoelde gezag niet meer uitstekend vervult. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17
1.

Het genot van het salaris vangt aan met ingang van de dag waarop de rechterlijk ambtenaar in dienst treedt.

2.

Bij overgang naar een andere functie binnen de rijksoverheid wordt, indien deze functie wordt aanvaard met ingang van een dag waarop het einde van de benoeming in het rechterlijke ambt nog niet is ingegaan, het salaris in dit ambt niet langer uitbetaald dan tot de dag waarop het genot van het salaris in de nieuwe functie aanvangt.

3.

Het salaris wordt per maand genoten.

4.

Indien een aanspraak op een verhoging van het salaris ontstaat op een andere dag dan de eerste dag van een kalendermaand, wordt het nieuwe salaris genoten vanaf de eerste dag van die kalendermaand.

5.

Indien het salaris moet worden berekend over een gedeelte van de kalendermaand, wordt het salaris per dag vastgesteld door het maandelijkse salaris te delen door het aantal dagen van de desbetreffende kalendermaand.

6.

De rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding ontvangt over de tijd gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten geen salaris.

7.

Het tweede, derde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de toelagen die ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde tot de bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar behoren.

Artikel 18
1.

De bezoldiging van de rechterlijk ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van overlijden.

2.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden wordt aan de weduwe of de weduwnaar van wie de overleden rechterlijk ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar op de dag van het overlijden genoot. Onder weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, wordt mede begrepen de achtergebleven geregistreerde partner alsmede de nabestaande levenspartner met wie de niet gehuwde rechterlijk ambtenaar samenwoonde en, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke huishouding voerde op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract bevattende de wederzijdse rechten en verplichtingen ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden aangemerkt.

3.

De uitkering wordt vermeerderd met een bedrag gelijk aan drie maal de vakantie-uitkering over een maand. Als maatstaf geldt de bezoldiging die de rechterlijk ambtenaar in de maand van het overlijden zou hebben genoten.

4.

Bij ontstentenis van een weduwe of weduwnaar van wie de rechterlijk ambtenaar niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige kinderen. Onder kinderen worden mede verstaan natuurlijke kinderen waarover de rechterlijk ambtenaar de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor.

5.

Ontbreken ook minderjarige kinderen, dan geschiedt, indien de rechterlijk ambtenaar kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, de uitkering ten behoeve van deze nagelaten betrekkingen.

6.

Indien de rechterlijk ambtenaar geen betrekkingen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid nalaat, kan het in het tweede lid bedoelde bedrag geheel of gedeeltelijk worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten die in verband met lijkbezorging en de aan het overlijden voorafgaande ziekte zijn gemaakt, indien de nalatenschap van de rechterlijk ambtenaar voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

7.

Op het bedrag, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt in mindering gebracht een uitkering op grond van artikel 35 van de Ziektewet, een uitkering op grond van artikel 74 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, een uitkering op grond van artikel 53 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkering, indien deze uitkeringen worden uitgekeerd. Indien een uitkering als bedoeld in de eerste volzin zowel uit een benoeming in een rechterlijk ambt als uit een of meer andere betrekkingen voortvloeit, wordt voor de toepassing van de eerste volzin onder uitkering verstaan het gedeelte van de uitkering dat aan de benoeming in het rechterlijk ambt kan worden toegerekend.

Artikel 19

De bepalingen die voor burgerlijke rijksambtenaren gelden ten aanzien van het gelijktijdig genot van burgerlijke en militaire beloning, vinden overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren, die hun ambt op basis van een aanstelling of aanwijzing vervullen, met dien verstande dat voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren van de aan hun ambt verbonden bezoldiging nimmer minder ontvangen dan het bedrag, waarmede deze bezoldiging hun militaire bezoldiging overtreft.

Hoofdstuk 4. Arbeidsduur, werktijd en werkverdeling

Artikel 20

Vervallen

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22

Vervallen

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

Paragraaf 5.1. Vakantie

Artikel 23

Vervallen

Artikel 24

Vervallen

Artikel 25

Vervallen

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 27a

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Vervallen

Artikel 31

Vervallen

Artikel 32

Vervallen

Paragraaf 5.1. Vakantie

Artikel 33

Vervallen

Artikel 34

Vervallen

Artikel 35

Vervallen

Artikel 36

Vervallen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Hoofdstuk 6. Overige rechten en plichten

Artikel 40
1.

Aan een rechterlijk ambtenaar worden op zondagen en dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen geen werkzaamheden opgedragen, tenzij het dienstbelang dit naar het oordeel van de functionele autoriteit onvermijdelijk maakt.

2.

In afwijking van het eerste lid, kunnen aan rechterlijke ambtenaren als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 7, van de Wet op de rechterlijke organisatie, voor zover werkzaam bij een arrondissementsparket of bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie, werkzaamheden worden opgedragen op zondagen en dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen, indien de aard en of organisatie van de arbeid dit onvermijdelijk maakt.

Artikel 41
1.

Het bestuur van de rechtbank onderscheidenlijk het gerechtshof verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat gerecht.

2.

Het hoofd van het parket verdeelt de werkzaamheden van de rechterlijke ambtenaren die werkzaam zijn bij dat parket.

3.

De president van de Hoge Raad verdeelt de werkzaamheden van de gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad.

4.

Van de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verdeling van werkzaamheden kan slechts worden afgeweken voor een beperkte duur en indien het dienstbelang dit naar het oordeel van het bestuur van het gerecht, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk het hoofd van het parket onvermijdelijk maakt.

Artikel 42
1.

Voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, is jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk.

2.

Voor schade als bedoeld in het eerste lid en voor schade die hij bij de vervulling van zijn ambt aan de Staat toebrengt, is een rechterlijk ambtenaar jegens de Staat niet aansprakelijk, behalve voor zover de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

3.

Voor schade die een gevolg is van een rechterlijke uitspraak is een rechterlijk ambtenaar niet aansprakelijk.

4.

Onze Minister kan de betrokken rechterlijk ambtenaar bij besluit verplichten om ter zake van schade waarvoor deze op grond van het tweede lid aansprakelijk is, aan de Staat ter finale kwijting een vergoeding te betalen.

5.

In het besluit wordt het bedrag van de vergoeding vermeld. Indien het bedrag nog niet kan worden vastgesteld, worden de reden daarvan en zo mogelijk een voorlopige raming van het bedrag in het besluit vermeld, waarna Onze Minister zo spoedig mogelijk bij afzonderlijk besluit het bedrag vaststelt.

Artikel 43
1.

Een niet voor het leven benoemde rechterlijk ambtenaar onthoudt zich van het openbaren van gedachten of gevoelens en van de uitoefening van de rechten tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten naar het oordeel van de functionele autoriteit de goede vervulling van het ambt of het goede functioneren van de rechterlijke macht niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.

2.

Het eerste lid is, voor zover het betreft het recht van vereniging, niet van toepassing op het lidmaatschap van:

Artikel 44
1.

Rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de plaatsvervangers, rechters in opleiding en officieren in opleiding, kunnen niet tevens advocaat of notaris zijn dan wel anderszins van het verlenen van rechtskundige bijstand een beroep maken.

2.

Een advocaat kan niet tevens werkzaam zijn als rechter-plaatsvervanger in de rechtbank in het arrondissement waarin hij kantoor houdt onderscheidenlijk als raadsheer-plaatsvervanger in het gerechtshof tot het rechtsgebied waarvan het arrondissement behoort waarin hij kantoor houdt.

3.

Degene die als rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een tot het openbaar ministerie behorend parket, kan niet tevens werkzaam zijn als rechter-plaatsvervanger in een rechtbank of als raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof. De eerste volzin is niet van toepassing gedurende de periode waarin aan hem voor het gemiddeld aantal uren per week waarvoor hij is aangesteld op zijn verzoek buitengewoon verlof is verleend.

4.

Rechterlijke ambtenaren vervullen geen betrekkingen waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van hun ambt of op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.

5.

Rechterlijke ambtenaren stellen de functionele autoriteit in kennis van de betrekkingen die zij buiten hun ambt vervullen. Zo mogelijk geschiedt de kennisgeving zodra het voornemen bestaat tot het gaan vervullen van de betrekking. Ook indien zij geen betrekkingen buiten het ambt vervullen, stellen zij de functionele autoriteit daarvan in kennis.

6.

De functionele autoriteit beoordeelt of de vervulling van de betrekking ongewenst is met het oog op de in het vierde lid genoemde gronden. Ten aanzien van de met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren, niet zijnde president, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een rechtbank binnen het rechtsgebied van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van dat gerechtshof. Ten aanzien van de rechterlijke ambtenaren die tevens president zijn van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van de Hoge Raad.

7.

Bij een kennisgeving als bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, worden de volgende gegevens gemeld:

met dien verstande dat de plaatsvervangers, in afwijking van de onderdelen f en g, van hun hoofdbetrekking de omvang en de hoogte van de bezoldiging niet behoeven te melden.

8.

De kennisgevingen worden jaarlijks geactualiseerd.

9.

Onze Minister stelt de procureur-generaal bij de Hoge Raad in kennis van de betrekkingen die de leden van het College van procureurs-generaal buiten hun ambt vervullen.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van het vijfde, zevende en achtste lid.

Artikel 45
1.

Aan een rechterlijk ambtenaar die is benoemd of verkozen in een functie in een publiekrechtelijk college, wordt voor het bijwonen van vergaderingen en zittingen van dat college en voor het verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden ten behoeve van dat college, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet.

2.

Aan een rechterlijk ambtenaar wordt voor het verrichten van of het deelnemen aan activiteiten op de terreinen, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, voor of van een vereniging of centrale van verenigingen als bedoeld in artikel 50, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak, tenzij het belang van de dienst zich daartegen verzet.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste en tweede lid, waaronder in elk geval regels betreffende de doorbetaling van bezoldiging gedurende perioden waarin buitengewoon verlof als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verleend.

Artikel 46
1.

Aan een rechterlijk ambtenaar kan door Onze Minister dan wel, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank, het gerechtsbestuur onderscheidenlijk door de Raad voor de rechtspraak naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend.

2.

Een afschrift van een beslissing van Onze Minister of de Raad voor de rechtspraak als bedoeld in het eerste lid wordt gezonden aan de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk ambtenaar.

3.

Het gerechtsbestuur, bedoeld in het eerste lid, stelt de Raad voor de rechtspraak in de gelegenheid om advies uit te brengen inzake een voorgenomen besluit tot verlening van een schadeloosstelling, een kostenvergoeding of een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid die op jaarbasis meer dan € 5 000 bedraagt. Indien de Raad voor de rechtspraak advies heeft uitgebracht, zendt het gerechtsbestuur een afschrift van het vervolgens genomen besluit aan de Raad voor de rechtspraak.

4.

Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, regels geven omtrent schadeloosstelling, kostenvergoedingen en overige geldelijke tegemoetkomingen aan groepen van rechterlijke ambtenaren of rechterlijke ambtenaren in opleiding.

5.

Indien artikel 17, zesde lid, van toepassing is vervallen de aanspraken genoemd in het eerste lid, naar evenredigheid.

Artikel 46a

Vervallen

Hoofdstuk 6A. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag

§ 6A.1. Algemeen

Artikel 46b

Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op de voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren.

§ 6A.1. Algemeen

Artikel 46c

Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kan een disciplinaire maatregel worden opgelegd, indien hij:

Artikel 46d
1.

De disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt, anders dan door de Hoge Raad, opgelegd:

2.

De overige disciplinaire maatregelen genoemd in artikel 46ca, eerste lid, worden uitsluitend door de Hoge Raad opgelegd.

3.

Gedurende een procedure ingevolge artikel 46o wordt jegens de betrokken rechterlijk ambtenaar, anders dan door de Hoge Raad, geen disciplinaire maatregel opgelegd voor de gedraging waarop die procedure betrekking heeft.

Artikel 46e
1.

Een disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt niet opgelegd dan nadat de rechterlijk ambtenaar, tevens zijnde president van het gerechtshof of de rechtbank, de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de procureur-generaal bij de Hoge Raad, de betrokken rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen.

2.

Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechterlijk ambtenaar en door degene te wiens overstaan de zienswijze naar voren wordt gebracht, wordt ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de disciplinaire maatregel van schriftelijke berisping wordt opgelegd door de Hoge Raad.

§ 6A.3. Schorsing

Artikel 46f
1.

Een rechterlijk ambtenaar wordt door de Hoge Raad geschorst, indien en voor zolang:

2.

Een rechterlijk ambtenaar kan door de Hoge Raad worden geschorst, indien:

3.

Een schorsing als bedoeld in het tweede lid eindigt na drie maanden, met dien verstande dat de Hoge Raad de schorsing telkens voor ten hoogste drie maanden kan verlengen.

4.

De Hoge Raad beëindigt een schorsing als bedoeld in het tweede lid zodra de grond hiervoor is vervallen.

Artikel 46g
1.

De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk zal worden ingehouden.

2.

Indien de schorsing anders dan door ontslag eindigt, kan de Hoge Raad beslissen dat de niet genoten bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald. Op de alsnog uit te betalen bezoldiging worden in mindering gebracht de inkomsten, die de rechterlijk ambtenaar heeft genoten uit arbeid die hij tijdens de schorsing heeft verricht, tenzij zulks naar het oordeel van de Hoge Raad onredelijk of onbillijk is.

§ 6A.4. Ontslag en herplaatsing

Artikel 46h
1.

De rechterlijk ambtenaar wordt op eigen verzoek bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.

2.

Ontslag als bedoeld in het eerste lid wordt verleend met ingang van een dag niet vroeger dan een maand of later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is ontvangen. Van het bepaalde in de vorige volzin kan worden afgeweken indien de rechterlijk ambtenaar hierom verzoekt.

3.

Met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de rechterlijk ambtenaar de leeftijd van zeventig jaren heeft bereikt, wordt hij bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister ontslagen.

Artikel 46i
1.

De rechterlijk ambtenaar kan, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad worden ontslagen, indien:

2.

Voor het berekenen van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden niet in aanmerking genomen:

3.

Voor de berekening van het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in het tweede lid, samengeteld:

4.

Het tijdvak van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt verlengd:

5.

In afwijking van het eerste lid kan de rechterlijk ambtenaar, indien de in dat lid bedoelde voorwaarden zijn vervuld en hij hierom verzoekt, worden ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een ontslag door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid.

6.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken.

Artikel 46j

Bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i, eerste lid, wordt de uitslag betrokken van de beoordeling door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, van de aanvraag op grond van artikel 64 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Indien de beoordeling in de eerste volzin niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar en de functionele autoriteit het oneens zijn over het ontslag, kan door de functionele autoriteit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een oordeel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen worden gevraagd en betrekt de Hoge Raad dit bij de beoordeling.

Artikel 46k
1.

Aan de rechterlijk ambtenaar, die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, kan door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, een ander ambt of andere functie worden opgedragen bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid. De rechterlijk ambtenaar is verplicht het ambt dat of de functie die hem wordt opgedragen te aanvaarden.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de rechterlijk ambtenaar die door het in artikel 46j, eerste lid, bedoelde Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen minder dan 35% arbeidsongeschikt is verklaard, door de Hoge Raad op voorstel van de functionele autoriteit wordt herplaatst in een ander ambt of andere functie bij een parket of gerecht of anderszins binnen het gezagsbereik van Onze Minister, indien sprake is van passende arbeid, tenzij een zwaarwegend dienstbelang zich daartegen verzet.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de opdracht, indien de daar bedoelde voorwaarden zijn vervuld en de rechterlijk ambtenaar daarom verzoekt, worden gegeven bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt een zodanige opdracht gelijkgesteld met een door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid gegeven opdracht.

4.

Indien aan de rechterlijk ambtenaar een ander ambt of andere functie, niet zijnde een ambt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt opgedragen, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen als voor het leven benoemd rechterlijk ambtenaar.

5.

Indien aan de rechterlijk ambtenaar een ambt als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt opgedragen voor minder uren dan het aantal uren dat hij zijn oorspronkelijke ambt gemiddeld per week vervulde, wordt hij door de Hoge Raad onderscheidenlijk bij koninklijk besluit tevens ontslagen voor het meerdere aantal uren.

6.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, de raadsheren-plaatsvervangers in de gerechtshoven en de rechters-plaatsvervangers in de rechtbanken.

Artikel 46l
1.

De rechterlijk ambtenaar wordt door de Hoge Raad ontslagen, indien hij:

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de rechterlijk ambtenaar in geval van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt anders dan wegens ziekte, indien hij hierom verzoekt, ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister. Voor de rechtsgevolgen wordt dit ontslag gelijkgesteld met een ontslag door de Hoge Raad overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.

3.

Voor de beoordeling of sprake is van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt, anders dan wegens ziekte, wordt advies ingewonnen bij een commissie van drie deskundigen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent nadere regels gesteld.

Artikel 46m

De rechterlijk ambtenaar kan door de Hoge Raad worden ontslagen, indien hij:

Artikel 46n
1.

Ingeval van een ontslag ingevolge de artikelen 46ca, eerste lid, onderdeel d, 46ka, 46l of artikel 46m, onderdelen a, b en c, kan de Hoge Raad een voorziening treffen onderscheidenlijk kan bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister een voorziening worden getroffen waarbij de rechterlijk ambtenaar een uitkering wordt verleend die naar het oordeel van de Hoge Raad onderscheidenlijk Onze Minister met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten.

2.

De uitkering is ten hoogste gelijk aan het voor de rechterlijk ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidswet en het krachtens artikel 54 bepaalde ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de Werkloosheidswet.

3.

Op de uitkering zijn voor het overige de Werkloosheidswet en het krachtens artikel 54 bepaalde ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid van overeenkomstige toepassing.

4.

Indien de rechterlijk ambtenaar ter zake van hetzelfde ontslag recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of het krachtens artikel 54 bepaalde ter zake van voorzieningen in geval van werkloosheid, vervalt de door de Hoge Raad of bij koninklijk besluit toegekende uitkering.

§ 6A.5. Procedure bij de Hoge Raad

Artikel 46o
1.

De Hoge Raad neemt de in dit hoofdstuk bedoelde beslissingen op vordering van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Over beëindiging van een schorsing beslist de Hoge Raad op vordering van de procureur-generaal dan wel op verzoek van de betrokken rechterlijk ambtenaar.

2.

De vordering van de procureur-generaal, bedoeld in het eerste lid, geschiedt ambtshalve dan wel naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek van de functionele autoriteit van de betrokken rechterlijk ambtenaar. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof of een rechtbank en daarvan niet tevens president is, wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan: de rechterlijk ambtenaar die tevens president van dat gerechtshof onderscheidenlijk die rechtbank is. Indien de betrokken rechterlijk ambtenaar werkzaam is bij een gerechtshof onderscheidenlijk een rechtbank en daarvan tevens president is, wordt in de eerste volzin onder functionele autoriteit verstaan: de president van de Hoge Raad onderscheidenlijk de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van het gerechtshof tot het rechtsgebied waarvan die rechtbank behoort.

3.

De procureur-generaal vordert niet dan nadat hij de rechterlijk ambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Van het mondeling naar voren brengen van de zienswijze wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de betrokken rechterlijk ambtenaar en de procureur-generaal wordt ondertekend. Weigert de rechterlijk ambtenaar het proces-verbaal te ondertekenen, dan wordt daarvan in het proces-verbaal, zo mogelijk met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Aan de rechterlijk ambtenaar wordt een afschrift van het proces-verbaal verstrekt.

4.

De vordering wordt door de procureur-generaal gemotiveerd en schriftelijk ingesteld. Bij de vordering wordt in elk geval het proces-verbaal, bedoeld in het derde lid, gevoegd.

Artikel 46p
1.

Het onderzoek door de Hoge Raad geschiedt in raadkamer.

2.

De betrokken rechterlijk ambtenaar wordt uitgenodigd om bij het onderzoek aanwezig te zijn en daarbij, zo gewenst, zijn mening kenbaar te maken. De uitnodiging gaat vergezeld van een afschrift van de ingestelde vordering en van de daarbij gevoegde stukken.

3.

De Hoge Raad kan, hetzij op verzoek van de procureur-generaal of de betrokken rechterlijk ambtenaar, hetzij ambtshalve, getuigen oproepen en horen.

4.

De Hoge Raad beslist bij met redenen omkleed arrest. De uitspraak geschiedt in het openbaar.

5.

De Hoge Raad doet aan het betrokken gerecht onderscheidenlijk het parket bij de Hoge Raad alsmede aan Onze Minister onverwijld mededeling van een beslissing als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 46q

Indien het ontslag, de schorsing of het bij ongeschiktheid wegens ziekte opdragen van een ander ambt of andere functie van de procureur-generaal in het geding is, worden de in de artikelen 46o en 46p aan de procureur-generaal toegekende bevoegdheden en verplichtingen uitgeoefend door de plaatsvervangend procureur-generaal.

Hoofdstuk 7. Beroep

Artikel 47

Vervallen

Hoofdstuk 7. Beroep

Artikel 48
1.

Over aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand – met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd – van de rechterlijke ambtenaren, wordt niet beslist dan nadat daarover door Onze Minister overleg is gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de regelingen, bedoeld in artikel 49, een en ander voor zover in het overleg over deze regelingen niet is voorzien in een bevoegdheid om aanvullende of afwijkende voorzieningen te treffen ten behoeve van rechterlijke ambtenaren.

3.

Over algemene aangelegenheden met betrekking tot de rechtspleging wordt door Onze Minister overleg gevoerd met de Sectorcommissie rechterlijke macht, indien hierom door een of meer leden van de Sectorcommissie rechterlijke macht of Onze Minister wordt verzocht.

Artikel 49

Het overleg met betrekking tot regelingen die specifiek betrekking hebben op overheids- en onderwijspersoneel in het algemeen, bedoeld in artikel 1 van de Regeling overleg Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid, heeft eveneens betrekking op de rechterlijke ambtenaren.

Artikel 50
1.

De deelnemers aan het overleg, bedoeld in artikel 48, eerste en derde lid, zijn de Sectorcommissie rechterlijke macht en Onze Minister.

2.

De Sectorcommissie rechterlijke macht bestaat uit vertegenwoordigers van:

3.

Ten aanzien van de Sectorcommissie rechterlijke macht kunnen bij algemene maatregel van bestuur over de volgende onderwerpen nadere regels worden gesteld: de samenstelling, de werkwijze, de besluitvorming, de stemverhouding daaronder begrepen, de onderwerpen waarover de Sectorcommissie Onze Minister dient in te lichten, de intrekking en schorsing van de toelating van verenigingen of centrales van verenigingen tot de Sectorcommissie, en de schorsing van vertegenwoordigers in de Sectorcommissie.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het overleg tussen Onze Minister en de Sectorcommissie rechterlijke macht.

Artikel 51
1.

Voorstellen strekkende tot invoering, wijziging of intrekking van regelingen welke aangelegenheden betreffen waarop artikel 48, eerste lid, betrekking heeft en waaraan individuele rechterlijke ambtenaren rechten kunnen ontlenen dan wel die plichten voor hen kunnen meebrengen, worden slechts ten uitvoer gebracht indien daarover overeenstemming bestaat met de Sectorcommissie rechterlijke macht.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op voorstellen strekkende tot:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het inwinnen van advies van een commissie over een geschil en het onderwerpen van een geschil aan een arbitrale uitspraak van een commissie door de deelnemers aan het overleg, bedoeld in artikel 50, eerste lid, waaronder in elk geval regels over de procedure voorafgaand aan het voorleggen van een geschil aan de commissie en over de samenstelling en de werkwijze van de commissie.

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

Vervallen

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 54

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor rechterlijke ambtenaren regels worden gesteld met betrekking tot de volgende onderwerpen:

Artikel 55

Deze wet wordt aangehaald als: Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Artikel 56

Vervallen

Artikel 57

Vervallen

Artikel 58

Vervallen

Artikel 59

Vervallen

Artikel 60

Vervallen

Artikel 61

Vervallen

Artikel 62

Vervallen

Artikel 63

Vervallen

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65

Vervallen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage. bij de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

salariscategorie salaris in euro's per maand per 1 mei 2003
1 9 572,79
2 8 979,64
3 8 423,94
4 7 900,54
aanvang 6 541,49
na 1 jaar 6 966,57
na 2 jaar 7 418,82
na 3 jaar 7 900,54
6 7 188,49
7 aanvang 6 143,10
na 1 jaar 6 541,49
na 2 jaar 6 966,57
na 3 jaar 7 188,49
8 aanvang 6 143,10
na 1 jaar 6 340,19
na 2 jaar 6 541,49
na 3 jaar 6 750,75
9 aanvang 4 740,51
na 1 jaar 4 870,66
na 2 jaar 4 998,47
na 3 jaar 5 135,18
na 4 jaar 5 275,14
na 5 jaar 5 418,40
na 6 jaar 5 591,15
na 7 jaar 5 769,98
na 8 jaar 5 953,97
na 9 jaar 6 143,10
10 aanvang 4 049,06
na 1 jaar 4 152,05
na 2 jaar 4 250,82
na 3 jaar 4 354,29
na 4 jaar 4 482,57
na 5 jaar 4 611,77
na 6 jaar 4 740,51
na 7 jaar 4 870,66
na 8 jaar 4 931,52
11 aanvang 3 536,43
na 1 jaar 3 639,89
na 2 jaar 3 742,87
na 3 jaar 3 844,95
na 4 jaar 3 944,19
na 5 jaar 4 049,06
na 6 jaar 4 152,05
na 7 jaar 4 250,82
na 8 jaar 4 354,29
na 9 jaar 4 482,57
na 10 jaar 4 547,17
11a aanvang 4 049,06
na 1 jaar 4 152,05
na 2 jaar 4 250,82
na 3 jaar 4 354,29
na 4 jaar 4 482,57
na 5 jaar 4 611,77
na 6 jaar 4 740,51
na 7 jaar 4 870,66
na 8 jaar 4 931,52
12 aanvang 2 161,93
na 1 jaar 2 264,92
na 2 jaar 2 375,40
na 3 jaar 2 910,98
na 4 jaar 3 021,93
na 5 jaar 3 125,39
na 6 jaar 3 219,02
na 7 jaar 3 316,86
na 8 jaar 3 426,88

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 1A.3. Het ambtskostuum

Artikel 1h

Vervallen

Hoofdstuk 2. Benoeming, plaatsing en beëdiging

Hoofdstuk 3. Bezoldiging en andere financiële arbeidsvoorwaarden

Hoofdstuk 4. Arbeidsduur, werktijd en werkverdeling

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

Paragraaf 5.1. Vakantie

Paragraaf 5.2. Verlof

Hoofdstuk 6. Overige rechten en plichten

Hoofdstuk 6A. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag

§ 6A.2. Disciplinaire maatregelen

§ 6A.3. Schorsing

§ 6A.4. Ontslag en herplaatsing

§ 6A.3. Schorsing

Hoofdstuk 7. Beroep

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage Eerste. als bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte als bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door de rechterlijk ambtenaar;

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ...................., werd te ....................

ten overstaan van (1) ....................

door (2) ....................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ....................

(1) ....................

(2) ....................

Krachtens de wet is de rechterlijk ambtenaar verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Daarbij is de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast mag zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun advocaten, procureurs of gemachtigden over enige voor hem aanhangig geschil of een geschil waarvan hij weet of vermoedt dat deze voor hem aanhangig wordt.

Bijlage Tweede. als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door het deskundig lid;

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding zal krijgen waarbij ik als deskundig lid betrokken zou kunnen zijn.

Ik zweer/beloof dat ik mijn werk als deskundig lid met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed deskundig lid betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op .................... werd te ....................

Ten overstaan van (1) ...................., en

Door (2) ....................

De bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ....................

(1) ....................

(2) ....................

Krachtens de wet is het deskundig lid verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. Daarbij is het deskundig lid verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Bijlage Eerste. als bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte als bedoeld in artikel 1g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door de rechterlijk ambtenaar;

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ...................., werd te ....................

ten overstaan van (1) ....................

door (2) ....................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ....................

(1) ....................

(2) ....................

Krachtens de wet is de rechterlijk ambtenaar verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Daarbij is de rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast mag zich niet op enige wijze inlaten met partijen of hun advocaten, procureurs of gemachtigden over enige voor hem aanhangig geschil of een geschil waarvan hij weet of vermoedt dat deze voor hem aanhangig wordt.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 46ka
1.

De rechterlijk ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, kan, in afwijking van artikel 46i, eerste lid, door de Hoge Raad worden ontslagen indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

2.

Om te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, kan de uitslag worden betrokken van de beoordeling door het in artikel 46j, eerste lid, bedoelde Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de aanvraag op grond van artikel 64 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Indien de beoordeling in de vorige volzin niet of langer dan een jaar geleden heeft plaatsgevonden, dan wel indien de rechterlijk ambtenaar en de functionele autoriteit het oneens zijn over het ontslag, kan door de functionele autoriteit aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een oordeel als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen worden gevraagd en betrekt de Hoge Raad dit bij de beoordeling.

§ 6A.5. Procedure bij de Hoge Raad

Hoofdstuk 7. Beroep

Hoofdstuk 8. Overleg

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage Tweede. als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren door het deskundig lid;

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding zal krijgen waarbij ik als deskundig lid betrokken zou kunnen zijn.

Ik zweer/beloof dat ik mijn werk als deskundig lid met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed deskundig lid betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op .................... werd te ....................

Ten overstaan van (1) ...................., en

Door (2) ....................

De bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ....................

(1) ....................

(2) ....................

Krachtens de wet is het deskundig lid verplicht tot geheimhouding van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. Daarbij is het deskundig lid verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 46ha

Onder passende arbeid wordt in de artikelen 46i, 46k en 46ka verstaan: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de rechterlijk ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding daarvan om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van de rechterlijk ambtenaar kan worden gevergd.

§ 6A.3. Schorsing als ordemaatregel

Hoofdstuk 8. Overleg

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage Derde. als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

salariscategorie salaris in euro's per maand per 1 mei 2003
1 9 572,79
2 8 979,64
3 8 423,94
4 7 900,54
aanvang 6 541,49
na 1 jaar 6 966,57
na 2 jaar 7 418,82
na 3 jaar 7 900,54
6 7 188,49
7 aanvang 6 143,10
na 1 jaar 6 541,49
na 2 jaar 6 966,57
na 3 jaar 7 188,49
8 aanvang 6 143,10
na 1 jaar 6 340,19
na 2 jaar 6 541,49
na 3 jaar 6 750,75
9 aanvang 4 740,51
na 1 jaar 4 870,66
na 2 jaar 4 998,47
na 3 jaar 5 135,18
na 4 jaar 5 275,14
na 5 jaar 5 418,40
na 6 jaar 5 591,15
na 7 jaar 5 769,98
na 8 jaar 5 953,97
na 9 jaar 6 143,10
10 aanvang 4 049,06
na 1 jaar 4 152,05
na 2 jaar 4 250,82
na 3 jaar 4 354,29
na 4 jaar 4 482,57
na 5 jaar 4 611,77
na 6 jaar 4 740,51
na 7 jaar 4 870,66
na 8 jaar 4 931,52
11 aanvang 3 536,43
na 1 jaar 3 639,89
na 2 jaar 3 742,87
na 3 jaar 3 844,95
na 4 jaar 3 944,19
na 5 jaar 4 049,06
na 6 jaar 4 152,05
na 7 jaar 4 250,82
na 8 jaar 4 354,29
na 9 jaar 4 482,57
na 10 jaar 4 547,17
11a aanvang 4 049,06
na 1 jaar 4 152,05
na 2 jaar 4 250,82
na 3 jaar 4 354,29
na 4 jaar 4 482,57
na 5 jaar 4 611,77
na 6 jaar 4 740,51
na 7 jaar 4 870,66
na 8 jaar 4 931,52
12 aanvang 2 161,93
na 1 jaar 2 264,92
na 2 jaar 2 375,40
na 3 jaar 2 910,98
na 4 jaar 3 021,93
na 5 jaar 3 125,39
na 6 jaar 3 219,02
na 7 jaar 3 316,86
na 8 jaar 3 426,88

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5a
1.

De benoeming in het ambt van president van, vice-president van of raadsheer in de Hoge Raad onderscheidenlijk procureur-generaal, plaatsvervangend procureur-generaal of advocaat-generaal bij de Hoge Raad kan op verzoek van de betrokkene, nadat hij de leeftijd van eenenzestig jaren heeft bereikt, worden gewijzigd in een benoeming in het ambt van raadsheer in buitengewone dienst onderscheidenlijk advocaat-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad.

2.

Een wijziging van de benoeming als bedoeld in het eerste lid wordt voor de vaststelling van aanspraken en verplichtingen ten aanzien van pensioenen en uitkeringen wegens vrijwillig vervroegd uittreden gelijkgesteld met ontslag. Artikel 46n is niet van toepassing op de raadsheren in buitengewone dienst bij en advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad.

Artikel 5b
1.

In geval van benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een bij een gerechtshof of rechtbank te vervullen ambt als bedoeld in artikel 2, eerste, zesde en achtste lid, wordt bij besluit van de Raad voor de rechtspraak, overeenkomstig de aanbeveling van het betrokken gerechtsbestuur, vastgesteld bij welk gerechtshof of welke rechtbank dat ambt door hem wordt vervuld.

2.

In geval van benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een bij een tot het openbaar ministerie behorend parket te vervullen ambt als bedoeld in artikel 2, tweede, derde en achtste lid, wordt bij besluit van Onze Minister vastgesteld bij welk parket dat ambt door hem wordt vervuld. De eerste volzin is niet van toepassing in geval van een benoeming in het ambt van procureur-generaal of landelijk hoofdadvocaat-generaal.

3.

In geval van een benoeming van een rechterlijk ambtenaar in een bij een tot het openbaar ministerie behorend parket te vervullen ambt door het College van procureurs-generaal als bedoeld in artikel 2, vierde en vijfde lid, wordt bij besluit van het College van procureurs-generaal vastgesteld bij welk parket dat ambt door hem wordt vervuld.

4.

Wijziging op verzoek van de betrokken rechterlijk ambtenaar van de vaststelling van het gerechtshof of de rechtbank onderscheidenlijk het parket waarbij een ambt als bedoeld in het eerste lid, tweede lid onderscheidenlijk derde lid wordt vervuld, geschiedt eveneens bij besluit van de Raad voor de rechtspraak, Onze Minister onderscheidenlijk het College van procureurs-generaal.

Artikel 5c
1.

Wanneer bij een gerechtshof of een rechtbank een plaats van senior raadsheer, raadsheer, raadsheer-plaatsvervanger, senior rechter A, senior rechter, rechter of rechter-plaatsvervanger openvalt, maakt het bestuur van dat gerechtshof of die rechtbank een lijst van aanbeveling van zo mogelijk drie kandidaten op.

2.

De gerechtsvergadering kan het bestuur adviseren inzake de lijst van aanbeveling, bedoeld in het eerste lid, voor zover het de kandidaten betreft die nog niet als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast bij dat gerecht werkzaam zijn.

3.

Het bestuur van het gerechtshof of de rechtbank zendt de lijst van aanbeveling, bedoeld in het eerste lid, eventueel vergezeld van een advies als bedoeld in het tweede lid, aan de Raad voor de rechtspraak.

4.

Indien de lijst van aanbeveling alleen kandidaten bevat die het desbetreffende ambt al bij een ander gerecht vervullen, neemt de Raad voor de rechtspraak een besluit als bedoeld in artikel 5b, vierde lid. Indien de lijst van aanbeveling ook kandidaten bevat die het desbetreffende ambt nog niet vervullen, zendt de Raad voor de rechtspraak de lijst, onder medezending van een advies hierover, door aan Onze Minister.

5.

Na ontvangst van de lijst van aanbeveling en het advies van de Raad voor de rechtspraak, bedoeld in het vierde lid, tweede volzin, beslist Onze Minister of hij ten aanzien van een kandidaat voor de vacature een voordracht voor benoeming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, doet of de Raad voor de rechtspraak verzoekt een besluit als bedoeld in artikel 5b, vierde lid, te nemen.

6.

Wanneer bij de Hoge Raad een plaats van raadsheer openvalt, geeft de Hoge Raad daarvan kennis aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, onder meezending van een door de Hoge Raad, na overleg met de procureur-generaal bij de Hoge Raad, opgemaakte lijst van aanbeveling van zes kandidaten, ten behoeve van de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal op te maken voordracht van drie personen.

Artikel 5d
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de benoeming in vaste of tijdelijke dienst in een ambt als bedoeld in artikel 2, tweede tot en met zevende lid.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de benoeming in een ambt als bedoeld in artikel 2, achtste lid, waaronder in elk geval regels betreffende de benoeming in tijdelijke of vaste dienst, en worden regels gesteld met betrekking tot de aanwijzing van het gerecht of het parket waarbij een ambt als bedoeld in artikel 2, achtste lid, wordt vervuld.

Artikel 5e

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

Artikel 5f
1.

Een rechterlijk ambtenaar vervult het ambt waarin hij wordt benoemd op basis van een aanstelling voor een gemiddeld aantal uren per week.

2.

In afwijking van het eerste lid worden raadsheren in buitengewone dienst, raadsheren-plaatsvervangers, rechters-plaatsvervangers, advocaten-generaal in buitengewone dienst, plaatsvervangende advocaten-generaal, plaatsvervangende officieren van justitie en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen niet aangesteld, maar kunnen zij voor het verrichten van werkzaamheden door de functionele autoriteit worden opgeroepen.

3.

Met uitzondering van raadsheren in buitengewone dienst van en advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad kunnen de in het tweede lid bedoelde rechterlijke ambtenaren hun ambt ook vervullen op basis van een aanwijzing voor een gemiddeld aantal uren per week.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de aanstelling van rechterlijke ambtenaren en de aanwijzing van rechterlijke ambtenaren.

Artikel 5g
1.

Een rechterlijk ambtenaar legt bij een benoeming in een ambt voorafgaand aan de datum van indiensttreding de eed of belofte af volgens het formulier zoals dat is vastgesteld in de bijlage bij de wet.

2.

Bij een opvolgende benoeming in een ambt, dat bij hetzelfde gerecht of parket wordt vervuld, wordt een rechterlijk ambtenaar, in afwijking van het eerste lid, niet opnieuw beëdigd, tenzij het:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de beëdiging van rechterlijke ambtenaren.

4.

In afwijking van het eerste lid worden niet als zodanig beëdigd de plaatsvervangers van rechtswege alsmede de door het College van procureurs-generaal benoemde plaatsvervangers.

Hoofdstuk 3. Salaris en andere financiële arbeidsvoorwaarden

Artikel 18a
1.

Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing van de rechterlijk ambtenaar, met dien verstande dat:

2.

Indien blijkt dat de als vermist beschouwde rechterlijk ambtenaar in leven is en geen gegronde vermoedens bestaan dat van ongeoorloofde afwezigheid sprake is geweest, kan de bezoldiging alsnog aan de rechterlijk ambtenaar dan wel aan anderen worden uitbetaald.

3.

De in het tweede lid bedoelde bezoldiging wordt verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het totaal van pensioen en uitkeringen dat uit hoofde van de vermissing van de rechterlijk ambtenaar, met betrekking tot het tijdvak waarover alsnog aanspraak bestaat op bezoldiging, is toegekend.

Artikel 19a

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de doorbetaling van bezoldiging aan rechterlijke ambtenaren in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte.

Artikel 19b

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen, in aanvulling op het in dit hoofdstuk bepaalde, voor rechterlijke ambtenaren nadere arbeidsvoorwaarden worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4. Arbeidsduur, werktijd en werkverdeling

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

Paragraaf 5.2. Verlof

Hoofdstuk 6. Overige rechten en plichten

Hoofdstuk 6A. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag

§ 6A.1. Algemeen

§ 6A.1. Algemeen

§ 6A.3. Schorsing

§ 6A.5. Procedure bij de Hoge Raad

Hoofdstuk 7. Beroep

Hoofdstuk 8. Overleg

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage 1. Bijlage als bedoeld in artikel 5g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn ambt de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) ..............................

door (2) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

Bijlage. als bedoeld in artikel 5g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn ambt de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) ..............................

door (2) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

Wanneer de eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed of belofte als volgt:

Ik swar/ûnthjit dat ik trou wêze sil oan de Kening, en dat ik de Grûnwet en alle oare wetten ûnderhâlde en neikomme sil.

Ik swar/ferklearje dat ik streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of útwynsel ek, foar it krijen fan in beneaming oan immen eat jûn of tasein haw, noch jaan of tasizze sil.

Ik swar/ferklearje dat ik nea likefolle hokker jeften of geskinken oannimme of ûntfange sil fan hokker persoan dan ek fan wa’t ik wit of tink dat hy in proses hat of krije sil dêr’t myn amtsferrjochtingen yn te pas komme kinne soene.

Ik swar/ûnthjit dat ik gegevens dy’t ik by it útoefenjen fan myn amt ta myn foldwaan krij en dêr’t ik fan wit of yn alle ridlikheid fan oannimme moat dat dy in fertroulik karakter hawwe, geheim hâlde sil, útsein as in wetlik foarskrift, likefolle hokker, my ta meidieling ferplichtet of as út myn amt de needsaak ta meidieling folget.

Ik swar/ûnthjit dat ik myn amt earlik, sekuer en ûnpartidich, sûnder ûnderskie te meitsjen tusken persoanen, ferrjochtsje sil en my dêrby hâlde en drage sil sa’t in goed rjochterlik amtner foeget.

Sa wier helpe my God Almachtich!/Dat ferklearje en ûnthjit ik!

Op........................, waard yn.....................

yn bywêzen fan (1)..............................

troch (2).............................

de boppeneamde eed/belofte ôflein.

(1).............................

(2).............................

Bijlage Tweede. als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 44a
1.

In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder nevenbetrekkingen: de betrekkingen die rechterlijke ambtenaren buiten hun ambt vervullen.

2.

De kennisgevingen, bedoeld in artikel 44, vijfde lid, en de gegevens over een nevenbetrekking, bedoeld in artikel 44, zevende lid, onderdelen a tot en met e, worden per gerecht, parket dan wel parket-generaal opgenomen in een register. De functionele autoriteit is verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de in het register opgenomen gegevens van de bij zijn gerecht, parket dan wel parket-generaal werkzame rechterlijke ambtenaren.

3.

Het register wordt jaarlijks geactualiseerd.

4.

Het register wordt in elektronische vorm openbaar gemaakt en kan tevens worden ingezien bij het desbetreffende gerecht, het desbetreffende parket dan wel het parket-generaal.

5.

Tegen betaling van de kostprijs is een afschrift van een door de aanvrager op te geven gedeelte uit het register verkrijgbaar.

6.

In afwijking van het vierde lid kan de functionele autoriteit met betrekking tot een nevenbetrekking van een rechterlijk ambtenaar beslissen dat de gegevens, bedoeld in artikel 44, zevende lid, onderdelen b en c, met het oog op diens veiligheid, niet of niet volledig openbaar worden gemaakt.

7.

Indien op grond van het zesde lid met betrekking tot een nevenbetrekking van een rechterlijk ambtenaar gegevens niet of niet volledig openbaar worden gemaakt, deelt de functionele autoriteit een procespartij in een zaak die door die rechterlijk ambtenaar wordt behandeld, op haar verzoek mee of de desbetreffende nevenbetrekking verband houdt met door haar aan te geven bedrijven en instanties die bij haar zaak betrokken zijn, tenzij dit een gevaar voor de veiligheid van de rechterlijk ambtenaar oplevert.

8.

Na beëindiging van een nevenbetrekking blijven de gegevens over de nevenbetrekking gedurende een termijn van drie jaar bewaard in het register.

9.

In het register wordt ten aanzien van de plaatsvervangers die gedurende een termijn van twee jaar niet zijn opgeroepen voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 5f, tweede lid, en gedurende die termijn evenmin tijdelijk zijn aangewezen als bedoeld in artikel 5f, derde lid, vermeld dat zij gedurende die termijn niet als zodanig zijn opgeroepen of aangewezen.

10.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel.

Hoofdstuk 6A. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag

§ 6A.1. Algemeen

§ 6A.2. Disciplinaire maatregelen

§ 6A.4. Ontslag en herplaatsing

§ 6A.5. Procedure bij de Hoge Raad

Hoofdstuk 7. Beroep

Hoofdstuk 8. Overleg

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage Derde. als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 1A. Benoeming, beëdiging, installatie en ambtskostuum

§ 1A.1. Benoeming

Artikel 4a
1.

Tot rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding kan slechts worden benoemd degene die in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag, niet ouder dan drie maanden en afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op degene die op het moment van zijn benoeming al rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding is.

Hoofdstuk 3. Salaris en andere financiële arbeidsvoorwaarden

Hoofdstuk 4. Arbeidsduur, werktijd en werkverdeling

Hoofdstuk 5. Vakantie en verlof

Paragraaf 5.1. Vakantie

Paragraaf 5.2. Verlof

Hoofdstuk 6. Overige rechten en plichten

Hoofdstuk 6A. Disciplinaire maatregelen, schorsing en ontslag

§ 6A.2. Disciplinaire maatregelen

Artikel 46ca
1.

De disciplinaire maatregelen die ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar kunnen worden opgelegd, zijn:

2.

De disciplinaire maatregel van ontslag wordt niet opgelegd enkel op grond van artikel 46c, onderdeel a.

3.

De Hoge Raad kan bij de beslissing, waarbij de rechterlijk ambtenaar wordt geschorst, bepalen dat tijdens de duur van de schorsing de bezoldiging geheel of gedeeltelijk zal worden ingehouden.

4.

De Hoge Raad kan bij het opleggen van de disciplinaire maatregel van schorsing bepalen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de rechterlijk ambtenaar zich gedurende een daarbij te stellen termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk handelen als waarvoor het opleggen van de disciplinaire maatregel plaatsvindt of enig ander handelen of nalaten als bedoeld in artikel 46c, en hij zich houdt aan bij het opleggen van de schorsing eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

5.

Met het toezicht op de naleving van de voorwaarden als bedoeld in het vierde lid is de functionele autoriteit belast. Ten aanzien van de met rechtspraak belaste rechterlijk ambtenaar, niet zijnde president van een gerecht, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerecht waar betrokkene werkzaam is. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een rechtbank, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van het gerechtshof van het ressort waarbinnen die rechtbank is gelegen. Ten aanzien van de rechterlijk ambtenaar die tevens president is van een gerechtshof, wordt deze bevoegdheid uitgeoefend door de president van de Hoge Raad.

Artikel 46fa
1.

In de gevallen bedoeld in artikel 46f, eerste en tweede lid, kan een daartoe aangewezen enkelvoudige kamer van de Hoge Raad de rechterlijk ambtenaar in verband met onverwijlde spoed buiten functie stellen.

2.

De rechterlijk ambtenaar wordt niet buiten functie gesteld dan nadat het in artikel 46d, eerste lid, bedoelde gezag, een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, heeft ingediend tot vordering van schorsing van de rechterlijk ambtenaar op grond van artikel 46f. Bij het verzoek tot schorsing kan een verzoek tot buitenfunctiestelling worden gedaan. De buitenfunctiestelling kan ook ambtshalve door de procureur-generaal worden gevorderd.

3.

Artikel 46o, derde lid en vierde lid, tweede volzin, zijn niet van toepassing op de procedure tot buitenfunctiestelling.

4.

De buitenfunctiestelling op grond van het eerste lid heeft tot gevolg dat de rechterlijk ambtenaar gedurende die periode zijn werkzaamheden niet mag verrichten.

5.

De buitenfunctiestelling op grond van het eerste lid eindigt na dertig dagen, of zo veel eerder als door de Hoge Raad op de vordering tot schorsing is beslist.

§ 6A.4. Ontslag en herplaatsing

Artikel 46kb

Ten aanzien van een rechterlijk ambtenaar kan, bij wijze van ordemaatregel en om redenen van zwaarwegend organisatorisch belang van het gerecht waar de rechterlijk ambtenaar op dat moment is geplaatst, door de Hoge Raad, op voorstel van de functionele autoriteit in een verzoek als bedoeld in artikel 46o, tweede lid, de vaststelling, bedoeld in artikel 5b, eerste lid, van het gerechtshof of de rechtbank waar het ambt bij wordt vervuld, worden gewijzigd.

§ 6A.5. Procedure bij de Hoge Raad

Hoofdstuk 7. Beroep

Hoofdstuk 8. Overleg

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 66

Vervallen

Bijlage. als bedoeld in artikel 5g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een rechtsgeding heeft of zal krijgen waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn ambt de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een goed rechterlijk ambtenaar betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) ..............................

door (2) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

Wanneer de eed of belofte door een rechterlijk ambtenaar in de Friese taal wordt afgelegd, luidt de tekst van de eed of belofte als volgt:

Ik swar/ûnthjit dat ik trou wêze sil oan de Kening, en dat ik de Grûnwet en alle oare wetten ûnderhâlde en neikomme sil.

Ik swar/ferklearje dat ik streekrjocht noch midlik, ûnder wat namme of útwynsel ek, foar it krijen fan in beneaming oan immen eat jûn of tasein haw, noch jaan of tasizze sil.

Ik swar/ferklearje dat ik nea likefolle hokker jeften of geskinken oannimme of ûntfange sil fan hokker persoan dan ek fan wa’t ik wit of tink dat hy in proses hat of krije sil dêr’t myn amtsferrjochtingen yn te pas komme kinne soene.

Ik swar/ûnthjit dat ik gegevens dy’t ik by it útoefenjen fan myn amt ta myn foldwaan krij en dêr’t ik fan wit of yn alle ridlikheid fan oannimme moat dat dy in fertroulik karakter hawwe, geheim hâlde sil, útsein as in wetlik foarskrift, likefolle hokker, my ta meidieling ferplichtet of as út myn amt de needsaak ta meidieling folget.

Ik swar/ûnthjit dat ik myn amt earlik, sekuer en ûnpartidich, sûnder ûnderskie te meitsjen tusken persoanen, ferrjochtsje sil en my dêrby hâlde en drage sil sa’t in goed rjochterlik amtner foeget.

Sa wier helpe my God Almachtich!/Dat ferklearje en ûnthjit ik!

Op........................, waard yn.....................

yn bywêzen fan (1)..............................

troch (2).............................

de boppeneamde eed/belofte ôflein.

(1).............................

(2).............................

Bijlage Tweede. als bedoeld in artikel 1g, zesde lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Vervallen

Bijlage Derde. als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren

Vervallen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.