Regeling eisen geschiktheid 2000
Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.
8.8.1. Regelmatig gebruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
Het regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in dusdanige hoeveelheden dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed, valt mede onder het begrip misbruik van psychoactieve middelen, als bedoeld in paragraaf 8.8. Paragraaf 8.8 is daarmee ook van toepassing op personen die regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in zodanige hoeveelheden dat daardoor de rijvaardigheid ongunstig wordt beïnvloed.
8.9. Verstandelijke handicap
Als zwakbegaafden in staat zijn het praktische en theoretische rijexamen met succes af te leggen, kunnen zij geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en bij uitzondering voor één van de categorieën van groep 2.
Hoofdstuk 9. Lichamelijke handicaps
De geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap wordt in eerste instantie beoordeeld door het CBR op basis van de aantekening van de keurende arts op de eigen verklaring en de eventueel reeds beschikbare overige gegevens (bijvoorbeeld een rapport van de revalidatiearts).
8.10. ADHD (inclusief subtypen)
Bij twijfel over de geschiktheid van de betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijscategorie te worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw bezien.
Personen met ADHD zijn onbeperkt geschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2 als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
10.1. Inleiding
Voor de beoordeling van de geschiktheid is het ook van belang in hoeverre de aanvrager gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardigheid negatief beïnvloeden. Vaak is het zo dat de aandoening waarvoor het middel wordt voorgeschreven een meer wezenlijk probleem voor de rijgeschiktheid vormt dan het geneesmiddel zelf. Dit geldt vooral voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel, maar ook voor geneesmiddelen die als bijwerking duizeligheid, plotselinge slaapaanvallen of wazig zien, hebben. Bij de beoordeling van de geschiktheid in verband met het gebruik van geneesmiddelen zal de betreffende paragraaf over de aandoening daarom ook moeten worden meegenomen.
8.6. Cognitieve stoornissen
Het gaat om de volgende vier categorieën:
8.6.2. Overige cognitieve stoornissen, anders dan dementie
Personen met ASS zijn onbeperkt geschikt voor groep 1 en 2 indien zowel co-morbide psychiatrische als somatische stoornissen voldoende onder controle zijn.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
3.2.1. Visuseisen rijbewijzen van groep 1
De binoculaire visus moet, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,5 te bedragen.
Na een positieve rijtest kunnen personen die een bioptisch telescoopsysteem gebruiken geschikt worden verklaard met beperking van de rijbevoegdheid tot:
Na een positieve rijtest in het donker kunnen personen die een bioptisch telescoopsysteem gebruiken geschikt worden verklaard met beperking van de rijbevoegdheid tot:
3.2.2. Visuseisen rijbewijzen van groep 2
De visus van het beste oog dient, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,8 te bedragen en van het minder goede oog, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,1.
Geen eisen.
3.6. Nader oogheelkundig onderzoek
De beoordeling kan voorts ondersteund worden door een rijtest (zie paragraaf 3.5).
Hoofdstuk 4. Stoornissen van gehoor en evenwicht
4.3. Het syndroom van Ménière
Na acuut ontstaan van gehoorverlies of uitval van de evenwichtsfunctie dient men een aanpassingsperiode van minstens drie maanden in acht te nemen, waarin de betrokkene als ongeschikt moet worden beschouwd.
Voor de geschiktheidsbeoordeling met betrekking tot de inwendige ziekten zijn van belang: de actuele lichamelijke conditie (al of geen klachten optredend bij deelname aan het verkeer), de ’medische’ voorgeschiedenis en de prognose (kans op verergering van klachtenpatroon, kans op complicaties).
5.2. Diabetes mellitus
6.3. Ischemische hartziekten
6.4.3. Elektrische cardiomyopathie
Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.
7.2.1. Eerste epileptische aanval
7.2.3. Wijziging of afbouw van anti-epileptische medicatie
Op verzoek kunnen personen met progressieve neurologische en neuromusculaire ziektebeelden geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.
7.3.1.2. Rijbewijzen van groep 2
Op verzoek kunnen personen met een intracraniële tumor geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.
7.5.1. Primaire hersentumoren in strikte zin en metastasen
Met doorbloedingsstoornissen van de hersenen worden aandoeningen bedoeld als beroerte (intracerebrale bloeding en herseninfarct), TIA (transient ischemic attack), subarachnoïdale bloedingen, misvormingen van hersenarterieën (zoals een aneurysma of een AVM) en vaatmisvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard (zoals caverneuze hemangiomen en congenitale veneuze deformaties).
7.6.1.2. Aneurysmata en andere misvormingen van de hersenarteriën die zijn ontdekt na een bloeding
7.6.3. TIA en beroerte
7.6.4. Carotis stenose
Bij een vermoeden op een met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Bij een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar
8.2.4. Overige psychotische stoornissen
8.3. Bipolaire en depressieve stoornissen
In alle gevallen geldt dat bij psychiatrische comorbiditeit of cognitieve stoornissen tevens de betreffende paragrafen uit dit hoofdstuk gelden.
8.2.2. Schizofreniespectrumstoornissen (schizofrenie, schizoaffectieve stoornis, schizofreniforme stoornis)
Personen met een bipolaire stoornis kunnen voor rijbewijzen van groep 1 en 2 geschikt worden geacht onder de volgende voorwaarden:
8.3.2. Bipolaire stoornis
Personen met een dysthyme stoornis kunnen op basis van een door een arts ingevulde psychiatrievragenlijst voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard.
8.4. Angststoornissen
De meeste personen met deze stoornissen zullen een nauwelijks verminderde geschiktheid vertonen. Wel zijn mensen die bij herhaling last hebben van een ’psychogene fugue’ of een ernstige trance in het verkeer dan wel een redelijke kans hebben op het doormaken daarvan, ongeschikt voor het rijbewijs.
8.5. Dissociatieve stoornissen
Voor het algemene beleid bij bewustzijnsstoornissen, zie ook paragraaf 7.3.
8.6.2. Overige cognitieve stoornissen, anders dan dementie
Personen bij wie het cognitief functioneren gestoord is geraakt (zoals een gestoord oordeel- en kritiekvermogen, gestoorde oriëntatie, geheugenstoornissen) zijn meestal ongeschikt voor groep 1 en altijd ongeschikt voor groep 2 rijbewijzen.
8.3.2. Bipolaire stoornis
Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.
8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.
8.6.2. Overige cognitieve stoornissen, anders dan dementie
Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.
Organische aandoeningen die gepaard gaan met regelmatig terugkerende episoden van verwardheid en desoriëntatie maken de betrokkene ongeschikt voor het rijbewijs, tenzij deze verschijnselen alleen optreden bij intercurrente lichamelijke ziekten. Wat dit laatste betreft is in gunstige gevallen, na herstel van de bijkomende ziekte, goedkeuring mogelijk zo nodig met een beperkte geschiktheidstermijn. Bij reversibele oorzaken van psycho-organische stoornissen kan de betrokkene psychisch herstellen en weer geschikt worden verklaard.
8.7. Persoonlijkheidsstoornissen
Personen die op grond van stoornissen in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met betrekking tot de eisen van de maatschappij, zullen in de regel ook in het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen (zoals bijvoorbeeld antisociale persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en paranoïde persoonlijkheidsstoornis) zijn ongeschikt voor elk rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van:
8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
In de tweede plaats kan het CBR een beoordeling vragen door een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Deze deskundige adviseert het CBR - veelal na uitvoering van een technisch onderzoek of een rijtest - over de mogelijkheden van de aanvrager van het rijbewijs om, zo nodig met aanpassingen aan het voertuig, een motorrijtuig te besturen.
8.6.1. Dementie
10.1. Inleiding
Voor deze stoornissen gelden tevens de betreffende paragrafen uit hoofdstukken 7 en 8. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10.
Personen die chronisch geneesmiddelen gebruiken die zijn ingedeeld in categorie III zijn ongeschikt voor de rijbewijzen van groep 1 en groep 2.
10.4. Uitzondering voor bepaalde geneesmiddelen in de categorie III
Bepaalde geneesmiddelen uit categorie III hebben na verloop van een bepaalde gebruiksduur en/of een aantal uur na inname geen ernstig negatieve invloed meer op de rijvaardigheid. Personen die deze geneesmiddelen gebruiken kunnen door het CBR geschikt worden verklaard. Dit hangt af van dosering, frequentie, gebruik en tijdstip van inname van het geneesmiddel. Zij dienen zich wel te houden aan de adviezen betreffende de tijdsduur van afzien van verkeersdeelname.
8.11. Autismespectrumstoornissen (ASS)
Ook geldt een uitzondering voor anti-epileptica die zijn ingedeeld in categorie III. Personen die deze anti-epileptica gedurende een periode van ten minste één jaar onafgebroken in gelijkblijvende dosering hebben gebruikt, kunnen geschikt worden verklaard.
10.5. Misbruik van geneesmiddelen
Personen bij wie sprake is van misbruik van geneesmiddelen, zijn ongeschikt voor alle rijbewijscategorieën (zie ook paragraaf 8.8).
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met een hypofysetumor is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een internist met kennis van endocrinologie.
7.7. Stationaire beelden
8.2. Schizofreniespectrumstoornissen en andere psychotische stoornissen
8.3.1. Depressieve stoornis
8.3.3. Dysthyme stoornis
Personen die ter bestrijding van een angststoornis hoge doses psychofarmaca (benzodiazepinen) gebruiken, zijn ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.
8.6. Cognitieve stoornissen
8.7. Persoonlijkheidsstoornissen
Personen die op grond van stoornissen in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met betrekking tot de eisen van de maatschappij, zullen in de regel ook in het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen (zoals bijvoorbeeld antisociale persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en paranoïde persoonlijkheidsstoornis) zijn ongeschikt voor elk rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van:
8.5. Dissociatieve stoornissen
8.7. Persoonlijkheidsstoornissen
Als de specialist duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, die zich uiten in een advies tot termijnbeperking of een advies tot een rijtest, kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige op het gebied van de praktische rijgeschiktheid inschakelen om door middel van een rijtest de geschiktheid vast te stellen.
Hoofdstuk 9. Lichamelijke handicaps
Een uitzondering geldt onder andere voor antidepressiva die zijn ingedeeld in categorie III. Personen die deze antidepressiva gedurende een periode van ten minste drie maanden in gelijkblijvende dosering hebben gebruikt, kunnen geschikt worden verklaard.
Hoofdstuk 11. Syncope en wegraking van onbewezen origine
Voor de beoordeling van de geschiktheid is het ook van belang in hoeverre de aanvrager gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardigheid negatief beïnvloeden. Vaak is het zo dat de aandoening waarvoor het middel wordt voorgeschreven een meer wezenlijk probleem voor de rijgeschiktheid vormt dan het geneesmiddel zelf. Dit geldt vooral voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel, maar ook voor geneesmiddelen die als bijwerking duizeligheid, plotselinge slaapaanvallen of wazig zien, hebben. Bij de beoordeling van de geschiktheid in verband met het gebruik van geneesmiddelen zal de betreffende paragraaf over de aandoening daarom ook moeten worden meegenomen.
8.9. Verstandelijke handicap
Het gaat om de volgende vier categorieën:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
11.6 Wegraking van onbewezen origine
Hoofdstuk 2. Algemene opmerkingen
Hoofdstuk 2. De eisen: algemene opmerkingen
De essentie is dat het CBR informatie ontvangt die voldoende is om een oordeel te vormen over alle aspecten die in de volgende hoofdstukken specifiek benoemd worden. In die gevallen waar het gaat om recente, feitelijke informatie, zonder oordeel van de medisch specialist over de geschiktheid, is het op grond van de KNMG-gedragsregels ook toegestaan dat in de Eigen verklaringprocedure de eigen behandelaar het specialistisch rapport opstelt volgens een door het CBR opgesteld sjabloon. Een kopie van een specialistenbrief is alleen toegestaan als de inhoud van de brief niet meer gegevens bevat dan strikt noodzakelijk voor de beoordeling van de geschiktheid (2010 KNMG Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens paragraaf 3.9 Medische keuringen).
Waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, is daarmee bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde.
Hoofdstuk 3. Stoornissen van het gezichtsvermogen
3.2.1. Visuseisen rijbewijzen van groep 1
Na een positieve rijtest kunnen personen die een bioptisch telescoopsysteem gebruiken geschikt worden verklaard met beperking van de rijbevoegdheid tot:
Hoofdstuk 3. Stoornissen van het gezichtsvermogen
Een rapport van een oogarts is vereist. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar. Voor de beoordeling van de geschiktheid is een rijtest in het donker vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een protocol.
3.1. Inleiding
5.5.2. Astma bronchiale
5.5.1. Ernstige CARA (chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen)
6.4.2. Hypertrofische cardiomyopathie
Het gaat hierbij onder andere om het sick sinus syndroom en geleidingsstoornissen waaronder een tweedegraads of derdegraads AV-blok en bundeltakblok. Voor de beoordeling is van belang of de aandoening, bij aanwezigheid van een of meerdere cardiale syncopes, succesvol is behandeld.
6.7.4.3. Geschiktheid na therapie van de ICD (shock)
7.5.2. Hypofysetumoren
7.6. Doorbloedingsstoornissen van de hersenen
7.6.2. Misvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard
7.6.2.1. Toevallig ontdekte zuiver veneuze misvormingen van de hersenvaten zonder klinische verschijnselen
7.5.1. Primaire hersentumoren in strikte zin en metastasen
Op verzoek kunnen personen met een doorbloedingsstoornis van de hersenen geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.
8.3.2. Bipolaire stoornis
8.5. Dissociatieve stoornissen
8.6.2. Overige cognitieve stoornissen, anders dan dementie
Daarnaast geldt dat als sprake is van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen, dient te zijn gebleken dat deze voldoende onder controle zijn. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt geldt tevens hoofdstuk 10.
8.10. ADHD (inclusief subtypen)
Bij twijfel over de geschiktheid van de betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijscategorie te worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw bezien.
Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen
Voor deze stoornissen gelden tevens de betreffende paragrafen uit hoofdstukken 7 en 8. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10.
11.2.1. Klassieke vasovagale syncope
Een klassieke vasovagale collaps is een syncope met een uitlokkend moment en prodromale verschijnselen. Prodromale verschijnselen van syncope kunnen zijn misselijkheid, bleekheid en heftige transpiratie.
Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen
Tevens geldt dat indien sprake is van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen, dient te zijn gebleken dat deze voldoende onder controle zijn. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
3.2.1.1. Rijden met een monoculair bioptisch telescoopsysteem bij daglicht
3.2.1.2. Rijden met een monoculair bioptisch telescoopsysteem in het donker
3.2. Visus
Na een positieve rijtest in het donker kunnen personen die een bioptisch telescoopsysteem gebruiken geschikt worden verklaard met beperking van de rijbevoegdheid tot:
3.2.4. Kleurenzien
Bij wijziging of afbouw van de anti-epileptische medicatie in overleg met of op advies van de behandelaar geldt voor bezitters van een groep 1 rijbewijs het volgende:
7.3.1.1. Rijbewijzen van groep 1
8.2. Schizofreniespectrumstoornissen en andere psychotische stoornissen
8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
8.8.1. Regelmatig gebruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)
Voor de beoordeling van de mate waarin een geneesmiddel van invloed is op de rijvaardigheid wordt gebruik gemaakt van de rijvaardigheidsadviezen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie (KNMP). Bij het opstellen van deze adviezen, gebruikt de KNMP de vier categorieën die voortkomen uit het wetenschappelijke internationale Driving under the Influence of Drugs, Alcohol and Medicines-onderzoek (DRUID-onderzoek).
Personen die geneesmiddelen gebruiken die zijn ingedeeld in de categorieën 0, I en II kunnen geschikt worden verklaard. Zij dienen zich wel te houden aan de adviezen betreffende afzien van verkeersdeelname bij de start van de behandeling, bij rijgevaarlijke bijwerkingen en afhankelijk van dosering en frequentie van het gebruik.
10.3. Geneesmiddelen in de categorie III
Een wegraking is een kortdurend bewustzijnsverlies met spontaan herstel. De begrippen wegraking en syncope in deze tekst worden gehanteerd volgens de definitie en classificatie van de European Society of Cardiology (ESC) Task Force on Syncope (2009). De oorzaken van een wegraking kunnen zijn: diabetes (hoofdstuk 5), epilepsie (hoofdstuk 7), psychogeen (hoofdstuk 8) en syncope. Een wegraking veroorzaakt door een daling van de bloeddruk met als gevolg verminderde doorbloeding en zuurstoftekort van de hersenen wordt een syncope genoemd. Er zijn drie hoofdgroepen syncope: reflexsyncope, cardiale syncope en syncope door orthostatische hypotensie.
11.2. Reflexsyncope
In het advies per geneesmiddel staat vermeld in welke categorie het geneesmiddel valt en worden de vereisten genoemd om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen. Voor een actueel overzicht van geneesmiddelen en/of werkzame stoffen die de rijvaardigheid negatief kunnen beïnvloeden en de categorie waarin zij zijn ingedeeld wordt verwezen naar de lijst van geneesmiddelen die gepubliceerd is op www.rijveiligmetmedicijnen.nl. Uitzonderingsgronden per werkzame stof zijn op de website te vinden.
10.2. Geneesmiddelen in de categorieën 0, I en II
Een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope is vereist bij personen met drie of meer van dergelijke syncopes per jaar of als sprake is van een zodanig korte duur tussen de eerste prodromale verschijnselen en de wegraking dat adequate actie onmogelijk is. In overige gevallen kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2 op basis van een aantekening van de keurend arts.
11.2.2. Situationele syncope
Voor de beoordeling van de geschiktheid is een aantekening van de keurend arts vereist.
10.4. Uitzondering voor bepaalde geneesmiddelen in de categorie III
Bepaalde geneesmiddelen uit categorie III hebben na verloop van een bepaalde gebruiksduur en/of een aantal uur na inname geen ernstig negatieve invloed meer op de rijvaardigheid. Personen die deze geneesmiddelen gebruiken kunnen door het CBR geschikt worden verklaard. Dit hangt af van dosering, frequentie, gebruik en tijdstip van inname van het geneesmiddel. Zij dienen zich wel te houden aan de adviezen betreffende de tijdsduur van afzien van verkeersdeelname.
11.3. Cardiale syncope
Voor de beoordeling van de geschiktheid geldt tevens hoofdstuk 6.
10.5. Misbruik van geneesmiddelen
Personen bij wie na een syncope een pacemaker wordt geplaatst kunnen één week na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.3. Personen bij wie na syncope een ICD is geplaatst kunnen twee maanden na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.4. Voor rijbewijzen van groep 2 blijven deze personen ongeschikt.
Hoofdstuk 11. Syncope en wegraking van onbewezen origine
Personen die niet worden behandeld kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een cardioloog met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. Zij zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad.
Een wegraking is een kortdurend bewustzijnsverlies met spontaan herstel. De begrippen wegraking en syncope in deze tekst worden gehanteerd volgens de definitie en classificatie van de European Society of Cardiology (ESC) Task Force on Syncope (2009). De oorzaken van een wegraking kunnen zijn: diabetes (hoofdstuk 5), epilepsie (hoofdstuk 7), psychogeen (hoofdstuk 8) en syncope. Een wegraking veroorzaakt door een daling van de bloeddruk met als gevolg verminderde doorbloeding en zuurstoftekort van de hersenen wordt een syncope genoemd. Er zijn drie hoofdgroepen syncope: reflexsyncope, cardiale syncope en syncope door orthostatische hypotensie.
11.2. Reflexsyncope
Een uitzondering geldt onder andere voor antidepressiva die zijn ingedeeld in categorie III. Personen die deze antidepressiva gedurende een periode van ten minste drie maanden in gelijkblijvende dosering hebben gebruikt, kunnen geschikt worden verklaard.
10.2. Geneesmiddelen bij psychotische stoornissen
Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope.
11.6. Wegraking van onbewezen origine
Voor de beoordeling van personen met een wegraking die niet valt onder één van de paragrafen van deze Regeling is een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van een wegraking vereist.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In het advies per geneesmiddel staat vermeld in welke categorie het geneesmiddel valt en worden de vereisten genoemd om veilig aan het verkeer te kunnen deelnemen. Voor een actueel overzicht van geneesmiddelen en/of werkzame stoffen die de rijvaardigheid negatief kunnen beïnvloeden en de categorie waarin zij zijn ingedeeld wordt verwezen naar de lijst van geneesmiddelen die gepubliceerd is op www.rijveiligmetmedicijnen.nl. Uitzonderingsgronden per werkzame stof zijn op de website te vinden.
10.2. Geneesmiddelen in de categorieën 0, I en II
10.1. Inleiding
Personen die een situationele syncope anders dan een hoestsyncope hebben doorgemaakt, kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Personen met een hoestsyncope zijn tijdelijk ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Zodra de hoestbuien onder controle zijn, dient een syncopevrije periode van een maand te zijn verstreken voordat personen voor onbeperkte tijd geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2.
11.2.3. Sinus caroticus syncope
Een uitzondering geldt onder andere voor antidepressiva die zijn ingedeeld in categorie III. Personen die deze antidepressiva gedurende een periode van ten minste drie maanden in gelijkblijvende dosering hebben gebruikt, kunnen geschikt worden verklaard.
10.2. Geneesmiddelen bij psychotische stoornissen
Een cardiale syncope kan veroorzaakt worden door structurele hartafwijkingen of ritmestoornissen.
Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen
Personen die behandeld worden met geneesmiddelen of behandeld zijn met cardioversie, ablatie of chirurgische hartritme ingreep zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Voor de beoordeling is een rapport van een cardioloog vereist.
11.1. Inleiding
De belangrijkste oorzaken van orthostatische hypotensie zijn gebruik van geneesmiddelen en falen van het autonome zenuwstelsel.
11.5. Syncope van onbewezen origine
Personen bij wie wegrakingen aannemelijk op syncope berusten, maar bij wie de oorzaak van de syncope onduidelijk is (en die niet onder een van de hierboven genoemde categorieën vallen), vallen in deze groep.
10.5. Misbruik van geneesmiddelen
Personen bij wie sprake is van misbruik van geneesmiddelen, zijn ongeschikt voor alle rijbewijscategorieën (zie ook paragraaf 8.8).
Hoofdstuk 11. Syncope en wegraking van onbewezen origine
Personen die een situationele syncope anders dan een hoestsyncope hebben doorgemaakt, kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Personen met een hoestsyncope zijn tijdelijk ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Zodra de hoestbuien onder controle zijn, dient een syncopevrije periode van een maand te zijn verstreken voordat personen voor onbeperkte tijd geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
7.2.2. Meer dan één epileptische aanval
7.4.1. Multiple sclerose
7.6. Doorbloedingsstoornissen van de hersenen
Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen
11.1. Inleiding
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
6.4.2. Hypertrofische cardiomyopathie
7.1. Inleiding
8.2.2. Schizofreniespectrumstoornissen (schizofrenie, schizoaffectieve stoornis, schizofreniforme stoornis)
Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.
11.3. Cardiale syncope
Voor de beoordeling van de geschiktheid geldt tevens hoofdstuk 6.
Een cardiale syncope kan veroorzaakt worden door structurele hartafwijkingen of ritmestoornissen.
10.3. Geneesmiddelen bij stemmingstoornissen
Personen die behandeld worden met geneesmiddelen of behandeld zijn met cardioversie, ablatie of chirurgische hartritme ingreep zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Voor de beoordeling is een rapport van een cardioloog vereist.
10.9. Antihistaminica
Personen die een situationele syncope anders dan een hoestsyncope hebben doorgemaakt, kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Personen met een hoestsyncope zijn tijdelijk ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Zodra de hoestbuien onder controle zijn, dient een syncopevrije periode van een maand te zijn verstreken voordat personen voor onbeperkte tijd geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2.
11.2.3. Sinus caroticus syncope
Hieronder vallen de groep amfetamines (o.a. dexamfetamine, amfetamine en methylfenidaat) en de groep overige psychostimulantia (modafinil).
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
3.1. Inleiding
Beperking van de geschiktheidstermijn is aangewezen bij progressieve oogaandoeningen, zoals cataract, glaucoom met gezichtsveldbeperking, degeneratieve en vasculaire netvliesaandoeningen, progressief lijden van de nervus opticus. Voor de beoordeling is een rapport van een oogarts vereist.
Bij vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn bij één of meerdere ernstige functiestoornissen is na een positieve rijtest maximaal drie jaar.
6.3.2. Stabiel coronair lijden
11.2.3. Sinus caroticus syncope
Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst worden zij geschikt verklaard voor een beperkte termijn.
11.2.1. Klassieke vasovagale syncope
De belangrijkste oorzaken van orthostatische hypotensie zijn gebruik van geneesmiddelen en falen van het autonome zenuwstelsel.
11.5. Syncope van onbewezen origine
Personen bij wie wegrakingen aannemelijk op syncope berusten, maar bij wie de oorzaak van de syncope onduidelijk is (en die niet onder een van de hierboven genoemde categorieën vallen), vallen in deze groep.
10.7. Anti-epileptica
Personen bij wie na een syncope een pacemaker wordt geplaatst kunnen één week na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.3. Personen bij wie na syncope een ICD is geplaatst kunnen twee maanden na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.4. Voor rijbewijzen van groep 2 blijven deze personen ongeschikt.
10.6. Antidiabetica
Personen die niet worden behandeld kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een cardioloog met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. Zij zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad.
11.4. Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie
10.13. Analgetica
Personen die behandeld worden met anti-epileptica die een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid hebben (categorie III), zijn ongeschikt totdat de anti-epileptica ten minste gedurende een periode van één jaar zijn gebruikt.
10.8. Anticoagulantia
10.17. Cytostatica/oncolytica
Zolang bij gebruik van oncolytica rijgevaarlijke bijwerkingen zoals slaperigheid, sedatie of vertigo optreden is er ongeschiktheid.
Voor de beoordeling van personen met een wegraking die niet valt onder één van de paragrafen van deze Regeling is een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van een wegraking vereist.
Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.
Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst worden zij geschikt verklaard voor een beperkte termijn.
10.17. Cytostatica/oncolytica
10.11. Corticosteroïden
Behandeling met corticosteroïden, bijvoorbeeld bij personen met astma, vormt geen reden voor ongeschiktheid.
Vertigomiddelen (cinnarizine, flunarizine, piracetam) hebben een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.
Zowel behandeling met geneesmiddelen die de peristaltiek bevorderen, of de tonus normaliseren als behandeling met geneesmiddelen die de peristaltiek remmen, vormen geen reden tot ongeschiktheid. Dit geldt ook voor het gebruik van geneesmiddelen ter behandeling bij maagzweren.
Personen waar sprake is van misbruik van geneesmiddelen, zoals benzodiazepinen, amfetamines en opioïden, zijn ongeschikt (zie ook paragraaf 8.8).
Gebruik van paracetamol en NSAID’s vormt in het algemeen geen reden tot ongeschiktheid. Een langdurige behandeling met stabiele doses van opioïden heeft geen negatieve invloed op de rijvaardigheid. Personen die behandeling ondergaan met opioïden zijn ongeschikt gedurende de eerste twee weken van de behandeling. Uitzondering geldt voor codeïne in een dosis tot en met 20 mg per dag, mits er geen (rijgevaarlijke) bijwerkingen optreden. Een aantal antidepressiva en anti-epileptica die voor neuropathische pijn worden voorgeschreven, zijn in de therapeutische dosis geen probleem voor de geschiktheid.
10.14. Geneesmiddelen tegen migraine en clusterhoofdpijn
Het hoofdpijnmiddel pizotifeen heeft een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.
10.15. Parasympaticolytica, parasympaticomimetica, sympaticolytica, sympaticomimetica
Op zichzelf vormen deze geneesmiddelen meestal geen reden tot ongeschiktheid.
Vertigomiddelen (cinnarizine, flunarizine, piracetam) hebben een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.
10.19. Misbruik van geneesmiddelen
Personen die behandeld worden met dopamine-agonisten zijn ongeschikt nadat een slaapaanval is opgetreden. Als na bijstelling van de therapie de slaapaanvallen wegblijven, kunnen zij weer geschikt worden verklaard.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
8.11. Autismespectrumstoornissen (ASS)
11.4. Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie
Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst worden zij geschikt verklaard voor een beperkte termijn.
11.5. Syncope van onbewezen origine
Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope.
11.6. Wegraking van onbewezen origine
10.18. Vertigomiddelen
Sederende antihistaminica hebben een matig negatieve tot ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie II en III). Personen die behandeld worden met antihistaminica met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed (categorie III) zijn ongeschikt.
10.10. Antihypertensiva
Antihypertensiva hebben in een therapeutische dosis geen negatieve invloed op de rijvaardigheid. Centraal aangrijpende antihypertensiva, zoals methyldopa en clonidine, kunnen sedatie geven en de rijvaardigheid negatief beïnvloeden.
Zolang bij gebruik van oncolytica rijgevaarlijke bijwerkingen zoals slaperigheid, sedatie of vertigo optreden is er ongeschiktheid.
10.18. Vertigomiddelen
10.12. Maag-darmmiddelen
Personen die behandeld worden met dopamine-agonisten zijn ongeschikt nadat een slaapaanval is opgetreden. Als na bijstelling van de therapie de slaapaanvallen wegblijven, kunnen zij weer geschikt worden verklaard.
10.16. Parkinsonmiddelen
Parkinsonmiddelen (dopamine-agonisten of parasympaticolytica) hebben geen tot een matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie I of II).
10.17. Cytostatica/oncolytica
Zolang bij gebruik van oncolytica rijgevaarlijke bijwerkingen zoals slaperigheid, sedatie of vertigo optreden is er ongeschiktheid.
10.18. Vertigomiddelen
Vertigomiddelen (cinnarizine, flunarizine, piracetam) hebben een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.
Voor de beoordeling van de geschiktheid geldt tevens hoofdstuk 6.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
5.1. Inleiding
10.5. Hypnotica, sedativa, anxiolytica
Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope.
11.6. Wegraking van onbewezen origine
Voor de beoordeling van personen met een wegraking die niet valt onder één van de paragrafen van deze Regeling is een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van een wegraking vereist.
Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.
Personen bij wie wegrakingen aannemelijk op syncope berusten, maar bij wie de oorzaak van de syncope onduidelijk is (en die niet onder een van de hierboven genoemde categorieën vallen), vallen in deze groep.
10.19. Misbruik van geneesmiddelen
10.19. Misbruik van geneesmiddelen
Zolang bij gebruik van oncolytica rijgevaarlijke bijwerkingen zoals slaperigheid, sedatie of vertigo optreden is er ongeschiktheid.
10.18. Vertigomiddelen
Voor de beoordeling van de geschiktheid is een aantekening van de keurend arts vereist.
Een wegraking is een kortdurend bewustzijnsverlies met spontaan herstel. De begrippen wegraking en syncope in deze tekst worden gehanteerd volgens de definitie en classificatie van de European Society of Cardiology (ESC) Task Force on Syncope (2009). De oorzaken van een wegraking kunnen zijn: diabetes (hoofdstuk 5), epilepsie (hoofdstuk 7), psychogeen (hoofdstuk 8) en syncope. Een wegraking veroorzaakt door een daling van de bloeddruk met als gevolg verminderde doorbloeding en zuurstoftekort van de hersenen wordt een syncope genoemd. Er zijn drie hoofdgroepen syncope: reflexsyncope, cardiale syncope en syncope door orthostatische hypotensie.
11.2. Reflexsyncope
11.2. Reflexsyncope
Een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope is vereist bij personen met drie of meer van dergelijke syncopes per jaar of als sprake is van een zodanig korte duur tussen de eerste prodromale verschijnselen en de wegraking dat adequate actie onmogelijk is. In overige gevallen kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2 op basis van een aantekening van de keurend arts.
Personen die behandeld worden met geneesmiddelen of behandeld zijn met cardioversie, ablatie of chirurgische hartritme ingreep zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Voor de beoordeling is een rapport van een cardioloog vereist.
11.6. Wegraking van onbewezen origine
Personen die een situationele syncope anders dan een hoestsyncope hebben doorgemaakt, kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Personen met een hoestsyncope zijn tijdelijk ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Zodra de hoestbuien onder controle zijn, dient een syncopevrije periode van een maand te zijn verstreken voordat personen voor onbeperkte tijd geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2.
11.2.1. Klassieke vasovagale syncope
Een klassieke vasovagale collaps is een syncope met een uitlokkend moment en prodromale verschijnselen. Prodromale verschijnselen van syncope kunnen zijn misselijkheid, bleekheid en heftige transpiratie.
Een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope is vereist bij personen met drie of meer van dergelijke syncopes per jaar of als sprake is van een zodanig korte duur tussen de eerste prodromale verschijnselen en de wegraking dat adequate actie onmogelijk is. In overige gevallen kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2 op basis van een aantekening van de keurend arts.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Personen die niet worden behandeld kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een cardioloog met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. Zij zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad.
11.4. Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie
10.13. Analgetica
10.17. Cytostatica/oncolytica
11.1. Inleiding
10.19. Misbruik van geneesmiddelen
Personen waar sprake is van misbruik van geneesmiddelen, zoals benzodiazepinen, amfetamines en opioïden, zijn ongeschikt (zie ook paragraaf 8.8).
11.1. Inleiding
Een wegraking is een kortdurend bewustzijnsverlies met spontaan herstel. De begrippen wegraking en syncope in deze tekst worden gehanteerd volgens de definitie en classificatie van de European Society of Cardiology (ESC) Task Force on Syncope (2009). De oorzaken van een wegraking kunnen zijn: diabetes (hoofdstuk 5), epilepsie (hoofdstuk 7), psychogeen (hoofdstuk 8) en syncope. Een wegraking veroorzaakt door een daling van de bloeddruk met als gevolg verminderde doorbloeding en zuurstoftekort van de hersenen wordt een syncope genoemd. Er zijn drie hoofdgroepen syncope: reflexsyncope, cardiale syncope en syncope door orthostatische hypotensie.
11.3. Cardiale syncope
Een cardiale syncope kan veroorzaakt worden door structurele hartafwijkingen of ritmestoornissen.
Voor de beoordeling van de geschiktheid is een aantekening van de keurend arts vereist.
Personen die een situationele syncope anders dan een hoestsyncope hebben doorgemaakt, kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Personen met een hoestsyncope zijn tijdelijk ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Zodra de hoestbuien onder controle zijn, dient een syncopevrije periode van een maand te zijn verstreken voordat personen voor onbeperkte tijd geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2.
Personen die niet worden behandeld kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een cardioloog met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. Zij zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad.
11.3. Cardiale syncope
Voor de beoordeling van de geschiktheid geldt tevens hoofdstuk 6.
11.5. Syncope van onbewezen origine
Personen bij wie na een syncope een pacemaker wordt geplaatst kunnen één week na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.3. Personen bij wie na syncope een ICD is geplaatst kunnen twee maanden na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.4. Voor rijbewijzen van groep 2 blijven deze personen ongeschikt.
Personen die behandeld worden met geneesmiddelen of behandeld zijn met cardioversie, ablatie of chirurgische hartritme ingreep zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Voor de beoordeling is een rapport van een cardioloog vereist.
11.6. Wegraking van onbewezen origine
Voor de beoordeling van personen met een wegraking die niet valt onder één van de paragrafen van deze Regeling is een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van een wegraking vereist.
Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.
Personen bij wie wegrakingen aannemelijk op syncope berusten, maar bij wie de oorzaak van de syncope onduidelijk is (en die niet onder een van de hierboven genoemde categorieën vallen), vallen in deze groep.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
6.7. Ritmestoornissen
10.4. Psychostimulantia
Personen bij wie na een syncope een pacemaker wordt geplaatst kunnen één week na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.3. Personen bij wie na syncope een ICD is geplaatst kunnen twee maanden na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.4. Voor rijbewijzen van groep 2 blijven deze personen ongeschikt.
Hoofdstuk 11. Syncope en wegraking van onbewezen origine
11.2. Reflexsyncope
De belangrijkste oorzaken van orthostatische hypotensie zijn gebruik van geneesmiddelen en falen van het autonome zenuwstelsel.
11.2.3. Sinus caroticus syncope
11.2.2. Situationele syncope
Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.
11.5. Syncope van onbewezen origine
Personen die niet worden behandeld kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een cardioloog met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. Zij zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad.
Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope.
Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst worden zij geschikt verklaard voor een beperkte termijn.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofdstuk 11. Syncope en wegraking van onbewezen origine
11.2.2. Situationele syncope
11.6. Wegraking van onbewezen origine
11.2.3. Sinus caroticus syncope
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
3.9. Contrastgevoeligheid
Een cardiale syncope kan veroorzaakt worden door structurele hartafwijkingen of ritmestoornissen.
11.4. Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie
De belangrijkste oorzaken van orthostatische hypotensie zijn gebruik van geneesmiddelen en falen van het autonome zenuwstelsel.
11.5. Syncope van onbewezen origine
11.6. Wegraking van onbewezen origine
Voor de beoordeling van personen met een wegraking die niet valt onder één van de paragrafen van deze Regeling is een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van een wegraking vereist.
Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen
Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.
Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst worden zij geschikt verklaard voor een beperkte termijn.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
11.2.2. Situationele syncope
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofdstuk 3. Stoornissen van het gezichtsvermogen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)