Wet van 29 juni 2000, houdende intrekking van de Wet op de studiefinanciering en vervanging door de Wet studiefinanciering 2000 (Wet studiefinanciering 2000)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 274
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de vaststelling en betaling van de termijnbetalingen.

Artikel 10a.7. Vaststelling draagkracht debiteur

1.

Indien de debiteur niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te voldoen, kan hij gedurende de aflosfase bij Onze Minister een aanvraag indienen om zijn draagkracht vast te stellen voor de resterende aflosfase.

2.

De draagkracht van de debiteur is zijn draagkracht uit inkomen.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag.

4.

Indien het bedrag van de draagkracht hoger is dan het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling, betaalt de debiteur het bedrag van de vastgestelde termijnbetaling.

Artikel 10a.8. Draagkracht debiteur uit inkomen op jaarbasis

1.

Maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht van de debiteur uit inkomen is zijn toetsingsinkomen in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld.

2.

Op het toetsingsinkomen wordt in mindering gebracht de draagkrachtvrije voet. Deze voet is gelijk aan het belastbare minimumloon in het peiljaar, indien de debiteur in het peiljaar een ouder zonder partner is, of voor zijn partner voor de inkomstenbelasting de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing is. Indien voor de debiteur de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, of de algemene heffingskorting van toepassing is, is de draagkrachtvrije voet 0%, onderscheidenlijk 50% van de voet die van toepassing zou zijn indien voor de debiteur – naast de algemene heffingskorting – voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001 van toepassing zou zijn.

3.

Het resterende inkomen wordt verdeeld in 2 schijven ter grootte van de helft van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet alsmede een derde schijf ter grootte van 260% van het belastbare minimumloon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, verminderd met de draagkrachtvrije voet en de eerste en de tweede schijf.

4.

Indien de debiteur of zijn partner een toetsingsinkomen heeft dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven dat nog niet is benut, overgeheveld naar de ander. Daarbij wordt het onbenutte deel van een schijf toegevoegd aan de overeenkomstige schijf van de ander en het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet aan de draagkrachtvrije voet van de ander.

5.

Indien de debiteur en zijn partner een toetsingsinkomen hebben dat kleiner is dan de som van de in het tweede lid bedoelde draagkrachtvrije voet en de eerste 3 volle schijven, bedoeld in het derde lid, wordt het vierde lid toegepast in die zin dat van de debiteur of zijn partner met het laagste toetsingsinkomen het onbenutte deel van de draagkrachtvrije voet en de eerste 3 schijven wordt overgeheveld naar de ander.

6.

De draagkracht van de debiteur uit inkomen is 7,9% van de eerste schijf plus 15,8% van de tweede schijf plus 23,7% van de derde schijf plus 30% van het meerdere.

7.

In afwijking van het tweede tot en met het zesde lid is de draagkracht uit inkomen van een debiteur met een toetsingsinkomen lager dan een bij ministeriële regeling vast te stellen minimumbedrag nihil. Deze regeling wordt jaarlijks voor 1 januari vastgesteld en kan voor verschillende groepen debiteuren verschillend luiden.

8.

Voor de toepassing van dit artikel wordt indien het toetsingsinkomen of het belastbaar loon in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, nog niet bekend is, door Onze Minister daarvoor in de plaats gesteld een bedrag dat het vast te stellen toetsingsinkomen of het belastbaar loon benadert.

Artikel 10a.9. Andere aanpassing van draagkracht debiteur

Indien het na het peiljaar een debiteur betreft die ouder zonder partner is of voor zijn partner de verhoging van de gecombineerde heffingskorting, bedoeld in artikel 8.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing wordt na het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de draagkracht wordt vastgesteld, wordt op aanvraag van de debiteur de hoogte van zijn draagkracht dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 10a.10. Draagkracht partner van debiteur

1.

Indien de debiteur op grond van zijn draagkracht niet in staat is de vastgestelde termijnbetaling te betalen, wordt de draagkracht van de partner berekend overeenkomstig de artikelen 10a.7, 10a.8, 6.12 en 6.13.

2.

Indien de draagkracht van de debiteur niet voldoende is voor het betalen van de termijnbetaling wordt de draagkracht van de partner aangewend voor het resterende gedeelte.

Artikel 10a.11. Aanvraag draagkracht partner niet meetellen

1.

Bij de bepaling van de draagkracht van de debiteur wordt geen rekening gehouden met het inkomen van de partner indien een van beiden hiertoe een aanvraag indient.

2.

Voor ieder jaar dat op grond van de toepassing van het eerste lid geen rekening wordt gehouden met het inkomen van de partner van de debiteur wordt de aflosfase verlengd met een jaar.

Artikel 10a.12. Beide partners debiteur hoofdstuk 10a

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is en op beide debiteuren hoofdstuk 10a van toepassing is, wordt zijn draagkracht eerst aangewend voor de eigen termijnbetaling. Op het bedrag dat aan draagkracht resteert is artikel 10a.10, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10a.13. Partner debiteur hoofdstuk 6

1.

Indien de partner van de debiteur een debiteur is op wie hoofdstuk 6 van toepassing is, blijft artikel 10a.10, eerste lid, buiten toepassing.

2.

Bij de toepassing van artikel 10a.10, tweede lid, wordt de draagkracht van de debiteur op wie hoofdstuk 6 van toepassing is, aangewend, voor zover het bedrag van de draagkracht groter is dan de vastgestelde termijnbetaling, bedoeld in artikel 6.9, tweede lid.

Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.10b. Tijdelijke afwijking van artikel 11.1

Vervallen

Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6.5a. Samenloop van terugbetaling

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de samenloop van de verplichting tot terugbetaling uit hoofde van deze wet en de Wet studiefinanciering BES met dien verstande dat de verplichting tot terugbetaling de hoogst vastgestelde draagkracht van de debiteur niet mag overschrijden.

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Artikel 12.1a0. Afwijking van artikel 2.1

Vervallen

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9.1a. Toezicht in verband met artikel 1.5

1.

Met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 zijn belast:

2.

Indien de ambtenaren of andere personen, bedoeld in het eerste lid, onder a, die worden aangewezen, ressorteren onder een andere minister, wordt het besluit samen met die minister genomen.

3.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

4.

De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 9.1b. Informatie-uitwisseling

1.

De toezichthouders, bedoeld in artikel 9.1a, en Onze Minister wisselen de persoonsgegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht onder vermelding van het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het onderwijsnummer van de student op wie de persoonsgegevens of inlichtingen betrekking hebben.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze van verstrekking van persoonsgegevens en inlichtingen op grond van het eerste lid en wordt een nadere specificatie gegeven van de persoonsgegevens en inlichtingen die op grond van het eerste lid worden verwerkt.

Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet

Paragraaf 9.1. Toezicht

Artikel 9.9a. Geen aanspraak meer bij tweede maal niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5

1.

Indien Onze Minister de student een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, heeft opgelegd en de student heeft, nadat voormelde bestuurlijke boete onherroepelijk is geworden, voor een tweede maal niet voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 100 procent van het bedrag dat van de student in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

2.

De herziening vindt plaats met ingang van de dag na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of, indien dit een latere datum betreft, de dag van de laatste adreswijziging van de student in de basisregistratie personen. Indien de ouders van de student of een van hen na de laatste dag van de periode waarop de herziening, bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, ziet of na de laatste adreswijziging, bedoeld in de vorige volzin, zijn of is ingeschreven op hetzelfde woonadres als de student, dan vindt de herziening plaats met ingang van de dag van deze adreswijziging.

3.

Indien Onze Minister de student een boete als bedoeld in het eerste lid heeft opgelegd kan hij tevens beslissen dat elke aanspraak op studiefinanciering vervalt.

4.

Degene aan wie een bestuurlijke boete is opgelegd is verplicht desgevraagd aan Onze Minister de inlichtingen te verstrekken die voor de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.

Paragraaf 9.1. Toezicht

Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering

Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren

Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren

Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.9a. Reeds toegekende reisvoorziening

Op een ho-student aan wie vóór 1 september 2012 een reisvoorziening is toegekend, blijft ten aanzien van deze toegekende reisvoorziening artikel 5.3, zoals dat artikel luidde op 31 augustus 2012, van toepassing.

Hoofdstuk 13. Wijzigingen in andere wetten

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.10a1. langstudeerders geen rente verschuldigd

In afwijking van artikel 6.4 wordt er geen rente berekend over collegegeldkrediet ten behoeve van de opslag, als bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW, zoals dat luidde op 1 september 2011, indien het daarvoor geleende bedrag vóór 1 maart 2013 wordt teruggestort.

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.3a. Leeftijd levenlanglerenkrediet

1.

In afwijking van artikel 2.3, eerste en derde lid, kan een mbo-student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die 30 jaren of ouder is maar nog niet de maximumleeftijd heeft bereikt.

2.

In afwijking van artikel 2.3, tweede en derde lid, kan een ho-student voor levenlanglerenkrediet in aanmerking komen die nog niet de maximumleeftijd heeft bereikt.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid behoudt een student bij het bereiken van de maximumleeftijd zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking levenlanglerenkrediet geniet.

4.

De maximumleeftijd bedraagt 56 jaar Met ingang van studiejaar 2024-2025: 57 jaar..

5.

De maximumleeftijd wordt telkens verhoogd met een volledig jaar met ingang van het studiejaar dat aanvangt in hetzelfde jaar als waarin de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene ouderdomswet, cumulatief met een volledig jaar is verhoogd.

6.

De verhoogde maximumleeftijd wordt bekendgemaakt door plaatsing in de Staatscourant en vervangt de maximumleeftijd, bedoeld in het vierde lid.

Paragraaf 2.2. Beroepsonderwijs

Artikel 2.7b. Uitzondering levenlanglerenkrediet

De artikelen 2.7 en 2.7a zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.

Paragraaf 2.3. Hoger onderwijs

Paragraaf 2.4. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Studiefinanciering

Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering

Paragraaf 3.3. Bijdrage ouders

Artikel 3.9a. Berekeningsgrondslag veronderstelde ouderlijke bijdrage hoger onderwijs

Artikel 3.9 is van overeenkomstige toepassing op de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage voor ho-studenten, met dien verstande dat:

Artikel 3.16b. Levenlanglerenkrediet: aanspraak

1.

Het levenlanglerenkrediet is een lening die aan een student op aanvraag wordt toegekend.

2.

Het levenlanglerenkrediet wordt slechts verstrekt:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gronden worden vastgesteld op basis waarvan een aanvraag gelet op terugbetalingsrisico’s kan worden geweigerd.

4.

De hoofdstukken 4 en5 zijn niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet.

Artikel 3.16c. Levenlanglerenkrediet: duur

1.

Het levenlanglerenkrediet kan worden verstrekt gedurende vier jaar.

2.

De periode, bedoeld in het eerste lid, kan worden verlengd indien de student in de laatste maand van die periode een opleiding volgt met een langere nominale duur dan vier jaar en die opleiding onafgebroken blijft volgen. Het levenlanglerenkrediet kan ten hoogste zoveel langer worden verstrekt als het verschil tussen 48 maanden en het aantal maanden waarop de studielast is gebaseerd op grond van:

3.

Indien de ho-student in de laatste maand van de periode, bedoeld in het eerste of tweede lid, een deeltijdse opleiding volgt en deze opleiding onafgebroken blijft volgen, wordt de periode met één jaar verlengd.

Artikel 3.16d. Levenlanglerenkrediet: hoogte

1.

Het levenlanglerenkrediet bedraagt per maand niet meer dan een twaalfde deel van het feitelijk door de student voor een periode van twaalf maanden te betalen bedrag aan collegegeld of lesgeld voor het volgen van de desbetreffende opleiding en in totaal ten hoogste:

2.

In afwijking van het eerste lid kan aan bij ministeriële regeling vast te stellen groepen studenten een hoger bedrag per maand worden toegekend, waarbij het totale levenlanglerenkrediet voor een periode van twaalf maanden niet meer bedraagt dan twaalf maal het bedrag, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, b of c.

Artikel 3.16e. Levenlanglerenkrediet: uitvoeringsregels

Voor een goede uitvoering van de artikelen 3.16b tot en met 3.16d worden bij ministeriële regeling regels vastgesteld over de aanvraag, toekenning, berekening, betaling en andere uitvoeringsaspecten.

Paragraaf 3.5. Normbedragen

Paragraaf 3.7. Toekenning reisvoorziening

Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs

Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland

Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening

Paragraaf 4.1.2. Prestatiebeurs beroepsonderwijs

Artikel 4.6a. Prestatiebeurs beroepsonderwijs

Een mbo-student aan een opleiding niveau 3 of 4 komt voor zover wordt voldaan aan de van toepassing zijnde voorwaarden in aanmerking voor studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs, inhoudende:

Artikel 4.6b. Reisvoorziening minderjarige mbo-student

Onverminderdartikel 4.7, eerste en tweede lid, komt een mbo-student die jonger is dan 18 jaren in aanmerking voor een reisvoorziening in de vorm van een prestatiebeurs.

Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland

Paragraaf 4.2.2. Opleiding niveau 1 of 2 buiten Nederland

Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs

Artikel 5.2a. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een hbo-lerarenopleiding

In aanvulling op artikel 5.2, eerste lid, wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien de aanvrager een ho-student betreft die:

Artikel 5.2b. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege handicap of chronische ziekte

1.

De prestatiebeurs hoger onderwijs wordt op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt indien de ho-student blijkens gedagtekende verklaringen van een arts en van het bestuur van de onderwijsinstelling waar hij is ingeschreven, als gevolg van een handicap of chronische ziekte niet in staat is het afsluitend examen met goed gevolg af te ronden binnen het aantal jaren prestatiebeurs hoger onderwijs dat zonder deze verlenging aan de ho-student kan worden verstrekt.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs eenmalig 6 maanden langer verstrekt aan de ho-student, bedoeld in het eerste lid, die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor een associate degree-opleiding.

Artikel 5.2c. Verlenging duur prestatiebeurs hoger onderwijs vanwege het volgen van een universitaire lerarenopleiding

1.

In aanvulling op artikel 5.2, eerste lid, wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs op aanvraag eenmalig 1 jaar langer verstrekt, indien:

2.

Het eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing, indien reeds eerder op grond van onderdeel b van dat lid prestatiebeurs hoger onderwijs is toegekend.

3.

Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien reeds eerder:

Paragraaf 5.4. Omzettingsprocedure bij stoppen voor 1 februari of 1 september in eerste studiejaar

Paragraaf 5.5. Omzettingsprocedure eerste 12 maanden

Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden

Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld

Paragraaf 6.1. Algemeen

Hoofdstuk 7. Herziening

Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen

Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen

Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs

Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs

Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6.2a. Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte

Vervallen

Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet

Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering

Hoofdstuk 7. Herziening

Hoofdstuk 10. Hoger onderwijs; tempobeurs

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Artikel 12.15. Tegemoetkoming voor de eerste vier cohorten onder het studievoorschot hoger onderwijs

1.

In dit artikel wordt onder tegemoetkoming begrepen: een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin de extra investeringen in het hoger onderwijs vanwege de Wet studievoorschot hoger onderwijs nog niet waren gedaan.

2.

Voor een tegemoetkoming komt in aanmerking, degene die:

3.

De tegemoetkoming bedraagt voor een rechthebbende die de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde voucher niet heeft verzilverd € 1.835,94 Per 1 januari 2026: € 2.167,34. Indien een rechthebbende de voucher reeds gedeeltelijk heeft verzilverd, bedraagt voor deze rechthebbende de tegemoetkoming de resterende waarde van de voucher, met een maximum van het bedrag genoemd in de eerste volzin.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de uitvoering van dit artikel en worden in ieder geval nadere regels gesteld over de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming.

5.

De tegemoetkoming wordt toegekend vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

6.

Artikel 1.7 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor student wordt gelezen: rechthebbende op een tegemoetkoming.

Artikel 12.16. Verhoogde aanvullende beurs in het eerste jaar na invoering van het studievoorschot

1.

In afwijking van artikel 3.18 geldt in het studiejaar 2015–2016 voor de toepassing van paragraaf 3.3 voor een ho-student die ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geen basisbeurs ontvangt, een maximale aanvullende beurs die naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 258,35 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 271,19.

2.

Voor de ho-student die na de toepassing van het eerste lid een aanvullende beurs ontvangt, wordt de aanvullende beurs in dat studiejaar verhoogd met een bedrag per maand dat naar de maatstaf van 1 januari 2014 gelijk is aan € 106,98 per 1 januari 2016 naar de maatstaf van 1 januari 2016: € 110,74.

Artikel 12.17. Partnertoeslag in de maanden na inwerkingtreding studievoorschot hoger onderwijs

Vervallen

Artikel 12.18. Reeds toegekende partnertoeslag

Op de student die een toeslag als bedoeld in artikel 3.4, zoals dat luidde op 31 december 2015, toegekend heeft gekregen, blijven ten aanzien van de toegekende toeslag de artikelen 3.4, 3.6, 4.7, eerste lid, 4.10, 5.2, eerste lid, en 5.7, zoals die artikelen luidden op 31 juli 2015, van toepassing.

Artikel 12.19. Afwijking van artikel 3.17 in verband met overgangssituatie afschaffing bijverdiengrens voor hoger onderwijs

1.

In afwijking van artikel 3.17 blijft dat artikel, zoals dat luidde op 31 augustus 2015, van toepassing op ho-studenten in de kalenderjaren waarin zij aanspraak hebben op een basisbeurs als bedoeld in artikel 3.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015.

2.

In afwijking van het eerste lid blijft voor de berekening van de bijverdiengrens over het kalenderjaar waarin een ho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs voor het eerst geen basisbeurs ontvangt buiten beschouwing het inkomen van een ho-student dat is verworven vanaf de eerste maand waarin geen aanspraak op een basisbeurs bestaat, bedoeld in artikel 3.6, zoals dat luidde op 31 augustus 2015.

Artikel 12.20. Afwijking van artikel 3.21 tot 1 januari 2016

1.

In afwijking van artikel 3.21, derde lid, wordt in het studiejaar 2015–2016 geen terugwerkende kracht verleend voor zover de periode waarvoor terugwerkende kracht wordt gevraagd, is gelegen voor 1 januari 2016.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op de aanspraak, bedoeld in artikel 2.7, derde lid.

Artikel 12.21. Indexering

Onze Minister past de bedragen, genoemd in deze paragraaf, overeenkomstig artikel 11.1 aan.

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.17a. Geen aanspraak uitreiziger

1.

Een student heeft geen aanspraak op studiefinanciering indien hij een uitreiziger is.

2.

Onze Minister kan besluiten dat een student een uitreiziger is indien het betreft een persoon ten aanzien van wie uit een melding van de door de daartoe bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten, gericht aan Onze Minister, is gebleken dat het gegronde vermoeden bestaat dat de student zich buiten het land Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een organisatie die door Onze Minister van Veiligheid en Justitie, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.

3.

In het besluit van Onze Minister dat een student een uitreiziger is, wordt vermeld vanaf welk moment een student als uitreiziger is aangemerkt.

Hoofdstuk 3. Studiefinanciering

Paragraaf 3.1. Samenstelling studiefinanciering

Paragraaf 3.5. Normbedragen

Paragraaf 3.6. Toekenning

Paragraaf 3.7. Vorm, wijze van toekenning en voorwaarden reisvoorziening

Hoofdstuk 4. Beroepsonderwijs

Afdeling 4.1. Beroepsonderwijs in Nederland

Paragraaf 4.1.1. Studiefinanciering in de vorm van gift of lening

Afdeling 4.2. Beroepsonderwijs buiten Nederland

Paragraaf 4.2.3. Opleiding niveau 3 of 4 buiten Nederland

Hoofdstuk 5. Hoger onderwijs

Paragraaf 5.6. Herkansing voor omzetting eerste 12 maanden

Paragraaf 5.7. Omzetting bij bijzondere omstandigheden

Hoofdstuk 6. Opbouw en terugbetaling studieschuld

Hoofdstuk 7. Herziening

Hoofdstuk 8. Uitbetaling, verrekening en invordering

Hoofdstuk 9. Toezicht en sancties

Paragraaf 9.2. Verstrekken van inlichtingen

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6.20. Nadere terugbetalingsregels

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet waarbij tenminste regels worden gesteld over de samenloop met de terugbetaling van de lening die is ontstaan anders dan door toekenning van het levenlanglerenkrediet en over de samenloop met de terugbetaling door een partner van het levenlanglerenkrediet of een andere lening die is toegekend op grond van deze wet.

Hoofdstuk 7. Herziening

Paragraaf 9.1. Toezicht

Hoofdstuk 11. Overige bepalingen

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding

Artikel 12.22. Aanvraag voor toekenning verlenging prestatiebeurs niet eerder dan in 2019

Een aanvraag voor toekenning van 6 maanden extra prestatiebeurs hoger onderwijs, bedoeld in artikel 5.2b, tweede lid, kan niet eerder worden gedaan dan op 1 januari 2019.

Artikel 12.23. Overgangsbepaling Ad-programma en omzetting prestatiebeurs in gift

Voor de aanspraak op omzetting van prestatiebeurs hoger onderwijs in gift voor een associate degree-programma als bedoeld in artikel 7.8a WHW, zoals dat luidde op 31 december 2017, blijft artikel 5.7, zoals dat luidde op 31 december 2017, van toepassing voor de ho-student die een associate degree-programma volgt of heeft gevolgd.

Artikel 12.24. Omzetting prestatiebeurs in gift op aanvraag

Tot 1 juni 2019 wordt de prestatiebeurs hoger onderwijs voor een ho-student die met goed gevolg een associate degree-opleiding heeft afgerond, in afwijking van artikel 5.7, eerste lid, uitsluitend omgezet in een gift voor zover de ho-student een aanvraag heeft ingediend tot gelijkstelling, overeenkomstig artikel 5.7, vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2017.

Artikel 12.25. Kwijtschelding studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte

Tot 1 juni 2019 wordt de kwijtschelding, bedoeld in artikel 6.2a, derde lid, opgeschort, waarbij de opgebouwde rente als gevolg van de latere kwijtschelding van dat bedrag eveneens wordt kwijtgescholden.

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.26. Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld

In afwijking van artikel 3.16a, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.16d kan een ho-student die verlaagd wettelijk collegegeld als bedoeld in artikel 7.45, vijfde lid, WHW verschuldigd is, tot 1 september 2019 ten hoogste het bedrag lenen van het volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 7.45, eerste lid, WHW en voor zover van toepassing, gelezen in samenhang met artikel 6.7 WHW.

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes

Artikel 12.27

1.

Artikel 3.27, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, blijft van toepassing op de bedragen die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren.

2.

De persoon die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf 1 januari 2019, op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de student wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op 1 januari 2019.

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.28. Cohortgarantie meeneembare studiefinanciering

Op een student die studiefinanciering toegekend heeft gekregen voor het volgen van een opleiding buiten Nederland op grond van artikel 2.14, zoals dat luidde op 23 juli 2019, blijft artikel 2.14 van toepassing zoals dat luidde op 23 juli 2019 zolang de student zonder onderbreking studiefinanciering geniet.

Hoofdstuk 13. Horizonbepalingen

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6.1a. Belastbaar minimumloon

Het belastbaar minimumloon in de zin van deze wet is een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag, afgeleid van het totaal van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Artikel 6.9a. Versneld aflossen

1.

De debiteur is bevoegd om bovenop de termijnbetalingen, kosteloos extra aflossingen te doen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen over de aflossing, genoemd in het eerste lid, regels worden gesteld met betrekking tot onder meer:

Paragraaf 6.2. Terugbetaling levenlanglerenkrediet

Artikel 6.19a. Schorsing terugbetaling levenlanglerenkrediet in eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode

De terugbetaling van de lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet wordt geschorst gedurende de eerste vier maanden van de terugbetalingsperiode.

Artikel 6.19b. Schorsing terugbetaling bij samenloop levenlanglerenkrediet en reguliere studieschuld

Voor een debiteur voor wie de terugbetalingsperiode is begonnen van een lening beroepsonderwijs, lening hoger onderwijs of een lening die is ontstaan door toekenning van het levenlanglerenkrediet, en aan wie levenlanglerenkrediet of studiefinanciering als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, wordt toegekend of die student wordt zonder studiefinanciering te ontvangen, kan op bij ministeriële regeling te bepalen wijze schorsing plaatsvinden van:

Paragraaf 9.3. Bestuursrechtelijke geldschulden en bestuurlijke boete

Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding

Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes

Paragraaf 12.6. Overgangsbepaling in verband met een wijziging van de criteria voor de toekenning van meeneembare studiefinanciering

Paragraaf 12.7. Overgangsbepaling in verband met de Verzamelwet OCW 2020

Artikel 12.29. Cohortgarantie mbo-student opleiding niveau 3 of 4 voor 1 augustus 2005

Op de mbo-student die voor 1 augustus 2005 voor het volgen van beroepsonderwijs studiefinanciering ontving, blijven de artikelen 2.7a, 2.15a, 4.6 en 12.1aa van toepassing zoals deze luidden op 31 maart 2020.

Hoofdstuk 13. Maatregelen voor studenten in verband met uitbraak COVID-19

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 13.2a. Aanspraak op extra reisvoorziening

1.

Een student kan in verband met de uitbraak van COVID-19 in aanmerking komen voor een extra reisvoorziening.

2.

Bij ministeriële regeling wordt in ieder geval vastgesteld:

3.

In afwijking van artikel 3.21 kan de extra reisvoorziening met terugwerkende kracht en voor een periode in een eerder studiejaar worden toegekend, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen het reisrecht en de vergoeding als bedoeld in artikel 3.24, tweede of vierde lid.

4.

Artikel 3.29 is niet van toepassing op de extra reisvoorziening, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 13.2b. Hoogte collegegeldkrediet en levenlanglerenkrediet in verband met halvering collegegeld

In afwijking van artikel 3.16a, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 3.16d, eerste lid, onderdeel a, kan een ho-student voor het studiejaar 2021–2022 in totaal ten hoogste € 903,33 per maand lenen.

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 6.1b. Verplichting debiteur terugbetaling studieschuld

Ontvangst van een lening of omzetting in een lening, of omzetting als bedoeld in artikel 6.17, verplicht degene die studiefinanciering heeft ontvangen tot terugbetaling van de lening vermeerderd met de volgens dit hoofdstuk berekende rente.

Paragraaf 9.1. Toezicht

Paragraaf 9.4. Strafbepalingen

Hoofdstuk 10a. Opbouw en terugbetaling studieschuld; «oude» debiteuren

Hoofdstuk 12. Overgangsbepalingen

Paragraaf 12.0. Overgangsbepalingen intrekking Wet op de studiefinanciering

Paragraaf 12.2. Overgangsbepalingen in verband met de Wet studievoorschot hoger onderwijs

Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld

Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes

Paragraaf 12.3. Overgangsbepalingen in verband met de omvorming van Ad-programma tot associate degree-opleiding

Paragraaf 12.7. Overgangsbepaling in verband met de Verzamelwet OCW 2020

Hoofdstuk 13. Maatregelen voor studenten in verband met uitbraak COVID-19

Hoofdstuk 14. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 12.0a. Begripsbepalingen Wet op de studiefinanciering

In afwijking van artikel 1.1 wordt voor de begrippen in deze paragraaf de begripsomschrijving gelezen in artikel 1 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidde op 31 augustus 2000.

Artikel 12.0b. Aanvang terugbetaling renteloze voorschotten (141 Wsf)

1.

In geval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs nog niet is aangevangen op 1 oktober 1986, vangt deze terugbetaling niet eerder aan dan op het tijdstip waarop op grond van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidde op 31 augustus 2000, de verplichting tot terugbetaling van de rentedragende lening begint.

2.

De artikelen 40, eerste en derde lid, 41 tot en met 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12.0c. Samenloop terugbetalingen (142 Wsf)

1.

In geval van samenloop van terugbetalingen van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs en terugbetaling van rentedragende lening, wordt het door de debiteur op jaarbasis te betalen bedrag gevormd door de som van het op jaarbasis vastgestelde terug te betalen bedrag aan renteloze voorschotten en van het jaarbedrag aan termijnen, waarin de rente en aflossing van de rentedragende lening ingevolge artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, vervallen.

2.

De artikelen 40, eerste en derde lid, 41 tot en met 48, 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien de draagkracht van de debiteur lager is dan de te betalen termijn, de terugbetaling allereerst strekt ter voldoening van de oudste openstaande schuld.

Artikel 12.0d. Gevolgen voor samenstelling minimum terugbetalingsbedrag (143 Wsf)

In geval van samenloop van terugbetalingen als bedoeld in artikel 12.0c, wordt, zolang het renteloos voorschot nog niet is afgelost, voor de betrokkene artikel 41, derde lid, van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, zo toegepast dat het minimumbedrag van f 1.200,– wordt verminderd met het in het desbetreffende jaar terug te betalen bedrag aan renteloos voorschot.

Artikel 12.0e. Nieuwe vaststelling termijn (144 Wsf)

Op 1 januari volgend op het tijdstip waarop de in artikel 12.0c bedoelde voorschotten volledig moeten zijn terugbetaald, wordt de termijn, bedoeld in artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, opnieuw vastgesteld.

Artikel 12.0f. Terugbetaling renteloze voorschotten (145 Wsf)

1.

Ingeval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs is aangevangen voor dan wel op 1 oktober 1986, zijn de artikelen 40, eerste en derde lid, 42 tot en met 48, 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing.

2.

Voor de toepassing van de artikelen 42 tot en met 50 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, wordt de aflosfase gesteld op 15 jaar en vangt de aflosfase aan op 1 januari 1987.

Artikel 12.0g. Overgangsbepaling rijksstudietoelage (147 Wsf)

Op een studerende van 18 jaren of ouder aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs dan wel op een studerende van 21 jaren of ouder aan wie een soortgelijke rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van overig voortgezet onderwijs, is met ingang van 1 oktober 1986 hoofdstuk II met uitzondering van artikel 8 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt.

Artikel 12.0h. Overgangsbepaling studerende die ouderonafhankelijk is (148 Wsf)

Op een studerende aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend onafhankelijk van het inkomen van de ouders of een van hen, is met ingang van 1 oktober 1986 hoofdstuk II uitgezonderd paragraaf 2 van titel 3 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt.

Paragraaf 12.1. Overgangs- en invoeringsbepalingen wijzigingswetten tot en met augustus 2015

Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld

Paragraaf 12.5. Overgangsbepaling in verband met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 met het oog op het verminderen van het aantal OV-boetes

Paragraaf 12.4. Overgangsbepaling in verband met invoering verlaagd wettelijk collegegeld

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)