Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

Type Circulaire
Publication 2026-08-07
Laatst bijgewerkt 2026-08-11
State In force
Source BWB
artikelen 10
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Onderdanen van EU/EER-lidstaten en van Zwitserland hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland te verblijven als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student (zie artikel 8.12 Vb). Dat recht hebben zij uiteraard ook direct na inreis indien zij op dat moment aan de voorwaarden voldoen. Zij worden in geen geval verwijderd indien de burger van de Unie arbeid als zelfstandige of in loondienst verricht of naar Nederland is gekomen om werk te vinden, nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om dat te vinden. Onder bepaalde voorwaarden gaat het verblijfsrecht niet verloren door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden of vertrek van de persoon bij wie het familielid verbleef, of echtscheiding of beëindiging van het geregistreerde partnerschap.

Slechts in geval van een zodanig, specifiek geval van redelijke twijfel of aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de inschrijving en daarmee de afgifte van de verklaring van inschrijving aangehouden tot onderzoek deze twijfel heeft weggenomen. Daarna vindt, indien is komen vast te staan dat aan de voorwaarden is voldaan, alsnog inschrijving plaats en wordt de verklaring van inschrijving afgegeven. Indien na onderzoek is komen vast te staan, dat niet aan de relevante voorwaarden is voldaan, wordt een beschikking gegeven waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor inschrijving. Daarnaast kan de inschrijving dan wel afgifte van de verklaring van inschrijving worden aangehouden, indien het inwinnen van antecedenten bij de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten onontbeerlijk wordt geacht voor de beoordeling of de EU- of EER-onderdaan een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. De inschrijving kan uiteraard vervolgens worden geweigerd, indien van een zodanig gevaar sprake blijkt te zijn. Een zodanige weigering geschiedt per beschikking (zie B10/7).

De arbeidsverhouding van een werknemer in het internationale transport wordt verondersteld voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied te hebben, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:

3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven

3.6.1. Uitzondering (artikel 8.17, zesde lid, Vb)

3.5.3. Verwijtbaar werkloos

Verplaatsen werkzaamheden, met hoofdverblijf in Nederland (artikel 8.17, derde lid, onder e, Vb)

3.3.2. Zelfstandigen

3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid

Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de WAO/ WIA, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang

Indien de inkomsten uit arbeid voor het merendeel worden aangevuld met andere inkomsten (bijvoorbeeld voor 50% of meer uit de publieke middelen) is er grond voor twijfel aan het serieuze karakter van de economische activiteit en dus aan het reële en daadwerkelijke karakter van de arbeidsverrichting.

3.6.1. Uitzondering (artikel 8.17, zesde lid, Vb)

Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving.

3.3.2. Zelfstandigen

Een dergelijke situatie kan zich voordoen bij werknemers in het internationale transport (bijvoorbeeld werknemers op zeeschepen en op schepen in de internationale binnenvaart en daarmee gelijkgestelde inrichtingen, baggermolens, zandzuigers).

De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft.

Het rechtmatig verblijf krachtens artikel 8, aanhef en onder e, Vw eindigt niet indien de EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige van ten minste één jaar, onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende is ingeschreven bij het CWI (zie artikel 8.12, tweede lid, onder b, Vb). Dat de gemeenschapsonderdaan volledig ten laste komt van de publieke middelen, doet hieraan niet af.

4.2.2. Voldoende middelen van bestaan

Het rechtmatig verblijf eindigt niet indien betrokkene een beroepsopleiding gaat volgen, die verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Dit verband met de eerdere beroepsactiviteit hoeft er niet te zijn bij onvrijwillige werkloosheid (zie artikel 8.12, tweede lid, onder d, Vb).

3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven

7.1.1. Actuele bedreiging van de openbare orde en openbare veiligheid

4.3. Beroep op de publieke middelen

Studenten, die verblijfsrecht hebben op grond van artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb, hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de WSF om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de WSF.

4. Economisch niet-actieven

Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.

De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan kan (aan de hand van de documenten genoemd in B10/3.3) aantonen dat hij voortdurend reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Perioden van afwezigheid als gevolg van ziekte of ongeval (zie B10/3.5.1) en van onvrijwillige werkloosheid (zie B10/3.5.2) worden aangemerkt als perioden van tewerkstelling.

3.6.4. Bedenktijd

3.7. Overige categorieën

Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortzetting van verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan de regels met betrekking tot de economisch niet-actieven.

4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden

In geval van een dergelijke partner geldt immers een wettelijke onderhoudsplicht.

5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid

5.2.1. Familielid zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan

4.2.3. Recht op studiefinanciering

5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan

4.2. Studenten

4.2.1. Beroepsopleiding

Het begrip ‘beroepsopleiding’ moet hier ruim geïnterpreteerd worden. Een beroepsopleiding is iedere onderwijsvorm die opleidt voor een speciaal beroep, vak of betrekking of die een bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep uit te oefenen, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van leerling of student, zelfs indien er in het studieprogramma algemene vakken zijn opgenomen (een universitaire studie valt ook onder dit begrip). Ook stage valt hieronder. Wanneer er een lage stagevergoeding tegenover staat en er geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid.

Indien een student niet meer is ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut en geen beroepsopleiding meer volgt, is niet langer voldaan aan de voorwaarden voor verblijf als student en ontleent hij aan de hoedanigheid van student niet langer een verblijfsrecht. Hij kan niettemin zijn verblijf voortzetten als werkzoekende, economisch actieve dan wel als economisch niet-actieve, of als familielid van een dergelijke burger van de Unie, indien hij aan de relevante voorwaarden voldoet. Indien hij echter inmiddels het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen, behoeft hij niet aan die voorwaarden te voldoen. Grond om tot beëindiging van het verblijf over te gaan door middel van een beschikking om reden dat de betrokkene niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan tot de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht slechts plaatsvinden op de grond dat hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel, onverminderd eventuele bezwaren uit hoofde van openbare orde en veiligheid (zie B10/7).

Na indiening van deze aanvraag dient onmiddellijk een bewijs van aanvraag te worden verstrekt (verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan).

In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband toe te passen verblijfsbeëindiging moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist.

De volgende persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval betrokken bij de belangenafweging in het kader van de evenredigheidstoets:

Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.

Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.

5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland

5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan

5.1. Samenwoningvereiste

Volgens het Hof van Justitie EG (HvJEG, 23 februari 1994, Scholz) kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.

Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijft wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland. Het rechtmatig verblijf (in de zin van artikel 8, onder i, Vw) van het familielid dat niet de nationaliteit heeft van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland, blijkt in de eerste periode van drie maanden uit diens geldige paspoort met een op grond van artikel 9 Vw gestelde aantekening omtrent rechtmatig verblijf. Het rechtmatige verblijf kan voorts blijken uit het geldige paspoort, voorzien van het eventueel voor inreis benodigde visum of een recente aantekening omtrent inreis (inreisstempel, zie artikel 4.21 Vb) dan wel uit het geldige paspoort en een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart.

5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland

Voor de behandeling van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument is een legesbedrag verschuldigd. De aanmelding voor het indienen van een aanvraag moet ingevolge artikel 8.13, tweede lid, Vb, plaatsvinden binnen één maand na afloop van de periode van drie maanden rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.11 Vb.

5.4.4. Kinderen die 21 jaar worden

7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting

Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ondertekend en namens de EG gesloten en goedgekeurd en bevestigd bij verordening 2760/72 van de Raad van de EG van 19 december 1972. Het aanvullend protocol is voor Nederland op 1 januari 1973 in werking getreden. De bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ingestelde Associatieraad heeft op 19 september 1980 Associatiebesluit 1/80 vastgesteld.

5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen

5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters

Indien sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging, wordt het familielid verblijf toegestaan dat voortvloeit uit het EG-Verdrag.

5.3.2.3. Voortzetting van verblijf bij naturalisatie

Volgens het Hof van Justitie EG (HvJEG, 23 februari 1994, Scholz) kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.

Het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, wordt ontzegd of beëindigd om redenen van volksgezondheid in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden genomen (zie artikel 8.23 Vb). Hierbij kan, naast de in de gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts worden gedacht aan een ziekte als Sars (zie artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet). Het rechtmatig verblijf wordt niet om redenen van volksgezondheid beëindigd indien de ziekte later dan drie maanden na inreis is opgetreden (zie artikel 8.23, tweede lid, Vb).

5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan

Zolang de familierelatie of de gezinsband met de hoofdpersoon in stand blijft en de hoofdpersoon als gemeenschapsonderdaan is aan te merken, is het familie- of gezinslid eveneens als zodanig aan te merken.

5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland

Het rechtmatig verblijf van het familielid dat zelf onderdaan is van de EU/EER of van Zwitserland eindigt niet door:

Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar A4/3.

8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters

Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting

De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt (zie ook B5/4.4).

7.1. Verblijfsbeëindiging

Ten aanzien van Belgen en Luxemburgers dient te worden afgezien van het doen ondertekenen van een antecedentenverklaring. Ingevolge de Beneluxovereenkomst kunnen zij bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning eigener beweging een bewijs van goed zedelijk gedrag overleggen.

6.1.3. Het inburgeringsexamen

Aan een Belg of Luxemburger wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet afgewezen op de enkele grond dat hij het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering, niet heeft behaald (zie artikel 8.6, derde lid, Vb).

6.2. Weigering verlenging of intrekking verblijfsdocument

Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie artikel 8.18 Vb):

1. Inleiding

Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie artikel 3:4 Awb). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.

3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80

Indien dit onontbeerlijk wordt geacht ter beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde of openbare veiligheid kan bij de lidstaat van oorsprong of eventuele andere lidstaten worden verzocht om mededeling van gerechtelijke antecedenten betreffende de vreemdeling. Deze raadpleging kan plaatsvinden bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of de afgifte van de verblijfskaart waarmee het verblijfsrecht van het familielid dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit wordt aangetoond.

7.2. Uitzetting

11. Verdragen

Het Nederlandse reguliere vreemdelingenrecht is zo ingericht dat een vreemdeling dient aan te geven in verband met welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning wenst te verkrijgen. Ieder opgegeven verblijfsdoel brengt op zijn beurt weer een specifiek toetsingskader van voorwaarden en beperkingen met zich mee. Dit laat onverlet dat ingevolge de directe werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde aan de vreemdeling in bepaalde gevallen een recht op (voortgezette) toelating toekomt. Artikel 8.26 Vb geeft een overzicht van verdragen. De Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen aan de in dit artikel genoemde verdragen kunnen ontlenen.

3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers

De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt (zie ook B5/4.4).

8.6. Reguliere verblijfsaanvraag

8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst

De vreemdeling heeft wel de mogelijkheid zich alsnog op de arbeidsmarkt te begeven, maar een potentiële werkgever is verplicht met het oog op de tewerkstelling van deze vreemdeling over een TWV te beschikken.

Indien zij arbeid (willen gaan) verrichten in het kader van een stage als verplicht onderdeel van de opleiding, of arbeid van niet meer dan tien uren per week dan wel seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus, is het gestelde in B6/5 van overeenkomstige toepassing.

3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80

De in voorgaande subparagrafen bedoelde onderdanen en hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, worden desgewenst in de gelegenheid gesteld een aanvraag te doen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daarmee corresponderende verblijfsdocument, ter zake waarvan leges zijn verschuldigd.

Op grond van nationaal beleid geldt dat de Turkse werknemer, nadat hij drie jaar onafgebroken legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht, vrije toegang heeft tot iedere arbeid van zijn keuze (zie B5/3.2.2). Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Associatiebesluit 1/80 reeds na drie jaar legale arbeid van toepassing is.

Terzake van het verrichten van arbeid in loondienst, geheel of ten dele bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden, geldt ingevolge artikel 2 Wav, in samenhang met artikel 3 Besluit uitvoering Wav, een verbod op tewerkstelling doordat een TWV wordt geweigerd. Zolang dit geldt, wordt terzake van het door onderdanen van Bulgarije en Roemenië verrichten van zodanige werkzaamheden geen verblijfsdocument EU/EER afgegeven.

3.4.2. Voorwaarden Associatiebesluit 1/80

Voor artikel 8 EVRM wordt verwezen naar B2/10. Voor artikel 3 EVRM wordt verwezen naar deel C.

3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80

Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de EG en Turkije, namens die EG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732 EG van de Raad van de EG van 23 december 1963 (PB 1964, 217).

3.5. Verlies van opgebouwde rechten

3.6. Turkse zelfstandige

Een Turkse werknemer:

4.1. Begunstigde

4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf

De vaststelling of betrokkene drie jaar legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht vindt plaats op de wijze als vermeld onder a.

3.4.1. Nationaal recht

4.3. Aantekening in de identiteitspapieren

Voor zover de aan de vergunning verbonden beperking nog niet luidde: ‘arbeid in loondienst’, wordt de beperking (de vergunning) alsnog in die zin gewijzigd, met als aanvulling: ‘bij (naam werkgever) op grond van het Turkse Associatie Verdrag.’

Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. Voorts is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen.

Verder wordt ingevolge de nationale regelgeving aan het minderjarige gezinslid die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in verband met gezinshereniging bij een persoon met een niet-tijdelijke verblijfsrecht, reeds na een jaar op aanvraag een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verleend (zie artikel 3.50 Vb en B16).

Daarnaast kunnen bovenstaande gezinsleden reeds na drie jaar rechtmatig verblijf hier te lande aanspraak maken op een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking ’voortgezet verblijf’ (zie B16/3.1.1). Op grond van deze verblijfsvergunning hebben zij ook de vrije toegang tot iedere arbeid van keuze.

In artikel 7, Associatiebesluit 1/80 is bepaald onder welke voorwaarden gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Om rechten te kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 dient de verblijfgever in ieder geval op het moment van toelating van het gezinslid, werknemer in de zin van het Associatiebesluit 1/80 te zijn (geweest).

5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag

Legaal wonen: dit begrip veronderstelt dat het gezinslid gedurende de periode van drie respectievelijk vijf jaar onafgebroken daadwerkelijk bij de Turkse werknemer moet wonen (zie Hof van Justitie van de EG, 22 juni 2000, Eyüp, C-65/98). Bij de berekening van deze periode moet echter wel rekening worden gehouden met korte onderbrekingen van het samenleven, waarbij niet de bedoeling bestond om het samenleven op te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een afwezigheid van de gemeenschappelijke woonplaats gedurende een redelijke periode waarvoor gegronde redenen zijn dan wel aan onvrijwillig verblijf van minder dan zes maanden dat de betrokkene in zijn land van herkomst heeft doorgebracht (zie Hof van Justitie van de EG, 17 april 1997, Kadiman, C-351/95).

Na de periode van drie jaar legaal wonen worden ingevolge artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 aan het verblijf van het gezinslid geen voorwaarden meer verbonden. De omstandigheid dat de Turkse werknemer na deze periode niet meer behoort tot de legale arbeidsmarkt of dat de gezinsband is verbroken, heeft geen gevolgen voor het verblijfsrecht van het gezinslid (zie voornoemde zaak Cetinkaya). Dit geldt ongeacht of het gezinslid in het bezit is van een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf.

3.5. Verlies van opgebouwde rechten

6.2. Begunstigde

6.2. Begunstigde

5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen

4. Het Europees vestigingsverdrag

6.3.3. Vestiging

De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen, indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw en B5/7.3 en B5/7.4.

7.1.1. Verblijfsvoorwaarden

4.3. Aantekening in de identiteitspapieren

Wanneer, door toepassing van dit Verdrag, de uitzetting achterwege blijft, dient in het identiteitspapier van de vreemdeling, al naar gelang het geval, één van de aantekeningen voorgeschreven bij artikel 4.29 en 4.34 Vb te worden gesteld.

Op 17 december 1904 is het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag in werking getreden. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag voorziet in de mogelijkheid van vrije vestiging van wederzijdse onderdanen in de beide verdragstaten.

5.1. Begunstigde

Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. Voorts is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen.

Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de Vw, zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.

Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’

8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag

Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.

13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië

8.3. Gezinshereniging

Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de Vw, zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.

Op een onderdaan van Zwitserland, die zich in Nederland wil vestigen voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het bepaalde in B10/3 van toepassing.

Een onderdaan van Zwitserland die geen economische activiteiten verricht en niet op grond van een ander verblijfsdoel in Nederland verblijft, komt op grond van het Nederlands-Zwitsers Traktaat voor verblijf in Nederland in aanmerking indien en zolang hij beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’

Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

7.1.1. Verblijfsvoorwaarden

7.2. Verblijf van zelfstandigen

7.2.1. Verblijfsvoorwaarden

10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

11. ESH

Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.

11.1. Begunstigde

Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).

Indien een op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag hier te lande verblijvende Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) arbeid in loondienst wenst te verrichten, dient wijziging van de vergunning te worden gevraagd en dient de werkgever te beschikken over een TWV (zie B5 en artikel 11 van het bijbehorende Protocol).

10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

12.1. Begunstigde

De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij … (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid toegestaan. TWV vereist’.

In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’

Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan (Stb. 1913, 389) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.

In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’

Het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand verplicht de verdragsluitende partijen de wederzijdse onderdanen op gelijke voet als eigen onderdanen recht te geven op sociale en medische bijstand.

10.1. Begunstigde

12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer

12.3. Gezinshereniging

Onder rechtmatig verblijf wordt hier – in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag – verstaan rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h, alsmede j en l, Vw.

15. Het IVRK

14.1. Begunstigde en belang

15. Het IVRK

13.1. Belang

De op de eerder verleende verblijfsvergunning geplaatste arbeidsmarktaantekening wordt gehandhaafd.

Op 11 maart 1979 is voor Nederland in werking getreden het BuPo.

15. Het IVRK

Op 8 maart 1995 is voor Nederland het IVRK in werking getreden.

Nederland heeft zich ingevolge artikel 19, zesde lid, van het ESH verbonden te waarborgen dat zoveel mogelijk de hereniging van het gezin van een migrerende werknemer, die toestemming heeft gekregen om zich op het grondgebied te vestigen, wordt vergemakkelijkt. Deze bepaling heeft geen rechtstreekse werking (zie ABRvS, 16 april 1984, RV 1984/ 117).

16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980

Dat laat echter onverlet dat voor gezinshereniging, met hier te lande rechtmatig verblijvende Turkse werknemers, aanvullende eisen kunnen worden gesteld indien het gaat om (verruimde) gezinshereniging. Dat betekent dat, voorzover hier van belang, op ‘kinderen’ tussen de 18 en 21 jaar, die ten laste van de werknemer komen, niet dezelfde regeling behoeft te worden toegepast zoals die geldt voor EU/EER- onderdanen en onderdanen van Zwitserland.

11.3. Intrekking verblijfsvergunning

16.1. Binnenkomst en verblijf

16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980

Hoewel de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975 is verstreken op 24 november 1980, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst nog van toepassing op bepaalde Surinaamse onderdanen (verkregen rechten). In het algemeen kan worden gesteld dat het vreemdelingen van Surinaamse nationaliteit betreft die vóór 25 november 1980 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975.

12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid

Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).

17.2. Bewijs staatloosheid

Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Algerije en Tunesië die soortgelijke bepalingen bevatten als artikel 40, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko. Bovendien zijn in 1995 associatieovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Tunesië, Israël en Jordanië, waarin artikel 64 dezelfde inhoud heeft als artikel 40 van de Samenwerkingsovereenkomst EEG- Marokko. In 1996 is de associatieovereenkomst EEG-Marokko gesloten.

17.3. Belang

Het Hof van Justitie van de EG (2 maart 1999, El-Yassini, C-416/96) heeft geoordeeld dat het in artikel 40, eerste alinea, van de Overeenkomst EEG-Marokko neergelegde beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen, op zich niet tot gevolg heeft dat het de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verboden is de verlenging van de verblijfstitel van een op het grondgebied van die lidstaat werkzame Marokkaanse migrerende werknemer te weigeren, ook al kan die maatregel naar haar aard niet worden genomen jegens de onderdanen van de betrokken lidstaat.

17.3. Belang

Gelet op vorenstaande, geldt het volgende:

17.1. Begunstigde

Indien de vreemdeling een staatloze is in de zin van het Staatlozenverdrag en hij in de vreemdelingenadministratie expliciet als staatloze staat ingeschreven (en dus niet als vreemdeling met ‘onbekende’ nationaliteit), kan hij op grond van het Staatlozenverdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen (zie C21/3).

17.3.2. Reisdocumenten

Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.

17.3. Belang

Deze bepalingen laten daarom de mogelijkheid in stand om uit hoofde van nationaal recht eisen te stellen in het kader van verblijf, met name in geval van gezinshereniging.

12. Diplomaten

Het betreft hier:

Voor aanvragen door Surinaamse onderdanen (zelfstandigen) met verkregen rechten (zie B5/7.9.1).

Voor deze categorie vreemdelingen zijn de in het algemeen geldende wettelijke bepalingen en voorschriften van toepassing. Het gaat hierbij om:

3.2.1. Verblijfsvoorwaarden

Het betreft hier:

Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14 Vw wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.

Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

Ten aanzien van de vraag hoe de staatloosheid dient te worden bewezen, bevat het Staatlozenverdrag geen bepalingen. Iedere staat is dus vrij om zelf te bepalen welke bewijzen hij nodig acht om de beweerde staatloosheid van een bepaalde persoon te kunnen aannemen.

17.3. Belang

17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag

Het Verdrag verbiedt – behoudens om redenen van openbare of nationale veiligheid – de uitzetting van staatlozen die rechtmatig op het grondgebied van partijen verblijven (zie artikel 31 van het Verdrag en B14/3). Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vw.

2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest

12. Diplomaten

3.2.4. Gezinsleden

2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status

Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder b, Vw, dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.

Het betreft de volgende categorieën:

Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen (zie verder A2/6.2.3.2).

3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie

3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties

3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties

2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden lokaal geworven personeel

Indien het afhankelijke gezinslid niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 Vw en evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon, dan kan de vreemdeling een aanvraag om eerste toelating op grond van de Vw indienen. Hierbij gelden de artikelen 14, 16 en 17 Vw onverkort.

2.2. Duurzaam verblijvend personeel

Onder duurzaam verblijvend personeel wordt per 1 januari 2000 verstaan: door de zendstaat uitgezonden personeel dat niet, zoals gebruikelijk, na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat, ononderbroken voortzet na tien jaar. Vreemdelingen in deze categorie ontvangen vanaf 1 januari 2000 geen legitimatiebewijs afgegeven door het Ministerie van BuZa meer. Zij dienen zich in te schrijven bij de GBA en de vreemdelingenpolitie.

3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Bij de berekening van de periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden mede in aanmerking genomen de perioden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw heeft gehad. Wel dient de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status te hebben gehad.

3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden

Ad a. Voor 1 januari 2000 konden diplomatieke zendingen of consulaire posten vreemdelingen lokaal werven die reeds een jaar of meer op grond van artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw rechtmatig in Nederland verbleven en gerechtigd waren arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten.

2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden

3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus

Zie B1/5.3.3.

Het betreft de volgende categorieën:

3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften

Ad b. Het gaat hier om particulier bedienden die in persoonlijke dienst van een uitgezonden medewerker (de werkgever) zijn en die na afloop van het dienstverband van de uitgezonden diplomatieke medewerker in dienst zijn getreden bij de opvolger van de vertrekkende werkgever. Voorwaarde is wel dat het salaris in de periode tussen het vertrek van de oude werkgever en de aankomst van de nieuwe werkgever wordt betaald door de missie.

2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden

Indien geen van de gronden van artikel 21 Vw zich voordoet en wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in artikel 3.93, eerste lid, artikel 3.93, zesde lid, (zie hieronder zelfstandige middelen) en artikel 3.96a Vb kan het personeelslid in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, gelden de artikelen 14, 16 en 17 Vw.

2. Voorwaarden familiebezoek

Desalniettemin worden de inkomsten uit arbeid in loondienst voor werk bij een ambassade of consulaat van een andere mogendheid – ondanks dat geen premies sociale verzekeringen en belastingen zijn afgedragen – aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan.

2.2.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden

Daarnaast dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4).

3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus

3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties

In dit verband wordt verwezen naar de internationale organisaties die in Nederland gevestigd zijn en wier personeel in aanmerking komt voor een geprivilegieerde verblijfsstatus middels de door de Minister van BuZa verstrekte identiteitskaart. Voor informatie over de internationale organisaties kan contact worden opgenomen met het Ministerie van BuZa.

Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie of wanneer de betreffende vreemdeling na de periode van tien jaar op zijn verzoek (aanvraag) duurzaam een verblijfsstatus onder de Vw toegewezen heeft gekregen, komt de uitgezonden (geprivilegieerde) status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de Vw worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.

Het is niet van belang of de bijzondere geprivilegieerde status (de zogenoemde uitgezonden status) al dan niet door eigen toedoen verloren is gegaan.

3.3. NAVO

Zie B1/7.1.3.

Ten aanzien van deze voorwaarde wordt aangesloten bij artikel 3.95 Vb. Dit betekent dat de aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in artikel 37a WvSr, dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede lid, Vb. Verder is artikel 3.86 Vb van overeenkomstige toepassing (zie B1/4.4 en B1/5.3.6).

Zie B1/4.4.

Zie B1/5.3.3.

3.3.6. Registratie

3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden

Voor de toelichting op de voorwaarden 1 tot en met 8 wordt verwezen naar de toelichting op deze artikelen zoals vermeld in B12/3.1.3. Verder geldt wat betreft voorwaarde 2 (middelenvereiste) dat het duurzame en zelfstandige inkomen van de hoofdpersoon wordt meegeteld, indien het gezinslid over dit inkomen kan beschikken en, indien het meerderjarig afhankelijk gezinslid als partner bij de hoofdpersoon verblijft, de hoofdpersoon een garantverklaring heeft ondertekend. Dat het gezinslid over het inkomen kan beschikken wordt aangetoond met een schriftelijke verklaring van de hoofdpersoon.

3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden

Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.

3.3.6. Registratie

Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb onder de beperking ‘verblijf in het kader van de Zetelovereenkomst’.

Op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb wordt de hier bedoelde verblijfsvergunning aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.

3.3. NAVO

Op grond van het Verdrag van Ottawa, het Navo-statusverdrag en het Partnership for Peace- statusverdrag zijn een aantal categorieën vreemdelingen geprivilegieerd (B12/3.3.1). Op hen zijn de bepalingen van de Vw niet van toepassing. Daarnaast is er een groep NAVO-vreemdelingen, die niet vallen onder voornoemde verdragen, doch met wiens verblijf wordt geacht dat een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. De categorieën worden genoemd in artikel 3.40 Vb. Voor deze groep niet-geprivilegieerde NAVO-vreemdelingen is een verblijfsregeling opgenomen in B12/3.4.

3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

13. Familiebezoek

1. Inleiding

3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar. Echter, de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet overschrijden (zie artikel 3.63 Vb).

4. EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden

3.4.1. Verblijfsdocument

Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie artikel 3.34b, eerste lid, onder f VV). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt verwezen naar B1/1.

2. Voorwaarden familiebezoek

Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan een document als bedoeld in bijlage 7a VV worden verleend, indien geen van beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.

In het geval degene die familiebezoek beoogt onderdaan is van een Lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ........ (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’

Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie artikel 14 Vw) verleend op grond van artikel 3.13, tweede lid Vb met de beperking ‘verblijf bij echtgenot (o)t(e) ….' met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.

Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie artikel 3.34b, eerste lid, onder a, VV). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt verwezen naar B1/1.

Voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan vreemdelingen behorend tot een van deze categorieën voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in bijlage 7a VV.

3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

2.2.1. Minderjarigheid

2.2.2. Alleenstaand

Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning

13. Familiebezoek

2.3.1. De bepalingen van artikel 16 Vw

2.3.1. De bepalingen van artikel 16 Vw

Amv’s, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land (zie B14/2.4.4) frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert. Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.

De verblijfsvergunning wordt niet verleend op aanvraag. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen ambtshalve worden verleend op grond van artikel 3.6 Vb (zie C14/6):

2.4.2. Toetsing ex nunc

Voor de vaststelling of een vreemdeling als gevolg van een in het buitenland gesloten huwelijk als meerderjarig dient te worden beschouwd, is van belang of het huwelijk naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht wordt erkend. Op grond van artikel 5 Wet conflictenrecht huwelijk wordt een huwelijk alleen erkend indien het rechtsgeldig is ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond. Een minderjarige wordt dus niet meerderjarig door een niet-erkend traditioneel huwelijk. Op grond van artikel 6 Wet conflictenrecht huwelijk wordt een huwelijk evenmin erkend als dit onverenigbaar zou zijn met de openbare orde. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij gedwongen huwelijken of huwelijken tussen jonge kinderen.

Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in C11/3.4 en C14/6.1.

2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land

Indien aannemelijk is dat de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, behoeft voor terugkeer geen adequate opvang in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan aanwezig te zijn.

2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang

2.2.4. Adequate opvang

Indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.

2.5. De verlening van de verblijfsvergunning

2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening

2.5. De verlening van de verblijfsvergunning

Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang en dat de opvangvoorzieningen adequaat zijn, behoeft geen onderzoek naar een concrete opvangplaats in een opvanginstelling te worden gedaan.

In al deze gevallen wordt verwacht dat de betrokkenen vertrekken naar het land van herkomst of naar een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan.

Hiervan is sprake als de betrokkene – ook los van de context van het totale asielrelaas – ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt omtrent identiteit, nationaliteit of opvang. Bij het beoordelen of van het vorenstaande sprake is, wordt rekening gehouden met druk, traumata, de geestelijke ontwikkeling en de leeftijd van betrokkene. Van een kind kan immers niet altijd dezelfde mate van volledigheid en gedetailleerdheid worden verwacht als van een volwassene.

2.4. Procedurele bepalingen

De verblijfsvergunning wordt niet verleend op aanvraag. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen ambtshalve worden verleend op grond van artikel 3.6 Vb (zie C14/6):

De toetsing aan het bijzondere beleid inzake Amv is ex nunc. Van belang is dus niet de situatie op het moment van het indienen van de asielaanvraag, maar die op het moment van het ambtshalve beslissen.

Het is mogelijk dat het leeftijdsonderzoek niet met voldoende zekerheid tot een conclusie omtrent de minderjarigheid kan leiden. In deze gevallen kan de betrokkene na verloop van tijd (dit kan zijn binnen één à twee jaar) opnieuw worden opgeroepen voor een leeftijdsonderzoek om te bezien of de botontwikkeling inmiddels zodanig is, dat een voldoende zekere conclusie (met terugwerkende kracht) mogelijk is over de vraag of de vreemdeling meerder- of minderjarig is.

2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf

Indien uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is dat de Amv zich zelfstandig staande zal kunnen houden, kan onderzoek door het Ministerie van BuZa geïndiceerd zijn indien in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan, geen adequate opvang, bijvoorbeeld in de vorm van opvangtehuizen, bekend is. Onderzoek is in beginsel niet noodzakelijk indien de vreemdeling zelf verklaart dat adequate opvang aanwezig is, en daarbij voldoende geloofwaardige informatie geeft waaruit blijkt hoe de adequate opvang bij terugkeer bereikt kan worden, zoals adresgegevens.

Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.

2.5. De verlening van de verblijfsvergunning

2.10. Overgangsrecht

Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.

2.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

2.10.3.1. Inleiding

Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in B14/2.2.

De verlengingsaanvraag wordt conform B1/5.3.4 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.

2.6.3. Gronden voor afwijzing van de aanvraag tot verlenging

2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen

Op grond van artikel 19 Vw kan de vergunning worden ingetrokken om redenen genoemd in B14/2.6.3 (gronden voor afwijzing van de verlenging).

De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van artikel 3.52 Vb. De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).

Indien wordt geconcludeerd dat de vreemdeling als gevolg van de gewijzigde definitie van het begrip ‘alleenstaand’ in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid inzake Amv’s wordt de vergunning verleend.

Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.

3.3. Afwijzingsgronden

3.4. Procedurele bepalingen

3.4.1. Inleiding

3.4.3. De aanvraag

3.4.4. Leges

Uitgangspunt van het terugkeerbeleid is, dat in beginsel alle vreemdelingen kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Er is op dit moment geen land bekend dat de volkenrechtelijke verplichting, om eigen onderdanen terug te nemen, niet naleeft. Desalniettemin kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken omdat hij de benodigde reisdocumenten niet kan bemachtigen, terwijl er geen twijfel bestaat omtrent de door hem verstrekte gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling staatloos is en hij geen wedertoelating kan verkrijgen tot het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats (‘former habitual residence’) had.

3.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.

3.2.2. Categorieën vreemdelingen die onder het beleid vallen

Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.

3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken

3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s

Een uitgeprocedeerde Amv kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, indien:

3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten

Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.

3.3. Afwijzingsgronden

3.7. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Voorts kan de verblijfsvergunning geweigerd worden indien de vreemdeling een afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag heeft ontvangen op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw wegens het toerekenbaar ontbreken van documenten die betrekking hebben op identiteit en nationaliteit.

3.4.3. De aanvraag

4.1. Inleiding

Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie B14/4.4 over de berekening van de termijn).

4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning

4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning

Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 3.5 Vb.

3.5. De verlening van de verblijfsvergunning

De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend.

3.5.3. Geldigheidsduur

De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.

Deze grond is bijvoorbeeld van toepassing indien de vreemdeling zich heeft bediend van verschillende personalia (pseudoniemen) en ten aanzien van geen van deze personalia authentieke documenten heeft overgelegd. Ook hier heeft de vreemdeling het zelf in de hand om aan de twijfel een einde te maken, en zolang hij dat niet doet, levert de verstreken tijd in de procedure geen relevante termijn voor het driejarenbeleid op.

De in Nederland verblijvende huwelijkspartner of geregistreerd partner alsmede het/ de tot het gezin behorende kind(eren) dat/ die afhankelijk is/ zijn van een vreemdeling aan wie in verband met medische gronden een verblijfsvergunning op grond van het buiten schuld beleid is verleend, kunnen in deze situatie met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wanneer zij een verblijfsaanvraag indienen.

De geldigheidsduur kan tweemaal met een jaar worden verlengd, indien de vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening.

3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning

In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:

De IND beschouwt de instemmingsverklaring van de Nederlandse Centrale autoriteit als bewijsmiddel dat de Nederlandse Centrale autoriteit heeft ingestemd met de plaatsing van de vreemdeling in een pleeggezin of instelling in Nederland.

21.3. Voorwaarden

1. Inleiding

2. Het recht van de Europese Unie

Het is voor de Surinaamse vreemdeling niet noodzakelijk dat hij aantoont de gehele periode van tien jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag, geen rechtmatig verblijf te hebben gehad. Kortdurend verblijf buiten Nederland, bijvoorbeeld vanwege ziekte of familiebezoek, wordt niet tegengeworpen. Het gaat om het aannemelijk maken van langdurig feitelijk verblijf in Nederland.

Als bewijs van zijn identiteit en nationaliteit legt de Surinaamse vreemdeling over een:

Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld.

2. Het recht van de Europese Unie

2. Het recht van de Europese Unie

21.4. Gezinshereniging

De IND beschouwt de personen genoemd in artikel 8.7 tweede lid tot en met het vierde lid Vb als familieleden van een Unieburger.

In aanvulling op artikel 8.12, tweede lid, Vb gaat de IND ingeval van werkloosheid uit van onvrijwillige werkloosheid tenzij door de gemeentelijke sociale dienst of het UWV genoegzaam is vastgesteld dat hier geen sprake van is

2.2.1.3. Zelfstandige

2.2.1.6. Werkzoekenden

Artikel 21 VWEU bevat het recht om vrij te reizen en vrij te verblijven, onder voorbehoud van beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld.

2.2.1.1. Werknemer

2.2.1.1. Werknemer

2.2.1.5. Legale arbeidsmarkt

De IND kan een Unieburger op grond van de voorgaande paragrafen alleen aanmerken als werknemer of zelfstandige als de arbeid op de legale arbeidsmarkt wordt verricht. Dat is het geval indien alle wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften bij het verrichten van de arbeid in acht zijn genomen.

2.2.1.6. Werkzoekenden

De IND onderscheidt twee groepen economisch inactieve Unieburgers:

2.4.3. Verblijfsrecht van familieleden van Nederlanders die terugkeren uit het Verenigd Koninkrijk op grond van het terugtrekkingsakkoord

Voor de vaststelling of de Unieburger over voldoende middelen beschikt, is het voldoende dat deze middelen aantoonbaar beschikbaar en rechtmatig zijn. De herkomst doet niet ter zake. De wettelijke en bestuurlijke voorschriften omtrent de middelen en inkomsten dienen te zijn nageleefd.

2.2.3. Studenten

2.2.4.5. Ongehuwde partners

Voor het uit een derde land afkomstige familielid van een Nederlander ontstaat een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, eerste lid, VWEU als de Nederlander en het familielid:

2.5.2. Derdelands minderjarige (voor)kinderen van ouders met een afgeleid verblijfsrecht op grond artikel 20 VWEU

Het middelenvereiste als genoemd in artikel 8.12, eerste lid Vb geldt niet als voorwaarde bij deze aanvraag.

2.6.1. Toetsen EU-verblijfsrecht in andere procedures

2.4.4. EU-grensarbeid

De IND verstrekt een sticker ’verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan’ (bijlage 7h, VV) met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid toegestaan; tewerkstellingsvergunning niet vereist’ aan de uit een derde land afkomstige vreemdeling, als:

2.5.1.3.2. Zorg- en opvoedingstaken

Alle aangevoerde documenten en verklaringen moeten afzonderlijk en in onderlinge samenhang worden bezien. De IND kijkt bij het toekennen van bewijswaarde aan deze documenten naar de manier waarop het document is afgegeven. Hierbij is het van belang of het document op basis van (eigen) verklaringen of op basis van nader onderzoek door de betreffende autoriteiten is opgesteld. De IND kent een sterkere bewijswaarde toe aan documenten, wanneer deze door de autoriteiten van het land van afgifte zijn afgegeven en er voldoende identificerende gegevens van de vreemdeling op het document staan.

2.5.1.3. Zodanige afhankelijkheid

2.5.1.3.2. Zorg- en opvoedingstaken

Onder zorgtaken wordt niet verstaan enkel omgang of contact met het minderjarige Nederlandse kind.

2.5.1.3.3. Ouderlijk gezag

Een vreemdeling heeft een affectieve band met het kind als er is aangetoond dat er sprake is van een duurzame emotionele band tussen de vreemdeling en het kind. Bij het beoordelen van de duurzaamheid van de affectieve band worden in elk geval de volgende omstandigheden betrokken:

2.7.3. Duurzame relatie

Een derdelands (voor)kind heeft in ieder geval rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder e, Vw als hij:

2.8. Ontzegging of beëindiging rechtmatig verblijf

2.6.1. Toetsen EU-verblijfsrecht in andere procedures

Na een beslissing van de IND tot ontzegging of beëindiging van het rechtmatig verblijf, of een beslissing gericht op de vaststelling dat er geen rechtmatig verblijf is, geldt het volgende:

Het verblijfsrecht van de verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger als bedoeld in paragraaf B10/2.3 Vc, eindigt bij de meerderjarigheid van het kind, tenzij de aanwezigheid van de verzorgende ouder nodig is om de opleiding te kunnen voortzetten en voltooien.

Op grond van artikel 8.25 Vb ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als er sprake is van fraude of misbruik.

2.8.5. Rechtsmisbruik en fraude

2.8.2. Uitzonderingen

2.4. Beëindiging van het verblijfsrecht

Het verblijfsrecht van de verzorgende ouder van een minderjarige Unieburger als bedoeld in paragraaf B10/2.3 Vc, eindigt bij de meerderjarigheid van het kind, tenzij de aanwezigheid van de verzorgende ouder nodig is om de opleiding te kunnen voortzetten en voltooien.

2.8.4. Belangenafweging

Er is sprake van misbruik als de Unieburger of het familielid kunstmatig gedrag vertoont met als enig doel een verblijf te verkrijgen op grond van het recht op vrij verkeer. Daarbij is van belang dat de Unieburger of het familielid formeel voldoet aan de voorwaarden van het recht op vrij verkeer, maar dat de Unieburger of het familielid in strijd met het doel van het recht op vrij verkeer handelt.

3.4.4. Ingangsdatum en geldigheidsduur van het verblijfsdocument

De IND ontzegt of beëindigt het rechtmatig verblijf ook op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging of beëindiging zou kunnen leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de IND de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, Vb.

3. Internationale Verdragen

B11. Bijzonder verblijf

In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor verblijf op grond van de Associatieovereenkomst EG-Turkije en Besluit 1/80.

B11. Bijzonder verblijf

2. Beleidsregels

2. Beleidsregels

4.4.1. Verlies van het recht op arbeid en verblijf

Arbeidsmarktaantekening:

2.3. Het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst

4.4.1. Verlies van het recht op arbeid en verblijf

2. Beleidsregels

4.5. Bewijsmiddelen

1. Inleiding

2.4. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

2.2. Vermogende vreemdeling (buitenlandse investeerder)

De IND verleent de verblijfsvergunning als aan de in artikel 3.31b Vb opgenomen voorwaarden is voldaan.

3.4.2. Aanvraagprocedure indien eerder aan de VK onderdaan en zijn familielid een verblijfsdocument is verleend als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc

2.6. Grenswachters van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk

4.1. economisch niet-actieve langdurig ingezetene

In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van artikel 3.73 Vb:

2.6. Grenswachters van de grensbewakingsdienst van het Verenigd Koninkrijk

In aanvulling op paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende als de vreemdeling voldoet aan de gehanteerde inkomensnorm die wordt vastgesteld aan het begin van elk kalenderjaar voor de uitwonende student (exclusief collegegeld).

2.5.1. Verblijf conform artikel 3.6ba Vb (ambtshalve toets schrijnende situatie bij eerste aanvraag)

Bij de beoordeling of sprake is van een samenstel van bijzondere omstandigheden kent de IND een beperkt gewicht toe aan omstandigheden die zijn gerezen tijdens een periode van niet rechtmatig verblijf van de vreemdeling.

5.2. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

Bij de beoordeling van een gemotiveerd en met documenten onderbouwd verzoek of er ten aanzien van de vreemdeling sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere en individuele omstandigheden geldt dat zeer gering gewicht toekomt aan omstandigheden die in Nederland zijn ontstaan na het onherroepelijk worden van de beslissing op de eerste verblijfsaanvraag. De vreemdeling was of had op de hoogte kunnen zijn van het feit dat hij geen aanspraak maakte op rechtmatig verblijf in Nederland.

2.7.4. Bewijsmiddelen

De houder van een verblijfsvergunning onder de verblijfsbeperking ‘beoefenaar van een vrij beroep in de zin van het toepasselijke Handelsakkoord’ kan niet optreden als referent voor aanvragen om gezinshereniging.

De IND verleent een verblijfsvergunning voor de beoefenaar van een vrij beroep als aan de voorwaarden van artikel 3.16a VV 2000 is voldaan. Hiervoor vraagt de IND advies aan het UWV, dat vervolgens toetst of aan de voorwaarden van artikel 8.3.b.11 van Bijlage I van de RuWav is voldaan.

3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

5.2. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

5. Verlenging

Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder f, VV verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als beoefenaar van een vrij beroep op grond van de handels- en samenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk: “TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend”.

2. Beleidsregels

4.1. economisch niet-actieve langdurig ingezetene

Na het verstrijken van die periode van 12 maanden kan een aanvraag om een verblijfsvergunning die betrekking heeft op dezelfde werkzaamheden bij dezelfde opdrachtgever als die waarvoor de eerdere verblijfsvergunning is verleend, pas worden ingewilligd met inachtneming van een redelijke termijn. Als norm voor deze redelijke termijn geldt dat de beoefenaar een periode van bij elkaar opgeteld maximaal 12 maanden binnen een periode van vierentwintig maanden op Nederlands grondgebied mag verblijven. Dit betekent bij voorbeeld dat de beoefenaar die voorafgaand aan de verblijfsaanvraag reeds 12 maanden als beoefenaar van een vrij beroep in Nederland heeft verbleven, eerst na een periode van 12 maanden opnieuw in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor hetzelfde verblijfsdoel.

2.1. De duur van het verblijf in Nederland

2.4. Openbare orde of nationale veiligheid

5. Verlenging

2.7. Bijzondere categorieën verblijfsvergunning onbepaalde tijd

2.7.2. Terugkeeroptie

6.2. Pilot huisvesting Akense niet-EU studenten

2. Beleidsregels

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 20 en 21 Vw.

De IND wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 21, eerste lid, Vw als de vreemdeling direct voorafgaande aan het nemen van het besluit vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft genoten als bedoeld in artikel 8, onder a, c, e, l, Vw, dan wel op grond van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

2.2. De aard van het verblijfsrecht

2.1. De duur van het verblijf in Nederland

2.4. Beëindiging van het verblijfsrecht

De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld in artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb ononderbroken was ingeschreven als ingezetene in de BRP of rechtmatig in Nederland verbleef.

2.5. Hoofdverblijf

2.6.1. Medische ontheffing

2.7. Bijzondere categorieën verblijfsvergunning onbepaalde tijd

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)