Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
2.7.1. Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, d en e, RWN)
Ten aanzien van de in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, Vb genoemde vreemdelingen geldt het volgende:
3. Bewijsmiddelen
3.4.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
3. Aanvraagprocedure terugtrekkingsakkoord duurzaam verblijfsrecht
Als het afhankelijke gezinslid van de ex-geprivilegieerde niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, dan beschouwt de IND een verklaring van de ex-geprivilegieerde waaruit blijkt dat het afhankelijke gezinslid kan beschikken over het inkomen als bewijsmiddel dat het afhankelijke gezinslid zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
B13. Verblijfsrecht VK-onderdanen en hun familieleden
3.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsdocument voor duurzaam verblijf
De IND verstaat onder een familielid van de VK-onderdaan: een familielid als bedoeld en omschreven in artikel 9 en 10 van het terugtrekkingsakkoord en uitgewerkt in artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit, ongeacht hun nationaliteit.
2.2. Contra-indicaties
De IND verleent voorts geen verblijfsdocument als er een procedure aanhangig is om te beoordelen of de VK-onderdaan of zijn familielid een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid, ongeacht de pleegdatum.
4.5. Document, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
3.4.4. Ingangsdatum en geldigheidsduur van het verblijfsdocument
Als een economisch niet-actieve VK-onderdaan of zijn familielid een beroep doet op de algemene middelen, is ten aanzien van de beoordeling van de verblijfsrechtelijke gevolgen de inhoud van het onderdeel ‘Beroep op de algemene middelen’ van paragraaf B10/2.8.1 Vc van toepassing.
Het verblijfsrecht (als bedoeld in paragraaf B13/2.1 Vc) van een familielid van een VK-onderdaan eindigt als niet langer sprake is van een familierechtelijke relatie als bedoeld in B13/1 Vc (onderdeel ‘Familieleden van VK-onderdanen’). Tenzij sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, 13 of 14 van Richtlijn 2004/38/EG (in het Vb geïmplementeerd in artikel 8.15, lid 2 tot en met 5) en aan de in die artikelen vermelde voorwaarden wordt voldaan. Daar waar in die artikelen ‘burger van de Unie’ staat vermeld dient dat in dit geval te worden gelezen als ‘VK-onderdaan’.
2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
3.4. Procedurele bepalingen
Op grond van artikel 18, eerste lid onder b, eerste alinea, van het terugtrekkingsakkoord kunnen de VK-onderdaan en zijn familielid die vóór het einde van de overgangsperiode naar Nederland zijn gekomen, ook na 31 december 2020 nog een aanvraag indienen. De VK-onderdaan en zijn familielid hebben in dat geval de gelegenheid om tot en met uiterlijk 30 september 2021 (negen maanden na het einde van de overgangsperiode) een aanvraag voor een verblijfsdocument als bedoeld in paragraaf B13/3.1 Vc in te dienen.
2.3. Middelen van bestaan
2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
6. Studie
3.4.4. Ingangsdatum en geldigheidsduur van het verblijfsdocument
De IND beschouwt een VK-onderdaan als grensarbeider als hij:
4.5. Document, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
4.3. Contra-indicaties
2.3. Middelen van bestaan
De IND verstrekt aan de VK-onderdaan een document ‘Grensarbeider’ als aan de voorwaarden van paragraaf B13/4 Vc wordt voldaan. Op het document wordt vermeld: ‘Frontier worker, article 50 TEU’. De arbeidsmarktaantekening op het document luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
7.1. Inleiding
Voor zover in B6/7.1 tot en met B6/7.4 niet anders is bepaald, zijn de bepalingen uit B1 en B2 onverkort van toepassing. Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de buitenlandse student, alsmede zijn minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. De vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor verblijf bij de buitenlandse student is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in B16, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie artikel 3.5, tweede lid, onder j en k, Vb).
7. Uitwisseling
In de regel zal de student moeten aantonen dat hij voor ten minste één jaar beschikt over voldoende middelen van bestaan. Bij aanvragen voor studiedoeleinden bestaat hierop evenwel een uitzondering. Indien de student namelijk een verblijf korter dan één jaar beoogt, zal het aan te tonen bedrag worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van het verblijf (zie artikel 3.42, derde lid, Vb). Als hij dus een verblijf van zes maanden beoogt, zal hij moeten aantonen voor die periode over voldoende middelen van bestaan te beschikken.
7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
In bepaalde gevallen heeft een student een voorbereidingstijd nodig om zich te kwalificeren voor de beoogde studie aan het hoger onderwijs. Hiervoor legt hij aanvullende examens af, zoals bijvoorbeeld een toets beheersing van de Nederlandse taal.
5. Het verrichten van arbeid
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Studie aan (naam onderwijsinstelling) te (plaatsnaam)’; de arbeidsmarktaantekening luidt: Arbeid uitsluitend toegestaan mits werkgever beschikt over TWV.
2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
7.1. Inleiding
2.5. Arbeidsmarktaantekening
7. Uitwisseling
3.2. Aard van het verblijf
3.2. Aard van het verblijf
3.3. Voorwaarden voor deelname
Daarbij valt te denken aan de situatie dat de vreemdeling gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid of de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding (zie B1/4.2).
4.5. Arbeidsmarktaantekening
2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
4.6. Voorschriften
Om in de kosten van hun verblijf te voorzien is het deze jongeren toegestaan betaalde arbeid te verrichten. Het mogen werken vormt echter niet het verblijfsdoel, maar is slechts een middel om het verblijf te kunnen financieren. Een arbeidsovereenkomst mag echter wel een langere periode omvatten en ook een open einde hebben.
4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
3.2. Aard van het verblijf
3.4. Beperking
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van uitwisselingsprogramma van (naam uitwisselingsorganisatie)’.
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid niet toegestaan’.
3.6. Voorschrift
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring (zie bijlage 11 VV) is overlegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
3.7. Verandering van gastgezin
3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
5.1. Inleiding
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. Met het oog op toezicht op vreemdelingen dient een wijziging van verblijfplaats gemeld te worden bij de IND. De uitnodigende instelling is verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
8. Medische behandeling
4.3. Verblijf voor Working Holiday Program en Working Holiday Scheme
5.6. Voorschrift
5.3. Voorwaarden voor deelname
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
5.7. Wijziging van verblijfplaats
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4).
3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
5. Ongewisse situatie in land van herkomst
5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. In deze gevallen wordt toepassing gegeven aan artikel 3.46, derde lid, Vb. De vraag of de te late indiening van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de aanvraag. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid er niet op is gewezen dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw binnenkort eindigt en dat een aanvraag moet worden ingediend, komt in dit verband geen betekenis toe. Evenmin komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich te kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw bij de IND meldt voor het maken van een afspraak voor het in persoon indienen van de aanvraag, waardoor het niet langer mogelijk is om tijdig een afspraak in te plannen. Aan het feit dat de vreemdeling tijd nodig heeft om de voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te vergaren, zoals een paspoort, komt ook geen betekenis toe.
5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA niet in staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
3.1. Bewijslast medische omstandigheden
3.2.8. Kosten van levensonderhoud
3.2.1. Opschorting van de verwijdering
7. Aard van het verblijfsrecht
Dit betekent dat de IND het BMA in ieder geval niet om een medisch advies vraagt als:
Het BMA stelt dan een advies op omtrent de medische situatie van de vreemdeling. Daarbij maakt het BMA onder andere gebruik van algemene informatie uit het Landen Informatiesysteem, vakliteratuur en informatie verkregen van de behandelaars van de vreemdeling. Omdat het BMA derden benadert, verlengt de IND de wettelijke beslistermijn (zie B1/9.7.3).
3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is.
3.2.2. Registratie door de politie
3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
3.2.5. Meldplicht
7.1. Beslissing op de aanvraag
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt afgewezen eindigt de analoge toepassing van artikel 64 Vw van rechtswege.
4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
3.2. Bedenktijdfase
3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
De bedenktijd staat alleen open voor de volgende categorieën vreemdelingen (zie B9/2):
4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
4.2.1. Beëindiging Rvb
3.2.7. Opvang en huisvesting
4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
6.3. Meldplicht
6.5. Opvang en financiën
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de RvB niet eerder dan nadat een verblijfsvergunning is afgegeven. Na afgifte van de verblijfsvergunning maakt het slachtoffer aanspraak op een uitkering ingevolge de Wwb.
7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
8.1. Slachtoffer
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de getuige-aangever niet over een paspoort beschikt. Onderwijl dient een paspoort te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan de getuige-aangever de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/4.2 is vervolgens van toepassing.
8.1. Slachtoffer
6.3. Meldplicht
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in artikel 3.50 Vb, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb en B16).
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt het OM in kennis van de beslissing.
7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
8.2. Getuige-aangever
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
9.2. Getuige-aangever
Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).
Nadat de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk is komen te ontvallen dient betrokkene Nederland te verlaten.
2. Algemeen
2. Algemeen
2.1. Toegang tot Nederland
De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11.
1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
2.5. Rechtmatig verblijf
In dit hoofdstuk zullen de termen ‘Burger van de Unie’, ‘onderdaan van de EER’ en ‘onderdaan van een derde land’ worden gebruikt. ‘Burger van de Unie’ is de term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU. ‘Onderdaan van de EER’ wordt gebruikt voor iedere onderdaan van de EU en van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze termen. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een burger van de Unie, onderdaan van de EER of onderdaan van Zwitserland, en zelf niet de nationaliteit heeft van één van deze lidstaten, wordt dit expliciet vermeld. ‘Onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen burger van de Unie is of onderdaan van een EER- lidstaat of van Zwitserland.
1.7. Aard van het verblijf van een burger van de Unie
3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
3.3.2. Zelfstandigen
3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
3.6.2. Bij voortduring in Nederland wonen
3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
3.6.5. Verblijfskaart
Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortzetting van verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan de regels met betrekking tot de economisch niet-actieven.
Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden zijn niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen. Afwezigheid van langere tijd, is niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen in de volgende gevallen:
3.6.3. Voortdurend in Nederland werken (artikel 8.17, vierde lid Vb)
3.6.5. Verblijfskaart
3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Er kan ook recht op voortzetting van verblijf ontstaan, voor EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die hun hoofdverblijf in Nederland hebben, omdat in bepaalde situaties ook eerder dan na vijf jaar al duurzaam verblijf verkregen kan worden. De verblijfscategorieën waar dit op van toepassing is staan vermeld in artikel 8.17, derde lid, Vb. De categorieën dienstverlener of -ontvanger zijn in de richtlijn niet teruggekomen. De dienstenverlener is hetzij een werknemer, hetzij een zelfstandige. De dienstenontvanger geldt als economisch niet-actieve. Ook de grensarbeider is als zodanig niet teruggekomen in de richtlijn. Deze geldt immers ook als werknemer of zelfstandige, met dien verstande dat de grensarbeider nimmer de vrije termijn van drie maanden zal overschrijden, omdat de grensarbeider dagelijks of wekelijks Nederland verlaat om terug te keren naar zijn woning in een andere lidstaat. Dit geldt enkel voor burgers van de Unie.
4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
4.3. Beroep op de publieke middelen
4.2. Studenten
4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
7.1. Verblijfsbeëindiging
4.2.3. Recht op studiefinanciering
Tevens is dit van belang voor onderdanen van de EU/EER en Zwitserse onderdanen, die met een Nederlander zijn gehuwd of een in Nederland dan wel andere lidstaat geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, waarbij slechts de Nederlandse partner over bedoelde middelen beschikt.
Voor zover de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan daarover de vrije beschikking heeft, kunnen inkomsten van een partner, niet zijnde huwelijkspartner en ook niet zijnde geregistreerde partner, of van een derde in aanmerking worden genomen, ook als die partner of derde onderdaan is van een derde land.
5.3. Familieleden van Nederlanders
4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
4.2.3. Recht op studiefinanciering
4.2.4. Beëindiging van de studie
Indien de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een (aanvullend) beroep doet op de publieke middelen, kan dat tot gevolg hebben dat zijn rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, Vw vervalt, tenzij de betrokkene inmiddels het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen (na vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf en soms ook eerder). Onder een beroep op de publieke middelen wordt eveneens begrepen een beroep op de maatschappelijke opvang,
Tenzij persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, beëindigt de IND in aanvulling op artikel 8.16 Vb het verblijf bij een beroep op de algemene middelen als de burger van de Unie:
5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
6. Onderdanen van België en Luxemburg
De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.
Ditzelfde geldt ook voor familieleden van een economisch actieve burger van de Unie met dien verstande dat bij de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht dient te worden aangetoond dat de burger van de Unie nog steeds reële en daadwerkelijke arbeid verricht.
6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
6.1.2. Antecedentenverklaring
6.1.3. Het inburgeringsexamen
6.1. Verblijfsdocument
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh en HvJEG, 11 december 2007, Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is richtlijn 2004/38/EG naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand (HvJEG, 11 december 2007, Eind).
5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan
3.3.2. Recht voortzetting verblijf
6. Onderdanen van België en Luxemburg
8.1. Werkzoekenden
6.1.2. Antecedentenverklaring
7.1. Verblijfsbeëindiging
8.7. Seksuele dienstverlening
Het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, wordt ontzegd of beëindigd om redenen van volksgezondheid in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden genomen (zie artikel 8.23 Vb). Hierbij kan, naast de in de gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts worden gedacht aan een ziekte als Sars (zie artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet). Het rechtmatig verblijf wordt niet om redenen van volksgezondheid beëindigd indien de ziekte later dan drie maanden na inreis is opgetreden (zie artikel 8.23, tweede lid, Vb).
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Gevraagde bescheiden:
3.1. Begunstigde
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
3.3.1. Begrippen
7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
11. Verdragen
6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
De nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming (zie B2) bieden de gezinsleden in de regel al meteen het recht om te werken en gaan derhalve verder dan waartoe het Associatiebesluit nr. 1/80 verplicht.
3.3.2. Recht voortzetting verblijf
3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
3.6. Turkse zelfstandige
Werknemer: de persoon die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij slechts marginaal en bijkomstig van aard zijn. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een (geldelijke) vergoeding ontvangt. Dit is niet anders indien de arbeidsverhouding voortkomt uit sociale wetgeving, de productiviteit van betrokkene gering is, de beloning niet ten minste ter hoogte is van het minimumloon, de vergoeding voor de arbeid geschiedt vanuit publieke middelen als bijvoorbeeld gesubsidieerde banen (zie Hof van Justitie van de EG, 19 november 2002, Kurz, C-188/00 en 26 november 1998, Birden, C-1/97; zie B10/3.2 en B10/3.2.1).
4. Het Europees vestigingsverdrag
4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
Indien de Turkse werknemer heeft aangetoond dat hij gedurende de periode van één jaar voor hetzelfde uitzendbureau of dezelfde inlener heeft gewerkt en uitzicht bestaat op voortzetting van de werkzaamheden, worden deze werkzaamheden meegeteld voor het berekenen van de periode waarin werkzaamheden bij dezelfde werkgever zijn verricht. Hetzelfde geldt voor werkzaamheden die via een detacheringbureau worden verricht.
4.2.2. Tien jaar rechtmatig verblijf
4.1. Begunstigde
3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
3.4. Recht op voortzetting van verblijf gezinsleden Turkse werknemers
5.2. Verblijfsvoorwaarden
3.6. Turkse zelfstandige
6.3.1. Arbeid als zelfstandige
Partij bij voornoemd verdrag zijn: Nederland, België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
4.2. Waarborgen
Het Europees vestigingsverdrag verschaft de onderdanen van alle bedoelde landen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging, bij rechtmatig verblijf (rechtmatig wonen) van ten minste twee (B11/4.2.1) respectievelijk tien jaar (B11/4.2.2). Onder ‘rechtmatig op het grondgebied wonen’ wordt verstaan het hoofdverblijf in Nederland hebben tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, of onder l, Vw. Verblijf gedurende de vrije termijn (artikel 8, aanhef en onder i, in samenhang met artikel 12 Vw en artikel 3.3 Vb) telt dus voor de berekening van de twee- of tienjarentermijn niet mee.
4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
Een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond, wordt niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot, en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij, een bevoegde autoriteit of persoon of één of meer speciaal door de bevoegde autoriteiten aangewezen personen.
6.3.1. Arbeid als zelfstandige
De vorenvermelde speciale waarborgen gelden niet, indien dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen. Het begrip dwingende overwegingen van nationale veiligheid dient te worden onderscheiden van het begrip ‘bezwaren uit hoofde van de openbare orde’, zoals bedoeld in B1/4.4.
5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
Deze Europa-overeenkomsten hadden tot doel een associatie tot stand te brengen om uitbreiding van de handel en economische betrekkingen tussen de verdragspartijen te bevorderen en daarmee de dynamische ontwikkeling en welvaart in Bulgarije en Roemenië te stimuleren, teneinde de toetreding tot de EG te vergemakkelijken. Door de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU op 1 januari 2007 hebben deze overeenkomsten hun betekenis verloren.
7.2. Verblijf van zelfstandigen
Onder ten laste van de openbare liefdadigheid wordt verstaan ten laste van de publieke middelen. Een uitkering ingevolge de Wwb wordt daarom niet aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van dit Verdrag en Protocol.
6.3.1. Arbeid als zelfstandige
7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
en Roemenië (PB EG 1994, L 357, bladzijde 1) Europa-overeenkomsten gesloten.
7.1.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
7.3. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid
16.2. Medische behandeling
8.1. Verblijfsvoorwaarden
Overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de Vw inzake toegang en verblijf en inzake de gronden waarop hun verblijf of voortzetting van verblijf kan worden ontzegd (zie artikel II, vierde lid, van het Verdrag).
8.3. Gezinshereniging
12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
Vreemdelingen uit Japan mogen in Nederland verblijven als zij voldoen aan de voorwaarden van het Vriendschapsverdrag, zoals genoemd in hoofdstuk B11, paragraaf 8. Daar waar staat: onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika, Amerikaanse vreemdeling dan wel Amerikaanse onderneming wordt eveneens verstaan onderdanen van Japan dan wel Japanse onderneming.
12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Als regel zal aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de betrokkene steeds een beperking zijn verbonden. Indien ingevolge het Verdrag niet tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan, wordt de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd laatstelijk is verleend, gehandhaafd.
11.1. Begunstigde
De verblijfsvergunning van de rechtmatig verblijvende werknemer en zijn gezinsleden kan slechts worden ingetrokken, indien zij een gevaar opleveren voor de nationale veiligheid, of inbreuk maken op de openbare orde of goede zeden (zie artikel 19, achtste lid, van het Handvest).
16.2. Medische behandeling
Er dient vijf maanden verblijf te worden toegestaan voor het zoeken naar ander werk, revalidatie dan wel herscholing, als bedoeld in artikel 25 van het Verdrag, in geval van:
16.2. Medische behandeling
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
14.1. Begunstigde en belang
Een vreemdeling die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit verdrag, kan slechts uit die Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing (zie artikel 13 van het Verdrag). Het is hem toegestaan, zijn bezwaren tegen zijn uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door en zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen.
16.2. Medische behandeling
2.1.1. Algemeen
Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. In dit geval dient de IND, voordat de gemeente tot verstrekking van een reisdocument kan overgaan, de verblijfsgegevens op het aanvraagformulier te verifiëren en dit formulier, voorzien van een advies, retour te zenden naar de gemeente.
2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
16.1.2. Binnenkomst na 24 november 1980
Indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.93, eerste lid, Vb juncto artikel 3.93, zesde lid, en artikel 3.96a Vb kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw).
17. Het Staatlozenverdrag
2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
17.3.2. Reisdocumenten
2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade of consulaat komt de uitgezonden status van de categorieën als genoemd onder B12/2.1.1, onder 3, te vervallen. De bepalingen van de Vw worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
Indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.93, eerste lid, Vb juncto artikel 3.93, zesde lid, en artikel 3.96a Vb kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw).
2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
Onder gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden wordt verstaan die personen die door de Minister van BuZa als gezinslid van de hoofdpersoon zijn aangemerkt en die uit dien hoofde door de Minister van BuZa in het bezit werden gesteld van een geprivilegieerdendocument (zie model M81).
3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder b, Vw, dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
2.2.2.3. Inleveren geprivilegieerdendocument
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Deze personen worden door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument (model M81; zie bijlage 3, onder A, derde lid VV juncto artikel 2.3 VV). Dit houdt onder meer in dat zij niet behoeven te beschikken over een verblijfsvergunning. Voor wat betreft de grenscontrole en het toezicht wordt verwezen naar A2/6.2.3.3 en A2/6.2.3.4.
3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
3.1.3. Verblijfsvoorwaarden (ex-)geprivilegieerden
3.3.1. Verdrag van Ottawa
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform artikel 3.57 Vb voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
1. Inleiding
2. Voorwaarden familiebezoek
3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
Indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.
4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
In dit hoofdstuk worden de bepalingen inzake de ambtshalve verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als Amv, voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken,en voor verblijf op grond van het driejarenbeleid en voor verblijf verband houdend met de vervolging van mensenhandel uitgewerkt.
2.3. Afwijzingsgronden
2.3. Afwijzingsgronden
2.3.1. De bepalingen van artikel 16 Vw
De afwijzingsgronden van artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vw, zijn van toepassing (zie artikel 3.56, tweede lid, Vb, artikel 3.79 Vb, en B1/4.4 en B1/4.5).
2.3.2. Frustreren van het onderzoek naar adequate opvang
2.4.1. Ambtshalve toets
2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
2.2.4. Adequate opvang
2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
2.3. Afwijzingsgronden
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
2.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
2.6. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in B14/2.2.
2.4.3. Leeftijdsonderzoek
2.4.2. Toetsing ex nunc
2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
2.6. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De geldigheidsduur kan twee maal worden verlengd met een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
2.8. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in B7/13 van de Vc (oud) en de Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1996/1, 2000/6 en 2000/7.
In de gevallen waarin op of na 1 april 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vc.
2.10.3. Overgangsrecht voor begeleide minderjarigen
3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
3.4.1. Inleiding
3.4.3. De aanvraag
3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De bepalingen van B2 zijn van toepassing.
3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.
3.4.1. Inleiding
Indien tijdens de asielprocedure is gebleken dat een vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, terwijl hij wel heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, wordt, behoudens contra-indicaties, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ ambtshalve verleend. Zie C14/6 voor het toepassen van de ambtshalve toets tijdens de asielprocedure.
3.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De bepalingen van B2 zijn van toepassing.
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt deze aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.4.2. Einde termijn
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3.1 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake buiten schuld.
4.5. Aard van de verblijfsvergunning
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 Vw is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de volgende overweging: als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure kan, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en kan anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruikmaken van zijn bevoegdheid de vreemdeling verblijf te weigeren.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.6 Vb, zoals dat luidde vóór 15 mei 2004, kon een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag.
4.3. Contra-indicaties
Er gelden de volgende contra-indicaties:
3.3.7. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
2.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
2.2.1. Minderjarigheid
2.2.2. Alleenstaand
Het bestaan van adequate opvang wordt in ieder geval aangenomen indien:
1. Inleiding
2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
Een minderjarige vreemdeling wordt in het kader van dit beleid wél als alleenstaand beschouwd, indien zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn.
2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
2.5.4. Herhaald onderzoek naar adequate opvang
2.6.1. Gronden voor verlenging
2.6.2. Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding
2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
2.10. Overgangsrecht
3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
3.2.1. Inleiding
3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
3.3. Afwijzingsgronden
3.4.2. Ambtshalve verlening
3.2.3. Vrijstelling mvv
3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
4.5. Aard van de verblijfsvergunning
5.1. Algemeen
De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
5.4.1. Ambtshalve toets
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
5.4.2. Toetsing ex nunc
Indien de vreemdeling beroep heeft ingesteld, eindigt de termijn, behoudens een gegrondverklaring van het beroep met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan in het geval de vreemdeling de procedure niet in Nederland mocht afwachten, op de datum van de uitspraak, tenzij binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld.
5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
Bij het berekenen van de termijn worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten. Het betreft de volgende perioden, waarin:
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (met name regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit 1/80 de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejarentermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van bovengenoemde uitspraak – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Korpschef dan wel de Visadienst een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:
5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
Indien het onderzoek redelijkerwijs tot inwilliging van de aanvraag kan leiden, bestaat er geen aanleiding om de termijn van het onderzoek aan de vreemdeling toe te rekenen. In die gevallen zal de gevraagde vergunning in het algemeen worden verleend en is reeds daarom het driejarenbeleid niet van toepassing.
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
1. Inleiding
Het ontbreken van geldig grensoverschrijdingdocument wordt niet tegengeworpen. De verblijfsvergunning behelst naar zijn aard een niet-tijdelijk doel en kan dan ook uiteindelijk aanspraken op een vergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in artikel 20 Vw opleveren.
15. Kennismigranten
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (zie B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (zie B15/5.1).
2. Samenhang Vw en de Wav
3. Kennismigranten
5. Vervolging van mensenhandel
Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar wordt verwezen naar B15/5.1. Deze categorie blijft ook na hun dertigste jaar kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij een bruto jaarloon verdient, dat tenminste gelijk is aan het geldende looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar.
3. Kennismigranten
5.2. Voorwaarden
B9.2 is van overeenkomstige toepassing.
Aan vreemdelingen die voldoen aan het looncriterium dan wel aan de kwalificatie van wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan mits de werkgever bij wie zij in dienst treden op grond van een ondertekende verklaring (zie bijlage 12a VV), is toegelaten tot de kennismigrantenregeling. Zie voor deze verklaring B15/4.1.
4. De procedurele aspecten
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
5.4. Procedurele bepalingen
Slechts werkgevers die in Nederland gevestigd zijn, kunnen een beroep op de kennismigrantenregeling doen. De regeling is niet van toepassing op werkgevers die in het buitenland gevestigd zijn, tenzij tevens sprake is van een vestiging in Nederland. De verklaring dient steeds door de in Nederland gevestigde werkgever te worden ondertekend.
Om in aanmerking te komen voor de versnelde procedure voor toelating van kennismigranten, dient de werkgever een volledig ingevulde en ondertekende verklaring (zie bijlage 12a VV) in te dienen bij de IND. Het gaat hier om de verklaring, bedoeld in artikel 1d Besluit uitvoering Wav.
4.1. De verklaring van de werkgever (bijlage 12a VV)
Nu de IND zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de IND van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring (zie artikel 3.25a VV) aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen:
Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De – alsnog – overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken.
5.4.1. Ambtshalve toets
Van startende ondernemingen kan niet worden verwacht dat zij een verklaring omtrent betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst, overleggen, aangezien het bedrijf nog geen (belasting) verleden in Nederland heeft. Verblijf als kennismigrant bij startende ondernemingen is evenwel mogelijk in de navolgende situaties en onder de daarbij genoemde voorwaarden. Verblijf als kennismigrant kan worden toegestaan bij:
De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet. In de praktijk is dat veelal de datum waarop de vreemdeling aangifte heeft gedaan. De ingangsdatum valt echter niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
De verklaring kan worden verkregen via de website van de IND, onder de kennismigrantenmodule.
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
B9.9 is van overeenkomstige toepassing.
De toelatingsprocedure met betrekking tot kennismigranten is bij uitstek een referentprocedure.
1. Inleiding
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ wordt door het hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND (en wel op de kennismigrantenmodule) ter beschikking gesteld.
1. Inleiding
Dit hoofdstuk regelt het verblijf van vreemdelingen die als kennismigrant een bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie. Het betreft dus vreemdelingen die verblijf als kennismigrant beogen dan wel in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Vreemdelingen die arbeid in loondienst, anders dan als kennismigrant, of arbeid als zelfstandige verrichten, vallen onder het bepaalde in B5.
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (zie B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (zie B15/5.1).
De werkgever kan namens de gezinsleden te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de kennismigrant en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de kennismigrant beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. In het geval de gezinsleden tegelijkertijd met de kennismigrant een verzoek om advies doen, dient gebruik gemaakt te worden van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’. In het geval voor de gezinsleden niet gelijktijdig met de kennismigrant een verzoek om advies wordt ingediend, dient gebruik gemaakt te worden van de formulieren voor nareizende gezinsleden. De werkgever kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van B1/4 en B2/2. B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav niet van toepassing op de tewerkstelling van kennismigranten. De kennismigranten wier werkgevers ingevolge artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav niet langer hoeven te beschikken over een TWV, kunnen voor de duur van maximaal vijf achtereenvolgende jaren in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant. Deze beperking is opgenomen in artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vb.
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als kennismigrant wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al of niet door tussenkomst van de werkgever, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
1. Inleiding
Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar wordt verwezen naar B15/5.1. Deze categorie blijft ook na hun dertigste jaar kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij een bruto jaarloon verdient, dat tenminste gelijk is aan het geldende looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar.
9.4. Overgangsrecht
11.4. Bewijsmiddelen
10.3. Verlenging en intrekking
Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, onder a, VV, luidt de arbeidsmarktaantekening van de hoofdpersoon, haar ouders en de broer(s) en/of zus(sen) ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
11.1. Plaatsing in een pleeggezin of instelling op verzoek van een ander land op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV)
11.2. Beperking, arbeidsmarktbeperking en geldigheidsduur
11.3. Verlenging en intrekking
12.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder c, VV in als de plaatsing in een pleeggezin of instelling in Nederland is geëindigd.
12. Verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden
12. Verblijf van vreemdelingen die zich in de terminale fase van een ziekte bevinden
De uitleg van een terminale fase van een ziekte is gesteld op: vreemdelingen die zich in een terminale fase van hun ziekte bevinden, niet meer curatief behandeld worden en enkel palliatieve zorg krijgen. Op een enkele uitzondering gaat het naar verwachting om oncologische aandoeningen. Terminaal wil – qua termijn – zeggen dat de verwachting is dat een patiënt binnen zes maanden tot anderhalf jaar overlijdt. Het betreft altijd somatische ziekten. Psychiatrische stoornissen vallen hier niet onder. Een vreemdeling die chronisch suïcidaal is, is niet terminaal. Ook HIV is een chronische ziekte die meestal goed te behandelen is met medicatie en deze gevallen zullen evenmin onder de definitie vallen.
12.4. Gezinsleden
13.8. Bewijsmiddelen
13. Verblijf als minderjarige vreemdeling met een kinderbeschermingsmaatregel
De IND verleent op grond van 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb in samenhang met artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder f, VV op aanvraag of ambtshalve op grond van artikel 3.6b Vb een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een minderjarige vreemdeling die door de kinderrechter onder toezicht is gesteld, als aan alle hierna volgende voorwaarden wordt voldaan:
De onder toezicht gestelde minderjarige vreemdeling wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule (artikel 3.71, derde lid, Vb), als hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van paragraaf B8/13.1 of B8/13.4 Vc.
13.7. Verlenging en intrekking
15.2. Beleidsregels voor de gezinsleden van de hoofdpersoon
14. Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid
13.8. Bewijsmiddelen
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt welke hulpverlening de minderjarige vreemdeling nodig heeft als bedoeld in B8/13.3 Vc en in B8/13.7 Vc:
14. Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid
14.1. Beleidsregels voor de hoofdpersoon
De IND verleent op grond van artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb jo.artikel 3.24aa, eerste lid, aanhef en onder h, VV een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan mensenrechtenverdedigers, indien zij deelnemen aan het programma van ICORN (Vluchtstad) en er een daartoe strekkend verzoek is gedaan door een desbetreffende aan ICORN deelnemende gemeente.
4. Terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet
De beleidsregels zijn een nadere invulling of een uitwerking van de artikelen 3.50 en 3.51 Vb.
Het ‘in Nederland zijn geboren en getogen’ houdt in dat de vreemdeling in Nederland is geboren en minstens de hele basisschool in Nederland heeft doorlopen.
15.3. Middelen van bestaan
15.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
2.3.2. Bijzondere voorwaarden oud-Nederlanders door intrekking (artikel 15, eerste lid, onder d en f, RWN)
B9. Humanitair niet-tijdelijk
Het ‘in Nederland zijn geboren en getogen’ houdt in dat de vreemdeling in Nederland is geboren en minstens de hele basisschool in Nederland heeft doorlopen.
2.2. Buiten Nederland geboren oud-Nederlanders
De IND neemt aan dat in ieder geval sprake is van bijzondere banden met Nederland als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder e, Vb als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
De IND beoordeelt lopende procedures inzake de Definitieve Regeling aan de hand van de voorwaarden en contra-indicaties van de Afsluitingsregeling. De Afsluitingsregeling heeft immers als doel om tot een herbeoordeling te komen van de Definitieve Regeling. Ook is van belang dat in de Afsluitingsregeling, onder handhaving van de overige voorwaarden en contra-indicaties, een wijziging heeft plaatsgevonden van de contra-indicatie niet meewerken aan vertrek. Deze contra-indicatie wordt vervangen door de contra-indicatie niet beschikbaar zijn voor vertrek. Deze aanpassing geldt als gunstiger recht in de zin van artikel 3.103 Vb en wordt bij de beoordeling van alle lopende procedures betrokken, inclusief (hoger) beroepsprocedures.
2.3.2. Bijzondere voorwaarden oud-Nederlanders door intrekking (artikel 15, eerste lid, onder d en f, RWN)
3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken
3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken
4. Terugkeeroptie op grond van artikel 8 Remigratiewet
Ad c) Onder opvangvoorzieningen van het COA vallen ook de gezinslocaties (GL) en de Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL). De gemeentelijke noodopvang waaronder de zogenoemde bed, bad en brood locaties vallen hier niet onder.
8. Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid
6.5. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Afsluitingsregeling
8. Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid
8.1.1. Verblijfsgat
6.6. Contra-indicaties
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht als de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:
De IND beoordeelt in het kader van ambtshalve herbeoordeling niet opnieuw of aan deze voorwaarde is voldaan.
6.8. Procedurele bepalingen
8. Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid
De vreemdeling is in ieder geval beschikbaar geweest voor vertrek, indien de daadwerkelijke verblijfplaats van de vreemdeling bekend was bij de IND, DTenV, COA of AVIM, tenzij de vreemdeling op enig moment met onbekende bestemming is vertrokken. Het vertrek met onbekende bestemming wordt niet tegengeworpen indien de vreemdeling binnen drie maanden weer in beeld is gekomen (paragraaf B9/6.5, onder c Vc).
Vertrek met onbekende bestemming kan onder meer aan de hand van een model M-100 worden vastgesteld. De vreemdeling heeft de opvanglocatie niet uit eigen beweging verlaten in het geval van vertrek naar aanleiding van een (voorgenomen) ontruiming van de opvanglocatie.
8.1.2. Vrijstellingen en ontheffingen inburgeringsvereiste
De IND werpt aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie altijd tegen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
6.7. Vereisten aanvraagprocedure
Voor het indienen van de aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling zijn overeenkomstig artikel 3.34, onder s, VV leges verschuldigd.
Een aanvraag is tijdig ingediend indien de vreemdeling binnen twee weken na inwerkingtreding van de Afsluitingsregeling een schriftelijke aanvraag heeft ingediend.
Ook aanvragen die niet middels dit aanvraagformulier zijn ingediend en waarin een beroep wordt gedaan op de afschaffing van de Definitieve Regeling dan wel de kamerbrief van 29 januari 2019, worden aangemerkt als aanvraag op grond van de Afsluitingsregeling.
8.2. Bijzondere voorwaarden na een (huwelijks)relatie
Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.
Tot 1 juli 2013 kon een vreemdeling zich wenden tot het ROC Amsterdam voor een advies op basis van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek. Adviezen die bij het ROC zijn aangevraagd vóór 1 juli 2013 zullen nog worden meegenomen door de IND bij de beoordeling van het verzoek om ontheffing.
8.1.2.2. Medische ontheffing
8.1.2.3. Onbillijkheid van overwegende aard (ook wel: hardheidsclausule)
8.5. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ verleend na verblijf in het kader van medische behandeling
De IND betrekt bij de beoordeling of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden onder meer (een combinatie van) de volgende aangevoerde aspecten:
8.6. Verblijf wegens bijzondere individuele omstandigheden na verblijf als familie- of gezinslid
8.7. Bijzondere voorwaarden na verblijf bij houder blauwe kaart
8.7. Bijzondere voorwaarden na verblijf bij houder blauwe kaart
14.2. Inmenging
14.3. Belangenafweging
16.6. Gezinsleden
20.1. Algemene bewijsmiddelen
17. Beschermde getuige in beschermingsprogramma van de Politie Landelijke Eenheid
21.1. Inleiding
Als de IND verblijfsrecht van de oud-Nederlander niet beëindigt, dan beëindigt de IND evenmin het verblijfsrecht van de afhankelijke gezinsleden als de afhankelijke gezinsleden niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet samenwonen met de oud- Nederlander.
20.2. Verblijfsspecifiek
21.3. Voorwaarden
De IND beschouwt een afschrift uit de BRP waaruit blijkt dat de vreemdeling is ingeschreven als ingezetene, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
21.3.2. De Surinaamse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf heeft voorafgaand aan 1 januari 2025 een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland gehad van tien jaar, zoals vastgelegd in de Burgemeestersverklaring, afgegeven door de gemeente Amsterdam
21. Tijdelijke regeling voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan langdurig in Nederland verblijvende Surinaamse vreemdelingen, die als gevolg van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege zijn kwijtgeraakt
21. Tijdelijke regeling voor de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan langdurig in Nederland verblijvende Surinaamse vreemdelingen, die als gevolg van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 de Nederlandse nationaliteit van rechtswege zijn kwijtgeraakt
21.6. Verlenging of intrekking
Als de Surinaamse vreemdeling bewijs heeft overgelegd dat hij een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland heeft gehad van tien jaar, dan geeft de gemeente Amsterdam een ondertekende Burgemeestersverklaring af. Namens de vreemdeling wordt deze ondertekende Burgemeestersverklaring samen met de andere bewijsmiddelen door het ASKV aan de IND gestuurd.
B10. EU-recht en Internationale Verdragen
21.3.1. De Surinaamse vreemdeling is voor 1975 Nederlander geweest en heeft het Nederlanderschap als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname in 1975 verloren
21.3.1. De Surinaamse vreemdeling is voor 1975 Nederlander geweest en heeft het Nederlanderschap als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname in 1975 verloren
21.3.2. De Surinaamse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf heeft voorafgaand aan 1 januari 2025 een minimale en aaneengesloten verblijfsduur in Nederland gehad van tien jaar, zoals vastgelegd in de Burgemeestersverklaring, afgegeven door de gemeente Amsterdam
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)