Wijzigingsgeschiedenis
Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
100 versions
· 2026-04-03
2026-04-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 1, 3, 3 y 107 más
2026-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 5, 3 y 297 más
2026-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 4, 3 y 365 más
2025-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 3, 16 y 376 más
2025-07-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 16, 16 y 367 más
2025-04-19
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 24, 5, 3 y 353 más
2025-04-04
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 3, 1 y 369 más
2025-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 1, 3 y 332 más
2025-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 1 y 366 más
2024-12-12
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 248 más
2024-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 1 y 361 más
2024-07-06
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 243 más
2024-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 3 y 183 más
2024-04-27
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 9, 9 y 43 más
2024-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 61 más
2024-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3
2023-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 2, 3, 4 y 348 más
2023-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 4, 3 y 354 más
2023-05-18
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 163 más
2023-04-22
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — art. 3
2023-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 121 más
2023-03-07
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 58 más
2023-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 17, 3 y 158 más
2022-12-23
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 3, 3 y 342 más
2022-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 3, 3 y 340 más
2022-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 17, 16 y 315 más
2022-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 3, 3 y 19 más
2022-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 16, 16 y 260 más
2021-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 213 más
2021-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 1, 3 y 79 más
2021-06-29
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 8, 8, 8 y 13 más
2021-06-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 2, 3 y 267 más
2021-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — art. 9
2021-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 19, 24 y 293 más
2020-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 17, 3 y 145 más
2020-09-29
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — art. 10
2020-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 2, 17 y 129 más
2020-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 1 y 252 más
2020-02-25
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 2, 4, 3 y 337 más
2020-02-06
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 1, 3 y 246 más
2020-02-05
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 19 más
2019-12-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 17, 2 y 150 más
2019-10-29
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 9 y 14 más
2019-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 257 más
2019-08-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 19, 5 y 258 más
2019-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 16 y 194 más
2019-05-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 17 y 107 más
2019-04-10
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 1, 3, 3 y 26 más
2019-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 4, 3 y 300 más
2019-03-14
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 1 y 27 más
2019-02-12
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 17, 3 y 86 más
2019-01-30
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 89 más
2019-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 3 y 267 más
2018-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 16, 16 y 252 más
2018-07-24
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 17, 3 y 262 más
2018-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 3, 2 y 81 más
2018-05-23
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 16, 17 y 246 más
2018-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 4 y 274 más
2018-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 17, 17 y 157 más
2017-11-30
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 24, 3, 3 y 222 más
2017-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 24, 5, 3 y 447 más
2017-09-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 71 más
2017-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 24, 5, 3 y 216 más
2017-06-03
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 1 y 237 más
2017-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 4 y 253 más
2017-02-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 24, 5, 3 y 212 más
2017-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 16, 16 y 240 más
2016-11-29
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 17, 16 y 224 más
2016-11-26
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 16, 16 y 214 más
2016-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 4, 3 y 198 más
2016-09-08
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 125 más
2016-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 17, 16 y 212 más
2016-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 4 y 232 más
2016-03-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 169 más
2016-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 16, 3 y 212 más
2015-12-05
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 83 más
2015-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 47 más
2015-07-20
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 17, 16, 17 y 183 más
2015-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 16, 3 y 204 más
2015-05-12
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 3 y 217 más
2015-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 4 y 197 más
2014-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 4, 3 y 201 más
2014-09-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 5, 3, 1 y 166 más
2014-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 16, 3 y 189 más
2014-06-28
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 17, 16 y 187 más
2014-06-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 13 más
2014-04-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 4 y 200 más
2014-03-29
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3, 3
2014-03-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 3 y 200 más
2014-01-23
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 4, 3, 4 y 192 más
2014-01-06
Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
2014-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 16, 16, 16 y 179 más
2013-10-10
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 5, 3, 3 y 154 más
2013-10-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 123 más
2013-09-20
Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
2013-07-13
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 29 más
2013-07-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 3, 3, 3 y 18 más
2013-06-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 2, 2, 4 y 188 más
Wijzigingen op 2013-06-01
@@ -1,14 +1,14 @@
# Vreemdelingencirculaire 2000 (B)
### 1. Regulier algemeen
### 1. De aanvraag Mvv
### B1. Regulier algemeen
### 1. Inleiding
### 1.1. Machtiging tot voorlopig verblijf
### 1.1.1. Achtergrond
### 1.1.2. Aanvraag en advies
### 2. Erkenning als referent
### 2.1. De erkenning als referent
### 1.1.3. Aanvraagprocedure
@@ -18,17 +18,17 @@
### A. Overgangsregeling
### B. Permanente regeling
In algemene termen geldt dat het moet gaan om een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel die het verblijf rechtmatig maakt. Hierbij is niet vereist dat de vreemdeling al gedurende drie maanden feitelijk in dat land verbleven heeft op het moment dat de aanvraag om een mvv wordt ingediend. Wel zal op het moment van indienen van de aanvraag, dan wel op het toetsmoment, sprake moeten zijn van nog ten minste drie maanden rechtmatig verblijf om te kunnen spreken van bestendig verblijf.
Van bestendig verblijf kan sprake zijn in de volgende gevallen:
### 2.2. Schorsen en intrekken van de erkenning als referent
Op grond van [artikel 2f, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2f) juncto [artikel 1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) kan de IND de erkenning als referent schorsen als sprake is van in ieder geval één van de volgende omstandigheden:
Een schorsing van de erkenning duurt drie maanden. De IND verlengt de schorsing steeds met drie maanden als advies van derden of de uitkomst van onderzoek door derden of het OM moet worden afgewacht om een besluit omtrent de erkenning als referent te kunnen nemen.
### 1.1.5. Afgifte machtiging tot voorlopig verblijf
### 1.1.6. Gedragslijn, indien uit het onderzoek blijkt dat de vreemdeling verblijf wil kiezen in een andere gemeente
### 1.1.7. Samenloop aanvraagprocedures
### 3. Aanvraagprocedures
### 3.1. Aanvraag tot erkenning als referent
### 1.1.8. MVV en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
@@ -36,12 +36,12 @@
### 1.1. Aanvraag en advies
### 1.2.2. Vrijstellingen op grond van het Vreemdelingenbesluit
### 3.2. TEV-procedure
### 3.2.1. Begin van de TEV-procedure
### 1.1. Aanvraag en advies
### 1.1. Aanvraag en advies
### 1.3.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.3.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
@@ -58,7 +58,7 @@
### 1.1.1. Aanvraagprocedure mvv
### 1.3.3. Beoordeling van individuele mvv-aanvragen via de verkorte mvv-procedure
### 3.2.2. Aanvraagprocedure mvv door de vreemdeling
### 1.3.3.1. Beslissing
@@ -68,7 +68,7 @@
### 1.3.4. Gezinshereniging
### 1.3.5. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 3.2.3. Aanvraagprocedure mvv door de referent in Nederland
### 2. De inwilliging van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
@@ -76,17327 +76,17465 @@
In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een mvv af te geven. De Visadienst stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt betrokkene uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de mvv. Betrokkene dient zijn document voor grensoverschrijding mee te brengen, zodat de mvv in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling dient binnen zes maanden na de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door de Visadienst te verschijnen voor de afgifte van de mvv (zie B1/1.2).
Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de Visadienst de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan betrokkene. Referent ontvangt een afschrift van de beschikking.
De toelatingsprocedure met betrekking tot studenten is bij uitstek een referentprocedure. Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland vraagt de hoger onderwijsinstelling in Nederland door middel van het daarvoor bestemde formulier om een advies in verband met het voornemen van de student om een mvv aan te vragen. Het formulier wordt door het hoofd van de IND vastgesteld.
De vreemdeling moet binnen drie maanden:
De vreemdeling of diens referent moet een nieuwe mvv-aanvraag indienen als:
De hoger onderwijsinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, naar de IND.
Indien naar aanleiding van het verzoek van de hoger onderwijsinstelling door de IND een positief advies is verstrekt en de verschuldigde leges zijn betaald, kan aan de vreemdeling in diens land van herkomst of bestendig verblijf door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging een mvv worden afgegeven. Het doen van een mvv-aanvraag zonder dat daar een verzoek om advies aan vooraf is gegaan ligt, gelet op het feit dat de toelatingsprocedure bij beoogd verblijf als student bij uitstek een referentprocedure is, niet in de rede. Vreemdelingen die zonder voorafgaand verzoek om advies een mvv-aanvraag voor verblijf als student willen indienen op een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland, worden er door de vertegenwoordiging op gewezen dat het de voorkeur verdient dat de hoger onderwijsinstelling bij wie verblijf voor studie wordt beoogd, ten behoeve van de vreemdeling een verzoek om advies inzake de afgifte van een mvv indient. Dat leidt slechts uitzondering wanneer over het verzoek om advies van de hoger onderwijsinstelling eerder negatief door de IND is geadviseerd. De verkorte procedure is niet van toepassing op deze aanvragen.
Indien een mvv-aanvraag wordt ingediend voor studie aan een hoger onderwijsinstelling die geen convenant heeft gesloten met de IND zal de mvv-aanvraag worden afgewezen.
De IND verleent de verblijfsvergunning ambtshalve door uitreiking van het verblijfsdocument aan de vreemdeling in persoon.
Ook als niet meer aan de vereiste voorwaarden wordt voldaan als gevolg van een verandering van het beleid in de periode tussen de aanvraag van de mvv en de afgifte van de verblijfsvergunning verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve aan de vreemdeling.
### 3.2.5.1. Uitzondering in geval van nareis
De IND merkt de datum van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel aan de in Nederland verblijvende referent van de vreemdeling aan als de startdatum van de nareistermijn van drie maanden. De IND beschouwt de aanvraag tot het verlenen van een (onverplichte) mvv die het familie- of gezinslid binnen drie maanden na het verlenen van de verblijfsvergunning asiel van de in Nederland verblijvende vreemdeling indient als een tijdig verzoek om nareis.
### 3.2.5.2. Geen ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2.1.2.1. Ingangsdatum eerste verblijfsaanvaarding
### 2.1.2.2. Ingangsdatum voortgezet verblijf
Een geval waarin bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst inmiddels niet langer garantie biedt voor duurzame inkomsten, wordt niet aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid die tot het alsnog weigeren van verblijf leidt. Dit is anders wanneer de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd en niet op andere wijze is gebleken van voldoende middelen van bestaan. De middelen van bestaan dienen in ieder geval zelfstandig verworven en voldoende hoog te zijn. Wanneer een nieuw verzoek of een nieuwe aanvraag op of na 1 april 2004 wordt ingediend, zal getoetst worden naar analogie van het overgangsrecht van [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116), ook al is dat artikel sinds die datum niet langer toepasbaar. Benadrukt wordt dat deze analoge toepassing enkel in het kader van deze overgangsregeling geldt.
In aanvulling op [artikel 3.57, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en op grond van artikel 3.57, tweede lid, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning met ingang van de dag, die in het mvv-aanvraagformulier is opgegeven als de dag waarop de vreemdeling Nederland zal inreizen, als deze datum binnen de geldigheidsduur van de afgegeven mvv valt.
Wanneer bijvoorbeeld in de eerdere procedure verblijf bij partner werd beoogd en de relatie blijkt inmiddels verbroken te zijn, zal niet worden overgegaan tot afgifte van de gevraagde mvv dan wel positieve advisering daaromtrent.
In bepaalde gevallen bestaan er wettelijke beletselen tegen het toepassen van deze overgangsregeling. Dit betreft de gevallen waarin een facultatieve inwilligingsgrond in het relevante besluitartikel zich daartegen verzet. Een voorbeeld hiervan is de vreemdeling die verblijf als au pair beoogt en die hangende de bezwaarfase in de eerdere procedure aantoonbaar aan alle geldende voorwaarden is gaan voldoen, maar hangende een nieuwe procedure 26 jaar is geworden. Vanwege de in [artikel 3.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) neergelegde absolute leeftijdsgrens van 26 jaar en de facultatieve formulering van het artikel, kan hiervan niet afgeweken worden.
### 3.3.1.1. De aanvraag
### 1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student
De IND beschouwt een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking als een aanvraag die niet is ingediend overeenkomstig de formele vereisten voor de indiening van een aanvraag.
De IND stelt de vreemdeling in de gelegenheid om aan de formele vereisten te voldoen.
### 1.1.4. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRvS 12 januari 2004
De ABRvS heeft in haar uitspraak van 12 januari 2004 (nr. 200306128/1) bepaald dat een advies omtrent afgifte van een mvv niet wordt aangemerkt als een besluit waartegen rechtsmiddelen openstaan. Naar aanleiding hiervan zijn de op dat moment aanhangige bezwaarzaken in dergelijke adviesprocedures niet-ontvankelijk verklaard. Dit nu, heeft aanleiding gevormd voor het instellen van een overgangsregeling voor de bezwaarschriften in adviesprocedures die naar aanleiding van genoemde uitspraak niet-ontvankelijk zijn verklaard.
### 2.1.2. Ingangsdatum
### 2.1.2.1. Ingangsdatum eerste verblijfsaanvaarding
### 2.1.2.2. Ingangsdatum voortgezet verblijf
Een geval waarin bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst inmiddels niet langer garantie biedt voor duurzame inkomsten, wordt niet aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid die tot het alsnog weigeren van verblijf leidt. Dit is anders wanneer de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd en niet op andere wijze is gebleken van voldoende middelen van bestaan. De middelen van bestaan dienen in ieder geval zelfstandig verworven en voldoende hoog te zijn. Wanneer een nieuw verzoek of een nieuwe aanvraag op of na 1 april 2004 wordt ingediend, zal getoetst worden naar analogie van het overgangsrecht van [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116), ook al is dat artikel sinds die datum niet langer toepasbaar. Benadrukt wordt dat deze analoge toepassing enkel in het kader van deze overgangsregeling geldt.
Wanneer uit nader bekend geworden gegevens blijkt dat op het toetsmoment of enig moment nadien bezwaren tegen het verblijf bestaan op grond van aspecten van openbare orde, vormt dit aanleiding om alsnog het verblijf te weigeren.
Wanneer bijvoorbeeld in de eerdere procedure verblijf bij partner werd beoogd en de relatie blijkt inmiddels verbroken te zijn, zal niet worden overgegaan tot afgifte van de gevraagde mvv dan wel positieve advisering daaromtrent.
In bepaalde gevallen bestaan er wettelijke beletselen tegen het toepassen van deze overgangsregeling. Dit betreft de gevallen waarin een facultatieve inwilligingsgrond in het relevante besluitartikel zich daartegen verzet. Een voorbeeld hiervan is de vreemdeling die verblijf als au pair beoogt en die hangende de bezwaarfase in de eerdere procedure aantoonbaar aan alle geldende voorwaarden is gaan voldoen, maar hangende een nieuwe procedure 26 jaar is geworden. Vanwege de in [artikel 3.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) neergelegde absolute leeftijdsgrens van 26 jaar en de facultatieve formulering van het artikel, kan hiervan niet afgeweken worden.
### 2.1.3. Geldigheidsduur
### 3.3.1.2. Vereisten voor de indiening van de aanvraag
### 1.3. Samenloop aanvraagprocedures
### 1.1.4. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRvS 12 januari 2004
De vreemdeling moet de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel indienen bij de politie van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.
De IND eist dat de vreemdeling bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 3.99, tweede lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.99) de verschuldigde leges per kas of per elektronische betaling ter plekke aan het IND-loket voldoet.
De IND merkt als wettelijke vertegenwoordiger, bedoeld in [artikel 23 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=23) juncto [artikel 3.99 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.99) aan:
### 1.5. Verkorte mvv-procedure
### 2.1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.1.7. Voorschriften
### 3.3.1.3. Herstel verzuim
Als de aanvraag niet voldoet aan de vereisten om deze in behandeling te kunnen nemen, dan geeft de IND de aanvrager op grond van [artikel 4:5, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) een termijn van twee weken na kennisgeving om dit verzuim te herstellen. De IND schort in dit geval de beslistermijn op met ingang van de dag waarop de IND de aanvrager in de gelegenheid heeft gesteld de aanvraag aan te vullen tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
In afwijking hiervan geeft de IND de aanvrager:
De IND geeft geen herstel verzuim als de IND van tevoren vaststelt dat de vreemdeling ook overigens niet voldoet aan één of meer voorwaarden van het beoogde verblijfsdoel.
De IND verlengt de in de kennisgeving genoemde termijn om de aanvraag aan te vullen als sprake is van bijzondere omstandigheden.
De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan slechts worden afgegeven na voorafgaande machtiging door de Visadienst van het Ministerie van BuZa, ondergebracht bij de IND. Deze machtiging is zes maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de Minister van BuZa om een mvv te verstrekken. Binnen die zes maanden moet de vreemdeling de machtiging in ontvangst hebben genomen. Indien de vreemdeling zich niet binnen zes maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Indien de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die zes maanden, heeft de vreemdeling vervolgens zes maanden de tijd om vanaf datum afgifte van de mvv naar Nederland te reizen.
De IND streeft ernaar om binnen een termijn van twee weken na ontvangst te beslissen op een door een erkende referent ingediende aanvraag met het oog op afgifte van een mvv of op een aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
De IND beslist niet binnen twee weken op voornoemde aanvragen als sprake is van één van de volgende gevallen:
Uit de systematiek van de wet volgt dat het ontbreken van een mvv geen betekenis heeft bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. In die gevallen waarin een vreemdeling eerst een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daarna tevens een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, wordt ten aanzien van de asielaanvraag het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Voor de reguliere aanvraag die hangende de asielprocedure wordt ingediend, wordt het mvv-vereiste evenwel onverkort gehandhaafd.
De IND verzendt geen beschikking in de volgende gevallen:
De houder van een geldige mvv dient zich binnen een termijn van drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de korpschef van de gemeente waar hij gaat verblijven (zie [artikel 4.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ ([bijlage 7j VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7j)) wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’. Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND (zie B1/9.4). Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake indien blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is voldaan. Daartoe worden in ieder geval gerekend situaties waarin de vreemdeling:
De vreemdeling kan alleen met een model M53 zijn aanvraag om een verblijfsvergunning intrekken als hij in bewaring is gesteld.
Uit de aard van de verkorte mvv-procedure volgt dat deze procedure uitsluitend is bedoeld voor verzoeken om advies waarbij criteria gelden die duidelijk en eenvoudig (en daardoor snel) te toetsen zijn. Daarom is de verkorte mvv-procedure alleen mogelijk voor verzoeken om advies in het kader van arbeid in loondienst (inclusief stage), (de voorbereiding op) studie (uitsluitend hoger onderwijs) en culturele uitwisseling. Uitzondering betreft het verzoek om advies, onder bepaalde voorwaarden, in het kader van gezinshereniging (zie B1/1.5.5).
Op grond van [artikel 3.102 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling niet vaststaan.
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.5.2.2. Geldigheidsduur
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
De IND verstrekt een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9).
Op de regel zijn de volgende uitzonderingen van toepassing:
Op grond van [artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) worden alleen onderwijsinstellingen die een convenant met de IND hebben afgesloten aangewezen als onderwijsinstelling als bedoeld in [artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Hiermee is de verkorte mvv-procedure voor verblijf voor studie in beginsel de standaard toelatingsprocedure.
In het convenant wordt uitdrukkelijk vermeld dat het convenant kan worden opgezegd indien niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden of als sprake is van oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik. Tevens wordt vermeld op welke wijze en op welke termijn kan worden opgezegd.
De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend aan de vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie B8).
Op grond van [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).
De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) in ieder geval toe bij een aanvraag voor een verblijfsvergunning van een vreemdeling:
De IND past de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) in ieder geval niet toe als de vreemdeling:
Het inlichtingenformulier dient vergezeld te gaan van de voor het verzoek om advies benodigde bijlagen, zoals vermeld in het desbetreffende inlichtingenformulier. Wanneer alle gegevens volledig en op de juiste wijze zijn verstrekt, wordt het verzoek om advies in deze verkorte procedure in behandeling genomen. Op dat moment wordt nagegaan of de personalia van de vreemdeling voorkomen in het (N)SIS en het OPS.
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.
De IND merkt een geldig paspoort dat door de Nederlandse autoriteiten wordt erkend, aan als geldig document voor grensoverschrijding. De IND merkt een blanco paspoort niet aan als een geldig document voor grensoverschrijding, omdat in dit geval voor afgifte geen deugdelijke toetsing heeft plaatsgevonden van de identiteit van de houder van het paspoort.
De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding als de vreemdeling behoort tot een van de volgende categorieën:
De IND wijst de aanvraag af op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als de vreemdeling niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en als enkele reden daarvoor aanvoert dat hij:
De IND wijst de aanvraag niet af wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding als ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend voor het volgende verblijfsdoel:
Nadat de vreemdeling in het bezit van een mvv Nederland is ingereisd, wordt de gangbare procedure gevolgd ter verkrijging van een verblijfsvergunning. De gegevens die bij het inlichtingenformulier zijn verstrekt, dienen bij de aanvraag om een verblijfsvergunning bij de IND wederom te worden verstrekt. Voorts dienen aldaar de originele documenten te worden overgelegd.
### 4.3.1. Inleiding
### 1.5.3.1. Beslissing
### 1.5.2.3. Beëindiging
### 4.3.2. Algemene beleidsregels
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) juncto [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) moet de vreemdeling op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop de IND op die aanvraag beslist, gelijktijdig voldoen aan alle drie de elementen van de middelen van bestaan:
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) junctis [artikelen 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en [3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) past de IND het normbedrag toe dat van toepassing is op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen tenzij het normbedrag ten tijde van het beoordelen van deze aanvraag gunstiger is voor de vreemdeling.
Bij de berekening van de hoogte van het totale inkomen telt de IND alle bestanddelen van het inkomen mee, voor zover die zelfstandig én duurzaam zijn.
### 1.5.3.1. Beslissing
### 1.5.3.1. Beslissing
Het normbedrag voor alleenstaande ouders zoals opgenomen in [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt niet bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft verkregen voor 31 juli 2010 op basis van het normbedrag voor alleenstaande ouders. In dit geval geldt in plaats van 90% van het wettelijk minimumloon de norm van 70% van het wettelijk minimumloon.
### 1.5.3.2. Onvolledig verzoek om advies
Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel.
In de navolgende paragrafen worden, in aanvulling op de [artikelen 3.73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73), [3.74](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en [3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en [3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19), per bron de beleidsregels genoemd die bij de beoordeling van de zelfstandigheid, duurzaamheid en voldoende hoogte van de middelen van bestaan van toepassing zijn.
Wanneer andere sectoren dan hiervoor onder b. genoemd worden aangewezen, zal dit per Wijzigingsbesluit Vc worden bekendgemaakt. Bij twijfel of een bepaalde functie binnen één van de genoemde categorieën valt, dient contact te worden opgenomen met de Afdeling Juridische Zaken van Arbeidsbureau Nederland.
De IND merkt toeslagen en vergoedingen verworven uit arbeid in loondienst als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van [artikel 3.73, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) aan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
De IND stelt gesubsidieerde arbeid in loondienst gelijk aan andere vormen van arbeid in loondienst.
Op grond van [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) beoordeelt de IND de middelen van bestaan uit arbeid in loondienst als duurzaam, wanneer de vreemdeling voor een periode van minder dan één jaar in Nederland wil verblijven en de middelen van bestaan gedurende deze periode beschikbaar zijn.
De IND merkt inkomsten uit arbeid voor een uitzendbureau aan als flexibele arbeid als bedoeld in [artikel 3.75, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75), tenzij uit de overgelegde bewijsmiddelen uitdrukkelijk anders blijkt.
De inkomsten uit arbeid in loondienst, bedoeld in [artikel 3.75, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75), mogen met andere zelfstandige en duurzame inkomsten worden samengevoegd (bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid als zelfstandige) om te voldoen aan het toepasselijke normbedrag.
De IND telt tijdvakken van werkloosheid mee bij de periode van drie jaar als bedoeld in [artikel 3.75, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) als tijdens deze periode zelfstandige inkomsten zijn verworven. In deze periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb mag het totaal van deze tijdvakken van werkloosheid niet meer dan 26 weken bedragen.
Als de vreemdeling tijdens de periode van drie jaar als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb een bepaalde periode een (aanvullende) uitkering uit de algemene middelen heeft ontvangen waarvoor geen premie is afgedragen, dan zijn de middelen in ieder geval niet duurzaam als bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb.
Als in een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, kan deze worden meegenomen bij de beoordeling of de middelen van bestaan duurzaam zijn.
De IND merkt onregelmatige inkomsten en loon in natura verworven uit arbeid in loondienst van de vreemdeling aan als duurzaam als deze inkomsten structureel zijn. Deze inkomsten zijn structureel als deze in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag of het moment van beschikken ten minste elf van de twaalf maanden zijn verworven. Het laagste verkregen maandelijkse bedrag wordt meegeteld bij de beoordeling of de vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Gelet op het uitgangspunt om van bedoelde bevoegdheid terughoudend gebruik te maken, gelet op mogelijke precedentwerking en in het belang van de noodzakelijke coördinatie is de hieronder vermelde werkwijze vastgesteld.
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Bij de beslissing op de aanvraag wordt overigens niet getreden buiten de toelatingsgronden van [artikel 13 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13).
De IND merkt inkomsten uit eigen vermogen van de vreemdeling op grond van [artikel 3.75, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) aan als duurzaam als deze op het moment van de aanvraag (of het beoordelen van de aanvraag) gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest en nog steeds beschikbaar zijn.
Ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) wordt de verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dat geldt zowel voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als voor onbepaalde tijd.
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.1. Beperking
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 2.1. Beperking
Onder gevaar voor de openbare orde verstaat de IND ook:
De IND beoordeelt per geval of hiervan sprake is.
Als een strafzaak wegens een misdrijf openstaat en de uitkomst hiervan voor het te nemen besluit noodzakelijk is, neemt de IND contact op met het OM. De IND verlengt de termijn voor het nemen van een besluit met maximaal zes maanden als het onderzoek niet is afgerond voor het verstrijken van de beslistermijn. Als de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid bedraagt de termijn waarmee de beslistermijn kan worden verlengd maximaal drie maanden.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af op grond van [artikel 3.77, eerste lid aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) als op het moment van de aanvraag of het moment van beslissen wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:
De hierboven genoemde termijnen vangen aan op de dag waarop:
Als de tenuitvoerlegging van de straf, vanwege een vonnis bij verstek, pas later heeft plaatsgevonden, vangt de termijn aan op de dag waarop de straf volledig ten uitvoer is gelegd.
In de volgende gevallen is de straf volledig ten uitvoer gelegd:
De IND past deze regels ook toe als sprake is van het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een straf, zoals bedoeld in artikel 3.77, derde lid, Vb.
De IND past de termijnen als hierboven beschreven niet toe in één van de volgende gevallen:
Van het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven is sprake als:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het bestaan van concrete aanwijzingen blijkt in ieder geval uit:
Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
Het is de vreemdeling niet toegestaan arbeid in Nederland te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning verband houdende met verblijf als au pair is verleend).
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af of verleent de IND niet ambtshalve een verblijfsvergunning als de vreemdeling:
De IND werpt het bovenstaande niet tegen bij de beoordeling van de voortzetting van het rechtmatig verblijf.
Als de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen ‘intentieverklaring tbc-onderzoek’ ondertekent, geeft de IND hem een termijn van twee weken om dat alsnog te doen. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling de intentieverklaring niet binnen de hiervoor gegeven termijn ondertekent. Als sprake is van een erkende referent neemt de IND genoegen met een eigen verklaring van de referent waarin deze verklaard dat de vreemdeling bereid is een tbc-onderzoek te ondergaan.
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
Op grond van [artikel 16, eerste lid, onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af al de vreemdeling niet voldoet aan de specifieke voorwaarden (de beperking) van het doel waarvoor hij wil verblijven.
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
Op basis van [artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a) ontheft de IND in ieder geval de vreemdeling van het behalen van het basisexamen inburgering als de vreemdeling aantoont dat sprake is van:
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.2.9. Onjuiste gegevens
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 4.8. Onjuiste gegevens
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [artikel 3.77, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77), wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tevens af als de vreemdeling:
Bij het slot van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) kan, afgezien van individuele gevallen, worden gedacht aan een tijdelijke regeling op grond waarvan aan bepaalde categorieën vreemdelingen gedurende een beperkte periode verblijf in Nederland wordt toegestaan. In een dergelijk geval wordt in het desbetreffende Wijzigingsbesluit [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) aangegeven of het verblijfsrecht tijdelijk of niet-tijdelijk van aard is.
Met inachtneming van [artikel 17a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17a) en [artikel 3.77, achtste en negende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 16, eerste lid, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) af als de vreemdeling sinds de laatste uitzetting of het laatste gecontroleerde vertrek geen ononderbroken periode van ten minste vijf jaren buiten Nederland heeft verbleven.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond van [artikel 16, eerste lid, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als een aan de vreemdeling opgelegd inreisverbod is opgeheven.
In [artikel 3.4, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) is opgenomen wanneer een beroep op de publieke middelen in ieder geval gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
De IND stelt de vreemdeling vooraf schriftelijk in kennis dat een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. De IND doet dit door een aantekening op te nemen op het verblijfsdocument of de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt toegekend.
De IND maakt bij de verlening van de verblijfsvergunning terughoudend gebruik van:
De IND vermeldt bij de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een andere beperking dan genoemd in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) of het verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Als de IND dit niet aangeeft, is het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard.
De beperking en de arbeidsmarktaantekening waaronder de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleent, zijn in de desbetreffende materiehoofdstukken nader uitgewerkt.
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) zijn dit tevens intrekkingsgronden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
De IND stelt de vreemdeling vooraf schriftelijk in kennis dat een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. De IND doet dit door een aantekening op te nemen op:
Zorg-, huur-, kinderopvang- en kindertoeslagen zoals die door de Belastingdienst worden uitgekeerd, worden niet beschouwd als een beroep op de publieke middelen in de zin van [artikel 3.4, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). De toekenning van een van voornoemde toeslagen heeft derhalve geen gevolgen voor het verblijfsrecht.
De aanvraag tot wijziging van de beperking is vereist in de volgende gevallen:
Als de aanvraag tot wijziging van de beperking wordt ingediend na de redelijke termijn van twee jaar, dan is het mvv-vereiste van toepassing (zie B1/6.1 Ad b voor een toelichting op de redelijke termijn).
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 5.4. Voorschriften
De vreemdeling voldoet aan het voorschrift van [artikel 3.7, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.7) als hij voor zijn verblijf een passagebiljet deponeert dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning.
Als de IND het voorschrift tot het deponeren van een waarborgsom, als bedoeld in [artikel 3.7, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.7), aan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verbindt, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van de factuur het op de factuur vermelde bedrag te voldoen. De IND geeft bij het in gebreke blijven van de vreemdeling, de vreemdeling één keer de gelegenheid (door middel van een aanmaning) om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen.
De IND verbindt geen voorschrift aan het verblijfsdocument dat is verleend op grond van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Teruggave van het passagebiljet geschiedt bij één van de visumloketten. Hiertoe zal de vreemdeling schriftelijk worden opgeroepen teneinde het passagebiljet in persoon in ontvangst te nemen. Bij de teruggave van het passagebiljet tekent de vreemdeling een ontvangstbewijs, ten bewijze van het feit dat het biljet aan hem is geretourneerd.
Op grond van de [artikelen 3.58](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) en [3.59 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59) verleent en verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tot het maximum dat op basis van deze artikelen mogelijk is, tenzij in de materiehoofdstukken is opgenomen dat de IND de betreffende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor een kortere geldigheidsduur verleent of verlengt.
### 6. Het verlengen en intrekken van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
De uitvoering van de vorenstaande regels geschiedt als volgt.
De IND toetst aan de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als sprake is van:
### 2.6. Voorschriften
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
Als de IND het Nederlanderschap intrekt op grond van [artikel 14 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), dan is sprake van de situatie als bedoeld in [artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid worden verbonden.
De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wanneer één van de in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde gronden zich voordoet.
### 6.2.1. Hoofdverblijf
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 3.3.2. Terugkeeroptie
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 6.2.2. Openbare orde en nationale veiligheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
Voor de toepassing van deze grond is het bepaalde in B1/4.4 van overeenkomstige toepassing.
De geregistreerde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
De IND kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens het niet voldoen aan [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), afwijzen, als de verblijfsvergunning is verleend in het kader van gezinsmigratie en de vreemdeling en/of de hoofdpersoon een beroep doet/doen op de algemene middelen.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) mogelijk is (zie de [artikelen 3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), [3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69) en [3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70)).
Op grond van artikel 19 Vw trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op de in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a en c tot en met i, Vw genoemde gronden. Voor de beleidsregels wordt verwezen naar hetgeen onder B1/6.2.1 en B1/6.2.2 is vermeld.
Het is immers niet de bedoeling de vreemdeling met een afhankelijk verblijfsrecht een sterker verblijfsrecht te geven dan het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, zolang de vreemdeling met het afhankelijke verblijfsrecht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
Ten aanzien van de toepassing van [artikel 3.67 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) wordt verwezen naar B1/3.1.
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 4.1. Mvv-vereiste
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 4.1. Mvv-vereiste
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 7.2. Het opschorten van de werking van het (afwijzende) besluit
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
De IND haalt de aantekening door als het bezwaar- of administratief beroepschrift ongegrond is verklaard. De ambtenaar die de doorhaling verricht dateert deze en voorziet deze van zijn paraaf.
Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)).
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.1. Mvv-vereiste
De IND merkt de volgende situaties in ieder geval aan als situaties die de uitzetting belemmeren:
Van misbruik van recht is uitsluitend sprake als het verzoek om een voorlopige voorziening geen enkel redelijk belang heeft en sprake is van indiening van het verzoek te kwader trouw.
Het mvv-vereiste wordt hierbij niet tegengeworpen.
In het geval van de getuige-aangever kan de verblijfsvergunning eerst worden verleend, indien het OM de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst acht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Ook in die situatie wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Er dient wel proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn.
In deze paragraaf is opgenomen welke bescheiden de IND beschouwt als bewijsmiddelen van de voorwaarden voor erkenning als referent en de algemene toelatingsvoorwaarden. In ieder materiehoofdstuk (B2 tot en met B12) is opgenomen welke bescheiden door de IND zijn aangemerkt als bewijsmiddelen van de verblijfsdoelspecifieke toelatingsvoorwaarden. Het is niet (in alle gevallen) uitgesloten dat ook met andere bescheiden kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan, mits van deze bescheiden dezelfde bewijskracht uitgaat.
### 4.1.1. Vrijstellingen
Uit de genoemde bewijsmiddelen moet volgen dat aan de voorwaarden wordt voldaan.
Ingevolge [artikel 3.71, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:
De IND baseert zich voor de legalisatie van buitenlandse bescheiden op de Circulaire inzake de legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, mede namens de Minister van BZK, de Minister van BuZa en de Minister voor I&A van 1 januari 2011 (verder de Circulaire).
De IND accepteert buitenlandse bescheiden in de regel alleen als deze zijn gelegaliseerd. Voor uitzonderingen op deze regel baseert de IND zich op de uitzonderingen zoals deze zijn genoemd in de Circulaire. Bij twijfel aan de inhoud laat de IND de bescheiden verifiëren.
Onderdeel c ziet op feitelijk in Nederland verblijvende afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie in Nederland.
### 4.1.2. Leges
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 8.2. Bewijsmiddelen aanvraag tot erkenning
### 8.2.1. Gegevens en bescheiden uit aangewezen administraties
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2.1. Herstel verzuim
### 8.2.2. Bewijsmiddelen erkenning als referent
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.2.3.3. Opschorting in verband met een onvolledige aanvraag
Als een uitzendbureau om erkenning als referent verzoekt, beschouwt de IND een bewijs van inschrijving in het Register normering arbeid als aanvullend bewijsmiddel dat de betrouwbaarheid van de referent voldoende is gewaarborgd.
Als een startende vestiging van een bedrijf dat onderdeel uitmaakt van een buitenlands bedrijf verzoekt om erkenning als referent, beschouwt de IND een verklaring van bekendheid van (een onderdeel van) de Netherlands Foreign Investment Agency (hierna: NFIA) als bewijsmiddel dat de continuïteit en solvabiliteit van de referent voldoende is gewaarborgd.
Als een technostarter verzoekt om erkenning als referent, beschouwt de IND een afschrift van de toekenning van een TechnoPartner label door Agentschap.NL als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de continuïteit en solvabiliteit van de referent voldoende is gewaarborgd.
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.4. Bevoegdheid
Indien een vreemdeling een beroep doet op een van de hierboven genoemde vrijstellingscategorieën dient hij aan te tonen dat hij behoort tot één van de vrijstellingscategorieën.
De vreemdeling dient, indien hij zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën, aanstonds aan te tonen dat hij behoort tot een vrijstellingscategorie. Dit dient direct aan het IND-loket te gebeuren. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) vermeld voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van de telefonische afspraak.
Op grond van [artikel 24a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24a) juncto [artikel 3.34l VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34l) vraagt de IND voor de beoordeling van de verblijfsaanvraag de volgende gegevens en bescheiden op bij de aangewezen administraties:
De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71)) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
### 4.5. Bekendmaking
### 8.3.3. Bewijsmiddelen TEV-procedure
De IND beschouwt officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft als bewijsmiddel van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als bedoeld in B1/3.2.1 en de periode van rechtmatig verblijf.
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) in samenhang met [artikel 3.71, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst:
Voor zover relevant beschouwt de IND ten aanzien van het arbeidsverleden als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid in loondienst:
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige:
De IND beschouwt als aanvullend bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit arbeid als zelfstandige:
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit (een) inkomensvervangende uitkering(en):
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit eigen vermogen de volgende bescheiden:
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan uit overige bronnen:
De IND beschouwt een geldig – door Nederland erkend- paspoort als bewijsmiddel dat de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt.
De IND beschouwt als bewijsmiddel dat niet over een geldig document voor grensoverschrijding kan worden beschikt door de vreemdeling, een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is waarin wordt gemotiveerd waarom de vreemdeling niet (meer) in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding.
Als de vreemdeling niet in het bezit is van een geldig paspoort en heeft aangetoond dat hij niet (meer) in het bezit kan worden gesteld van een geldig paspoort, beschouwt de IND aanvullende gegevens en bescheiden als bewijsmiddel waaruit zijn identiteit en nationaliteit moet blijken.
De IND beschouwt een ingevulde en ondertekende ‘intentieverklaring tbc-onderzoek’ als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling zich bereid verklaart een medisch onderzoek en eventuele behandeling van tbc te ondergaan.
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken of de vreemdeling van 12 jaar of ouder strafbare feiten heeft begaan:
### 4.3. Middelen van bestaan
De IND beschouwt een door de vreemdeling overgelegd gewaarmerkt afschrift van het buitenlandse strafvonnis als bewijsmiddel voor de toepassing van de glijdende schaal.
De IND beschouwt een op naam van de vreemdeling gestelde resultatenbrief van het Ministerie van BuZa met resultaat ‘geslaagd’ als bewijsmiddel dat het basisexamen inburgering met goed gevolg is afgelegd.
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.5.2.4. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 8.3.5. Bewijsmiddelen aanvraag verlenging verblijfsvergunning
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 8.3.6. Bewijsmiddelen aanvraag vervanging of vernieuwing document
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 8.4. Bewijsmiddelen
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 9. Handhaving
### 9.1. Bestuurlijke boete
### 9.1.1. Inleiding
### 4.7.6.2. Uitzonderingen: herhaalde aanvraag en niet tijdig bezwaar
### 4.3. Middelen van bestaan
### 9.1.2. Waarschuwing
### 4.7.6.5. Aantekening
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 9.1.3. Opleggen van een bestuurlijke boete
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.7.9. Beslistermijnen
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
De IND kan in geval van zeer ernstige schending of grove overtreding direct overgaan tot aangifte bij het OM. Van een zeer ernstige schending of grove overtreding is in ieder geval sprake als:
De IND doet geen aangifte van een strafbaar feit bij de officier van justitie of bij een van zijn hulpofficieren als de IND of een ander bestuursorgaan de referent of vreemdeling wegens dezelfde gedraging al een boete heeft opgelegd ([artikel 5:44 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:44)).
Ingevolge [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) moeten middelen van bestaan zelfstandig zijn.
Als sprake is van meerdere overtredingen van verschillende of dezelfde wettelijke verplichting(en), legt de IND een bestuurlijke boete op die bestaat uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen. De hoogte van de (totale) bestuurlijke boete is niet gemaximeerd. Als de referent bijvoorbeeld de administratieplicht voor vijf vreemdelingen heeft overtreden en de informatieplicht voor één vreemdeling, kan de IND hem een bestuurlijke boete opleggen die in totaal zes maal het maximale boetebedrag als bedoeld in [artikel 55a, eerste of derde lid Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55a) bedraagt.
De IND houdt bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete conform [artikel 5:46 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:46) rekening met:
Als sprake is van meerdere overtredingen van verschillende of dezelfde wettelijke verplichting(en), legt de IND een bestuurlijke boete op die bestaat uit de som van de per overtreding berekende boetebedragen. De hoogte van de (totale) bestuurlijke boete is niet gemaximeerd.
Om te kunnen vaststellen of er sprake is van legale arbeid wordt alleen in geval van twijfel geverifieerd bij de desbetreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan daar nagegaan worden wat de aard van het dienstverband is en of er premies voor de betreffende werknemer worden afgedragen. In bepaalde gevallen kan dit direct worden geverifieerd. Indien directe verificatie niet mogelijk is, is het volgende van toepassing. Indien blijkt dat de aard van het dienstverband, zoals die is aangemeld, anders is dan in de arbeidsovereenkomst staat vermeld, wordt aan die arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde toegekend. De te verwachten duur van de inkomsten komt dan niet overeen met de duur van de arbeidsovereenkomst. In dat geval is niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.
De IND legt een bestuurlijke boete op van maximaal 100 procent van het bedrag dat opgenomen is in [artikel 55a, eerste of derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55a), als sprake is van een overtreding van een wettelijke verplichting die als ernstig wordt aangemerkt. Als sprake is van een minder ernstige overtreding matigt de IND het boetebedrag tot 50 procent van de maximale bestuurlijke boete zoals opgenomen in artikel 55a, eerste of derde lid, Vw.
De IND beschouwt de volgende overtredingen van een wettelijke verplichting door de vreemdeling of referent in ieder geval als ernstig:
De IND beschouwt de volgende overtredingen van een wettelijke verplichting door de referent of de vreemdeling in ieder geval als minder ernstig:
De aanvraag wordt afgewezen wegens het niet zelfstandig beschikken over inkomsten uit arbeid in loondienst, indien de inkomsten zijn verkregen uit arbeid die niet wettelijk is toegestaan of geen premies sociale verzekeringen of geen belastingen worden afgedragen. Voor personeel in dienst van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid gelden hierop uitzonderingen (zie B12/2.2.2.1).
De IND legt geen bestuurlijke boete op als de overtreding van een wettelijke verplichting de referent of vreemdeling niet te verwijten is.
Een verminderde mate van verwijtbaarheid geeft aanleiding het boetebedrag dat overblijft nadat de IND de ernst van de overtreding heeft meegewogen, te matigen met 50 procent. Bijvoorbeeld, als een natuurlijk persoon een overtreding heeft begaan die de IND aanmerkt als een minder ernstige overtreding en hiernaast sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid, kan de IND een bestuurlijke boete opleggen die € 375 bedraagt. Dit bedrag is als volgt berekend. De maximale bestuurlijke boete van € 1500, die de IND conform [artikel 55a, eerste lid, Wv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55a), kan opleggen aan een natuurlijk persoon, is eerst verminderd met 50 procent omdat het een minder ernstige overtreding betreft. Vervolgens is het boetebedrag dat hierna overblijft, € 750, verminderd met 50 procent omdat sprake is van een verminderde mate van verwijtbaarheid.
Van een verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake als:
Indien er een verschil van mening tussen werkgever en werknemer bestaat over de duur van de arbeidsovereenkomst, kan deze tevens worden onderbouwd met een uitspraak van de kantonrechter (zie B1/4.3.2 onder ‘Bewijsmiddelen en Wet Flexibiliteit en Zekerheid’).
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 9.2.1. Kosten van uitzetting
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### B2. Uitwisseling
### 1. Inleiding
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 2. Beleidsregels
### 2.1. Algemeen
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.5. Medisch onderzoek
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 2.2. WHS/WHP
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### Beperking
### 5.4. Bijzondere rechtsmiddelen vrijheidsbeperking en ontneming
### Arbeidsmarktaantekening
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### Voorschift
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### Geldigheidsduur
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4. Bewijsmiddelen
### 4.1. Algemeen
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
Voor aanvragen ontvangen voor 31 juli 2010 is het volgende van belang. Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) anders voortvloeit, of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, gunstiger is.
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3. Whs/whp
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### B3. Studie
### 1. Inleiding
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 2. Beleidsregels
### 2.1. Hoger onderwijs
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 2.2. Middelbaar beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 2.3. Middelen van bestaan
In aanvulling op [artikel 3.22 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.22) en paragraaf B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73):
Op grond van [artikel 3.75, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en [artikel 3.22 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.22) beschouwt de IND middelen van bestaan als duurzaam als:
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard. Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, of de nationale veiligheid, en ongewenste politieke activiteit, worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf zijn derhalve geen algemene regels opgenomen met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in Nederland te weigeren of te beëindigen.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder l, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘Studie’.
### 4.7.2. Ontheffing
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.4.2. Procedurele aspecten
De aanvraag wordt afgewezen, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is niet noodzakelijk. Deze grond is niet afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft. Deze grond is nader uitgewerkt in [C4/3.11.3](onbekend). Voor het beleid ten aanzien van in Nederland verblijvende gezinsleden als bedoeld in [artikel 29, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) van een vreemdeling die zich heeft schuldig gemaakt aan bedoelde gedragingen zie [C4/3.11.4](onbekend).
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 5. Bewijsmiddelen
### 4.5. Medisch onderzoek
De IND beschouwt een verklaring van de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) of een verklaring van de bevoegde autoriteiten uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de opleiding niet in zijn land van herkomst of zijn land van bestendig verblijf kan volgen.
De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de opleiding van de vreemdeling van betekenis is voor de arbeidsmarkt van zijn land van herkomst.
De IND beschouwt een verklaring van de onderwijsinstelling als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat:
Buiten de gevallen genoemd in [artikel 3.77, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) kan op grond van [artikel 3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) de aanvraag slechts worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien naar het oordeel van de Minister zwaarwegende belangen daartoe nopen.
Bij toepassing van [artikel 3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) dient grote terughoudendheid te worden betracht. Toepassing vergt een volledige individuele afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde belangen.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor:
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2. Lerend werken
### 2.1. Beleidsregels
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 2.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.7.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2.3. Bewijsmiddelen
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
De IND beschouwt een bewijs van inschrijving aan een onderwijsinstelling voor hoger onderwijs als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling studeert.
### 4.5. Medisch onderzoek
In alle gevallen waarin een verblijfsvergunning (of in geval van een mvv een positief advies) zal worden afgegeven, worden, indien de laatste raadpleging meer dan drie maanden daarvoor heeft plaatsgevonden, de genoemde systemen opnieuw geraadpleegd.
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland, inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=3) en [5 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5) en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.
De IND neemt aan dat de vreemdeling die seizoenarbeid verricht zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van [artikel 3.74, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) juncto [artikel 3.19, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) als het UWV WERKbedrijf een TWV heeft verleend voor de te verrichten arbeid.
### 3.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 4.7. Inburgeringsvereiste
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder d, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.
### 4.7.2. Ontheffing
### 3.3. Bewijsmiddelen
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
### B5. Arbeid regulier
### 1. Inleiding
### 4.7.2. Ontheffing
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 3.31](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31), [3.31a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31a), [3.40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40), [3.89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89) en [3.91 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91).
Door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het formulier verklaart de vreemdeling zich bereid zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen alsmede zijn medewerking te verlenen aan behandeling van eventuele TBC. Indien de vreemdeling niet tot ondertekening is overgegaan wordt hem een termijn van twee weken gegund om dat alsnog te doen.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is gebleken bedoelde verklaring op het TBC-formulier te ondertekenen.
De bereidheid van de vreemdeling om een medisch onderzoek te ondergaan, zoals bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier. Nadat de vreemdeling voornoemde verklaring heeft ondertekend, kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
Op grond van [artikel 3.31, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die:
Het arbeidsverleden als hierboven bedoeld is niet onderbroken in geval van:
### 2.1.2. Arbeid op grond van een zetelovereenkomst
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 2.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 5.3.5. Middelen
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 4.9. Vertrektermijn
### 2.3. Bewijsmiddelen
De IND beschouwt een TWV die ten behoeve van de vreemdeling aan de referent is verleend als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
De IND beschouwt een toekenningsbeschikking van de uitkeringsinstantie op grond van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888) als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling:
### 4.9. Vertrektermijn
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
De IND beschouwt een verklaring van het Ministerie van BuZa als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling onder de werking valt van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland of onder de werking valt van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon.
### 3. Grensoverschrijdende dienstverlening
### 3.1. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘grensoverschrijdende dienstverlening’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
In deze paragraaf zijn algemene regels opgenomen over het basisexamen inburgering buitenland. Het basisexamen inburgering buitenland is van toepassing op aanvragen tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming met een hoofdpersoon die een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is of die Nederlander is, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) en de Vc in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) andersluidende bepalingen opgenomen.
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
### 4. Arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel
### 4.1. Beleidsregels
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
Het inburgeringsvereiste wordt niet tegengeworpen aan het gezinslid van de hoofdpersoon die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling behoort tot een in Nederland gelegerde of op doortocht zijnde krijgsmacht en verbonden is aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en niet geprivilegieerd is:
### 5. Intrekking
De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in als sprake is van verwijtbare werkloosheid. De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van verwijtbare werkloosheid in de zin van [artikel 3.91, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91) als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
### B6. Kennis en talent
Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de ontheffing. In geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de hierna beschreven procedure.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor de volgende verblijfsdoelen:
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), het [Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) en het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002):
Bij het model vragenformulier hoort het informatieblad voor de arts of deskundige ([artikel 3.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10)). Het informatieblad is onderdeel van het model vragenformulier en dient tevens door de arts of deskundige voor gezien te worden ondertekend. De verklaring wordt opgemaakt door het vragenformulier in te vullen. De arts of deskundige tekent zijn bevindingen aan op de verklaring en zendt de verklaring rechtstreeks naar de Minister via het hoofd van de post en stuurt een afschrift ervan aan de vreemdeling, dan wel geeft het afschrift aan de vreemdeling mee.
Verklaringen, opgemaakt anders dan conform dit model, worden niet geaccepteerd. Om de garantie te hebben dat het model inderdaad is ingevuld door een arts of deskundige, hecht deze een korte verklaring dienaangaande op zijn eigen brief- of receptpapier aan de ingevulde verklaring. De arts/deskundige voorziet het eigen brief- of receptpapier van zijn stempel en zijn paraaf. Voorts worden slechts geaccepteerd de verklaringen afkomstig van een door de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige ([artikel 3.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10)).
### 2.2. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 2.3. Arbeid als kennismigrant
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 5.3.5. Middelen
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 2.4. Wetenschappelijk onderzoek in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071)
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 2.5. Arbeid als zelfstandige
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
In aanvulling op [artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) beschouwt de IND de vreemdeling als zelfstandige die een directeur-(groot)aandeelhouder is als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
De IND verleent een verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) aan een vreemdeling die onderdaan is van de Verenigde Staten van Amerika of Japan op grond van de hierboven genoemde Verdragen als wordt voldaan aan de algemene verblijfsvoorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onder c, Vw, én de vreemdeling:
De IND verstaat onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ in ieder geval één van de volgende situaties:
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 2.6. Houder van een Europese blauwe kaart
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
In aanvulling op [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43) verleent de IND de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe functie als houder van een Europese blauwe kaart houder te vinden als de werkgever de arbeidsovereenkomst of de aanstelling van de vreemdeling voortijdig, dat wil zeggen tijdens de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, ontbindt.
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
De vreemdeling die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen, kan naar het oordeel van de Minister voor I&A worden ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen. Voor een medisch advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), door de Minister voor I&A aangewezen arts. In geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden kan ook een medisch advies worden overgelegd afkomstig van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
De medisch adviseur is een onafhankelijke arts – niet zijnde een behandelend arts van de vreemdeling – die is ingeschreven in het BIG-register (het conform de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘[Protocol Medische Advisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&bijlage=4)’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid, van de Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&artikel=2.4). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtstreeks naar de vreemdeling gestuurd. In het advies dienen de volgende gegevens ingevuld te zijn: persoonlijke gegevens van betrokkene, de naam van de medisch adviseur, onderzoeksactiviteiten, probleemanalyse, conclusie en advies. Medische adviezen opgemaakt anders dan conform het model zoals opgenomen in het ‘Protocol Medische Advisering’, of door een andere dan de door de Minister voor I&A of het college van B&W aangewezen arts (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden), dan wel onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de procedure om een verblijfsvergunning het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, wordt de vreemdeling niet ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Arbeid als kennismigrant’.
### 3.1.3. Wetenschappelijk onderzoek in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071)
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 3.1.4. Arbeid als zelfstandige
### 4.9. Vertrektermijn
### 3.1.5. Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 3.2. Arbeidsmarktaantekening
### 3.2.1. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 3.2.2. Arbeid als kennismigrant
### 7.1.4. Middelen van bestaan
Op grond van in [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
### 3.2.3. Wetenschappelijk onderzoek in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071)
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 3.2.4. Arbeid als zelfstandige
### 5.3.6. Openbare orde
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 3.2.5. Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart
### 4.9. Vertrektermijn en inreisverboden
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
Voor een betrokkene die niet verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) te volgen, geldt in het kader van ‘extra inspanning’ een zelfde maatstaf. Ook hier toont betrokkene aan dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van een cursus Nederlands zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven. De eis van ‘extra inspanning’ toont betrokkene aan door middel van bescheiden, afkomstig van de instelling waar het onderwijs of de cursus is gevolgd, bij het ROC van Amsterdam.
### 3.3.1. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst
### 5.3.6. Openbare orde
### 3.3.2. Arbeid als kennismigrant
### 10.7. Gelegaliseerde akten
### 3.3.3. Wetenschappelijk onderzoek in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071)
### 5.3.5. Middelen
### 3.3.4. Arbeid als zelfstandige
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 3.3.5. Houder van een Europese Blauwe Kaart
### 4.9. Vertrektermijn en inreisverboden
### 4. Bewijsmiddelen
### 4.1. Algemeen
### 4.2. Het zoeken naar en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 4.3. Arbeid als kennismigrant
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het opleidingsregister van de Medische Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen Registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is ingeschreven als arts of specialist in opleiding.
De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het BIG-register als bewijsmiddel dat de vreemdeling geregistreerd staat in het BIG-register.
Gelet op het bijzondere karakter van het driejarenbeleid worden de voordelen van dit beleid niet verstrekt, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt.
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
De termijn van drie jaar gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag om een verblijfsvergunning, het wijzigen daarvan of het verlengen van de geldigheidsduur, door middel van het formulier als bedoeld in [artikel 3.99 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.99). De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.6. Houder van een Europese blauwe kaart in de zin van [richtlijn 2009/50/EG](32009L0050)
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
De IND beschouwt als bewijsmiddel documenten waarin staat dat de vreemdeling voldoet aan de vereisten om een bepaald beroep uit te oefenen.
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 5. Verlenging
### 5.1. Arbeid als kennismigrant
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
Voor de verlenging van deze verblijfsvergunning gelden geen bijzondere voorwaarden.
Als de houder van de Europese blauwe kaart werkloos is op het moment dat de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend wijst de IND de aanvraag af op grond van [artikel 3.89b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b) en trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in op grond van [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b) als:
In aanvulling op het voorgaande wordt verwezen naar de [artikelen 3.84](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.84), [3.89b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b), [3,89c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89c), [3.91c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91c) en [3.91d Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91d) met daarin de gronden om de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet te verlengen of in te trekken in paragraaf B6/5.2 Vc.
Er wordt geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid neergelegd in [artikel 3.67, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) wanneer er sprake is van een aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de vergunning is verleend. Deze aanvragen worden immers beoordeeld op de voet van de regelgeving ten aanzien van aanvragen om verlening van een vergunning. De verlenging met een duur van vijf jaren is aan de orde wanneer reeds verblijf was toegestaan in het kader van hetzelfde verblijfsdoel gedurende minimaal een jaar. Wanneer het verblijfsdoel gewijzigd wordt, dient de vreemdeling eerst gedurende een periode van minimaal een jaar in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of een relatie, voordat verlenging met een duur van vijf jaren aan de orde kan zijn.
### 1. Inleiding
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 2. Algemene beleidsregels
### 2.1. Middelen van bestaan
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 2.1.1. Vrijstellingsgronden middelen van bestaan
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) aan als de referent:
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), in ieder geval niet aan als de referent een uitkering WIA ontvangt op grond van de regeling WGA.
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) aan als de referent:
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) aan als de referent geen uitkering op grond van de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) of [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) ontvangt en als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 2.1.2. Gezinsvorming en alimentatie
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 2.1.3. Familie- of gezinslid van houder verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 2.2. Referent met tijdelijk verblijfsrecht
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 3. Specifieke beleidsregels
### 3.1. Huwelijk en (geregistreerd) partnerschap
### 3.1.1. Duurzame en exclusieve relatie
### 7.1.5. Openbare orde
### 5.3.6. Openbare orde
In [artikel 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52) is opgenomen in welke gevallen de vreemdeling zijn verblijfsdocument dient in te leveren. Het ingenomen verblijfsdocument wordt door de vreemdelingenpolitie voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, gezonden naar het Bureau Documenten van de IND.
In afwijking van [artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) en [artikel 3.15, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleent de IND met toepassing van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) de verblijfsvergunning als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
Bovendien houdt de Minister rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst (zie [artikel 3.86, vijftiende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86)).
De IND neemt aan dat de vreemdeling en de referent samenwonen als bedoeld in [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) als zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:
Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, wordt de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd.
De IND neemt aan dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk tussen de vreemdeling en de referent is ontbonden.
### 3.2. Minderjarige kinderen
### 3.2.1. Gezinsband
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet worden ingetrokken op deze grond.
De IND neemt aan dat van rechtswege rechtmatig gezag hebben als bedoeld in [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14):
Dit geldt niet als er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij hen of haar berust.
### 7.1.7. Ziektekosten
### 3.2.3. Toestemming voor vertrek naar het buitenland van de andere met het gezag belaste ouder
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 3.2.4. Bereiken meerderjarigheid
### 5.3.6. Openbare orde
### 3.2.5. Meetellen gezinsinkomen
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
Ingevolge [artikel XIII bij het besluit van 24 juli 2010 tot wijziging van artikel 3.86 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027992&artikel=XIII) (Stb. 2010, 307, in werking getreden op 31 juli 2010) blijft het gewijzigde Besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van dit Besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld dan wel hem terzake van een zodanig misdrijf bij onherroepelijk strafbeschikking een taakstraf is opgelegd.
Als de referent met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of (geregistreerd) partnerschap is verbonden, verleent de IND op grond van [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) geen verblijfsvergunning aan het minderjarige biologische of juridische kind van de referent als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
Ingevolge artikel II bij het besluit van 26 maart 2012 tot wijziging van artikel 3.86 Vb 2000 (Stb. 2012, 158, in werking getreden op 1 juli 2012) blijft het gewijzigde Besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit Besluit niet kon worden beëindigd, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit Besluit wederom schuldig maakt aan een misdrijf en hiervoor onherroepelijk is veroordeeld.
De IND wijst de aanvraag van een in Nederland geboren kind als bedoeld in [artikel 3.23, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) niet af als het rechtmatig gezag van de ouders niet is aangetoond.
Daarmee wordt tot uiting gebracht dat naarmate de banden van de vreemdeling met Nederland sterker zijn, de inbreuk op de openbare orde ernstiger dient te zijn om voortzetting van verblijf te ontzeggen. Dit is het principe van de glijdende schaal. In bepaalde gevallen wordt het verblijf niet, of onder zwaardere voorwaarden, beëindigd.
### 3.4.1. Leeftijd van de referent
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 3.4.2. Alleenstaand
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 3.5. Gezinsleden van een verblijfsvergunninghouder medische behandeling
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 3.6. Buitenlandse adoptiekinderen en adoptiefkinderen
### 3.6.1. Mvv-vereiste
### 5.3.7. Niet voldoen aan de inburgeringsplicht
### 3.6.2. Buitenlandse adoptiekinderen
De IND maakt een onderscheid tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse adoptiefkinderen (zie paragraaf 3.6.5).
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een buitenlands adoptiekind aan [artikel 3.26, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
### 3.6.3. [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447)
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
De IND wijst de aanvraag af als bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding de identiteit van het buitenlandse adoptiekind niet op een andere manier is aangetoond.
### 3.6.4. Afwachten van het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
De IND wijst de aanvraag af als bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding de identiteit van het buitenlandse adoptiekind niet op een andere manier is aangetoond.
Verder verblijf wordt ontzegd, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling of een in Nederland verblijvend gezinslid als bedoeld in [artikel 29, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is niet noodzakelijk. Deze grond is niet afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft. Deze grond is nader uitgewerkt in [C4/3.11.3](onbekend). Voor een in Nederland verblijvend gezinslid dat op eigen gronden aanspraak maakt op vluchtelingenrechtelijke bescherming zie C2/6.3.
Een adoptiefkind is een juridisch kind als bedoeld in [artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14).
Onder buitenlands adoptiefkind wordt verstaan een niet Nederlands en in de zin van de Nederlandse wet minderjarig kind:
De IND beoordeelt de toelating van buitenlandse adoptiefkinderen aan de hand van [artikelen 3.13 t/m 3.22a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
Een inburgeringsplichtige heeft tijdig voldaan aan zijn inburgeringsplicht indien hij binnen de door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gestelde termijn (drie jaar) of de verlengde termijn, het inburgeringsexamen heeft behaald, dan wel daarvan door DUO wordt vrijgesteld of ontheven ([artikel 7 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)). Indien de inburgeringsplichtige vreemdeling verwijtbaar niet tijdig inburgert, zal DUO de IND hiervan op de hoogte stellen. De IND beziet vervolgens of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden afgewezen of dat de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken.
De IND beschouwt als buitenlandse pleegkinderen vreemdelingen die:
Op grond van [artikel 3.91e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91e) wordt niet op grond van [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) in samenhang met [artikel 18, eerste lid, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) ingetrokken, indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM.
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 3.7.2. Onaanvaardbare toekomst
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
### 3.7.3. Medische verklaring
De IND wijst de aanvraag af als uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind, genoemd in [artikel 3.28, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28), blijkt dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Als uit de medische verklaring blijkt dat het kind al op tbc is getest, hoeft het kind niet alsnog (hier te lande) een onderzoek naar tbc te ondergaan, voor zover dit onderzoek op grond van zijn nationaliteit vereist is.
### 3.7.4. Meetellen gezinsinkomen
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 3.8. Familie of gezinsleven als bedoeld in Artikel 8 EVRM
### 3.8.1. Familie- of gezinsleven
De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen:
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 3.8.2. Inmenging
De IND neemt inmenging in het familie- en gezinsleven aan, als de vreemdeling:
### 3.8.3. Belangenafweging
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 3.9. Gezinshereniging van verzorgende ouder met Nederlands minderjarig kind
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.5. Openbare orde
### 4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 4.1.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.1.6. Nationale veiligheid
Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) dan luidt op grond van [artikel 3.1, derde lid, onder l, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid niet toegestaan’.
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 5. Bewijsmiddelen
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 7.1.4. Middelen van bestaan
De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is gehuwd met de referent.
De IND beschouwt een akte van geregistreerd partnerschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een geregistreerd partnerschap is aangegaan met de referent.
### 9.1. De aanvraag
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 7.1.5. Openbare orde
### 7.1.5. Openbare orde
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 7.1.11.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een adoptiebeslissing is erkend één van de volgende bescheiden:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is opgenomen in het gezin van de aspirant-adoptiefouders in de periode dat de aspirant-adoptiefouders hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden, bescheiden waaruit het vorenstaande blijkt, bijvoorbeeld een afschrift uit de openbare registers uit het desbetreffende land.
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
De IND beschouwt, bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, als bewijsmiddel waarmee de identiteit van het buitenlandse adoptiekind op een andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond, bescheiden waaruit de identiteit van het kind blijkt, bijvoorbeeld een geboorteakte.
De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat sprake is van zodanige omstandigheden dat de vreemdeling niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd als bewijsmiddel dat de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.
De IND beschouwt bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie blijkt als bewijsmiddel dat de referent een bloed- of aanverwant is van de vreemdeling in de zin dat hij een grootouder, broer, zuster, oom of tante van de vreemdeling is.
De IND beschouwt een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de vreemdeling niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
De IND beschouwt bescheiden waaruit blijkt dat invulling wordt gegeven aan het gezinsleven tussen de vreemdeling en de referent als bewijsmiddel van de feitelijke invulling.
Mvv-vereiste voor de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart
De IND beschouwt gegevens en bescheiden waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen.
Minderjarige vreemdelingen zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Minderjarige vreemdelingen worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/7.1.11.3).
### 1. Inleiding
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op tijdelijke humanitaire gronden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende verblijfsdoelen:
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 3.46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46), [3.48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) en [3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49).
B1/4.7.2.1 ad f is van toepassing.
### 2.1. Beleidsregels
De IND verleent op grond van [artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een slachtoffer van eergerelateerd geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als uit het deskundigenadvies van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld voor de Nederlandse politie (LEC EGG) blijkt dat sprake is van een reële en langdurige dreiging van eergerelateerd geweld in Nederland. Het LEC EGG betrekt in haar advies in ieder geval de mogelijkheid om de dreiging af te wenden.
Naast dreiging in Nederland moet ook in het land van herkomst van het slachtoffer dreiging aanwezig zijn. Het slachtoffer moet in dit kader aannemelijk maken of:
De IND verstaat onder een voldoende ernstige uiting van eergerelateerd geweld in ieder geval:
De IND wijst de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning niet af wegens:
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten.
Uitsluitend bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
Naast dreiging in Nederland moet ook in het land van herkomst van het slachtoffer dreiging aanwezig zijn. Het slachtoffer moet in dit kader aannemelijk maken of:
De IND wijst de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning niet af wegens:
### 2.2. Verlenging en intrekking
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 2.3. Bewijsmiddelen
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.5. Openbare orde
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 3. Slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel
### 3.1. Beleidsregels
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Gedurende de bedenktijd wordt het vertrek van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland opgeschort.
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 8.2. Frauduleuze verkrijging
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7.2.4. Middelen van bestaan
### 3.2. Verlenging en intrekking
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.2.5. Openbare orde
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
De IND trekt de verblijfsvergunning van een getuige-aangever van mensenhandel in als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland niet langer noodzakelijk acht.
Voor de verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) is doorslaggevend dat het verblijfsrecht van de vreemdeling op het tijdstip van de aanvraag dan wel de beslissing niet-tijdelijk van aard is. Daarbij is niet van belang hoe lang dat verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is. Indien de vreemdeling in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, wordt de aanvraag niet op die grond afgewezen, indien het verblijfsrecht op het tijdstip van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)).
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 3.4. Afspraken ketenpartners
### 7.5. Openbare orde
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 9. Procedurele bepalingen
### 9.1. De aanvraag
### 7.2.4. Middelen van bestaan
De regiocoördinator is eindverantwoordelijk voor de opvang van het vermoedelijke slachtoffer. De regiocoördinator draagt er zorg voor dat het vermoedelijke slachtoffer in staat wordt gesteld zich medisch te laten onderzoeken en zich zo nodig te laten behandelen. Met het oog op de mogelijke latere afgifte van een verblijfsvergunning moet een tbc-onderzoek onderdeel uitmaken van dit medisch onderzoek.
De regiocoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. Als het noodzakelijk blijkt om voor het geven van juridisch advies gedurende de periode van de bedenktijd een rechtshulpverlener in te schakelen, ontvangt de rechtshulpverlener hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
Ingevolge artikel 21a, tweede lid, Vb kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van de vreemdeling die in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst en inmiddels achttien jaar is geworden slechts in een beperkt aantal gevallen worden afgewezen (zie B1/7.2.3).
In die gevallen waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden afgewezen op basis van [artikel 3.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) en [3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93), dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden ingetrokken op basis van [artikel 3.95 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95), wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt, tenzij dat in strijd zou komen met internationale verplichtingen.
De IND kan de aanvraag voor een verblijfsvergunning van een vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken afwijzen als de vreemdeling:
De IND verleent op grond van [artikel 3.48, tweede lid, aanhef onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48), een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die zonder resultaat heeft geprobeerd uit Nederland te vertrekken, als de vreemdeling aan alle volgende voorwaarden voldoet:
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.4. Middelen van bestaan
### 4.2. Bewijsmiddelen
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 5. Verblijfsvergunning voor remigratie op grond van artikel 8 Remigratiewet
### 5.1. Beleidsregels
### 9. Procedurele bepalingen
### 9. Procedurele bepalingen
### 5.2. Verlenging
Als de vreemdeling een aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indient na het verlopen van de geldigheidsduur van zes maanden, wijst de IND de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsgunning regulier voor bepaalde tijd af, tenzij de remigrant van de overschrijding van de termijn van zes maanden redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
### 5.3. Bewijsmiddelen
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 6. Amv die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken
### 6.1. Beleidsregels
Op grond van [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het specifieke buitenschuldbeleid aan een amv als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
De IND verleent de verblijfsvergunning niet aan de minderjarige vreemdeling in één van de volgende gevallen:
De IND beschouwt een minderjarige vreemdeling als alleenstaand, als zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn en niet zijn gehuwd.
De IND beschouwt minderjarige gehuwden als juridisch meerderjarig. Hierbij moet wel sprake zijn van een huwelijk dat naar regels van het Nederlands internationaal privaatrecht wordt erkend.
De IND beoordeelt de minderjarigheid naar Nederlands recht op grond van [artikel 1:233 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233).
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 6.2. Vertrek kan buiten de schuld van de amv niet worden gerealiseerd binnen de maximale termijn van drie jaar na laatste verblijfsaanvraag
### 6.2.1. Vertrek kan buiten de schuld van de minderjarige vreemdeling niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na laatste verblijfsaanvraag (ambtshalve verlening zonder nader onderzoek)
### 9.1. De aanvraag
### 6.2.2. Vertrek kan buiten de schuld van de amv niet worden gerealiseerd binnen drie jaar na laatste verblijfsaanvraag (verlening na nader onderzoek)
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 6.3. Verlening en intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s kan op elk moment na indiending van de (laatste) verblijfsaanvraag verleend worden, vanaf het moment dat aan de voorwaarden wordt voldaan.
De IND verleent geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling die tijdens de verblijfsprocedure een onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land frustreert.
De (maximum) termijn van drie jaar begint opnieuw na indiening van een nieuwe verblijfsaanvraag. Het rechtmatig verblijf gedurende opvolgende verblijfsaanvragen wordt niet meegerekend.
Op grond van [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) juncto [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) beziet de IND de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s op intrekking als:
### 6.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 7. Overgangsrecht
### 7.1. Overgangsrecht naar aanleiding van wijziging beleid voor amv’s per 1 juni 2013
### 7.1.1. Algemeen
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 7.1.2. Lopende procedures
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 7.1.3. Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ of ‘voortgezet verblijf’
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 8. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex artikel 17 RWN
### 8.1. Beleidsregels
De IND verleent op grond van [artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die in afwachting is van een verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) als de vreemdeling:
### 8.2. Verlenging
### 9.7.3. Beslistermijn
Als de aanvraag op grond van het openbare orde criterium wordt afgewezen, wordt de vreemdeling niet uitgezet als op het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) niet is beslist.
Indien de vreemdeling zich in een cel van de KMar of een uitzetcentrum bevindt, neemt de KMar de aanvraag in ontvangst en zendt haar onverwijld door naar de IND. De terzake relevante gegevens en bescheiden worden met de aanvraag meegezonden. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van het model M56. De IND beslist onverwijld op de aanvraag en stelt de KMar onverwijld in kennis van de inhoud van de beslissing.
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.7.3. Beslistermijn
### 8.4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9. Medische behandeling
### 9.1. Beleidsregels
### 9.1.1. Algemene voorwaarden
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.6.3. Aantekening
### 9.1.2. Meest aangewezen land
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6. Leges
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.1.3. Medische noodsituatie
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.1.4. Noodzakelijke medische behandeling
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.1.5. Deugdelijke financiering van de medische behandeling
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.1.6. Medisch advies
### 9.6. Leges
De IND wijst de aanvraag van de vreemdeling af zonder advies aan het BMA te vragen als de vreemdeling:
De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aantoont (zie ook B1/4.2).
De circulaire inzake ‘de Legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen’ van 12 januari 2000, laatstelijk gewijzigd op 15 mei 2006, houdt onder meer in dat houders van een verblijfsvergunning asiel of van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die is verleend met vrijstelling van het paspoortvereiste, zijn vrijgesteld van het legalisatievereiste. In aanvulling daarop geldt het volgende.
De IND betrekt omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen niet bij de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor medische behandeling of voor toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
De IND verstaat onder feitelijke toegankelijkheid de bereikbaarheid van een medische behandeling voor een individu waarbij niet-medische factoren, zoals onder meer politieke, discriminatoire, veiligheids-, geografische, economische, infrastructurele en inkomensaspecten, een rol spelen.
In daarvoor in aanmerking komende gevallen vindt DNA-onderzoek plaats om een gestelde afstammingsrelatie vast te stellen, een en ander overeenkomstig B2/8.5 en B2/8.6 (toepassing DNA-onderzoek).
De IND beoordeelt ambtshalve bij afwijzing van een aanvraag voor medische behandeling of de uitzetting van de vreemdeling op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) achterwege moet blijven (zie ook [A3/7](onbekend)).
De IND past [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe in de volgende gevallen:
De IND past [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) toe voor de duur van het reisbeletsel met maximaal een jaar.
De IND heeft negen loketten verspreid over het hele land (zie B1/9.1.1). Op de website van de IND is te vernemen in welke plaats de vreemdeling zich bij een IND-loket kan melden. Alvorens de aanvraag in persoon te kunnen indienen zal de vreemdeling daartoe eerst telefonisch (0900 - 1234561) een afspraak dienen te maken.
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
De analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) eindigt in deze gevallen van rechtswege als de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling afwijst.
### 9.2. Overgangsrecht
De IND hanteert sinds de inwerkingtreding van WBV 2010/10 op 1 juli 2010 de volgende overgangsregeling:
De IND-ambtenaar verstrekt de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan de vreemdeling ten bewijze van het feit dat de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend. De sticker wordt afgegeven voor een duur die één maand korter is dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, met in beginsel een maximumduur van zes maanden.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid onder o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘medische behandeling’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, onder l, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘arbeid niet toegestaan’.
### 9.6. Leges
Voor het familielid van de onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland dat zelf niet ook afkomstig is uit één van deze lidstaten (met andere woorden het familielid-derdelander van de unieburger) plaatst de IND-ambtenaar de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdaan’ in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of voorziet het reisdocument van een zogeheten inlegvel. De sticker of het inlegvel bevat naast de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf, tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt.
De IND beschouwt een daartoe strekkende medische verklaring als bewijsmiddel van de bijzonderheid van het specialisme als bedoeld in B8/9.1.2 onder situatie 1.
De IND beschouwt objectieve bescheiden als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2, onder situatie 2. Ook moet uit deze of andere bescheiden het moment van aanvang van medische behandeling blijken. De IND beschouwt getuigenverklaringen niet als bewijsmiddel van het verblijf in Nederland als bedoeld in B8/9.1.2, onder situatie 2.
### 9.6. Leges
### 10.6.3. Aantekening
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### B9. Humanitair niet-tijdelijk
### 1. Inleiding
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 2. Oud-Nederlanders
### 2.1. Buiten Nederland geboren oud-Nederlanders
### 9.6. Leges
### 2.2. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, d en f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 2.2.1. Algemene verblijfsvoorwaarden
### 9.6.1. Procedure leges
### 2.2.2. Bijzondere voorwaarden oud-Nederlanders door intrekking ([artikel 15, eerste lid, onder d en f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 2.2.3. Bijzondere voorwaarden oud-Nederlanders door het afleggen van een verklaring van afstand ([artikel 15, eerste lid, onder b, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 9.6.1. Procedure leges
### 3. Terugkeeroptie op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8)
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 4. Terugkeeroptie (minderjarige vreemdelingen)
### 9.6.1. Procedure leges
### 5. Langdurig verblijvende kinderen
### 5.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
En als de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend als een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.
Als de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment ten minste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in B1/6.2.1 (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.
### 9.6. Leges
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 5.2. Contra-indicaties
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 10.7. Horen
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 5.3. Overige vereisten
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 6. Verblijfsvergunning na eerder verblijf als minderjarige vreemdeling in het kader van verblijf als familie- of gezinslid
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 7. Verblijfsvergunning na verblijf als familie- of gezinslid
Indien gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier, zijn ter afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd, zodat dan slechts ter afdoening van de aanvraag voor het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd leges zijn verschuldigd.
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND de verblijfsvergunning als:
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 7.2. Bijzondere voorwaarden na een (huwelijks)relatie
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND de verblijfsvergunning uitsluitend als de vreemdeling naast de in B9/7.1 genoemde voorwaarden ook voldoet aan alle volgende voorwaarden:
### 10. Rechtsmiddelen
### 7.3. Bijzondere voorwaarden na verruimde gezinshereniging
### 9.7.3. Beslistermijn
### 7.4. Verblijfsvergunning na overlijden van de referent
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 7.5. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ verleend na verblijf in het kader van medische behandeling
### 9.7.3. Beslistermijn
### 8. Na verblijf in het kader van medische behandeling
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9. Bijzondere individuele omstandigheden
### 2.4. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 10. Privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM
### 10.1. Privéleven
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 10.2. Inmenging
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 10.3. Belangenafweging
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 11. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.3. Beslistermijn
### 12. Verlenging en intrekking
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.7. Horen
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 13. Bewijsmiddelen
### 13.1. Algemeen
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.10.3. Bericht politie
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.11. Hoger beroep
### 13.2. Verblijfsspecifiek
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.11. Hoger beroep
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### B10. EU-recht en Internationale Verdragen
### 1. Inleiding
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 2. Het recht van de Europese Unie
### 2.1. Inleiding
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10. Rechtsmiddelen
### 2.2. Beleidsregels
### 2.4. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 10.2. Termijn indienen bezwaar en (administratief) beroep
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.10.3. Bericht politie
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10.6.3. Aantekening
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 2.3. Ontzegging of beëindiging rechtmatig verblijf
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.7. Horen
### 10.2. Termijn indienen bezwaar en (administratief) beroep
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 2.4. Bewijsmiddelen
Tenzij anders is bepaald in [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002), of [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), geldt binnen het EU-recht de vrije bewijsleer. Vrije bewijsleer wil zeggen dat de IND de bewijsmiddelen niet beperkt.
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 3. Internationale Verdragen
### 3.1. Inleiding
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10. Rechtsmiddelen
### 3.2. Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
### 10.7. Horen
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 2.8. Inschrijving in de GBA
### 10.9. Beslistermijnen
### 3.3. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 4. Associatieovereenkomst EG – Turkije, aanvullend protocol EG – Turkije en Besluit 1/80
### 4.1. Inleiding
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 3.5. Procedure
### 4.2. Beleidsregels
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 4. Relatie
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.9. Beslistermijnen
### 4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening, voorschrift en geldigheidsduur
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.6.3. Aantekening
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10.10.2. Geen opschorting
### 5.2. Familierechtelijke relatie
### 10.10.3. Bericht politie
### 4.4. Ontzegging of beëindiging rechtmatig verblijf
### 10.11. Hoger beroep
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 4.8. Polygamie
### 4.9. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 10.7. Horen
### 1. Algemeen
### 4.5. Bewijsmiddelen
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.9. Beslistermijnen
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### B11. Bijzonder verblijf
### 1. Inleiding
### 10.10.3. Bericht politie
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
Ingevolge [artikel 7:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:11) vindt, voorzover het bezwaar ontvankelijk is, een heroverweging plaats op grondslag van het bezwaar. Daaruit vloeien blijkens de Memorie van Toelichting op de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) twee gevolgen voort.
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 3.1. Algemeen
### 10.10.2. Geen opschorting
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 10.10.3. Bericht politie
### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 10.11. Hoger beroep
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 4. Bewijsmiddelen
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### B12. De verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd
### 1. Inleiding
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 1.1. Inleiding
### 2. Algemene beleidsregels
### 2.1. Inburgeringsvereiste
### 10.10.3. Bericht politie
Verder uitstel dan met zes weken (bezwaar) respectievelijk tien weken (administratief beroep) kan uitsluitend voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, of als dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften ([zie artikel 7:10, vierde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) en [artikel 7:24, zesde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:24)). Hiervan moet wel schriftelijk mededeling worden gedaan aan (de gemachtigde van) de vreemdeling.
### 10.11. Hoger beroep
### 2.1.2. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
De IND maakt in ieder geval geen gebruik van de in [artikel 3.96a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) gegeven bevoegdheid als de vreemdeling stelt dat hij:
### 3. Specifieke beleidsregels status langdurig ingezetene
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 3.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 3.2. De aard van het verblijfsrecht
### 1.1. Inleiding
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 3.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 3.4. Middelen van bestaan
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 3.5. Openbare orde of nationale veiligheid
### 10.10.2. Geen opschorting
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 3.6. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 4. Specifieke beleidsregels nationale verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 4.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.2. Middelen van bestaan
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 4.3. Openbare orde of nationale veiligheid
### 2.9. Openbare orde beleid
### 4.4. Bijzondere categorieën verblijfsvergunning onbepaalde tijd op nationale gronden
### 4.4.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, d en f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 4.4.1.1. Algemene beleidsregels
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
De vreemdeling:
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 4.4.1.2. Specifieke beleidsregels oud-Nederlanders door intrekking
### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Voorts laat artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om ter zake van gezinsvorming een minimumleeftijd te stellen, die maximaal 21 jaar bedraagt, voor zowel de echtgenote als de gezinshereniger. Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt bij de [artikelen 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) en [3.15, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) (zie ook B2/2.5 en B2/4.7).
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.4.2. Terugkeer op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8)
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 4.4.3. Terugkeeroptie
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 4.4.4. (Ex) geprivilegieerde en diens afhankelijke gezinsleden
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 5. Intrekking verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd
### 2.4. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 2.4. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 2.5. Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 7. Bewijsmiddelen
### 4.3. Verwantschap
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 2.6. Polygamie
### 4.5. Gelegaliseerde akten
Als het afhankelijke gezinslid van de ex-geprivilegieerde niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, dan beschouwt de IND een verklaring van de ex-geprivilegieerde waaruit blijkt dat het afhankelijke gezinslid kan beschikken over het inkomen als bewijsmiddel dat het afhankelijke gezinslid zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ingevolge [artikel 3.14, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) wordt de verblijfsvergunning op grond van een huwelijk verleend indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig is.
### 2.8. Inschrijving in de GBA
### 2.9. Openbare orde beleid
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
### 4.7. Leeftijd van beide partners
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 4.8. Polygamie
### 2.10. Middelen
### 2.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 2.4. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.9. Middelen
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 3.1. Algemeen
### 2.5. Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 2.6. Polygamie
### 3.5. Procedure
### 3.6. Stuiting door het OM
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 3.6. Stuiting door het OM
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 4. Relatie
Alleen in die gevallen waarin de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wwb geniet en het voor de hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, wordt ontheffing van het middelenvereiste verleend.
### 4.2. Duurzame en exclusieve relatie
### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.12. Garantverklaring
### 4. Relatie
### 4.3. Verwantschap
### 2.9. Middelen
### 4.4. Ongehuwde burgerlijke staat
### 5. Minderjarige kinderen
### 4.5. Gelegaliseerde akten
### 2.10. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
### 4.4. Ongehuwde burgerlijke staat
### 4.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 3.1. Algemeen
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 4.8. Polygamie
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 4.8. Polygamie
### 4.9. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 5.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
### 4.10. Openbare orde beleid
Met het oog op de invoering van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) wordt bij de berekening van de termijn van vijf jaar tevens meegeteld de periode waarin de hoofdpersoon op grond van [artikel 107 Abw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=107) volledig was vrijgesteld van de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (de zogenaamde ‘sollicitatieplicht’).
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 5.4.1. Minderjarige kinderen/verruimde gezinshereniging
### 3.4. Het model M46
### 5.5. Minderjarigheid
### 4.11. Middelen
### 5.5.2. Bepaling van de geboortedatum
### 2.10. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 4.11.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 3.1. Algemeen
### 3.5. Procedure
### 5.9. Openbare orde beleid
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 4.12. Garantverklaring
### 4.11.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 4.12. Garantverklaring
### 4.13. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.10. Middelen
Een negatief advies dient te worden gemotiveerd en te worden vergezeld van een ingevulde vragenlijst met eventuele waarnemingen van de Korpschef die kunnen duiden op een schijnhuwelijk of -partnerschap. Alleen een gemotiveerd negatief advies kan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken ondersteunen bij zijn beslissing om niet mee te werken aan het voltrekken van een huwelijk of de registratie van een partnerschap dan wel de registratie van een buiten Nederland gesloten huwelijk of partnerschap in de onder hem berustende registers.
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 5.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Indien een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt gestuit, wordt de vreemdelingenpolitie door tussenkomst van de IND via deel C: terugmeldformulier hierover geïnformeerd.
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
Vervolgens zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken het volledig ingevulde model M46-A (waarop zowel de gegevens betreffende de gemeente alsmede gegevens van de (aanstaande) echtgenoten/geregistreerde partners zijn ingevuld) tezamen met het model M46-B naar de IND ter invulling van onderdeel II.
### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 5.2. Familierechtelijke relatie
### 4.2. Wettelijke beletselen
### 3.5. Procedure
### 4.3. Ongehuwde burgerlijke staat
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
Na ontvangst van het aanvraagformulier ontvangt de onderwijsinstelling namens de vreemdeling een ontvangstbevestiging van de IND. Deze ontvangstbevestiging geldt voor de vreemdeling als een bewijs van rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9). Indien de vreemdeling gedurende de behandeltijd van de aanvraag toch een verblijfssticker nodig heeft kan hij hiertoe een afspraak maken via de afsprakenlijn van de IND. Op vertoon van de ontvangstbevestiging ontvangt de vreemdeling, op voorwaarde dat de leges zijn voldaan, een verblijfssticker in het paspoort.
De beleidsregels zijn een nadere invulling of een uitwerking van de [artikelen 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) en [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51).
De IND roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument.
Voor zover in de onderhavige paragraaf niet anders is bepaald, is het bepaalde in hoofdstuk B1 onverkort van toepassing.
De IND neemt aan dat in ieder geval sprake is van bijzondere banden met Nederland als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
De IND zendt de vreemdeling drie maanden vóór de expiratie van de verblijfsvergunning een aanvraagformulier toe, waarmee de vreemdeling kan verzoeken om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Met nadruk zij vermeld dat het voorgaande niet af doet aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor de tijdige indiening van de aanvraag. Bij een niet-tijdige indiening van de verlengingsaanvraag komt dan ook geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling onverhoopt niet door de IND is gewezen op het feit dat zijn vergunning afloopt.
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als:
Het aanvraagformulier tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bescheiden rechtstreeks aan de IND verzonden (zie [artikelen 3.33 b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b) en [3.33 c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33c)).
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling in aanvulling op de in B9/2.2.1 genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
Als bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.
Als een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.
Als de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.
De IND wijst de aanvraag om verlening van de verblijfsvergunning niet af wegens:
Daarbij wordt gedacht aan gevallen waarin de wijziging zinloos zou zijn als niet tevens tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zou worden overgegaan, met name aan het einde van de looptijd van de vergunning. In die gevallen wordt een cumulatieve legesheffing ter afdoening van twee aanvragen die met hetzelfde verband houden, namelijk voortzetting van het verblijf, maar voor een gewijzigd doel, onwenselijk geacht.
De IND verleent de verblijfsvergunning, als bedoeld in [artikel 3.50, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) ook aan de vreemdeling die:
Tevens kan worden gedacht aan bijvoorbeeld studenten, die wijziging vragen van ‘de voorbereiding op studie’ in ‘het volgen van studie’ of in ‘arbeid in loondienst’, voor verblijf in het kader van gezinsvorming of ‘voortgezet verblijf’.
In aanvulling op [artikel 3.51, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart een verblijfsvergunning als:
De IND verlangt niet dat de vreemdeling gedurende de acht jaren als bedoeld [artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) ononderbroken was ingeschreven in de GBA of rechtmatig in Nederland verbleef.
De IND ontheft de vreemdeling op grond van [artikel 3.80a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) van het inburgeringsvereiste als deze aantoont vanwege zijn psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap niet in staat te zijn om binnen vijf jaren het inburgeringsexamen te behalen.
Op grond van [artikel 3.80a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) past de IND in ieder geval de hardheidsclausule toe als:
De IND gaat bij de beoordeling van deze ontheffingsgrond in beginsel uit van een door de vreemdeling overgelegde verklaring met een advies (naar aanleiding van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek) van het ROC Amsterdam.
De vreemdeling die in aanmerking wil komen voor deze ontheffingsgrond moet dit haalbaarheidsonderzoek zelf aanvragen bij het ROC Amsterdam en de kosten voor dit haalbaarheidsonderzoek betalen.
De IND neemt het ROC-advies niet over als:
De IND maakt in ieder geval geen gebruik van de bevoegdheid om de hardheidsclausule toe te passen op grond van [artikel 3.80a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) als de vreemdeling stelt:
Over de legesinning in het geval van aanvragen tot het verlenen van een mvv zijn door de IND afspraken gemaakt met het ministerie van BuZa. De leges voor het behandelen van een mvv-aanvraag worden geheven namens de Minister van BuZa en zijn opgenomen in de Regeling op de Consulaire Tarieven. De afspraken houden in dat de voor het behandelen van een mvv-aanvraag verschuldigde leges door de vreemdeling gestort of overgeboekt worden op een rekeningnummer van de IND in Nederland. De IND verrekent de ontvangen legesbedragen met het ministerie van BuZa. Tevens wordt in het kader van een verzoek om advies aan de referent van de vreemdeling, ten behoeve van wie een positief advies is afgegeven, de mogelijkheid geboden om de leges die verschuldigd zijn voor de door de vreemdeling in te dienen mvv-aanvraag, te voldoen. Als de referent niet bereid is de leges te voldoen, dient de vreemdeling in het kader van de aanvraagprocedure voor het verlenen van een mvv de verschuldigde leges op de bovenomschreven wijze te voldoen.
Op grond van [artikel 3.51, achtste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling op wie artikel 13 Besluit 1/80 van toepassing is als:
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND een verblijfsvergunning als:
De IND neemt aan dat bijzondere individuele omstandigheden in ieder geval gelegen kunnen zijn in:
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND een verblijfsvergunning als:
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
De IND neemt in ieder geval aan dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 6 van Besluit 1/80 als alle wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften in acht zijn genomen en de werknemer dus het recht heeft op Nederlands grondgebied een beroepsactiviteit uit te oefenen.
### 2. Beleidsregels
### 2.1.1. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
Als uitgangspunt geldt dat uitstel kan worden verleend indien de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk kan aantonen dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. In een dergelijk geval kan uitstel worden verleend tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is. De eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is, dient te blijken uit een te overleggen schrijven van het tolkencentrum. Indien een reeds gemaakte afspraak door de besproken tolk wordt afgezegd, komt dit in beginsel voor rekening van de betrokkene, tenzij er sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. Dit vanuit de gedachte dat het op een juiste wijze verdelen van de beschikbare tolken een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van rechtshulp en de tolkencentra. In de bezwaarfase dient een dergelijk schrijven van het tolkencentrum aan een ongemotiveerd bezwaar-of beroepschrift te worden toegevoegd.
De IND telt bij de in [artikel 21a, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) genoemde periode van tien jaar aaneengesloten rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder a of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), mee:
Nadat in dit kader een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend is het gestelde in B1 en B2 onverkort van toepassing.
### 2.10. Middelen
### 4.4.1.3. Specifieke beleidsregels oud-Nederlanders door het afleggen van een verklaring van afstand
De IND beschouwt een verklaring van het Ministerie van BuZa als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling gedurende tien jaren aaneengesloten in Nederland heeft verbleven als afhankelijk gezinslid op grond van een geprivilegieerde status.
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
In het algemeen is een huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig indien het is gesloten:
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) zijn van toepassing (zie verder ook B1/4.4).
### 4.7. Leeftijd van beide partners
Als een beroep wordt gedaan op deze vrijstellingsgrond, worden alle toekenningsbesluiten ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), dan wel de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) overgelegd, die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, alsook eventuele correspondentie met het college van B&W omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Indien aanwezig, dienen bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is.
### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 3.4. Het model M46
### 4.4. Gelegaliseerde akten
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 6.5. Achterlating een onevenredige hardheid
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
### 4.5. Polygamie
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 3.6. Stuiting door het OM
### 4.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 5.4.2. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 23 jaar of ouder is en:
### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.8. Verwantschap
Op grond van [artikel 3.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.29) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap worden verleend aan de vreemdeling:
### 4.9. Duurzame en exclusieve relatie
### 5.7. Polygamie
De vreemdeling overlegt ter onderbouwing van de duurzame en exclusieve relatie bij de aanvraag een volledig ingevulde en ondertekende relatieverklaring ([bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) en een ingevulde partnervragenlijst. De antwoorden op de partnervragenlijst moeten met zoveel mogelijk stukken worden onderbouwd.
### 5.8. Samenwoning
### 4.3. Ongehuwde burgerlijke staat
### 5.9. Openbare orde beleid
### 4.4. Gelegaliseerde akten
### 4.11. Openbare orde beleid
### 5.9. Openbare orde beleid
### 4.12. Middelen
### 4.5. Polygamie
### 5.10. Middelen
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de vreemdeling een arbeidsverleden aan boord van een Nederlands zeeschip of op het continentaal plat heeft:
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 3.2. Bewijsmiddelen
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de terugkeer van de vreemdeling naar het land van bestendig verblijf is gewaarborgd:
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en werkvergunning van het land van bestendig verblijf mag niet zijn verstreken op de dag na het beëindigen van de genotificeerde werkzaamheden in Nederland.
Andere bescheiden dan hier vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond. De thans geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige toepassing.
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met DUO.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder k, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder f, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de tewerkstelling als een TWV is verleend ten behoeve van de vreemdeling.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND in de overige gevallen de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de arbeidsovereenkomst.
### 4.3. Bewijsmiddelen
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 1. Inleiding
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 2. Beleidsregels
### 2.1. Algemeen
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking arbeid als kennismigrant af of trekt deze achteraf in als het loon naar het oordeel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet marktconform is.
Aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van de arbeid als zelfstandige en aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf als bedoeld in [artikel 3.30, eerste lid, onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30), is bij een vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg voldaan als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden.
De IND verleent de vreemdeling gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning een zoekperiode van drie maanden om een nieuwe functie als kennismigrant te vinden als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
De IND verstaat onder ‘aanzienlijk kapitaal’ in de hierna genoemde situaties het volgende:
De IND telt geleend kapitaal niet mee als onderdeel van het ‘aanzienlijk kapitaal’.
De IND trekt de verblijfsvergunning in als het aanzienlijk kapitaal onder het voor de ondernemingsvorm geldende minimum komt.
De vreemdeling die verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd, is verbroken in verband met huiselijk geweld ([art. 3.80a, tweede lid, onder f, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a)), toont dit aan door:
In aanvulling op [artikel 3.30b, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) kent de IND uitsluitend betekenis toe aan loon in geld. Loon in geld moet vast, contractueel overeengekomen en in geld vastgesteld brutoloon zijn. De IND telt loon dat niet wordt uitgekeerd in geld en onzekere loonbestanddelen (overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen) niet mee. Vaste toeslagen (zoals vakantietoeslag en een dertiende maand) rekent de IND bij het brutoloon mee.
In aanvulling op [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) geldt dat de daar bedoelde getuigschriften voldoen als de vreemdeling arbeid gaat verrichten waarvoor minimaal een diploma van hoger onderwijs vereist is.
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 3.1. Beperking
### 3.1.1. Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 3.1.2. Arbeid als kennismigrant
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder g, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid als kennismigrant toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’.
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 3.3. Geldigheidsduur
Voor wat betreft de vertrektermijnen wordt verwezen naar [artikel 62, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) in combinatie met [artikel 62 a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a). De vreemdeling wordt onder andere opgedragen onmiddellijk Nederland te verlaten, indien:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling in Nederland een hogere beroepsopleiding of wetenschappelijke studie heeft afgerond:
De IND beschouwt een schriftelijke diplomawaardering van de Nuffic van een diploma van een buitenlandse onderwijsinstelling zoals genoemd in [bijlage 10 van het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=10) met een afschrift van het gewaardeerde diploma als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is afgestudeerd met een Master-graad of is gepromoveerd aan een buitenlandse onderwijsinstelling zoals genoemd in bijlage 10 van het VV.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium zoals is vastgelegd in [artikel 1d, Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d):
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 4.4. Wetenschappelijk onderzoek in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071)
### 4.5. Arbeid als zelfstandige
De IND beschouwt een uittreksel uit het handelsregister met een omschrijving van het beroep of de bedrijfsactiviteiten die in de onderneming worden uitgeoefend als bewijsmiddel dat de onderneming is ingeschreven in het handelsregister.
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejaartermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de REK van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken, dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van de REK van 1 november 2000 – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het looncriterium voor houders van een Europese blauwe kaart:
De IND beschouwt een originele diplomawaardering van de Nuffic als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs en dat deze opleiding vergelijkbaar is met een Nederlandse opleiding voor hoger onderwijs.
De IND beschouwt een origineel gewaarmerkte kopie van het diploma van hoger onderwijs in Nederland als bewijsmiddel waar uit moet blijken dat de vreemdeling beschikt over een diploma van hoger onderwijs.
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 5.2. Houder van een Europese blauwe kaart in de zin van [richtlijn 2009/50/EG](32009L0050)
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 5.3.5. Middelen
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven als **familie- of gezinslid** van een in Nederland verblijvende **referent.**
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 3.13 tot en met 3.22a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), [3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23), [3.23b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23b), [3.24a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a), [3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26), [3.27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.27) en [3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28).
Ten aanzien van de volgende categorieën familie- of gezinsleden zijn de toelatingsvoorwaarden opgenomen in respectievelijk de hoofdstukken B10 en B12:
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5.3.5. Middelen
De IND brengt de alimentatie die moet worden betaald voor zowel de huwelijks- of geregistreerde partner als de alimentatie voor de kinderen, in mindering op het inkomen van de referent als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De vergunning wordt ingetrokken, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) anders is bepaald.
De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van bijzondere banden met een derde land, zoals bedoeld in [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) als de vreemdeling de nationaliteit van dat derde land bezit of een verblijfsvergunning voor dit land heeft.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De hieronder gegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) (zie [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19)). Enkele bijzondere voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd houden in dat de aanvrager zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. Zie in dit verband [artikel 3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23), [3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) en [3.82 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82). De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt op grond van [artikel 18, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Hoofdverblijf en verplaatsing van hoofdverblijf zijn feitelijke begrippen. Een vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland, wanneer hij niet duurzaam in Nederland verblijft. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling is uitgeschreven uit de GBA van een Nederlandse gemeente of in Nederland geen adres heeft waar hij geregeld kan worden aangetroffen. Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. Met de wil van de vreemdeling wordt slechts rekening gehouden voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen. Aanwijzingen voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
Met toepassing van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan familie- of gezinsleden van een referent met tijdelijk verblijfsrecht in de zin van [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning onder één van de volgende beperkingen:
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien de vreemdeling:
### 3.1.2. Leeftijd echtgenoten of (geregistreerd) partners
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 3.2.2. Zorgrecht en gezag
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 5.3.5. Middelen
De IND wijst de aanvraag op grond van [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) af als:
De toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie kan voor de hierboven bedoelde toestemming in de plaats worden gesteld als de ouder wiens toestemming is vereist:
In [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) is bepaald dat de aanvrager bij de indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de hoogte, de duurzaamheid en de bronnen van het inkomen van de vreemdeling en, voorzover van toepassing, van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond [3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) om de enkele reden dat het kind de achttienjarige leeftijd heeft bereikt als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op grond van artikel 18, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87).
### 3.2.6. Polygamie
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 3.3. In Nederland geboren kinderen
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 3.4. Gezinshereniging bij minderjarige houder verblijfsvergunning asiel
De IND wijst de aanvraag niet af op grond van [artikel 3.24a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) vanwege het feit dat de referent niet alleenstaand is, als door de Nederlandse rechter een in Nederland gevestigde persoon of instelling als voogd is benoemd, tenzij de voogd een bloedverwant in de rechtstreeks opgaande lijn is.
De IND kan op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) een verblijfsvergunning verlenen aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden, van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, als genoemd in [artikel 3.14, sub a en c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14):
Op grond van [artikel 3.46, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af omdat de referent niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ die verleend is nadat gedurende ten minste een jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
De IND wijst de aanvraag niet af op grond van het mvv-vereiste als een buitenlands adoptiekind of adoptiefkind als gevolg van een in het buitenland uitgesproken adoptie ten onrechte in het bezit is gesteld van een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding en de vreemdeling alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier indient.
Terbeschikkingstelling op grond van [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a) kan leiden tot verblijfsbeëindiging. Indien een vreemdeling ter beschikking is gesteld kan dit met zich meebrengen dat het verblijfsrecht eerst bij verlenging van die terbeschikkingstelling met toepassing van de glijdende schaal kan worden beëindigd. De verlenging kan immers betekenen dat wordt voldaan aan de betreffende norm van [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijk vonnis waarin verlenging van de TBS-maatregel is uitgesproken onherroepelijk is geworden wordt (opnieuw) beoordeeld of tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan.
De IND verstaat onder buitenlandse adoptiekinderen:
De Minister houdt bij de toepassing van [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat (zie artikel 3.86, veertiende lid, Vb).
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier onder de beperking familie- of gezinslid als aan alle volgende vereisten van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) als bedoeld in [artikel 3.26, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) is voldaan:
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 3.6.5. Buitenlandse adoptiefkinderen
### 5.3.7. Niet voldoen aan de inburgeringsplicht
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 3.7.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in [artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28) is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
Het is aan de houder van deze verblijfsvergunning toegestaan om arbeid te verrichten, zonder dat een TWV is vereist. Tegen het verblijf voor onbepaalde duur van de houder van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd bestaan in beginsel geen bedenkingen als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.1.4. Middelen van bestaan
Op grond van [artikel 21, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen, indien de vreemdeling in de periode, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder a, Vw zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven.
Als de referent een Nederlander is, dan luidt op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.'
Als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning, dan is de arbeidsmarktaantekening van familie- en gezinsleden dezelfde als die van diens referent.
### 7.1.5. Openbare orde
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
De IND beschouwt bescheiden waaruit het rechtmatig gezag blijkt als bewijsmiddel van het rechtmatig gezag van de referent over de vreemdeling.
De IND beschouwt -in het geval van een achtergebleven ouder met rechtmatig gezag- als bewijsmiddel dat de achtergebleven ouder toestemming heeft gegeven voor de komst van het minderjarige kind naar Nederland:
De IND beschouwt een verklaring van de vergunninghoudende bemiddelende instantie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent gebruik heeft gemaakt van een vergunninghoudende bemiddelende instantie zoals bedoeld in [hoofdstuk 5 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=5).
Als geen gebruik is gemaakt van een vergunninghoudende bemiddelende instantie zoals bedoeld in [hoofdstuk 5 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=5), dan beschouwt de IND een toestemmingsverklaring van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent toestemming heeft gekregen om zonder directe bemiddeling van een vergunninghoudende bemiddelende instantie een procedure tot opneming van een adoptiekind in het buitenland te starten.
De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met de opneming van de vreemdeling door de referent ter adoptie.
De IND beschouwt een afstandsverklaring van de biologische ouders als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de biologische ouders afstand hebben gedaan van de vreemdeling.
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de ouders van het kind, of als deze zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben, de autoriteiten van het land van herkomst vóór de komst naar Nederland hebben ingestemd met het vertrek van het kind en met de opneming van het kind ter adoptie in het gezin van de aspirant-adoptiefouders:
De IND beschouwt bescheiden zoals vliegtickets als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat het kind met de aspirant-adoptiefouders Nederland is ingereisd.
### 7.1.5. Openbare orde
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de ouder(s) of wettelijk vertegenwoordiger en – als het recht van het land van herkomst dit vereist- de autoriteiten in het land van herkomst hebben ingestemd met het verblijf van de vreemdeling in het gezin van de pleegouders:
De IND beschouwt bescheiden waaruit de familierechtelijke relatie tussen de vreemdeling en de referent blijkt als bewijsmiddel waaruit moet blijven dat sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid.
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
De IND verleent de verblijfsvergunning niet ambtshalve als;
De IND kan aan een slachtoffer van mensenhandel op grond van [artikel 3.48, tweede lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) een verblijfsvergunning verlenen, als het slachtoffer aantoont dat hij geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 3.3. Bewijsmiddelen
De politie meldt aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel:
Het Coördinatiecentrum Mensenhandel is, ten behoeve van de landelijke rapportage aan de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, belast met de landelijke registratie van het aantal aangemelde gevallen van vermoedelijke slachtoffers. Ook als het Coördinatiecentrum Mensenhandel niet betrokken is bij de opvang en huisvesting, moet de politie het vermoedelijke slachtoffer voor registratie bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel aanmelden.
Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Ook moeten voorbereidingen worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaand aan de acties contact worden opgenomen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers.
Het Coördinatiecentrum Mensenhandel bemiddelt bij het zoeken naar opvang en schakelt na een melding van de politie de regiocoördinator mensenhandel in de regio in. De regiocoördinator is verantwoordelijk voor de dagelijkse begeleiding van het vermoedelijke slachtoffer. Als in de regio nog niet is voorzien in regiocoördinatie, blijft het Coördinatiecentrum Mensenhandel verantwoordelijk voor de regiocoördinatie. De beschikbare capaciteit bepaalt de plaatsing van het vermoedelijke slachtoffer. Als hoofdregel geldt dat in het belang van het onderzoek gedurende de periode van de bedenktijd opvang wordt gezocht binnen de politieregio.
De Korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de regiocoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek.
Als het slachtoffer minderjarig is, dan moet in het gezag worden voorzien.
### 8.2. Frauduleuze verkrijging
### 7.2.5. Openbare orde
### 4. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken
### 4.1. Beleidsregels
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Bij de besluitvorming wordt mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling of dat gezinslid uitgaat.
De IND verleent op grond van [artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor remigratie als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
De IND wijst de aanvraag niet af als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
**Ad b**
Een vreemdeling kan hetzij middels een [model M53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M53), hetzij middels een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken.
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
De IND neemt het bestaan van adequate opvang in ieder geval aan als sprake is van één van de volgende omstandigheden:
Bij het zoeken naar een vorm van opvang die voor een amv als adequaat mag worden beschouwd, zal primair worden getracht om de minderjarige met de ouder(s) te herenigen. Opvang bij ouders is in beginsel aan te merken als adequaat.
Een opvangvoorziening wordt aangemerkt als adequaat indien de opvangvoorziening de minderjarige in ieder geval naar lokale maatstaven biedt:
Voor gevallen waarin de vreemdeling na intrekking van de status in aanmerking kan komen voor herverkrijging van de status (en daarmee) de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ (zie B1/7.1.2).
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.3. Beslistermijn
Bij een aanvraag om eerste toelating zal het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na inreis op een geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor paalde tijd na inreis zonder geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot afgifte van een bewijs waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, aan de vreemdeling worden verstrekt. Indien de aanvraag wordt ingediend door middel van een brief die de bewoordingen van het toepasselijke formulier volgt en die alle daarbij gevraagde gegevens omvat, wordt deze – met inachtneming van de overige vereisten – in behandeling genomen.
In [artikel 3.101 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de plaats waar de aanvraag dient te worden ingediend.
De IND beoordeelt verblijfsaanvragen van amv’s die op het moment van de inwerkingtreding van het nieuwe beleid een aanvraagprocedure hebben lopen op grond van het oude recht zoals dat gold voor 1 juni 2013, tenzij het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven voor de vreemdeling gunstiger is. Dit laatste is het geval wanneer de vreemdeling aan alle voorwaarden voor de buitenschuldvergunning voldoet.
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 8.3. Bewijsmiddelen
De IND kent geen betekenis toe aan over het ontbreken van mantelzorg in het land van herkomst of bestendig verblijf en is evenmin verplicht om onderzoek te doen naar niet (in voldoende mate) onderbouwde of speculatieve stellingen stellingen.
Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling een geldig document voor grensoverschrijding over en verstrekt hij, voorzover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden waarmee wordt aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), [artikel 3.102, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102)). Uitgangspunt is dat de vreemdeling een volledig onderbouwde aanvraag indient. De vreemdeling kan zich voor het indienen van de aanvraag op de hoogte stellen welke gegevens benodigd zijn, door telefonisch of schriftelijk informatie op te vragen, of de vreemdelingenregelgeving dan wel een van de voorlichtingsbrochures te raadplegen. Ook kan hij zich in Nederland met de IND in verbinding stellen. In het buitenland kan hij informatie vragen bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in zijn land van domicilie.
Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van drie maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
In dat geval legt hij tevens gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
De IND betrekt het advies van het BMA bij de beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, als bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46).
De vertaling dient te zijn opgesteld door een bij een Nederlandse rechtbank beëdigde tolk/vertaler.
De IND beschouwt een toereikende ziektekostenverzekering als deugdelijke financiering van de medische behandeling als bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46). De IND beschouwt een ziektekostenverzekering in ieder geval niet als toereikend als:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning af bij niet deugdelijke financiering van de medische behandeling.
De vreemdeling die de antecedentenverklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verschaft gegevens en bescheiden met betrekking tot zijn antecedenten.
De IND verleent de verblijfsvergunning als uit een advies van het BMA blijkt dat sprake is van een medische behandeling waar de vreemdeling verblijfsrechten aan kan ontlenen.
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
De IND geeft (analoge) toepassing aan [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van de beslissing op een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'medische behandeling' als de vreemdeling:
Paragrafen [A3/7.2](onbekend) en [A3/7.3](onbekend) zijn verder van toepassing.
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 9.6. Leges
### 9.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening, en geldigheidsduur
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.4. Bewijsmiddelen
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
De IND beschouwt een huwelijksakte als bewijsmiddel dat de vreemdeling is gehuwd met de partner of echtgenoot van de vreemdeling, als bedoeld in B8/9.1.2 onder situatie 6.
De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend, als bedoeld in B8/9.1.2 onder situatie 6:
Als de erkenning naar vreemd (niet-Nederlands) recht heeft plaatsgevonden, beschouwt de IND bewijsmiddelen over de staat van personen als bewijsmiddel dat de partner het kind van de vreemdeling heeft erkend.
De IND beschouwt een polis van de afgesloten ziektekostenverzekering waaruit blijkt dat de kosten voor de medische behandeling gedekt zijn als bewijsmiddel dat sprake is van deugdelijke financiering van de medische behandeling.
De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich terecht beroept op medische gronden in ieder geval een gedagtekend, ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaar(s) waaruit blijkt:
Het bewijs over de medische situatie mag niet ouder zijn dan één maand op het moment dat de vreemdeling dit overlegt.
De IND beschouwt als bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding:
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking studie aan het hoger onderwijs of een voorbereidend jaar kan door de vreemdeling schriftelijk, door tussenkomst van de instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a), worden ingediend bij de IND. De vreemdeling vult met hulp van de onderwijsinstelling het aanvraagformulier in en ondertekent de aanvraag. De onderwijsinstelling stuurt het aanvraagformulier door naar de IND. Als voorwaarde hiervoor geldt dat de instelling voor hoger onderwijs een convenant heeft afgesloten met de IND.
Op grond van het bepaalde in [artikel 31, tweede lid onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) moet de vreemdeling bij zijn asielaanvraag in beginsel zijn identiteit aantonen met documenten. Als dat niet kan, dan moet hij consistent en naar waarheid verklaard hebben over zijn identiteit en nationaliteit.
Wanneer de vreemdeling of een gezinslid zich na vergunningverlening in de GBA inschrijft met andere gegevens, dan trekt de IND de vergunning in.
De IND neemt aan dat de vreemdeling heeft meegewerkt aan zijn vertrek als hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:
De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
De IND werpt aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie altijd tegen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
Uitsluitend in het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.
Als de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.
De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor het doorbrengen van verlof, van werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, is vastgelegd in [artikel 3.34d, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34d).
### 9.7.3. Beslistermijn
Indien de verschuldigde leges ter afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet of niet volledig zijn betaald, meldt het CJIB dit aan de IND na het verstrijken van de betalingstermijn.
Op grond van [artikel 3.51, derde lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ alleen aan de vreemdeling die aan de volgende voorwaarden voldoet:
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid wegens afvloeiing of langdurige ziekte tot maximaal vijf maanden na het intreden van de ziekte of de werkloosheid, maar niet langer dan de duur van de uitkering in het kader van de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045). De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alleen voor:
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), [21a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) en [22 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22).
Een beroepschrift wordt in tweevoud ingediend bij de rechtbank te 's-Gravenhage. Daarbij wordt een afschrift van het bestreden besluit overgelegd. Beroep kan slechts worden ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger (de ouder die de ouderlijke macht heeft, de voogd of de curator), zijn bijzondere gemachtigde, of een advocaat, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gemachtigd ([artikel 70, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=70)). Indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan beroep worden ingediend door middel van een schriftelijke verklaring als bedoeld in [artikel 451a WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=451a), die de vreemdeling doet toekomen aan het hoofd van de inrichting waar hij is gedetineerd.
Dit hoofdstuk ziet niet op gezinshereniging tussen of met gemeenschapsonderdanen. Daarop is B10 van toepassing.
Bij inwilliging van de aanvraag om afgifte van een mvv dient de vreemdeling erop te worden gewezen dat hij zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland in het kader van het vreemdelingentoezicht dient aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met gezinshereniging dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND.
Op grond van [artikel 21, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening: ‘EG-langdurig ingezetene’, tenzij de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verleend met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a).
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling of de hoofdpersoon de eenentwintigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt, tenzij:
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
### 2.8. Openbare orde beleid
Indien de hoofdpersoon arbeid in het kader van de Wsw verricht en aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), of [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), wordt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aangenomen indien aan de voornoemde voorwaarden wordt voldaan.
Naast de vermelding van de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bevat deze verklaring een advies van de Korpschef aan de ambtenaar van de burgerlijke stand met het oog op diens beslissing om al dan niet medewerking te verlenen aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte/aangifte van registratie van een partnerschap dan wel de huwelijksvoltrekking/partnerschapsregistratie. Deze verklaring heeft een geldigheidsduur van zes maanden. De IND verschaft de vreemdelingenpolitie schriftelijk informatie omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, voor zover de vreemdelingenpolitie niet zelf de beschikking heeft over die informatie.
### 4. Het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap
Om er zorg voor te dragen dat de Korpschef alle van belang zijnde feiten bij zijn advies aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken betrekt, dienen betrokkenen bij het invullen van het model M46-A een uittreksel uit de GBA over te leggen ([artikel 28 Besluit Burgerlijke Stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=28)). Dit uittreksel bevat onder meer historische huwelijks- en adresgegevens en wordt met de modellen M46-A en M46-B (waarop zowel door de ambtenaar van burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken als door de IND een aantal gegevens zijn ingevuld) aan de Korpschef gestuurd, die het uittreksel vervolgens tezamen met zijn advies retourneert aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken.
In alle gevallen waarin de Korpschef een verklaring afgeeft, informeert de ambtenaar van de burgerlijke stand/GBA-ambtenaar door tussenkomst van de IND de vreemdelingenpolitie over zijn beslissing via deel C: terugmeldformulier. Wordt tegen de weigering beroep ingesteld bij de rechter, dan informeert de desbetreffende ambtenaar, nadat de rechterlijke beschikking kracht van gewijsde heeft gekregen, de Korpschef door tussenkomst van de IND over de beslissing van de rechter met behulp van deel D model M46-D: afloopbericht procedure schijnhuwelijken.
Stuiting is het recht om zich te verzetten tegen de sluiting van een huwelijk of de registratie van een partnerschap. Op grond van [artikel 53 lid 3 Boek 1 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=53) is het OM bevoegd om een voorgenomen huwelijk of geregistreerd partnerschap te stuiten wegens strijd met de openbare orde, indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aangegaan met het oog op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor Nederland van één van de aanstaande echtgenoten of geregistreerde partners. Voordat tot stuiting wordt overgegaan, verzamelt het OM de hiervoor benodigde informatie. Een kopie van deel B en overige waarnemingen van de Korpschef spelen hierbij een belangrijke rol.
### 4. Het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 5.5.3. Correctie van de geboortedatum
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in:
De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland. De verplichting om voor de komst naar Nederland een mvv aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid hier te lande voor een voldongen feit te worden geplaatst (zie voor de algemene afwijzingsgronden en bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [artikel 3.13 tot en met 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13)).
De aanvraag om afgifte van een mvv leidt bij inwilliging tot afgifte van een Dvisum. Met dit D-visum mag de vreemdeling in een periode van drie maanden binnen zes maanden op het grondgebied van de lidstaten circuleren.
Op grond van [artikel 2e, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2e) junctis [artikelen 1.22, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) en [1.15 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=1.15) vraagt de IND een VOG aan degene die om erkenning als referent verzoekt (de aanvrager) als sprake is van één of meer strafrechtelijke antecedenten als genoemd in [artikel 1.19 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.19) ten aanzien van:
Op grond van [artikel 2e Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2e) junctis [artikelen 1.18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.18), [1.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.19), [1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) en de [artikelen 1.12 t/m 1.15 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=1.12) wijst de IND de aanvraag tot erkenning als referent af als:
Op grond van [artikel 2e Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2e) juncto [artikel 1.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.19) en [1.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.22) kan de IND de aanvraag tot erkenning als referent afwijzen als:
Van deze bevoegdheid maakt de IND in ieder geval geen gebruik als de intrekking op verzoek van de erkende referent heeft plaatsgevonden, zonder dat zich daarbij een van de gronden als neergelegd in [artikel 2g, aanhef en onder a, b, of c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2g) heeft voorgedaan.
Een land van bestendig verblijf is een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel.
Op grond van [artikel 2g Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2g) trekt de IND de erkenning als referent in als de in dit artikel genoemde feiten zich voordoen. Op grond van artikel 2g, aanhef en onder c, Vw geldt dat de IND de erkenning als referent ook intrekt als zich één van de volgende gevallen voordoet:
In ieder geval zal geen bestendig verblijf worden aangenomen indien de vreemdeling in het bezit is van een toeristen- of zakenvisum.
Het aantonen van bestendig verblijf zal steeds dienen te geschieden aan de hand van officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft. Uit deze documenten zal telkens moeten blijken dat de vreemdeling aldaar rechtmatig verblijft, en voor welke periode. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de vreemdeling. Indien daartoe voldoende concrete aanleiding bestaat, kan nader onderzoek worden ingesteld naar de redenen om vanuit dit derde land, niet zijnde het land van herkomst, verblijf in Nederland te vragen. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen wanneer binnen zeer korte tijd nadat in dit derde land om verblijf aldaar is gevraagd, de vreemdeling een aanvraag voor verblijf hier te lande indient, via de mvv-procedure. Niet is het de bedoeling dat zo op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van de mvv-procedure. Hierbij kan met name gedacht worden aan mvv-aanvragen ingediend in de Nederland in ruime zin omringende landen, zoals de lidstaten van de EU. Van geval tot geval zal worden bezien of de uitkomst van het onderzoek aanleiding biedt dit tegen te werpen in de procedure en de afgifte van de mvv te weigeren.
De aanvrager dient de aanvraag tot erkenning als referent in bij een door de IND opgegeven postadres met een door de IND vastgesteld formulier dat bij de IND te verkrijgen is.
De aanvrager moet binnen een termijn van acht weken nadat de IND daarom verzoekt een VOG overleggen. De IND verlengt deze termijn als sprake is van bijzondere omstandigheden.
Zie verder B1/3.3.1.2 Vc.
Er is voor mvv-aanvragen geen wettelijke beslistermijn. Ingevolge [artikel 4:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13) juncto [4:14 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) dient binnen een redelijke termijn te worden beslist. Een termijn van drie maanden wordt redelijk geacht. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht (zie artikel 4:14 Awb). De [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) is van toepassing (zie B1/10.2.1).
Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde verzoeken om een advies in verband met een door de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een mvv (referentprocedure). Het verzoek om advies wordt gericht aan de Visadienst. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv niet in Nederland te bevinden. Het oordeel van de Visadienst op het verzoek om advies is geen beslissing in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Tegen een dergelijk oordeel staan dan ook geen rechtsmiddelen open. De vreemdeling, ten behoeve van wie een referentprocedure is gevoerd en voor wie aldus een oordeel van de Visadienst is ingewonnen, kan, indien hij in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.
In aanvulling op [artikel 2s, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2s) geldt dat als de vreemdeling en de referent beiden in het buitenland verblijven, de vreemdeling de mvv-aanvraag indient. De referent toont dan aan dat hij ná binnenkomst in Nederland zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De vreemdeling dient de mvv-aanvraag in met het daarvoor vereiste aanvraagformulier, dat bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of bestendig verblijf is te verkrijgen.
De IND maakt op haar website kenbaar waar de referent de mvv-aanvraag moet indienen. De referent dient de mvv-aanvraag in met het bij de IND te verkrijgen daarvoor vereiste aanvraagformulier.
De IND neemt aan dat sprake is van bestendig verblijf als de vreemdeling op het moment van indienen van de mvv-aanvraag of het toetsmoment:
De IND neemt uitsluitend genoegen met een termijn korter dan drie maanden als er geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure of oneigenlijk gebruik daarvan.
De IND neemt in ieder geval geen bestendig verblijf aan als de vreemdeling in een land verblijft op grond van een visum voor kort verblijf.
De IND wijst de aanvraag voor een mvv af als de vreemdeling:
De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient altijd in persoon te worden ingediend. Voorts toont de vreemdeling zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de vreemdeling de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging beziet in dit verband of de overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd en informeert de Visadienst hierover.
De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging vraagt de vreemdeling:
De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geeft de vreemdeling die in gebreke blijft nog één keer een termijn van:
De IND stelt de referent van de vreemdeling (als deze bekend is) schriftelijk in de gelegenheid:
In geval van een inwilliging machtigt de IND de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om een mvv af te geven en stelt de IND de referent hiervan in kennis. De vreemdeling moet zijn document voor grensoverschrijding naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging meebrengen, zodat de mvv-sticker in dat document kan worden aangebracht.
De Visadienst besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de mvv af te geven. Voor de behandeling van de mvv-aanvraag hanteert de Visadienst een redelijke termijn van drie maanden.
De referent moet bij de indiening van de aanvraag alle daarvoor benodigde gegevens verstrekken en op grond van [artikel 2 l Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2l) de verschuldigde leges betalen. Wanneer de referent in gebreke blijft, stelt de IND hem één keer in de gelegenheid om binnen twee weken na kennisgeving alsnog de gevraagde gegevens over te leggen en de leges te betalen.
Als wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, machtigt de IND onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven en stelt de IND de referent hiervan in kennis. Dit voorbehoud houdt in:
### 1.1.2. Verzoek om advies
Indien de referent bij het indienen van het verzoek om advies niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend.
Deze beleidsregel heeft een tijdelijk karakter. Deze overgangsregeling wordt uitsluitend toegepast indien de referent een nieuw verzoek om advies indient omtrent de afgifte van een mvv dan wel de vreemdeling een aanvraag indient tot het verlenen van een mvv, gedurende de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat dit voor hetzelfde verblijfsdoel moet zijn als waarvoor het eerdere verzoek om advies is ingediend, tenzij de wijziging van het verblijfsdoel dermate gering is, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken (zie [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100)).
De IND verleent in ieder geval geen ambtshalve verblijfsvergunning in de volgende situaties:
Bij intrekking van de mvv terwijl de vreemdeling nog in het buitenland verblijft, machtigt de IND de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging de mvv in te trekken, nadat de vreemdeling conform [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze uit te brengen.
De onder 3 bedoelde bijzondere omstandigheden doen zich, met inachtneming van het bovenstaande onder a tot en met d, niet voor in de situatie waarin enkel door tijdsverloop de situatie van de vreemdeling zodanig is gewijzigd dat strikt genomen niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. Hiervan is in ieder geval in de volgende gevallen sprake:
De IND merkt in het kader van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) enkel feiten en omstandigheden als nieuw aan die:
### 1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student
Nu het verzoek om advies in de referentprocedure echter niet meer als een aanvraag beschouwd kan worden en hiertegen geen rechtsmiddelen openstaan, is de datum van de start van de referentprocedure als start van de nareis komen te vervallen. Hierdoor zouden de gezinsleden van de hoofdpersoon in bepaalde gevallen hun afgeleide asielstatus mislopen. Gezien de schrijnende gevolgen die dit met zich mee zou brengen, geldt in deze gevallen de datum van het verzoek om advies van de asielstatushouder als startdatum van de nareis, in de zin van [artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29). Dit houdt in dat als de hoofdpersoon binnen drie maanden na de statusverlening een verzoek om advies heeft ingediend de nareistermijn is veiliggesteld. Ook indien er in eerste instantie een negatief advies is afgegeven en referent voldoet in een later stadium alsnog aan alle voorwaarden, blijft de datum van het eerste verzoek om advies staan als datum start nareis.
De hoger onderwijsinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, naar de IND.
### 1.1.4. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRvS 12 januari 2004
### 2.1.4. Arbeidsmarktaantekening
De IND beoordeelt slechts één verblijfsbeperking per aanvraag.
Alvorens de ambassade tot afgifte van de mvv overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. Betrokkene dient zijn identiteit genoegzaam aan te tonen.
Op grond van [artikel 3.101 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) worden de volgende aanvragen ingediend bij de IND:
De aanvrager dient de aanvraag in bij een door de IND opgegeven postadres of IND-loket dat de IND via zijn website of het aanvraagformulier kenbaar maakt. De IND maakt op zijn website of op het aanvraagformulier eveneens kenbaar op welke wijze de aanvrager de leges moet betalen. De aanvrager dient de aanvraag in met het vereiste formulier, dat bij de IND verkrijgbaar is.
Als degene die een aanvraag indient namens een minderjarig kind niet aantoont diens wettelijke vertegenwoordiger te zijn, geeft de IND een termijn van drie maanden na kennisgeving om dat gebrek te herstellen. Het herstellen van het gebrek geschiedt door:
De IND stelt de aanvraag buiten behandeling als:
De IND stelt de aanvraag niet buiten behandeling als de aanvraag is ondertekend door een vreemdeling van 12 jaar of ouder.
### 1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
### 3.3.1.4. Beslistermijn
### 3.3.1.5. Bekendmaking van de beschikking
### 1.5.2.1. Toelating
De IND verstrekt de verblijfsaantekening ‘Gemeenschapsonderdaan’ aan het familielid van de onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland die zelf niet de nationaliteit heeft van deze lidstaten.
De korpschef reikt het verblijfsdocument uit als de vreemdeling slachtoffer is van dreigend eergerelateerd geweld.
### 1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
### 4.1. Mvv-vereiste
### 1.5.3. Beoordeling van individuele verzoeken om advies
### 1.5.3.1. Beslissing
### 1.5.2.2. Geldigheidsduur
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) is de IND bevoegd de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen als de vreemdeling of de persoon bij wie deze wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Het gelijktijdig afdoen van de aanvraag van gezinsleden via de verkorte mvv-procedure, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:
### 1.5.3. Beoordeling van individuele verzoeken om advies
De IND past de eisen met betrekking tot de middelen van bestaan toe op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, tenzij in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) of de Vc voor specifieke groepen andersluidende bepalingen over de middelen van bestaan zijn opgenomen.
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
Een vreemdeling beschikt in ieder geval niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan als sprake is van een faillissement of surseance van betaling van de vreemdeling of diens referent.
Het normbedrag voor alleenstaanden zoals opgenomen in [artikel 3.19, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt niet bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier als de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft verkregen voor 31 juli 2010 op basis van het normbedrag voor alleenstaanden. In dit geval geldt in plaats van 70% van het wettelijk minimumloon de norm van 50% van het wettelijk minimumloon.
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
De IND beoordeelt de middelen van bestaan van een vreemdeling op basis van een overeenkomst van opdracht als freelancer op dezelfde wijze als het inkomen van een vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht.
De IND merkt de middelen van bestaan van de vreemdeling uit overige bronnen als zelfstandig aan in de zin van [artikel 3.73, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) als de vereiste wettelijke premies en belastingen zijn afgedragen.
De IND merkt uitkeringen, toeslagen, bijdragen, giften en vergoedingen waarover niet de vereiste premies en belastingen worden afgedragen in ieder geval **niet** aan als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73).
Tussen de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) en de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) bestaat een nauwe samenhang. Toetreding tot de arbeidsmarkt wordt gereguleerd met de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Het algemene uitgangspunt in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV (zie [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2)).
### 2.2. Ingangsdatum
Als de vreemdeling aan de overige voorwaarden voor toelating voldoet, verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de voorwaarde dat de vreemdeling daadwerkelijk binnen drie maanden na afgifte van het verblijfsdocument een tbc-onderzoek bij de GG&GD ondergaat.
In de volgende gevallen trekt de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in:
Op 5 december 1997 is het besluit van 14 november 1997 (Stb. 1997, 583) tot wijziging van het [Koninklijk Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) (Stb. 406) in werking getreden. Dit besluit heeft betrekking op vreemdelingen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Zij behouden hun vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zolang zij de beslissing op hun aanvraag om (voortzetting van het) verblijf met instemming van de Minister in Nederland mogen afwachten.
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
Het besluit van 14 november 1997 heeft uitdrukkelijk géén betrekking op vreemdelingen:
De IND wijst de mvv-aanvraag af als de vreemdeling het basisexamen inburgering in het buitenland niet heeft behaald, tenzij de vreemdeling hiervan is vrijgesteld of is ontheven.
In aanvulling op [artikel 2.6, eerste lid, Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6) geldt dat voor vrijstelling van het basisexamen inburgering in het buitenland niet vereist is dat sprake is van acht jaar **ononderbroken** inschrijving in de GBA of acht jaar rechtmatig verblijf.
In aanvulling hierop ontheft de IND de vreemdeling van het behalen van het basisexamen inburgering als de vreemdeling aantoont dat:
Op grond van [artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a), wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet af als sprake is van een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden die ertoe leidt dat de vreemdeling blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen.
De IND merkt het enkele feit dat de vreemdeling een of meerdere malen het examen heeft afgelegd, niet aan als een onbillijkheid van overwegende aard als bedoeld in [artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a).
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geeft de houder ofwel tijdelijk verblijfsrecht ofwel niet-tijdelijk verblijfsrecht. Of het verblijfsrecht van de vreemdeling tijdelijk of niet-tijdelijk is, wordt uitsluitend bepaald door [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5). Is de verblijfsvergunning verleend onder een beperking genoemd in het tweede lid, dan is het verblijf van de vreemdeling tijdelijk van aard. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling als uitgangspunt niet-tijdelijk van aard.
Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [artikel 3.77, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77), wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling:
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
In een dergelijk geval moet:
De nieuwe referent moet zich met het formulier referent stellen van de vreemdeling en verklaren dat de vreemdeling nog steeds aan alle voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning voldoet. De melding moet binnen vier weken na de opgetreden wijziging door de IND zijn ontvangen.
In de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) wordt telkens aangegeven of en zo ja welke voorschriften aan de verblijfsvergunning worden verbonden.
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen worden gegeven in de [artikelen 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.8), [3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.9), [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.10) en [3.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.11).
### 6.1. Toetsing aanvraag van het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De IND bekijkt per geval of de termijnoverschrijding, zoals bedoeld in [artikel 3.80, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80) de vreemdeling niet is toe te rekenen. De IND merkt in ieder geval de volgende omstandigheden niet aan als verschoonbare reden voor de te late indiening:
De IND rekent een te late indiening van de aanvraag niet toe aan de vreemdeling als hij zich als achtergelaten vreemdeling zo snel mogelijk tot de Nederlandse overheid heeft gewend. De IND houdt rekening met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vreemdeling met zich mee heeft gebracht.
De in [artikel 3.82, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) bedoelde redelijke termijn is twee jaar.
Als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling intrekt (al dan niet met terugwerkende kracht), vangt de redelijke termijn aan op de dag na bekendmaking van het intrekkingsbesluit.
Als de IND de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht intrekt en sprake is van omstandigheden als bedoeld in [artikel 3.82, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82), dan geldt dat de aanvraag:
Een voorschrift als hier bedoelt, kan aan de verblijfsvergunning worden verbonden bij verlening of (alsnog) bij verlenging van de geldigheidsduur daarvan.
De IND beoordeelt of de vreemdeling het hoofdverblijf, als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), heeft verplaatst aan de hand van feiten en omstandigheden van feitelijke aard.
De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als één van de volgende gevallen zich voordoet:
De IND neemt aan dat geen sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland als de vreemdeling:
Wat ‘zo snel mogelijk’ is, beoordeelt de IND per geval, waarbij de IND rekening houdt met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vreemdeling met zich mee heeft gebracht.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) mogelijk is.
De IND past de regels van de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87) ook toe als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
Als een vreemdeling een terbeschikkingstelling opgelegd heeft gekregen ([artikel 37 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) beziet de IND bij verlenging van de terbeschikkingstelling (artikel 37 WvSr) van een vreemdeling of het verblijfsrecht, met toepassing van de glijdende schaal als genoemd in [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) kan worden beëindigd.
Voor de toepassing van [artikel 3.86, achtste lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) verzoekt de IND het OM te beoordelen of het buiten Nederland gepleegde feit een misdrijf oplevert en welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn gevorderd. Hierbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de officier van justitie ter zitting.
Aan het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een straf komt voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toe.
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De in [artikel 70, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=70) genoemde personen dienen het bezwaar- of administratief beroepschrift in bij de IND. Een bezwaarschrift in visum- -zaken wordt gericht aan de Visadienst. Een bezwaar in mvv-zaken wordt gericht aan de IND.
Als het bezwaar- of administratief beroepschrift niet voldoet aan één of meerdere van de in [artikel 6:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) genoemde vereisten voor het in behandeling nemen ervan, stelt de IND de indiener van het bezwaar- of administratief beroepschrift in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken hieraan alsnog te voldoen.
Voor het indienen van de nadere gronden als bedoeld in [artikel 6:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) bij het bezwaar- of administratief beroepschrift verleent de IND:
Na ommekomst van de uitsteltermijn van vijf werkdagen gaat de IND ervan uit dat de zaken van de betreffende gemachtigde door de kantoorgenoten of collega’s kunnen zijn opgevangen. Als door het uitstel aan de gemachtigde de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder a.
Voor eenmanskantoren bepaalt de IND op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn. Als uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener al in een eerdere fase van de vreemdelingrechtelijke procedure als rechtshulpverlener/gemachtigde is opgetreden, dan honoreert de IND het verzoek om uitstel. De IND verstaat onder het in een eerdere fase van de vreemdelingrechtelijke procedure optreden als rechtshulpverlener/ gemachtigde ook het inzenden van een ongemotiveerd bezwaarschrift.
De IND wijst een verzoek om uitstel af bij wijziging van rechtshulpverlener.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt ingevolge [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:
De IND staat de vreemdeling toe een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten, tenzij:
### 8.1. Algemeen
Dat de bewijsmiddelen in de beleidsregels zijn opgenomen, betekent niet in alle gevallen dat de (erkende) referent of de vreemdeling deze over moet leggen bij de aanvraag (zie paragrafen 8.2.1 en 8.3.1). De IND maakt aan de hand van de aanvraagformulieren kenbaar welke bescheiden de aanvrager over moet leggen bij de aanvraag.
Als de IND het voornemen heeft de aanvraag tot erkenning als referent of de aanvraag voor een verblijfsvergunning op basis van gegevens van de in [bijlage 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=20) en [21 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=21) genoemde administraties (de aangewezen administraties) af te wijzen en deze gegevens wijken af van door de referent of vreemdeling verstrekte gegevens, dan:
De IND neemt een besluit op de aanvraag op basis van de gegevens uit een aangewezen administratie als bedoeld in [artikel 2d Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2d) als:
Op grond van [artikel 24a, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24a) vraagt de IND bij de vreemdeling of de (erkende) referent gegevens en bescheiden op als:
Onderdeel d ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie [artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34) en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het Continentaal Plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) en de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Dit onderdeel heeft betrekking op vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80. Deze zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het Associatiebesluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het Associatiebesluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de betrokken vreemdeling een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document, zoals een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een verblijfsvergunning kan het ontbreken van een geldige mvv hem niet worden tegengeworpen. In de meeste gevallen zal de desbetreffende werknemer echter verkeren in een situatie van voortzetting van verblijf of reeds op grond van enige andere vrijstelling van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat verblijfsrechten niet slechts uit artikel 6, maar ook uit enkele andere artikelen van het Associatiebesluit 1/80 kunnen voortvloeien.
Op grond van [artikel 2d Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2d), juncto [artikel 1.16 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=1.16) vraagt de IND voor de beoordeling van de aanvraag tot erkenning als referent de volgende gegevens en bescheiden in beginsel op bij de aangewezen administraties:
De IND neemt een beslissing op basis van gegevens van andere overheden.
Deze vrijstelling strekt ertoe de mobiliteit voor wetenschappelijk onderzoekers tussen lidstaten te vergemakkelijken. Deze uitzondering geldt enkel voor onderzoekers die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor het verrichten van onderzoek in de zin van de richtlijn die is afgegeven door een ander lidstaat. Deze uitzondering geldt ook voor gezinsleden (echtgenoot, geregistreerd partner, minderjarig kind) van de onderzoeker, met dien verstande dat het gezin reeds dient te zijn gevormd in de ander lidstaat.
De IND beschouwt een uittreksel uit het handelsregister als bewijsmiddel:
Als de referent, die om erkenning verzoekt, niet inschrijvingsplichtig is in het handelsregister op grond van de [Handelsregisterwet 2007](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0021777), beschouwt de IND de betreffende uitspraak van de rechtbank als bewijsmiddel dat sprake is van het in surseance van betaling of faillissement verkeren van de referent.
De IND beschouwt een uittreksel uit het handelsregister waaruit dat blijkt als bewijsmiddel dat de referent een culturele doelstelling nastreeft.
De IND beschouwt een door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie goedgekeurd uitwisselingsprogramma als bewijsmiddel dat de referent een goedgekeurd uitwisselingsprogramma uitvoert.
Op grond van [artikel 2a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2a), juncto [artikel 1.15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.15) en [3.31, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31), juncto [artikel 1.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=1.10) beschouwt de IND een uittreksel uit het handelsregister als bewijsmiddel dat de referent rechtspersoonlijkheid heeft.
Zelfstandige onderdelen van een kerkgenootschap die deel uitmaken van een koepelorganisatie met rechtspersoonlijkheid en erkenning als referent aanvragen moeten bescheiden overleggen waaruit blijkt dat zij onderdeel vormen van een koepelorganisatie.
De IND beschouwt bescheiden als een verklaring over het betalingsgedrag afgegeven door de Belastingdienst en een door een accountant goedgekeurde jaarrekeningen of een bankverklaring als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de continuïteit en solvabiliteit van de referent voldoende zijn gewaarborgd.
De IND beschouwt als bewijsstukken dat vreemdeling bij de indiening van de aanvraag onvermogend is om leges te betalen:
In het vierde lid van [artikel 3.71 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, indien de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B1/4.1.1).
De IND beschouwt als bewijsmiddel voor het bepalen van het moment waarop een opgelegde sanctie ten uitvoer is gelegd en de aanvang van de (maximale) termijn waarbinnen antecedenten kunnen worden tegengeworpen gegevens en bescheiden die zien op:
De IND beschouwt conform het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) en de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling is vrijgesteld van het afleggen van het basisexamen inburgering:
Als vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, beschouwt de IND een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst, waaruit blijkt dat voor Nederlands een voldoende is behaald als bewijsmiddel hiervan.
In aanvulling op [artikel 3.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10) beschouwt de IND als bewijsmiddel ter onderbouwing van een verzoek om medische ontheffing van het basisexamen inburgering:
De IND beschouwt als bewijsmiddel ter onderbouwing van het beroep op de hardheidsclausule:
Het paspoortvereiste is eveneens niet van toepassing op hier te lande geboren kinderen, ten behoeve van wie een aanvraag voor verblijf bij ouder is gedaan en waarvan de ouders zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste aangezien zij in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel, een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure of een verblijfsvergunning als Amv of een vergunning buitenschuld.
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling na toelating zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan:
Ten aanzien van onderdanen van Somalië wordt in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, één en ander in de zin van de [artikelen 3.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.19), [3.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.72) en [3.83 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.83) .
Als sprake is van verlies of diefstal van het verblijfsdocument, beschouwt de IND een kopie van het proces-verbaal van de aangifte bij de politie van verlies of diefstal van het verblijfsdocument als bewijsmiddel hiervan.
Niettemin zal van vreemdelingen die stellen Somalisch onderdaan te zijn, worden verlangd dat zij op andere wijze aantonen dat zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezitten.
De vreemdeling afkomstig uit Somalië wordt daarmee derhalve niet ontheven van de verplichting zijn identiteit en nationaliteit door middel van documenten aan te tonen.
Voorts worden identificerende vragen gesteld. In daarvoor in aanmerking komende gevallen vindt DNA-onderzoek plaats om een gestelde afstammingsrelatie vast te stellen, een en ander overeenkomstig B2/8.5 en B2/8.6 . Tevens wordt als voorwaarde gesteld dat door betrokkene een verklaring wordt ondertekend in de eigen taal en het Nederlands waarin deze verklaart dat hij of zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezit.
Deze voorwaarden worden gesteld om een succesvolle intrekking van de verleende verblijfsvergunning wegens onjuiste gegevens te bevorderen (fraudebestrijding), in gevallen waarin later mocht blijken dat de betrokkene een andere identiteit of nationaliteit bezit.
De IND legt bij een overtreding van een wettelijke verplichting een bestuurlijke boete op aan de referent. In afwijking hiervan legt de IND de bestuurlijke boete op aan de vreemdeling als:
Als de IND het aannemelijk acht dat de vreemdeling op de hoogte is van het feit dat zijn referent niet langer voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen als referent, stelt de IND de vreemdeling op de hoogte van de bevindingen en geeft hem een termijn van twee weken om de gegevens te controleren en eventuele wijzigingen aan te brengen. Als de vreemdeling binnen de termijn van twee weken geen gebruik maakt van deze mogelijkheid of bewust zijn gegevens niet aanvult of wijzigt, legt de IND de bestuurlijke boete aan de vreemdeling op.
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 16, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in [artikel 3.73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73), [3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en [3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85).
Als de referent of vreemdeling voor de eerste keer een wettelijke verplichting overtreedt, geeft de IND een waarschuwing. Een waarschuwing blijft gedurende 24 maanden van kracht. Wanneer door de ernst van een overtreding een waarschuwing niet op zijn plaats is, legt de IND zonder eerst te waarschuwen, een bestuurlijke boete op.
Als de referent of vreemdeling binnen 24 maanden nadat hij een waarschuwing heeft gekregen opnieuw dezelfde wettelijke verplichting overtreedt, legt de IND aan de overtreder een bestuurlijke boete op.
De middelen van bestaan dienen zelfstandig te worden verworven. Daarnaast dienen zij duurzaam beschikbaar te zijn en van voldoende hoogte.
Wanneer de IND voornemens is om een bestuurlijke boete op te leggen wegens een overtreding van een wettelijke verplichting maakt de IND van deze overtreding een rapport op, zoals bedoeld in [artikel 5:48 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=5:48). Dit rapport vermeldt:
Bij het voornemen tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de referent of vreemdeling voegt de IND een afschrift van het rapport toe.
Als de IND de referent of vreemdeling in de gelegenheid stelt om mondeling zijn zienswijze te geven op het voornemen of de beschikking om hem een bestuurlijke boete op te leggen, wijst de IND de vreemdeling of referent op zijn zwijgrecht, omdat hij niet verplicht is om over de overtreding een verklaring af te leggen.
Een opgelegde bestuurlijke boete blijft gedurende 24 maanden van kracht. Op grond van [artikel 55a, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=55a) legt de IND een bestuurlijke boete op die 50 procent meer bedraagt dan de maximale bestuurlijke boete als opgenomen in artikel 55a, eerste lid, Vw als de referent of vreemdeling binnen 24 maanden nogmaals de wettelijke verplichting overtreedt waarvoor hij eerder is beboet.
### 4.3. Middelen van bestaan
In aanvulling op [artikel 6.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.4), verhaalt de IND de kosten van uitzetting van de vreemdeling in de volgende gevallen niet op de (gewezen) referent:
Indien de voornoemde bescheiden – voor zover nodig voor de beoordeling van het middelenvereiste – niet zijn overgelegd, of indien deze naar het oordeel van de Minister op relevante onderdelen inconsistenties, tegenstrijdigheden, hiaten of ongerijmdheden vertonen, is – ongeacht de gestelde hoogte en duurzaamheid van de inkomsten – niet aangetoond dat aan het middelenvereiste wordt voldaan.
De kosten voor een vliegticket en een vervangend document voor grensoverschrijding, zoals opgenomen in [bijlage 22 van het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=22) behorende bij [artikel 6.2a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=6.2a), zijn variabel. Dit betekent dat de IND de daadwerkelijke kosten die de overheid hiervoor heeft gemaakt, in rekening brengt bij de referent.
Voor de kosten van het vervoer naar het vliegveld of naar de grens brengt de IND de vastgestelde tarieven zoals opgenomen in [bijlage 22 van het VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=22) (zie [artikel 6.2a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=6.2a)) in rekening.
De vreemdeling wordt tijdens de procedure tot uitzetting in de gelegenheid gesteld om zelf, of via de (gewezen) referent, op eigen kosten een vliegticket te boeken. Als de vreemdeling hier niet voor kiest, volgt hieruit dat de IND de kosten die DT&V maakt voor een vliegticket volledig op de (gewezen) referent verhaalt.
Bij de beoordeling van de hoogte van inkomen uit eigen vermogen, is aansluiting gezocht bij fiscale regelingen. De inkomsten uit vermogen worden door de Belastingdienst forfaitair vastgesteld op 4% van het gemiddelde eigen vermogen tussen 1 januari en 31 december van ieder jaar. Het inkomen uit eigen vermogen wordt voor de toepassing van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) aangemerkt als voldoende middelen van bestaan, indien 4% van het eigen vermogen zoals dat op de belastingaangifte is opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaande aan de datum van de aanvraag omgerekend per maand, ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) of [artikel 3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19).
De inkomsten worden aangetoond door overlegging van in ieder geval de opgaaf aan de Inspecteur der Belastingen over het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur.
Deze inkomensbestanddelen kunnen derhalve worden meegeteld bij de berekening van het totale inkomen.
Niet als (bestanddeel van de) middelen van bestaan wordt aangemerkt een uitkering of bijdrage uit de publieke middelen op grond van de navolgende sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen krachtens:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling die in het kader van uitwisseling in Nederland wil gaan verblijven:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als de vreemdeling die als au pair in Nederland wil gaan verblijven:
De IND betrekt bij de bepaling van de hoogte van het betaalde geldbedrag in ieder geval de volgende kosten:
Bij de bepaling van de hoogte van het betaalde geldbedrag, laat de IND de volgende kosten buiten beschouwing:
Het maximale bedrag dat een gastgezin maandelijks als zakgeld aan een au pair mag betalen is opgenomen in het besluit ‘Loonbelasting en premieheffing volksverzekeringen, achterwege laten inhouding loonheffing au pairs’ van 21 december 2000.
De IND neemt aan dat de uitwisselingsjongere die niet als au pair verblijft, niet zelfstandig in zijn levensonderhoud kan voorzien als bedoeld in [artikel 3.24a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.24a) als hij een beroep doet op de algemene middelen.
Inkomsten uit flexibele arbeidsovereenkomsten worden, gelet op het onzekere karakter dat werken op basis van dergelijke arbeidsovereenkomsten kenmerkt, niet aangemerkt als inkomsten die nog één jaar beschikbaar zijn (op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ontvangen of de beschikking wordt gegeven, dan wel op enig moment tussen beide tijdstippen). Zij zijn derhalve niet duurzaam in de zin van [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75). Hieraan doet de duur van de flexibele arbeidsovereenkomst niet af. Eigen aan flexibele arbeidsovereenkomsten is immers dat de hoogte van de inkomsten onregelmatig kan zijn.
Op grond van [artikel 3.43, eerste lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een vreemdeling, die in het kader van de internationale overeenkomsten WHS (Nieuw-Zeeland en Australië) of WHP (Canada) in Nederland verblijft of wil verblijven, af als de vreemdeling:
De aanvraag tot verblijf in het kader van het WHP en het WHS kan worden afgewezen als blijkt dat de vreemdeling voorafgaande aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven zonder in het bezit te zijn geweest van verblijfsrecht op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De voornoemde inkomsten uit arbeid (inclusief werk verricht op basis van een flexibele arbeidsovereenkomst) kunnen echter, in afwijking van de hoofdregel als duurzaam worden aangemerkt, indien ten tijde van de aanvraag (of het tijdstip waarop de beschikking wordt genomen, dan wel op enig moment tussen beide tijdstippen):
Kortdurende tijdvakken van werkloosheid worden bij de driejaarsperiode als inkomen uit arbeid in loondienst meegeteld. In deze driejaarsperiode mag het totaal van deze tijdvakken van werkloosheid niet meer dan 26 weken bedragen.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder n, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘Uitwisseling’.
Bij de duurzaamheid van inkomsten uit de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) is van belang dat het recht op deze uitkering onder meer vervalt als de nabestaande 65 jaar wordt, hertrouwt dan wel met iemand een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Bij de beoordeling van de duurzaamheid wordt hiermee rekening gehouden. Om die reden worden inkomsten uit deze bron in ieder geval niet duurzaam geacht indien op grond van het doel waarvoor verblijf wordt aangevraagd vaststaat dat de hoofdpersoon (met de vreemdeling) zal gaan samenwonen. Dat op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend of de beslissing wordt genomen wel over deze uitkering wordt beschikt, doet daaraan niet af.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan'.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening als de verblijfsvergunning wordt verleend op grond van de internationale overeenkomsten met Canada, Nieuw-Zeeland en Australië: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
De middelen van bestaan moeten ingevolge [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) voldoende zijn.
Op grond van [artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.7) is aan de afgifte van de verblijfsvergunning aan de vreemdeling die in het kader van uitwisseling (niet zijnde au pair) in Nederland wil verblijven het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten.
Als hoofdregel geldt dat middelen van bestaan voldoende zijn, indien het inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag zoals dat in artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb of [artikel 3.19, eerste en tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt voor de desbetreffende categorie (echtparen en gezinnen, alleenstaanden en alleenstaande ouders). De toepasselijke norm wordt vastgesteld aan de hand van het wettelijk minimumloon voor personen van 23 jaar of ouder. De IND publiceert de toepasselijke normbedragen voor de betreffende categorieën halfjaarlijks op haar website nadat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wijziging van het wettelijk minimumloon kenbaar heeft gemaakt.
Op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar.
Bij de toepassing van [artikel 3.75, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) moet aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken zijn gewerkt (zie B1/4.3.2) en in die gehele periode een inkomen uit arbeid zijn verworven, waarbij deze inkomsten bovendien nog beschikbaar moeten zijn. De inkomsten, bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb, kunnen met andere zelfstandige en duurzame inkomsten worden gecombineerd (bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid als zelfstandige) om te voldoen aan het toepasselijke normbedrag.
Hierbij wordt uitgegaan van het toepasselijke normbedrag dat gold ten tijde van de aanvraag. Er wordt derhalve steeds een beoordeling gemaakt aan de hand van één normbedrag, en nadrukkelijk niet van de (in de loop der tijd steeds gewijzigde) normbedragen zoals deze golden gedurende de driejaarsperiode. Immers, aan de hand van de inkomsten uit het verleden wordt beoordeeld of deze in de toekomst van voldoende hoogte zullen zijn.
De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de leeftijdseis als bedoeld in [artikel 3.43, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) en [artikel 3.24, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24).
De IND beschouwt een uittreksel uit de GBA waaruit blijkt dat de vreemdeling staat ingeschreven op hetzelfde adres als het gastgezin en waaruit de gezinssamenstelling blijkt als bewijsmiddel dat de vreemdeling in een gastgezin verblijft bestaande uit ten minste twee personen.
De IND beschouwt de tussen het gastgezin en de vreemdeling overeengekomen en ondertekende dagindeling voor de lichte huishoudelijke werkzaamheden als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde zoals bedoeld in [artikel 3.24, derde lid, aanhef en onder d, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.24). Voor alle zeven dagen van de week dient een dagindeling te worden opgesteld. De dagindeling moet door het gastgezin en de vreemdeling zijn ondertekend. In de dagindeling wordt minimaal opgenomen:
De dagindeling is geldig gedurende het verblijf van de vreemdeling in Nederland.
In afwijking van [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben gekregen voor 31 juli 2010 op basis van de norm voor alleenstaande ouders, in plaats van 90% van het wettelijk minimumloon de norm van 70% van het wettelijk minimumloon.
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat het tijdige vertrek van de vreemdeling uit Nederland als bedoeld in [artikel 3.43, eerste lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) is gewaarborgd:
Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor het volgen van een opleiding aan een onderwijsinstelling voor:
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002):
Het algemene uitgangspunt bij behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning is dat de zelfstandige ten tijde van de aanvraag aantoont dat hij nog een jaar over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. Hier kan de zelfstandige over het algemeen niet aan voldoen. Immers, de inkomensvorming van een zelfstandige verloopt over het algemeen niet regelmatig over een jaar en het inkomen in zijn administratie wordt over een boekjaar vastgesteld. Aan de hand van zijn inkomsten uit het verleden dient daarom te worden vastgesteld of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd kan worden geacht.
Als startende ondernemer wordt aangemerkt diegene die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Immers, hij kan nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige hebben verworven. De omstandigheid dat de ondernemer een reeds langere tijd bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat hij geen startend ondernemer is in de zin van [artikel 3.20 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.20). Uitgangspunt van artikel 3.20 VV is immers het inkomen van de zelfstandige zelf, en niet het inkomen van diegene die voorheen de onderneming dreef.
De IND verstaat onder geaccrediteerd onderwijs in de zin van [artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) onderwijs conform artikel 5.2 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs
Een uitzondering op deze hoofdregel wordt gemaakt voor vreemdelingen die op grond van het beleid als genoemd in B5 tot Nederland worden toegelaten voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, aangezien ten aanzien van hen is vastgesteld dat met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend en inzichtelijk wordt gemaakt, door middel van een ondernemingsplan, wat de te verwachten inkomsten uit de onderneming zullen zijn.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het volgen van middelbaar beroepsonderwijs of voortgezet onderwijs in ieder geval af op grond van [artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) als de vreemdeling de opleiding of een soortgelijke opleiding in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan volgen.
Voor zover de vreemdeling de opleiding of een soortgelijke opleiding niet in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf kan volgen, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van [artikel 3.41, eerst lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) als niet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af op grond van [artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) als de opleiding niet van wezenlijke betekenis is voor de arbeidsmarkt van het herkomstland of land van bestendig verblijf.
De IND neemt aan dat aan [artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) in ieder geval wordt voldaan als de vreemdeling:
De IND neemt aan dat aan [artikel 3.41, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) in ieder geval wordt voldaan als de vreemdeling:
Ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland worden geweigerd dan wel beëindigd, indien de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid. In deze paragraaf zijn de algemene regels opgenomen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste verblijfsaanvaarding van vreemdelingen en de ontzegging van voortzetting van verblijf van vreemdelingen.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV vereist voor arbeid van bijkomende aard, andere arbeid niet toegestaan’.
Op grond van [artikel 3.7, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.7) is aan de afgifte van de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoende is verzekerd tegen ziektekosten.
Op grond van [artikel 3.58, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van de opleiding vermeerderd met maximaal één jaar voor een voorbereidende opleiding, en drie extra maanden voor de administratieve afronding van de opleiding. De IND verstaat onder voorbereidend onderwijs ook een schakeljaar. Op grond van [artikel 14, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt de verblijfsvergunning niet voor een langere geldigheidsduur dan vijf jaar verstrekt.
Op grond van [artikel 3.91b, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91b) trekt de IND de verblijfsvergunning in als de vreemdeling na het volgen van maximaal één jaar voorbereidend onderwijs niet is ingeschreven voor de daadwerkelijke opleiding voor het hoger onderwijs.
In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere EU lidstaat wordt ingevolge [artikel 3.77, vijfde en zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) bij de toepassing van artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk die door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of diens gezinslid uitgaat.
De IND beschouwt als bewijsmiddel, waaruit moet blijken dat de vreemdeling is ingeschreven aan de onderwijsinstelling binnen twee weken nadat hij rechtmatig verblijf heeft in de zin van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of het voorbereidend jaar heeft afgerond, één van de volgende bescheiden:
Bij de termijn gedurende welke een gesanctioneerd misdrijf reden blijft vormen om de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning af te wijzen, wordt onderscheid gemaakt naar de aard en de ernst van de misdrijven.
Ingeval van een veroordeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd bedraagt die termijn twintig jaren. Het gaat hierbij onder meer om de misdrijven genoemd in Titel XIV (misdrijven tegen de zeden), Titel XIX (misdrijven tegen het leven gericht) en Titel XX (mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht. Ook drugsdelicten, misdrijven tegen het openbaar gezag, wapendelicten en misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, zoals brandstichting, horen hier bij.
De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van [artikel 3.74, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) juncto [artikel 3.19, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) als het UWV WERKbedrijf een TWV heeft verleend voor de te verrichten arbeid.
De IND neemt aan dat de vreemdeling voldoet aan [artikel 3.39, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.39) als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
Indien de tenuitvoerlegging van de sanctie pas later heeft plaatsgevonden (door bijvoorbeeld een verstekvonnis), vangt de termijn aan op de dag waarop de sanctie volledig ten uitvoer is gelegd. Daarmee wordt voorkomen dat de termijn (bijvoorbeeld tijdens een langdurige gevangenisstraf) kan verstrijken voordat de straf ten uitvoer is gelegd. De sanctie is ten uitvoer gelegd:
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder j, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘lerend werken’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder e, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘TWV vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’.
Op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van maximaal één jaar.
Van het bij herhaling plegen van strafbare feiten is sprake als de vreemdeling meer dan één sanctie opgelegd heeft gekregen. Dit geldt ook als één sanctie is opgelegd voor een aantal bewezen verklaarde strafbare feiten (voeging). In geval van eendaadse of meerdaadse samenloop wordt uitgegaan van één misdrijf. Bijvoorbeeld een winkeldiefstal die gepaard gaat met wederspannigheid en/of belediging van een ambtenaar in functie kan drie misdrijven opleveren. In dat geval wordt echter uitgegaan van één misdrijf en niet van drie misdrijven.
De IND beschouwt een TWV die ten behoeve van de vreemdeling aan de referent is verleend als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling Canadees onderdaan is en ten minste 18 jaar en niet ouder dan 30 jaar is.
De IND beschouwt een bewijs van inschrijving uit de openbare registers in Canada als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling woonachtig is in Canada.
De IND beschouwt een door de bevoegde autoriteiten gewaarmerkt afschrift van het diploma als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van de aanvraag niet langer dan twaalf maanden geleden is afgestudeerd.
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
Ingevolge [artikel 16, eerste lid aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan. Op grond van [artikel 16, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79).
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘seizoenarbeid’.
Op grond van [artikel 3.58, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor de duur van de arbeid en met een maximum van 24 weken.
Omdat het vereiste alleen geldt voor de eerste verblijfsaanvaarding kunnen aanvragen om voortzetting van verblijf niet op deze grond worden afgewezen. Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest, en een aanvraag heeft ingediend, geldt het vereiste niet, indien wordt geoordeeld dat redelijkerwijs sprake is van voortzetting van verblijf.
De IND beschouwt een TWV die voor maximaal 24 weken ten behoeve van de vreemdeling aan de referent is verleend als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat de vreemdeling met de arbeid in loondienst zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De IND beschouwt een TWV als bewijsmiddel dat de vreemdeling voorafgaand aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gedurende een aaneengesloten periode van ten minste veertien weken buiten Nederland heeft verbleven.
Idealiter heeft de vreemdeling die zich bij de IND meldt om aldaar fysiek een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in te dienen, reeds bij de GG&GD een onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen ondergaan. Veelal zal de vreemdeling dat onderzoek nog niet hebben ondergaan.
In die situatie ondertekent de vreemdeling, bij de indiening van de aanvraag om een verblijfsvergunning, een verklaring op het TBC-formulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) waarin de vreemdeling aangeeft bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De IND verwijst daarna de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD. Voor deze verwijzing maakt hij gebruik van het originele TBC-formulier.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven voor:
Op grond van [artikel 3.31, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die:
Op grond van [artikel 3.31, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die:
Op grond van [artikel 3.31, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) kan de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen aan de vreemdeling die:
Op grond van [artikel 3.31, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling die:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Andere bescheiden dan daar vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder g, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘Arbeid in loondienst’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder d, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1), luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1), luidt de arbeidsmarktaantekening als de IND de verblijfsvergunning verleent op grond van paragraaf B5/2.1.2: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid niet toegestaan’.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van de arbeidsovereenkomst.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1.1 verleende verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), verleent de IND de op grond van paragraaf B5/2.1.2 verleende verblijfsvergunning voor de duur van de werkzaamheden.
Ten aanzien van het niveau van het inburgeringsexamen: voor een oudkomer (niet zijnde een geestelijke bedienaar) moet het behaalde niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader zijn voor de schriftelijke vaardigheden en A2 voor mondelinge vaardigheden. Voor overige vreemdelingen moet het behaalde niveau voor alle vaardigheden A2 zijn ([artikel 2.9 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.9), zoals dat luidde tot 1 januari 2013).
De IND beschouwt een kopie van het monsterboekje als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gedurende ten minste nog één jaar beschikt over een arbeidsplaats aan boord van een Nederlands schip, waarmee hij zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning gedurende ten minste nog een jaar beschikt over een arbeidsplaats op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, waarmee hij zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een ononderbroken arbeidsverleden van ten minste zeven jaar aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft:
De IND beschouwt een toekenningsbeschikking van de uitkeringsinstantie op grond van de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling:
De basiskennis, die de vreemdeling reeds voor komst naar Nederland in het buitenland moet hebben verworven, wordt in het buitenland beoordeeld aan de hand van het basisexamen inburgering, tenzij de vreemdeling niet inburgeringsplichtig is of daarvan is vrijgesteld. De resultaten van het basisexamen worden betrokken bij de aanvraag om een mvv.
Het basisexamen inburgering bestaat uit de Toets Gesproken Nederlands en een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving ([art. 3.98a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a)). Vanaf 1 april 2011 is het niveau van de Toets Gesproken Nederlands verhoogd van niveau A1min naar niveau A1 van het Europese Raamwerk voor Vreemde Talen en omvat het basisexamen inburgering ook de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL).
Op grond van [artikel 3.58, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van de werkzaamheden als bedoeld in [artikel 1e, tweede lid, Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e), met een maximum van twee jaar.
Als de werkzaamheden van de vreemdeling voor aanvang daarvan bij het UWV WERKbedrijf zijn genotificeerd door de werkgever, beschouwt de IND deze notificatie als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling met de arbeid in loondienst zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling gerechtigd is in het land van vestiging van de dienstverlener te verblijven en gerechtigd is daar in dienst van de dienstverlener arbeid te verrichten:
Op grond van [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3) en [artikel 2.5 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5) is niet inburgeringsplichtig de vreemdeling die beschikt over een diploma, certificaat of ander document zoals hieronder genoemd:
De IND neemt aan dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van [artikel 3.74, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) wanneer de vreemdeling behoort tot een in Nederland gelegerde of op doortocht zijnde krijgsmacht en verbonden is aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier.
Tevens kan onder meer gedacht worden aan een ernstig spraakgebrek dat de menselijke communicatie verhindert en het afleggen van het basisexamen met behulp van de spraakherkenningscomputer blijvend onmogelijk maakt. In dergelijke gevallen is het blijvend onmogelijk om te gaan voldoen aan het inburgeringsvereiste en daarmee voor toelating tot Nederland.
De Minister beoordeelt aan de hand van de bevindingen van de arts of deskundige of er wel of niet sprake is van lichamelijke of geestelijke belemmeringen, waardoor de vreemdeling blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering af te leggen.
Op grond van [artikel 3.42, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ af als de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de [Wet modern migratiebeleid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027930) in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode afgestudeerde’ of ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.42, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) aan de vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘studie’ en die de aanvraag binnen vier weken na het behalen van de bachelor- of master-graad indient.
De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.42, eerste of tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) ook als de vreemdeling nog niet in het bezit is van het diploma van de bachelor- of master-graad als er een periode van meer dan vier weken ligt tussen de datum van het afleggen van het laatste tentamen of het behalen van het examen en het verkrijgen van het diploma.
De IND wijst de aanvraag af van een vreemdeling die afgestudeerd is aan een opleiding die valt onder de categorie zoals genoemd in [artikel 3.21, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.21).
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de Dienst Uitvoering Onderwijs een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
De IND wijst de aanvraag voor een wijziging van de beperking of verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ niet af op grond van [artikel 3.30a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30a) omdat niet aan het looncriterium als bedoeld in [artikel 1d, eerste lid, Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) wordt voldaan als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden.
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
De IND verstaat onder wetenschappelijk onderzoekers in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071) naast wetenschappelijk onderzoekers ook promovendi en onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers zoals bursalen en ontvangers van stipendia.
Uit een gastovereenkomst als bedoeld in [artikel 3.33, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.33) moet in ieder geval blijken dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
In aanvulling op B1/4.3 beschouwt de IND de middelen van bestaan uit de volgende inkomensbronnen als zelfstandig in de zin van [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73):
Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning een gewaarmerkte kopie van het gevraagde diploma, certificaat of document. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling ook een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
In aanvulling op [artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ aan een vreemdeling als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
In aanvulling op [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) moet een gereglementeerd beroep erkend zijn en dragen de werkgever en de vreemdeling de verantwoordelijkheid om bij een bezoek van een inspectie aan te tonen dat de vreemdeling beschikt over de vereiste beroepskwalificaties voor het gereglementeerde beroep.
In aanvulling op [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) verleent de IND de verblijfsvergunning uitsluitend aan een vreemdeling die een beroep wil uitoefenen in de individuele gezondheidszorg als registratie in het BIG-register heeft plaatsgevonden.
In [artikel 3.80a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep reeds bij het indienen van de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier in een verblijfsvergunning om voortgezet verblijf en onderbouwt dit zoveel als mogelijk met bewijsstukken. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling ook verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder i, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Wetenschappelijk onderzoek in de zin van [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071)‘.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Arbeid als zelfstandige’.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking: ‘Verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’.
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt DUO een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
Bij de indiening van een verblijfsaanvraag overlegt de vreemdeling de door DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’. Separaat hieraan toont betrokkene aan welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt verleend op grond van [artikel 3.42, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42): ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder d, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt verleend op grond van [artikel 3.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42): ‘Arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.
Het gaat hier om een vreemdeling die:
Bij de indiening van een verblijfsaanvraag overlegt de vreemdeling de door DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’. Separaat hieraan toont betrokkene aan welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder j, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid als wetenschappelijk onderzoeker toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’.
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek wordt ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder i, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’.
Op grond van in [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1), luidt de arbeidsmarktaantekening als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op het model Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen. Indien later blijkt dat de vreemdeling in een andere procedure anders heeft verklaard of anderszins blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond, wordt van het ROC-advies afgeweken. Het model **Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme** is te vinden op www.ind.nl.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder h, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid als houder van de Europese blauwe kaart toegestaan, andere arbeid toegestaan met TWV’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening, als de vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
De vreemdeling toont bij zijn aanmelding bij het ROC van Amsterdam aan dat hij (onverplicht) een cursus Nederlands heeft gedaan. Gezien de kosten voor het onderzoek is het een betrokkene die niet aantoont (onverplicht) een cursus Nederlands te hebben gedaan, bij voorbaat af te raden om zich bij het ROC van Amsterdam te melden voor het onderzoek. Alleen als betrokkene ervan overtuigd is de ‘extra inspanning’ te kunnen aantonen bij het ROC van Amsterdam, heeft het zin dat betrokkene zich tot het ROC wendt voor het onderzoek naar de vraag of betrokkene eventueel nog binnen vijf jaar met kans op succes het inburgeringsexamen zal kunnen afleggen.
Op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van één jaar.
De hardheidsclausule kan toepassing hebben op de vreemdelingen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, die onvrijwillig in het land van herkomst zijn achtergelaten, en die niet meer kunnen beschikken over hun verblijfspapieren (ten aanzien van achtergelaten vrouwen zie B1/5.1, B1/5.3.2, B1/7.1.3 en B16/4.2). Wanneer deze vreemdelingen na achterlating een verzoek doen tot wedertoelating, is voortgezet verblijf vaak de enige vergunning waarvoor zij in aanmerking kunnen komen.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) en in aanvulling op [artikel 3.59, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59), verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning:
In het geval de vreemdeling nog geen vijf jaar in Nederland verblijft conform [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan slechts voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) worden overwogen. Mocht geconcludeerd worden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.52 Vb, dan is het inburgeringsvereiste niet van toepassing.
Op grond van [artikel 3.58, derde lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) en in aanvulling op [artikel 3.59, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59), verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning:
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder voortgezet verblijf wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Met de introductie van vernieuwde inburgeringsstelsel per 1 januari 2013 worden aan de inburgeringsplichtige vreemdelingen geen inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen meer aangeboden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
Op grond van [artikel 3.58, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van maximaal twee jaar.
Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de overweging dat als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte kan opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruik kan maken van zijn bevoegdheid de vreemdeling op bepaalde gronden verblijf te weigeren. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). In een reguliere procedure wordt het driejarenbeleid uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) blijven van toepassing.
Op grond van [artikel 3.58, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent of verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor de duur van de arbeidsovereenkomst of aanstelling aangevuld met drie maanden maar niet langer dan vier jaar.
Op grond van [artikel 73, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) dient de vreemdeling, indien hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid beroep in te stellen, na het verstrijken van de beroepstermijn Nederland onmiddellijk uit eigen beweging te verlaten. De rechtsgevolgen van de beschikking treden dus in werking onmiddellijk na het verstrijken van de beroepstermijn.
De algemene termijn voor het instellen van beroep is vier weken. Gedurende deze termijn heeft de vreemdeling nog rechtmatig verblijf.
In het geval de bij het eerste terugkeerbesluit gegeven vertrektermijn ongebruikt is verstreken, of in het geval aanleiding bestaat op grond van [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) om de vertrektermijn te verkorten, dan wel te bepalen dat de vreemdeling onmiddellijk Nederland moet verlaten, wordt aan het afwijzende besluit tevens een inreisverbod gekoppeld. Met betrekking tot de mogelijkheden om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt verwezen naar [hoofdstuk A5](onbekend).
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan:
De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit moet blijken dat de vreemdeling een marktconform loon verdient, documenten met daarin informatie over:
Als geen sprake is van een CAO moet de werkgever informatie verstrekken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden overeenkomen met vergelijkbare functies.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit de duur en de aard van het dienstverband en het loon blijken en waarin de functiescheiding en de functiecode zoals gedefinieerd in het universitair functieordeningssysteem zijn opgenomen:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit de duur en de aard van de werkzaamheden en het loon blijken
De IND beschouwt een gastovereenkomst als bedoeld in paragraaf B6/2.4 Vc als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in [artikel 3.33, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.33).
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling bevoegd is een beroep of onderneming uit te oefenen:
De IND beschouwt een volledig ingevulde en ondertekende ‘Bijlage verklaring inkomen zelfstandig ondernemer’ als bewijsmiddel ([bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) waaruit moet blijken dat de vreemdeling zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Financiële bewijsmiddelen ter staving van de aanvraag moeten zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
De IND beschouwt als bewijsmiddel ten behoeve van de adviesaanvraag bij het Ministerie van EZ, het Ministerie van VWS of het Ministerie van OC&W:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd:
De IND beschouwt een bewijs van inschrijving in het BIG-register als bewijsmiddel dat de vreemdeling in het BIG-register is geregistreerd.
De IND beschouwt bewijsmiddelen waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als houder van een Europese blauwe kaart in de andere Staat die partij is bij het EU-verdrag blijkt als bewijsmiddel dat de vreemdeling geen mvv hoeft over te leggen.
Deze regeling geldt dus alleen voor de aanvragen om een verblijfsvergunning ‘zonder beperking’, ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ en de aanvragen waarin zowel de hier bedoelde gronden zijn genoemd, als een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4).
Aanvragen met een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), zonder aanvulling met betrekking tot de klemmende redenen van humanitaire aard, vallen niet onder de regeling.
De IND willigt de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van [artikel 3.30a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30a) in als niet aan het looncriterium voor vreemdelingen van dertig jaar en ouder wordt voldaan als aan alle volgende voorwaarden wel wordt voldaan:
Met voortzetting van verblijf wordt hier gedoeld op het continueren van verblijf door middel van (tijdige) verlenging of wijziging beperking. De bepalingen voor het verlenen van verblijf onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ zijn in hoofdstuk B16 opgenomen. Het mvv-vereiste is niet van toepassing op aanvragen om voortzetting van het verblijf. Zie omtrent voortzetting van verblijf tevens B1/2.2, B1/2.3.2 en B1/3.
Een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van het verblijfsdoel van een verblijfsvergunning die meer dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is ontvangen, wordt in beginsel aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating (zie [artikel 3.80, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80)). Het mvv-vereiste is in deze gevallen onverkort van toepassing.
Ten aanzien van aanvragen om verlenging dan wel wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning, die zijn ingediend na afloop van de eerder verleende vergunning, zijn uitzonderingen opgenomen in [artikel 3.82, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82). Als de vreemdeling onder deze uitzonderingen valt, is [artikel 3.81, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.81) niet van toepassing. Dit betekent dat – indien de vreemdeling niet vóór het einde van de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van de vergunning indient – het mvv-vereiste onverkort van toepassing is, ook al is de aanvraag ingediend binnen een redelijke termijn. In [artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) is een specifieke bepaling opgenomen voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als geestelijk voorganger of godsdienstleraar. Deze uitzondering wordt gemaakt in het belang van het toezicht op vreemdelingen en de openbare orde. Ten aanzien van deze groep wordt vooraf een onderzoek ingesteld of er vanuit het oogpunt van de openbare orde en openbare rust bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de desbetreffende vreemdeling, en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling als godsdienstig functionaris zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. Dat geldt zowel indien de vreemdeling niet tijdig heeft verzocht om verlenging, als ook indien hij voor een andere groepering wil werken. Echter, indien de vreemdeling, die aanvankelijk een verblijfsvergunning had onder de beperking verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, wijziging naar een geheel ander verblijfsdoel (niet zijnde als geestelijk voorganger of godsdienstleraar) wenst, geldt het reguliere beleid ten aanzien van aanvragen om wijziging van het verblijfsdoel. Ten overvloede zij er hierbij op gewezen dat een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich tegen (al dan niet tijdelijke) verblijfsbeëindiging kan verzetten, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling aantoonbaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehouden, geldt het mvv-vereiste onverkort.
De persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, de referent, moet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De beleidsregels opgenomen in B1/4.3 zijn van toepassing op de beoordeling van de middelen van bestaan van de referent.
De termijn van twee jaar vangt aan:
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, als de referent voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) aan als de referent:
Met toepassing van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wijst de IND de verblijfsvergunning niet af op grond van [artikel 16, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen.
De IND neemt in ieder geval aan dat de blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform [artikel 9 Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=9) te voldoen als de referent voldoet aan de twee volgende voorwaarden:
Als de referent een verblijfsvergunning heeft op tijdelijke humanitaire gronden, verband houdend met mensenhandel of eergerelateerd geweld of huiselijk geweld, dan wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning met toepassing van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) niet af op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als de referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ingevolge het tweede lid van zowel [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als [18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden bedoeld in het eerste lid.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:
De vreemdeling wordt niet geacht zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:
De IND neemt aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in [artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Als de IND onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, dan kan de IND de aanvraag afwijzen.
De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen.
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 3.1.4. Verbreking huwelijk
Verblijfsbeëindiging blijft achterwege, indien dat in strijd zou komen met een ieder verbindende verdragsbepaling (bijvoorbeeld artikel 8 EVRM) of voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de beleidsregel te dienen doelen (zie [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84)).
In dergelijke gevallen kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd echter wel (ambtshalve) worden gewijzigd wegens veranderde omstandigheden, met toepassing van [artikel 14, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). Door die wijziging wordt dan de onjuiste situatie uit het verleden gecorrigeerd door de beperkingen en voorschriften die aan de verblijfsvergunning waren verbonden te vervangen door beperkingen en voorschriften op basis van de veranderde omstandigheden.
De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, zoals bedoeld in [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie B7/3.8.1).
De IND neemt in ieder geval niet aan dat een kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) als:
In uitzondering op het voorgaande neemt de IND altijd aan dat het kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14), als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De IND neemt aan dat beide ouders rechtmatig gezag hebben als bedoeld in [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt.
Als hoofdregel geldt dat vreemdelingen die in Nederland willen verblijven, zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bepaalde gevallen dient degene bij wie de vreemdeling in Nederland wil verblijven zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Voor degene bij wie de vreemdeling wil verblijven geldt als uitgangspunt dat diens solvabiliteit buiten twijfel moet staan. Deze persoon wordt in ieder geval niet als solvabel aangemerkt in geval van faillissement of surseance van betaling, omdat daarbij onder meer de (vrije) beschikking over het vermogen of de boedel is verloren.
De IND telt het zelfstandige en duurzaam verworven inkomen van de partner van de referent mee bij het beoordelen van het inkomen van de referent als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
Als de referent voldoet aan bovenstaande voorwaarden, dan beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende in de zin van [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van vereiste met betrekking tot middelen van bestaan op grond van [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid van het kind niet af op grond van [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
Deze regels zijn van toepassing op alle gevallen waarin sprake is van verlenging of wijziging van het verblijf, alsmede indien een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt ingetrokken.
Aan straffen en maatregelen die zijn opgelegd wegens zeer ernstige misdrijven, dat wil zeggen misdrijven die de rechtsorde zeer ernstig schokken en die veelal een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers ten gevolge hebben, wordt een zwaarder gewicht toegekend. Dit zijn misdrijven waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd. Indien sprake is van een veroordeling voor een dergelijk misdrijf is [artikel 3.86, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) van toepassing.
De referent wordt niet als alleenstaand als bedoeld in [artikel 3.24a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) aangemerkt als hij onder de hoede staat van een krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem verantwoordelijke volwassene.
In geval van eendaadse of meerdaadse samenloop wordt uitgegaan van één misdrijf. Een voorbeeld van meerdaadse samenloop is dat een winkeldiefstal die gepaard gaat met wederspannigheid en/of belediging van een ambtenaar in functie kan drie misdrijven kan opleveren. In dat geval wordt echter uitgegaan van één misdrijf en niet van drie misdrijven.
Als de referent een minderjarig kind is, verleent de IND op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden:
De IND kan aan de in Nederland verblijvende gezinsleden zoals hier bedoeld, die met referent zijn meegereisd, met toepassing van [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), vrijstelling van het mvv-vereiste verlenen.
Indien de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid wordt de termijn met toepassing van [artikel 25, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) met maximaal drie maanden verlengd.
Bij de glijdende schaal worden alleen de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van de straf meegeteld bij de berekening van de norm in de glijdende schaal.
Bij een verblijfsduur van ten minste tien jaar wordt alleen tot verblijfsbeëindiging over gegaan ingeval van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en misdrijven uit de Opiumwet waarvoor een strafbedreiging geldt van zes jaar of meer.
Als het buitenlandse adoptiekind, als bedoeld in [artikel 3.27 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.27), op het tijdstip van de inreis in Nederland sinds meer dan een jaar verblijft bij de aspirant-adoptiefouders en door hen wordt verzorgd en opgevoed, vindt er geen onderzoek meer plaats naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders. De IND merkt het buitenlands adoptiekind dan aan als een minderjarig juridisch kind als bedoeld in [artikel 3.14, eerste lid aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14), mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.27, eerste lid aanhef en onder a en b. Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.27). In dat geval beoordeelt de IND de toelating van het kind aan de hand van [artikelen 3.13 t/m 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
De IND verleent in ieder geval een verblijfsvergunning onder de beperking familie- of gezinslid als wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:
De referent moet een grootouder, broer, zuster, oom of tante van het pleegkind zijn.
Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is zowel instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) als instemming van de autoriteiten in het land van herkomst vereist.
Richtlijn 2003/109 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen geeft materiële en procedurele normen voor de toekenning en intrekking van een Europese verblijfstitel voor langdurig ingezetenen en de daarbij behorende rechten en voorwaarden waaronder langdurig ingezetenen in andere lidstaten van de EU mogen verblijven.
Het is de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), ongeacht op welke gronden die is verleend, toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven. Deze vergunning behoeft dus niet te worden verlengd. Het verblijfsdocument, waaruit het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd blijkt, moet elke vijf jaren worden vernieuwd. De vreemdeling dient ervoor zorg te dragen dat het verblijfsdocument telkens vijf jaar na de afgifte daarvan wordt vervangen door een nieuw exemplaar.
De IND telt de zelfstandige en duurzame middelen van bestaan van de partner van de referent mee bij het beoordelen van de middelen van bestaan van de referent als aan alle volgende voorwaarden voldoet:
De IND beschouwt in deze gevallen de middelen van bestaan als voldoende in de zin van [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het referentiebedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
In deze paragraaf worden de algemene voorwaarden voor de toekenning van de Europese status van langdurig ingezetene met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) behandeld. Deze hebben betrekking op:
De IND kan familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aannemen tussen:
De IND neemt aan dat het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad.
Op grond van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) wordt onder bepaalde voorwaarden afgeweken van:
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.
Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.
De IND verleent op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
De IND neemt aan dat het kind de vreemdeling niet moet volgen en het grondgebied van de Unie niet moet verlaten als er een andere ouder is die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a t/m e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of de Nederlandse nationaliteit heeft, tenzij deze ouder feitelijk niet voor het kind kan zorgen.
De IND neemt aan dat de andere ouder feitelijk voor het kind kan zorgen als:
De IND neemt aan dat de andere ouder feitelijk niet voor het kind kan zorgen als deze ouder zich in detentie bevindt.
De IND wijst de aanvraag niet af als de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij (naam van de partner/ echtgenoot/ minderjarig kind, enz)’.
In afwijking hiervan wordt op het verblijfsdocument van een gezinslid van een kennismigrant, houder van een Europese blauwe kaart of een wetenschappelijk onderzoeker op grond van de [richtlijn 2005/71/EG](32005L0071) op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist'.
Op grond van [artikel 3.58, negende lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van het verblijfsrecht van de referent. Als de referent Nederlander is of verblijf heeft voor langer dan vijf jaar, dan verleent de IND de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.58, negende lid, aanhef en onder c, Vb voor de duur van vijf jaar.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad.
De IND beschouwt in het geval de referent geen uitkering op grond van de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) of Wajong ontvangt een verklaring van een bedrijfsarts of verzekeringsarts als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. De arts die de verklaring heeft afgegeven moet met een aantekening over het betreffende specialisme in het BIG-register staan ingeschreven.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent blijvend niet in staat is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling conform [artikel 9 Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=9) te voldoen:
De IND beschouwt de relatieverklaring als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een relatie heeft met de referent.
De IND beschouwt de ingevulde partnervragenlijst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.
De IND beschouwt een ongehuwdverklaring uit het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet is gehuwd.
De IND beschouwt een ongehuwdverklaring als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de referent niet is gehuwd.
De IND beschouwt als bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden heeft verlaten:
De IND beschouwt een geboorteakte als bewijsmiddel van de gezinsband tussen de vreemdeling en de referent.
De IND beschouwt een ‘Bijlage verklaring burgerlijke staat’ als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling die 15 jaar of ouder is feitelijk tot het gezin van de referent behoort.
De IND beschouwt andere bescheiden met betrekking tot de familierechtelijke relatie als bewijsmiddel waaruit de gezinsband tussen de vreemdeling en de referent moet blijken, als deze familierechtelijke relatie niet uit de geboorteakte blijkt.
De IND beschouwt bescheiden met betrekking tot de familierechtelijke relatie, zoals een geboorteakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling een familielid is van referent als bedoeld in [artikel 3.24a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a).
De IND beschouwt een beginseltoestemming van de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden van het Ministerie van Veiligheid en Justitie als bewijsmiddel dat de referent:
De IND beschouwt een in het land van herkomst afgegeven medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de vreemdeling niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.
De IND beschouwt, bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, als bewijsmiddel waarmee de identiteit van het buitenlandse adoptiekind op een andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond, bescheiden waaruit de identiteit van het kind blijkt, bijvoorbeeld een geboorteakte.
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 2. Eergerelateerd en huiselijk geweld
Het gaat om de volgende groepen vreemdelingen:
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het slachtoffer van eergerelateerd of huiselijk geweld niet.
Het slachtoffer van eergerelateerd of huiselijk geweld kan na 1 jaar een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ (zie paragraaf B9/9):
De IND trekt de verblijfsvergunning in als naar het oordeel van het LEC EGG geen sprake meer is van een reële en langdurige dreiging van eergerelateerd geweld in Nederland en in het land van herkomst.
De IND beschouwt het schriftelijke advies van het LEC EGG als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een dreiging met eergerelateerd geweld in Nederland én in het land van herkomst, dat er een reële dreiging is die niet op korte termijn kan worden weggenomen en dat de wijze waarop uiting kan worden gegeven aan het eergerelateerd geweld voldoende ernstig is.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er familieleden in het land van herkomst wonen, welke familieleden dat zijn en waar zij woonachtig zijn bijvoorbeeld bewijsmiddelen als een familieboekje, een uittreksel uit de burgerlijke stand of een notariële akte waaruit de gezinssamenstelling en de woonplaats blijkt.
De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:
B1/4.7.2.1 ad e en f is van overeenkomstige toepassing.
In artikel [3.96a, tweede lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie [artikel 6, eerste lid, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en artikel 6, eerste lid, onder a, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie [artikel 2.8, eerste lid, Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8)). Deze beslissing heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
Voor zover indicaties van mensenhandel zich voordoen bij een vreemdeling die via Schiphol Nederland inreist zijn de bevoegdheden van de Districtscommandant KMar Schiphol gelijkgesteld met die van de Korpschef van Politie.
EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf neergelegde bepalingen voor zover zij geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht.
De IND onderscheidt drie verblijfsrechtelijke situaties met betrekking tot het tijdelijke verblijfsrecht van slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel:
Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel wordt op grond van [artikel 8, onder k Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) een bedenktijd van maximaal drie maanden gegund, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van een verdachte van mensenhandel, of dat zij hiervan afzien.
De periode van de bedenktijd is eenmalig en wordt niet verlengd.
De bedenktijd staat niet open voor getuige-aangevers van mensenhandel.
De IND verleent de bedenktijd aan vreemdelingen die zich in vreemdelingenbewaring bevinden uitsluitend als het OM en de politie hiermee akkoord gaan.
Gedurende de periode van de bedenktijd moet het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks melden bij de regionale eenheid van de politie waar hij of zij administratief is ondergebracht.
De bedenktijd eindigt op het moment dat:
Als de bedenktijd eindigt, heft de IND de opschorting van het vertrek op.
De IND merkt de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel ([Model M55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55)) ambtshalve aan als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze door de politie is doorgestuurd naar de IND.
De IND wijst de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling:
De IND beslist op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel binnen een streeftermijn van 24 uur nadat de aanvraag door de politie aan de IND is verzonden.
In afwijking van het bovenstaande merkt de IND de kennisgeving van aangifte of het verlenen van medewerking aan het strafproces mensenhandel gedurende de asielprocedure ([Model M55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55)) niet ambtshalve aan als aanvraag als de vreemdeling er voor kiest de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wachten.
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd uitsluitend ambtshalve:
De IND toetst bij de ambtshalve beoordeling ex nunc.
De IND wijst de aanvraag tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van het slachtoffer dat niet kan of wil meewerken niet af als het slachtoffer:
Voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden gelden, voorzover hierop in de [artikelen 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a), [3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) geen uitzondering is gemaakt, de afwijzingsgronden van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) (zie B1/7.1.3, B1/7.1.5, B1/7.1.6, B1/.7.1.7, B1/7.1.9 en B1/7.1.11. De hiervoor bedoelde uitzonderingsbepalingen zijn in B1/7.2.1 tot en met B1/7.2.7 opgenomen.
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer van mensenhandel alleen als sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever alleen als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in Nederland noodzakelijk acht.
De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af wegens:
De IND verlengt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer van mensenhandel dat geen aangifte kan of wil doen of geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar niet.
De vreemdeling kan:
De IND trekt de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel dat aangifte heeft gedaan of anderszins heeft meegewerkt in als geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. De vreemdeling mag het beroep in cassatie in Nederland afwachten, omdat de Hoge Raad de zaak nog terug kan wijzen naar het Gerechtshof. De vreemdeling mag cassatie in het belang der wet niet in Nederland afwachten, omdat cassatie in het belang der wet geen verandering in de rechten en positie van partijen teweeg brengt en dus geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen heeft.
De IND beschouwt een verklaring van de politie of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid over mensenhandel, nog loopt.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat een slachtoffer van mensenhandel geen aangifte kan of wil doen of geen medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met een ernstige bedreiging en/of een medische of psychische beperking:
Indien een vreemdeling zich in bewaring bevindt, dient de intrekking te allen tijde te geschieden middels het [model M53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M53).
Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale opvangvoorzieningen en noodbedden. Plaatst de politie het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren, dan meldt de politie dit met spoed aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens beoordeelt het Coördinatiecentrum Mensenhandel of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd.
Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer zich voor vervolgopvang wenden tot:
Vervolgopvang op een andere locatie kan aangewezen zijn, als de opvanglocatie die in de periode van de bedenktijd werd geboden niet geschikt is voor een langduriger verblijf.
Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de politie het aanvraagformulier voor de [Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) (Rvb) aan het vermoedelijke slachtoffer. De politie vult voor de verzending de verklaring op de tweede bladzijde van het aanvraagformulier in. De politie voorziet het aanvraagformulier van een stempel. Het aanvraagformulier wordt eenmalig verstrekt en is geldig gedurende de drie maanden bedenktijd.
De IND kan de verblijfsvergunning zowel ambtshalve als op aanvraag verlenen.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan het gezinslid van de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken als de gezinsband al bestond vóórdat de gezinsleden Nederland binnenreisden.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan de leden van één gezin met verschillende nationaliteiten en/of waarvan de leden afkomstig zijn uit verschillende landen van herkomst als zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:
De IND verleent op grond van [artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) een verblijfsvergunning aan een vreemdeling die om medische redenen niet kan vertrekken als:
De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de vreemdeling bij tot de autoriteiten van zijn land van herkomst heeft geprobeerd een geldig document voor grensoverschrijding te krijgen:
De IND beschouwt een schriftelijke verklaring van de IOM dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren omdat hij stelt niet te beschikken over reisbescheiden als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich tot de IOM heeft gewend om zijn vertrek te bewerkstelligen.
De IND beschouwt uitsluitend een ambtsbericht van de DT&V, waarin wordt aangegeven dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, als bewijsmiddel dat de vreemdeling zich tot de DT&V heeft gewend en dat bemiddeling van de DT&V niet het gewenste resultaat heeft gehad.
De IND beschouwt een BMA-advies als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling om medische redenen niet kan reizen.
De politie zendt het verblijfsdocument voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, naar de IND.
Ingevolge [artikel 22, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken indien de vreemdeling langdurig ingezetene is geworden in een andere staat die partij is bij het EG-Verdrag.
De IND beschouwt een geldig paspoort dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.
De IND beschouwt een verklaring dat de vreemdeling afstand heeft gedaan als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit.
De IND beschouwt een kopie van een verklaring van de SVB waarin staat dat positief zal worden beslist op de aanvraag voor remigratievoorzieningen als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een aanvraag is ingediend voor remigratievoorzieningen op grond van de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424).
Een herhaalde aanvraag is een aanvraag, die op grond van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) kan worden afgewezen (zie [artikel 1, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)). Het gaat dus om een aanvraag die is ingediend overeenkomstig de formele vereisten van [artikel 3.26 tot en met 3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.26) of [artikel 3.30 tot en met 3.32 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.30).
Als de IND twijfelt aan de leeftijd van de betrokken vreemdeling en deze zijn gestelde leeftijd niet met bescheiden kan aantonen, kan de IND de vreemdeling in de gelegenheid stellen een leeftijdsonderzoek te laten verrichten. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek zijn nader uitgewerkt in [C 1/2/2](onbekend) en [C1/3](onbekend).
Als een verricht leeftijdsonderzoek niet met voldoende zekerheid tot een conclusie over de minder- of meerderjarigheid leidt, kan de IND de vreemdeling binnen één à twee jaar opnieuw oproepen voor een leeftijdsonderzoek.
De IND verstaat onder adequate opvang in het land van herkomst: iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden vergelijkbaar zijn met de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een gelijkwaardige positie als de vreemdeling bevinden.
Hoofdregel: De aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend bij de IND (zie [artikel 4:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:1), in samenhang met [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a)).
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan ambtshalve zonder nader onderzoek worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De verblijfsvergunning regulier (zowel voor bepaalde tijd als ook voor onbepaalde tijd) wordt op aanvraag verleend. Daarop bestaan ingevolge [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) slechts drie uitzonderingen, waarin de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) ambtshalve kan worden verleend. De verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ook van de hierboven genoemde verblijfsvergunningen (beperkingen), geschiedt op aanvraag. Deze verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan wel ambtshalve worden gewijzigd. Tenslotte wordt een verzoek om heroverweging van een eerdere afwijzende beschikking aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in [artikel 1, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) en leidt evenmin tot de ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan drie jaar na indiening van de verblijfsaanvraag worden verleend, als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
Een vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde kan een aanvraag en eventuele vervolgprocedures schriftelijk intrekken. Het op schrift gestelde dient wel ondertekend te zijn door de vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde.
De IND verleent de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s, ambtshalve of op aanvraag.
Er is enkel sprake van nieuwe feiten en omstandigheden indien die:
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder p, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘tijdelijke humanitaire gronden’.
Als de IND vreemdeling in het bezit stelt van een verblijfsvergunning in verband met remigratie, plaatst de IND in het geldig document voor grensoverschrijding de aantekening ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Op grond van a[rtikel 3.58, elfde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid voor amv’s voor vijf jaar.
Als de IND de vreemdeling in het bezit stelt van een verblijfsvergunning in verband met remigratie, dan verleent de IND op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) de verblijfsvergunning voor de duur van ten hoogste zes maanden.
De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij er op gewezen dat de aanvraag schriftelijk moet worden ingediend.
Per 1 juni 2013 geldt voor nieuwe verblijfsaanvragen nieuw beleid.
Indien de vreemdeling, die bij zijn laatste aanvraag nog niet de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, voldoet aan het gestelde in paragraaf B8/6 zal hij volgens nieuw recht worden beoordeeld.
Deze verplichting geldt niet voor de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één van de door de Minister van BuZa aangewezen landen dan wel de vreemdeling die een gemeenschapsonderdaan of burger van de EU is. Het gaat hier om de nationaliteiten van de volgende landen: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Vaticaanstad, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.
Van vreemdelingen, die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ zal de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd doorlopen en worden verlengd volgens de regels van het oude recht. Ook de mogelijkheden om na afloop van de drie jaar in aanmerking te komen voor voortgezet verblijf zullen blijven bestaan onder dezelfde voorwaarden. Ook hier geldt de uitzondering dat nieuw recht wordt toegepast wanneer dit voor hen gunstiger is.
In afwijking van de hoofdregel wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel ingediend bij de politie van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.
De politie stuurt de aanvraag na ontvangst per omgaande rechtstreeks door naar de IND, zodat op deze aanvraag binnen 24 uur kan worden beslist.
De betreffende instelling voor hoger onderwijs kan de aanvraag indienen namens de vreemdeling die onderwijs aan die onderwijsinstelling beoogt.
Nadat de rechtbank te ‘s-Gravenhage uitspraak heeft gedaan op het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), wijst de IND de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet af omdat de vreemdeling niet meer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, als de vreemdeling:
De IND beschouwt een uittreksel uit de GBA als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
De IND beschouwt een afschrift van het verzoek ex [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) aan de rechtbank als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat een procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap is aangespannen.
Aanvragen met betrekking tot het vervangen of het vernieuwen van verblijfsdocumenten om redenen als genoemd in [artikel 4.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.22) kunnen worden toegezonden aan de IND. De aanvrager kan daartoe via het landelijk nummer van de IND telefonisch een aanvraagformulier, aanvragen. Dit aanvraagformulier wordt door het Hoofd van de IND vast gesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld. Dit aanvraagformulier kan vervolgens, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bescheiden, worden geretourneerd aan de IND.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van één jaar.
Bij een aanvraag om eerste toelating zal het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na inreis op een geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor paalde tijd na inreis zonder geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot afgifte van een bewijs waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, aan de vreemdeling worden verstrekt. Indien de aanvraag wordt ingediend door middel van een brief die de bewoordingen van het toepasselijke formulier volgt en die alle daarbij gevraagde gegevens omvat, wordt deze – met inachtneming van de overige vereisten – in behandeling genomen.
De aanvraag wordt ondertekend door de vreemdeling zelf of door diens wettelijk vertegenwoordiger. Als zodanig gelden uitsluitend een ouder, voogd of curator (dus niet een advocaat of zaakwaarnemer). Degene die een aanvraag namens een minderjarig kind wenst in te dienen, toont aan diens wettelijk vertegenwoordiger te zijn. Indien dat niet is aangetoond, geeft de IND een termijn van drie maanden om dat gebrek te herstellen. Dat laatste geschiedt hetzij door een voogdijvoorziening in Nederland, hetzij door de ondertekening van de aanvraag namens het kind door de wettelijk vertegenwoordiger van het kind in het land van herkomst. Indien na afloop van de termijn van drie maanden de wettelijke vertegenwoordiging niet is geregeld en het kind jonger is dan twaalf jaar, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld. Indien het kind twaalf jaar of ouder is, kan genoegen worden genomen met ondertekening door het kind zelf.
De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, en de dagtekening van de aanvraag (zie [artikel 4:2, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Bij ontvangst van de aanvraag wordt aangetekend op welke datum de aanvraag is ontvangen.
De IND verleent vrijstelling van het vereiste over een geldig document voor grensoverschrijding te beschikken als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De IND wijst de aanvraag af als de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling met algemene middelen worden gefinancierd.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af om de reden dat de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan alsten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
Met een jaar direct voorafgaand aan de aanvraag, zoals bedoeld in [artikel 3.46, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46), bedoelt de IND dat sprake moet zijn van één aaneengesloten jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voordat de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het ondergaan van een medische behandeling indient.
De vreemdeling draagt zelf de volledige verantwoordelijkheid voor de tijdige indiening van de aanvraag. Als de vreemdeling de aanvraag voor de verblijfsvergunning niet tijdig indient, is er geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voorafgaande aan de aanvraag.
De IND beschouwt de aanvraag als tijdig ingediend als de vreemdeling de aanvraag in persoon bij de IND indient in de periode tussen:
Als de vreemdeling de aanvraag later indient dan 28 dagen nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is geëindigd, beschouwt de IND de aanvraag als tijdig, als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe rekenen. In deze gevallen geeft de IND toepassing aan [artikel 3.46, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46). De IND bekijkt of de te late indiening van de aanvraag de vreemdeling toe te rekenen is. De IND vindt in ieder geval dat de volgende omstandigheden geen verschoonbare redenen zijn voor de te late indiening:
Bij onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling telt de IND de voorgaande periode van rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet mee voor de periode van drie jaar rechtmatig verblijf die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet tijdelijk humanitair’ (zie in dit verband B9/8).
In het aanvraagformulier (voor de aanvraag verblijfsvergunning regulier zonder mvv of aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning) wordt de vreemdeling die verblijf beoogt op asielgerelateerde gronden verwezen naar één van de AC’s in Nederland ter indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
De IND beschouwt Nederland uitsluitend als het meest aangewezen land voor het ondergaan van een noodzakelijke medische behandeling, als bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46), als de vreemdeling voldoet aan elk van de voorwaarden die genoemd worden in de op de vreemdeling toepasselijke situatie van de hier, onder 1 t/m 6 genoemde situaties:
De IND concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst of een ander land waarheen de vreemdeling zich kan verwijderen, kan plaatsvinden in één van de volgende gevallen:
De IND verleent geen verblijfsvergunning, maar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) als de medische behandeling ter voorkoming van deze medische noodsituatie één jaar of korter zal duren (zie ook A4/7).
Onder langdurig verblijf verstaat de IND: verblijf voor een periode van ten minste vijf jaar, waarbij de IND onderbrekingen in het verblijfsrecht van minder dan een half jaar niet tegenwerpt.
Met mantelzorg bedoelt de IND dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg, zoals thuiszorg, is geen mantelzorg.
De procedure inzake de leges staat beschreven in B1/9.6.1.
Op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van de medische behandeling voor maximaal één jaar.
De IND beschouwt officiële bescheiden, zoals een familieboekje of overlijdensakte, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er geen gezins- of familieleden in het land van herkomst of bestendig verblijf zijn die geacht kunnen worden de mantelzorg op zich te nemen.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die:
Het gaat hier immers in wezen om een nieuwe aanvraag en niet zozeer om verlenging van de op grond van een andere beperking verleende verblijfsvergunning. Doorgaans zal ten behoeve van deze nieuwe aanvraag andere informatie nodig zijn dan waarover de IND al beschikt en die zonodig in het kader van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden aangevuld.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als de vreemdeling in aanvulling op de in B9/2.2.1 genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, nadat het Nederlanderschap is verleend en voordat het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) zou worden ingetrokken.
Ingeval van een niet in persoon ingediende aanvraag zal de vreemdeling veelal gegevens en bescheiden in kopie overleggen en niet in origineel. Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.102, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102) toont de vreemdeling op verzoek van de Minister de originele gegevens en bescheiden.
De IND verleent, in aanvulling op [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder g, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als:
De vreemdeling aan wie het is toegestaan na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland te verblijven, hangende de beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, kan ten bewijze van dit rechtmatig verblijf een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) verkrijgen. Op de sticker worden de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘verlenging aangevraagd voor de geldigheidsduur op’ of na de tekst ‘aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning’. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens bepaalt een ambtenaar van de IND de tijd en locatie waar de sticker kan worden verkregen. Het vorenstaande is tevens van toepassing op de vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
De IND beoordeelt of Nederland het meest aangewezen land is, zoals bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder f, sub 2, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en betrekt daarbij in ieder geval één of meer van de volgende omstandigheden:
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling:
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken.
De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B7. Het toetsmoment is het moment van de aanvraag.
Onder gezinsleden verstaat de IND:
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht als de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:
Als sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.
Als de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt ingevolge [artikel 30, eerste lid onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.
Als de gezinsband is verbroken, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor het betreffende gezinslid.
De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:
De IND verleent de verblijfsvergunning niet als de vreemdeling of van één van de gezinsleden een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval als:
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
Het innen van de leges geschiedt door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), welke organisatie ten behoeve van de Minister administratieve ondersteuning verleent bij de inning van de legesgelden. Op grond van de door de IND verstrekte gegevens wordt vervolgens door het CJIB binnen zes werkdagen een factuur met een acceptgiro vervaardigd die aan de vreemdeling wordt toegezonden.
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND de verblijfsvergunning alleen als de vreemdeling naast in B9/7.1 genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij vijf jaren in het kader van verruimde gezinshereniging een verblijfsvergunning heeft voor verblijf bij een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft.
De aanvrager wordt daarbij een termijn gesteld van vier weken om het legesbedrag te voldoen. Indien hij de leges na ommekomst van deze periode niet heeft betaald, dan wordt door het CJIB een aanmaning gestuurd om binnen twee weken alsnog te betalen. Deze aanmaning geldt als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim.
Indien de vreemdeling in bewaring is gesteld en een aanvraag indient, worden met het oog op de efficiënte afdoening van de aanvraag geen leges geheven. Zie [A6/5.3.4.4](onbekend) voor de procedure ter zake van het indienen van een aanvraag in de situatie waarin de vreemdeling in bewaring is gesteld. Op de aanvraag wordt onverwijld beslist, opdat – indien de aanvraag niet wordt ingewilligd – de feitelijke uitzetting doorgang kan vinden.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onderdeel a, ten tweede](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), en artikel 3.51, eerste lid, onderdeel b, Vb, uitsluitend als de vreemdeling voldoet aan de volgende voorwaarden:
Vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend (onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv, als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, of met verblijf op grond van het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag) zijn in het algemeen geen leges ter zake van afdoening van een aanvraag verschuldigd. Zij hebben immers geen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier ingediend, maar een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor de afdoening waarvan geen leges zijn verschuldigd.
Een vreemdeling kan een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van [artikel 3.51 eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) als hij:
In bovengenoemde gevallen verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ als de vreemdeling aantoont dat de dreiging op grond waarvan de verblijfsvergunning is verleend voortduurt.
De IND wijst de aanvraag voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af als de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan of een verklaring van een referent (als gevolg van [art. 3.51, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
De IND houdt bij de beoordeling rekening met de situatie van vreemdelingen en hun kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten.
De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als:
De IND verleent de verblijfsvergunning als de vreemdeling aantoont dat huiselijk geweld binnen de familie heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.
Bij een minderjarige vreemdeling is het in verband met de leeftijd van de vreemdeling niet noodzakelijk dat de gezinsband met de referent is verbroken.
De IND kent aan deze factoren zwaar gewicht toe als:
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND de verblijfsvergunning als de vreemdeling aangifte heeft gedaan als slachtoffer van mensenhandel of op andere wijze medewerking heeft verleend aan de opsporing en vervolging daarvan en voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
Een veroordeling op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) verleent de IND een verblijfsvergunning als:
De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:
De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:
Voor het geval dat de leges niet zijn voldaan geldt – behoudens het bepaalde in B1/9.4 onder B – de aanmaning door het CJIB als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim, voorzover niet is voorgeschreven dat de leges in persoon moeten worden voldaan (zie ook B1/9.6.1, procedure leges).
Indien de wettelijke vertegenwoordiging van een minderjarige geregeld moet worden, wordt een termijn van drie maanden gegeven (zie ook B1/9.1.1, ondertekening van de aanvraag). De beslissing om een nadere aanvulling van de aanvraag te verlangen, is een voorbereidingshandeling waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt (zie [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3)).
Volgens de jurisprudentie van het EHRM wordt het begrip privéleven gevormd door de volgende elementen:
De IND betrekt bij de beoordeling van een beroep op het uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 EVRM in ieder geval:
Indien de vreemdeling niet aanstonds een geldig document voor grensoverschrijding over kan leggen, bedraagt de redelijke termijn in beginsel vier weken. Een kortere termijn kan echter worden gesteld, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien de vreemdeling binnen een kortere periode een geldig document over kan leggen, ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld, of het een herhaalde aanvraag betreft. Ook hier betreft het een afwijzingsgrond.
De IND neemt inmenging in het privéleven aan, als de vreemdeling:
Indien de relatie is verbroken met degene bij wie verblijf wordt beoogd, is niet voldaan aan een voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning en geen sprake van verzuim.
Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de IND een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe.
De IND bepaalt de uitgangspositie van de belangenafweging mede door de omstandigheid of sprake is van inmenging. Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.
Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling.
Een zodanige verplichting is er met name indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de vreemdeling betreffen, die gegevens afwijken van gegevens die de vreemdeling zelf heeft verstrekt, en de afwijking van meer dan slechts geringe betekenis voor de vreemdeling kan zijn.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder r, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ’niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ’Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Op grond van [artikel 3.58, achtste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58) verleent de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking: ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ voor de duur van vijf jaar.
De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (zie [artikel 25, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25)). Dat geldt zowel voor de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), alsook voor de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of tot het wijzigen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd).
Op grond van [artikel 3.59, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59) verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar.
De IND trekt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ niet in en wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning niet af als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend. Onder de oorspronkelijke verblijfsvergunning verstaat de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die voorafging aan de verlening van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
De IND merkt de aanvraag van de afhankelijke gezinsleden van oud-Nederlanders om opnieuw te worden toegelaten tot Nederland aan als een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als:
Als de IND verblijfsrecht van de oud-Nederlander niet beëindigt, dan beëindigt de IND evenmin het verblijfsrecht van de afhankelijke gezinsleden als de afhankelijke gezinsleden niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan en niet samenwonen met de oud- Nederlander.
Verlenging van de beslistermijn met toepassing van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet mogelijk indien het gaat om mvv-aanvragen.
Bij de kennisgeving van de verlenging van de beslistermijn wordt aangegeven waarom de beslistermijn wordt verlengd. Tevens wordt aangegeven dat tegen de verlenging geen bezwaar kan worden gemaakt.
De IND beschouwt conform het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) en de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling is vrijgesteld van het afleggen van het inburgeringsexamen één van onderstaande bescheiden:
De IND beschouwt als bewijsmiddel voor de medische ontheffing:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het inburgeringsexamen af te leggen:
Opschorting van de beslistermijn sluit niet uit de verlenging van de beslistermijn met toepassing van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25).
De IND beschouwt een geboorteakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling geboren is in Nederland.
De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.
De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.
De IND beschouwt een uittreksel uit de GBA als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
De IND beschouwt een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bewijs dat de aanvraag binnen twee jaar na intrekking van het Nederlanderschap is ingediend.
De IND beschouwt een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling het Nederlanderschap heeft verloren.
De IND beschouwt een uittreksel uit de GBA waarin de datum is opgenomen waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen twee jaar nadat door de vreemdeling afstand is gedaan van het Nederlanderschap.
De IND beschouwt een afschrift van de beschikking van de SVB, waarin het recht op de basisvoorzieningen of de remigratievoorzieningen is toegekend en waarin de vertrekdatum van de vreemdeling is vermeld, als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend binnen één jaar na remigratie uit Nederland met toepassing van de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424).
De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling minderjarig is.
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de medische behandeling van de vreemdeling voor ten minste één jaar noodzakelijk is:
De IND beschouwt als bewijsmiddel van huiselijk geweld:
De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling.
De IND beschouwt een verklaring van de politie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat van de vreemdeling nog steeds niet verwacht kan worden medewerking te verlenen aan het strafproces, omdat de ernstige bedreigingen in Nederland door de mensenhandelaar voortduren.
De IND beschouwt een afschrift van de rechterlijke uitspraak in de strafzaak als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling voor mensenhandel.
De IND beschouwt bewijsstukken waaruit de banden met Nederland en de intensiteit daarvan blijken als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling privéleven heeft opgebouwd in Nederland.
Aangezien bij de totstandkoming van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en aanverwante regelgeving veel beleidsregels tot algemeen verbindend voorschrift zijn verheven, is de toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid drastisch beperkt.
wordt het kind zelf in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.
In dit onderdeel worden de algemene regels behandeld voor de kennisgeving van beschikkingen, met name betreffende de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en die voor onbepaalde tijd (zie [artikel 24, eerst lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) juncto [artikel 3.104 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.104)). De termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voor geschreven wijze is bekendgemaakt. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht.
In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van [richtlijn 2004/38/EG](32004L0038). In [richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) staan de regels voor het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie van burgers van de Unie en hun familieleden.
De beleidsregels in deze paragraaf zijn ook van toepassing op onderdanen van de Europese Economische Ruimte en Zwitserland, omdat zij zijn gelijkgesteld met burgers van de Unie.
De IND verstaat onder onderdanen van een derde land: vreemdelingen die geen burger van de Unie zijn of onderdaan van de EER, of Zwitserland.
De IND verstaat onder familieleden van een burger van de Unie: familieleden als bedoeld in [artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), ongeacht hun nationaliteit, tenzij anders vermeld.
De politie zendt de bijlage van de originele beschikking retour onder vermelding van de datum en de wijze van uitreiking en de datum van toezending van de informatiekopie (het tweede exemplaar) aan de gemachtigde van betrokkene.
In aanvulling op [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) geldt dat [richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) niet van toepassing is op Nederlanders die ook de nationaliteit van een andere lidstaat hebben, die het recht van vrij verkeer nooit hebben uitgeoefend en die altijd hier te lande hebben verbleven.
Een familielid van een burger van de Unie verliest niet de rechten, die al aan het EU-recht werden ontleend als de burger van de Unie naturaliseert tot Nederlander (al dan niet met verlies van de oorspronkelijke nationaliteit).
Als een familielid als bedoeld in [artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en artikel 8.7, derde lid, Vb stelt ten laste te zijn van een burger van de Unie, dan beoordeelt de IND of dit familielid, op het moment dat dit familielid verzocht om hereniging met de burger van de Unie, in het land van herkomst of het land vanwaar het familielid kwam (d.w.z. niet in Nederland) gezien zijn financiële en sociale toestand materiële steun nodig had om in zijn basisbehoeften te kunnen voorzien.
In alle gevallen moet het gaan om een bestaande duurzame relatie.
In aanvulling op [artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) beschouwt de IND een burger van de Unie als werknemer of zelfstandige als deze reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Van reële en daadwerkelijke arbeid is in ieder geval sprake als:
In aanvulling op [artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) verstaat de IND onder ‘beroepsopleiding’ iedere onderwijsvorm (inclusief stage) die opleidt voor een:
In aanvulling op [artikel 8.12, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) beschouwt de IND de burger van de Unie in ieder geval niet als onvrijwillig werkloos als de burger van de Unie:
De IND wijst de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht van een familielid af als blijkt dat de vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) op het moment van het indienen van de aanvraag geen reële en daadwerkelijke arbeid meer verricht of voor zichzelf en zijn familieleden niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De IND verstrekt deze sticker niet als:
De IND stelt een Roemeen of Bulgaar in het bezit van een verblijfsdocument met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’ als:
In alle overige gevallen wordt de Roemeen of Bulgaar door de IND in het bezit gesteld van een verblijfsdocument met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV' of in geval dat werkzaamheden worden verricht in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening: 'TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.
De IND telt bij de beoordeling of de Roemeen of Bulgaar volledige toegang heeft tot de arbeidsmarkt de geldigheidsduur van TWV’s die zijn verleend voor de duur van minder dan twaalf maanden bij elkaar op, op voorwaarde dat sprake is van een aaneengesloten periode.
In aanvulling op [artikel 8.13, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13) verstrekt de IND aan een familielid dat wil verblijven bij een Roemeen of Bulgaar onmiddellijk na indiening van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht de sticker ‘Verblijfsaantekening algemeen’ ([VV bijlage 7g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) met dezelfde aantekening als de Roemeen of Bulgaar.
De aantekening ‘vervallen’ op de sticker moet worden gedateerd en geparafeerd.
Op grond van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling tevens als sprake is van kunstmatig gedrag dat als enig doel heeft het door het EU-recht gewaarborgde recht van vrij verkeer en verblijf te krijgen en dat, hoewel het formeel voldoet aan de voorwaarden die het EU-recht stelt, in strijd is met het doel van het EU-recht.
De IND beschouwt in ieder geval het verkrijgen van verblijfsrecht op grond van [richtlijn 2004/38/EG](32004L0038) met het enkele doel om inbreuk te maken op de nationale wet- en regelgeving als strijdig met het EU-recht.
Op grond van [artikel 8.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf als het persoonlijke gedrag van een burger van de Unie of diens familielid een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij analoge toepassing van [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) of [3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden.
De IND ontzegt of beëindigt het rechtmatig verblijf ook op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging of beëindiging zou kunnen leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de IND de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in [artikel 3.86, vierde en vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86).
Op grond van [artikel 8.23, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23) ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als de in artikel 8.23, eerste lid, Vb genoemde gevallen zich voordoen.
Tenzij persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, beëindigt de IND in aanvulling op [artikel 8.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.16) het verblijf bij een beroep op de algemene middelen als de burger van de Unie of diens familielid:
Een (aanvullend) beroep op een uitkering in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) heeft in ieder geval géén gevolgen voor het verblijfsrecht als de burger van de Unie of diens familielid:
De IND beëindigt het verblijfsrecht van een burger van de Unie niet wegens een (aanvullend) beroep op een uitkering in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) als:
Het verblijfsrecht van de burger van de Unie die de verzorgende ouder is van een minderjarig kind, eindigt bij de meerderjarigheid van het kind, tenzij de aanwezigheid van de verzorgende ouder nodig is om de opleiding te kunnen voortzetten en voltooien.
De IND verstaat onder een aanvullend beroep op een uitkering in het kader van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) een beroep van maximaal 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. Als de burger van de Unie of diens familielid een uitkering [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) krijgt van meer dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm, dan beschouwt de IND dit als een **meer** dan aanvullend beroep.
In aanvulling op [artikel 8.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.16) geldt dat de IND:
Na een beslissing van de IND tot ontzegging of beëindiging van het rechtmatig verblijf geldt het volgende:
De vertrektermijn wordt alleen bekort tot minder dan vier weken in dringende gevallen in de zin van [artikel 8.24, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24). Hiervan is in ieder geval sprake als:
Zie voor de toepasselijke algemene regels B1/5.3. Ingevolge [artikel 3.104, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.104) dient de vreemdeling bij de bekendmaking van de beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag, bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), te worden meegedeeld welke rechten en plichten hij heeft krachtens Richtlijn 2003/109.
De IND beschouwt een EU-verblijfsdocument, afgegeven door de autoriteiten van de andere lidstaat, in beginsel als bewijsmiddel van verblijf in een andere lidstaat op grond van het EU-recht.
In aanvulling op [artikel 8.13, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13) beschouwt de IND als bewijsmiddel:
Zie B10 voor de specifieke bepalingen ten aanzien van ‘duurzaam verblijf’ van onderdanen van de EU/EER en onderdanen van Zwitserland zie B10).
Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van internationale Verdragen. Alleen de Verdragen die verblijfsrechtelijke gevolgen hebben, zijn opgenomen in dit hoofdstuk. Verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM is opgenomen in B7/3.8.
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 7.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=7.2) en [8.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.26).
In deze paragraaf worden de rechtsmiddelen bezwaar, (administratief) beroep en hoger beroep behandeld, voorzover die niet zijn gericht tegen vrijheidsbenemende en -beperkende maatregelen en besluiten omtrent een verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd.
Dit Verdrag is alleen voor onderdanen van Turkije, Servië, Montenegro, Macedonië en Andorra van belang.
De IND verstaat onder rechtmatig verblijf in overeenstemming met artikel 11 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder a tot en met h, en j en l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De IND verstaat onder ‘repatriëring’ verblijfsbeëindiging, inclusief uitzetting. De IND verstaat onder ‘het behoeven van bijstand’ het doen van een beroep op de algemene middelen.
Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand beëindigt de IND het verblijf van de rechtmatig verblijvende onderdaan van een andere partij die een beroep doet op de algemene middelen uitsluitend als de vreemdeling:
De IND beëindigt het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een beroep doet op de algemene middelen in ieder geval niet als de vreemdeling:
Naarmate de vreemdeling langer in Nederland verblijft, neemt de IND eerder aan dat de vreemdeling een bijzondere band met Nederland heeft.
Indien de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden ([artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6)), wordt de werking van het afwijzende besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht (zie [artikel 73, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). Indien het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, wordt de werking van het (afwijzende) besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht (zie [artikel 73, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)).
Het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers is alleen van belang voor Turkse werknemers en alleen voor zover Turkse werknemers geen rechten kunnen ontlenen aan Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije. Daarnaast is het van belang voor onderdanen van Albanië, Moldavië en Oekraïne.
De IND neemt in ieder geval aan dat geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid als sprake is van één van de situaties zoals opgenomen in paragraaf B5/5 Vc onder verwijtbare werkloosheid.
Het rechtsmiddel is tijdig aangewend, indien
Indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest, mag de behandeling van het bezwaarschrift derhalve ondanks de termijnoverschrijding, wel in Nederland worden afgewacht.
In deze paragraaf zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven op grond van de Associatieovereenkomst EG-Turkije, het aanvullend protocol EG-Turkije en Besluit 1/80.
Besluit 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden. Besluit 1/80 ziet niet op eerste toelating. Aan de artikelen 6, eerste lid, en 7, Besluit 1/80 kan een vreemdeling recht op voortgezette arbeid ontlenen. Dit recht op voortgezette arbeid brengt een recht op voortzetting van verblijf met zich mee. Dit verblijfsrecht ontstaat en vervalt van rechtswege.
De IND legt de begrippen ‘werknemer’ en ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ voor zover gebruikt in deze paragraaf, op dezelfde wijze uit als in paragraaf B10/2 Vc. Onder ‘gezinsleden’ verstaat de IND de echtgenoot of geregistreerd partner van de Turkse werknemer, hun bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot of geregistreerd partner, die te hunnen laste zijn.
Indien sprake is van een herhaalde aanvraag waarbij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot heroverweging van het eerdere oordeel aanleiding geven, kan de herhaalde aanvraag met toepassing van [artikel 4:6, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) worden afgewezen. Dit houdt in dat in de afwijzende beschikking ten aanzien van de motivering wordt verwezen naar de eerdere afwijzende beschikking. Bij een dergelijke afwijzing van de aanvraag mag de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in de procedures tegen die afwijzing - het bezwaar en het (eventueel daarop volgende) beroep - niet in Nederland worden afgewacht.
De IND betrekt bij de beoordeling of het verblijf van een ((ex-) gezinslid van een) Turkse onderdaan beëindigd moet worden ambtshalve of de verblijfsbeëindiging in strijd is met Besluit 1/80.
De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 als de vreemdeling in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning op grond waarvan hem is toegestaan die arbeid te verrichten. De IND neemt ook aan dat sprake is van legale arbeid als bedoeld in artikel 6 Besluit 1/80 als de vreemdeling arbeid heeft verricht tijdens de procedure ter verkrijging (of herkrijging) van een verblijfsvergunning en voor (een deel van) deze periode alsnog een verblijfsvergunning verkrijgt.
De IND verstaat ook onder 'dezelfde werkgever' als bedoeld in artikel 6, eerste lid, eerste streepje, Besluit 1/80:
De IND gaat ervan uit dat na drie jaar onafgebroken legale arbeid bij dezelfde werkgever het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Besluit 1/80 van toepassing is.
Als een Turkse werknemer nog geen drie jaar beschikt over een verblijfsvergunning met de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ en binnen drie jaar van werkgever wisselt, geldt de voorwaarde dat met de arbeid voor de nieuwe werkgever een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend.
De IND past de tijdvakken als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80 alleen toe op Turkse werknemers die ten minste één jaar, maar minder dan drie jaar legale arbeid hebben verricht bij dezelfde werkgever.
Op grond van artikel 7, eerste alinea, Besluit 1/80 ontstaat voor het gezinslid van een Turkse werknemer een recht op voortzetting van verblijf als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:
De IND acht het bij de beoordeling of een verblijfsrecht ontstaat op grond van artikel 7, tweede alinea, Besluit 1/80, niet van belang:
Indien de vreemdeling in bewaring is gesteld, wordt de werking van het afwijzende besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht. Indien de vreemdeling hangende het bezwaarschrift in bewaring wordt gesteld, eindigt daarmee de opschorting van de werking van het afwijzende besluit. Vanaf dat moment mag de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet meer in Nederland afwachten (zie [artikel 73, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)).
De IND verleent de verblijfsvergunning ontleend aan het eerste of het derde streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 onder de beperking: 'arbeid in loondienst'.
De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het eerste streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 luidt: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’ zoals bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder f, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1).
De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het derde streepje van artikel 7, Besluit 1/80 luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist' zoals bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1).
De IND voorziet de verblijfsvergunning die is ontleend aan artikel 6, Besluit 1/80 van de aantekening: ‘Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.'
De IND verleent de verblijfsvergunning op grond van artikel 6, Besluit 1/80 voor de duur van de arbeidsovereenkomst met een maximum van vijf jaar.
De IND verleent de verblijfsvergunning die is ontleend aan artikel 7, Besluit 1/80 voor de duur van vijf jaar.
Bij een ongewenstverklaarde vreemdeling zullen redenen van openbare orde dan wel de nationale veiligheid zich tegen het afwachten van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening verzetten. Een ongewenstverklaarde vreemdeling zal derhalve de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening niet in Nederland mogen afwachten.
De IND ontzegt of beëindigt het verblijfsrecht van een Turkse werknemer en zijn gezinsleden die vallen onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, of 7, Besluit 1/80, als sprake is van één van de volgende gevallen:
De IND trekt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet met terugwerkende kracht in omdat niet langer wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend, als:
De [artikelen 8.22, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22), [8.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23) en [8.24 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.24) zijn van overeenkomstige toepassing.
De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling de legale arbeidsmarkt heeft verlaten als hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of blijvend en volledig arbeidsongeschikt is geworden of hij anderszins objectief gezien geen enkele kans maakt op re-integratie op de arbeidsmarkt.
De IND beschouwt in ieder geval als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van legale arbeid:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van daadwerkelijk naar werk zoeken:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van een reële kans op werk een brief van een beoogde werkgever waaruit blijkt dat de sollicitatieprocedure wordt voortgezet.
De IND beschouwt in ieder geval als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat sprake is van onafgebroken en daadwerkelijk samenwonen:
De beslissing op een administratief beroepschrift moet binnen zestien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, worden genomen ([artikel 7:24, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:24)). De beslissing op een administratief beroepschrift kan met tien weken worden verdaagd (artikel 7:24, vierde lid, Awb). Dat moet schriftelijk (artikel 7:24, zevende lid, Awb) en behoeft geen instemming van de vreemdeling. Verdere uitstel dan met die tien weken kan uitsluitend voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener van het beroepschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, of als dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (artikel 7:24, zesde lid, Awb). Omdat besluiten omtrent de verlening, verlenging en intrekking van verblijfsvergunningen, alsmede afwijzing van aanvragen altijd namens de Minister worden genomen, staat daartegen geen administratief beroep, maar bezwaar open.
In bezwaar en administratief beroep zijn in reguliere zaken de bepalingen van de Awb van toepassing, voorzover daarvan niet is afgeweken bij [artikel 72 tot en met 77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=72) dan wel [artikel 1.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.8).
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven:
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van [artikel 3.29a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.29a).
In aanvulling op [artikel 3.29a, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.29a) accepteert de IND alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, etcetera). Voorwaarde voor het accepteren door de IND van alle middelen van bestaan ongeacht de bron waaruit deze afkomstig zijn, is dat met deze middelen wordt voorkomen dat de economisch niet-actieve langdurig ingezetene voor zichzelf en zijn gezinsleden een beroep doet op het Nederlandse stelsel van sociale bijstand.
De IND verleent de verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) aan de vreemdeling op wie artikel 13
Besluit 1/80 van toepassing is, als:
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene’.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder m, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, onder k, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening voor economisch niet-actieve langdurig ingezetenen: 'Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste 12 maanden vereist'.
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening voor het zoeken of verrichten van arbeid al dan niet in loondienst: 'Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist'.
Op grond van [artikel 3.58, achtste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van vijf jaar aan economisch niet-actieve langdurig ingezetenen.
Op grond van [artikel 3.58, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), verleent de IND de verblijfsvergunning voor de duur van ten hoogste één jaar voor het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst.
Indien de ACVZ is of wordt ingeschakeld, beslist niet de ACVZ of met toepassing van [artikel 7:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) van het horen kan worden afgezien, doch het bestuursorgaan, dat wil zeggen de Minister.
De IND beschouwt het gestelde in paragraaf B1/8.3.4 als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de economisch niet-actieve langdurig ingezetene beschikt over middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene heeft in een andere lidstaat:
In het kader van de hieronder uitgewerkte regeling kan een vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, indien:
Met ingang van 1 oktober 2009 zijn als gevolg van een wijziging van de Awb ([artikel 7:10 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) is gewijzigd m.i.v. 1 oktober 2009 ingevolge art. I, onderdeel B, van de wet van 18 juni 2009, Stb. 384) de beslistermijnen en de termijnen voor verdaging voor bezwaar en administratief beroep gewijzigd en zijn de opschortingsmogelijkheden voor bezwaar en administratief beroep uitgebreid. Voor bezwaar- en administratief beroepschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009, vangt de beslistermijn aan op de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaar- of beroepschrift is verstreken. De termijn eindigt met de verzending van de beschikking. De verplichting tot het beslissen vervalt, voorzover hier van belang, indien het bezwaar- of beroepschrift schriftelijk (of tijdens het horen: mondeling) wordt ingetrokken.
De beslissing op het bezwaarschrift tegen een – al dan niet door de korpschef genomen – beschikking, kan bij kennisgeving met zes weken worden verdaagd. Dat moet schriftelijk ([artikel 7:10, derde en vijfde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)) en behoeft geen instemming van de vreemdeling.
In aanvulling op [artikel 3.96a, tweede lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) geldt dat de IND niet verlangt dat de vreemdeling gedurende acht jaar **ononderbroken** was ingeschreven in de GBA of rechtmatig in Nederland verbleef.
Op grond van [artikel 3.96a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) ontheft de IND de vreemdeling van de wettelijke verplichting het inburgeringsexamen te behalen als hij aantoont dat hij een zodanige psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaren niet in staat is om het inburgeringsexamen te behalen.
In dit verband wordt ook verwezen naar paragraaf B9/7.1, ad 2 Vc.
De IND wijst de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als langdurig ingezetene af als in ieder geval één van de in [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde gronden zich voordoet en [artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) hierop geen uitzondering maakt.
De IND wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ niet af op grond van [artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) als de vreemdeling op het moment van het nemen van het besluit vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft.
Met vakantie van rechtshulpverleners wordt in de hieronder genoemde gevallen rekening gehouden indien deze ten minste één maand tevoren schriftelijk is gemeld aan de IND. Een en ander moet door de rechtshulpverlener ook in elke betreffende zaak worden bevestigd. De termijn wordt op vijf werkdagen na de vakantie van de rechtshulpverlener bepaald. Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald.
De IND neemt aan dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht van de vreemdeling als bedoeld in [artikel 21, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) als:
Verzoeken om uitstel wegens wijziging van rechtshulpverlener worden afgewezen. Wijziging van rechtshulpverlener is een verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling en de betreffende rechtshulpverleners tezamen. Zij dienen er in onderling overleg op toe te zien dat bij de wijziging een goede overdracht plaatsvindt en er geen termijnen worden geschonden. Indien de gronden niet of niet tijdig worden ingediend wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, tenzij:
Als de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan ter hoogte van minimaal het normbedrag voor alleenstaanden als bedoeld in [artikel 3.19, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19), telt de IND het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van het gezinslid bij wie hij verblijft mee bij de berekening van de middelen van bestaan. In dat geval geldt het toepasselijke normbedrag voor gezinnen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
De IND beoordeelt of sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. In welk geval hiervan in ieder geval sprake is staat vermeld in paragraaf B1/4.4 Vc.
Aldus is gezinsvorming een bijzondere vorm van gezinshereniging. Verder wordt met de aansluiting bij het begrip ‘hoofdverblijf’ voorkomen dat ook in geval van een tijdens een buitenlandse vakantie van een in Nederland gevestigde persoon gesloten huwelijk, om de enkele reden dat het huwelijk buiten Nederland tot stand is gekomen, sprake zou zijn van ‘gezinshereniging’.
Op grond van [artikel 21, eerste lid, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleent de IND de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ niet als sprake is van een vreemdeling die:
De ABRvS bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Ook is het mogelijk dat de ABRvS de zaak terugverwijst naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld. Dit is mogelijk indien – voorzover hier van belang – de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de afdeling deze uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep of indien dan de afdeling om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw moet worden behandeld. In het geval de afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep kan de afdeling ook zonder terugverwijzing de zaak afdoen, indien zij naar haar oordeel geen nadere beoordeling door de rechtbank behoeft. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier van de ABRvS een afschrift van de uitspraak aan de belanghebbende en aan de Minister voor I&A.
Hoger beroep bij de ABRvS schort de werking van de uitspraak van de vreemdelingenkamer niet op.
De Voorzitter heeft de mogelijkheid in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening ook onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dit geldt ook indien het verzoek niet ter zitting is behandeld.
De IND maakt gebruik van de bevoegdheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens gevaar voor de openbare orde op nationale gronden af te wijzen, zoals bedoeld in [artikel 21, eerste lid, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), [artikel 21a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) en [artikel 3.92, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden.
De IND wijst deze aanvraag niet af als de vreemdeling:
De IND verleent de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op grond van [artikel 8 van de Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) als:
De IND wijst deze aanvraag niet af als:
De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) op nationale gronden.
De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan een ex-geprivilegieerde na beëindiging van diens bijzondere status als wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.93, eerste lid, Vb, artikel 3.93, zesde lid, Vb en artikel 3.96a Vb.
**Frauduleuze verkrijging**
Voor het aannemen van frauduleuze verkrijging als bedoeld in [artikel 3.95, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95) is als regel opzet vereist. Hierbij is niet van belang of de gegevens door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) niet verleend als de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd:
De IND verleent op grond van [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
Paragraaf B9/13.1 Vc is van toepassing.
De IND beschouwt als bewijsmiddel dat de ex-geprivilegieerde tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven:
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit een familierechtelijke relatie moet blijken:
Een geregistreerd partnerschap is naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig als het een wettelijk geregelde samenlevingsvorm betreft van twee personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden. Deze samenlevingsvorm moet ten minste:
Het is mogelijk dat een huwelijk of geregistreerd partnerschap, gesloten volgens de wet van het land waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden, wegens strijd met de openbare orde niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Het onthouden van erkenning aan een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap brengt met zich mee dat aan dat huwelijk of geregistreerd partnerschap niet de rechtsgevolgen kunnen toekomen die wel aan een rechtsgeldig en erkend huwelijk toekomen. Dit betekent dat verlening van een verblijfsvergunning op basis van een niet erkend huwelijk of geregistreerd partnerschap niet mogelijk is. In gevallen waarin twijfel bestaat over de rechtsgeldigheid van een in het buitenland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap dient contact te worden opgenomen met de IND.
Voor de te volgen handelwijze bij de uitvoering van de Wet voorkoming schijnhuwelijken zie B2/3.
Het bestaan van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij één van de uitzonderingen genoemd in B2/7 van toepassing is.
Het bestaan van een in Nederland geregistreerd partnerschap wordt aangetoond met een afschrift van de akte van de burgerlijke stand.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In afwijking hiervan wordt de aanvraag, ingediend door de (huwelijks)partner van een Nederlander, van een houder van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, slechts afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling:
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleend, indien de hoofdpersoon in Nederland verblijft als:
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
Voor zover is komen vast te staan dat de hoofdpersoon eerder als hoofdpersoon heeft opgetreden in een procedure voor gezinshereniging of -vorming met een vreemdeling, waarbij de hoofdpersoon deze laatste vreemdelinge tegen haar wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst heeft achtergelaten, geldt het volgende. In dat geval heeft de alimentatie die moet worden betaald aan de ex-echtgenote of de voormalige geregistreerd partner wel invloed op de hoogte van de middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Het betreft hier zowel de alimentatie voor de huwelijks- of geregistreerde partner, als de alimentatie voor de kinderen. De alimentatie die de hoofdpersoon betaalt wordt in mindering gebracht op diens inkomsten. Of sprake is van achterlating door de hoofdpersoon en of door de hoofdpersoon alimentatie wordt betaald, wordt slechts onderzocht indien daarvoor in het vreemdelingendossier concrete aanwijzingen zijn. In voorkomende gevallen kan worden gevraagd om overlegging van het echtscheidingsconvenant, de echtscheidingsbeschikking of de uitspraak waarbij de alimentatie is opgelegd, of de overeenkomst van ontbinding van het geregistreerde partnerschap waarbij de alimentatie overeen is gekomen. Worden deze niet overgelegd, dan is niet aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste en wordt de aanvraag afgewezen.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge de [artikelen 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) en [3.15, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
Ingevolge [artikel 3.13, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) en [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
De [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat naast de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten ook uit de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. Wanneer de hoofdpersoon ingevolge de WIA onder deze regeling valt, is in ieder geval géén sprake van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de belastingdienst en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast dienen de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de GBA te staan ingeschreven.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in Nederland met hun echtgeno(o)t(e) dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld.
Het voorstel tot opheffing van de samenwoningsverplichting voor echtgenoten in het Burgerlijk Wetboek laat onverlet dat samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding in andere regelgeving als voorwaarde kan worden gesteld voor het laten intreden van bepaalde rechtsgevolgen. Dat is in de toelichting op genoemd wetsvoorstel nadrukkelijk veilig gesteld.
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag, indien deze is ontvangen vóór 15 februari 2005, getoetst aan het recht zoals dat luidde voor die datum.
In afwijking van de voorgaande alinea’s wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
Op grond van [artikel 9, eerste lid, Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=9), hebben personen die aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wwb (kort gezegd) de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, alsook de verplichting gebruik te maken van door het college van B&W aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden tezamen de plicht tot arbeidsinschakeling genoemd.
[Artikel 9, tweede lid, Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=9) geeft het college van B&W de bevoegdheid om in individuele gevallen tijdelijk te ontheffen van de plicht tot arbeidsinschakeling. Van een bevoegdheid om een burger blijvend vrij te stellen van deze verplichting, is geen sprake. Derhalve wordt de vraag of het voor een hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, beoordeeld aan de hand van ervaringen in het verleden.
Als redelijke termijn, waarbinnen arbeidsmarktinschakeling niet te voorzien moet zijn, wordt aangemerkt een termijn van een jaar.
In geval van gezinshereniging met een houder van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd wordt de aanvraag ingevolge [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien:
Dit vormt een aanvulling op de regeling van [artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29). Ingevolge die regeling kunnen gezinsleden onder omstandigheden, met voorbijgaan aan het middelenvereiste, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden vragen om gezinshereniging maar niet in aanmerking komen voor een «afgeleide» verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw, omdat zij een andere nationaliteit bezitten dan de hoofdpersoon, kunnen op grond van deze aanvulling met voorbijgaan aan het middelenvereiste in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig, indien het gezinslid de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen bij de beoordeling van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging. Bij de toepassing van het onder 1 gestelde wordt bij de bepaling van het begin van de termijn van drie maanden uitgegaan van de datum van bekendmaking van de beschikking, waarbij aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’.
Afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt van de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, wordt de beperking aangevuld met één van de arbeidsmarktaantekeningen genoemd in B1/2.3.1.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de IND over de beslissing van de rechter met behulp van deel D: afloopbericht schijnhuwelijken. IND stelt de Korpschef op de hoogte van de beslissing van de rechter alsmede van de aan die beslissing ten grondslag liggende beweegredenen. De vreemdelingenpolitie draagt zorg voor het verwerken van de informatie.
Om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de wet is het van groot belang dat er landelijk cijfermateriaal over het model M46 kan worden gegenereerd. Dit is alleen mogelijk als de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken, de IND én de vreemdelingenpolitie uitvoering geven aan de hiervoor beschreven werkzaamheden.
Op 1 november 1994 is de Wet voorkoming schijnhuwelijken (Wet van 2 juni 1994 tot wijziging van Titel 4 en Titel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet GBA (Stb. 1994, 405) in werking getreden. Deze regeling maakt het mogelijk om zowel preventief als repressief op te treden tegen het sluiten van een schijnhuwelijk in Nederland en tegen de registratie van een buiten Nederland gesloten schijnhuwelijk in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage dan wel in de GBA. Effectieve uitvoering van deze wet verlangt een goede samenwerking tussen de ambtenaar van de burgerlijke stand/ambtenaar belast met het bijhouden van de GBA (hierna: GBA-ambtenaar) en de vreemdelingenpolitie.
Een schijnhuwelijk of -partnerschap is een huwelijk of geregistreerd partnerschap dat wordt aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over een verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog een verblijfsrecht te verschaffen.
Voor de gevallen waarvoor geen verklaring is vereist, wordt verwezen naar B2/3.2.
Als ten minste één van de aanstaande echtgenoten of geregistreerde partners niet de Nederlandse nationaliteit bezit, mag de ambtenaar van de burgerlijke stand pas meewerken aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte of een akte van registratie van een partnerschap, en aan de voltrekking van een huwelijk of de aangifte van registratie van een partnerschap, indien hij beschikt over een verklaring van de Korpschef. Dit lijdt uitzondering indien:
Ook ingeval de ambtenaar van de burgerlijke stand van de Gemeente ’s-Gravenhage wordt verzocht om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand, of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken wordt verzocht om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA, dient de desbetreffende ambtenaar te beschikken over deze verklaring.
De Korpschef is in alle gevallen waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken om advies vraagt, verplicht om een verklaring af te geven.
Het is voor de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van groot belang dat de verklaring van de Korpschef een duidelijk advies bevat:
De verklaring van de Korpschef is een advies aan de ambtenaar van de burgerlijke stand/GBA- ambtenaar en dient dan ook los te worden gezien van een eventuele aanvraag om een verblijfsvergunning. Dit betekent dat ook al beschikt de vreemdeling al over een verblijfsstatus, toch een verklaring van de Korpschef moet worden afgegeven, tenzij sprake is van een van de in B2/3.2 genoemde uitzonderingen. De verklaring is ook nodig in de situatie dat de vreemdeling nog niet over een verblijfsvergunning in Nederland beschikt, maar wel van plan is om een aanvraag daartoe in te dienen.
De verklaring van de Korpschef en de terugmeldberichten zijn opgenomen als model M46. Het model M46 bestaat uit vier delen, te weten:
Dit deel betreft een overzicht van de personalia van de personen – de (aanstaande) echtgenoten/ geregistreerde partners – op wie de verklaring betrekking heeft. Het model M46-A wordt uitgereikt door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de aanvrager woon- of verblijfplaats heeft. Beide (aanstaande) echtelieden of geregistreerde partners dienen het gedeelte van de vragenlijst dat op hen van toepassing is na invulling van de datum en plaats te voorzien en te ondertekenen.
Dit deel bevat gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en van de (aanstaande) echtgenoten of geregistreerde partners, alsmede het advies van de Korpschef.
II: De IND vult de haar bekende vreemdelingrechtelijke gegevens van de (aanstaande) echtgenoten/ geregistreerde partners in onder dit gedeelte van het model M46-B. Deel II wordt vervolgens gedagtekend, ondertekend en verzonden naar de Korpschef. III: Het advies van de Korpschef met een motivering: alleen in geval van een negatief advies dient dit gemotiveerd te worden. Deel III wordt gedagtekend en ondertekend door de Korpschef. IV: Vragenlijst met betrekking tot waarnemingen: ingeval van een negatief advies, wordt tevens de vragenlijst ingevuld. Hierop worden vermeld de feiten en omstandigheden van verblijfsrechtelijke aard en overige waarnemingen die op een mogelijk schijnkarakter van het (voorgenomen) huwelijk kunnen duiden. Van belang hierbij is dat de beoordeling of sprake is van een schijnkarakter van het (voorgenomen) huwelijk, altijd op meerdere feiten en omstandigheden moet berusten. Het enkele feit dat sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen beide (aanstaande) echtgenoten is bijvoorbeeld onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een schijnhuwelijk. De vragenlijst is niet limitatief. Het formulier biedt bij punt negen de ruimte om overige waarnemingen omtrent beide (aanstaande) echtgenoten/geregistreerde partners te vermelden.
De Korpschef vult tevens op de eerste pagina van het model M46-A de op hem betrekking hebbende gegevens in. Vervolgens zendt hij de ingevulde modellen M46-A en 46-B naar de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de aanvrager woon- of verblijfplaats heeft.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de IND over zijn beslissing met behulp van deel C: Terugmeldbericht. De IND stelt de vreemdelingenpolitie op de hoogte van de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken. De vreemdelingenpolitie draagt zorg voor het verwerken van de informatie.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de IND over de beslissing van de rechter met behulp van deel D: afloopbericht schijnhuwelijken. IND stelt de Korpschef op de hoogte van de beslissing van de rechter alsmede van de aan die beslissing ten grondslag liggende beweegredenen. De vreemdelingenpolitie draagt zorg voor het verwerken van de informatie.
Om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de wet is het van groot belang dat er landelijk cijfermateriaal over het model M46 kan worden gegenereerd. Dit is alleen mogelijk als de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken, de IND én de vreemdelingenpolitie uitvoering geven aan de hiervoor beschreven werkzaamheden.
De verklaring wordt aangevraagd door:
Voor de gevallen waarvoor geen verklaring is vereist, wordt verwezen naar B2/3.2.
De verklaring wordt aangevraagd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar (één van) de (aanstaande) echtgenote(n) woonachtig (is)(zijn):
De Korpschef stuurt de modellen M46-A en M46-B rechtstreeks naar de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken. Is de periode gelegen tussen de datum van de afgifte van de verklaring en de datum van de huwelijksvoltrekking of de voorgenomen registratie van het partnerschap langer dan zes maanden, dan dient voor de huwelijksvoltrekking of de registratie van het partnerschap een nieuwe verklaring van de Korpschef te worden overgelegd. De verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling kan immers zijn gewijzigd. De IND verschaft de vreemdelingenpolitie schriftelijk informatie omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en de andere partij, voorzover zij zelf over deze informatie beschikt en voorzover de vreemdelingenpolitie niet zelf de beschikking heeft over die informatie.
Op basis van de hem bekende feiten en omstandigheden en het advies van de Korpschef neemt de ambtenaar een beslissing. Komt de ambtenaar van de burgerlijke stand tot de conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk of -partnerschap, dan weigert hij mee te werken aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte/aangifte registratie van een partnerschap, aan het voltrekken van het huwelijk/het registreren van een partnerschap, óf weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage de inschrijving van het buiten Nederland gesloten huwelijk/geregistreerd partnerschap in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand. Betrokkenen kunnen hiertegen beroep instellen bij de rechter op grond van [artikel 27 Boek 1 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=27). Is de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken vanwege het schijnkarakter van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap niet voornemens gevolg te geven aan het verzoek om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA, dan stelt hij betrokkenen hiervan in kennis en biedt hij hun de mogelijkheid hun zienswijze naar voren te brengen ([artikel 83 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=83)). Weigert de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken ook na het vernemen van de zienswijze van beide partijen tot inschrijving over te gaan, dan kunnen partijen tegen deze weigering beroep indienen bij de rechter.
De Korpschef draagt zorg voor registratie van de gegevens, vermeld op deel C model M46-C: terugmeldbericht en deel D model M46-D: afloopbericht procedure schijnhuwelijken.
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner en eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Indien een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt gestuit, wordt de vreemdelingenpolitie door tussenkomst van de IND via deel C: terugmeldformulier hierover geïnformeerd.
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
Indien ná de huwelijksvoltrekking uit feiten en/of omstandigheden blijkt dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap is gericht op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor Nederland van een van de echtgenoten of geregistreerde partners, kan op vordering van het OM het huwelijk of geregistreerd partnerschap nietig worden verklaard op grond van [artikel 71a Boek 1 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=71a). Een vordering tot nietigverklaring heeft in het algemeen alleen kans van slagen als er meerdere indicaties zijn die duiden op het schijnkarakter van het huwelijk of geregistreerd partnerschap. De enkele constatering bijvoorbeeld dat betrokkenen niet samenwonen is hiervoor niet voldoende.
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap kan worden verleend aan de buitenlandse partner van een in Nederland gevestigd hoofdpersoon. [Artikel 3.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.29) geeft het kader van rechtsregels waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
Ingevolge [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling of de hoofdpersoon niet met een ander is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in Nederland met hun partner dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld.
De regel dat een verklaring van ongehuwd zijn niet ouder mag zijn dan zes maanden na afgifte door de daartoe bevoegde autoriteiten wordt ook door de Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand gehanteerd. De termijn van zes maanden wordt gezien als een redelijke termijn waarbinnen men wordt geacht niet (opnieuw) in het huwelijk te zijn getreden. Uiteraard wordt een bewijs van ongehuwd zijn dat minder dan zes maanden oud is in geval van contra-indicaties niet geaccepteerd.
Er kan verder worden afgezien van het vereiste dat de ongehuwde burgerlijke staat met officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, indien de vreemdeling voldoende aannemelijk maakt dat het opvragen van een verklaring van ongehuwd zijn in het land van herkomst tot problemen zou leiden. In dat geval verklaart de vreemdeling in ieder geval schriftelijk dat hij ongehuwd is.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één partner tegelijkertijd, alsmede de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
### 5.10. Middelen
Het onder a en b vermelde is gebaseerd op [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22).
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleend indien de hoofdpersoon in Nederland verblijft als:
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
### 4.7. Leeftijd van beide partners
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Als de hoofdpersoon voldoet aan de bepalingen van [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), behoeft geen garantverklaring te worden ondertekend.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap’.
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de in Nederland gevestigde hoofdpersoon. Van een duurzame en exclusieve relatie is sprake indien de (homo- of heteroseksuele) relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.
De vreemdeling overlegt ter onderbouwing van de duurzame en exclusieve relatie bij de aanvraag een volledig ingevulde en ondertekende relatieverklaring ([bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) en een ingevulde partnervragenlijst. De antwoorden op de partnervragenlijst moeten met zoveel mogelijk stukken worden onderbouwd.
### 5. Minderjarige kinderen
### 4.10. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 5.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in Nederland met hun partner dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld.
### 4.11. Openbare orde beleid
### 6.12.5. Alleenstaand
Ook daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot of geregistreerd partner (zie in dit verband B2/5.4).
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
### 5.2. Familierechtelijke relatie
In afwijking van het vorengaande wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
### 6.12.6. Mvv
Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
### 6.4. Gelegaliseerde akten
Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar B2/2.10 onder ad c.
### 4.13. Garantverklaring
De in Nederland gevestigde partner ondertekent een garantverklaring (zie [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)), waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf van de buitenlandse partner, en voor de kosten van terugkeer naar een land waar de toelating van die buitenlandse partner is gewaarborgd. De IND beoordeelt de garantverklaring alleen als geldig als deze is ondertekend door de in Nederland gevestigde partner van de vreemdeling.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
De beperking wordt aangevuld met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid niet toegestaan. Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
Volgens de Islamitische rechtstraditie houdt de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag over zijn kinderen en krijgt de moeder de ‘hadânah’, het zorgrecht. Het zorgrecht is een minder sterk recht dan het gezagsrecht. Het zorgrecht wordt in het kader van deze paragraaf behandeld als gezag.
In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de moeder het zorgrecht heeft en hoeft dit niet met bescheiden te worden aangetoond. Dit is slechts anders als er tegenbewijs voorhanden is, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de vader of de kinderen dat de moeder het zorgrecht niet meer heeft of omdat de moeder is hertrouwd met iemand met wie het kind niet in familierechtelijke betrekking staat, omdat ook dan in de regel het zorgrecht vervalt.
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
### 6.10. Middelen
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
Op basis van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wordt deze vergunning voorts verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind dat onder het rechtmatig gezag staat van de om verblijf vragende echtgenoot of geregistreerd partner van de hoofdpersoon.
Ook daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot of geregistreerd partner (zie in dit verband B2/5.4).
De aanvraag wordt echter afgewezen indien verblijf wordt beoogd in verband met adoptie, opname ter adoptie of verblijf als pleegkind, en niet aan een of meer van de ter zake daarvan geldende voorwaarden is voldaan. Zie voor de ter zake daarvan geldende voorwaarden B2/5.2.1. Hetzelfde geldt indien sprake is van een polygame situatie en het gestelde in B2/5.7 aan verlening van de vergunning in de weg staat.
### 5.2. Familierechtelijke relatie
Op grond van [artikel 3.14, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), op aanvraag verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van een in Nederland gevestigde hoofdpersoon, indien het kind onder het rechtmatig gezag van de hoofdpersoon staat. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon. Zie voor de nadere invulling van deze voorwaarde B2/5.4.
Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot of geregistreerd partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond. Daarbij geldt het gestelde in B2/7(gelegaliseerde bescheiden).
Indien het gestelde rechtmatig gezag niet met gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, wordt de aanvraag afgewezen. Daarbij wordt, voor zover van toepassing, het in B2/7 vermelde en het hierna volgende in acht genomen.
In zeer veel gevallen zal het bestaan van gezag niet rechtstreeks blijken uit de bescheiden die toch reeds moeten worden overgelegd om de persoonlijke staat aan te tonen. De geboorte van het kind staande het huwelijk brengt – uitzonderingen daargelaten – met zich mee dat het kind van rechtswege onder het gezag van de beide echtgenoten staat.
Het aldus ter plaatse van de gewone verblijfplaats van het kind van rechtswege ontstane gezag wordt in Nederland erkend en kan worden afgeleid uit de buitenlandse geboorteakte van het kind. Uit die akte blijkt immers dat het kind afstamt van de met elkaar gehuwde ouders.
Ook het kind van een alleenstaande moeder staat doorgaans van rechtswege onder haar gezag.
### 6.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning
De erkenning van het vaderschap van een kind van een ongehuwde moeder brengt in sommige, maar zeker niet in alle rechtsstelsels, van rechtswege mee dat het kind mede onder het gezag van de erkenner komt te staan, zonder dat dit gezag noodzakelijkerwijs uit de akte van erkenning of uit de geboorteakte van het kind blijkt.
Daarnaast zijn situaties denkbaar waarin de partner van de moeder het kind niet erkent, maar wel het gezag over het kind verkrijgt door een rechtshandeling, bijvoorbeeld een verklaring ten overstaan van een autoriteit.
In dergelijke gevallen wordt verlangd dat het bestaan van het medegezag van de partner wordt aangetoond door een verklaring van een daartoe bevoegde instantie.
De gezagssituatie van een kind kan na de geboorte ook wijziging ondergaan door de beslissing van een rechter of een andere autoriteit. Het kan gaan om een specifiek op het gezag betrekking hebbende beslissing dan wel om een beslissing houdende ontbinding van het huwelijk, waarbij tevens het kind aan een van de ex-echtgenoten is toegewezen. Betreft het een buitenlandse gezagsbeslissing, dan mag ervan worden uitgegaan dat die beslissing voor erkenning in Nederland in aanmerking komt, indien zij is gegeven door een ter plaatse competente autoriteit en tot stand is gekomen in het land waar het kind ten tijde van de betreffende procedure zijn gewone verblijfplaats had. De betreffende beslissing wordt bij de aanvraag overgelegd.
In sommige landen wordt een gezagsbeslissing ingeschreven in een daartoe bestemd register of op de geboorteakte van het kind vermeld. In dat geval wordt, in de plaats van een afschrift van de beslissing, ook overlegging van een uittreksel uit de geboorteakte of het betreffende register als bewijs geaccepteerd.
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de moeder het zorgrecht heeft en hoeft dit niet met bescheiden te worden aangetoond. Dit is slechts anders als er tegenbewijs voorhanden is, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de vader of de kinderen dat de moeder het zorgrecht niet meer heeft of omdat de moeder is hertrouwd met iemand met wie het kind niet in familierechtelijke betrekking staat, omdat ook dan in de regel het zorgrecht vervalt.
Het is verder mogelijk dat niet de vader of de moeder van het kind, maar een derde met het zorgrecht wordt belast. In dat geval dient dit met bescheiden te worden aangetoond.
### 6.3. Feitelijke gezinsband
Indien de andere ouder, wiens toestemming is vereist, de toestemming niet wil geven, onvindbaar is of overleden, kan toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie daarvoor in de plaats worden gesteld. Die beslissing tot toestemming wordt bij de aanvraag overgelegd.
Bovenstaande regels worden gehanteerd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatige gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel die dat uitoefent.
Voor systematische overzichten per land van de belangrijkste bepalingen betreffende het personeel statuut van vreemdelingen zij verwezen naar de uitgave Burgerlijke stand en buitenlanders, ISBN 90 6500 3487. Voorts kan de benodigde informatie veelal worden verkregen bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente.
De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is. Dat is ook het geval, indien de vreemdeling zich er op beroept dat aan alle voorwaarden van [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wordt voldaan.
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
Het verblijf van kinderen die reeds zijn geadopteerd of nog moeten worden geadopteerd, wordt beheerst door de regels betreffende gezinshereniging en gezinsvorming voorzover [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) en [3.27 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.27) daar niet op zien (zie B3).
In deze paragraaf wordt ingegaan op het vaststellen van de familierechtelijke relatie tussen de adoptie(f)kinderen en de hoofdpersoon op grond van de over te leggen bescheiden. De enkele erkenning van de adoptiebeslissing houdt op zichzelf niet in dat is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk. Immers naast de erkenning van de familierechtelijke relatie tussen de hoofdpersoon en het adoptie(f)kind dient tevens te zijn voldaan aan de overige voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor verblijf bij ouder(s).
### 6.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Erkenning van een buitenlandse adoptie is mogelijk op grond van het Haags Adoptieverdrag of op grond [artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103). Met ingang van 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330) (Wcad) komen te vervallen. Met ingang van die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing.
Heeft een van de adoptanten het Nederlanderschap, dan is het mogelijk dat het adoptiefkind door de adoptie van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. Het navolgende is van toepassing op het geval dat het kind weliswaar bij een in Nederland te erkennen adoptie is geadopteerd, maar (nog) niet het Nederlanderschap heeft verkregen.
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
Een buitenlandse adoptie wordt erkend wanneer die adoptie is geschied overeenkomstig het Haags Adoptieverdrag. Het Haags adoptieverdrag is, behalve door Nederland (het Koninkrijk in Europa), ook bekrachtigd door: Albanië, Andorra, Armenië, Australië, Azerbeidzjan, Belarus, België, Belize, Bolivia, Brazilië, Bulgarije, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Canada, Chili, China, Colombia, Costa Rica, Cuba, Cyprus, Denemarken, Dominicaanse Republiek, Duitsland, El Salvador, Ecuador, Estland, Filipijnen, Finland, Frankrijk, Guatemala, Georgië, Guinee, Hongarije, IJsland, India, Israël, Italië, Kenia, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, (de voormalige Joegoslavische Republiek) Macedonië, Madagaskar, Mali, Malta, Mauritius, Mexico, Moldavië, Monaco, Mongolië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Panama, Paraguay, Peru, Polen, Portugal, Roemenië, San Marino, Seychellen, Slovenië, Slowakije, Spanje, Sri Lanka, Thailand, Turkije, Tsjechië, Uruguay, Venezuela, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Afrika, Zweden en Zwitserland. Het meest actuele overzicht van landen is te vinden op de website van The Hague Conference on Private International Law (hcch).
Adoptiebeslissingen, gegeven in een van deze verdragslanden, worden door de andere verdragslanden erkend, indien een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat die adoptiebeslissing conform dat verdrag heeft plaatsgevonden. Dat is een verklaring van conformiteit ex artikel 23 Haags Adoptieverdrag, afkomstig van de bevoegde autoriteit van de staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden. Het kan daarbij gaan om interlandelijke adopties waarbij de Nederlandse autoriteiten betrokken zijn geweest, maar dat is niet vereist. Het kan ook gaan om een adoptiebeslissing van verdragsland A waarbij verdragsland B als staat van opvang heeft gefungeerd. Een dergelijke verdragsadoptie wordt in Nederland erkend, mits de vereiste verklaring van conformiteit is overgelegd.
### 5.4.1. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
Het Haags Adoptieverdrag is alleen van toepassing als de aanvraag om een beginseltoestemming is ingediend op of na de datum waarop zowel Nederland (1 oktober 1998) als het land van herkomst partij zijn geworden. In geval van bijvoorbeeld China en de Dominicaanse Republiek, geldt dat adoptiebeslissingen gegeven in één van deze verdragslanden alleen naar Nederlands internationaal privaatrecht erkend worden indien de beginseltoestemming op of na 1 januari 2006 is aangevraagd. Bij een dergelijke aanvraag ontvangt men een BKA nummer. Aan dit nummer is te zien in welk jaar en welk kwartaal daarvan de aanvraag is ingediend.
Landen die het verdrag hebben ondertekend maar nog niet hebben bekrachtigd zijn: Ierland, Nepal en Rusland. Adoptiebeslissingen, gegeven door deze landen, worden niet op grond van het Verdrag erkend.
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
De erkenning van een adoptiebeslissing die is gegeven in een niet-verdragsland, wordt beheerst door de Nederlandse internationaal privaatrechtelijke conflictregels aangaande adoptie. Met ingang van 1 januari 2012 is [artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) van toepassing.
De [artikelen 10:108 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=108) en [10:109 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=109) bepalen de omstandigheden waaronder een adoptiebeslissing in de Nederlandse rechtsorde kan worden erkend. Erkenning op grond van de eerdergenoemde artikelen is alleen mogelijk indien de buitenlandse adoptie tot stand is gekomen (d.w.z. kracht van gewijsde heeft gekregen) op of na 1 januari 2004.
Ingevolge [artikel 10:108 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=108), komt adoptie voor erkenning in aanmerking indien de adoptiefouders of het kind of beiden, ten tijde van het verzoek tot adoptie en de uitspraak, hun gewone verblijfplaats hadden in de staat waar de beslissing tot stand is gekomen, en deze is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit. Erkenning wordt onthouden indien aan de beslissing geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan of, in geval niet zowel de adoptiefouders als het kind hun gewone verblijfsplaats hadden in de staat waar de beslissing is tot stand gekomen, indien de beslissing niet is erkend in die staat. Aan de beslissing wordt in ieder geval erkenning onthouden indien de beslissing kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft of kennelijk in strijd met de openbare orde zou zijn. Van kennelijke strijd met de openbare orde is, ingevolge artikel 10:108, vierde lid, BW, geen sprake indien op de adoptie een ander recht is toegepast dan het recht dat door de [artikelen 10:105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=105) en [10:106 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=106) is aangewezen: het verbod van de conflictenrechtelijke toets.
Een in het kader van dit hoofdstuk veel voorkomende situatie – die van de in Nederland wonende hoofdpersoon die een buitenlandse adoptiebeslissing overlegt – wordt bestreken door [artikel 10:109 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=109). Het eerste lid van dit artikel bevat voor de hoofdpersoon die zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de adoptie-uitspraak zijn gewone verblijfsplaats in Nederland had de belangrijke voorwaarde dat aan de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) moet zijn voldaan (zie B3/2.3).
Op grond van het tweede lid van artikel 10:109 BW dient in de door het eerste lid bestreken gevallen de Nederlandse rechter vast te stellen of aan de daar genoemde voorwaarden voor erkenning is voldaan.
Om te kunnen vaststellen of op grond van de buitenlandse adoptiebeslissing een familierechtelijke relatie bestaat tussen de hoofdpersoon en het adoptie(f)kind zal bij het indienen van een aanvraag in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming dus naast de op de in B2/8 beschreven wijze gelegaliseerde buitenlandse adoptiebeslissing tevens de beslissing van de Nederlandse rechter moeten worden overgelegd.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke bedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) of [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19). Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is. Dat is ook het geval, indien de vreemdeling zich er op beroept dat aan alle voorwaarden van [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wordt voldaan.
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
Ingevolge [artikel 3.14, tweede lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) wordt de verblijfsvergunning verleend, indien het kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen met de ouder(s).
De aanvraag wordt afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd.
Voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband in zaken waarin minderjarige biologische of juridische kinderen bij een in Nederland verblijvende ouder verblijf vragen, wordt aangesloten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
Indien sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen dat een biologisch of juridisch kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de ouder(s).
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Ingeval het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.
Met de genoemde uitzonderingsgevallen is duidelijk gemaakt dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin geoordeeld kan worden dat het kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s). In de eerste twee genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat het kind een zekere mate van zelfstandigheid heeft bereikt. In deze gevallen komt aan de handhaving van een restrictief vreemdelingenbeleid meer gewicht toe dan aan het individuele belang van het kind om zich alsnog bij zijn ouder(s) in Nederland te voegen. De zorg voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, kan uitsluitend tot het oordeel leiden dat het kind niet feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien het kind daarnaast zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet, óf door het aangaan van een huwelijk of een relatie een zelfstandig gezin heeft gevormd.
Ingevolge [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) wordt, zolang de ouder met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote of geregistreerd partner alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
### 5.8. Samenwoning
Ingevolge [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De verblijfsvergunning wordt niet in het kader van gezinshereniging verleend, indien het kind naar Nederlands recht meerderjarig is. Dat betekent dat geen verblijf wordt toegestaan aan het kind dat de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, gehuwd is (geweest), een geregistreerd partnerschap is aangegaan of door de kantonrechter in het belang van moeder en kind meerderjarig is verklaard met toepassing van [artikel 1:253 ha Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha). Op het vereiste van minderjarigheid zijn twee uitzonderingen.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
Als beleidsregel geldt dat de aanvraag niet wordt afgewezen om de enkele reden dat het kind de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, indien:
### 8.4. Overige vrijstellingen
### 5.5.2. Bepaling van de geboortedatum
De geboortedatum van het minderjarige kind moet vast staan op grond van gelegaliseerde officiële documenten afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. Indien van een vreemdeling uitsluitend het geboortejaar bekend is, wordt de geboortedatum bepaald op 1 juli.
Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand bekend, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand.
### 5.5.3. Correctie van de geboortedatum
Het kan zich voordoen dat van een vreemdeling die voor gezinshereniging naar Nederland is gekomen de bij de gemeente en IND bekende geboortedatum door de autoriteiten van het land van herkomst blijkt te zijn gecorrigeerd.
### 6.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, op grond hiervan overgaat tot correctie van de geboortedatum van de vreemdeling, meldt hij dit via een GBA-bericht aan de IND.
### 6.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
Echter, als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
### 6.12.5. Alleenstaand
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
### 6.12.5. Alleenstaand
Vorenstaande geldt ook indien de hoofdpersoon (dus de biologische of juridische ouder) inmiddels rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), dan wel Nederlander is.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
[Artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) bevat een bijzondere regeling voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd dan wel een vreemdeling is die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Een onderscheid wordt gemaakt naar de plaats waar het kind wordt geboren.
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in Nederland geboren kind, indien:
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
### 6.12.6. Mvv
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103), wordt de aanvraag, indien deze is ontvangen vóór 15 februari 2005, getoetst aan [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20), zoals dat luidde vóór die datum.
[Artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) luidde voor 15 februari 2005:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In afwijking hiervan wordt de aanvraag, ingediend door het kind van een Nederlander, van een houder van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, of van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien dat kind:
### 7.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 5.10. Middelen
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74), of [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.19). Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
In afwijking van de voorgaande alinea wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon verblijf heeft op grond van de regeling in B9, of indien de hoofdpersoon:
De aanvraag wordt ingevolge [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien:
### 6.12.9. Openbare orde
Echter, als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
Daarbij geldt als aanvullende voorwaarde dat, tenzij de bovenbedoelde partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner biologisch of juridisch ouder van de vreemdeling is, deze een garantstelling moet hebben ondertekend.
Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsverband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb, dan wel de onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) vermelde vrijstelling.
Als het gaat om (voor-)kinderen die verblijf beogen bij hun juridische of biologische ouder, die op zijn beurt verblijf beoogt bij een derde (die dan de hoofdpersoon van de ouder is), dan geldt het volgende. In die gevallen wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet afgewezen omdat niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt, indien door degene bij wie de juridische of biologische ouder verblijf beoogt, duurzaam en zelfstandig wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan óf indien deze persoon is vrijgesteld van het middelenvereiste op grond van één van de hierboven genoemde vrijstellingsgronden.
### 6.12.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
In die gevallen wordt het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders ([artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11)) niet ingesteld en is het gewone gezinsherenigingsbeleid van toepassing.
### 9.5.1. Inleiding
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in Nederland geboren kind, indien:
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldig mvv of het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. De aanvraag wordt evenmin afgewezen wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan mee te werken.
Voor in Nederland geboren kinderen uit een ouder die op dat moment een asielprocedure doorloopt, wordt verwezen naar [C2/6.1](onbekend).
Echter, als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 3.14, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven netto-inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
De verblijfsvergunning wordt op aanvraag verleend aan het tijdens een kort verblijf van de ouder(s) buiten Nederland geboren kind, indien:
Indien de vader van het kind onbekend is, wordt de verblijfsvergunning indien aan de hiervoor onder a, e, f, g, en h genoemde voorwaarden is voldaan, eveneens verleend, indien het kind feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de moeder en de moeder sedert de geboorte van het kind rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, danwel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft, en de moeder het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
De familierechtelijke relatie van het buiten Nederland geboren kind tot de ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd, wordt met officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich erop beroept dat aan alle voorwaarden van [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) wordt voldaan.
Kort verblijf wil zeggen een verblijf waardoor het hoofdverblijf niet buiten Nederland wordt verplaatst, bijvoorbeeld vakantie. Om de hiergenoemde groep te onderscheiden van de overige gevallen waarin het verblijf van een minderjarig kind in het kader van gezinshereniging in Nederland wordt beoogd en waarin de algemene voorwaarden voor verblijf in het kader van gezinshereniging van toepassing zijn, is een termijnstelling noodzakelijk. Aangezien het tweede en derde lid van [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) uitsluitend zien op kinderen die tijdens kort verblijf van de moeder (al dan niet met de vader) buiten Nederland worden geboren, is aan de desbetreffende regeling een termijn gesteld van zes maanden, te rekenen vanaf de geboorte van de vreemdeling. Die termijn sluit aan bij de termijn van verblijf buiten Nederland waarna onder omstandigheden verplaatsing van het hoofdverblijf kan worden aangenomen. Indien de aanvraag later dan zes maanden na de geboorte van de vreemdeling is ontvangen, gelden de gebruikelijke voorwaarden voor gezinshereniging. In een dergelijk geval ligt het bovendien in de rede dat bij de beoordeling daarvan wordt onderzocht of de ouder het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s))’.
Afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt van de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, wordt de beperking aangevuld met één van de arbeidsmarktaantekeningen genoemd in B1/2.3.1.
Vorenstaande arbeidsmarktaantekeningen laten onverlet de bij andere wetten gestelde beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid door minderjarigen.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Vanzelfsprekend wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend indien het gezinslid zelf een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen.
De verblijfsvergunning kan onder de beperking ‘het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders’, bedoeld in [artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11) worden verleend aan de minderjarige vreemdeling die door de aspirant adoptiefouders in een periode waarin:
De verblijfsvergunning wordt verleend indien:
In die gevallen wordt onderzoek ingesteld naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders ([artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11)). Het verblijfsrecht hangende dat onderzoek is van tijdelijke aard.
NB. Deze regeling is niet van toepassing indien:
In die gevallen wordt het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders ([artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11)) niet ingesteld en is het gewone gezinsherenigingsbeleid van toepassing.
Wanneer het buitenlandse kind, na opneming door aspirantadoptiefouders in een periode waarin zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden, tezamen met de aspirantadoptiefouders in Nederland is binnengekomen, wordt ambtshalve het onderzoek bedoeld in [artikel 5, eerste lid, Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5) ingesteld.
### 6. Gezinshereniging bij minderjarige houder verblijfsvergunning asiel
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
In [artikel 3.24a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) is een aanspraak gegeven op de verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging aan de bloedverwant van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien wordt aangetoond dat aan al de daar vermelde voorwaarden is voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Daarbij is van belang dat in deze paragraaf ook regels worden gegeven over de toepassing van enkele voorwaarden. Het betreft beleidsregels over de vaststelling van feiten.
Indien niet onverkort wordt voldaan aan alle voorwaarden van dit artikel, bestaat geen aanspraak op verlening van de verblijfsvergunning, maar kan de vergunning toch worden verleend, indien is voldaan aan de voorwaarden van deze paragraaf. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
### 6.2. Bloedverwantschap en gezinsband
Uitgangspunt is in dit kader dat met de bloedverwantschap als regel ook de gezinsband is gegeven.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling geen bloedverwant is van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn van de hoofdpersoon.
De bloedverwant van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn is de ouder (vader of moeder) van de hoofdpersoon.
### 7.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6.8. TBC-onderzoek
Indien er andere gronden zijn om de vergunning niet te verlenen, wordt het eventueel ontbreken van bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of gezinsband wel tegengeworpen.
Tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is, wordt met officiële gelegaliseerde bescheiden in ieder geval aangetoond:
Uitgangspunt is in dit kader dat het daarbij niet van belang is of de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, b, c dan wel d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
### 7.8. Afwijking van het middelenvereiste
Vanzelfsprekend wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend indien het gezinslid zelf een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de hoofdpersoon niet als minderjarige houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
### 9.1. Inleiding
Het middelenvereiste geldt ook niet indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de minderjarige hoofdpersoon of de vreemdeling bijzondere banden heeft.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, aanhef, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de hoofdpersoon nog niet de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig indien de vreemdeling de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Ook zijn bijzondere banden aanwezig indien het gezinslid over een verblijfstitel anders dan voor verblijf van korte duur in dat land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste in het onderhavige kader niet tegengeworpen.
De hoofdpersoon wordt als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding van een krachtens de wet of gewoonterecht verantwoordelijke volwassene in Nederland is aangekomen.
De hoofdpersoon wordt eveneens als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding wordt achtergelaten, nadat hij in Nederland is aangekomen.
NB. onder alleenstaand wordt hier aldus wat anders verstaan dan in [artikel 3.4, eerste lid, onder x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), [3.5, tweede lid, onder q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), [3.6, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6), en [3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56), alsmede C2/7 1.3.
De aanvraag wordt niet afgewezen op grond dat de vreemdeling niet alleenstaand is, indien door de Nederlandse rechter een reeds in Nederland gevestigde persoon (niet zijnde bloedverwant van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn) of instelling als voogd is benoemd.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een toereikende ziektekostenverzekering.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of is vrijgesteld op grond van [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of [artikel 3.71, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71).
### 7. Gelegaliseerde bescheiden
### 6.7. Document voor grensoverschrijding
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van de Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een zodanig document. B1/4.2 is van toepassing.
Daarnaast waarborgen officiële en gelegaliseerde bescheiden dat de gegevens die bij de IND, de vreemdelingenpolitie, de GBA en de verschillende andere overheidsdiensten bekend zijn, juist en eensluidend zijn. Derhalve wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet ingewilligd, indien de vreemdeling de daarvoor benodigde gelegaliseerde documenten betreffende de staat van personen niet heeft overgelegd.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar, of behandeling van TBC te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling aan te wijzen landen. B1/4.5 is van toepassing.
Op de hoofdregel dat buitenlandse bescheiden met betrekking tot de staat van personen moeten worden gelegaliseerd alvorens zij kunnen dienen als basis voor besluitvorming, bestaan de nodige uitzonderingen.
### 8.3. Vrijgestelde bescheiden
### 8.3. Vrijgestelde bescheiden
### 6.10. Middelenvereiste
### 8.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
### 7.3. Vrijgestelde bescheiden
### 8.5. Bewijsnood
### 7.4. Overige vrijstellingen
Indien de minderjarige niet over zodanige middelen beschikt, wordt de aanvraag afgewezen.
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig indien de vreemdeling de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Ook zijn bijzondere banden aanwezig indien het gezinslid over een verblijfstitel anders dan voor verblijf van korte duur in dat land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste in het onderhavige kader niet tegengeworpen.
### 7.5. Bewijsnood
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij [naam (minderjarige) houder verblijfsvergunning asiel]’.
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een toereikende ziektekostenverzekering.
### 8.5.1. Inleiding
Indien wel sprake is van bewijsnood, kan de afstammingsrelatie middels DNA-onderzoek worden aangetoond. Indien door middel van het DNA-onderzoek de afstammingsrelatie is aangetoond, kan de vrijstelling worden verleend.
Indien DNA-onderzoek niet mogelijk is, kan in een situatie van bewijsnood ook gebruik worden gemaakt van identificerende vragen.
Officiële en gelegaliseerde bescheiden waarborgen dat de vreemdeling die op grond van een bepaalde staat een verblijfsvergunning voor Nederland krijgt, ook daadwerkelijk die staat bezit. Het gaat hierbij om ondermeer geboorteakten, huwelijksakten, akten waarmee de ongehuwde staat wordt aangetoond, bewijzen van echtscheiding en bescheiden omtrent gezagsvoorzieningen.
### 9.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
De vreemdeling dient zich hiervoor hetzij persoonlijk, hetzij via familieleden of kennissen, te wenden tot de daartoe bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. In de meeste gevallen zal dit het ministerie van BuZa van dat land zijn. Vervolgens dient het stuk te worden gelegaliseerd door de voor dat land bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.
Als de afstammingsrelatie door het DNA-onderzoek wordt bevestigd en aan alle overige voorwaarden wordt voldaan, wordt de aanvraag ingewilligd, tenzij overigens bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
### 9. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
Legalisatie kan slechts strekken tot de bevestiging door de eigen autoriteiten en de acceptatie hiervan door de Nederlandse autoriteiten van de formele echtheid van een document en biedt geen uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud van het document.
### 10.1. Inleiding
### 10.2. Toetsingskader
### 7.3. Vrijgestelde bescheiden
### 9.1. Inleiding
### 7.4. Overige vrijstellingen
### 8. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
De bedenkingen zijn in ieder geval ongegrond, indien:
Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden,waarvan met name sprake zal zijn ingeval van verbreking van de gezinsband, ingeval de hoofdpersoon zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst of ingeval het verblijfsrecht van de hoofdpersoon wordt beëindigd, (zie B1/5.3.1) of indien een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/6. Aan vreemdelingen die als minderjarig kind in het kader van gezinshereniging houder zijn geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend (zie [artikel 21a, eerste lid, onder b en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a); B1/6).
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan voorts worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer er in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
Om een dergelijke bewijsnood te kunnen aannemen is vooraf overleg met het ministerie van BuZa noodzakelijk door de IND.
Indien betrokkene stelt geen documenten te kunnen overleggen, maar ingevolge de circulaire inzake legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen wel gelegaliseerde documenten dient te overleggen, verzoekt de IND het ministerie van BuZa om nadere informatie ter zake.
### 9.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
### 10.2.2. Inmenging
Indien wel sprake is van bewijsnood, kan de afstammingsrelatie middels DNA-onderzoek worden aangetoond. Indien door middel van het DNA-onderzoek de afstammingsrelatie is aangetoond, kan de vrijstelling worden verleend.
Indien DNA-onderzoek niet mogelijk is, kan in een situatie van bewijsnood ook gebruik worden gemaakt van identificerende vragen.
Ingevolge [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) juncto [18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks)relatie indien:
In het geval van aanvragen waarbij door legalisatieplichtige vreemdelingen geen documenten zijn overgelegd, neemt de IND terzake contact op met het Ministerie van BuZa. Uit de informatie van het Ministerie van BuZa kan blijken dat er sprake is van bewijsnood voor betrokkene. In dat geval wijst de IND betrokkene op de mogelijkheid van DNA-onderzoek ten einde vast te stellen of er sprake is van een biologische afstammingsrelatie.
### 9.2.2. Inmenging
### 9.2.3. Belangenafweging
Deelname aan DNA-onderzoek geschiedt op vrijwillige basis. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van de mogelijkheid van DNA-onderzoek, zal op grond van de beschikbare gegevens een beslissing worden genomen over de aanvraag.
Als de aanvrager instemt met een DNA-test ten behoeve van de door hem of haar aangegeven gezinsleden en met het gebruik van de uitslag van DNA-onderzoek in de procedure in kwestie, zal de IND de uitvoering van het DNA-onderzoek bekostigen. Bij een negatieve uitslag van het DNA-onderzoek kunnen betrokkenen een contra-expertise laten verrichten. Het DNA-onderzoek wordt gedaan door een laboratorium dat geaccrediteerd is voor het verrichten van DNA verwantschapsonderzoek bij de Nederlandse Raad voor Accreditatie. Betrokkenen betalen zelf de kosten van een contra-expertise.
### 9.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
De gezinsleden van de aanvrager tekenen aldaar op het aanvraagformulier een verklaring van geen bezwaar met betrekking tot DNA-onderzoek. Het DNA-materiaal wordt afgenomen in aanwezigheid van een ambtenaar van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging en wordt door de diplomatieke vertegenwoordiging verzonden naar het Ministerie van BuZa. Het Ministerie van BuZa stuurt het DNA-materiaal vervolgens door naar de IND.
De aanvrager in Nederland neemt in aanwezigheid van een IND-loketmedewerker DNA-materiaal bij zichzelf af. Die medewerker stuurt het DNA-materiaal van de aanvrager samen met het DNA-materiaal van de gezinsleden naar het laboratorium waar het DNA-onderzoek zal worden verricht.
De uitslag van het DNA-onderzoek biedt een zekerheid met betrekking tot het bestaan van een biologische afstammingsrelatie van ten minste 99,99 % in het geval van beide ouders DNA-materiaal beschikbaar is, en ten minste 99,9% in het geval van één ouder DNA-materiaal beschikbaar is. De IND informeert de aanvrager over de uitslag van het DNA-onderzoek.
Het DNA-materiaal wordt na zes maanden na het onderzoek door het laboratorium vernietigd. In geval het DNA-materiaal langer bewaard moet blijven, geeft de IND daartoe een schriftelijke aanwijzing aan het laboratorium.
### 8. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
Wanneer de vreemdeling een aanvraag indient voor een ander verblijfsdoel, dient deze aanvraag getoetst te worden aan het ter zake geldende beleid. De aanvraag om voortzetting van het verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt getoetst aan het beleid zoals genoemd in B5. Zie in dit verband het bepaalde in B1/2.3.2 ten aanzien van vreemdelingen die op grond van hun eerdere verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Voor deze categorie vreemdelingen is een TWV niet vereist. Er dient echter wel getoetst te worden of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang wordt gediend, tenzij er sprake is van internationale verplichtingen (zie B16/9). Deze toets wordt uitgevoerd door de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De aanvraag van de betreffende vreemdeling dient derhalve ter advisering te worden voorgelegd aan deze organisatie, indien de werkzaamheden niet vallen onder het algemene arbeidsmarktadvies dat deze organisatie halfjaarlijks uitbrengt.
Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden,waarvan met name sprake zal zijn ingeval van verbreking van de gezinsband, ingeval de hoofdpersoon zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst of ingeval het verblijfsrecht van de hoofdpersoon wordt beëindigd, (zie B1/5.3.1) of indien een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/6. Aan vreemdelingen die als minderjarig kind in het kader van gezinshereniging houder zijn geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend (zie [artikel 21a, eerste lid, onder b en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a); B1/6).
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Alleen indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen zal tot intrekking op deze grond worden overgegaan.
Nadat de vreemdeling een jaar verblijf in het kader van (verruimde) gezinshereniging heeft gehad, dient de verblijfsvergunning te worden verlengd. Daarbij wordt getoetst aan de algemene voorwaarden voor het verlengen van de verblijfsvergunning.
Indien de verblijfsvergunning is verleend voor verblijf bij een minderjarige houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt het feit dat die houder inmiddels de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt niet tegengeworpen in het kader van de verlenging. De verblijfsvergunning wordt om die enkele reden niet ingetrokken.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Dat lijdt uitzondering in de gevallen genoemd in B2/8.5.2. Deze uitzonderingen gelden ongeacht de vraag of de hoofdpersoon verblijfsrecht van tijdelijke aard of van niet-tijdelijke aard heeft.
Gelet op het voorgaande wordt behoudens de vrijstellingsgronden van [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) (zie hieronder) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur, bij een beroep op de publieke middelen, in ieder geval afgewezen indien de hoofdpersoon tijdens de geldigheid van de verblijfsvergunning vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden.
Ingevolge [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) juncto [18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks)relatie indien:
Tenzij op grond van B16 een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan worden verleend, wordt in een dergelijk geval de verblijfsvergunning ingetrokken. De verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan alleen op aanvraag worden verleend. Indien intrekking in deze gevallen wordt overwogen, wordt de vreemdeling derhalve in de gelegenheid gesteld een aanvraag tot wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’ in te dienen.
[Artikel 3.90 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.90) geeft een uitzondering op de hiervoor weergegeven regel dat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de (huwelijks)relatie is verbroken.
Dit artikel ziet op situaties waarin een vreemdeling, wiens verblijf in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming is aanvaard, de hoofdpersoon wegens gewelddaden is ontvlucht. In dergelijke gevallen kan er sprake zijn van een tijdelijke (feitelijke) verbreking van de samenwoning. De feitelijke verbreking kan echter ook een permanent karakter hebben. Om die reden kan de verblijfsvergunning, in situaties waarin de vreemdeling de hoofdpersoon wegens gewelddaden is ontvlucht, wel worden ingetrokken indien er sedert de feitelijke verbreking van de samenwoning een jaar is verstreken.
De vreemdeling die stelt de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden te hebben verlaten, maakt dat aannemelijk door in ieder geval over te leggen:
Ingevolge [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) wordt de aanvraag tot het verlengen niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan indien de hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Indien de (huwelijks)relatie korter dan drie jaar heeft geduurd, komt de vreemdeling in beginsel niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf (zie B16/5.3), tenzij sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/5.3.3) of internationale verplichtingen (zie B16/5.5). Wanneer de vreemdeling een aanvraag indient voor een ander verblijfsdoel, dient deze aanvraag getoetst te worden aan het ter zake geldende beleid. De aanvraag om voortzetting van het verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt getoetst aan het beleid zoals genoemd in B5. Zie in dit verband het bepaalde in B1/2.3.2 ten aanzien van vreemdelingen die op grond van hun eerdere verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Voor deze categorie vreemdelingen is een TWV niet vereist. Er dient echter wel getoetst te worden of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang wordt gediend, tenzij er sprake is van internationale verplichtingen (zie B16/9). Deze toets wordt uitgevoerd door de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De aanvraag van de betreffende vreemdeling dient derhalve ter advisering te worden voorgelegd aan deze organisatie, indien de werkzaamheden niet vallen onder het algemene arbeidsmarktadvies dat deze organisatie halfjaarlijks uitbrengt. De aanvraag om voortzetting van het verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige wordt onverkort getoetst aan het beleid als genoemd in B5/7. Zie voor uitzonderingen op grond van de overgangsregeling ingevolge [artikel 9.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.6) (zie B16/5.3.4).
Gelet op het voorgaande wordt behoudens de vrijstellingsgronden van [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) (zie hieronder) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur, bij een beroep op de publieke middelen, in ieder geval afgewezen indien de hoofdpersoon tijdens de geldigheid van de verblijfsvergunning vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden.
### 10.2. Toetsingskader
Zie voor de verblijfsrechtelijke gevolgen van afwezigheid voor militaire dienst in het land van herkomst of detentie in het buitenland van degene bij wie verblijf werd toegestaan B1/5.3.2.
### 8.5. Middelenvereiste
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Om gerechtvaardigd te zijn dient de inmenging:
### 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Alleen indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen zal tot intrekking op deze grond worden overgegaan.
Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele ten laste komt van de publieke middelen, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/ 8.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn.
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
### 10.2.1. Begrippen
Bij deze belangenafweging worden de volgende factoren betrokken:
Het economisch welzijn van Nederland is een van de gronden waarop inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, kan worden gerechtvaardigd. Bij de belangenafweging die toetsing aan artikel 8 EVRM meebrengt, komt aan het feit dat er sprake is van vrijwillige of verwijtbare werkloosheid en van een beroep op de publieke middelen een zodanig zwaar gewicht toe, dat verblijfsbeëindiging veelal een gerechtvaardigde inmenging zal betekenen.
Gelet op het voorgaande wordt behoudens de vrijstellingsgronden van [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) (zie hieronder) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur, bij een beroep op de publieke middelen, in ieder geval afgewezen indien de hoofdpersoon tijdens de geldigheid van de verblijfsvergunning vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden.
Onder deze omstandigheden wordt ook de nog geldige verblijfsvergunning ingetrokken.
Het enkele feit dat iemand werkloos is na het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van vrijwillige werkloosheid. Vrijwillige werkloosheid kan wel worden aangenomen indien er andere feiten en omstandigheden zijn waaruit kan worden afgeleid dat het einde van het dienstverband een niet-onvrijwillig karakter heeft of dat na einde dienstverband de werkloosheid alsnog een niet-onvrijwillig karakter heeft gekregen, hetgeen onder meer kan blijken uit uitsluiting van of strafkorting op de uitkering.
Er kan gesproken worden van vrijwillige werkloosheid indien een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van [artikel 24 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24). Dit is het geval als hij:
Of een werknemer al dan niet verwijtbaar werkloos is geworden, dient naar behoren te worden geconstateerd door het CWI, de Gemeentelijke Sociale Dienst of het uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringen. Indien geconstateerd wordt dat de hoofdpersoon niet door eigen toedoen werkloos is, is hij onvrijwillig werkloos.
### 8.5.3. Afwijking van het middelenvereiste
Ingevolge [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) wordt de aanvraag tot het verlengen niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan indien de hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Ook indien geen sprake is van inmenging dient een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaats te vinden. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf zal ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij deze belangenafweging. Bij illegaal verblijf zal slechts in zeer uitzonderlijke situaties sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM (zie de uitspraak van het EHRM inzake Rodrigues da Silva van 31 januari 2006, nr. 50435/99).
Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.
Indien na de toetsing aan de voorgaande hoofdstukken de vreemdeling geen verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend, dient in alle gevallen getoetst te worden aan artikel 8 EVRM. In overige gevallen van afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning wordt getoetst aan artikel 8 EVRM indien daarop een beroep is gedaan.
### 10.2.3. Belangenafweging
Tenslotte is van belang dat zowel bij eerste toelating als bij inmenging een volledige belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij het gewicht dat aan de verschillende belangen toekomt mede bepaald wordt door de omstandigheid of sprake is van eerste toelating of van inmenging.
### 9.2.3. Belangenafweging
Zowel bij eerste toelating als bij inmenging dient altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafwegingen bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving.
### 3.2. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie
### 2.2.3. De bepalingen van B3 zijn van toepassing op de aanvraag
In de volgende gevallen kan eveneens sprake zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
### 9.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
In de zaak Bensaid van 6 februari 2001, nr 44599/98, heeft het EHRM het begrip privé-leven als volgt gedefinieerd: ‘Privé-leven is een ruim begrip en leent zich niet voor een uitputtende definitie. Het Hof heeft inmiddels bepaald dat elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht (gender identification), naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven belangrijke elementen zijn van de persoonlijke sfeer die door artikel 8 EVRM beschermd worden. Geestelijke gezondheid moet ook gezien worden als een essentieel deel van privé-leven in het kader van het aspect morele integriteit. Artikel 8 EVRM beschermt het recht op een identiteit, persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties aan te gaan en te ontwikkelen met andere mensen en de buitenwereld. Het behoud van een geestelijke stabiliteit is in deze context een onontbeerlijke voorwaarde om het recht op respect voor het privé-leven effectief te genieten’.
In de (latere) uitspraak in de zaak Üner, van 18 oktober 2006, nr 46410/99, heeft het EHRM overwogen: ‘Artikel 8 EVRM beschermt echter ook het recht om relaties met andere mensen te stichten en te ontwikkelen en kan onder omstandigheden aspecten van iemands sociale identiteit omvatten’. Het EHRM overweegt verder dat in dat licht het totaal aan sociale banden van ingeburgerde vreemdelingen en de samenleving waarin zij leven onderdeel kan zijn van het begrip privé-leven.
In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
### 9.2.2. Inmenging
### 2.4. Mvv
In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven of privé-leven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezins- dan wel privé-leven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn of in afwachting van een beslissing, gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn, dan wel een negatieve beslissing op de lopende aanvraag, weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen. Evenmin is sprake van inmenging in het geval een verblijfsvergunning is verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of door de vreemdeling achtergehouden gegevens die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.
Echter, indien de vreemdeling eerder rechtmatig verblijf heeft gehad en de redelijke termijn voor voortzetting van verblijf is overschreden, is wel sprake van inmenging. In dit geval zal het eerder rechtmatig verblijf, de duur en de reden van de termijnoverschrijding in de belangenafweging betrokken dienen te worden.
### 2.5.1. Aanmelding
Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Verder is van belang dat het economisch welzijn meer omvat dan slechts de bescherming van de algemene middelen. Ook indien de vreemdeling die niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder hem verblijf in Nederland was toegestaan en die ook niet voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, op enig moment wel beschikt over een arbeidsplaats, is het economisch welzijn van Nederland in geding. Het economisch welzijn strekt zich ook uit tot, bijvoorbeeld, de bescherming van de arbeidsmarkt (de vreemdeling werkt weliswaar, maar er is prioriteitgenietend aanbod) en de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en dergelijke).
### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
### 9.2.3. Belangenafweging
Zowel bij eerste toelating als bij inmenging dient altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafwegingen bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving.
Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. De wegingsfactoren kunnen dan ook niet limitatief worden opgesomd. Wel kan in een aantal nader omschreven gevallen worden aangegeven welke belangen in ieder geval gewogen dienen te worden.
### 1. Inleiding
Om de omvang van de verplichtingen van de overheid te bepalen, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen en uiteindelijk moet een eerlijk evenwicht worden bereikt tussen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de weigering van de verblijfsvergunning enerzijds, en de persoonlijke belangen die zijn gediend met het in Nederland uitoefenen van het gezinsleven anderzijds. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe. Bij de weigering van eerste toelating van vreemdelingen tot het Nederlandse grondgebied is die groter dan bij de weigering van voortgezet verblijf.
Als richtsnoer wordt voor de duur van de redelijke termijn een termijn van drie jaren gehanteerd. Van belang is dat die termijn korter of langer kan zijn naar gelang de overige feiten en omstandigheden van het individuele geval.
### 10.2.3.3. Openbare orde aspecten en belangenafweging
Ingeval van gezinshereniging van kinderen met hun ouders dienen, gelet op de uitspraak van het EHRM inzake Sen (12 december 2001, nr 3144565/96) in de belangenafweging in ieder geval betrokken te worden:
### 9.3. Ambtshalve wijziging
In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:
Indien openbare orde aspecten een rol spelen in de weigering (verder) verblijf toe te staan dienen de uit het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 inzake Boultif (nr 54273/00) volgende ‘guiding principles’ in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden:
### 9.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
In de belangenafweging dient in ieder geval te worden betrokken het totaal van de in het gastland aangegane sociale banden en de intensiteit daarvan, de verblijfsduur in het gastland en de onzekerheid van de verblijfsstatus.
Daarnaast volgt uit de uitspraak inzake Üner, dat de Boultif-criteria ook toegepast kunnen worden op alle zaken waar het gaat om verblijfsbeëindiging van ingeburgerde vreemdelingen, waarbij geen sprake is van gezinsleven, na een strafrechtelijke veroordeling. Daarbij zullen, gelet op het ontbreken van het gezinsleven, alleen de eerste drie Boultif-criteria en de uit de uitspraak van Üner volgende hechtheid van de sociale en culturele banden van de vreemdeling met het gastland en zijn land van herkomst, van belang zijn.
Indien ongewenstverklaring aan de orde is dient gelet op de uitspaak van het EHRM van 31 januari 2006, inzake Sezen (nr 50252/99), naast de hiervoor genoemde belangen, in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden of en hoe lang de vreemdeling na invrijheidstelling in Nederland gezinsleven kon opbouwen, voordat tot ongewenstverklaring is overgegaan. Daarnaast dient in geval van ongewenstverklaring in de belangenafweging betrokken te worden dat, met ongewenstverklaring, het gedurende een aantal jaren voor de vreemdeling onmogelijk is zijn of haar gezin in Nederland te bezoeken.
Bij de beoordeling van de belangen vindt een afweging plaats van de belangen van de vreemdeling alsmede zijn gezinsleden tegen de algemene belangen. In dat kader wordt in ieder geval betrokken of:
Dit hoofdstuk bevat de bijzondere voorwaarden inzake de verlening van een verblijfsvergunning aan buitenlandse adoptiekinderen, alsmede aan buitenlandse kinderen voor wie opname in een pleeggezin in Nederland wordt beoogd. Het gaat om gezinsuitbreiding met kinderen, anders dan door geboorte.
Objectieve belemmeringen zien op belemmeringen om het gezinsleven tussen de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden buiten Nederland uit te oefenen. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, zal veelal moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. In het zich daartoe lenende geval zal echter ook moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in een derde land kan worden uitgeoefend. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon Nederlander of vreemdeling is. Nederlanders kunnen zich in het algemeen ook in andere landen vestigen. In iedere zaak zal beoordeeld moet worden of er op dit moment sprake is van een objectieve belemmering. In het algemeen gelden daarbij de volgende uitgangspunten:
Van een objectieve belemmering om het privé-leven in het land van herkomst uit te oefenen, zal gelet op de uitspraak van het EHRM van 22 juni 2004 inzake F versus UK (nr 17341/03) geen sprake zijn.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
### 2.2.1. Inleiding
Uitgangspunt is dat de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd, zijn of haar eigen verantwoordelijkheden draagt, ook voor wat betreft de kosten van zijn of haar levensonderhoud en dat van de gezinsleden die hij of zij wenst te laten overkomen. Daarom wordt van de hoofdpersoon verwacht dat hij of zij gedurende een langere termijn alles op alles heeft gezet om werk te krijgen en zodoende duurzaam te gaan beschikken over voldoende zelfstandige bestaansmiddelen. Daarbij wordt van hem of haar een actieve houding verwacht.
### 2.1. Inleiding
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 2.1. Inleiding
Als richtsnoer wordt voor de duur van de redelijke termijn een termijn van drie jaren gehanteerd. Van belang is dat die termijn korter of langer kan zijn naar gelang de overige feiten en omstandigheden van het individuele geval.
Indien sprake is van gezinsvorming, en er dus niet reeds in het land van herkomst sprake was van gezinsleven tussen de toegelaten hoofdpersoon en het gezinslid, maar het gezinsleven eerst is aangegaan nadat de hoofdpersoon zich in Nederland heeft gevestigd, wordt slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een schending van artikel 8 EVRM aangenomen. In het algemeen zal daarvan slechts sprake zijn, indien duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
Aangezien de opneming in het belang moet zijn van het kind speelt met name de geschiktheid van de toekomstige ouders een belangrijke rol. Zowel de Nederlandse autoriteiten als de vergunninghoudende bemiddelende organisaties als ook de buitenlandse betrokken instanties spelen een rol bij de beoordeling of opneming in het belang van het kind is.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
Dit betekent niet dat bij elke reguliere verblijfsbeëindiging ambtshalve zal worden beoordeeld of sprake is van artikel 8 EVRM. Een dergelijke beoordeling vind slechts plaats in de gevallen waarin expliciet een beroep op dit artikel wordt gedaan, dan wel waar een vreemdeling zelf feiten en omstandigheden naar voren brengt waaruit dit kan worden opgemaakt.
### 9.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam hoofdpersoon met wie het gezinsleven moet worden toegestaan)’.
### 2.2.2. Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing
Afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt van de hoofdpersoon, wordt de beperking aangevuld met één van de arbeidsmarktaantekeningen genoemd in B1/2.3.1.
### 4.3. Voorschrift
Dit is slechts anders indien verblijf dient te worden verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven. In dat geval is het verblijfsrecht, ongeacht de aard van het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, altijd tijdelijk.
Als de procedure ingevolge de Wobka niet is gevolgd door adoptanten die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, kan aan het kind desondanks een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het bepaalde in B2. Hiertoe is dan in ieder geval wel vereist dat bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat de in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
Het is echter mogelijk dat in Nederland (alsnog) in de adoptie moeten worden voorzien middels een adoptie naar Nederland recht. Hiervan kan sprake zijn indien het kind afkomstig is uit een land waarvan het nationale recht niet vereist dat de adoptiebeslissing ter plekke wordt uitgesproken. Er is dan wel voldaan aan de vereisten voor adoptie in het gezin in Nederland, maar er is nog geen adoptiebeslissing genomen. De adoptie vindt pas plaats nadat het kind gedurende een proefperiode (bijvoorbeeld een jaar) in het gezin van de aspirant-adoptiefouders is opgenomen geweest. Indien aan de vereisten voor adoptie is voldaan, neemt de buitenlandse autoriteit een besluit tot opname van het buitenlandse kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouder(s) ter adoptie. Alsdan wordt ten behoeve van het kind een verblijfsvergunning verleend, in afwachting van de adoptie (zie B3/2.3 en verder). Ook in de situatie waarin de in het buitenland uitgesproken adoptie noch op grond van het Haags Adoptieverdrag, noch op grond van [artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) kan worden erkend, wordt de beslissing op de aanvraag beheerst door de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk. De bepalingen van onderhavig hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de aanvraag van een kind ten aanzien waarvan de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) door de in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders niet in acht zijn genomen en niet bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat die in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Met ‘ten laste komen van de vreemdeling’ wordt bedoeld dat de vreemdeling de feitelijke zorg heeft voor het kind, dan wel de feitelijke zorg op zich zal nemen.
### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
### 10.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij (naam kind)’. De beperking wordt aangevuld met de tekst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 2.4. Mvv
### 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
Dat is anders indien ten onrechte is geconcludeerd dat het kind door de adoptie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. In die gevallen is tevens ten onrechte een Nederlands paspoort afgegeven. Deze gevallen leiden dan ook tot weigering van de inschrijving als Nederlander in de GBA. Omdat het kind in kwestie hierdoor vreemdeling is gebleven, moet dus na inreis in Nederland alsnog een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier worden ingediend.
### 2.5.1. Aanmelding
De voorwaarden die zien op het verblijf verband houdend met verblijf ter adoptie en verblijf als pleegkind zijn opgenomen in respectievelijk de [artikelen 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) en [3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28).
### 2.5.1. Aanmelding
Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B1/4 van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de IND. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. De aspirant-adoptiefouder toont de originele beginseltoestemming van de Staatssecretaris van V&J voor opneming bij de burgemeester. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van V&J. De IND retourneert de beginseltoestemming – voor zover deze in origineel is overgelegd – aan de vreemdeling.
Het komt veelvuldig voor dat een kind als direct gevolg van een in het buitenland uitgesproken adoptie de Nederlandse nationaliteit verkrijgt en dus als Nederlander met een Nederlands paspoort Nederland inreist en als Nederlander wordt opgenomen in de GBA. In een dergelijk geval is het toelatingsbeleid vanzelfsprekend niet van toepassing.
### 2.6. Het kind wordt niet als Nederlander in de GBA opgenomen
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Aangezien de opneming in het belang moet zijn van het kind speelt met name de geschiktheid van de toekomstige ouders een belangrijke rol. Zowel de Nederlandse autoriteiten als de vergunninghoudende bemiddelende organisaties als ook de buitenlandse betrokken instanties spelen een rol bij de beoordeling of opneming in het belang van het kind is.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
De inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
### 2. Oud-Nederlanders
### 2.6.2. Aanvraag vaststelling van het Nederlanderschap
Tevens staat het de adoptie(f)ouders vrij om op grond van [artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) ten behoeve van het adoptie(f)kind een aanvraag verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard in te dienen onder een beperking verband houdend met het afwachten van een bij de rechtbank ingediend verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Voor de te volgen procedure wordt verwezen naar B4/11 en verder.
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
Een adoptie die conform het verdrag tot stand is gekomen en is uitgesproken in een land dat is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag wordt in alle andere verdragssluitende landen van rechtswege erkend, mits aan alle vereisten van beide landen is voldaan (zie B2/5.2.1.1). Een dergelijke adoptie is in Nederland direct rechtsgeldig.
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Als de procedure ingevolge de Wobka niet is gevolgd door adoptanten die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, kan aan het kind desondanks een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het bepaalde in B2. Hiertoe is dan in ieder geval wel vereist dat bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat de in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
### 2.2.3. De bepalingen van B3 zijn van toepassing op de aanvraag
Veelal zal de in het buitenland uitgesproken adoptie in Nederland kunnen worden erkend, hetzij op grond van het Haags Adoptieverdrag, hetzij op grond van [10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103).
### 2.2.4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
Indien de hoofdpersoon (het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 3.14, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74). Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.28, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde partner. Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsverband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in artikel 3.28, vierde lid, Vb, dan wel de onder c vermelde vrijstelling.
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Het buitenlandse kind mag op het tijdstip van binnenkomst in Nederland de leeftijd van zes jaren niet bereikt hebben, behoudens de bevoegdheid van de Staatssecretaris van V&J om in bijzondere gevallen, op schriftelijk verzoek van de aspirant-adoptiefouders, een afwijking van deze leeftijdsgrens toe te staan. Ook mag er niet meer dan 40 jaar leeftijdsverschil zijn tussen het kind en de aspirant-adoptiefouders, behoudens de bevoegdheid van de Staatssecretaris van V&J om in bijzondere gevallen een afwijking van toe te staan, in dat geval kan de Minister eisen stellen aan de leeftijd van het kind.
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Door de aspirant-adoptiefouders dient gebruik te zijn gemaakt van een bemiddelende, vergunninghoudende instantie, bedoeld in [hoofdstuk 5 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=5). Indien niet van een zodanige instantie doch van andere contacten gebruik is gemaakt, dient de daartoe ex [artikel 7a Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=7a) benodigde toestemming van de Staatssecretaris van V&J te zijn verleend; De afstand door ouder(s) en de instemming van de autoriteiten uit het land van herkomst van het kind is verkregen ([artikel 8 onder d en e Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=8)) Door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden (zie B2/8) te worden aangetoond dat de afstand door de ouder(s) van het buitenlandse kind naar behoren is geregeld. Op gelijke wijze dienen de aspirant-adoptiefouders aan te tonen dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het kind.
### 4.3. Voorschrift
Als niet voldaan wordt aan een of meer van bovengenoemde voorwaarden die ontleend zijn aan de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) en het kind verblijft reeds illegaal hier te lande, maakt de IND melding van deze vermoedelijk illegale adoptie bij de Raad van de Kinderbescherming, die, zonodig, aangifte doet bij de politie.
### 2.4. Mvv
Verzoeken om advies in verband met een door het kind in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een mvv worden in beginsel ingediend door de bemiddelende vergunninghoudende instanties, als bedoeld in [hoofdstuk 5 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=5). Dit staat er niet aan in de weg dat ook aspirant-adoptiefouders een dergelijk verzoek ten behoeve van het kind kunnen indienen.
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Zo nodig wint het Hoofd van de Visadienst dan wel de Minister voor I&A aanvullende gegevens in bij de Raad voor de Kinderbescherming omtrent de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
Het kind dient zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland aan te melden bij het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft (zie [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) juncto [artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)).
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de IND. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. De aspirant-adoptiefouder toont de originele beginseltoestemming van de Staatssecretaris van V&J voor opneming bij de burgemeester. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van V&J. De IND retourneert de beginseltoestemming – voor zover deze in origineel is overgelegd – aan de vreemdeling.
De verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkin wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam pleegouder)’.
De verblijfsvergunning voor verblijf ter adoptie wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam aspirant-adoptiefouder)’.
### 1. Inleiding
Dat is anders indien ten onrechte is geconcludeerd dat het kind door de adoptie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. In die gevallen is tevens ten onrechte een Nederlands paspoort afgegeven. Deze gevallen leiden dan ook tot weigering van de inschrijving als Nederlander in de GBA. Omdat het kind in kwestie hierdoor vreemdeling is gebleven, moet dus na inreis in Nederland alsnog een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier worden ingediend.
### 4.3. Voorschrift
Indien het een adoptie betreft die zonder meer in Nederland kan worden erkend (zie B2/5.2.1), wordt de aanvraag van het kind getoetst aan de voorwaarden inzake gezinsvorming en gezinshereniging (zie B2/5). Is er bij de adoptie van het buitenlandse kind door in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders nog geen declaratoir van de Nederlandse rechter verkregen over de geldigheid van de in het buitenland uitgesproken adoptie, dan wordt het kind toegelaten voor verblijf ter adoptie volgens de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk.
[Artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) geeft aan wanneer verblijf kan worden toegestaan aan een vreemdeling, die een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), tot vaststelling van zijn Nederlanderschap heeft ingediend.
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge [artikel 3.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) niet tegengeworpen.
### 4. Wedertoelating
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge [artikel 3.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) niet tegengeworpen.
### 3.1. Inleiding
Buitenlandse pleegkinderen zijn diegenen die om andere redenen in hun belang naar Nederland worden overgebracht en in een pleeggezin worden geplaatst en waarbij de pleegouders feitelijk de plaats van de ouders innemen.
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Voor al deze kinderen geldt als voorwaarde dat naar het oordeel van de Minister voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst doordat er ten aanzien van het kind sprake is van zodanige omstandigheden, dat het niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Zulks wordt in het algemeen niet aangenomen van een kind dat bij zijn ouders verblijft in minder welvarende omstandigheden, voorzover die omstandigheden overigens ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Daarom zal het een in Nederland verblijvend gezin van een rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling of Nederlander niet zijn toegestaan om bijvoorbeeld een jonger broertje of zusje van één der ouders, of neefje of nichtje op te nemen uitsluitend op grond van de opvatting dat het kind hier te lande in ruimere materiële welstand kan verkeren.
De aanvraag wordt afgewezen indien uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind niet blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien het kind, niet de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen die zijn vrijgesteld van de verplichting een TBC onderzoek te ondergaan, en uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) afgewezen (zie ook B1/4.5).
### 2.2.3. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder d en f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
Indien de hoofdpersoon (het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 3.14, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74). Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.28, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde partner. Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsverband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in artikel 3.28, vierde lid, Vb, dan wel de onder c vermelde vrijstelling.
### 2. Oud-Nederlanders
In situaties waarbij sprake is van reeds in Nederland verblijvende illegaal opgenomen (familie-)pleegkinderen die niet voldoen aan het (familie)pleegkinderenbeleid, maakt de IND hiervan melding bij het landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming.
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
De vreemdeling dient in ieder geval gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland te overleggen.
De aspirant-pleegouders verstrekken bij de ten behoeve van het kind in te dienen aanvraag de gegevens en bescheiden behorende bij de voorwaarden als vermeld onder B3/3.1. Het betreft:
De gevraagde officiële buitenlandse bescheiden dienen gelegaliseerd te zijn (zie B2/8).
Na onderzoek zal, met inachtneming van de relevante omstandigheden op de aanvraag worden beslist.
### 2.2.4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
Ingevolge [artikel 5 Pleegkinderenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002084&artikel=5) is het hoofd van het pleeggezin verplicht van de opneming van een pleegkind binnen één week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente van verblijf.
Voor de overige bepalingen inzake verlening en afwijzing van de vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur zie B1/6 en B1/7.
De verblijfsvergunning kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De verblijfsvergunning voor verblijf ter adoptie wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam aspirant-adoptiefouder)’.
De verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkin wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam pleegouder)’.
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
Ingevolge het bepaalde in [artikel 4.21, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21), wordt op het verblijfsdocument aangegeven of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een TWV is vereist.
### 2.2.3.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling:
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (de glijdende schaal; zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.
De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren (zie [artikel 3.58 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58)).
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge [artikel 3.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) niet tegengeworpen.
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
Wat betreft de voorwaarden is het bepaalde in B4/2.2.3.1 en B4/2.3.1 van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) of voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
[Artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) geeft het kader aan waarbinnen aan Oud-Nederlanders verblijf kan worden toegestaan in het kader van wedertoelating. De in het [eerste en tweede lid, onder a, van artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) genoemde groepen oud-Nederlanders zijn niet limitatief. Het tweede lid, onder b, van dit artikel geeft de mogelijkheid in de Vc ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen op te nemen.
De [artikelen 3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54) en [3.55 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55) geven het kader aan waarbinnen de Minister in andere gevallen eveneens de bevoegdheid heeft om verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd in het kader van wedertoelating te verlenen.
[Artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) geeft het kader aan waarbinnen de Minister de bevoegdheid heeft om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating te verlenen.
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Indien aan de voorwaarden van deze artikelen is voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen, doch niet verplicht.
### 2.3. Vergunning regulier onbepaalde tijd
Daarnaast zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. De verblijfsvergunning wordt derhalve niet verleend, indien niet wordt voldaan aan een of meer van die algemene voorwaarden, tenzij hieronder anders is bepaald.
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) worden verleend, indien:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) kan onder de beperking verband houdende met wedertoelating worden verleend aan de vreemdeling:
Er zijn twee soorten regelingen op grond waarvan een vreemdeling na definitief vertrek naar het buitenland wederom naar Nederland kan terugkeren. Het betreft hier de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) (zie B4/3.1 en B4/3.2) en de sedert jaar en dag bestaande (voorheen in B21/5 van de Vc (oud) geregelde) terugkeeroptie voor vreemdelingen die als minderjarige kinderen met hun remigrerende ouders uit Nederland zijn geremigreerd (zie B4/4 en B4/5).
Uit de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) volgt dat het moet gaan om remigratie op grond van die wet. Vreemdelingen die eerder of anders zijn geremigreerd, kunnen aan de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) geen aanspraken op wedertoelating ontlenen.
Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in Nederland zijn geboren en getogen, geldt dat, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in Nederland hebben verbleven, zij geacht worden zodanig sterke banden met Nederland te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit Nederland te hebben behouden, dat zij met voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in Nederland (zie [artikel 3.53, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53)).
### 3.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De meerderjarige vreemdeling die naast de Nederlandse nationaliteit tevens een vreemde nationaliteit bezat, en die met het oog op remigratie op grond van de Remigratiewet, afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend.
De meerderjarige oud-Nederlander die buiten Nederland is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in Nederland, indien er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met Nederland (zie [artikel 3.53, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53)).
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
De verblijfsvergunning kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 2.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
De vreemdeling dient in ieder geval gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland te overleggen.
### 2.2.3. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder d en f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
Bij de berekening van de periode van drie jaren wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) rechtmatig in Nederland verbleef als houder van een vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vw (oud).
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de enkele grond dat:
### 3.2.2. Vergunning regulier onbepaalde tijd
### 2.2.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval:
### 2.2.4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
In de gevallen, waarbij tevens is voldaan aan het middelenvereiste, wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Indien niet wordt voldaan aan het middelenvereiste wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
### 4. Vergunning regulier bepaalde tijd terugkeeroptie (minderjarigen)
Deze terugkeeroptie moet worden onderscheiden van de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8). Deze regeling ziet op de minderjarige vreemdeling, aan wie in het kader van wedertoelating een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan aan de minderjarige vreemdeling worden verleend indien:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.54, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54)).
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) worden verleend, indien:
### 4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Voor wat betreft de bij de aanvraag over te leggen bescheiden wordt verwezen naar B4/2.2.3. Het gestelde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
De procedures die op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar (zie B5/2). Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
De remigratiewet is van toepassing op:
### 3.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De meerderjarige vreemdeling die naast de Nederlandse nationaliteit tevens een vreemde nationaliteit bezat, en die met het oog op remigratie op grond van de Remigratiewet, afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend.
De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling de volgende bescheiden overlegt:
### 3.2. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
Voor de overige bepalingen inzake verlening en afwijzing van de vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur zie B1/6 en B1/7.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) kan onder de beperking verband houdende met wedertoelating worden verleend aan de vreemdeling:
### 9. Aard van het verblijfsrecht
Uit de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) volgt dat het moet gaan om remigratie op grond van die wet. Vreemdelingen die eerder of anders zijn geremigreerd, kunnen aan de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) geen aanspraken op wedertoelating ontlenen.
Bij de berekening van de periode van drie jaren wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) rechtmatig in Nederland verbleef als houder van een vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vw (oud).
Bij de in B4/3.1 genoemde verblijfsvergunning wordt in aanvulling op het bovenstaande in het paspoort de aantekening geplaatst ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval:
Bij de in B4/3.1 genoemde verblijfsvergunning wordt in aanvulling op het bovenstaande in het paspoort de aantekening geplaatst ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
De vergunning, als bedoeld in B4/3.1, wordt verleend voor de duur van ten hoogste zes maanden of zoveel korter als het daadwerkelijke vertrek uit Nederland.
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
### 11.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling in ieder geval een volledig afschrift van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 11.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.54, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54)).
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van de onder c bedoelde categorie vreemdelingen, kan niet voorshands worden aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst. Voor een dergelijk oordeel zijn aanvullende feiten en omstandigheden van belang. In de hierbedoelde gevallen zal van geval tot geval worden beoordeeld of Nederland het meest aangewezen land is voor de desbetreffende vreemdeling. Bij die beoordeling kunnen worden betrokken de reden van de remigratie, de duur van het verblijf in Nederland en in het land van herkomst, de in Nederland en in het buitenland gevolgde schoolopleiding, de in Nederland en in het buitenland opgedane werkervaring en de kennis van de Nederlandse taal. De vreemdeling is de meest gerede partij om over deze factoren zo veel mogelijk gegevens te verstrekken.
Bij de berekening van de perioden van vijf respectievelijk tien jaren wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de Vw rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 9 of 10 Vw (oud).
### 4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval, gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
Het eerste lid van [artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) geeft het kader van een beperkte terugkeeroptie voor vreemdelingen die tijdens de minderjarigheid in Nederland hebben verbleven en naar het land van herkomst zijn teruggekeerd en inmiddels meerderjarig zijn geworden. Deze regeling correspondeert met de verblijfsregeling ten aanzien van de minderjarigen die tijdens hun minderjarigheid vijf jaren of langer in Nederland hebben verbleven en in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met wedertoelating.
Indien die afhankelijke gezinsleden de vreemdeling vergezellen, wordt hun aanvraag om wedertoelating aangemerkt als aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien:
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 21a, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a)) kan worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat (zie [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) en [artikel 3.92, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), en [artikel 3.93, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)):
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.
### 11.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Voor de overige bepalingen inzake verlening en afwijzing van de vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur zie B1/6 en B1/7.
Indien de geldigheidsduur van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) tijdens het verblijf van de houder buiten Nederland in verband met de militaire dienstplicht of detentie is verstreken, wordt de aanvraag om wedertoelating aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie.
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
Indien de geldigheidsduur van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) tijdens het verblijf van de houder buiten Nederland in verband met de militaire dienstplicht of detentie is verstreken, wordt de aanvraag om wedertoelating aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie.
Voor de gevallen genoemd in B4/3.2.1, B4/3.2.2, B4/4 en B4/5 wordt het gevaar voor de openbare orde beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (zie [artikelen 3.54, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54) en [3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55) en voor de glijdende schaal zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de remigratie uit Nederland, op grond van [artikel 8, onder a t/m e dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of voor de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op grond van artikel 9, 9a of 10 Vw (oud) in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd nadat het rechtmatig verblijf in Nederland is beëindigd.
Indien die afhankelijke gezinsleden de vreemdeling vergezellen, wordt hun aanvraag om wedertoelating aangemerkt als aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien:
De in B4/2.2, B4/3.1, B4/3.2.1 en B4/4 genoemde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking 'wedertoelating'. Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld 'Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist'.
Bij de in B4/3.1 genoemde verblijfsvergunning wordt in aanvulling op het bovenstaande in het paspoort de aantekening geplaatst ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
Indien aan één of meer verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B1/4) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze Vc.
Voor de regels voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend, wordt verwezen naar het gestelde in B1/3.
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
Bij overschrijding van die termijn is verlenging van de vergunning in principe niet mogelijk, tenzij de remigrant van de overschrijding van die termijn redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
### 9. Aard van het verblijfsrecht
Voor de toepassing van [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [artikel 19, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) is het verblijfsrecht, met uitzondering van het verblijfsrecht genoemd in B4/3.1, niet-tijdelijk van aard.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
De verantwoordelijkheid voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) berust bij de Minister.
[Artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) verschaft de basis om aan personen die een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
In de behoefte aan arbeidskrachten dient zoveel mogelijk te worden voorzien door inschakeling van het in Nederland aanwezige of redelijkerwijs te verwachten aanbod, of van het arbeidsaanbod uit de EU-lidstaten of de lidstaten van de EER, voor zover daarop het vrije verkeer van werknemers van toepassing is (zie B10). Dit is het zogenaamde prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
Het [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV.
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
De [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) voorziet in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling (zie B5/3.1).
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De procedures die op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar (zie B5/2). Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als de rechtbank te ’s-Gravenhage uitspraak zal doen.
In [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) worden de verblijfsvoorwaarden voor het verrichten van arbeid in loondienst gegeven. Het gaat om de volgende voorwaarden:
Voor de toepassing [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) is het verblijfsrecht tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt mitsdien niet in aanmerking voor naturalisatie.
### 11.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
De werkgever kan ten behoeve van een vreemdeling die in Nederland verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid in loondienst, een verzoek om advies met het oog op afgifte van een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst indienen bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie door middel van het daarvoor bestemde formulier. In dit formulier zijn de documenten en gegevens opgenomen die overgelegd moeten worden ten behoeve van het advies. Dit formulier wordt door hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld. Dit aanvraagformulier dient volledig ingevuld en voorzien van alle gevraagde gegevens en bescheiden te worden geretourneerd naar de IND.
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Indien de geldigheidsduur van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) tijdens het verblijf van de houder buiten Nederland in verband met de militaire dienstplicht of detentie is verstreken, wordt de aanvraag om wedertoelating aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie.
Indien het verblijfsrecht van de vreemdeling niet wordt beëindigd, wordt het van diens verblijfsrecht afhankelijke verblijfsrecht van de in Nederland achterblijvende gezinsleden evenmin beëindigd om de enkele reden dat zij (tijdelijk) niet beschikken over voldoende zelfstandige middelen van bestaan en (tijdelijk) niet feitelijk met de vreemdeling samenwonen.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
Een en ander geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden van Nederlanders die buiten Nederland zijn gedetineerd of hun dienstplicht vervullen.
### 5. Arbeid
Verzoeken om advies met het oog op de afgifte van een mvv dan wel een aanvraag om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant kunnen eveneens bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie worden ingediend indien:
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
Indien aan één of meer verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B1/4) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze Vc.
Gelet op [artikel 13, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts worden ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Het [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32) stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die stellen dergelijke arbeid als zelfstandige te verrichten zij verwezen naar B11.
Een vreemdeling, die naar Nederland komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, mag hij derhalve niet uit Nederland worden verwijderd. Hij verblijft dan immers rechtmatig in Nederland in de zin van [artikel 8, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De verantwoordelijkheid voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) berust bij de Minister.
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
In de behoefte aan arbeidskrachten dient zoveel mogelijk te worden voorzien door inschakeling van het in Nederland aanwezige of redelijkerwijs te verwachten aanbod, of van het arbeidsaanbod uit de EU-lidstaten of de lidstaten van de EER, voor zover daarop het vrije verkeer van werknemers van toepassing is (zie B10). Dit is het zogenaamde prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is een werkgever:
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
Het werkgeversbegrip verwijst niet naar een juridische verhouding, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst of aanstelling, maar naar de feitelijke situatie, waarbij een vreemdeling feitelijk arbeid verricht in opdracht van of voor een ander. Als gevolg van het brede werkgeversbegrip kunnen zich situaties voordoen dat een vreemdeling voor hetzelfde werk meerdere werkgevers heeft (uitzendarbeid, aanneming van werk). Indien één van de werkgevers al beschikt over een TWV voor het betreffende werk, behoeven andere werkgevers geen TWV aan te vragen.
### 2.5. Voorschrift
Op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.
### 2.5. Voorschrift
De procedures die op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar (zie B5/2). Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
Een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, Vw (oud) wordt ingevolge [artikel 115, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115) aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
In [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) worden de verblijfsvoorwaarden voor het verrichten van arbeid in loondienst gegeven. Het gaat om de volgende voorwaarden:
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
Teneinde de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling te bevorderen als ook een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND en UWV WERKbedrijf te waarborgen (zie B5/1.1), verloopt de aanvraagprocedure van de verblijfsvergunning via het centrale loket voor kennis- en arbeidsmigratie bij de IND en wordt ook de aanvraagprocedure voor de TWV door UWV WERKbedrijf centraal afgehandeld.
De procedure ziet er als volgt uit:
### 3.2. Vreemdelingen met aantekening document ‘arbeid vrij toegestaan’
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien de vreemdeling, conform het bepaalde in B1/1.1.1 zelf de aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt deze aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie.
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
De volgorde waarin op die aanvragen vervolgens dient te worden beslist, is als volgt: Als eerste wordt op de aanvraag om een TWV beslist door UWV WERKbedrijf. Pas daarna wordt op het verzoek om advies met het oog op afgifte van een mvv dan wel de aanvraag om een mvv beslist.
Indien duidelijk is dat de mvv moet worden geweigerd, ongeacht of er al dan niet een TWV zou moeten worden verleend, wordt de mvv meteen geweigerd en wordt niet gewacht op de beslissing op de aanvraag om verlening van een TWV. Hierbij dient met name te worden gedacht aan gevallen waarin de mvv dan wel de verblijfsvergunning moet worden geweigerd op grond van bijvoorbeeld gevaar voor de openbare orde (zie B5/7.6). UWV WERKbedrijf zal hierover direct worden geïnformeerd in verband met de Wav- procedure.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
Verzoeken om advies met het oog op de afgifte van een mvv dan wel een aanvraag om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant kunnen eveneens bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie worden ingediend indien:
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
Verzoeken verband houdend met adoptie en opname als pleegkind worden derhalve niet door het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie afgehandeld.
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
Een aantal categorieën vreemdelingen komt in aanmerking voor een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ (zie [artikel 2, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=2)).
Voor verblijf in Nederland verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst dient de werkgever van de vreemdeling te beschikken over een TWV en de vreemdeling over een verblijfsvergunning. De beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd enerzijds en de beslissing op de aanvraag om een TWV anderzijds beïnvloeden elkaar. De hoofdregel is dat met de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gewacht wordt totdat op de aanvraag om een TWV is beslist. Wordt de TWV verleend dan zal als regel ook de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Hierbij kunnen zich de volgende situaties voordoen:
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
De TWV wordt geweigerd. Indien de aanvraag om een TWV wordt geweigerd voordat op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is beslist, zal als regel ook een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst worden geweigerd.
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
Een weigering de geldigheidsduur te verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de intrekking ervan en ook intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd vormt op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=12) een dwingende grond tot intrekking van de TWV. Hiervan kan op grond van [artikel 12, tweede lid, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=12) door de Minister van SZW na overleg met de IND worden afgeweken ten aanzien van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Het betreft vreemdelingen die in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift rechtmatig verblijf hebben indien ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
Indien voor verblijf in Nederland verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, arbeid in loondienst als practicant of arbeid in loondienst als stagiair door UWV WERKbedrijf een TWV is afgegeven geldt voor de toetsing van het middelenvereiste het volgende. Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid in loondienst als practicant toetst UWV WERKbedrijf of de vreemdeling zelfstandig beschikt over een bedrag minstens gelijk aan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, lid 1, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8). Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair toetst UWV WERKbedrijf of de vreemdeling zelfstandig beschikt over een bedrag minstens gelijk aan 50% van het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, lid 1, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8).
Indien in de hiervoor genoemde gevallen ten behoeve van de vreemdeling een TWV is afgegeven, is daarmee tevens aangetoond dat is voldaan aan het vereiste om zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74)). De in hoofdstuk B1/4.3.1 genoemde bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst hoeven in deze gevallen derhalve niet overgelegd te worden.
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie [artikelen 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en [3.59 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59)).
### 4.1.5. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
In verband met de regel dat een vreemdeling na drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vrij is op de arbeidsmarkt (zie [artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=4)), is het van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Komt de duur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd na drie jaar niet overeen met de geldigheidsduur van de TWV dan dient tijdig d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd, contact opgenomen te worden met UWV WERKbedrijf om indien gewenst verlenging van de TWV aan te vragen.
### 2.4. Beperking
Het verblijf als godsdienstleraar en geestelijk voorganger is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard, tenzij het betreft een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80.
### 4.1.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als godsdienstleraar/geestelijk voorganger ten behoeve van ..........’ (in te vullen de met name te noemen groepering).
### 4.1.3. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
[Artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten niet geldt voor:
Indien een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de onderstaande regelingen wordt hij geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben verplaatst enkel omdat hij buiten Nederland arbeid verricht (zie B1/5.3.2).
[Artikel 4 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=4) bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten niet geldt voor een vreemdeling die beschikt over een vergunning welke is voorzien van een aantekening van de Minister waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.
### 4.1.6. Wijziging van de verblijfsrechtelijke beperking
Zo’n aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling:
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
Een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, Vw (oud) wordt ingevolge [artikel 115, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115) aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
### 4.5.3. Voorschriften
Afgezien van de bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de hier bedoelde gevallen gelden steeds de algemene voorwaarden – en ook weigeringsgronden – voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.5.4. Geldigheidsduur
Deze vreemdeling krijgt op het verblijfsdocument de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Deze wijziging wordt bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning doorgevoerd bij de aanvraag van het verblijfsdocument, dat wil zeggen nadat de vreemdeling drie jaar houder van de voor arbeid geldige vergunning is geweest.
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
Een aantal categorieën vreemdelingen komt in aanmerking voor een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ (zie [artikel 2, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=2)).
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
[Artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) staat niet de vergunningverlening in de weg aan de vreemdeling die drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan het prioritetsgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een TWV was afgegeven en om die reden vrij is op de arbeidsmarkt, ook indien met zijn werkzaamheden niet (langer) een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd.
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
Onder de Wav geldt voor de werkgever de verplichting te beschikken over een TWV voor de buitenlandse werknemer die werkzaamheden als godsdienstleraar of geestelijk voorganger gaat verrichten.
Vreemdelingen die verblijf als godsdienstleraar of geestelijk voorganger in Nederland beogen, moeten in het bezit zijn van een mvv. Indien zij niet in het bezit zijn van een geldige mvv voor dat doel, wordt de aanvraag afgewezen ingevolge [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), tenzij zij op grond van [artikel 17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) zijn vrijgesteld.
De buitenlandse werknemer kan aanspraak maken op verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd overeenkomstig het algemene beleid voor buitenlandse werknemers.
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
De buitenlandse godsdienstleraar of geestelijk voorganger die op verzoek van een bepaalde groepering naar Nederland wil komen, komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in aanmerking, indien hij beschikt over een geldige mvv voor dat doel. Daarvoor is onder meer vereist dat die groepering dan wel de werkgever beschikt over een TWV voor het door de vreemdeling laten verrichten van werkzaamheden in die hoedanigheid. CWI beoordeelt op grond van de Wav of een TWV kan worden afgegeven. Daarnaast stelt de IND een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare rust en de openbare orde bezwaar bestaat tegen het verblijf van de godsdienstleraar dan wel geestelijk voorganger in Nederland en of de betrokken groepering op wier verzoek de godsdienstleraar of geestelijk voorganger zijn werkzaamheden zal gaan uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de godsdienstleraar of geestelijk voorganger handhaaft.
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
De IND onderzoekt voorts of aan de overige voorwaarden is voldaan.
Het verblijf als godsdienstleraar en geestelijk voorganger is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard, tenzij het betreft een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80.
### 4.1.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als godsdienstleraar/geestelijk voorganger ten behoeve van ..........’ (in te vullen de met name te noemen groepering).
### 4.1.3. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’
### 4.1.4. Voorschriften
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 4.1.5. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
### 4.4.1. Verlening van een verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (zie B5/7.10).
Indien een vreemdeling reeds in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland onder een andere beperking dan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijke voorganger en vervolgens werkzaamheden als godsdienstleraar of geestelijk voorganger wil gaan verrichten, dient de beoogde nieuwe werkgever een aanvraag om een TWV te doen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (zie B5/7.10).
Gezinsleden van een vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt.
B2 is van toepassing, met uitzondering van het beleid inzake voortgezet verblijf na verblijf in het kader van gezinshereniging (zie B16), aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), en [3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
Een TWV is vereist indien een vreemdeling zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft óf een arbeidsovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever óf arbeid op een binnen Nederland geregistreerd vervoermiddel verricht. In dat geval dient er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning/mvv te worden ingediend. Indien de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder B5/2). Voor de verlening van de TWV moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. De vreemdeling kan zich daartoe melden bij de IND. De IND plaatst vervolgens een Verblijfssticker in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)).
Voor vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en boorplatformen (mijnbouwinstallaties) op het Nederlandse deel van het continentaal plat zijn enkele specifieke verblijfsregelingen opgenomen. De bijzondere voorwaarden hiervoor zijn geregeld in de [artikelen 3.34 tot en met 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34).
### 4.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Indien een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de onderstaande regelingen wordt hij geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben verplaatst enkel omdat hij buiten Nederland arbeid verricht (zie B1/5.3.2).
Ingevolge [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) kunnen werknemers op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat, sneller in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier voor het doorbrengen van verlof in Nederland.
Met bedoelde verblijfsvergunning wordt het voor de werknemer op het continentaal plat mogelijk om binnen de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning de verlofperioden in Nederland door te brengen. Hiermee vervalt het risico van overstay, met negatieve gevolgen voor een volgende afgifte van een visum kort verblijf.
De werkzaamheden van de vreemdeling die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor het doorbrengen van verlof in Nederland, vinden niet plaats op Nederlands grondgebied. Gelet hierop en gelet op de aard van de beperking die aan de hier bedoelde verblijfsvergunning is verbonden, wordt aan de verblijfsvergunning de arbeidsmarkt aantekening ‘Arbeid niet toegestaan’ verbonden.
Met ingang van 1 juni 2007 is [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) gewijzigd. Gedurende een periode van zes maanden na inwerkingtreding van deze wijziging, wordt een overgangsregeling getroffen: Werknemers op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat die daar op of vóór 1 juni 2007 zijn gestationeerd worden, gedurende de werking van de overgangsregeling, vrijgesteld van het mvv-vereiste indien zij, gedurende de geldigheidsduur van hun visum kort verblijf of de duur van hun vrije termijn in Nederland, een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.37, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37).
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
Mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat omvatten zowel installaties voor proefboringen als voor exploitatie. Werkzaamheden op bevoorradingsschepen van de hier bedoelde installaties vallen echter niet onder deze regeling.
Het arbeidsverleden betreft de periode dat de vreemdeling werkzaam is geweest direct voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.4.2. Beperking
De dienstverrichter die door zijn werkgever bij UWV WERKbedrijf is aangemeld, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: grensoverschrijdende dienstverlening bij (naam inlenend bedrijf). Deze beperking is opgenomen in [artikel 3.4, eerste lid, onder z, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
De buitenlandse werknemer kan aanspraak maken op verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd overeenkomstig het algemene beleid voor buitenlandse werknemers.
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
Aan gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland, wordt – indien de hoofdpersoon werkzaam is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat – eerst een verblijfsvergunning voor gezinshereniging verleend indien de hoofdpersoon een arbeidsverleden op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar (zie [artikel 3.15, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15)).
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van een dergelijke vreemdeling gelden vervolgens de [artikelen 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) (zie B2). Deze gezinsleden worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. Op hen is B16 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
### 4.4.6. Gezinshereniging
Desgewenst kan de vreemdeling, als genoemd onder B5/4.2, voor het doorbrengen van verlof in Nederland in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, indien het verlof de vrije termijn overschrijdt. In dat geval is [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) van toepassing.
De verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof wordt, ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder t, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) aangemerkt als tijdelijk van aard.
### 4.5. Stagiaires en practicanten
Op hen is B16 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), en [3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
### 4.2.3. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
De vreemdeling als genoemd onder B5/4.2 die een uitkering krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) ontvangt, kan met het oog op het hervatten van werkzaamheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De beperking waaronder deze verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend is afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden en de aard van de uitkering (zie [artikel 3.35 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.35) en [artikel 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.38)).
### 4.2.4. Arbeid als zelfstandige
De vreemdeling als genoemd onder B5/4.2, die beoogt arbeid anders dan in loondienst, buiten de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), in Nederland te verrichten, komt ingevolge [artikel 3.30, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indien hij beschikt over een arbeidsverleden van ten minste zeven jaar, ook indien het arbeidsverleden van zeven jaar is opgebouwd gedurende arbeid in de internationale binnenscheepvaart aan boord van Nederlandse schepen of daarmee gelijkgestelde inrichtingen of in het internationale wegtransport in dienst van een Nederlandse werkgever, voor zover dat transport vanuit of naar Nederland plaatsvindt.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (zie B5/7.10).
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
Een TWV is vereist indien een vreemdeling zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft óf een arbeidsovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever óf arbeid op een binnen Nederland geregistreerd vervoermiddel verricht. In dat geval dient er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning/mvv te worden ingediend. Indien de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder B5/2). Voor de verlening van de TWV moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. De vreemdeling kan zich daartoe melden bij de IND. De IND plaatst vervolgens een Verblijfssticker in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)).
### 4.5.3. Voorschriften
Er wordt geen voorschrift tot het stellen van zekerheid verbonden aan de vergunning die wordt verleend aan stagiaires en practicanten.
[Artikel 3.31a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31a) verschaft het verblijfskader voor vreemdelingen die als grensoverschrijdende dienstverrichter in Nederland willen verblijven.
### 4.4.1. Verlening van een verblijfsvergunning
### 4.5.5. Voortzetting van verblijf
Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, blijft een TWV vereist.
### 4.5.5. Voortzetting van verblijf
Met UWV WERKbedrijf is afgestemd dat de IND regelmatig een lijst zal ontvangen met de gegevens van dienstverleners (inclusief bedrijfsgegevens) die hun werknemers (inclusief personalia) bij UWV WERKbedrijf hebben aangemeld. Als de aanvrager zelf heeft aangegeven dat notificatie bij UWV WERKbedrijf heeft plaatsgevonden, maar uit gegevens van UWV WERKbedrijf komt naar voren dat dit niet het geval is, wordt de aanvrager op grond van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) schriftelijk in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen.
Indien vooraf geen notificatie bij UWV WERKbedrijf heeft plaatsgevonden, kan de aanvraag worden afgewezen. De aanvraag wordt niet afgewezen:
Bij de aanvraag dient de vreemdeling de volgende bescheiden over te leggen:
Indien de duur van de gastcolleges maximaal één jaar bedraagt, wordt de volgende aantekening vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
De dienstverrichter die door zijn werkgever bij UWV WERKbedrijf is aangemeld, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: grensoverschrijdende dienstverlening bij (naam inlenend bedrijf). Deze beperking is opgenomen in [artikel 3.4, eerste lid, onder z, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is gekoppeld aan de duur van de dienstverrichting, doch maximaal voor de duur van twee jaren (zie [artikel 3.59b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59b)).
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
De verblijfsvergunning kan na twee jaren verblijf als dienstverrichter in Nederland niet worden verlengd. Indien de dienstverrichter korter dan twee jaren als dienstverrichter in Nederland heeft verbleven dan kan de verblijfsvergunning wel worden verlengd, mits het totale verblijf als dienstverrichter niet langer dan twee jaren bedraagt.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.
### 4.6.2.3. Arbeidsmarktaantekening
B2 is van toepassing, met uitzondering van de middeleneis, de TBC-keuring (tenzij het gezinslid niet verblijft in een EU/EER-land danwel Zwitserland) en het beleid inzake voortgezet verblijf na gezinshereniging (zie B16).
### 4.5. Stagiaires en practicanten
[Artikel 3.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.39) verschaft het verblijfskader voor vreemdelingen die als stagiair of practicant in Nederland willen verblijven.
### 4.6.3. Wetenschappelijk onderzoekers
Met de regering van Canada is een Memorandum van Overeenstemming gesloten inzake een uitwisselingsprogramma voor werkende jongeren (Young Workers Exchange Program). Ingevolge het Young Workers Exchange Program geldt als vereiste voor stagiairs die:
### 4.6.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene toelatingsvoorwaarden wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Voor onderdanen die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of de Zwitserse Bondsstaat, dient de werkgever in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een TWV niet vereist (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.5.3. Voorschriften
Er wordt geen voorschrift tot het stellen van zekerheid verbonden aan de vergunning die wordt verleend aan stagiaires en practicanten.
### 4.5.4. Geldigheidsduur
Het verblijf als stagiair en practicant is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.
De geldigheid van de verblijfsvergunning voor practicanten beloopt niet langer dan 24 weken.
### 4.5.5. Voortzetting van verblijf
Voor stagiaires geldt dat aanvragen om verlenging van die verblijfsvergunningen voor hetzelfde doel worden afgewezen, indien de betrokken vreemdeling één jaar houder ervan is geweest. Voor practicanten geldt dat aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunning voor hetzelfde doel worden afgewezen indien zij daarvan 24 weken houder zijn geweest.
Voortzetting van verblijf voor het verrichten van arbeid als stagiair of practicant wordt niet toegestaan. Uitzondering geldt in geval van toepasselijkheid van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
De houder van een door een andere (eerste) lidstaat afgegeven status als EG-langdurig ingezetene, kan onder bepaalde voorwaarden voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland (tweede lidstaat) verblijven en in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
Ten aanzien van onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers, gastdocenten, en vreemdelingen die in het kader van een actieprogramma van de EU in Nederland verblijven, geldt op grond van [artikel 1, onder respectievelijk onderdelen j, k en l, Besluit Uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1) dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist.
Ingevolge [artikel 3.31, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) wordt de aanvraag die is ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op gronden dat:
Gastdocenten geven gastcolleges aan een universiteit, hogeschool of instelling voor hoger internationaal onderwijs, of aan een onderzoeksinstelling die gelieerd is aan, of werkzaam is op het terrein van een universiteit, hogeschool of instelling voor hoger internationaal onderwijs.
Geen TWV is vereist, indien de gastcolleges voor de duur van maximaal één jaar worden gegeven. Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar zal bedragen, is voor deze werkzaamheden wel een TWV vereist.
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.6.5.3. Beperking
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’.
### 4.6.5.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.6.2.3. Arbeidsmarktaantekening
Indien de duur van de gastcolleges maximaal één jaar bedraagt, wordt de volgende aantekening vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is.
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
Een TWV is niet vereist, indien tijdelijk betaald werk wordt verricht voor de duur zoals is bepaald in een actieprogramma van de EU.
De volgende wetenschappelijk onderzoekers worden in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) onderscheiden:
Voor deze wetenschappelijk onderzoekers kan UWV WERKbedrijf een TWV afgeven.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene toelatingsvoorwaarden wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers zijn:
### 4.6.4.1. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsduur is afhankelijk van de duur van de beurs, doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd.
Kunnen zij aannemelijk maken dat zij naar Nederland zijn gekomen voor een tijdvak van maximaal drie maanden, te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst, dan hoeven zij de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar zij verblijven ressorteert, niet te melden dat ze werk gaan zoeken of verrichten.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als onbezoldigde wetenschappelijk onderzoeker’.
### 4.6.4.3. Arbeidsmarktaantekening
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Voor arbeid van langer dan 12 weken kan er pas een TWV worden afgegeven indien er een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldig voor het verrichten van arbeid in loondienst is aangevraagd.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat:
Het volgende heeft betrekking op vreemdelingen die verblijf binnen de zogeheten vrije termijn beogen. Te denken valt aan:
In afwijking van B1/4.3.1 worden de volgende inkomsten in het kader van dit verblijfsdoel tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel:
Het volgende heeft betrekking op vreemdelingen die verblijf binnen de zogeheten vrije termijn beogen. Te denken valt aan:
### 5. Voortzetting van verblijf
### 4.6.5. Arbeid in loondienst bilaterale of multilaterale overeenkomst
Een TWV is niet vereist, indien tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst.
De werkgever dient echter wel in het bezit te zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in 3). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsduur is afhankelijk van de duur zoals is bepaald in de bilaterale- of multilaterale overeenkomst doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd.
Voor arbeid van langer dan 12 weken kan er pas een TWV worden afgegeven indien er een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldig voor het verrichten van arbeid in loondienst is aangevraagd.
### 4.7.2. Grensarbeiders
Het in B5/4.7.1 gestelde is van overeenkomstige toepassing op grensarbeiders, waaronder hier wordt verstaan in Nederland tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in België of in Duitsland waarheen zij in beginsel dagelijks, of ten minste eenmaal per week terugkeren. Het gaat daarbij met name om vreemdelingen die in België verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige Belgische of Luxemburgse identiteitskaart voor vreemdelingen, dan wel van een Belgisch bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’.
Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter in het bezit te zijn van een TWV.
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Ter verkrijging van de verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) is het in dit geval voldoende dat de vreemdeling zich éénmaal, en wel bij de aanvang van zijn werkzaamheden als grensarbeider, bij de IND vervoegt.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is.
Het gestelde in B5/4.6 is van overeenkomstige toepassing op musici en artiesten. Ook voor hen dient de werkgever in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
Het gaat hier om actieprogramma’s (education and training programs) van de EU, die bekend zijn gemaakt in het publicatieblad van de EU.
Voorts vallen hier de deelnemers aan uitwisselingsprogramma’s van de EU hieronder, bijvoorbeeld Leonardo da Vinci, Socrates of Tempus.
Bij de aanvraag dient de langdurig ingezetene, in aanvulling op het bepaalde in B17, de volgende bescheiden over te leggen:
### 4.9.1. Algemeen
Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt dat voor tewerkstelling op een geregelde basis in de sportsector steeds een TWV is vereist.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend.
De verblijfsduur is afhankelijk van de duur zoals is bepaald in het actieprogramma van de EU, doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd.
### 4.6.6.3. Beperking
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien een TWV is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de TWV onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’, mits aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), nader uitgewerkt in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en hoofdstuk B1/4, is voldaan. Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een TWV kan worden afgegeven.
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald werk wordt verricht in het kader van een actieprogramma van de EU.
Zie B11.
Derhalve dienen zij indien zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van het salaris zelf kunnen beïnvloeden, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aan te vragen. Indien zij niet aan deze criteria voldoen, is de procedure die geldt voor werknemers van toepassing.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
Voor hen geldt hetgeen in [artikel 4.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) en [4.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48) omtrent het voldoen aan een meldingsplicht is bepaald.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
Zij genieten rechtmatig verblijf ingevolge [artikel 12, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) en [artikel 3.3, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3), zodat zij geen verblijfsvergunning behoeven.
De werkgever dient echter wel in het bezit te zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in 3). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf.
### 4.12.2. Verlening van de verblijfsvergunning
Voor arbeid van langer dan 12 weken kan er pas een TWV worden afgegeven indien er een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldig voor het verrichten van arbeid in loondienst is aangevraagd.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
### 5. Voortzetting van verblijf
Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Ter verkrijging van de verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) is het in dit geval voldoende dat de vreemdeling zich éénmaal, en wel bij de aanvang van zijn werkzaamheden als grensarbeider, bij de IND vervoegt.
Als aantekening wordt vermeld: “Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist
Het gestelde in B5/4.6 is van overeenkomstige toepassing op musici en artiesten. Ook voor hen dient de werkgever in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.13.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
### 4.8. Vreemdelingen werkzaam geweest als geprivilegieerde vreemdeling
Voor vreemdelingen die hier te lande werkzaam zijn geweest als geprivilegieerde vreemdeling en die na afloop daarvan hun verblijf hier te lande willen voortzetten gelden enkele bijzondere regels (zie B12).
### 4.9. Werknemers in de sportsector
Ten behoeve van vreemdelingen die in het kader van een in opdracht van de Nederlandse overheid uitgevoerde Pilot Circulaire Migratie, >gedurende maximaal twee jaar bij een bedrijf of instelling door het verrichten van vooraf schriftelijk vastgelegde werkzaamheden kennis en ervaring opdoen en die reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd kan worden afgeweken van [artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8).
Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt dat voor tewerkstelling op een geregelde basis in de sportsector steeds een TWV is vereist.
Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een TWV niet vereist (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien een TWV is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de TWV onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’, mits aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), nader uitgewerkt in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en hoofdstuk B1/4, is voldaan. Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een TWV kan worden afgegeven.
### 4.9.3. Gezinshereniging en -vorming
### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
Zie B11.
Het verblijf als vreemdeling die verblijf wil in het kader van de pilot circulaire migratie is van tijdelijke aard.
Veelal zijn directeuren-(groot)aandeelhouders materieel te beschouwen als zelfstandigen vanwege de positie die zij binnen de onderneming innemen.
### 4.13.5. Gezinshereniging en – vorming
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming met een in het kader van de Pilot Circulaire Migratie verblijvende vreemdeling worden afgewezen. In het kader van de Pilot Circulaire Migratie is gezinshereniging- en vorming niet toegestaan aangezien het verblijfsrecht van een vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland verblijft van tijdelijke aard is.
### 4.12.1. Algemeen
### 5.1. Algemeen
In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1/4.
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling:
### 5.3. Werkloosheid
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals genoemd in B17 wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van werkloze buitenlandse werknemers wordt niet ingetrokken wegens (onvrijwillige) werkloosheid, behalve in de onder B5/5.3.3 genoemde gevallen. De werkloze buitenlandse werknemers mogen met het oog op het verkrijgen van een nieuwe werkkring hun verblijf voortzetten voor de resterende geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Vindt de vreemdeling die niet vrij is op de arbeidsmarkt werk, dan wordt aan zijn werkgever zonder toets aan [artikel 8, eerste lid onder a, b en d, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) een TWV verleend, doch slechts voor de duur dat zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nog geldig is. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de TWV worden niet verlengd.
Als aantekening wordt vermeld: “Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist
De verplichting om te beschikken over een TWV blijft voor de EG-langdurig ingezetene gedurende de eerste twaalf maanden bestaan.
Verder wordt op het document de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 4.12.6. Geldigheidsduur
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie [artikelen 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en [3.59 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59) en B5/2.3).
### 4.12.7. Gezinshereniging
Het bepaalde in B17/3 is van overeenkomstige toepassing.
### 4.13. Pilot Circulaire Migratie
Onder een buitenlandse werknemer die arbeidsongeschikt is, wordt hier verstaan de vreemdeling die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. Indien een zodanig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemer met aanspraak op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) arbeid ingevolge de Wsw gaat verrichten blijft het beleid voor arbeidsongeschikten op hem van toepassing.
Een vreemdeling komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ in het kader van de Pilot Circulaire Migratie als aan de voorwaarden van B5 wordt voldaan. Daarnaast moet de vreemdeling, die verblijf voor arbeid in loondienst beoogt in het kader van deze Pilot verder aan de algemene voorwaarden van [art 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voldoen.
Ten behoeve van vreemdelingen die in het kader van een in opdracht van de Nederlandse overheid uitgevoerde Pilot Circulaire Migratie, >gedurende maximaal twee jaar bij een bedrijf of instelling door het verrichten van vooraf schriftelijk vastgelegde werkzaamheden kennis en ervaring opdoen en die reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd kan worden afgeweken van [artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8).
De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend bij de IND door de Stichting Hersteld vertrouwen in de Toekomst (HIT) als gemachtigde namens de vreemdeling en diens werkgever.
### 4.13.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd (zie [artikel 3.89 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89)).
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd (zie [artikel 3.89 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89)).
Het verblijf als vreemdeling die verblijf wil in het kader van de pilot circulaire migratie is van tijdelijke aard.
De verblijfsvergunning voor de vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland wil verblijven wordt niet verleend met een geldigheidsduur van langer dan twee jaar. Na die twee jaar kan de geldigheidsduur niet worden verlengd. Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de circulaire migrant die een verblijfsvergunning heeft voor arbeid in loondienst, bij tussentijdse beëindiging van het arbeidscontract Nederland moet verlaten tenzij in het kader van de pilot een nieuwe werkgever wordt gevonden.
Wel kan deze werknemer, op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108), strafbaar zijn wegens niet-nakoming van de in [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) neergelegde verplichting aan de Korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar hij verblijft, mededeling te doen van het gaan zoeken of gaan verrichten van arbeid.
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming met een in het kader van de Pilot Circulaire Migratie verblijvende vreemdeling worden afgewezen. In het kader van de Pilot Circulaire Migratie is gezinshereniging- en vorming niet toegestaan aangezien het verblijfsrecht van een vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland verblijft van tijdelijke aard is.
Voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent het ontslag van een buitenlands werknemer, diens aanspraken op een uitkering krachtens bovengenoemde wetten en de eventuele arbeidsbemiddeling, kan de IND zich ingevolge [artikel 107 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) wenden tot UWV WERKbedrijf, de bedrijfsvereniging en de Gemeentelijke Sociale Dienst.
### 5.1. Algemeen
In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1/4.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan op grond van het bepaalde in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) in samenhang met [18, eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) worden ingetrokken indien de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is voldaan.
### 6.1. Strafbepalingen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
De werkgever kan strafbaar zijn op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) wegens het niet nakomen van een hem krachtens [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) door de Korpschef opgelegde verplichting tot het verstrekken van gegevens omtrent vreemdelingen (zie [A3/7.3.5](onbekend)).
De werknemer die, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, werkt, is als zodanig niet strafbaar.
Werkloosheid is niet van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
### 5.3.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Werkloosheid kan wel van invloed zijn op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van werkloze buitenlandse werknemers wordt niet ingetrokken wegens (onvrijwillige) werkloosheid, behalve in de onder B5/5.3.3 genoemde gevallen. De werkloze buitenlandse werknemers mogen met het oog op het verkrijgen van een nieuwe werkkring hun verblijf voortzetten voor de resterende geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Vindt de vreemdeling die niet vrij is op de arbeidsmarkt werk, dan wordt aan zijn werkgever zonder toets aan [artikel 8, eerste lid onder a, b en d, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) een TWV verleend, doch slechts voor de duur dat zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nog geldig is. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de TWV worden niet verlengd.
Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor nog ten minste één jaar, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning met één jaar verlengd.
Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor kortere duur, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning verlengd voor de duur van de werkzaamheden.
Slaagt de vreemdeling er niet in werk te vinden, dan wordt de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verlengd.
Hier komen aan de orde de regels ten aanzien van vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen. Het gaat dus niet om het verrichten van werkzaamheden in loondienst.
### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 5.4. Arbeidsongeschiktheid
Onder een buitenlandse werknemer die arbeidsongeschikt is, wordt hier verstaan de vreemdeling die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. Indien een zodanig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemer met aanspraak op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) arbeid ingevolge de Wsw gaat verrichten blijft het beleid voor arbeidsongeschikten op hem van toepassing.
Recht op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat, mits de 65-jarige leeftijd nog niet is bereikt, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 of meer, tijdens de verzekeringsperiode ontstaan, en nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft voortgeduurd.
Gedurende de voorafgaande periode van 52 weken ontvangt de arbeidsongeschikte werknemer doorbetaling van het loon en of een uitkering uit hoofde van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888).
### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
De arbeidsongeschiktheid is niet van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Voor de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend ([artikel 3.30, eerste lid aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30), zal in veel gevallen het oordeel van andere ministeries van belang zijn. In geval van een kunstenaar zal het advies van de Minister van OCW moeten worden gevraagd, in geval van een sportleraar het advies van de Minister van VWS. Indien het gaat om het zelfstandig uitoefenen van een beroep of ondernemersactiviteiten zal in de regel advies moeten worden gevraagd aan de Minister vanEL&I. De toenmalige Minister van Economische Zaken heeft een puntensysteem ontwikkeld dat de basis vormt voor het advies dat de Minister van EL&I aan de IND geeft over het wezenlijk Nederlands economisch belang dat met het verblijf van de vreemdeling in Nederland wordt gediend (zie hierna B5/7.3.1). Voor Turkse vreemdelingen die verblijf in Nederland voor het verrichten van arbeid als zelfstandige beogen, geldt het puntensysteem niet (zie hierna B5/7.3.2).
Arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden onderscheiden in de onderstaande categorieën:
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd (zie [artikel 3.89 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89)).
In geval de buitenlandse werknemer echter werk in het kader van de Wsw verricht en aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geldt hetzelfde als onder B5/5.4.3 werd vermeld.
Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die niet werken in het kader van de [Wsw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903) geldt in geval van (eveneens gedeeltelijke) werkloosheid de in B5/5.3 weergegeven regeling.
Uit het ondernemingsplan zelf moet in ieder geval het volgende blijken:
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
Een samenvatting van het ondernemingsplan waarin gegevens worden opgenomen over het bedrijf dat de vreemdeling gaat oprichten en over de branche waarin de vreemdeling gaat opereren. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;
De IND dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een TWV, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring.
### 7.4. Voldoende middelen van bestaan
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
Zie voor de berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer B1/4.3.4.
De werkgever kan strafbaar zijn op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) wegens het niet nakomen van een hem krachtens [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) door de Korpschef opgelegde verplichting tot het verstrekken van gegevens omtrent vreemdelingen (zie [A3/7.3.5](onbekend)).
De werknemer die, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, werkt, is als zodanig niet strafbaar.
Wel kan deze werknemer, op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108), strafbaar zijn wegens niet-nakoming van de in [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) neergelegde verplichting aan de Korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar hij verblijft, mededeling te doen van het gaan zoeken of gaan verrichten van arbeid.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
### 6.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de [Vw](onbekend)
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Hiervoor is onder meer ook, evenals voor andere beroepen in de individuele gezondheidszorg, inschrijving in het BIG-register vereist. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van VWS.
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
[Artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) verleent de Minister de bevoegdheid onder de daar geregelde voorwaarden op aanvraag een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen.
### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
Het [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32) stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Daarom behoeft in die gevallen geen advies te worden gevraagd.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die stellen dergelijke arbeid als zelfstandige te verrichten zie B11.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
### 7.3.2. Toetsing wezenlijk Nederlands belang Turkse zelfstandigen
Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van EL&I te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene voorwaarden onder B5/7.2.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’.
### 7.10.2. Arbeidsmarktaantekening
### 7.9.2. Vreemdeling werkzaam is (geweest) internationale arbeidsmarkt
Een samenvatting van het ondernemingsplan waarin gegevens worden opgenomen over het bedrijf dat de vreemdeling gaat oprichten en over de branche waarin de vreemdeling gaat opereren. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan zaken als de rechtsvorm van de onderneming, de handelsnaam, aanwezigheid van eventuele vestigings- en overige vergunningen, de aansprakelijkheden, de verzekeringen en de leveringsvoorwaarden;
### 5. Het verrichten van arbeid
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose (incl. berekeningen).
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’.
### 7.10.1. Beperking
Zie voor de berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer B1/4.3.4.
### 7.10.2. Arbeidsmarktaantekening
### 7.10.3. Voorschriften
Voor de arbeidsmarktaantekeningen voor EU/ EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B1/2.3.1, B10/2.7 en B10/3.3.2.
Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 1. Inleiding
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
### 1. Inleiding
Voor de uitoefening van een bedrijf is vaak een vergunning vereist. Zo hebben bedrijven in de horeca een vergunning nodig op grond van de [Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458).
### 2. Voorwaarden voor studie hoger onderwijs
Bevoegd tot het verlenen van ontheffing wat betreft de Drank- en Horecawet is de Minister van EL&I.
Meer informatie over de eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van deze vergunningen kan worden verkregen bij Kamer van Koophandel.
Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden (dat wil zeggen: studie inclusief voorbereidend jaar) beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Indien de studie/opleiding niet binnen de maximale verblijfsduur is afgerond, kan worden geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. In dat geval kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.
### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
Als de vreemdeling binnen de maximale verblijfsduur de studie/opleiding heeft afgerond en een nieuwe studie/opleiding wil beginnen, is de maximale verblijfsduur niet van toepassing. In dat geval kan immers niet worden gesteld dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. Wanneer in deze situatie aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor studie wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning worden verleend en vangt de berekening van de maximale verblijfsduur opnieuw aan.
[Artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) regelt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie kan worden verleend aan de vreemdeling die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling. [Artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) wijst uitsluitend als voltijds hoger onderwijs de volgende onderwijsinstellingen aan:
Ingevolge [artikel 3.30, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) kan de verblijfsvergunning voor het uitoefenen van een zelfstandig beroep of bedrijf in economische zin worden verleend aan een langdurig ingezetene, zonder dat met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
Voor het overige zijn de bepalingen van B5/7.1, B5/7.2, B5/7.3, B5/7.4 en B5/7.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ten behoeve van de langdurig ingezetene geen sprake hoeft te zijn van een hooggekwalificeerde vreemdeling die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kan leveren en ook geen advies van het Ministerie van EL&I hoeft te worden ingewonnen.
Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden (dat wil zeggen: studie inclusief voorbereidend jaar) beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Indien de studie/opleiding niet binnen de maximale verblijfsduur is afgerond, kan worden geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. In dat geval kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.
### 7.9.1. Surinaamse onderdanen met verkregen rechten
Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van EL&I te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene voorwaarden onder B5/7.2.
Indien tussentijds van studie/opleiding wordt gewisseld, wordt de tijd die reeds is gestudeerd afgetrokken van de maximale looptijd van de nieuwe studie/opleiding.
Voor de vreemdelingen die onafgebroken gedurende zeven jaren werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse schepen of boorplatformen of in het internationale wegtransport en die een aanvraag indienen voor verblijf als zelfstandige in economische zin, blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk economisch belang is gediend, achterwege.
Zie [artikel 3.30, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) en B5/4.2.4.
### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
Indien een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie, wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
Indien sprake is van een bachelor/masterstructuur wordt de studielast voor de bacheloropleiding en de masteropleiding bij elkaar opgeteld. De maximale verblijfsduur bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Het is niet noodzakelijk dat de master aan dezelfde instelling wordt gevolgd als de bachelor. Als de vreemdeling een schakeljaar volgt tussen HBO bachelor en universitaire master wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 7.10.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’.
### 7.10.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning wordt de aantekening geplaatst: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’ Nadat de vreemdeling drie jaar houder is geweest van deze verblijfsvergunning, wordt op de vergunning de aantekening geplaatst: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ Deze wijziging wordt bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning doorgevoerd bij de aanvraag van het verblijfsdocument, dat wil zeggen nadat de vreemdeling drie jaar houder van de voor arbeid geldige vergunning is geweest.
### 2.3. Middelen van bestaan
De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn voor de studie en het levensonderhoud gedurende de beoogde verblijfsperiode.
### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan is van belang of de studie en het verblijf worden bekostigd door:
De studie en het verblijf van de vreemdeling kunnen behalve door de vreemdeling zelf, ook worden bekostigd door een buiten Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie. Er kan dan sprake zijn van een geldelijke bijdrage (bijvoorbeeld een studiebeurs) van een internationale organisatie van het land van herkomst, door of vanwege de Nederlandse regering of van een particulier fonds. Tevens kan sprake zijn van uitzending van de vreemdeling door zijn werkgever.
Het beleid inzake buitenlandse studenten is erop gericht om onder bepaalde voorwaarden vreemdelingen in de gelegenheid te stellen tijdelijk in Nederland te studeren of een opleiding te volgen. De positie van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland wordt hierdoor bevorderd, terwijl door de toelating voor een opleiding aan het voortgezet of beroepsonderwijs een positieve bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van de landen van herkomst.
De voorwaarden die zien op het verblijf in het kader van een studie aan het hoger onderwijs, een opleiding aan het voortgezet of beroepsonderwijs of ter voorbereiding op het volgen van een studie aan het hoger onderwijs zijn opgenomen in [artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41).
[Artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2. Voorwaarden voor studie hoger onderwijs
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van studie aan het hoger onderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
Middelen van bestaan zijn in het algemeen duurzaam, indien zij voor een periode van één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie B1/4.3). Deze hoofdregel is opgenomen in [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
Bij aanvragen voor studiedoeleinden kunnen de studie en het verblijf van de vreemdeling ook worden gefinancierd door middel van periodieke betalingen. Deze betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen Nederland gevestigde persoon of instelling. Deze middelen kunnen als duurzaam worden aangemerkt, indien voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom (zie [artikel 3.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
[Artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) regelt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie kan worden verleend aan de vreemdeling die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling. [Artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) wijst uitsluitend als voltijds hoger onderwijs de volgende onderwijsinstellingen aan:
### 2.1.2. (Voorlopige) inschrijving aan de onderwijsinstelling
Het moet vaststaan dat de vreemdeling voor een studie/opleiding is of zal worden ingeschreven aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling.
De (voorlopige) inschrijving moet blijken uit een verklaring die is afgegeven door het College van Bestuur of het bevoegd gezag.
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden (dat wil zeggen: studie inclusief voorbereidend jaar) beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Indien de studie/opleiding niet binnen de maximale verblijfsduur is afgerond, kan worden geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. In dat geval kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.
### 1.1. Verblijf algemeen
**Voorbeeld:**
### 5. Het verrichten van arbeid
**Voorbeeld:**
### 7.1. Inleiding
**Voorbeelden:**
Indien sprake is van een bachelor/masterstructuur wordt de studielast voor de bacheloropleiding en de masteropleiding bij elkaar opgeteld. De maximale verblijfsduur bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Het is niet noodzakelijk dat de master aan dezelfde instelling wordt gevolgd als de bachelor. Als de vreemdeling een schakeljaar volgt tussen HBO bachelor en universitaire master wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
In het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) kan informatie worden verkregen over de studielast van studies/opleidingen (zie de internetsite van de DUO). Ingeval van verandering van opleiding of onderwijsinstelling is voorts het gestelde onder B6/8 van toepassing.
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
Ingevolge [artikel 3.41, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) wordt de aanvraag voor verblijf voor studie aan het hoger onderwijs ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op grond dat hij het onderwijs niet voltijds wil volgen en evenmin op de grond, bedoeld in [artikel 3.41, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Dit heeft tot gevolg dat langdurig ingezetene geen schriftelijke verklaring van tijdelijk verblijf hoeft te ondertekenen en dat de bepalingen van B6/2.2 niet van toepassing zijn.
De organisatie ondertekent per toe te laten jongere de garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)).
De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn voor de studie en het levensonderhoud gedurende de beoogde verblijfsperiode.
Het is voorts aan vreemdelingen die hier te lande voor studiedoeleinden zijn toegelaten, toegestaan arbeid van bijkomende aard te verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is wel een TWV vereist.
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De studie en het verblijf van de vreemdeling kunnen behalve door de vreemdeling zelf, ook worden bekostigd door een buiten Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie. Er kan dan sprake zijn van een geldelijke bijdrage (bijvoorbeeld een studiebeurs) van een internationale organisatie van het land van herkomst, door of vanwege de Nederlandse regering of van een particulier fonds. Tevens kan sprake zijn van uitzending van de vreemdeling door zijn werkgever.
In deze gevallen wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan een bedrag dat gelijk is aan het normbedrag voor uitwonende studenten bedoeld in de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) (zie [artikel 3.18 WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.18) en de website van WSF).
Indien de studie door een in Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie wordt bekostigd, dient de vreemdeling aan te tonen dat de financiële positie van deze (rechts)persoon daartoe toereikend is. Toereikend wil zeggen dat de financier over voldoende middelen van bestaan moet beschikken om in zijn eigen onderhoud (en eventueel in dat van zijn gezin) en dat van de vreemdeling te kunnen voorzien. De financier moet beschikken over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in [artikel 3.19, vierde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19). De financier dient daarnaast een garantverklaring te ondertekenen (zie [bijlage 6C VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)).
Indien de hoofdpersoon (de in Nederland gevestigde persoon die de studie bekostigt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag, bedoeld in [artikel 3.19, vierde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19).
Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.42, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde (geregistreerde of huwelijks-)partner.
Voor zover in B6/7.1 tot en met B6/7.4 niet anders is bepaald, zijn de bepalingen uit B1 en B2 onverkort van toepassing. Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de buitenlandse student, alsmede zijn minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. De vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor verblijf bij de buitenlandse student is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in B16, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder j en k, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
### 7.2. Middelen van bestaan
### 7. Uitwisseling
### 8. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld (zie [artikel 3.42, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
Indien de buitenlandse student in het bezit is van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur korter dan een jaar, zal het aan te tonen bedrag waarover hij dient te beschikken indien verblijf bij hem wordt beoogd, worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van zijn verblijf.
Het betreft hier de verlening van een verblijfsvergunning voor het volgen van een opleiding aan het voortgezet en beroepsonderwijs, in de zin van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) alsmede de [Wet educatie- en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625).
### 9. Verlenging en voorbereidend jaar
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Indien de studie of opleiding of een soortgelijke studie of opleiding reeds bestaat in het land van herkomst, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning.
Daarnaast moet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden worden voldaan:
Indien nodig kan de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) namens het Ministerie van OCW om advies worden gevraagd over de studiemogelijkheden in de herkomstlanden voor het MBO onderwijs (zie ook de website van de SBB).
Of een positieve bijdrage wordt geleverd aan het eigen land is mede afhankelijk van de fase waarin het ontwikkelingsproces van het desbetreffende land zich bevindt. Als het gaat om een hooggeïndustrialiseerd land, zal niet snel sprake zijn van een positieve bijdrage. Voorts zal de aard van de desbetreffende opleiding van belang zijn. Als de opleiding of studie niet van wezenlijke betekenis is voor de arbeidsmarkt van het herkomstland, wordt namelijk evenmin een positieve bijdrage geleverd aan het eigen land.
In ieder geval wordt aangenomen dat Nederland het meest aangewezen land is en dat een positieve bijdrage geleverd wordt aan de ontwikkeling van het eigen land indien het een opleiding aan het voorgezet onderwijs betreft waarbij:
Aangenomen wordt dat aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.41, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) wordt voldaan als de vreemdeling in het bezit is van een geprivilegieerdendocument verstrekt door BuZa en op het moment van indienen van de aanvraag een opleiding in Nederland volgt en deze hier te lande wil afronden.
Aangezien het volgen van een studie/opleiding primair is gericht op voltooiing ervan, is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale termijn in beginsel mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen de onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ingeval slechts een wijziging van onderwijsinstelling wordt beoogd, wordt aangenomen dat de studie/opleiding op hetzelfde niveau wordt voortgezet. De genoemde verklaring hoeft in dat geval dan ook niet te worden overgelegd.
Ingevolge [artikel 3.41, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) wordt de aanvraag voor verblijf voor studie aan het beroepsonderwijs, ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op grond dat hij het onderwijs niet voltijds wil volgen en evenmin op de grond, bedoeld in [artikel 3.41, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Dit heeft tot gevolg dat de langdurig ingezetene geen schriftelijke verklaring van tijdelijk verblijf hoeft te ondertekenen. Voor het volgen van voortgezet onderwijs dient de langdurig ingezetene onverkort aan alle terzake geldende bepalingen te voldoen.
Daarbij valt te denken aan de situatie dat de vreemdeling gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid of de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding (zie B1/4.2).
In bepaalde gevallen heeft een student een voorbereidingstijd nodig om zich te kwalificeren voor de beoogde studie aan het hoger onderwijs. Hiervoor legt hij aanvullende examens af, zoals bijvoorbeeld een toets beheersing van de Nederlandse taal.
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
In afwijking van het bepaalde in B6/2.1.2 is bij een beoogd verblijf ter voorbereiding op hoger onderwijs voldoende de verklaring van de onderwijsinstelling dat de vreemdeling tot die instelling zal worden toegelaten, indien hij de aanvullende examens met goed gevolg heeft afgelegd.
### 5. Het verrichten van arbeid
Indien de vreemdeling als onderdeel van de opleiding als stagiair wordt tewerkgesteld is geen TWV vereist. Voorwaarde is wel dat de werkgever beschikt over een stageovereenkomst met de desbetreffende student en onderwijsinstelling.
### 1.1. Verblijf algemeen
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Studie aan (naam onderwijsinstelling) te (plaatsnaam)’; de arbeidsmarktaantekening luidt: Arbeid uitsluitend toegestaan mits werkgever beschikt over TWV.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘Aanvullend(e) examen(s) met het oog op studie aan (naam onderwijsinstelling) te (plaatsnaam)’; de arbeidsmarktaantekening luidt: Arbeid uitsluitend toegestaan mits werkgever beschikt over TWV.
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
In daarvoor in aanmerking komende gevallen wordt aan de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden dat een hier te lande wonende, solvabele derde zich ten behoeve van de vreemdeling garant dient te stellen door ondertekening van een verklaring (zie [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)).
De twee laatstgenoemde van de hierboven opgesomde regels zijn een uitwerking van [artikel 3.43, lid e en f Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) en [artikel 3.44, lid e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.44). Deze regels zijn nadrukkelijk bedoeld om oneigenlijk gebruik van de verblijfsregeling tegen te gaan. En daarnaast om een uitwisselingsjongere te beschermen tegen misbruik. Het betalen van de bedoelde geldbedragen wordt enerzijds uitgelegd als een aanzienlijker tegenprestatie voor het verblijf in een gastgezin dan bedoeld in artikel 3.43, lid e Vb. Anderzijds brengt het vragen van hoge geldbedragen en/of borgsommen de uitwisselingsjongere in een ongewenste afhankelijke positie, waardoor het vertrek uit Nederland mogelijk niet langer gewaarborgd is. Een uitwisselingsjongere zal niet in alle gevallen beschikken over voldoende financiële middelen om de geldbedragen te betalen. Dit kan voor de uitwisselingsjongere aanleiding zijn om na afloop van de verblijfsvergunning in Nederland of Europa te blijven om geld te verdienen om de geldbedragen terug te kunnen betalen.
De au pair verblijft in een (eenouder)gastgezin van minimaal twee personen.
Voor zover in B6/7.1 tot en met B6/7.4 niet anders is bepaald, zijn de bepalingen uit B1 en B2 onverkort van toepassing. Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de buitenlandse student, alsmede zijn minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. De vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor verblijf bij de buitenlandse student is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in B16, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder j en k, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
Indien het gastgezin de au pair werkzaamheden laat verrichten waarvoor ingevolge de Wav een TWV verplicht is, is het gastgezin strafbaar op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Zie het gestelde in B5/6 (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling).
De buitenlandse student moet duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan.
De algemene regels met betrekking tot de hoogte van het inkomen (zie B1/4.3) zijn van toepassing. Dit betekent dat de buitenlandse student dient te beschikken over inkomsten ten minste gelijk aan het normbedrag, bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
Ook hier geldt dat ingevolge de in [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) opgenomen hoofdregel de middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt, indien deze voor ten minste één jaar beschikbaar zijn (zie ook B6/2.3.2).
Indien de buitenlandse student in het bezit is van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur korter dan een jaar, zal het aan te tonen bedrag waarover hij dient te beschikken indien verblijf bij hem wordt beoogd, worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van zijn verblijf.
Hier geldt hetzelfde als hetgeen in B6/2.3.2 is neergelegd, echter nu voor het normbedrag dat in de onderhavige paragraaf is genoemd.
Indien een hier te lande wonende solvabele derde zich ter meerdere zekerheid reeds garant heeft gesteld voor de buitenlandse student, dient vast te staan dat deze garantverklaring ook geldt voor het hiervoor onder ‘voldoende’ genoemde normbedrag.
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner/ouder (naam).’ Arbeid niet toegestaan.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De au pair verblijft in een (eenouder)gastgezin van minimaal twee personen.
### 3.1. Inleiding
### 8. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Voor verandering van onderwijsinstelling moet een wijziging worden gevraagd van de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In dat geval geldt onverkort dat de totale termijn op grond waarvan verblijf in Nederland voor studiedoeleinden is toegestaan, de maximale verblijfsduur niet mag overschrijden. De maximale verblijfsduur mag evenmin worden overschreden indien bij dezelfde onderwijsinstelling van opleiding wordt veranderd terwijl de eerdere opleiding nog niet is afgerond. In dat geval hoeft echter geen wijziging van de beperking te worden gevraagd.
Aangezien het volgen van een studie/opleiding primair is gericht op voltooiing ervan, is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale termijn in beginsel mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen de onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ingeval slechts een wijziging van onderwijsinstelling wordt beoogd, wordt aangenomen dat de studie/opleiding op hetzelfde niveau wordt voortgezet. De genoemde verklaring hoeft in dat geval dan ook niet te worden overgelegd.
Studenten aan wie een verblijfsvergunning voor het volgen van een voorbereidend jaar is verleend, komen bij wisseling van de studie niet opnieuw in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als au pair bij (naam gastgezin) te (plaatsnaam).’
De verblijfsvergunning onder de beperking ter voorbereiding op een studie wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid niet toegestaan’.
In het geval de au pair onderdaan is van een Lidstaat van de EU of EER, wordt de verblijfsvergunning verleend onder dezelfde beperking, maar wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
### 1. Inleiding
### 3.2. Aard van het verblijf
De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie.
### 3.2. Aard van het verblijf
Het begrip uitwisseling kenmerkt zich door wederkerigheid, in die zin dat de mogelijkheid om de samenleving en cultuur te leren kennen ook in het land van herkomst van de buitenlandse jongeren bestaat voor Nederlandse jongeren.
Verlening van een verblijfsvergunning in het kader van uitwisseling wordt geweigerd in geval een wettelijke weigeringgrond van toepassing is of indien aan een algemene voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning niet is voldaan.
Daarbij valt te denken aan de situatie dat de vreemdeling gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid of de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding (zie B1/4.2).
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
De twee laatstgenoemde van de hierboven opgesomde regels zijn een uitwerking van [artikel 3.43, lid e en f Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) en [artikel 3.44, lid e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.44). Deze regels zijn nadrukkelijk bedoeld om oneigenlijk gebruik van de verblijfsregeling tegen te gaan. En daarnaast om een uitwisselingsjongere te beschermen tegen misbruik. Het betalen van de bedoelde geldbedragen wordt enerzijds uitgelegd als een aanzienlijker tegenprestatie voor het verblijf in een gastgezin dan bedoeld in artikel 3.43, lid e Vb. Anderzijds brengt het vragen van hoge geldbedragen en/of borgsommen de uitwisselingsjongere in een ongewenste afhankelijke positie, waardoor het vertrek uit Nederland mogelijk niet langer gewaarborgd is. Een uitwisselingsjongere zal niet in alle gevallen beschikken over voldoende financiële middelen om de geldbedragen te betalen. Dit kan voor de uitwisselingsjongere aanleiding zijn om na afloop van de verblijfsvergunning in Nederland of Europa te blijven om geld te verdienen om de geldbedragen terug te kunnen betalen.
### 1.2. Gezinshereniging of -vorming
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of -vorming met een in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling worden afgewezen. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling overgaat tot gezinshereniging of gezinsvorming met een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende persoon. De vreemdeling wordt dan in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen tot wijziging van de vergunning.
De particuliere uitwisselingsorganisatie moet kunnen bevestigen dat het programma daadwerkelijk tweezijdig werkt (zie B7/1.1).
### 3.6. Voorschrift
Ingevolge [artikel 3.69 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69) wordt de geldigheidsduur van de vergunning voor dit doel na een jaar niet verlengd.
De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie.
### 2.1. Inleiding
Het uitgangspunt voor verblijf als au pair is buitenlandse jongeren – in korte tijd en onder bepaalde voorwaarden – de gelegenheid te bieden kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur.
Het gastgezin verleent de au pair kost en inwoning. Een au pair mag als tegenprestatie voor deze faciliteiten alleen lichte huishoudelijke werkzaamheden in het gezin verrichten onder de onder 2.2 omschreven voorwaarden. Een au pair mag dus niet worden ingezet als een nanny of werk(st)er. Ook mag een au pair geen taken verrichten voor mensen die een bijzondere zorg nodig hebben, die een specifieke vaardigheid vereist. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om handelingen waarvoor een (medische) opleiding nodig of vereist is.
### 3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
Dit verblijfskarakter en de noodzaak om oneigenlijk gebruik van het au pair beleid tegen te gaan, rechtvaardigen een restrictieve toepassing van het beleid.
### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden
Het verblijf van een au pair heeft primair een cultureel karakter. De werkzaamheden die een au pair verricht zijn arbeid in de zin van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), maar indien de au pair en het gastgezin zich houden aan de onderstaande cumulatieve voorwaarden geldt geen twv-plicht. Indien het gastgezin en/of de au pair zich hier niet aan houden wordt de Wet arbeid vreemdelingen overtreden. Zie ook het gestelde in B5/6 (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling). Bovendien wordt dan door de au pair niet (langer) voldaan aan de voorwaarden van het verblijf in Nederland, zie onder 2.3 en kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken.
Cumulatieve voorwaarden:
Het verrichten van taken voor mensen die een bijzondere zorg nodig hebben, die een specifieke vaardigheid vereist valt niet onder lichte huishoudelijke werkzaamheden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om handelingen waarvoor een (medische) opleiding nodig of vereist is.
Nederland heeft met Canada (Working Holiday Program), Australië en Nieuw-Zeeland (Working Holiday Scheme) afspraken gemaakt op grond waarvan jongeren die de nationaliteit van één van die landen bezitten via een zogenoemde betaalde werkvakantie kennis kunnen maken met de cultuur van de Nederlandse samenleving.
### 4.1. Inleiding
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als au pair bij (naam gastgezin) te (plaatsnaam).’
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid niet toegestaan’.
In het geval de au pair onderdaan is van een Lidstaat van de EU of EER, wordt de verblijfsvergunning verleend onder dezelfde beperking, maar wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
### 2.6. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 2.7. Verandering van gastgezin
Voor verandering van gastgezin moet wijziging van de vergunning worden gevraagd. Deze aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien ook in de relatie met het nieuwe gastgezin wordt voldaan aan de eerdergenoemde voorwaarden (zie [artikel 3.80 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80)). In geen geval mag echter de toegestane verblijfstermijn van één jaar daardoor worden overschreden.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van (naam van het relevante uitwisselingsprogramma)’.
Wanneer bij een gastgezin misbruik van het au pairbeleid wordt geconstateerd dan zal dit gezin gedurende een periode van vijf jaar worden uitgesloten van de mogelijkheid tot het verlenen van faciliteiten aan een au pair.
### 4.8. Onverplichte mvv
### 4.6. Voorschriften
Om in de kosten van hun verblijf te voorzien is het deze jongeren toegestaan betaalde arbeid te verrichten. Het mogen werken vormt echter niet het verblijfsdoel, maar is slechts een middel om het verblijf te kunnen financieren. Een arbeidsovereenkomst mag echter wel een langere periode omvatten en ook een open einde hebben.
### 3.1. Inleiding
Buitenlandse jongeren kunnen – onder bepaalde voorwaarden en onder verantwoordelijkheid van een hiertoe aangewezen organisatie – als deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma tijdelijk in Nederland verblijven om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur.
De particuliere uitwisselingsorganisatie moet kunnen bevestigen dat het programma daadwerkelijk tweezijdig werkt (zie B7/1.1).
Instellingen die culturele uitwisselingsprogramma’s organiseren, kunnen onder voorwaarden op hun verzoek op een (centraal bij te houden) lijst van de IND worden geplaatst, waarna aanvragen van de aangewezen organisaties om verblijf ten behoeve van deelnemers aan hun programma’s kunnen worden behandeld zoals hierna omschreven onder B7/3.8. Elke uitwisselingsorganisatie die bij de IND verzoekt op de bedoelde lijst te worden geplaatst, wordt getoetst op overeenstemming van het geboden programma met het hier geschetste beleid. Bovendien kan de organisatie worden getoetst op solvabiliteit. De organisatie ondertekent per toe te laten jongere de garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)). Organisaties die op de hierbovengenoemde lijst van de IND voorkomen, kunnen tussentijds worden gecontroleerd op het nog steeds voldoen aan, respectievelijk het nakomen van alle voorwaarden.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling:
De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie.
De deelnemer maakt kennis met de Nederlandse samenleving en cultuur via het verblijf in het gastgezin, deelname aan activiteiten van de organisatie, en via het volgen van onderwijs.
Eventueel te verrichten vrijwilligerswerk is uitsluitend toegestaan indien hiervoor een TWV is verleend. Indien een jongere met de Canadese, Australische of Nieuw-Zeelandse nationaliteit ook voldoet aan alle in B7/3.3 genoemde voorwaarden, dan prevaleert de voor de jongere meest gunstige regeling.
Visa (zoals een onverplichte mvv) worden op grond van [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3), bezien in samenhang met [artikel 3a, tweede lid, onder b en c, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a), kosteloos verleend aan de jongeren die op basis van deze uitwisselingsafspraken naar Nederland komen.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling:
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, tenzij de vreemdeling ten laste komt van de algemene middelen.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van uitwisselingsprogramma van (naam uitwisselingsorganisatie)’.
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid niet toegestaan’.
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)) is overlegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
Om zoveel mogelijk jongeren de gelegenheid te bieden van het programma gebruik te maken (onder wie dus ook de jongeren bij wie pas tijdens een rondreis door Europa de wens hiertoe ontstaat) is de afspraak gemaakt dat aanvragen tot het verlenen van een mvv door jongeren die aan deze uitwisselingsprogramma’s wensen deel te nemen bij iedere Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging kunnen worden ingediend.
### 5.1. Inleiding
### 3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
Indien een uitwisselingsorganisatie voorkomt op de lijst bedoeld in B7/3.1, kan de zogenoemde verkorte mvv-procedure worden gevolgd zoals omschreven in B1/1.5.
De organisatie staat er voor garant dat wordt voldaan aan de overige onder B7/3.3 genoemde voorwaarden.
### 5.6. Voorschrift
Ook ten behoeve van jongeren die wegens hun nationaliteit niet behoeven te beschikken over een geldige mvv, kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, zodat in een eerder stadium duidelijk wordt of de jongere voor het beoogde verblijf in aanmerking komt.
### 5.4. Beperking
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
### 4.1. Inleiding
Nederland heeft met Canada (Working Holiday Program), Australië en Nieuw-Zeeland (Working Holiday Scheme) afspraken gemaakt op grond waarvan jongeren die de nationaliteit van één van die landen bezitten via een zogenoemde betaalde werkvakantie kennis kunnen maken met de cultuur van de Nederlandse samenleving.
### 5.1. Inleiding
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
### 5.7. Wijziging van verblijfplaats
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. Met het oog op toezicht op vreemdelingen dient een wijziging van verblijfplaats gemeld te worden bij de IND. De uitnodigende instelling is verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
In het kader van het Working Holiday Program en het Working Holiday Scheme worden verschillende programma’s aangeboden door verschillende organisaties. De jongere is niet verplicht hier gebruik van te maken.
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
De aanvraag wordt afgewezen indien:
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
De aanvraag tot verblijf in het kader van het Working Holiday Program en het Working Holiday Scheme kan worden afgewezen als blijkt dat de vreemdeling voorafgaande aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven zonder in het bezit te zijn geweest van verblijfsrecht op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) met de beperking ‘conform beschikking Minister’, voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van deze vergunning wordt na een jaar niet verlengd.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van (naam van het relevante uitwisselingsprogramma)’.
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 5.6. Voorschrift
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring is overgelegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
In het geval van een uitnodigende instelling kan aan dit voorschrift ook worden voldaan door middel van ondertekening van een garantverklaring door die instelling (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)).
Ter beoordeling van de vraag of Nederland conform één van bovengenoemde situaties als het meest aangewezen land wordt aangemerkt, wordt advies ingewonnen van het BMA. De medisch adviseur doet evenwel geen uitspraken omtrent de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling. Daarbij kunnen immers ook niet-medische factoren van belang zijn. Evenmin kan de medisch adviseur uitspraken doen omtrent andere niet- medische (bijvoorbeeld sociaal-psychologische) aangelegenheden.
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie [A2/4.3.3.2](onbekend)) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
Hoewel het bij het Working Holiday Program en het Working Holiday Scheme om nationaliteiten gaat, waar geen verplichting geldt te beschikken over een geldige mvv, is in het belang van de jongeren de afspraak gemaakt dat de jongeren die op basis van deze uitwisselingsafspraken in Nederland willen verblijven een mvv kunnen aanvragen. De jongere heeft aldus eerder duidelijkheid of hem verblijf kan worden verleend.
Om zoveel mogelijk jongeren de gelegenheid te bieden van het programma gebruik te maken (onder wie dus ook de jongeren bij wie pas tijdens een rondreis door Europa de wens hiertoe ontstaat) is de afspraak gemaakt dat aanvragen tot het verlenen van een mvv door jongeren die aan deze uitwisselingsprogramma’s wensen deel te nemen bij iedere Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging kunnen worden ingediend.
Visa (zoals een onverplichte mvv) worden op grond van [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3), bezien in samenhang met [artikel 3a, tweede lid, onder b en c, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a), kosteloos verleend aan de jongeren die op basis van deze uitwisselingsafspraken naar Nederland komen.
### 2.1. Voorwaarden voor verblijf medische behandeling
Op grond van artikel 3.46, eerste lid, Vb, moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan alvorens voor dit doel verblijf wordt toegestaan:
In [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a) is de plaats van indiening van de aanvraag, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), nader uitgewerkt.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
Zij kunnen ingevolge het bepaalde in het derde lid van [artikel 3.101 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tevens indienen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van Nederland in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten.
Indien de Minister van BuZa (het hoofd van de Visadienst) oordeelt dat aan de voorwaarden voor verlening van een mvv is voldaan, geven de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen een mvv af. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, in dit kader, voorzien van alle relevante stukken en informatie, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging direct doorgezonden naar de IND, ter bespoediging van de procedure in Nederland. De vreemdeling meldt zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland bij de Korpschef van het regionale politiekorps, waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats wenst te houden (zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) dan wel [artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)). Vervolgens vervoegt de vreemdeling zich bij de IND ter voldoening van de verschuldigde leges.
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
De IND verschaft de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op de aanvraag het bescheid rechtmatig verblijf, met daarop de aantekening dat het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/4.3.3.2) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
### 5.1. Inleiding
Nederland heeft zich in Europees verband gecommitteerd aan de uitvoering van het uitwisselingsprogramma ‘Youth in Action’, waarvan het Europees Vrijwilligerswerk (EVS) deel uitmaakt. In het kader van het EVS kunnen jongeren - waaronder jongeren afkomstig van buiten de EU – een aantal maanden vrijwilligerswerk doen in Nederland.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
### 5.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
De vreemdeling die in het kader van het EVS programma in Nederland verblijft, is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. De gastorganisatie blijft echter volledig verantwoordelijk voor de deelnemer. In het kader van het actieprogramma van de Europese Unie is hij bovendien vrijgesteld van de eis van een tewerkstellingsvergunning.
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb 2000 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
De aanvraag wordt afgewezen indien:
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
Artikel 16, eerste lid, onder c, Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. De vreemdeling moet beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. Hiertoe moet de vreemdeling aantonen dat de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling niet met openbare middelen worden gefinancierd. De middelen dienen toereikend te zijn voor de gehele periode waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend.
### 10. Afwijzing
Het familielid of een andere relatie dient aantoonbaar te beschikken over voldoende, zelfstandig verworven middelen van bestaan voor zichzelf (en zijn gezin) en voor de kosten van het levensonderhoud van de vreemdeling voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling in Nederland. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een inkomen, dat tenminste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV. Tevens dient het familielid of een andere relatie zich schriftelijk garant te stellen voor de door de vreemdeling te maken kosten.
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
Als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden kan de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring is overgelegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
Het bovenstaande impliceert dat de vreemdeling de aanvraag tijdig moet indienen, anders is namelijk geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voorafgaande aan de aanvraag.
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. Met het oog op toezicht op vreemdelingen dient een wijziging van verblijfplaats gemeld te worden bij de IND. De uitnodigende instelling is verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
### 8. Medische behandeling
Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) met spoed is opgenomen in een ziekenhuis en dat hij hierdoor niet in staat is om de aanvraag tijdig in persoon in te dienen. In dat geval kan geconcludeerd worden dat het onomstotelijk vaststaat dat de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling te wijten is. Wel dient een bewijs van in dit geval een ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs overgelegd te worden.
De verblijfsvergunning wordt, ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26), verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan vreemdelingen die in Nederland een medische behandeling wensen te ondergaan. [Artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) bepaalt dat het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard.
### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is [artikel 3.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/16 Vc).
### 2.1. Voorwaarden voor verblijf medische behandeling
Op grond van artikel 3.46, eerste lid, Vb, moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan alvorens voor dit doel verblijf wordt toegestaan:
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
Op grond van artikel 3.46, derde lid, Vb wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw (zie B8/2.1.1).
### 3.1. Aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel
Als de vreemdeling niet behoort tot een van de bovengenoemde categorieën, wordt Nederland niet aangemerkt als het meest aangewezen land, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, waardoor toepassing van deze beleidsregel voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de met de beleidsregel te dienen doelen. Bij deze bijzondere omstandigheden dient met nadruk niet te worden gedacht aan omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen (zie B8/3.4). Voorts wordt geen betekenis toegekend aan de oorzaak van de medische problematiek, voorzover deze asielgerelateerd is.
Ter beoordeling van de vraag of Nederland conform één van bovengenoemde situaties als het meest aangewezen land wordt aangemerkt, wordt advies ingewonnen van het BMA. De medisch adviseur doet evenwel geen uitspraken omtrent de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling. Daarbij kunnen immers ook niet-medische factoren van belang zijn. Evenmin kan de medisch adviseur uitspraken doen omtrent andere niet- medische (bijvoorbeeld sociaal-psychologische) aangelegenheden.
De procedure voor het inwinnen van advies bij het BMA wordt beschreven in B8/3).
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/4.3.3.2) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA.
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Overeenkomstig artikel 3.46, derde lid Vb, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
De vreemdeling moet voldoen aan alle algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16 Vw, tenzij in artikel 3.46 Vb en hieronder anders is vermeld.
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb 2000 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
Artikel 16, eerste lid, onder a Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling. In de volgende gevallen wordt aan de vreemdeling vrijstelling van het mvv-vereiste verleend:
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
De vreemdeling moet beschikken over het normbedrag als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV. Indien de eigen financiële middelen van de vreemdeling ontoereikend zijn, kan het verblijf slechts worden toegestaan wanneer een familielid of een andere relatie in de kosten van het levensonderhoud voorziet.
### 7. Aard van het verblijfsrecht
Vrijstelling van het middelenvereiste wordt verleend indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
Met een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag, zoals bedoeld in [artikel 3.46, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46), wordt bedoeld dat sprake moet zijn van één aaneengesloten jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voordat de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt ingediend.
### 1. Inleiding
### 4. Mantelzorgnetwerk
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is geëindigd, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. In deze gevallen wordt toepassing gegeven aan [artikel 3.46, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46). De vraag of de te late indiening van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de aanvraag. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid er niet op is gewezen dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw binnenkort eindigt en dat een aanvraag moet worden ingediend, komt in dit verband geen betekenis toe. Evenmin komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich te kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw bij de IND meldt voor het maken van een afspraak voor het in persoon indienen van de aanvraag, waardoor het niet langer mogelijk is om tijdig een afspraak in te plannen. Aan het feit dat de vreemdeling tijd nodig heeft om de voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te vergaren, zoals een paspoort, komt ook geen betekenis toe.
Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) met spoed is opgenomen in een ziekenhuis en dat hij hierdoor niet in staat is om de aanvraag tijdig in persoon in te dienen. In dat geval kan geconcludeerd worden dat het onomstotelijk vaststaat dat de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling te wijten is. Wel dient een bewijs van in dit geval een ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs overgelegd te worden.
De verblijfsvergunning wordt, ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26), verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
De voorgaande periode van rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zal, bij onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling, niet meetellen voor de periode van drie jaar die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie in dit verband B16/3.2).
### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is [artikel 3.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/16 Vc).
### 3. Medisch advies
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
Als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden kan de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.
### 3.2.8. Kosten van levensonderhoud
### 4.2.4. Rechtshulp
Er mag niet van de vreemdeling worden gevergd dat hij een verklaring overlegt van zijn behandelaar, waarin deze zich een oordeel vormt over vreemdelingenrechtelijke aanspraken (waaronder tevens wordt begrepen vrijstelling van het wettelijk mvv-vereiste op grond van [artikel 17, eerste lid onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17)). Er mag bijvoorbeeld niet van een vreemdeling worden geëist dat hij een verklaring overlegt waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat het voor hem gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
Het bewijs omtrent de medische situatie vreemdeling mag op het moment van overleggen niet ouder zijn dan één maand. Als na overlegging het bewijs door tijdsverloop ouder wordt dan één maand, behoeft geen nieuwe medisch bewijs te worden overgelegd. De vreemdeling moet wel eventuele wijzigingen in zijn medische situatie, die van belang kunnen zijn voor een te nemen beslissing, door middel van een nieuw bewijs melden bij de IND. De vreemdeling hoeft dan niet perse gebruik te maken van het model conform de bijlage bij het aanvraagformulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)). Een brief, die alle bovengenoemde gegevens bevat, volstaat.
Niet in alle gevallen, waarin de vreemdeling zich in een reguliere toelatingsprocedure op medische gronden beroept, wordt het BMA om advies gevraagd. Dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich geen medisch oordeel mogen vormen, laat immers onverlet het bestuursrechtelijke uitgangspunt dat bij het indienen van een aanvraag alle gegevens en bescheiden dienen te worden overgelegd die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Dit betekent dat de IND het BMA in ieder geval niet om een medisch advies vraagt als:
### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, overlegt hij ingevolge [artikel 3.102 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102), voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval overlegt hij tevens aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit (zie ook B1/4.2 Vc).
Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aantoont, vraagt de IND slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur, met het oog op de bepaling in [artikel 17, eerste lid, onder c Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) en [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). De IND stelt aan de medisch adviseur in deze gevallen slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er een medische noodsituatie ontstaat. De IND vraagt het BMA niet om de vraag of medische behandeling mogelijk is in het land van herkomst te beantwoorden.
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
### 3.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zoals hier bedoeld dienen zij aan de volgende voorwaarden te voldoen:
De IND vraagt het BMA alleen om medisch advies als:
### 10. Afwijzing
Als de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag geen (volledig) ingevulde of ondertekende toestemmingsverklaring (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) overlegt, stelt de IND hem in de gelegenheid het verzuim aan het loket te herstellen conform [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5). Als de vreemdeling desondanks geen volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring overlegt, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
In overige gevallen geldt het volgende:
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
Het vóórkomen van onderbrekingen in de medicijnverstrekkingen vanwege logistieke problemen in het land van herkomst of bestendig verblijf, is geen aangelegenheid die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de aanwezigheid van de medische zorg. Wel is het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de mogelijke gevolgen van een onderbreking in de medicijnverstrekking zo veel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen, door een voorraad medicijnen aan te houden. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat in het land van herkomst dan wel het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen onderbrekingen voorkomen, wordt van geval tot geval een afweging gemaakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling en de duur en regelmaat van de onderbrekingen worden betrokken.
Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is.
### 4. Mantelzorgnetwerk
Als de medisch adviseur vaststelt dat de vreemdeling een medische behandeling ondergaat en dat mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van deze medische behandeling:
### 13. Overgangsrecht
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen personen, met name gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen waar de vreemdeling medisch gezien op is aangewezen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 5 b Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1, waaronder B8/2.1 ad a, onder 5 a en c Vc, wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen personen, met name gezins- of familieleden, zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen die noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl aangetoond is dat zonder medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of Nederlander zijn die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 3c Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1 Vc wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Met ‘mantelzorg’ wordt bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg zoals bijvoorbeeld thuiszorg is geen mantelzorg.
De uitzettingsbelemmering van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort (zie [A4/7](onbekend)). In het kader van de behandeling van de aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling wordt bij afwijzing van de aanvraag ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege dient te blijven. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege indien:
Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA niet in staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
### 6. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking:
‘Medische behandeling’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid niet toegestaan’.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
### 3.2. Bedenktijdfase
In verband met deze wijziging is de volgende overgangsregeling getroffen:
De verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling is conform [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) van tijdelijke aard. Houders van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
De bedenktijd staat alleen open voor de volgende categorieën vreemdelingen (zie B9/2):
De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt verleend voor de duur van de behandeling met een maximum van een jaar.
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
### 9. Gezinsleden
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
### 3.2.2. Registratie door de politie
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zoals hier bedoeld dienen zij aan de volgende voorwaarden te voldoen:
### 3.2. Bedenktijdfase
Zie voor een nadere uitwerking van bovengenoemde voorwaarden en voor de wijze waarop de vreemdeling moet aantonen aan bovengenoemde voorwaarden te voldoen B1/4 en B2 Vc.
Aan in Nederland verblijvende gezinsleden zoals hier bedoeld, die met de hoofdpersoon zijn meegereisd, kan met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) vrijstelling van het mvv-vereiste worden verleend.
In afwijking van het bepaalde in B1 Vc wordt voorts de aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan indien het een gezinslid betreft van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling die is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
In overige gevallen geldt het volgende:
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
Het verblijfsrecht is in deze gevallen conform [artikel 3.5, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard. Houders van de verblijfsvergunning zoals hier bedoeld komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 4.2.4. Rechtshulp
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake medische behandeling.
Indien het vermoedelijke slachtoffer tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het vermoedelijke slachtoffer voor de GBA een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van [artikel 67, vierde lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=67). Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regionale politiekorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt.
### 3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
De uitzettingsbelemmering van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort (zie [A4/7](onbekend)). In het kader van de behandeling van de aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling wordt bij afwijzing van de aanvraag ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege dient te blijven. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege indien:
In deze gevallen wordt in de beschikking waarmee de verblijfsvergunning wordt geweigerd, dan wel het bezwaarschrift gericht tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, ongegrond wordt verklaard, meteen aan de vreemdeling medegedeeld:
De bij het eerste opsommingsteken bedoelde gespecificeerde periode bedraagt de duur van het reisbeletsel met maximaal een jaar.
De politie meldt het feit dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen en gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel.
Uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking het ondergaan van medische behandeling hebben ingediend kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor (analoge) toepassing van artikel [64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van de beslissing op hun aanvraag – waardoor ingevolge de [Rva](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) – recht op opvang ontstaat. Dit is het geval indien voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning de procedure zoals beschreven in [A4/7.2](onbekend) is gevolgd. In aanvulling dient tevens door de vreemdeling tezamen met de relevante medische gegevens een geldig document voor grensoverschrijding te worden overgelegd (paragraaf B8/3.2 Vc is van overeenkomstige toepassing). Paragrafen [A4/7.2](onbekend) en [A4/7.3 Vc](onbekend) zijn verder van toepassing.
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt afgewezen eindigt de analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van rechtswege.
Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Tevens dienen voorbereidingen te worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaande aan de acties contact worden opgenomen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers.
Op 7 oktober 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de verscheidenheid aan toelatingsvormen ‘medisch’ te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2009/2010, 19637, nr 1305). Naar aanleiding hiervan is het beleid dat geldt voor aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, met ingang 1 juli 2010 aangepast en is de beperking ‘medische noodsituatie’ komen te vervallen.
In verband met deze wijziging is de volgende overgangsregeling getroffen:
De Korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek.
Indien het slachtoffer minderjarig is, dan dient in het gezag te worden voorzien.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de politie het aanvraagformulier voor de Rvb aan het vermoedelijke slachtoffer. De Rvb wordt verstrekt teneinde het vermoedelijke slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
Aanwijzingen van mensenhandel kunnen op verschillende manieren worden verkregen:
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
### 4.2.2. Opvang
Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel, wordt een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, of dat zij hiervan afzien. De vreemdeling wordt geïnformeerd dat dit direct kan of na gebruikmaking van een bedenktijd van maximaal drie maanden, om de beslissing in alle rust te overwegen.
De bedenktijd staat alleen open voor de volgende categorieën vreemdelingen (zie B9/2):
De bedenktijdfase is eenmalig en wordt niet verlengd.
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De politie meldt onverwijld door middel van het [model M55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55) per fax aan de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie dat de vreemdeling gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase. Daarnaast meldt de politie dit eveneens aan de DT&V en aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel (zie B9/3.2.6).
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
Indien een slachtoffer heeft gebruikgemaakt van de bedenktijdfase en een Rvb-verstrekking heeft ontvangen, is het onderstaande van belang.
Indien het vermoedelijke slachtoffer tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het vermoedelijke slachtoffer voor de GBA een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van [artikel 67, vierde lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=67). Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regionale politiekorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt.
De DT&V regelt het vertrek en zorgt voor de benodigde papieren (indien noodzakelijk regelt de DT&V een laissez-passer). De DT&V en de zorgcoördinator kunnen bij vertrek ook bemiddeling vragen aan de IOM.
In het geval het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding brengt de politie daarin de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aan ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op de sticker wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
### 3.2.5. Meldplicht
Gedurende de bedenktijdfase dient het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij/zij administratief is ondergebracht.
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan het slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
De politie meldt het feit dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen en gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel.
Mede in verband met het landelijk kunnen volgen van de vorderingen op het terrein van de bestrijding van mensenhandel is het belangrijk dat de politie iedere melding omtrent een vermoedelijk slachtoffer ter kennis brengt van het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Het Coördinatiecentrum Mensenhandel is, ten behoeve van de landelijke rapportage aan de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, belast met de landelijke registratie van het aantal aangemelde gevallen.
Ook de gevallen, waarbij het Coördinatiecentrum Mensenhandel niet betrokken is bij de opvang en huisvesting dienen voor registratie bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel te worden aangemeld.
Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Tevens dienen voorbereidingen te worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaande aan de acties contact worden opgenomen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers.
Het COA beëindigt de verstrekking van de uitkering krachtens de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726), indien:
Voor het plaatsen van het vermoedelijke slachtoffer op een opvangadres meldt de politie een vermoedelijk slachtoffer dat gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Het Coördinatiecentrum dat verantwoordelijk is voor het regelen van de opvang, schakelt de zorgcoördinator vrouwenopvang in de desbetreffende regio in, die er vervolgens voor verantwoordelijk is dat de dagelijkse begeleiding van het vermoedelijke slachtoffer plaatsvindt. In het geval er in de desbetreffende regio nog niet is voorzien in zorgcoördinatie binnen de reguliere hulpverlening blijft het Coördinatiecentrum Mensenhandel verantwoordelijk voor de zorgcoördinatie. Plaatsing van het vermoedelijke slachtoffer wordt door de beschikbare capaciteit bepaald. Als hoofdregel geldt dat in het belang van het onderzoek gedurende de bedenktijdfase opvang wordt gezocht binnen de desbetreffende politieregio.
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
Indien het slachtoffer minderjarig is, dan dient in het gezag te worden voorzien.
Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale Meldpunten Vrouwenopvang. Wordt het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren door de politie geplaatst, dan meldt hij dit, met spoed, eveneens aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens kan het Coördinatiecentrum Mensenhandel dan beoordelen of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd.
Heeft het slachtoffer geen gebruik gemaakt van de bedenktijd maar direct aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan schakelt de politie het Coördinatiecentrum Mensenhandel in voor het regelen van de opvang.
Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de politie het aanvraagformulier voor de Rvb aan het vermoedelijke slachtoffer. De Rvb wordt verstrekt teneinde het vermoedelijke slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.
### 4.2.3. Medisch onderzoek
Op grond van de Rvb is het vermoedelijke slachtoffer verzekerd tegen ziektekosten.
Het aanvraagformulier wordt eenmalig verstrekt en is geldig gedurende de drie maanden bedenktijd.
De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. Indien juridisch advies noodzakelijk blijkt, kan een rechtshulpverlener worden ingeschakeld. De rechtshulpverlener ontvangt hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte
De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. Indien het noodzakelijk blijkt voor het geven van juridisch advies gedurende de bedenktijdfase een rechtshulpverlener in te schakelen, ontvangt deze hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
De bedenktijdfase eindigt:
### 6.5. Opvang en financiën
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling afziet van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De bedenktijd eindigt op de datum dat betrokkene afziet van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een opsporings- of vervolgingsonderzoek. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
Indien tijdens of na de bedenktijdfase aangifte ter zake van mensenhandel wordt gedaan of medewerking wordt verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, is het beleid als genoemd in B9/4 direct van toepassing.
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
### 6. Procedurele bepalingen getuige-aangever
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de politie aan de IND is gezonden te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, alvorens op de aanvraag kan worden beslist (zie B9/6.1).
Geeft het vermoedelijke slachtoffer gedurende of na de bedenktijdfase aan af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, of loopt de bedenktijdfase af zonder dat er aangifte is gedaan of op andere wijze medewerking is verleend, dan wordt daarmee de opschorting van het vertrek opgeheven. De (vreemdelingen)politie informeert de DT&V hierover. De vreemdeling dient Nederland uit eigen beweging te verlaten (zie [artikel 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) en [62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62)). Daarbij verdient het aandacht dat in de reis- of identiteitspapieren van de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn nimmer aantekeningen omtrent de verwijdering mogen worden geplaatst.
De DT&V regelt het vertrek en zorgt voor de benodigde papieren (indien noodzakelijk regelt de DT&V een laissez-passer). De DT&V en de zorgcoördinator kunnen bij vertrek ook bemiddeling vragen aan de IOM.
De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het OM heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen.
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan het slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
### 4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
De politie meldt het feit dat een slachtoffer aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking verleent of heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek terzake mensenhandel aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Dit Coördinatiecentrum draagt de verantwoordelijkheid voor het registreren van het aantal meldingen. De melding dient overigens ook te geschieden indien het Coördinatiecentrum niet betrokken is bij de opvang en huisvesting van de betrokken vreemdeling.
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
Indien een slachtoffer heeft gebruikgemaakt van de bedenktijdfase en een Rvb-verstrekking heeft ontvangen, is het onderstaande van belang.
Het COA beëindigt de verstrekking van de uitkering krachtens de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726), indien:
### 7. De beslissing
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [RvB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) niet eerder dan nadat een verblijfsvergunning is afgegeven. Na afgifte van de verblijfsvergunning maakt het slachtoffer aanspraak op een uitkering ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703).
### 4.2.2. Opvang
Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer zich voor vervolgopvang wenden tot de zorgcoördinator in de regio waar hij of zij reeds verblijft of, in het geval er geen regionale zorgcoördinator beschikbaar is, tot het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgopvang op een andere locatie kan aangewezen zijn, indien de opvanglocatie die in de bedenktijdfase werd geboden niet geschikt is voor een langduriger verblijf.
Heeft het slachtoffer geen gebruik gemaakt van de bedenktijd maar direct aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan schakelt de politie het Coördinatiecentrum Mensenhandel in voor het regelen van de opvang.
### 7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 4.2.3. Medisch onderzoek
De zorgcoördinator ziet toe op het regelen van het medische onderzoek. Indien het slachtoffer nog geen TBC-keuring heeft ondergaan, dient een TBC-keuring onderdeel uit te maken van dit medische onderzoek.
Het verblijfsdocument wordt afgegeven door de politie onder wiens administratieve verantwoordelijkheid het slachtoffer of de getuige-aangever valt (zie B9/3.2.2).
De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. Indien juridisch advies noodzakelijk blijkt, kan een rechtshulpverlener worden ingeschakeld. De rechtshulpverlener ontvangt hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
Doet het vermoedelijke slachtoffer aangifte of verleent hij op andere wijze medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, maar geeft hij of zij te kennen uit Nederland te willen vertrekken, dan meldt de politie dit aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. Indien het vermoedelijke slachtoffer bereid is te getuigen in het proces tegen de verdachte, neemt de contactpersoon mensenhandel van de IND contact op met het OM. Acht het OM het voor de procesgang tegen de verdachte noodzakelijk dat betrokkene als getuige (ter zitting) kan worden gehoord, dan worden daar in overleg met de aangever nadere afspraken over gemaakt. Het verdient aanbeveling om, indien mogelijk, voorafgaande aan het vertrek contact op te nemen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel, zodat er afspraken kunnen worden gemaakt met NGO’s in de landen van herkomst. NGO’s kunnen in dit geval een dubbele functie vervullen. Zij kunnen het vermoedelijke slachtoffer bijstaan bij het reïntegreren na terugkeer en het zorgen voor het in stand houden van de contacten tussen het vermoedelijke slachtoffer en de betreffende Nederlandse instanties.
### 5. Voorwaarden verblijfsvergunning getuige-aangever
### 9.1. Slachtoffer
### 9.2. Getuige-aangever
De aanvraag wordt niet afgewezen:
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de getuige-aangever niet over een paspoort beschikt. Onderwijl dient een paspoort te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan de getuige-aangever de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/4.2 is vervolgens van toepassing.
De getuige-aangever van mensenhandel is geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag op grond van [artikel 3.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
### 6. Procedurele bepalingen getuige-aangever
### 6.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND.
De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9’ (zie [model M-55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55)) per fax van de aangifte in kennis.
De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag dient de IND bij het OM na te gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.
De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het OM heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht. Indien het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.
Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij of zij administratief is ondergebracht. De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan.
De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van hetzij de slachtoffer-aangever, hetzij de getuige-aangever kan rechtstreeks bij de IND worden ingediend (zie [artikel 3.33b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b)).
### 9.4. Document voor grensoverschrijding, middelen en openbare orde
De aanvraag wordt niet afgewezen:
### 9.2. Getuige-aangever
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
Op grond van [artikel 3.34e, onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34e) is het slachtoffer of de getuige-aangever die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), geen leges verschuldigd.
### 10. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52)
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de politie aan de IND is gezonden te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, alvorens op de aanvraag kan worden beslist (zie B9/6.1).
### 9. Verlenging
Indien een slachtoffer of een getuige-aangever – aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan – van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan hij een beroep doen op [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). In B16 is nader uitgewerkt op welke gronden en in welke situaties een vreemdeling voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) in aanmerking komt.
### 11. Gezinshereniging
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
### 1. Inleiding
Indien het noodzakelijk is, kan de politie het slachtoffer of de getuige-aangever begeleiden bij het ophalen van het verblijfsdocument.
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd. Na een jaar kan het slachtoffer een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (B16/4.9). De vreemdeling kan er ook voor kiezen om tussentijds of na een jaar alsnog aangifte te doen dan wel anderszins medewerking te verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar en op die grond een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen.
### 10. EU-recht
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.
### 12. Gezinshereniging
Het beroep in cassatie mag in Nederland worden afgewacht, aangezien de Hoge Raad de zaak nog terug kan wijzen naar het Hof. Cassatie in het belang der wet mag niet in Nederland worden afgewacht, aangezien cassatie in het belang der wet geen verandering in de rechten en positie van partijen te weeg kan brengen en derhalve geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen heeft.
Op grond van [artikel 3.34b, onder k en m, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b) zijn het slachtoffer van mensenhandel en de minderjarige kinderen van het slachtoffer van mensenhandel geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht.
Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
In [artikel 1, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:
Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. De geldigheid van de verblijfsvergunning wordt niet verlengd indien er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag dient de IND bij het OM na te gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.
De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht. Indien het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.
Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).
De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van hetzij de slachtoffer-aangever, hetzij de getuige-aangever kan rechtstreeks bij de IND worden ingediend (zie [artikel 3.33b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b)).
In dit hoofdstuk zullen de termen ‘Burger van de Unie’, ‘onderdaan van de EER’ en ‘onderdaan van een derde land’ worden gebruikt. ‘Burger van de Unie’ is de term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU. ‘Onderdaan van de EER’ wordt gebruikt voor iedere onderdaan van de EU en van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze termen. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een burger van de Unie, onderdaan van de EER of onderdaan van Zwitserland, en zelf niet de nationaliteit heeft van één van deze lidstaten, wordt dit expliciet vermeld. ‘Onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen burger van de Unie is of onderdaan van een EER- lidstaat of van Zwitserland.
De aanvraag wordt niet afgewezen:
### 1.4. De Overeenkomst EG-Zwitserland
Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
In [artikel 1, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
### 1.6. Terminologie
Indien een slachtoffer of een getuige-aangever – aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan – van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan hij een beroep doen op [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). In B16 is nader uitgewerkt op welke gronden en in welke situaties een vreemdeling voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) in aanmerking komt.
### 11. Gezinshereniging
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
### 2. Algemeen
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer of de getuige-aangever.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
De kring van familieleden die aan de richtlijn het (accessoire) recht op vrij verkeer ontlenen, omvat de volgende personen:
Aan een slachtoffer van mensenhandel kan op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning worden verleend als aangetoond wordt dat het slachtoffer geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:
Het bovenstaande moet worden aangetoond door:
In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen:
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding is B9/2 van overeenkomstige toepassing.
Op grond van [artikel 3.34b, onder k en m, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b) zijn het slachtoffer van mensenhandel en de minderjarige kinderen van het slachtoffer van mensenhandel geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag.
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt voor de duur van een jaar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) met de beperking ‘conform beschikking Minister’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan’.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd. Na een jaar kan het slachtoffer een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (B16/4.9). De vreemdeling kan er ook voor kiezen om tussentijds of na een jaar alsnog aangifte te doen dan wel anderszins medewerking te verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar en op die grond een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen.
Voor de regels met betrekking tot toegang van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en hun familieleden of gezinsleden wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, heeft overgelegd noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op onderdanen van de staten die partij zijn bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag, de EER-overeenkomst en de Overeenkomst EG-Zwitserland, over het vrije verkeer van personen, alsmede de familieleden van deze onderdanen, ongeacht hun nationaliteit.
Familieleden of gezinsleden van hier te lande verblijvende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, die niet zelf onderdaan van genoemde landen zijn maar afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in [bijlage 2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=2)) en die niet beschikken over een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, kunnen Nederland zonder mvv inreizen indien zij het familielid begeleiden of indien zij zich alhier bij hemzullen voegen. De familieleden of gezinsleden dienen dan wel in het bezit te zijn van een visum kort verblijf. Dit visum zal versneld en kosteloos worden verstrekt. Dus ook indien een visumplichtig familielid of gezinslid voor een verblijf bij de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland van langer dan drie maanden naar Nederland komt, hoeft hij niet in het bezit te zijn van een mvv. Hij hoeft in dat geval slechts in het bezit te zijn van een visum kort verblijf om te kunnen inreizen. Voor de te volgen visumprocedure wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11.
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).
### 2. Algemeen
Voor het toepassingsgebied van zowel binnen als buiten Europa gelegen grondgebieden van lidstaten wordt verwezen naar [A2/6.2.2](onbekend).
Om met succes beroep te kunnen doen op het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en verder, dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen dan wel op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) hun identiteit en nationaliteit aan te tonen. De identiteitskaart of het paspoort dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Hierop dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van de identiteitskaart of paspoort gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging.
Deze Overeenkomst is gesloten tussen IJsland, Noorwegen, Liechtenstein en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland. Op grond van [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) dient de vreemdeling met inachtneming van [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) worden uitgezet door of namens de Minister (zie B10/7.1).
### 2.5. Rechtmatig verblijf
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER en onderdanen van Zwitserland, alsmede hun gezinsleden ongeacht hun nationaliteit, genieten rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland. Voor andere EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden zijn de overige bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf van toepassing. Burgers van de Unie hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Het vrije verkeer van personen brengt echter geen absoluut verblijfsrecht mee in de zin dat iedere burger van de Unie te allen tijde in Nederland verblijfsgerechtigd is. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben zij, onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden van het EG-Verdrag en de bepalingen die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, het recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Het stelsel van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) kent hierbij verschillende fasen van het verblijf van de burger van de Unie en diens familieleden:
### 2.5.1. Verblijfsrecht van maximaal drie maanden
### 2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).
In dit hoofdstuk zullen de termen ‘Burger van de Unie’, ‘onderdaan van de EER’ en ‘onderdaan van een derde land’ worden gebruikt. ‘Burger van de Unie’ is de term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU. ‘Onderdaan van de EER’ wordt gebruikt voor iedere onderdaan van de EU en van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze termen. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een burger van de Unie, onderdaan van de EER of onderdaan van Zwitserland, en zelf niet de nationaliteit heeft van één van deze lidstaten, wordt dit expliciet vermeld. ‘Onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen burger van de Unie is of onderdaan van een EER- lidstaat of van Zwitserland.
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER, Zwitserse onderdanen, alsmede hun gezinsleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, worden allen aangeduid als ‘gemeenschapsonderdanen’. Gemeenschapsonderdanen zijn echter niet in alle gevallen ook burgers van de Unie. Zo zijn de gezinsleden van de burger van de Unie, onderdaan van de EER of Zwitserland die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van deze staten bezitten, wel gemeenschapsonderdaan doch niet burger van de Unie.
Onderdanen van EU/EER-lidstaten en van Zwitserland hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland te verblijven als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student (zie [artikel 8.12 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). Dat recht hebben zij uiteraard ook direct na inreis indien zij op dat moment aan de voorwaarden voldoen. Zij worden in geen geval verwijderd indien de burger van de Unie arbeid als zelfstandige of in loondienst verricht of naar Nederland is gekomen om werk te vinden, nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om dat te vinden. Onder bepaalde voorwaarden gaat het verblijfsrecht niet verloren door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden of vertrek van de persoon bij wie het familielid verbleef, of echtscheiding of beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
### 2.7. [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Ingevolge artikel 17, eerste lid, EG-Verdrag is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie. Artikel 17, tweede lid, EG-Verdrag bepaalt voorts dat de burgers van de Unie de rechten genieten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. Zij hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (zie artikel 18 EG-Verdrag). Burgers van de Unie en hun gezinsleden ontlenen hun aanspraak op verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van burgers van de Unie ontstaat en vervalt van rechtswege. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben aan de burger van de Unie gelijkwaardige rechten. Het verblijfsrecht van burgers van de Unie, onderdanen van de EER en van Zwitserland wordt op voorhand aangenomen, dus zonder tussenkomst van de Nederlandse overheid en zonder dat daadwerkelijk een besluit behoeft te worden genomen. Als regel geldt dat zij hier te lande wel verblijfsrecht hebben, maar niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument.
In Richtlijn 2004/38 staat het burgerschap van de Unie centraal. Overwogen wordt dat het burgerschap van de Unie de fundamentele status dient te zijn van onderdanen van de lidstaten die hun recht van vrij verkeer en verblijf uitoefenen. De richtlijn verbindt het primaat van dit burgerschap met het codificeren en herzien van de bestaande Gemeenschapsinstrumenten waarin afzonderlijke regelingen zijn vastgesteld voor werknemers, zelfstandigen, studenten en andere niet-actieven. Richtlijn 2004/38 regelt de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden, en de beperking daarvan om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Zij is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar, of verblijft in, een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden die hem begeleiden of die zich bij hem voegen.
De kring van familieleden die aan de richtlijn het (accessoire) recht op vrij verkeer ontlenen, omvat de volgende personen:
De richtlijn bepaalt voorts dat binnenkomst en verblijf worden vergemakkelijkt voor de volgende categorieën van personen:
In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.
Blijkens [artikel 8.7, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) is hetgeen is opgenomen in [artikel 8.8 Vb tot en met artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10) eveneens van toepassing is op de twee hierboven genoemde categorieën van personen.
De vreemdeling die onderdaan is van de EU, EER of Zwitserland, die in het bezit is van een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart van een lidstaat toont daarmee aan burger te zijn van de Unie. Deze vreemdeling wordt daarom geacht verblijfsrecht te ontlenen aan het gemeenschapsrecht en daarmee als gemeenschapsonderdaan rechtmatig hier te lande te verblijven in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zolang en indien onderzoek niet heeft uitgewezen dat zulks niet het geval is. Dergelijk onderzoek is uitsluitend toegestaan indien er redelijke twijfel bestaat of aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in de situatie waarin een economisch niet-actieve die het bewijs heeft geleverd dat hij aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, onder b, van de richtlijn voldoet, of een van zijn familieleden, enige tijd na inschrijving niettemin een aanvraag indient voor bijstand. Of de situatie waarin een student die heeft verklaard over voldoende middelen van bestaan te beschikken na inschrijving toch een beroep doet op de bijstand of studiefinanciering voor het levensonderhoud. Ook kan gedacht worden aan een werknemer die door middel van een werkgeversverklaring heeft aangetoond over voltijds werk voor tenminste een jaar te beschikken, maar die binnen dat jaar een beroep doet op volledige bijstand of die zijn werk tijdens of kort na de wettelijke proeftijd, en derhalve ruim binnen het jaar, opgeeft en vervolgens een beroep doet op studiefinanciering voor het levensonderhoud voor een studie die geen verband houdt met zijn voorafgaande beroepsactiviteit. Ook valt te denken aan situaties waarin een familielid, dat niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezit, na vertrek van degene van wie zijn verblijfsrecht afhankelijk was of na diens overlijden, beroep doet op de bijstand. In al deze gevallen kan het verblijf, in geval is vastgesteld dat niet langer aan de relevante voorwaarden voor verblijf is voldaan, per beschikking worden beëindigd. Van een automatische beëindiging van het verblijf kan daarbij echter geen sprake zijn.
### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid
### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
Slechts het duurzame verblijfsrecht van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, blijkt uit een op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’.
Uitgangspunt is dat zolang het merendeel van de inkomsten – hiermee wordt bedoeld meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – wordt verkregen uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit de publieke middelen.
Voor de regels met betrekking tot toegang van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en hun familieleden of gezinsleden wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.
### 3.3.1. Werknemers
### 3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken
Wanneer een visumplichtige ongehuwde partner van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland zich wenst te vestigen bij de in Nederland verblijvende en van zijn recht op vrij verkeer gebruik makende onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, dient beoordeeld te worden of sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie in de zin van [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Eerst indien daarvan sprake is kan een visumplichtige ongehuwde partner van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland Nederland inreizen ten behoeve van vestiging bij die partner zonder dat hij in het bezit is van een mvv (maar slechts van een visum kort verblijf). Voor de gevallen waarin wordt aangenomen dat sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie in de zin van [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend) of B10/1.7 Vc.
[Richtlijn 2004/38](32004L0038) voorziet, ter voorkoming van misbruik, in de mogelijkheid voor lidstaten van de burgers van de Unie te verlangen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden. In Nederland is voor EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland voorzien in een verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie, waarbij de in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) omschreven bewijzen moeten worden overgelegd. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven. Aan de inschrijving in de vreemdelingenadministratie en afgifte van een verklaring van inschrijving zijn geen leges verbonden. Ingevolge [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) is deze aanmelding tot inschrijving verplicht. Het niet voldoen aan deze verplichting is in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld.
Onderdanen van de EU, EER, en van Zwitserland zijn niet verplicht hun aanwezigheid te melden bij de autoriteiten belast met toezicht. Indien zij verblijf beogen van langer dan drie maanden zijn zij wel verplicht zich aan te melden ter inschrijving bij de IND (zie [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Iedere EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG, 23 maart 1982, Levin; 3 juni 1986, Kempf) blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast.
### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, heeft overgelegd noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken.
Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland. Op grond van [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) dient de vreemdeling met inachtneming van [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) worden uitgezet door of namens de Minister (zie B10/7.1).
Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.
### 3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
Deze voorwaarden gelden ook voor werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentale plat, met dien verstande dat in plaats van een in Nederland geregistreerd vervoermiddel sprake moet zijn van een installatie op het Nederlands deel van het continentale plat.
### 3.5.2. Onvrijwillige werkloosheid
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).
### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving.
Onderdanen van EU/EER-lidstaten en van Zwitserland hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland te verblijven als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student (zie [artikel 8.12 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). Dat recht hebben zij uiteraard ook direct na inreis indien zij op dat moment aan de voorwaarden voldoen. Zij worden in geen geval verwijderd indien de burger van de Unie arbeid als zelfstandige of in loondienst verricht of naar Nederland is gekomen om werk te vinden, nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om dat te vinden. Onder bepaalde voorwaarden gaat het verblijfsrecht niet verloren door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden of vertrek van de persoon bij wie het familielid verbleef, of echtscheiding of beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
### 3.4. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied
Slechts in geval van een zodanig, specifiek geval van redelijke twijfel of aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de inschrijving en daarmee de afgifte van de verklaring van inschrijving aangehouden tot onderzoek deze twijfel heeft weggenomen. Daarna vindt, indien is komen vast te staan dat aan de voorwaarden is voldaan, alsnog inschrijving plaats en wordt de verklaring van inschrijving afgegeven. Indien na onderzoek is komen vast te staan, dat niet aan de relevante voorwaarden is voldaan, wordt een beschikking gegeven waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor inschrijving. Daarnaast kan de inschrijving dan wel afgifte van de verklaring van inschrijving worden aangehouden, indien het inwinnen van antecedenten bij de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten onontbeerlijk wordt geacht voor de beoordeling of de EU- of EER-onderdaan een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. De inschrijving kan uiteraard vervolgens worden geweigerd, indien van een zodanig gevaar sprake blijkt te zijn. Een zodanige weigering geschiedt per beschikking (zie B10/7).
Voor de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student wordt verwezen naar B10/3 en B10/4.
De arbeidsverhouding van een werknemer in het internationale transport wordt verondersteld voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied te hebben, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, heeft duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Dit geldt ook voor familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland bij de burger van de Unie hebben gewoond ([artikel 8.17, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)). Het duurzame verblijfsrecht van de EU- en EER-onderdanen en van onderdanen van Zwitserland en hun familieleden die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten, blijkt uit het op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot afgifte van een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’ dient leges te worden betaald.
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Het duurzame verblijfsrecht komt onder omstandigheden ook toe aan burgers van de Unie en hun familieleden ongeacht hun nationaliteit, die nog geen ononderbroken periode van vijf jaar in Nederland hebben verbleven (zie [artikel 8.17, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17) en B10/3.6).
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
### 3.5.2. Onvrijwillige werkloosheid
Voor familieleden van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland, die niet de nationaliteit bezitten van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland, blijkt het rechtmatig verblijf uit een document of verklaring dat een aanvraag is ingediend (sticker voor verblijfsaantekeningen). Op grond van [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) wordt zo’n document of verklaring dat een aanvraag is ingediend afgegeven door de Minister. Ingevolge [artikel 3.9, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9) is de IND, bevoegd dit document of deze verklaring af te geven.
### 3.6.1. Uitzondering ([artikel 8.17, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
Het rechtmatig verblijf eindigt niet indien betrokkene een beroepsopleiding gaat volgen, die verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Dit verband met de eerdere beroepsactiviteit hoeft er niet te zijn bij onvrijwillige werkloosheid (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
Verplaatsen werkzaamheden, met hoofdverblijf in Nederland ([artikel 8.17, derde lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.3.2. Zelfstandigen
Op het af te geven bewijs van rechtmatig verblijf aan gemeenschapsonderdanen, die geen EU- of EER- onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn, dient de aantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ te worden geplaatst, zodat een werkgever zich daarvan gemakkelijk kan vergewissen.
### 3. Economisch actieven
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid
### 3.6.5. Verblijfskaart
Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de WAO/ WIA, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang
Uitgangspunt is dat zolang het merendeel van de inkomsten – hiermee wordt bedoeld meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – wordt verkregen uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit de publieke middelen.
Indien de inkomsten uit arbeid voor het merendeel worden aangevuld met andere inkomsten (bijvoorbeeld voor 50% of meer uit de publieke middelen) is er grond voor twijfel aan het serieuze karakter van de economische activiteit en dus aan het reële en daadwerkelijke karakter van de arbeidsverrichting.
Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.
Tot slot zijn zowel de duur als de regelmaat van de werkzaamheden factoren die een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid (HvJEG, 26 februari 1992, Raulin). In dit verband kan worden gedacht aan bijvoorbeeld oproepcontracten.
Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortzetting van verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan de regels met betrekking tot de economisch niet-actieven.
Om aan te tonen dat de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland voldoet aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden, bedoeld in [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), dienen de hierna genoemde bewijzen te worden geleverd. In het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) zijn per categorie de vereiste documenten die dit bewijs moeten leveren opgesomd.
### 3.3.1. Werknemers
De werknemer dient een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling over te leggen. Om vast te kunnen stellen of het reële en daadwerkelijke arbeid betreft, zal uit de verklaring moeten blijken voor hoelang de werknemer te werk zal worden gesteld, wat de hoogte van de inkomsten zullen zijn en voor hoeveel uren per week de werknemer arbeid zal verrichten.
Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving.
Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent voortzetting van verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortzetting van verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders.
Het Gemeenschapsrecht is slechts van toepassing op werkzaamheden die buiten Nederlands grondgebied worden verricht, indien er sprake is van een arbeidsverhouding met een voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied.
Een dergelijke situatie kan zich voordoen bij werknemers in het internationale transport (bijvoorbeeld werknemers op zeeschepen en op schepen in de internationale binnenvaart en daarmee gelijkgestelde inrichtingen, baggermolens, zandzuigers).
De arbeidsverhouding van een werknemer in het internationale transport wordt verondersteld voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied te hebben, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Deze voorwaarden gelden ook voor werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentale plat, met dien verstande dat in plaats van een in Nederland geregistreerd vervoermiddel sprake moet zijn van een installatie op het Nederlands deel van het continentale plat.
### 4. Economisch niet-actieven
Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland.
### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
Economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt (zie [artikel 8.12, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Het rechtmatig verblijf krachtens [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) eindigt niet indien de EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige van ten minste één jaar, onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende is ingeschreven bij het CWI (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). Dat de gemeenschapsonderdaan volledig ten laste komt van de publieke middelen, doet hieraan niet af.
Het rechtmatig verblijf eindigt niet gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat de onderdaan onvrijwillig werkloos is geworden door afloop van een arbeidsovereenkomst van korter dan één jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij de CWI is ingeschreven (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Het rechtmatig verblijf eindigt niet indien betrokkene een beroepsopleiding gaat volgen, die verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Dit verband met de eerdere beroepsactiviteit hoeft er niet te zijn bij onvrijwillige werkloosheid (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Er kan ook recht op voortzetting van verblijf ontstaan, voor EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die hun hoofdverblijf in Nederland hebben, omdat in bepaalde situaties ook eerder dan na vijf jaar al duurzaam verblijf verkregen kan worden. De verblijfscategorieën waar dit op van toepassing is staan vermeld in [artikel 8.17, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17). De categorieën dienstverlener of -ontvanger zijn in de richtlijn niet teruggekomen. De dienstenverlener is hetzij een werknemer, hetzij een zelfstandige. De dienstenontvanger geldt als economisch niet-actieve. Ook de grensarbeider is als zodanig niet teruggekomen in de richtlijn. Deze geldt immers ook als werknemer of zelfstandige, met dien verstande dat de grensarbeider nimmer de vrije termijn van drie maanden zal overschrijden, omdat de grensarbeider dagelijks of wekelijks Nederland verlaat om terug te keren naar zijn woning in een andere lidstaat. Dit geldt enkel voor burgers van de Unie.
De pensioengerechtigde leeftijd ligt op grond van de AOW op 65 jaar. De EU/EER-onderdaan en Zwitserse onderdaan, die op 65-jarige leeftijd zijn werkzaamheden staakt, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij:
Indien een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor zijn 65e levensjaar stopt met het verrichten van arbeid, kan hij in aanmerking komen voor verblijf als economisch niet-actieve.
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 4.2. Studenten
### 4.3. Beroep op de publieke middelen
Verplaatsen werkzaamheden, met hoofdverblijf in Nederland ([artikel 8.17, derde lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die zijn werkzaamheden buiten Nederland verplaatst, maar zijn hoofdverblijf in Nederland behoudt, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij:
Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
Studenten, die verblijfsrecht hebben op grond van [artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453).
### 4.2.4. Beëindiging van de studie
Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden zijn niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen. Afwezigheid van langere tijd, is niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen in de volgende gevallen:
Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan kan (aan de hand van de documenten genoemd in B10/3.3) aantonen dat hij voortdurend reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Perioden van afwezigheid als gevolg van ziekte of ongeval (zie B10/3.5.1) en van onvrijwillige werkloosheid (zie B10/3.5.2) worden aangemerkt als perioden van tewerkstelling.
In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband toe te passen verblijfsbeëindiging moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent voortzetting van verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortzetting van verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders.
De volgende persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval betrokken bij de belangenafweging in het kader van de evenredigheidstoets:
Aan EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen, die aan deze regelingen recht op duurzaam verblijf ontlenen, wordt een document ‘Duurzaam verblijf burger van de Unie’ verstrekt (zie bijlage [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)).
Het verschil met de (andere) economisch niet-actieven, die als regel langere tijd of permanent in Nederland beogen te verblijven, is dat verblijf voor studiedoeleinden van deze categorie studenten per definitie tijdelijk van aard is, omdat het beperkt is tot de duur van de opleiding (zaak C-424/98).
Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortzetting van verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan de regels met betrekking tot de economisch niet-actieven.
### 4. Economisch niet-actieven
Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland.
### 4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
Economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt (zie [artikel 8.12, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland dan wel de (voortzetting van) het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid. Op grond van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) kan het rechtmatige verblijf bovendien worden beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot weigering van verblijf zouden hebben geleid.
### 5.1. Samenwoningvereiste
In geval van een dergelijke partner geldt immers een wettelijke onderhoudsplicht.
Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.
### 5.2.1. Familielid zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
In deze gevallen ligt verblijf op grond van de regels voor economisch niet-actieven in de rede.
Voor zover de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan daarover de vrije beschikking heeft, kunnen inkomsten van een partner, niet zijnde huwelijkspartner en ook niet zijnde geregistreerde partner, of van een derde in aanmerking worden genomen, ook als die partner of derde onderdaan is van een derde land.
### 5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
Bij het vorenstaande wordt geen genoegen genomen met inkomsten uit illegale activiteiten. Daarmee wordt met name bedoeld de situatie waarin de echtgenoot, bedoelde geregistreerd partner of derde, zijnde onderdaan van een derde land, niet rechtmatig in de Unie verblijft, waardoor de door deze persoon uit arbeid verworven inkomsten illegaal zijn.
### 4.2. Studenten
EU/EER-studenten of Zwitserse studenten komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking voor de duur van hun opleiding, indien en zolang zij zijn ingeschreven bij een particuliere dan wel openbare erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut om hier te lande als hoofdbezigheid een studie, waarbij inbegrepen een beroepsopleiding, te volgen (zie [artikel 8.12, eerste lid onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.
Het begrip ‘beroepsopleiding’ moet hier ruim geïnterpreteerd worden. Een beroepsopleiding is iedere onderwijsvorm die opleidt voor een speciaal beroep, vak of betrekking of die een bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep uit te oefenen, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van leerling of student, zelfs indien er in het studieprogramma algemene vakken zijn opgenomen (een universitaire studie valt ook onder dit begrip). Ook stage valt hieronder. Wanneer er een lage stagevergoeding tegenover staat en er geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid.
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
Daarbij maakt het in beide gevallen niet uit of de burger van de Unie ten tijde van zijn registratie wel of geen familieleden had.
Studenten, die verblijfsrecht hebben op grond van [artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453).
### 4.2.4. Beëindiging van de studie
Indien een student niet meer is ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut en geen beroepsopleiding meer volgt, is niet langer voldaan aan de voorwaarden voor verblijf als student en ontleent hij aan de hoedanigheid van student niet langer een verblijfsrecht. Hij kan niettemin zijn verblijf voortzetten als werkzoekende, economisch actieve dan wel als economisch niet-actieve, of als familielid van een dergelijke burger van de Unie, indien hij aan de relevante voorwaarden voldoet. Indien hij echter inmiddels het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen, behoeft hij niet aan die voorwaarden te voldoen. Grond om tot beëindiging van het verblijf over te gaan door middel van een beschikking om reden dat de betrokkene niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan tot de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht slechts plaatsvinden op de grond dat hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel, onverminderd eventuele bezwaren uit hoofde van openbare orde en veiligheid (zie B10/7).
### 4.3. Beroep op de publieke middelen
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband toe te passen verblijfsbeëindiging moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist.
Tenzij persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, beëindigt de IND in aanvulling op [artikel 8.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.16) het verblijf bij een beroep op de algemene middelen als de burger van de Unie:
De volgende persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval betrokken bij de belangenafweging in het kader van de evenredigheidstoets:
### 5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht
Het verschil met de (andere) economisch niet-actieven, die als regel langere tijd of permanent in Nederland beogen te verblijven, is dat verblijf voor studiedoeleinden van deze categorie studenten per definitie tijdelijk van aard is, omdat het beperkt is tot de duur van de opleiding (zaak C-424/98).
De lidstaten zijn niet verplicht om aan studenten die het verblijfsrecht genieten beurzen uit te betalen om in het levensonderhoud te voorzien (studiefinanciering voor het levensonderhoud). Deze regel is bevestigd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (zaak C-184/99 Grzelczyk).
Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.
Verblijfsbeëindiging kan in deze gevallen echter niet het automatische gevolg zijn. In deze gevallen vindt een evenredigheidstoets plaats. N.B. Indien sprake is van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf, is het duurzame verblijfsrecht verkregen. Het feit dat de vreemdeling in die periode niet of niet langer aan de voorwaarden voldeed is in dat geval niet langer relevant.
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh en HvJEG, 11 december 2007, Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is richtlijn 2004/38/EG naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand (HvJEG, 11 december 2007, Eind).
Het familie- of gezinslid van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland, dat rechtmatig verblijf heeft in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), wordt eveneens aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het is daarbij voor het verblijfsrecht niet van belang of het familie- of gezinslid zelf onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland is. Het familie- of gezinslid heeft ook rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland dan wel de (voortzetting van) het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid. Op grond van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) kan het rechtmatige verblijf bovendien worden beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot weigering van verblijf zouden hebben geleid.
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 11 juli 2002, Carpenter) kan het volgende worden afgeleid. Indien een Nederlander moet worden aangemerkt als dienstenverrichter in de zin van het EG-Verdrag, moet worden bezien of de weigering om een familielid hier te lande verblijf toe te staan een belemmering vormt van het vrij verkeer van diensten door de Nederlander. In het arrest Carpenter was sprake van een belemmering omdat het familielid een dusdanige bijdrage leverde aan de verzorging van de kinderen van de dienstenverrichter dat daarmee een substantiële bijdrage werd geleverd aan het ongehinderd uitoefenen van het vrij verkeer diensten. Vervolgens moet worden getoetst of deze belemmering gerechtvaardigd is. Daarbij is allereerst de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Is dit het geval, dan wordt aangenomen dat de geconstateerde belemmering een inmenging vormt in de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Deze inmenging kan alleen uit oogpunt van openbare orde en nationale veiligheid worden gerechtvaardigd.
Voor ongehuwde partners van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland geldt dat zij in Nederland met hun partner dienen samen te wonen. Voor hetgeen onder samenwonen wordt verstaan wordt verwezen naar B2/4.9. Het is niet vereist dat de overige familieleden, bedoeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), permanent met de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland, of diens echtgenoot of geregistreerd partner, samenwonen, mits de juridische familieband niet is verbroken en aan de overige vereisten is voldaan.
Het rechtmatig verblijf van het familielid dat zelf onderdaan is van de EU/EER of van Zwitserland eindigt niet door:
Volgens het Hof van Justitie EG (HvJEG, 23 februari 1994, Scholz) kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.
Het familielid, dat zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, heeft dezelfde verblijfsrechtelijke positie als de burger van de Unie. De eerste periode van verblijf bedraagt drie maanden (zie [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). In deze periode worden geen andere voorwaarden gesteld dan het bezit van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart. De burger van de Unie die door middel van een identiteitskaart zijn identiteit en nationaliteit aantoont, bezit recht op verblijf. Het niet beschikken over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort doet echter niet af aan de rechtmatigheid van het verblijf, indien het bewijs van identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd.
### 5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid
Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, heeft een duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Het duurzame verblijfsrecht van de EU- en EER-onderdanen en hun familieleden die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten, blijkt uit het op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Zie verder B10/2.5.3, welke van overeenkomstige toepassing is.
In [artikel 8.15, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15) gelezen in samenhang met [artikel 8.15, tweede lid, onder b, en derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15), wordt met betrekking tot voortzetting van verblijf en een beroep op de publieke middelen een uitzondering gemaakt voor studerende kinderen en hun verzorgende ouder.
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt bij een verblijf van langer dan drie maanden na aanvraag in bezit gesteld van een document EU/EER, met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’. De geldigheidsduur van dit document bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte, of is gelijk aan de (voorgenomen) periode van verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is, indien dat voorgenomen verblijf korter dan vijf jaren bedraagt. In overige gevallen wordt de geldigheidsduur van het verblijfsdocument bepaald op vijf jaren.
### 6. Onderdanen van België en Luxemburg
De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.
Bij de registratie van de burger van de Unie als economisch niet-actieve zal hij moeten aantonen dat hij voldoet aan het middelenvereiste. Indien zijn familieleden afkomstig van buiten de Europese Unie zich op een later moment bij hem willen voegen en in dit kader een aanvraag indienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht, moet opnieuw worden getoetst aan het middelenvereiste. De burger van de Unie dient dan bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor hemzelf én zijn familieleden.
Ditzelfde geldt ook voor familieleden van een economisch actieve burger van de Unie met dien verstande dat bij de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht dient te worden aangetoond dat de burger van de Unie nog steeds reële en daadwerkelijke arbeid verricht.
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
Voor de behandeling van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument is een legesbedrag verschuldigd. De aanmelding voor het indienen van een aanvraag moet ingevolge [artikel 8.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13), plaatsvinden binnen één maand na afloop van de periode van drie maanden rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11).
Voor familieleden die ten laste komen van de burger van de Unie geldt dat bij álle familieleden die stellen ten laste te komen van een burger van de Unie per geval moet worden beoordeeld of zij, gezien hun financiële en sociale toestand, materiële steun nodig hebben om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien in het land van herkomst of het land vanwaar zij kwamen op het ogenblik dat zij verzochten om hereniging met de EU-burger (d.w.z. niet in het gastland waar de EU-burger verblijft). Dit geldt dus zowel voor familieleden die vallen onder [artikel 8.7, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) als de familieleden die vallen onder artikel 8.7, tweede lid, onder c of d, Vb.
Om vast te kunnen stellen dat sprake is van een familie- of gezinslid in de zin van [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) dient het familie- of gezinslid bij de aanvraag tot afgifte van het verblijfsdocument middels het overleggen van documenten zijn familierechtelijke of duurzame relatie met de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland te kunnen aantonen (zie ook B10/1.7). Voorts volgt uit [artikel 8.13, derde lid, onder a tot en met g, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13) dat bij de aanvraag de volgende documenten worden overgelegd:
Na indiening van deze aanvraag dient onmiddellijk een bewijs van aanvraag te worden verstrekt (verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan).
Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om het document EU/EER met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, dient het verblijfsdocument te worden verstrekt. [Artikel 25, tweede en derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing (zie [artikel 8.13, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13)). Het rechtmatig verblijf van het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheid van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of een derde land. Het is aan de vreemdeling om zulks met documenten te staven (zie [artikel 8.15 Vb, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15)).
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
Uit de Benelux Overeenkomst, die in 1960 is afgesloten tussen België, Nederland en Luxemburg, vloeien voor onderdanen van België en Luxemburg enige uitzonderingen voort op het verblijfsrecht dat op grond van het gemeenschapsrecht ontstaat.
Het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 27 oktober 1982, Morson en Jhanjan) heeft aanvaard dat Nederlanders, die nooit gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers binnen de EU/EER, op het gebied van gezinsherenigingbeleid in eigen land mogen worden achtergesteld bij gemeenschapsonderdanen in Nederland. De verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en de uitvoeringsregeling hiervan, kunnen volgens het Hof niet worden toegepast op situaties die geen enkel aanknopingspunt hebben met één van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven.
Aan een Belg of Luxemburger die geen verblijfsrecht heeft op grond van het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan op grond van [artikel 8.6, eerste en derde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6) direct bij eerste binnenkomst een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) ([document I, bijlage 7a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a)), worden afgegeven, indien hij:
Nederlanders zijn weliswaar burgers van de Unie, maar zij zijn in beginsel geen gemeenschapsonderdaan. Richtlijn 2004/38/EG is namelijk niet van toepassing op een burger van de Unie die verblijft in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit. De richtlijn beoogt derhalve niet het verblijf van een burger van de Unie in zijn eigen lidstaat te regelen. Een en ander blijkt zowel uit de tekst, de doelstelling als de inhoud van de richtlijn.
Nederlanders kunnen daarom in het algemeen geen geslaagd beroep doen op het gemeenschapsrecht voor verblijf van familie- of gezinsleden. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van Nederlanders zijn daarom, behoudens enkele uitzonderingen, ingevolge [artikel 13 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13) de regels voor verlening van een verblijfsvergunning als genoemd in B2 onverkort van toepassing.
Het vorenstaande is slechts anders indien de Nederlander gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer. Het beroep op het gemeenschapsrecht ten behoeve van zijn familieleden kan in dat geval worden gehonoreerd indien en voor zover de aanwezigheid van het familielid noodzakelijk is voor de effectieve uitoefening van het recht op vrij verkeer door de Nederlander. In de zaken Surinder Singh (zie in dit verband B10/5.3.2.1), Eind (zie in dit verband B10/5.3.2.1) en Carpenter (zie in dit verband B10/5.3.2.2) heeft het Hof van Justitie van de EG een dergelijke noodzaak aangenomen.
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh en HvJEG, 11 december 2007, Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is richtlijn 2004/38/EG naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand (HvJEG, 11 december 2007, Eind).
### 5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie [artikel 8.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18)):
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 11 juli 2002, Carpenter) kan het volgende worden afgeleid. Indien een Nederlander moet worden aangemerkt als dienstenverrichter in de zin van het EG-Verdrag, moet worden bezien of de weigering om een familielid hier te lande verblijf toe te staan een belemmering vormt van het vrij verkeer van diensten door de Nederlander. In het arrest Carpenter was sprake van een belemmering omdat het familielid een dusdanige bijdrage leverde aan de verzorging van de kinderen van de dienstenverrichter dat daarmee een substantiële bijdrage werd geleverd aan het ongehinderd uitoefenen van het vrij verkeer diensten. Vervolgens moet worden getoetst of deze belemmering gerechtvaardigd is. Daarbij is allereerst de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Is dit het geval, dan wordt aangenomen dat de geconstateerde belemmering een inmenging vormt in de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Deze inmenging kan alleen uit oogpunt van openbare orde en nationale veiligheid worden gerechtvaardigd.
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.
### 7.2. Uitzetting
Indien een gemeenschapsonderdaan tot het moment van naturalisatie tot Nederlander gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, blijven de gemeenschapsrechten die zijn familieleden reeds hadden opgebouwd, behouden. Wel moet de familierechtelijke relatie tot stand zijn gekomen op een moment waarop gebruik werd gemaakt van het recht op vrij verkeer – dus voordat de gemeenschapsonderdaan werd genaturaliseerd tot Nederlander. Ook moet het familielid de gemeenschapsonderdaan hebben vergezeld of zich bij hem hebben gevoegd op een moment waarop gebruik werd gemaakt van het recht op vrij verkeer – dus voordat de gemeenschapsonderdaan werd genaturaliseerd tot Nederlander.
Het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, wordt ontzegd of beëindigd om redenen van volksgezondheid in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden genomen (zie [artikel 8.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)). Hierbij kan, naast de in de gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts worden gedacht aan een ziekte als Sars (zie [artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2)). Het rechtmatig verblijf wordt niet om redenen van volksgezondheid beëindigd indien de ziekte later dan drie maanden na inreis is opgetreden (zie [artikel 8.23, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)).
In dit onderdeel wordt nader ingegaan op het recht op voortzetting van verblijf van familie- en gezinsleden van EU/EER-onderdanen en familie- en gezinsleden van Zwitserse onderdanen.
### 5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan
Zolang de familierelatie of de gezinsband met de hoofdpersoon in stand blijft en de hoofdpersoon als gemeenschapsonderdaan is aan te merken, is het familie- of gezinslid eveneens als zodanig aan te merken.
Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar [A4/3](onbekend).
Het rechtmatig verblijf van het familielid dat zelf onderdaan is van de EU/EER of van Zwitserland eindigt niet door:
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.
In dit onderdeel wordt nader ingegaan op het recht op voortzetting van verblijf van familieleden van EU- EER-onderdanen en familieleden van onderdanen van Zwitserland, die zelf niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat of van Zwitserland hebben. [Artikel 8.15 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15) ziet op het (niet-) beëindigen van het verblijfsrecht van deze familieleden. Het verblijfsrecht eindigt niet:
Het verblijfsrecht van familieleden, die geen EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, voordat zij het duurzame verblijfsrecht te verkrijgen, blijft onderworpen aan de voorwaarde dat is aangetoond dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden beschikken over toereikende bestaansmiddelen om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel en om te garanderen dat zij beschikken over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt. Onder toereikende middelen wordt verstaan dat de vreemdeling beschikt over een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld. Het vorenstaande is eveneens van toepassing, indien het familielid gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
In [artikel 8.15, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15) gelezen in samenhang met [artikel 8.15, tweede lid, onder b, en derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15), wordt met betrekking tot voortzetting van verblijf en een beroep op de publieke middelen een uitzondering gemaakt voor studerende kinderen en hun verzorgende ouder.
### 7.2. Uitzetting
Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar [A4/3](onbekend).
### 8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
Wanneer het kind niet meer ten laste komt van de gemeenschapsonderdaan en zelf geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, zijn de regels vermeld in B2 van toepassing.
### 6. Onderdanen van België en Luxemburg
Uit de Benelux Overeenkomst, die in 1960 is afgesloten tussen België, Nederland en Luxemburg, vloeien voor onderdanen van België en Luxemburg enige uitzonderingen voort op het verblijfsrecht dat op grond van het gemeenschapsrecht ontstaat.
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e) niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt (zie ook B5/4.4).
Aan een Belg of Luxemburger kan een verblijfsrecht niet worden geweigerd op de enkele grond dat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid.
Ingevolge artikel IX Richtlijn 2004/38, wordt aan onderdanen van staten, die op 1 mei 2004 zijn toegetreden of daarna toetreden tot de EU alsmede hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, een document rechtmatig verblijf verleend waaruit rechtmatig verblijf blijkt, voor de duur van vijf jaar of tenminste voor de duur van de dienstverlening.
Ten aanzien van Belgen en Luxemburgers dient te worden afgezien van het doen ondertekenen van een antecedentenverklaring. Ingevolge de Beneluxovereenkomst kunnen zij bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning eigener beweging een bewijs van goed zedelijk gedrag overleggen.
Daarbij wordt voorts verwezen naar de [paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav](onbekend), inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (zie D2/2).
Aan een Belg of Luxemburger wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet afgewezen op de enkele grond dat hij het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13), niet heeft behaald (zie [artikel 8.6, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6)).
Daarbij wordt voorts verwezen naar de [paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav](onbekend), inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (zie D2/2).
De weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsdocument, afgegeven aan een Belg of Luxemburger, alsmede de inname daarvan of van intrekking van een afgegeven verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan niet geschieden op grond van de omstandigheid dat hij niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt (zie [artikel 8.6, tweede en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6)). Dit kan slechts geschieden, indien hij een actuele bedreiging van de openbare orde of de openbare veiligheid vormt.
De vreemdeling heeft wel de mogelijkheid zich alsnog op de arbeidsmarkt te begeven, maar een potentiële werkgever is verplicht met het oog op de tewerkstelling van deze vreemdeling over een TWV te beschikken.
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
Op grond van [artikel 8.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) wordt het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, ontzegd of beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veilgeheid als het persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij analoge toepassing van [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) of [3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden.
Het rechtmatig verblijf wordt ook ontzegd of beëindigd op grond van veelvuldig gepleegde lichte feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging/beëindiging zou kunnen leiden. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving en wordt als ondergrens gehanteerd de glijdende schaal voor veelplegers, [artikel 3.86 lid 4 en 5, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86).
### 1. Inleiding
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie [artikel 8.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18)):
Verblijfsbeëindiging om redenen van volksgezondheid is, gezien ook het gestelde in [artikel 8.23, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23), niet mogelijk.
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
De beoordeling of sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving mag uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijke gedrag van de betrokkene. Het enkele feit van een strafrechtelijke veroordeling is een onvoldoende deugdelijke motivering (in de zin van [artikel 3:46 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:46)) bij verblijfsbeëindiging op deze grond. Dit geldt ook voor motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen. Beëindiging van het verblijfsrecht op deze grond zal in de regel plaatsvinden door een ongewenstverklaring (zie [A5/6.1](onbekend) en verder), indien en zolang de betrokkene nog niet het recht van duurzaam verblijf heeft verkregen. In geval hij dat recht wel heeft verkregen zal de beëindiging van het verblijfsrecht plaatsvinden door middel van een beschikking tot intrekking van het duurzame verblijfsrecht, al dan niet in combinatie met ongewenstverklaring.
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.
Van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, mag niet worden verlangd dat zij bewijzen van goed gedrag, uittreksels uit het strafregister en dergelijke overleggen.
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Bij de bevoegde diensten van de Staat van herkomst van de betrokken gemeenschapsonderdaan, zullen door de Minister nadere inlichtingen omtrent zijn antecedenten worden ingewonnen. Indien blijkt van eerder verblijf van de gemeenschapsonderdaan in ons land, dienen omtrent hem tevens inlichtingen te worden ingewonnen bij de Korpschef van zijn vroegere woon- of verblijfplaats.
Met betrekking tot het verrichten van dergelijke arbeid, anders dan in loondienst, gelden de regels van B10/3.3.2.
Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar [A4/3](onbekend).
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
### 8.1. Werkzoekenden
Het Nederlandse reguliere vreemdelingenrecht is zo ingericht dat een vreemdeling dient aan te geven in verband met welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning wenst te verkrijgen. Ieder opgegeven verblijfsdoel brengt op zijn beurt weer een specifiek toetsingskader van voorwaarden en beperkingen met zich mee. Dit laat onverlet dat ingevolge de directe werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde aan de vreemdeling in bepaalde gevallen een recht op (voortgezette) toelating toekomt. [Artikel 8.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.26) geeft een overzicht van verdragen. De Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen aan de in dit artikel genoemde verdragen kunnen ontlenen.
Turkse werknemers en hun gezinsleden die voldoen aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 ontlenen hun recht op arbeid, en het daarmee samenhangend recht op verblijf, rechtstreeks aan besluit nr. 1/80. Het recht op verblijf is in die gevallen daarom in beginsel onafhankelijk van de afgifte van een verblijfsvergunning, hetgeen het bestaan van dit (rechtstreeks toegekende) recht slechts bevestigt (zie Hof van Justitie van de EG, 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93 en 16 maart 2000, Ergat, C-329/97; zie [artikel 8, aanhef en onder l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)).
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, blijft een TWV vereist.
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
Gevraagde bescheiden:
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
Ten aanzien van gezinsleden van werknemers met de nationaliteit van Bulgarije en Roemenië geldt het volgende.
### 8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst
Aan de vreemdeling, die voor een ander doel dan het zoeken of verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft (zelfstandige, dienstenverlener, dienstenontvanger, gepensioneerde, blijvend arbeidsongeschikte, economisch niet-actieve en student), wordt door Nederland geen vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt verleend, zolang Nederland als nationale maatregel de TWV-plicht handhaaft.
De vreemdeling heeft wel de mogelijkheid zich alsnog op de arbeidsmarkt te begeven, maar een potentiële werkgever is verplicht met het oog op de tewerkstelling van deze vreemdeling over een TWV te beschikken.
### 3.3.1. Begrippen
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
Pas indien op enige datum na toetreding van de desbetreffende lidstaat een TWV is verleend ter zake van de door de vreemdeling te verrichten werkzaamheden, wordt vervolgens op aanvraag een nieuw verblijfsdocument EU/EER afgegeven, met toepassing van B10/8.2 onder b, voor zover sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, anders dan marginaal en bijkomstig van aard, en voor zover de TWV is afgegeven met een geldigheidsduur van tenminste 12 maanden.
Voor wat betreft studenten, die in Nederland verblijven op grond van [artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), en die geen verblijfsrecht kunnen ontlenen aan één der andere bepalingen van het gemeenschapsrecht, geldt het volgende.
Indien zij arbeid (willen gaan) verrichten in het kader van een stage als verplicht onderdeel van de opleiding, of arbeid van niet meer dan tien uren per week dan wel seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus, is het gestelde in B6/5 van overeenkomstige toepassing.
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
Ook in de daar omschreven gevallen, van door een student te verrichten arbeid, is een TWV vereist, ook al wordt die arbeid aangemerkt als zijnde van bijkomende aard.
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
De in voorgaande subparagrafen bedoelde onderdanen en hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, worden desgewenst in de gelegenheid gesteld een aanvraag te doen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daarmee corresponderende verblijfsdocument, ter zake waarvan leges zijn verschuldigd.
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
### 3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Ter zake van de afdoening van deze aanvragen leiden de legesbepalingen van de [artikelen 3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34), [3.34c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34c) en [3.34d, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34d) tot hogere legesverplichtingen.
Op grond van nationaal beleid geldt dat de Turkse werknemer, nadat hij drie jaar onafgebroken legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht, vrije toegang heeft tot iedere arbeid van zijn keuze (zie B5/3.2.2). Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Associatiebesluit 1/80 reeds na drie jaar legale arbeid van toepassing is.
Terzake van het verrichten van arbeid in loondienst, geheel of ten dele bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden, geldt ingevolge [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2), in samenhang met [artikel 3 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=3), een verbod op tewerkstelling doordat een TWV wordt geweigerd. Zolang dit geldt, wordt terzake van het door onderdanen van Bulgarije en Roemenië verrichten van zodanige werkzaamheden geen verblijfsdocument EU/EER afgegeven.
Met betrekking tot het verrichten van dergelijke arbeid, anders dan in loondienst, gelden de regels van B10/3.3.2.
Indien betrokkene na het verstrijken van de redelijke termijn en ondanks bemiddeling van het arbeidsbureau geen nieuwe dienstbetrekking heeft gevonden, behoort betrokkene nog slechts tot de legale arbeidsmarkt indien hij een reële en daadwerkelijke kans maakt om binnen een maand tewerkgesteld te worden (zie Hof van Justitie van de EG, 23 januari 1997, Tetik, C-171/95).
Bij de berekening van tijdvakken van legale arbeid moet rekening gehouden worden met tijdvakken waarin betrokkene geen arbeid (heeft) verricht (zie artikel 6, tweede lid, Associatiebesluit 1/80).
### 3.1. Begunstigde
Het Nederlandse reguliere vreemdelingenrecht is zo ingericht dat een vreemdeling dient aan te geven in verband met welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning wenst te verkrijgen. Ieder opgegeven verblijfsdoel brengt op zijn beurt weer een specifiek toetsingskader van voorwaarden en beperkingen met zich mee. Dit laat onverlet dat ingevolge de directe werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde aan de vreemdeling in bepaalde gevallen een recht op (voortgezette) toelating toekomt. [Artikel 8.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.26) geeft een overzicht van verdragen. De Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen aan de in dit artikel genoemde verdragen kunnen ontlenen.
Vrijwillige werkloosheid gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid heeft tot gevolg dat reeds opgebouwde rechten verloren gaan. Ook werkloosheid ten gevolge van een detentie heeft gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid tot gevolg dat de reeds opgebouwde rechten verloren gaan. In het geval van hervatting van werkzaamheden, wordt weer van voor af aan begonnen met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid en daarmee de opbouw van rechten.
Voor artikel 8 EVRM wordt verwezen naar B2/10. Voor artikel 3 EVRM wordt verwezen naar [deel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012288).
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de EG en Turkije, namens die EG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732 EG van de Raad van de EG van 23 december 1963 (PB 1964, 217).
### 6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ondertekend en namens de EG gesloten en goedgekeurd en bevestigd bij [verordening 2760/72](31972R2760) van de Raad van de EG van 19 december 1972. Het aanvullend protocol is voor Nederland op 1 januari 1973 in werking getreden. De bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ingestelde Associatieraad heeft op 19 september 1980 Associatiebesluit 1/80 vastgesteld.
### 3.1. Begunstigde
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
De werknemer en zijn gezinsleden hebben op basis van het nationale vreemdelingenrecht echter veelal aanspraak op voortzetting van verblijf. Besluit nr. 1/80 is daarom in de regel slechts van belang voor de Turkse werknemer en zijn gezinsleden indien zij geen recht op voortzetting van verblijf kunnen ontlenen aan het nationale vreemdelingenrecht.
### 3.2. Aard van het verblijf van Turkse werknemers en hun gezinsleden
Turkse werknemers en hun gezinsleden die voldoen aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 ontlenen hun recht op arbeid, en het daarmee samenhangend recht op verblijf, rechtstreeks aan besluit nr. 1/80. Het recht op verblijf is in die gevallen daarom in beginsel onafhankelijk van de afgifte van een verblijfsvergunning, hetgeen het bestaan van dit (rechtstreeks toegekende) recht slechts bevestigt (zie Hof van Justitie van de EG, 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93 en 16 maart 2000, Ergat, C-329/97; zie [artikel 8, aanhef en onder l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)).
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
De omstandigheid dat het gezinslid in Nederland is geboren en daardoor geen toestemming heeft moeten aanvragen om zich in het kader van de gezinshereniging bij de Turkse werknemer in Nederland te voegen is niet van belang (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya, C-467/02).
In B11/3.3 wordt een aantal begrippen gehanteerd. Hieronder wordt aangegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
**Legale arbeidsmarkt**: de werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt als zijn arbeidsverhouding rechtens kan worden gelokaliseerd op het grondgebied van Nederland of voldoende nauwe aanknopingspunten met Nederland heeft. Hierbij moet in aanmerking worden genomen:
Het Europees vestigingsverdrag met Protocol, goedgekeurd bij de wet van 28 oktober 1959 (Stb. 395) en voor Nederland in werking getreden op 21 mei 1969, voorziet in het toekennen van bepaalde voorrechten aan de onderdanen van landen die bij dit Verdrag Partij zijn.
Een Turkse werknemer:
De plicht voor een werkgever om in het bezit te zijn van een TWV geldt niet ten aanzien van Turkse onderdanen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten (Zie B1/2.3.2).
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
De vaststelling of betrokkene aan bovenstaande voorwaarden voldoet, vindt plaats aan de hand van de overgelegde arbeidscontracten, jaarloonopgaven en het registratiebericht Melding Sociale Voorzieningen. Het registratiebericht ontvangt iedere werknemer als bewijs dat de werkgever hem heeft aangemeld bij het UWV.
Indien de Turkse werknemer heeft aangetoond dat hij gedurende de periode van één jaar voor hetzelfde uitzendbureau of dezelfde inlener heeft gewerkt en uitzicht bestaat op voortzetting van de werkzaamheden, worden deze werkzaamheden meegeteld voor het berekenen van de periode waarin werkzaamheden bij dezelfde werkgever zijn verricht. Hetzelfde geldt voor werkzaamheden die via een detacheringbureau worden verricht.
Indien twijfel bestaat of betrokkene voldoet aan bovenstaande drie voorwaarden, dient informatie over de in het verleden afgegeven TWV(en) te worden ingewonnen bij CWI.
### 3.6. Turkse zelfstandige
Op grond van nationaal beleid geldt dat de Turkse werknemer, nadat hij drie jaar onafgebroken legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht, vrije toegang heeft tot iedere arbeid van zijn keuze (zie B5/3.2.2). Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Associatiebesluit 1/80 reeds na drie jaar legale arbeid van toepassing is.
De vaststelling of betrokkene drie jaar legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht vindt plaats op de wijze als vermeld onder a.
### 4.2.2. Tien jaar rechtmatig verblijf
Indien betrokkene na het verstrijken van de redelijke termijn en ondanks bemiddeling van het arbeidsbureau geen nieuwe dienstbetrekking heeft gevonden, behoort betrokkene nog slechts tot de legale arbeidsmarkt indien hij een reële en daadwerkelijke kans maakt om binnen een maand tewerkgesteld te worden (zie Hof van Justitie van de EG, 23 januari 1997, Tetik, C-171/95).
Bij de berekening van tijdvakken van legale arbeid moet rekening gehouden worden met tijdvakken waarin betrokkene geen arbeid (heeft) verricht (zie artikel 6, tweede lid, Associatiebesluit 1/80).
Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid.
Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Op het moment dat de werkzaamheden worden hervat, wordt weer verder gegaan met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid.
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
Wanneer, door toepassing van dit Verdrag, de uitzetting achterwege blijft, dient in het identiteitspapier van de vreemdeling, al naar gelang het geval, één van de aantekeningen voorgeschreven bij [artikel 4.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) en [4.34 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34) te worden gesteld.
Voor zover de aan de vergunning verbonden beperking nog niet luidde: ‘arbeid in loondienst’, wordt de beperking (de vergunning) alsnog in die zin gewijzigd, met als aanvulling: ‘bij (naam werkgever) op grond van het Turkse Associatie Verdrag.’
Indien een tot bovenbedoelde categorie behorende vreemdeling voldoet aan de eis van twee jaren rechtmatig wonen, gelden de volgende afwijkingen van het algemeen geldende vreemdelingenrecht:
### 5.1. Begunstigde
Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. Voorts is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen.
### 5.1. Begunstigde
Verder wordt ingevolge de nationale regelgeving aan het minderjarige gezinslid die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in verband met gezinshereniging bij een persoon met een niet-tijdelijke verblijfsrecht, reeds na een jaar op aanvraag een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verleend (zie [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) en B16).
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
Zulks is niet meer dan al geldt ingevolge de algemene regels inzake verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde (zie B1/4.4).
Gezinsleden hebben vrije toegang tot iedere arbeid van hun keuze indien zij:
In artikel 7, Associatiebesluit 1/80 is bepaald onder welke voorwaarden gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Om rechten te kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 dient de verblijfgever in ieder geval op het moment van toelating van het gezinslid, werknemer in de zin van het Associatiebesluit 1/80 te zijn (geweest).
### 5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
Legaal wonen: dit begrip veronderstelt dat het gezinslid gedurende de periode van drie respectievelijk vijf jaar onafgebroken daadwerkelijk bij de Turkse werknemer moet wonen (zie Hof van Justitie van de EG, 22 juni 2000, Eyüp, C-65/98). Bij de berekening van deze periode moet echter wel rekening worden gehouden met korte onderbrekingen van het samenleven, waarbij niet de bedoeling bestond om het samenleven op te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een afwezigheid van de gemeenschappelijke woonplaats gedurende een redelijke periode waarvoor gegronde redenen zijn dan wel aan onvrijwillig verblijf van minder dan zes maanden dat de betrokkene in zijn land van herkomst heeft doorgebracht (zie Hof van Justitie van de EG, 17 april 1997, Kadiman, C-351/95).
### 5.1. Begunstigde
Na de periode van drie jaar legaal wonen worden ingevolge artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 aan het verblijf van het gezinslid geen voorwaarden meer verbonden. De omstandigheid dat de Turkse werknemer na deze periode niet meer behoort tot de legale arbeidsmarkt of dat de gezinsband is verbroken, heeft geen gevolgen voor het verblijfsrecht van het gezinslid (zie voornoemde zaak Cetinkaya). Dit geldt ongeacht of het gezinslid in het bezit is van een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf.
### 3.5. Verlies van opgebouwde rechten
De Turkse werknemers en zijn gezinsleden die vallen onder de reikwijdte van een van de bepalingen van besluit nr. 1/80, verliezen hun opgebouwde rechten in de volgende gevallen.
Gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid heeft vrijwillige werkloosheid tot gevolg dat reeds opgebouwde rechten verloren gaan (zie B11/3.3.2).
### 4.1. Begunstigde
De omstandigheid dat de Turkse werknemer na drie jaar legale arbeid te hebben verricht een gevangenisstraf ondergaat, heeft niet tot gevolg dat de opgebouwde rechten verloren gaan (zie voornoemde zaak Nazli), ook niet indien de werkgever daarin aanleiding heeft gevonden om de werknemer te ontslaan. Immers, de met de gevangenisstraf gepaard gaande periode van tijdelijke afwezigheid op de arbeidsmarkt belet in de regel niet dat betrokkene nadien weer deelneemt aan het beroepsleven. Dit lijdt slechts uitzondering in geval van het gestelde hierboven.
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
De door de Turkse werknemer opgebouwde rechten gaan verloren wanneer hij de Nederlandse arbeidsmarkt definitief heeft verlaten en daardoor geen verband meer bestaat tussen (toekomstige) arbeid in loondienst en het daarmee samenhangende recht op verblijf. Daarvan is sprake indien de Turkse werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of blijvend en volledig arbeidsongeschikt is geworden (zie de zaken Nazli en Bozkurt).
### 3.6. Turkse zelfstandige
Het Associatiebesluit 1/80 heeft geen betrekking op Turkse zelfstandigen en zijn gezinsleden. Een Turkse onderdaan die in Nederland wenst te verblijven in verband met het verrichten van arbeid als zelfstandige dient te voldoen aan de algemene voorwaarden voor zelfstandigen, met uitzondering van de voorwaarde dat de leeftijd van 60 jaar nog niet bereikt is (zie B5/7.7). Voorts is niet het communautaire openbare orde-criterium van toepassing is, maar het nationale openbare orde beleid.
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
Het Europees vestigingsverdrag met Protocol, goedgekeurd bij de wet van 28 oktober 1959 (Stb. 395) en voor Nederland in werking getreden op 21 mei 1969, voorziet in het toekennen van bepaalde voorrechten aan de onderdanen van landen die bij dit Verdrag Partij zijn.
Partij bij voornoemd verdrag zijn: Nederland, België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
### 4.1. Begunstigde
Omdat voor gemeenschapsonderdanen de verblijfsrechten die voortvloeien uit het gemeenschapsrecht gunstiger zijn, is dit Verdrag voor onderdanen van de landen die Partij zijn bij het Verdrag slechts van belang voor zover zij niet (langer) een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het gemeenschapsrecht. Voor onderdanen van Turkije is het verdrag slechts van belang voorzover zij geen aanspraken op voortzetting van verblijf kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 (zie B11/3).
Het Nederlands-Zwitsers Traktaat is slechts van belang voor Zwitserse onderdanen die aan de Overeenkomst EG-Zwitserland, over het vrije verkeer van personen geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen.
Het Europees vestigingsverdrag verschaft de onderdanen van alle bedoelde landen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging, bij rechtmatig verblijf (rechtmatig wonen) van ten minste twee (B11/4.2.1) respectievelijk tien jaar (B11/4.2.2). Onder ‘rechtmatig op het grondgebied wonen’ wordt verstaan het hoofdverblijf in Nederland hebben tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, of onder l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Verblijf gedurende de vrije termijn ([artikel 8, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), in samenhang met [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) en [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)) telt dus voor de berekening van de twee- of tienjarentermijn niet mee.
Het Protocol vermeldt als vereiste onder meer paspoort. Daaronder wordt verstaan een geldig nationaal paspoort.
### 6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Indien een tot bovenbedoelde categorie behorende vreemdeling voldoet aan de eis van twee jaren rechtmatig wonen, gelden de volgende afwijkingen van het algemeen geldende vreemdelingenrecht:
### 7. Europa-overeenkomsten met Bulgarije en Roemenië
De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen, indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B5/7.3 en B5/7.4.
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij, die langer dan tien jaar rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij wonen, kunnen slechts worden verwijderd om redenen van nationale veiligheid dan wel openbare orde of goede zeden van bijzonder ernstige aard (zie artikel 3, derde lid, van het Verdrag).
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Bij beantwoording van de vraag of de redenen voor verwijdering van bijzonder ernstige aard in de zin van het Verdrag zijn, dient het gedrag van de betrokken persoon gedurende de hele periode van verblijf in aanmerking te worden genomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met familiebanden en de duur van het verblijf van de betrokken persoon op het Nederlands grondgebied.
### 7.1. Verblijf van werknemers
Het gemeenschapsrecht, dat is beschreven in B10 Vc, is met ingang van 1 januari 2007 van toepassing op onderdanen van Bulgarije en Roemenië alsmede hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit.
Wanneer, door toepassing van dit Verdrag, de uitzetting achterwege blijft, dient in het identiteitspapier van de vreemdeling, al naar gelang het geval, één van de aantekeningen voorgeschreven bij [artikel 4.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) en [4.34 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34) te worden gesteld.
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
Op 17 december 1904 is het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag in werking getreden. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag voorziet in de mogelijkheid van vrije vestiging van wederzijdse onderdanen in de beide verdragstaten.
Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.
Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. Voorts is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
Deze Europa-overeenkomsten hadden tot doel een associatie tot stand te brengen om uitbreiding van de handel en economische betrekkingen tussen de verdragspartijen te bevorderen en daarmee de dynamische ontwikkeling en welvaart in Bulgarije en Roemenië te stimuleren, teneinde de toetreding tot de EG te vergemakkelijken. Door de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU op 1 januari 2007 hebben deze overeenkomsten hun betekenis verloren.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
Hier wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) is gevoegd.
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag’ met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
### 6.1. Inleiding
Op 19 augustus 1875 is tussen Nederland en Duitsland in Bern het Nederlands-Zwitsers Traktaat gesloten. Grondslag voor het sluiten van dit Traktaat is gelegen in de wens de vriendschapsbanden tussen Nederland en Zwitserland nauwer aan te halen en de handelsbetrekkingen tussen beide landen te verbeteren en uit te breiden. Op 22 juli 1972 is te Brussel een overeenkomst gesloten tussen de EEG en Zwitserland. Deze overeenkomst vormde aanleiding om het Nederlands-Zwitsers Traktaat aan te passen. Naar aanleiding van een notawisseling tussen de Nederlandse en Zwitserse Regering van respectievelijk 13 juni 1996 en 24 juni 1996 is het Traktaat gewijzigd (Trb. 1996, nr. 217). Het gewijzigd Nederlands-Zwitsers Traktaat is op 10 januari 1997 in werking getreden. Artikel 1 van het Traktaat en het Protocol is daarbij ongewijzigd gebleven en thans nog steeds van kracht.
Op 21 juni 1999 is de Overeenkomst EG-Zwitserland tot stand gekomen. Bij [wet van 14 september 2001](onbekend) heeft Nederland deze Overeenkomst goedgekeurd (Stb. 2001, 432) en op 16 november 2001 geratificeerd. De Overeenkomst is per 1 juni 2002 in werking getreden.
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
Per 1 juni 2002 worden Zwitserse onderdanen, alsmede hun familie- en gezinsleden, die de nationaliteit van een derde staat bezitten, en die op grond van vorenvermelde Overeenkomst in Nederland verblijven, aangemerkt als gemeenschapsonderdanen. Ten aanzien van Zwitserse onderdanen is dit bepaald bij eerder genoemde [wet van 14 september 2001](onbekend) (Stb. 2001, 432). Voor het verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt verwezen naar B10.
Het Nederlands-Zwitsers Traktaat is slechts van belang voor Zwitserse onderdanen die aan de Overeenkomst EG-Zwitserland, over het vrije verkeer van personen geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen.
### 6.3. Toegang en verblijf in Nederland
Het Protocol vermeldt als vereiste onder meer paspoort. Daaronder wordt verstaan een geldig nationaal paspoort.
Onder ten laste van de openbare liefdadigheid wordt verstaan ten laste van de publieke middelen. Een uitkering ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) wordt daarom niet aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van dit Verdrag en Protocol.
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
### 8.2. Arbeid in loondienst
Indien een op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag hier te lande verblijvende Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) arbeid in loondienst wenst te verrichten, dient wijziging van de vergunning te worden gevraagd en dient de werkgever te beschikken over een TWV (zie B5 en artikel 11 van het bijbehorende Protocol).
Op een onderdaan van Zwitserland, die zich in Nederland wil vestigen voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het bepaalde in B10/3 van toepassing.
### 6.3.3. Vestiging
Een onderdaan van Zwitserland die geen economische activiteiten verricht en niet op grond van een ander verblijfsdoel in Nederland verblijft, komt op grond van het Nederlands-Zwitsers Traktaat voor verblijf in Nederland in aanmerking indien en zolang hij beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
### 10. Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De EG en hun lidstaten hebben met Bulgarije (PB EG 1994, L 358, bladzijde 1)
en Roemenië (PB EG 1994, L 357, bladzijde 1) Europa-overeenkomsten gesloten.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
Het gemeenschapsrecht, dat is beschreven in B10 Vc, is met ingang van 1 januari 2007 van toepassing op onderdanen van Bulgarije en Roemenië alsmede hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit.
Ten aanzien van de beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en het voorschrift geldt het volgende:
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
### 7.1.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 7.2. Verblijf van zelfstandigen
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 7.2.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand verplicht de verdragsluitende partijen de wederzijdse onderdanen op gelijke voet als eigen onderdanen recht te geven op sociale en medische bijstand.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
### 16.2. Medische behandeling
De vreemdeling die bijstand geniet, mag voortzetting van verblijf slechts worden ontzegd, indien:
Onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika mogen in Nederland verblijven:
Overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) inzake toegang en verblijf en inzake de gronden waarop hun verblijf of voortzetting van verblijf kan worden ontzegd (zie artikel II, vierde lid, van het Verdrag).
Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.
Onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ dient mede te worden verstaan een persoon die een Amerikaanse onderneming in Nederland vertegenwoordigt en in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie werkzaam is (zie artikel 2 van het Protocol). De vrije uitoefening van een beroep valt niet onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ (zie artikel 8 van het bijbehorende Protocol).
### 11. ESH
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
### 11.1. Begunstigde
Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).
Indien een op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag hier te lande verblijvende Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) arbeid in loondienst wenst te verrichten, dient wijziging van de vergunning te worden gevraagd en dient de werkgever te beschikken over een TWV (zie B5 en artikel 11 van het bijbehorende Protocol).
### 8.3. Gezinshereniging
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste ([artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)). Dit geldt zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden uit het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag.
De op de eerder verleende verblijfsvergunning geplaatste arbeidsmarktaantekening wordt gehandhaafd.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij … (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid toegestaan. TWV vereist’.
In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Het ESH is alleen van belang voor Turkse onderdanen, voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 en voorzover zij geen gezins- of familielid zijn van een onderdaan van de EU/EER of Zwitserland.
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
Dit Handelsverdrag heeft haar werking niet verloren en heeft verblijfsrechtelijke betekenis. Op grond van de meestbegunstigingsclausule worden aanvragen van onderdanen van Japan beoordeeld met in achtneming van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1956, 40), verder te noemen: Vriendschapsverdrag.
Vreemdelingen uit Japan mogen in Nederland verblijven als zij voldoen aan de voorwaarden van het Vriendschapsverdrag, zoals genoemd in hoofdstuk B11, paragraaf 8. Daar waar staat: onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika, Amerikaanse vreemdeling dan wel Amerikaanse onderneming wordt eveneens verstaan onderdanen van Japan dan wel Japanse onderneming.
### 12.3. Gezinshereniging
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
Het verdrag lijkt met name van belang te zijn voor onderdanen van Turkije en voor vreemdelingen met de nationaliteit van de overige landen, alleen voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het recht van de EU/EER, niet aan het Europees vestigingsverdrag en evenmin aan het Associatiebesluit 1/80.
### 12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer
De nationale vreemdelingrechtelijke voorwaarden/voorschriften zijn op deze onderdanen van toepassing.
Onder repatriëring wordt verstaan verblijfsbeëindiging inclusief uitzetting. Onder het behoeven van bijstand wordt verstaan het beroep doen op de publieke middelen.
Een Verdragspartij repatrieert een rechtmatig verblijvende onderdaan van een andere Partij niet om de enkele reden dat hij bijstand behoeft (zie artikel 6 van het Verdrag).
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
Onder rechtmatig verblijf wordt hier – in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag – verstaan rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h, alsmede j en l, Vw.
Voor de berekening van de bedoelde perioden van vijf en tien jaar telt niet mee de tijd waarin de betrokken vreemdeling bijstand heeft genoten uit publieke fondsen (als bedoeld in de Wet van 27 april 1912 tot regeling van het armbestuur, thans Wwb), tenzij het gaat om medische behandeling voor acute ziekten of medische behandeling van korte duur (zie artikel 14 van het Verdrag).
Evenmin telt mee de tijd van verblijf buiten Nederland van zes maanden of meer. Het dienst doen op in Nederland geregistreerde schepen geldt niet als onderbreking van het verblijf (zie artikel 13 van het Verdrag).
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).
In geval van detentie zal tot verblijfsbeëindiging kunnen worden overgegaan op grond van een inbreuk van de openbare orde, het ontbreken van de middelen van bestaan en het niet voldoen aan de beperking.
### 13.1. Belang
In bedoelde overeenkomsten is slechts het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen neergelegd.
### 15.1. Begunstigde
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Op 11 maart 1979 is voor Nederland in werking getreden het BuPo.
### 14.1. Begunstigde en belang
Een vreemdeling die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit verdrag, kan slechts uit die Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing (zie artikel 13 van het Verdrag). Het is hem toegestaan, zijn bezwaren tegen zijn uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door en zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen.
### 15. Het IVRK
Op 8 maart 1995 is voor Nederland het IVRK in werking getreden.
### 15.1. Begunstigde
Het ‘gezin van een migrerende werknemer’ wordt geacht ten minste te omvatten zijn echtgenote, en kinderen te zijnen laste die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt (zie de Bijlage bij het ESH, deel II).
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
Het eerste lid van artikel 10 is de instructie aan de Partijen om aanvragen van het kind om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, te behandelen met welwillendheid, menselijkheid en spoed en ziet daarom niet op het verlenen van een verblijfsvergunning.
De verblijfsvergunning van de rechtmatig verblijvende werknemer en zijn gezinsleden kan slechts worden ingetrokken, indien zij een gevaar opleveren voor de nationale veiligheid, of inbreuk maken op de openbare orde of goede zeden (zie artikel 19, achtste lid, van het Handvest).
Deze bepalingen laten daarom de mogelijkheid in stand om uit hoofde van nationaal recht eisen te stellen in het kader van verblijf, met name in geval van gezinshereniging.
### 16.2. Medische behandeling
Op grond van [artikel 3.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) kan aan de Surinaamse onderdaan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) worden verleend, indien hij:
### 16.2. Medische behandeling
### 16.1. Binnenkomst en verblijf
Met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf van Surinaamse onderdanen wordt onderscheid gemaakt tussen:
De nationale vreemdelingrechtelijke voorwaarden/voorschriften zijn op deze onderdanen van toepassing.
Hoewel de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975 is verstreken op 24 november 1980, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst nog van toepassing op bepaalde Surinaamse onderdanen (verkregen rechten). In het algemeen kan worden gesteld dat het vreemdelingen van Surinaamse nationaliteit betreft die vóór 25 november 1980 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975.
### 16.2.1. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Er dient vijf maanden verblijf te worden toegestaan voor het zoeken naar ander werk, revalidatie dan wel herscholing, als bedoeld in artikel 25 van het Verdrag, in geval van:
Echter, er hoeft geen verblijf te worden toegestaan over een periode die langer is dan die waarover de werkloosheidsuitkering wordt betaald.
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
### 17.2. Bewijs staatloosheid
Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Algerije en Tunesië die soortgelijke bepalingen bevatten als artikel 40, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko. Bovendien zijn in 1995 associatieovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Tunesië, Israël en Jordanië, waarin artikel 64 dezelfde inhoud heeft als artikel 40 van de Samenwerkingsovereenkomst EEG- Marokko. In 1996 is de associatieovereenkomst EEG-Marokko gesloten.
Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.
In bedoelde overeenkomsten is slechts het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen neergelegd.
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
Bovengenoemde jurisprudentie kan ook van belang zijn voor bepaling van de verblijfspositie van vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van Algerije, Israël, Jordanië of Tunesië. Bedoelde overeenkomsten en jurisprudentie leiden echter niet tot aanspraak op (voortzetting van) verblijf voor onderdanen van genoemde landen.
Gelet op vorenstaande, geldt het volgende:
### 17.1. Begunstigde
Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan een persoon die door geen enkele staat, krachtens de wetgeving ervan, als onderdaan wordt beschouwd.
Een vreemdeling die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit verdrag, kan slechts uit die Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing (zie artikel 13 van het Verdrag). Het is hem toegestaan, zijn bezwaren tegen zijn uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door en zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen.
### 15. Het IVRK
Op 8 maart 1995 is voor Nederland het IVRK in werking getreden.
Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.
Het Verdrag geeft aan een buitenlands kind op zichzelf geen aanspraak op verblijf in Nederland, voorzover de bepalingen van het Verdrag (met name de artikelen 9 en 10) al zijn aan te merken als een ieder verbindende bepalingen die rechtstreekse werking hebben en niet slechts als instructienormen die tot de Staten, die Partij zijn, zijn gericht.
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
Het eerste lid van artikel 10 is de instructie aan de Partijen om aanvragen van het kind om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, te behandelen met welwillendheid, menselijkheid en spoed en ziet daarom niet op het verlenen van een verblijfsvergunning.
### 16.2. Medische behandeling
Deze bepalingen laten daarom de mogelijkheid in stand om uit hoofde van nationaal recht eisen te stellen in het kader van verblijf, met name in geval van gezinshereniging.
Blijkens jurisprudentie (Rechtbank Den Haag, 25 september 1997, Wieczorek en Rechtseenheidskamer, 25 september 1997, Austin) valt noch uit de tekst, noch uit de wordingsgeschiedenis af te leiden dat door artikel 10 voor de Nederlandse Staat verdergaande verplichtingen bestaan dan hetgeen reeds is neergelegd in het Nederlandse recht en beleid ter zake van gezinsvorming en -hereniging. Evenmin blijkt dat is beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 EVRM voortvloeien. In de totstandkomingsgeschiedenis van de [Rijkswet tot goedkeuring van het Verdrag](onbekend) is in de Memorie van Toelichting en een Nota naar aanleiding van het Verslag opgenomen dat hieraan reeds uitvoering is gegeven in de Vw (oud), het Vb (oud), het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&wetgeving) (oud) en de Vc (oud). De verdragsverplichtingen neergelegd in artikel 10 laten onverlet dat met betrekking tot inkomen, onderzoek en termijn van indiening van het verzoek eisen kunnen worden gesteld. De Vw, het Vb, het VV en de Vc beogen daarin geen wijziging te brengen.
### 16. Onderdanen van Suriname
### 2.1.1. Algemeen
Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. In dit geval dient de IND, voordat de gemeente tot verstrekking van een reisdocument kan overgaan, de verblijfsgegevens op het aanvraagformulier te verifiëren en dit formulier, voorzien van een advies, retour te zenden naar de gemeente.
Met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf van Surinaamse onderdanen wordt onderscheid gemaakt tussen:
### 16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980
Hoewel de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975 is verstreken op 24 november 1980, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst nog van toepassing op bepaalde Surinaamse onderdanen (verkregen rechten). In het algemeen kan worden gesteld dat het vreemdelingen van Surinaamse nationaliteit betreft die vóór 25 november 1980 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975.
Voor aanvragen door Surinaamse onderdanen (zelfstandigen) met verkregen rechten (zie B5/7.9.1).
Sinds 1 augustus 1987 wordt onderscheid gemaakt tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijvend personeel.
Voor deze categorie vreemdelingen zijn de in het algemeen geldende wettelijke bepalingen en voorschriften van toepassing. Het gaat hierbij om:
Indien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.93, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) juncto artikel 3.93, zesde lid, en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Op grond van [artikel 3.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) kan aan de Surinaamse onderdaan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) worden verleend, indien hij:
Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).
Voor een Surinaamse onderdaan die op een toeristenvisum Nederland binnenkomt om hier een medische behandeling te ondergaan, gelden naast de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) de bijzondere voorwaarden van [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) en B8.
Op grond van [artikel 3.47, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
Het betreft hier:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Het ondergaan van medische behandeling’ met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid niet toegestaan’.
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 17. Het Staatlozenverdrag
Indien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.93, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) juncto artikel 3.93, zesde lid, en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan een persoon die door geen enkele staat, krachtens de wetgeving ervan, als onderdaan wordt beschouwd.
De voordelen van het Staatlozenverdrag komen niet toe aan staatlozen:
### 17.2. Bewijs staatloosheid
Ten aanzien van de vraag hoe de staatloosheid dient te worden bewezen, bevat het Staatlozenverdrag geen bepalingen. Iedere staat is dus vrij om zelf te bepalen welke bewijzen hij nodig acht om de beweerde staatloosheid van een bepaalde persoon te kunnen aannemen.
### 2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
### 17.3. Belang
In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4), in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13). De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in [artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).
Het Verdrag verbiedt – behoudens om redenen van openbare of nationale veiligheid – de uitzetting van staatlozen die rechtmatig op het grondgebied van partijen verblijven (zie artikel 31 van het Verdrag en B14/3). Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan een rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Gelet op vorenstaande, geldt het volgende:
Afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur en het intrekken van een verblijfsvergunning van een staatloze kan slechts geschieden:
Het hierboven in deze paragraaf gestelde is niet van toepassing:
### 17.3.2. Reisdocumenten
### 2.1.1. Algemeen
Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. In dit geval dient de IND, voordat de gemeente tot verstrekking van een reisdocument kan overgaan, de verblijfsgegevens op het aanvraagformulier te verifiëren en dit formulier, voorzien van een advies, retour te zenden naar de gemeente.
Ad b. Lokaal geworven personeel is op een missie werkzaam personeel dat op de lokale (Nederlandse) arbeidsmarkt is geworven en dat werkzaamheden ten behoeve van de missie verricht. Het gaat hier veelal om administratief, technisch en bedienend personeel dat niet door een zendstaat is uitgezonden. De missies kunnen vanaf 1 januari 2000 slechts personen werven op de lokale arbeidsmarkt aan wie het verrichten van arbeid in Nederland vrij is toegestaan en die rechtmatig in Nederland verblijf hebben op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge [artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) niet inhoudingsplichtig zijn.
In dit hoofdstuk wordt de verblijfsstatus van vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten of hebben verricht voor een diplomatieke zending of consulaire post, hun afhankelijke gezinsleden en hun personeel behandeld, alsmede de verblijfsstatus van vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten of hebben verricht voor een internationale organisatie en hun gezinsleden.
Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge [artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) niet inhoudingsplichtig zijn.
### 2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
### 2.1.1. Algemeen
Niet-duurzaam verblijvend personeel bezit een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag en het Consulaire verdrag. Op dit personeel alsmede op hun afhankelijke gezinsleden en particuliere bedienden zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing. Zij zijn in het algemeen niet onderworpen aan de verplichtingen die in het belang van het toezicht op vreemdelingen zijn gesteld. Evenmin kunnen op hen de maatregelen van uitzetting en bewaring krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden toegepast (zie [A2/6.2.3.1](onbekend) en [A2/6.2.3.4](onbekend)). Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.
Als niet-duurzaam verblijvend personeel worden aangemerkt:
Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen (zie verder [A2/6.2.3.2](onbekend)).
Ten aanzien van diplomatieke en consulaire ambtenaren, hun gezinsleden en het administratief, technisch en bedienend personeel die slechts op doorreis in Nederland zijn, zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing voor zover het de doorreis naar of terugkeer van de diplomatieke zending of consulaire post in een derde land betreft.
Het betreft hier:
### 3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties
In dit verband wordt verwezen naar de internationale organisaties die in Nederland gevestigd zijn en wier personeel in aanmerking komt voor een geprivilegieerde verblijfsstatus middels de door de Minister van BuZa verstrekte identiteitskaart. Voor informatie over de internationale organisaties kan contact worden opgenomen met het Ministerie van BuZa.
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade of consulaat komt de uitgezonden status van de categorieën als genoemd onder B12/2.1.1, onder 3, te vervallen. De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
### 2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
Indien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.93, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) juncto artikel 3.93, zesde lid, en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
Onder gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden wordt verstaan die personen die door de Minister van BuZa als gezinslid van de hoofdpersoon zijn aangemerkt en die uit dien hoofde door de Minister van BuZa in het bezit werden gesteld van een geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81)).
De verblijfsstatus van de geprivilegieerde (hoofdpersoon) is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Zolang de hoofdpersoon de uitgezonden status behoudt, behouden ook de afhankelijke gezinsleden deze status. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden.
Het afhankelijke gezinslid kan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)), indien het gezinslid:
Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet.
### 3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties
In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4), in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13). De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in [artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).
Indien het afhankelijke gezinslid niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon, dan kan de vreemdeling een aanvraag om eerste toelating op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) indienen. Hierbij gelden de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) onverkort.
Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie of wanneer de betreffende vreemdeling na de periode van tien jaar op zijn verzoek (aanvraag) duurzaam een verblijfsstatus onder de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegewezen heeft gekregen, komt de uitgezonden (geprivilegieerde) status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
Onder duurzaam verblijvend personeel wordt per 1 januari 2000 verstaan: door de zendstaat uitgezonden personeel dat niet, zoals gebruikelijk, na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat, ononderbroken voortzet na tien jaar. Vreemdelingen in deze categorie ontvangen vanaf 1 januari 2000 geen legitimatiebewijs afgegeven door het Ministerie van BuZa meer. Zij dienen zich in te schrijven bij de GBA en de vreemdelingenpolitie.
Als duurzaam verblijvend personeel wordt aangemerkt:
Bij de berekening van de periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden mede in aanmerking genomen de perioden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad. Wel dient de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status te hebben gehad.
Lokaal geworven personeel bestaat uit een tweetal categorieën:
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
Voor ‘zelfstandig’: zie [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) en B1/4.3.1. Voor ‘voldoende’: zie [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en B1/4.3.3. Ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen geldt ingevolge [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) een afwijkende bepaling. De middelen van bestaan zijn duurzaam indien zij op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of waarop de beschikking wordt gegeven, of enig tussenliggend moment nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
Het eerdere verblijfsrecht op grond van de bijzondere geprivilegieerde status telt niet mee bij de bepaling van de totale verblijfsduur zoals genoemd in [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit betekent dat alleen eventueel eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) meetelt bij de bepaling van de totale verblijfsduur.
De bepalingen als genoemd in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de twee bovengenoemde categorieën vreemdelingen.
Zie B1/5.3.3.
### 3.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Ad b. Het gaat hier om particulier bedienden die in persoonlijke dienst van een uitgezonden medewerker (de werkgever) zijn en die na afloop van het dienstverband van de uitgezonden diplomatieke medewerker in dienst zijn getreden bij de opvolger van de vertrekkende werkgever. Voorwaarde is wel dat het salaris in de periode tussen het vertrek van de oude werkgever en de aankomst van de nieuwe werkgever wordt betaald door de missie.
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Indien geen van de gronden van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) zich voordoet en wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 3.93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96), artikel 3.93, zesde lid, (zie hieronder zelfstandige middelen) en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan het personeelslid in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, gelden de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17).
### 2. Voorwaarden familiebezoek
Desalniettemin worden de inkomsten uit arbeid in loondienst voor werk bij een ambassade of consulaat van een andere mogendheid – ondanks dat geen premies sociale verzekeringen en belastingen zijn afgedragen – aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan.
### 2.2.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
Het bepaalde in B12/2.1.2.2 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) of voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
### 2.2.2.3. Inleveren geprivilegieerdendocument
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
Op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen over hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een internationale organisatie en hun gezinsleden – tenzij anders in de Zetelovereenkomst bepaald – de uitgezonden status toe.
Deze personen worden door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument ([model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81); zie [bijlage 3, onder A, derde lid VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3) juncto [artikel 2.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=2.3)). Dit houdt onder meer in dat zij niet behoeven te beschikken over een verblijfsvergunning. Voor wat betreft de grenscontrole en het toezicht wordt verwezen naar [A2/6.2.3.3](onbekend) en [A2/6.2.3.4](onbekend).
### 3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties
In dit verband wordt verwezen naar de internationale organisaties die in Nederland gevestigd zijn en wier personeel in aanmerking komt voor een geprivilegieerde verblijfsstatus middels de door de Minister van BuZa verstrekte identiteitskaart. Voor informatie over de internationale organisaties kan contact worden opgenomen met het Ministerie van BuZa.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.2.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 3.2.4. Gezinsleden
Bij de berekening van de periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden mede in aanmerking genomen de perioden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad. Wel dient de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status te hebben gehad.
Het is niet van belang of de bijzondere geprivilegieerde status (de zogenoemde uitgezonden status) al dan niet door eigen toedoen verloren is gegaan.
### 3.3. NAVO
### 2. Amv’s
Voor ‘zelfstandig’: zie [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) en B1/4.3.1. Voor ‘voldoende’: zie [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en B1/4.3.3. Ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen geldt ingevolge [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) een afwijkende bepaling. De middelen van bestaan zijn duurzaam indien zij op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of waarop de beschikking wordt gegeven, of enig tussenliggend moment nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Het eerdere verblijfsrecht op grond van de bijzondere geprivilegieerde status telt niet mee bij de bepaling van de totale verblijfsduur zoals genoemd in [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit betekent dat alleen eventueel eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) meetelt bij de bepaling van de totale verblijfsduur.
### 3.3.5. Verblijfsdocument
Zie B1/5.3.3.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden 1 tot en met 5 zoals hierboven vermeld, dan wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) afgewezen. De vreemdeling zal dan, indien hij in aanmerking wil komen voor toelating tot Nederland, een aanvraag om eerste toelating op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) moeten indienen. Hierbij gelden de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) onverkort.
### 3.3.6. Registratie
De commandant van Joint Force Command- headquarters te Brunssum en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa (zie [bijlage 3, onder A, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
### 3.3.3. Gezinsleden
Voor de toelichting op de voorwaarden 1 tot en met 8 wordt verwezen naar de toelichting op deze artikelen zoals vermeld in B12/3.1.3. Verder geldt wat betreft voorwaarde 2 (middelenvereiste) dat het duurzame en zelfstandige inkomen van de hoofdpersoon wordt meegeteld, indien het gezinslid over dit inkomen kan beschikken en, indien het meerderjarig afhankelijk gezinslid als partner bij de hoofdpersoon verblijft, de hoofdpersoon een garantverklaring heeft ondertekend. Dat het gezinslid over het inkomen kan beschikken wordt aangetoond met een schriftelijke verklaring van de hoofdpersoon.
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
De gezinsleden als hier bedoeld komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
### 3.2.1. Verblijfsvoorwaarden
De vreemdeling die betrokken is bij het werk van het Internationaal Strafhof dan wel bij het werk van het Speciale Tribunaal voor Libanon moet een bewijs van het ministerie van Buitenlandse Zaken overleggen waaruit blijkt dat de vreemdeling onder de werking valt van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland dan wel onder de werking valt van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon.
Daarnaast dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4).
Ten aanzien van deze vreemdelingen geldt op grond van [artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist. In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend op grond van [artikel 3.13, tweede lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) met de beperking ‘verblijf bij echtgenot (o)t(e) ….' met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 3.4.2. Registratie
Op grond van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) wordt de hier bedoelde verblijfsvergunning aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.4. Verblijfsvoorwaarden
Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)), indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.
De bepalingen als genoemd in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de bovengenoemde categorieën vreemdelingen.
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid niet toegestaan’.
### 3.3. NAVO
Op grond van het Verdrag van Ottawa, het Navo-statusverdrag en het Partnership for Peace- statusverdrag zijn een aantal categorieën vreemdelingen geprivilegieerd (B12/3.3.1). Op hen zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing. Daarnaast is er een groep NAVO-vreemdelingen, die niet vallen onder voornoemde verdragen, doch met wiens verblijf wordt geacht dat een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. De categorieën worden genoemd in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40). Voor deze groep niet-geprivilegieerde NAVO-vreemdelingen is een verblijfsregeling opgenomen in B12/3.4.
De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) en hun gezinsleden, bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40). De bedoelde vreemdelingen zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verplicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.
Op grond van het Verdrag van Ottawa zijn twee categorieën vreemdelingen geprivilegieerd:
### 13. Familiebezoek
Dit personeel dat in Nederland geen militaire status heeft, is in het bezit van een geprivilegieerdendocument afgegeven door de Minister van BuZa (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81) en [bijlage 3, onder A, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
Aan de kinderen en meerderjarige gezinsleden (zie [artikel 3.40, tweede lid, onder b en c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40)) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf bij …’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
Op grond van het NAVO-statusverdrag en het daarbij behorende Hoofdkwartieren Protocol dan wel op grond van het Partnership for Peace-statusverdrag en het daarbij behorende Tweede Aanvullende Protocol, zijn militairen van een krijgsmacht van een lidstaat geprivilegieerd, indien zij verbonden zijn aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command- headquarters) of een daarmee gelijkgestelde organisatie dan wel behoren tot een hier te lande gelegerd of op doortocht zijnd onderdeel van zodanige krijgsmacht.
Deze militairen zijn in het bezit van een persoonlijk militair identiteitsbewijs, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst, en, voorzover niet hier te lande gestationeerd, van een collectieve of individuele reiswijzer, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst of door het hoofdkwartier dan wel de organisatie waarbij zij zijn te werk gesteld. Deze documenten gelden tevens als document voor grensoverschrijding (zie [bijlage 3, onder E, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
De commandant van Joint Force Command- headquarters te Brunssum en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa (zie [bijlage 3, onder A, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar. Echter, de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet overschrijden (zie [artikel 3.63 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.63)).
De gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters te Brunssum, komen op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) juncto [artikel 3.13, tweede lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor verblijf als gezinslid van een militair die behoort tot een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en die geprivilegieerd is. Voor wat betreft de invulling van het begrip gezinsleden wordt aangesloten naar [artikel 3.40, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40).
EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland.
De gezinsleden als hier bedoeld komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder f VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt verwezen naar B1/1.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ....... (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’, met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid niet toegestaan.’
### 2. Voorwaarden familiebezoek
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
In het geval degene die familiebezoek beoogt onderdaan is van een Lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ........ (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters. Zij zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verpicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.
### 3.3.7. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend op grond van [artikel 3.13, tweede lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) met de beperking ‘verblijf bij echtgenot (o)t(e) ….' met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
De algemene bepalingen inzake de geldigheidsduur zijn van toepassing (zie B1/3). De totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de stationering van het hoofd van het gezin niet overschrijden (zie B1/3.2).
### 3.4. Verblijfsvoorwaarden
Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)), indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
### 2. Amv’s
Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
Voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan vreemdelingen behorend tot een van deze categorieën voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a).
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv gelden de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden (zie [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56)):
### 2.2.1. Minderjarigheid
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Aan vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf als NAVO-vreemdeling’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
### 2.2.1. Minderjarigheid
Aan de kinderen en meerderjarige gezinsleden (zie [artikel 3.40, tweede lid, onder b en c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40)) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf bij …’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
### 2.2.2. Alleenstaand
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar. Echter, de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet overschrijden (zie [artikel 3.63 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.63)).
### 4. EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden
EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland.
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### 13. Familiebezoek
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
[Artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
Ook kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend aan de vreemdeling op wiens asielaanvraag na drie jaren nog niet onherroepelijk is beslist. Dit driejarenbeleid is weliswaar per 1 januari 2003 afgeschaft, maar kan op grond van het overgangsrecht nog van toepassing zijn op vreemdelingen die hun asielaanvraag voor 1 januari 2000 hebben ingediend.
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
De mogelijkheid om (ambtshalve) een verblijfsvergunning regulier te verlenen aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ is met ingang van 1 januari 2009 vervallen.
### 2. Amv’s
Amv’s, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land (zie B14/2.4.4) frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
### 2.4. Procedurele bepalingen
### 2.3.2. Frustreren van het onderzoek naar adequate opvang
Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van [artikel 31, tweede lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert. Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv gelden de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden (zie [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56)):
De verblijfsvergunning wordt niet verleend op aanvraag. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen ambtshalve worden verleend op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) (zie [C14/6](onbekend)):
De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Ingevolge het bepaalde in [artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) wordt een persoon als minderjarig beschouwd, indien:
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
Ongehuwd samenwonen (ook als er een samenlevingscontract is) leidt op zichzelf niet tot meerderjarigheid.
Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in [C11/3.4](onbekend) en [C14/6.1](onbekend).
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
Een minderjarige vreemdeling wordt in het kader van dit beleid wél als alleenstaand beschouwd, indien zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn.
Het belang van het herhaald leeftijdsonderzoek is erin gelegen dat zoveel mogelijk dient te worden tegengegaan dat vreemdelingen ten onrechte in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv, of anderszins ten onrechte een behandeling als minderjarige krijgen, terwijl zij feitelijk meerderjarig zijn. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen een minimumleeftijd van twintig jaar wordt gehanteerd. Als deze conclusie bij een herhaald onderzoek wordt getrokken, zal dat vaak betekenen dat de vreemdeling al bij de eerste verlening van de vergunning voor verblijf als Amv meerderjarig was en de vergunning dus ten onrechte heeft verkregen. Het herhaald leeftijdsonderzoek is in dit kader dus een belangrijke aanvulling op het eerste leeftijdsonderzoek.
Indien aannemelijk is dat de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, behoeft voor terugkeer geen adequate opvang in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan aanwezig te zijn.
Bij de vaststelling of de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, worden de volgende omstandigheden in overweging genomen:
Zelfstandigheid wordt niet tegengeworpen indien de Amv ten tijde van de beslissing jonger is dan zestien jaar.
Indien de vreemdeling ten tijde van de beslissing zestien jaar of ouder is, is van belang of uit overige omstandigheden, die in de persoon zelf zijn gelegen, aannemelijk is dat hij zich zelfstandig kan handhaven in het buitenland, gerelateerd aan de ter plaatse geldende normen. Hiervan is sprake indien de betrokkene voor zijn komst naar Nederland voor zichzelf heeft gezorgd. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat de betrokkene in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan werk had en/of op zichzelf woonde en niet aannemelijk is dat dit serieuze problemen heeft opgeleverd, noch dat serieuze problemen te verwachten waren.
Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.
### 2.2.4. Adequate opvang
### 2.2.4. Adequate opvang
Indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.
Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.
Het bestaan van adequate opvang wordt in ieder geval aangenomen indien:
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking niet te zijn geregeld.
Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang en dat de opvangvoorzieningen adequaat zijn, behoeft geen onderzoek naar een concrete opvangplaats in een opvanginstelling te worden gedaan.
In al deze gevallen wordt verwacht dat de betrokkenen vertrekken naar het land van herkomst of naar een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan.
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
De afwijzingsgronden van [artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), zijn van toepassing (zie [artikel 3.56, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56), [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79), en B1/4.4 en B1/4.5).
De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
Amv’s, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land (zie B14/2.4.4) frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
Hiervan is sprake als de betrokkene – ook los van de context van het totale asielrelaas – ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt omtrent identiteit, nationaliteit of opvang. Bij het beoordelen of van het vorenstaande sprake is, wordt rekening gehouden met druk, traumata, de geestelijke ontwikkeling en de leeftijd van betrokkene. Van een kind kan immers niet altijd dezelfde mate van volledigheid en gedetailleerdheid worden verwacht als van een volwassene.
Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van [artikel 31, tweede lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert. Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.
In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.
Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in B14/2.2.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend op aanvraag. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen ambtshalve worden verleend op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) (zie [C14/6](onbekend)):
De verlengingsaanvraag wordt conform B1/5.3.4 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.
De toetsing aan het bijzondere beleid inzake Amv is ex nunc. Van belang is dus niet de situatie op het moment van het indienen van de asielaanvraag, maar die op het moment van het ambtshalve beslissen.
### 2.4.3. Leeftijdsonderzoek
Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in [C11/3.4](onbekend) en [C14/6.1](onbekend).
Het kan hier gaan om de volgende gevallen:
Het is mogelijk dat het leeftijdsonderzoek niet met voldoende zekerheid tot een conclusie omtrent de minderjarigheid kan leiden. In deze gevallen kan de betrokkene na verloop van tijd (dit kan zijn binnen één à twee jaar) opnieuw worden opgeroepen voor een leeftijdsonderzoek om te bezien of de botontwikkeling inmiddels zodanig is, dat een voldoende zekere conclusie (met terugwerkende kracht) mogelijk is over de vraag of de vreemdeling meerder- of minderjarig is.
### 2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
Indien uit het resultaat van het herhaald leeftijdsonderzoek volgt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt teneinde op oneigenlijke gronden in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning, bijvoorbeeld als blijkt dat hij tijdens de oorspronkelijke aanvraagprocedure al meerderjarig moet zijn geweest, kan de vreemdeling op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring worden gesteld.
Zolang in de periode tussen de beide leeftijdsonderzoeken geen uitsluitsel bestaat over de juiste leeftijd, krijgt de vreemdeling op dit punt het voordeel van de twijfel in de verdere procedure en wordt de oorspronkelijk opgegeven geboortedatum aangehouden. Dit is echter niet van toepassing indien de vreemdeling op belangrijke punten vage, summiere, tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen aflegt.
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
Indien uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is dat de Amv zich zelfstandig staande zal kunnen houden, kan onderzoek door het Ministerie van BuZa geïndiceerd zijn indien in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan, geen adequate opvang, bijvoorbeeld in de vorm van opvangtehuizen, bekend is. Onderzoek is in beginsel niet noodzakelijk indien de vreemdeling zelf verklaart dat adequate opvang aanwezig is, en daarbij voldoende geloofwaardige informatie geeft waaruit blijkt hoe de adequate opvang bij terugkeer bereikt kan worden, zoals adresgegevens.
Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.
### 2.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 2.5. De verlening van de verblijfsvergunning
Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake Amv’s.
### 2.10. Overgangsrecht
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Het CWI zal alleen een TWV afgeven indien de arbeidsperiode binnen een tijdbestek van 52 weken niet meer dan in totaal 24 weken bedraagt.
### 2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet, maar valt niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 2.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Amv’s, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt.
In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.
Daarnaast is herhaald onderzoek eerder aangewezen bij landen waarvoor weinig aannemelijk is (gegeven de sociale structuur van de samenleving) dat een minderjarige geen opvang heeft bij familie of instellingen. Herhaald onderzoek is in elk geval aangewezen indien:
### 2.6. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.
Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in B14/2.2.
Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.
De verlengingsaanvraag wordt conform B1/5.3.4 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.
De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van [artikel 44, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=44) niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen. Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning. Teneinde het vorengenoemde ongewenste effect te voorkomen is een voorziening getroffen voor die vreemdelingen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook zij in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16).
De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv kan worden afgewezen, indien:
Het kan hier gaan om de volgende gevallen:
Om dit te ondervangen is op grond van [artikel 3.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) een nieuw [artikel 3.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) gevoegd in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002). Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
### 2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
**Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding**
### 2.10. Overgangsrecht
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de [artikelen 3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52), zijn uitgewerkt in B16/3.3.
De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend.
Indien de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag óf het moment van beslissen op de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij ingevolge het bepaalde in [artikel 21, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn uitgewerkt in B1/6.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).
### 2.10.1. Toepasselijkheid van het beleid
### 3.1. Algemeen
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in B7/13 van de Vc (oud) en de Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1996/1, 2000/6 en 2000/7.
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend in de periode van 4 januari 2001 tot en met 31 maart 2001, is het beleid van toepassing zoals beschreven in Tussentijds bericht vreemdelingencirculaire 2000/30.
### 3.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
### 3.2.1. Inleiding
Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 2.10.3.1. Inleiding
Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Amv’s, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt.
### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
Voor wat betreft de ambtshalve toets geldt het nieuwe beleid als novum.
### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s
Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.
### 2.10.3.2. Uitgeprocedeerde minderjarigen
Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.
Indien wordt geconcludeerd dat de vreemdeling als gevolg van de gewijzigde definitie van het begrip ‘alleenstaand’ in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid inzake Amv’s wordt de vergunning verleend.
### 3.2.4. Ontheffing van het paspoortvereiste
Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.
De overgangsregeling van B16 kan niet van toepassing zijn op personen die op het moment van aanvraag inmiddels meerderjarig zijn geworden. Het is immers niet mogelijk een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake Amv’s te verlenen aan een meerderjarige en het is niet mogelijk een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen aan een vreemdeling die niet reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning.
Om dit te ondervangen is op grond van [artikel 3.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) een nieuw [artikel 3.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) gevoegd in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002). Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
De verblijfsvergunning onder deze beperking kan worden verleend aan vreemdelingen aan wie in het verleden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd op grond van het feit dat zij niet alleenstaand waren en die inmiddels meerderjarig zijn.
Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
Deze categorie is vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldige mvv.
### 3.4.1. Inleiding
### 3.4.1. Inleiding
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
### 3.4.2. Ambtshalve verlening
De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend.
### 3.4.3. De aanvraag
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).
### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
### 3.1. Algemeen
Uitgangspunt van het terugkeerbeleid is, dat in beginsel alle vreemdelingen kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Er is op dit moment geen land bekend dat de volkenrechtelijke verplichting, om eigen onderdanen terug te nemen, niet naleeft. Desalniettemin kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken omdat hij de benodigde reisdocumenten niet kan bemachtigen, terwijl er geen twijfel bestaat omtrent de door hem verstrekte gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling staatloos is en hij geen wedertoelating kan verkrijgen tot het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats (‘former habitual residence’) had.
### 3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
### 3.2.2. Categorieën vreemdelingen die onder het beleid vallen
Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.
De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend.
Vereist is dat de vreemdeling om bemiddeling van de DT&V heeft gevraagd. De DT&V zal door middel van een ambtsbericht aangeven aan de IND of al dan niet sprake is van buitenschuld.
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
Een uitgeprocedeerde Amv kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, indien:
### 3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
### 3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt deze aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning, wordt hij vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een geldige mvv.
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3.1 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake buiten schuld.
De aanvraag kan ingevolge het bepaalde in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden afgewezen indien:
Voorts kan de verblijfsvergunning geweigerd worden indien de vreemdeling een afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag heeft ontvangen op grond van [artikel 31, tweede lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) wegens het toerekenbaar ontbreken van documenten die betrekking hebben op identiteit en nationaliteit.
Verder komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien hij:
### 3.4. Procedurele bepalingen
De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de [artikelen 3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52), zijn uitgewerkt in B16/3.1.4.1.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ kan hetzij ambtshalve, hetzij op aanvraag worden verleend.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
Indien tijdens de asielprocedure is gebleken dat een vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, terwijl hij wel heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, wordt, behoudens contra-indicaties, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ ambtshalve verleend. Zie [C14/6](onbekend) voor het toepassen van de ambtshalve toets tijdens de asielprocedure.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
Indien de vreemdeling is uitgeprocedeerd, bijvoorbeeld omdat hij ten tijde van de asielprocedure niet kon aantonen dat hij in aanmerking kwam voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, maar inmiddels meent dat hij aan de voorwaarden voldoet, kan hij de verblijfsvergunning regulier aanvragen bij de IND (zie [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a) en B1).
Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie B14/4.4 over de berekening van de termijn).
### 4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Dit lijdt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de DT&V wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om mee te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.
### 3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
Er gelden de volgende contra-indicaties:
Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie. Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie B1/4.4), aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.10). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal (zie B1/5.3.6).
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van BuZa) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.
De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend.
### 3.5.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
Deze grond is bijvoorbeeld van toepassing indien de vreemdeling zich heeft bediend van verschillende personalia (pseudoniemen) en ten aanzien van geen van deze personalia authentieke documenten heeft overgelegd. Ook hier heeft de vreemdeling het zelf in de hand om aan de twijfel een einde te maken, en zolang hij dat niet doet, levert de verstreken tijd in de procedure geen relevante termijn voor het driejarenbeleid op.
De bepalingen van B2 zijn van toepassing.
### 3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
De in Nederland verblijvende huwelijkspartner of geregistreerd partner alsmede het/ de tot het gezin behorende kind(eren) dat/ die afhankelijk is/ zijn van een vreemdeling aan wie in verband met medische gronden een verblijfsvergunning op grond van het buiten schuld beleid is verleend, kunnen in deze situatie met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wanneer zij een verblijfsaanvraag indienen.
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt deze aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Gelet op het bepaalde in [artikel 3.13 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) kunnen deze gezinsleden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat van hen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de periode dat er voor de hoofdpersoon sprake is van een situatie dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij....(naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3.1 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake buiten schuld.
### 3.7. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De geldigheidsduur kan tweemaal met een jaar worden verlengd, indien de vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening.
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (met name regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit 1/80 de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejarentermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van bovengenoemde uitspraak – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de [artikelen 3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52), zijn uitgewerkt in B16/3.1.4.1.
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Korpschef dan wel de Visadienst een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:
Met ingang van 1 januari 2003 is het driejarenbeleid afgeschaft, onder handhaving van het bestaande beleid als overgangsrecht voor aanvragen die op dat moment drie jaar oud waren. Een aanspraak op het driejarenbeleid ontstaat pas op het moment dat de driejarentermijn is vol gemaakt. Aanvragen, ontvangen op 1 januari 2000 of latere datum, komen dus niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor inwilliging.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
### 4. Driejarenbeleid in de asielprocedure
Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie B14/4.4 over de berekening van de termijn).
Op grond van [artikel 3.61 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) kon de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren. De verblijfsvergunning kon op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) ambtshalve worden verleend. Beide bepaling worden nog toegepast in die gevallen waarin op grond van het overgangsrecht een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt verleend.
Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6), zoals dat luidde vóór 15 mei 2004, kon een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag.
Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
In de toelichting op [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) werd aangegeven dat in het geval de in dit artikel bedoelde vergunning niet ambtshalve wordt verleend en de vreemdeling zich daar niet mee kan verenigen, deze de eventuele gronden tegen de niet-verlening van de hier bedoelde verblijfsvergunning bij voorkeur in beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag aanvoert. Dit is van belang voor de voortgang van de verblijfsrechtelijke procedure en de samenhang met de asielprocedure.
Er gelden de volgende contra-indicaties:
Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie. Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie B1/4.4), aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.10). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal (zie B1/5.3.6).
Zie [C4/2.5](onbekend) voor toepassing van deze grond.
Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van BuZa) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.
Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok, telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn. Pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt, gaat er een nieuwe termijn lopen.
Gelet op de systematiek van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is het voeren van een procedure in een ander land in het algemeen een afwijzingsgrond voor de asielaanvraag. Zolang de procedure in het andere land nog niet is afgerond, neemt de relevante periode voor het driejarenbeleid nog geen aanvang. De reden hiervoor is dat de vreemdeling het in eigen hand heeft om een van de procedures te beëindigen. Zaken waarin wordt geprocedeerd over de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een ander land voor de asielaanvraag (op grond van [artikel 30, eerste lid, onder a of d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30)) leveren geen relevante periode op voor het driejarenbeleid, omdat dan door het aanwenden van rechtsmiddelen de verantwoordelijkheid automatisch op Nederland zou overgaan, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van de onderliggende procedure. In het geval de rechter heeft vastgesteld dat Nederland wel de asielaanvraag moet behandelen, en dus af moet zien van een overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag, telt de gehele aan die uitspraak voorafgaande procedure mee voor de bepaling van de termijn.
### 5.2. Voorwaarden
B9.2 is van overeenkomstige toepassing.
### 4.4.1. Aanvang termijn
De termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier als bedoeld in [artikel 3.108 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108) (zie [C11/1.1.1](onbekend)).
De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift of een beroepschrift (indien geen bezwaar mogelijk was) tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. In deze gevallen gaat de termijn lopen vanaf de datum van ontvangst van het rechtsmiddel. Let wel, deze procedure staat los van de procedure omtrent de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het tijdsverloop van de oorspronkelijke procedure mag niet worden opgeteld bij het tijdsverloop van de intrekkingprocedure.
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
Er wordt geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van de [artikelen 3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40) en [3:41 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:41) in werking treedt, als de vreemdeling tenminste binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.
Indien de vreemdeling beroep heeft ingesteld, eindigt de termijn, behoudens een gegrondverklaring van het beroep met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan in het geval de vreemdeling de procedure niet in Nederland mocht afwachten, op de datum van de uitspraak, tenzij binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld.
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
B9.7.2 is van overeenkomstige toepassing.
Bij het berekenen van de termijn worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten. Het betreft de volgende perioden, waarin:
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (met name regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit 1/80 de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejarentermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van bovengenoemde uitspraak – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
De verlening van een verblijfsvergunning asiel houdt in dat de vreemdeling heeft gekregen waarom hij heeft gevraagd, en daarmee komt een einde aan de procedure.
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Korpschef dan wel de Visadienst een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:
Het besluitmoratorium kan in een individueel geval nooit langer zijn dan een jaar. Na afloop van de periode van het besluitmoratorium zal de opbouw van de relevante termijn verder gaan.
In onderdeel d is bepaald dat indien de vreemdeling gegevens of bescheiden heeft overgelegd waarnaar onderzoek heeft moeten plaatsvinden, terwijl achteraf blijkt dat die in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden hebben kunnen leiden, deze periode niet meetelt voor de opbouw van de driejarentermijn. De noodzaak tot het verrichten van onderzoek wordt dan beschouwd als voort te vloeien uit een handeling van de vreemdeling, waardoor de extra proceduretijd die met het onderzoek gemoeid is voor rekening van de vreemdeling komt.
### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van [artikel 3.61 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) kon de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren. De verblijfsvergunning kon op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) ambtshalve worden verleend. Beide bepaling worden nog toegepast in die gevallen waarin op grond van het overgangsrecht een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt verleend.
Het ontbreken van geldig grensoverschrijdingdocument wordt niet tegengeworpen. De verblijfsvergunning behelst naar zijn aard een niet-tijdelijk doel en kan dan ook uiteindelijk aanspraken op een vergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) opleveren.
### 15. Kennismigranten
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (zie B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (zie B15/5.1).
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Voor de definiëring van kennismigranten is in het [Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) gekozen voor een éénduidig en objectief criterium, namelijk het looncriterium (zie B15/5.1).
Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar wordt verwezen naar B15/5.1. Deze categorie blijft ook na hun dertigste jaar kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij een bruto jaarloon verdient, dat tenminste gelijk is aan het geldende looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar.
### 2.2. Ingangsdatum
### 5. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2.6. Voorschriften
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
Voor toepassing van [artikel 3.86, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) beoordeelt de IND of sprake is van het bij herhaling veroordeeld worden voor misdrijven. Het bepaalde in B1/4.4 is van overeenkomstige toepassing.
### 7. Rechtsmiddelen
De IND verleent geen uitstel als de besproken tolk een al gemaakte afspraak afzegt, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.
De IND plaatst in het identiteitspapier en/of geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling:
De IND merkt een verzoek om een voorlopige voorziening aan als een eerste verzoek als niet eerder in dezelfde zaak om een voorlopige voorziening is verzocht. Een tweede of herhaald verzoek om een voorlopige voorziening mag niet worden afgewacht. Van een tweede verzoek om een voorlopige voorziening als hiervoor bedoeld is geen sprake als in dezelfde procedure eerder een verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter is toegewezen.
### 4.3. Middelen van bestaan
De IND beschouwt een verklaring van het tolkencentrum als bewijsmiddel, waaruit moet blijken:
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002):
Bij de termijn gedurende welke een gesanctioneerd misdrijf reden blijft vormen om de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning af te wijzen, wordt onderscheid gemaakt naar de aard en de ernst van de misdrijven.
Op grond van [artikel 3.59, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59) verlengt de IND de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor de resterende duur van de opleiding vermeerderd met drie maanden voor de administratieve afronding van de opleiding.
### B4. Arbeid tijdelijk
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 3.30c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30c) en [3.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.39).
De IND beschouwt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling relevante werkervaring opdoet in het kader van zijn arbeid of studie buiten Nederland:
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
Ingevolge [artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling ten genoegen van de Minister van BZK heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering af te leggen.
De zoekperiode vangt aan op de dag waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden.
Het gaat hier om een vreemdeling die:
Op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) verleent de IND in afwijking van [artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) de verblijfsvergunning aan het minderjarige biologische of juridische kind dat:
Dit geldt ook als de referent van het minderjarige kind inmiddels rechtmatig verblijf heeft, of Nederlander is.
De IND verleent de verblijfsvergunning als bedoeld in [3.24a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) niet als de referent 18 jaar of ouder is, tenzij de referent wegens de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens door de Nederlandse rechter onder curatele is gesteld of er een bewindvoerder is aangesteld of er een mentorschap is ingesteld, als bedoeld in [artikelen 378](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=378), [431](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=431) en [450 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=450).
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
De IND neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in [artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28) als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen.
De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van het middelenvereiste op grond van [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner.
Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling.
De IND beschouwt als de referent een uitkering op grond van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) ontvangt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is:
De IND beschouwt als de referent een uitkering op grond van de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) of [Wet Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) ontvangt als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat hij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is:
De IND beschouwt een verklaring van de bevoegde autoriteiten (bij voorkeur) van het land van herkomst als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de aspirant-pleegouders het gezag hebben over de vreemdeling.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een toereikende ziektekostenverzekering voor hemzelf en de te zijnen laste komende gezinsleden.
De IND verleent op grond van [artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) een verblijfsvergunning aan een slachtoffer van huiselijk geweld als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
De bedenktijd staat uitsluitend open voor vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven en:
De IND neemt aan dat sprake is van een ‘gezin’ in één van de volgende situaties:
Het begrip frauduleuze verkrijging is minder ruim dan het begrip “onjuiste gegevens”, zoals dit als afwijzingsgrond voor de vergunning voor onbepaalde tijd geldt. Voor het aannemen van frauduleuze verkrijging is als regel opzet vereist. Hierbij is niet van belang of de gegevens door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt. Voor de afwijzing op grond van onjuiste gegevens is niet relevant of de gegevens al dan niet opzettelijk zijn verstrekt of achter gehouden en evenmin of die door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt.
De vreemdeling wordt eerst in de gelegenheid gesteld aan de formele vereisten te voldoen. Daartoe zal een termijn worden gesteld, waarbinnen de vreemdeling het verzuim kan herstellen. Doet de vreemdeling dit niet of niet binnen de gestelde termijn, dan kan op grond van [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Als de vreemdeling wel een volgens de vereisten geldige aanvraag indient, dan is hetgeen onder het kopje ‘herhaalde aanvraag’ is opgenomen van toepassing.
Op grond van [artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder q, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘het afwachten van een verzoek op grond van [artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning af als de vreemdeling niet over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland.
De IND roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument.
Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt en tegen inlevering van het oude verblijfsdocument of tegen overlegging van (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing van het oude verblijfsdocument. De IND ziet er op toe dat de vreemdeling in persoon, en bij minderjarigheid in bijzijn van zijn wettelijk vertegenwoordiger, het verblijfsdocument in ontvangst neemt. Indien de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier wordt afgewezen, wordt het verblijfsdocument door de Korpschef ingenomen zodra deze beslissing in rechte onaantastbaar is geworden.
Indien een ouder, althans wettelijk vertegenwoordiger, één aanvraag indient (mede) ten behoeve van een of meer minderjarige vreemdelingen, wordt het totaal van de per vreemdeling verschuldigde leges ineens geheven.
In geval van de slachtoffers van mensenhandel verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ als uit de recente medische informatie blijkt dat een fysieke of psychische aandoening het slachtoffer in de weg staat om medewerking te verlenen aan het strafproces.
Dit geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden van Nederlanders die buiten Nederland zijn gedetineerd of hun dienstplicht vervullen.
De IND beschouwt het inburgeringsdiploma of bewijsstukken waaruit moet blijken dat de vreemdeling is vrijgesteld of ontheven van het inburgeringsexamen als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling voldoet aan het inburgeringsvereiste.
Als vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, beschouwt de IND een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst, waaruit blijkt dat voor Nederlands een voldoende is behaald als bewijsmiddel hiervan.
De IND beschouwt een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling niet woont in het land waarvan hij onderdaan is.
De IND beschouwt een geldig document voor grensoverschrijding dat door Nederland wordt erkend als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling meerderjarig is.
De IND beschouwt een uittreksel uit de GBA als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf in Nederland heeft.
De IND beschouwt een afschrift van de overlijdensakte als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de huwelijks- of (geregistreerd) partner, ouder, adoptie- of pleegouder van de vreemdeling is overleden.
De IND beschouwt een verklaring van de politie of het OM als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat de strafzaak, op basis waarvan de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft gehad in het kader van het beleid op het gebied van mensenhandel, nog loopt.
De IND beschouwt medische informatie als bewijsmiddel waaruit moet blijken dat er nog steeds sprake is van een fysieke of psychische aandoening die aan het verlenen van medewerking aan het strafproces in de weg staat. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven.
In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen ten aanzien van:
De hoofdregel is dat een beschikking in reguliere zaken aan de belanghebbende wordt toegezonden; zulks is in overeenstemming met het gestelde in [artikel 3:41 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:41). Voor de uitzonderingen zie hierna onder 2.
De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de [artikelen 8.7 t/m 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10).
In aanvulling op [artikel 8.7, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) stelt de IND adoptiefkinderen gelijk met rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn.
In aanvulling op [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) neemt de IND aan dat een duurzame relatie bestaat als de burger van de Unie en de ongehuwde partner:
Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht verblijven in een aan Nederland grenzende lidstaat, mogen in Nederland alleen arbeid verrichten als de werkgever beschikt over een geldige TWV, tenzij de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) anders bepaalt.
In aanvulling op [artikel 8.13, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13) verstrekt de IND aan een familielid dat wil verblijven bij een burger van de Unie onmiddellijk na indiening van de aanvraag voor toetsing aan het EU-recht de sticker ‘Verblijfsaantekening algemeen’ ([VV bijlage 7g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) met de aantekening dat het familielid mag werken.
Op grond van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) ontzegt of beëindigt de IND het rechtmatig verblijf van de vreemdeling als:
Bij de beoordeling van een aanvraag voor toetsing aan het EU-recht van een familielid beoordeelt de IND de inkomenspositie van de vreemdeling als bedoeld in [artikel 8.7, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) aan de hand van de bewijsmiddelen zoals genoemd in paragraaf B1/ 8.3.4 Vc.
De IND gaat ervan uit dat na drie jaar onafgebroken rechtmatig verblijf bij een Turkse werknemer het bepaalde in artikel 7, eerste alinea, tweede gedachtestreepje, Besluit 1/80 van toepassing is.
Bij de beoordeling of een recht op verblijf ontstaat op grond van artikel 7 Besluit 1/80 acht de IND het niet relevant:
De arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument dat wordt afgegeven als het verblijfsrecht wordt ontleend aan het derde streepje van artikel 6, eerste lid, Besluit 1/80 luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist' zoals bedoeld in [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1).
De IND ontzegt of beëindigt het verblijfsrecht van een vreemdeling die valt onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, of 7, Besluit 1/80, niet met terugwerkende kracht tenzij het verblijfsrecht op frauduleuze wijze is verkregen en deze vreemdeling daar ook voor is veroordeeld.
Een en ander laat overigens onverlet dat het bestuursorgaan rekening dient te houden met nieuwe feiten en omstandigheden, voorzover het bestuursorgaan daarvan ambtshalve kennis draagt, en ambtshalve geconstateerde misslagen dient te herstellen.
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor:
Hoewel de Korpschef niet meer beslist op reguliere aanvragen, valt niet uit te sluiten dat bij de IND nog bezwaarschriften zullen worden ontvangen gericht tegen een beslissing van de Korpschef. Bij bezwaarschriften wordt derhalve onderscheid gemaakt tussen bezwaarschriften tegen beschikkingen van de Korpschef en beschikkingen van de IND. De beslissing op een bezwaarschrift gericht tegen een beschikking die door de IND krachtens mandaat is genomen, moet binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, worden genomen ([artikel 7:10, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)). Indien de ACVZ wordt ingeschakeld, bedraagt de beslistermijn twaalf weken (artikel 7:10, eerste lid, Awb). De beslissing op het bezwaarschrift tegen een beschikking die door de korpschef krachtens mandaat is genomen, moet binnen zestien weken na ontvangst van het bezwaarschrift worden genomen ([artikel 76 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=76)).
Er kan onder meer sprake zijn van een verzuim indien:
NB. Afhankelijk van de situatie in de regio kan de IND in overleg met de rechtshulpverlening en de tolkencentra bepaalde categorieën tolken vaststellen waarvoor geen schriftelijke verklaring wordt geëist. Periodiek wordt dan getoetst of een bepaalde categorie tolken binnen of weer buiten die categorie dient te vallen.
Voor verplaatsing van het hoofdverblijf wordt verwezen naar paragraaf B1/6.2.1. Vc.
De IND maakt gebruik van de bevoegdheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wegens gevaar voor de openbare orde af te wijzen, zoals bedoeld in [artikel 21, eerste lid, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) en [artikel 3.92, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), tenzij dit in strijd is met internationale verplichtingen.
De IND wijst een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de beperking van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op nationale gronden af wanneer in ieder geval één van de in [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde gronden zich voordoet, voor zover de [artikelen 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) en [artikel 3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93), [3.94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) en [3.95 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95) hierop geen uitzondering maken.
Bij inwilliging van de aanvraag om afgifte van een mvv dient de vreemdeling erop te worden gewezen dat hij zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland in het kader van het vreemdelingentoezicht dient aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met gezinshereniging dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND.
Tevens geldt voor deze categorie vreemdelingen dat de aanvraag tot het verlenen van deze verblijfsvergunning niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, voorzover nodig, met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71). Ook in die gevallen geldt het legesvereiste onverkort.
Dit artikellid draagt de lidstaten voorts op de aard en de regelmaat van de inkomsten te beoordelen en het staat de lidstaten toe om rekening te houden met – voor zover hier van belang – de nationale minimumlonen. Meer bedoeld artikellid draagt de lidstaten niet op om zowel in geval van gezinshereniging als gezinsvorming te kiezen voor hetzij toetsing aan de bijstandsnormen, hetzij het minimumloon, noch ook aan een bepaald percentage van het minimumloon.
Ingevolge [artikel 29, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) komen de echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen van vreemdelingen die in het bezit zijn van een asielvergunning voor bepaalde tijd eveneens in aanmerking voor een zodanige vergunning indien zij gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning aan de hoofdpersoon.
De IND verleent een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan het afhankelijk gezinslid van een ex-geprivilegieerde als geen van de gronden van artikel 21 Vw zich voordoet en wordt voldaan aan artikel 3.93, eerste lid en eerste lid, aanhef en onder c, Vb, artikel 3.93, zesde lid, Vb en artikel 3.96a Vb.
[Artikel 15 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=15) bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging, kan worden verleend aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Ter uitvoering daarvan is in [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) neergelegd in welke gevallen de verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming in ieder geval wordt verleend. De artikelen 3.13 tot en met 3.22 Vb bevatten algemeen verbindende voorschriften. Daarvan kan niet worden afgeweken. Indien is aangetoond dat aan alle in deze artikelen gestelde voorwaarden wordt voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Wel worden in B2 enkele nadere regels gegeven over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Het betreft beleidsregels over de vaststelling van feiten.
De IND beschouwt de beschikking van de SVB als bewijsmiddel van de vertrekdatum en het recht op basisvoorzieningen of toekenning van de remigratievoorziening.
Dit recht luidde vóór 15 februari 2005 als volgt:
De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap verleend indien het huwelijk of het geregistreerde partnerschap niet is aangetoond.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) niet verleend als de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd:
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Ingevolge [artikel 3.17, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Dit recht luidde vóór 15 februari 2005 als volgt:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In afwijking hiervan wordt de aanvraag, ingediend door de (huwelijks)partner van een Nederlander, van een houder van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, slechts afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling:
Onder langdurig wordt hier verstaan een periode van zes maanden of langer.
Als een beroep wordt gedaan op deze vrijstellingsgrond, worden alle toekenningsbesluiten ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), dan wel de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) overgelegd, die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, alsook eventuele correspondentie met het college van B&W omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Indien aanwezig, dienen bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon voor volwassenen van 23 jaar of ouder, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [artikel 14 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
Voor zover is komen vast te staan dat de hoofdpersoon eerder als hoofdpersoon heeft opgetreden in een procedure voor gezinshereniging of -vorming met een vreemdeling, waarbij de hoofdpersoon deze laatste vreemdelinge tegen haar wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst heeft achtergelaten, geldt het volgende. In dat geval heeft de alimentatie die moet worden betaald aan de ex-echtgenote of de voormalige geregistreerd partner wel invloed op de hoogte van de middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Het betreft hier zowel de alimentatie voor de huwelijks- of geregistreerde partner, als de alimentatie voor de kinderen. De alimentatie die de hoofdpersoon betaalt wordt in mindering gebracht op diens inkomsten. Of sprake is van achterlating door de hoofdpersoon en of door de hoofdpersoon alimentatie wordt betaald, wordt slechts onderzocht indien daarvoor in het vreemdelingendossier concrete aanwijzingen zijn. In voorkomende gevallen kan worden gevraagd om overlegging van het echtscheidingsconvenant, de echtscheidingsbeschikking of de uitspraak waarbij de alimentatie is opgelegd, of de overeenkomst van ontbinding van het geregistreerde partnerschap waarbij de alimentatie overeen is gekomen. Worden deze niet overgelegd, dan is niet aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste en wordt de aanvraag afgewezen.
Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van vreemdelingen. Vanzelfsprekend geldt vorenstaande regel ook voor vrouwen die mannen hebben achtergelaten. Mede gelet op [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) is deze beleidsregel uitsluitend van toepassing op aanvragen ingediend na 1 juli 2005.
Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aan als de hoofdpersoon een uitkering krachtens de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) ontvangt en als wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:
De [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat naast de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten ook uit de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. Wanneer de hoofdpersoon ingevolge de WIA onder deze regeling valt, is in ieder geval géén sprake van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid.
De vreemdeling legt zelf een verklaring over van de GG&GD dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts waaruit het vorenstaande blijkt. De bedrijfs- of verzekeringsarts dient met een aantekening over het betreffende specialisme te staan ingeschreven in het Beroepen in de individuele Gezondheidszorg-register. Informatie hieromtrent kan telefonisch worden verkregen (0900-8998225) of via de website van het Beroepen in de individuele gezondheidszorg-register.
Alleen in die gevallen waarin de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wwb geniet en het voor de hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, wordt ontheffing van het middelenvereiste verleend.
Gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling is (behoudens bijzondere omstandigheden) in elk geval binnen een redelijke termijn te voorzien indien de hoofdpersoon is vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling met het oog op de zorg voor een kind (al dan niet jonger dan vijf jaar).
Dit deel bevat gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en van de (aanstaande) echtgenoten of geregistreerde partners, alsmede het advies van de Korpschef.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij partner (naam)’.
Het is aan de vreemdeling om aan te tonen of aannemelijk te maken dat het voor hem en zijn partner als gevolg van wettelijke beletselen niet mogelijk is om in het land van herkomst te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan.
De ongehuwde burgerlijke staat wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/7 van toepassing is.
### 6.12.6. Mvv
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de bijstandsnorm voor echtparen/gezinnen. In afwijking hiervan wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
### 6.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning
### 4.9. Duurzame en exclusieve relatie
De aanvraag wordt afgewezen indien aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Dit is een relatie die wordt aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over een verblijfsvergunning beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen. Aanwijzingen dat sprake is van een schijnrelatie zijn onder meer:
Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), zoals dat luidde tot 1 november 2004.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de Belastingdienst en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de GBA te staan ingeschreven.
Op deze algemene voorwaarden bestaan echter uitzonderingen wat betreft het middelenvereiste (zie B2/5.10). Ook in andere gevallen kan deze vergunning, gelet op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), worden verleend.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. B1/4.4 en verder zijn van toepassing.
### 4.12. Middelen
Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
Het onder a en b vermelde is gebaseerd op [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22).
Ook het kind van een alleenstaande moeder staat doorgaans van rechtswege onder haar gezag.
Daarnaast zijn situaties denkbaar waarin de partner van de moeder het kind niet erkent, maar wel het gezag over het kind verkrijgt door een rechtshandeling, bijvoorbeeld een verklaring ten overstaan van een autoriteit.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap’.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5. Minderjarige kinderen
### 5.1. Minderjarige kinderen
In [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) zijn voorwaarden opgenomen voor verblijf in het kader van gezinshereniging met minderjarige biologische of juridische kinderen die zien op:
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
Volgens de Islamitische rechtstraditie houdt de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag over zijn kinderen en krijgt de moeder de “hadânah”, het zorgrecht. Het zorgrecht is een minder sterk recht dan het gezagsrecht. Het zorgrecht wordt in het kader van deze paragraaf behandeld als gezag.
### 6.3. Feitelijke gezinsband
**Adopties**
### 6.5. Achterlating een onevenredige hardheid
De verblijfsvergunning wordt niet in het kader van gezinshereniging verleend, indien het kind naar Nederlands recht meerderjarig is. Dat betekent dat geen verblijf wordt toegestaan aan het kind dat de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, gehuwd is (geweest), een geregistreerd partnerschap is aangegaan of door de kantonrechter in het belang van moeder en kind meerderjarig is verklaard met toepassing van [artikel 1:253 ha Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha). Op het vereiste van minderjarigheid zijn twee uitzonderingen.
### 6.10. Middelen
Nederlandse overheidsinstanties zijn in beginsel gehouden een in het buitenland door een beslissing van een daartoe bevoegde rechterlijke autoriteit tot stand gekomen correctie van een geboortedatum in een stuk van de burgerlijke stand te erkennen.
Indien sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het vorenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
### 5.4.1. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
De datum van het ontslag uit militaire dienst wordt aangetoond door middel van officiële, gelegaliseerde bescheiden.
[Artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) luidde voor 15 februari 2005:
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of de gezinsband.
Nederlandse overheidsinstanties zijn in beginsel gehouden een in het buitenland door een beslissing van een daartoe bevoegde rechterlijke autoriteit tot stand gekomen correctie van een geboortedatum in een stuk van de burgerlijke stand te erkennen.
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
Indien hij daarentegen niet overgaat tot deze correctie en er gerede twijfel mogelijk is aan de juistheid van de door de autoriteiten in het land van herkomst gecorrigeerde geboortedatum van de vreemdeling, dan zal dit bij de behandeling door de IND van de aanvraag nader worden onderzocht. Daartoe dient te worden beschikt over een kopie van de door de vreemdeling overgelegde documenten met betrekking tot de correctie van de geboortedatum.
Ingevolge [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) wordt, zolang de ouder met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote of geregistreerd partner alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Ingevolge [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) zijn van toepassing (zieB1/4.4).
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 6.12.7. Document voor grensoverschrijding
Onder langdurig wordt hier verstaan een periode van zes maanden of langer.
Kort verblijf wil zeggen een verblijf waardoor het hoofdverblijf niet buiten Nederland wordt verplaatst, bijvoorbeeld vakantie. Om de hiergenoemde groep te onderscheiden van de overige gevallen waarin het verblijf van een minderjarig kind in het kader van gezinshereniging in Nederland wordt beoogd en waarin de algemene voorwaarden voor verblijf in het kader van gezinshereniging van toepassing zijn, is een termijnstelling noodzakelijk. Aangezien het tweede en derde lid van [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) uitsluitend zien op kinderen die tijdens kort verblijf van de moeder (al dan niet met de vader) buiten Nederland worden geboren, is aan de desbetreffende regeling een termijn gesteld van zes maanden, te rekenen vanaf de geboorte van de vreemdeling. Die termijn sluit aan bij de termijn van verblijf buiten Nederland waarna onder omstandigheden verplaatsing van het hoofdverblijf kan worden aangenomen. Indien de aanvraag later dan negen maanden na de geboorte van de vreemdeling is ontvangen, gelden de gebruikelijke voorwaarden voor gezinshereniging. In een dergelijk geval ligt het bovendien in de rede dat bij de beoordeling daarvan wordt onderzocht of de ouder het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 6.12.9. Openbare orde
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
Vorenstaande geldt ook indien de hoofdpersoon (dus de biologische of juridische ouder) inmiddels rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), dan wel Nederlander is.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig indien de vreemdeling de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Ook zijn bijzondere banden aanwezig indien het gezinslid over een verblijfstitel anders dan voor verblijf van korte duur in dat land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste in het onderhavige kader niet tegengeworpen.
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of de gezinsband.
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.12.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 8.4. Overige vrijstellingen
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 6.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
De hoofdpersoon wordt als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding van een krachtens de wet of gewoonterecht verantwoordelijke volwassene in Nederland is aangekomen.
De hoofdpersoon wordt eveneens als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding wordt achtergelaten, nadat hij in Nederland is aangekomen.
### 7.3. Alleenstaand
### 7.4. Kinderen in het land van herkomst
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien in het land van herkomst een kind woont dat geacht kan worden in de opvang van de vreemdeling te kunnen voorzien. De vreemdeling die zich er op beroept dat het kind dat nog in het land van herkomst woont, niet kan voorzien in zijn opvang, onderbouwt dat met terzake relevante gegevens en bescheiden. De vreemdeling is daartoe de meest aangewezen partij.
### 7.8. Afwijking van het middelenvereiste
Uit de aard van de zaak wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
Dat betekent dat de aanvraag wordt afgewezen als de alleenstaande minderjarige houder is van een verblijfsvergunning regulier, bijvoorbeeld onder een beperking verband houdende met verblijf als Amv.
### 6.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon op de datum van ontvangst van de aanvraag inmiddels de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, tenzij de hoofdpersoon wegens de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens door de Nederlandse rechter onder curatele is gesteld of er een bewindvoerder is aangesteld dan wel er een mentorschap is ingesteld, bedoeld in respectievelijk de [artikelen 378](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=378), [431](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=431) en [450 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=450).
### 6.5. Alleenstaand
B1/4.1 is van toepassing.
Als beleidsregel geldt dat de staat van personen wordt aangetoond aan de hand van officiële gelegaliseerde bescheiden. Indien niet-gelegaliseerde documenten worden overgelegd, dienen deze alsnog te worden gelegaliseerd. De vreemdeling draagt zorg voor legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich er op beroept aanspraak te ontlenen aan [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) of [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23). Het gaat daarbij om een beleidsregel omtrent de vaststelling van feiten.
### 8.4. Overige vrijstellingen
Indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de IND aan de hand van de ter beschikking staande gegevens of het document wordt doorgeleid naar het ministerie BuZa met het verzoek om een verificatieonderzoek. De termijn van het nemen van een beslissing wordt met een termijn van maximaal zes maanden opgeschort.
In dat geval geldt voor wat betreft de hoogte van het inkomen dat dit ten minste gelijk moet zijn aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) voor de gezinssituatie die ontstaat indien de gezinshereniging wordt toegestaan.
Indien gezinshereniging wel mogelijk is in een derde land waarmee de minderjarige hoofdpersoon of de vreemdeling bijzondere banden heeft, wordt de verblijfsvergunning ingevolge [artikel 3.24a, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) pas verleend nadat de minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Dat de hoofdpersoon tot dat land niet wordt toegelaten, wordt aangetoond door middel van documenten van de bevoegde autoriteiten van dat land.
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan voorts worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer er in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
### 9.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
De beperking wordt aangevuld met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aangezien de verblijfsvergunning wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is het verblijfsrecht tijdelijk van aard, gelet op [artikel 3.5, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 7.1. Inleiding
### 7.2. Hoofdregel
Op de hoofdregel dat buitenlandse bescheiden met betrekking tot de staat van personen moeten worden gelegaliseerd alvorens zij kunnen dienen als basis voor besluitvorming, bestaan de nodige uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn gebaseerd op de circulaire van de mede namens de Minister, de Minister van BuZa en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, inzake ‘de Legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen’ van 12 januari 2000, laatstelijk gewijzigd op 15 mei 2006.
De aanvrager in Nederland neemt in aanwezigheid van een IND-loketmedewerker DNA-materiaal bij zichzelf af. Die medewerker stuurt het DNA-materiaal van de aanvrager samen met het DNA-materiaal van de gezinsleden naar het laboratorium waar het DNA-onderzoek zal worden verricht.
Van het vereiste van legalisatie zijn vrijgesteld:
Het DNA-materiaal wordt na zes maanden na het onderzoek door het laboratorium vernietigd. In geval het DNA-materiaal langer bewaard moet blijven, geeft de IND daartoe een schriftelijke aanwijzing aan het laboratorium.
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die tegen de legalisatie gegronde bedenkingen heeft geuit, voorzover die persoon:
### 7.5. Bewijsnood
### 8.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
Indien dit niet het geval is, wordt de vreemdeling verzocht alsnog zorg te dragen voor de legalisatie van de overgelegde documenten.
### 9.2.1. Begrippen
Betrokkene wordt derhalve slechts op de mogelijkheid van DNA-onderzoek gewezen in het geval er sprake is van uit beide ouders of uit één van beide ouders geboren kinderen en nadat is vastgesteld dat betrokkene aantoonbaar in bewijsnood verkeert met betrekking tot de te overleggen documenten.
### 9.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
De aanvrager dient de gezinsleden in het buitenland te informeren dat zij zich moeten melden bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging. De in het buitenland verblijvende echtgeno(o)t(e) (of partner bij nareisaanvragen) van de referent die om DNA-onderzoek heeft verzocht, wordt door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in kennis gesteld van de door de referent in het aanvraagformulier voor DNA-onderzoek verstrekte gegevens over de relatie tussen de ouders en de kinderen voor wie overkomst naar Nederland wordt gevraagd.
### 8.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
### 8.5. Middelenvereiste
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/8.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn.
### 8.1. Inleiding
### 9.5.1. Inleiding
### 8.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
De verlenging van de verblijfsvergunning wordt alleen afgewezen indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele een beroep doet op de publieke middelen. De verblijfsvergunning wordt eveneens slechts ingetrokken indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen (zie B2/ 8.5).
### 9.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
### 8.5.3. Afwijking van het middelenvereiste
### 9. Artikel 8 EVRM
### 8.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
Er kan gesproken worden van vrijwillige werkloosheid indien een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van [artikel 24 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24). Dit is het geval als hij:
### 10.1. Inleiding
### 10.2.2. Inmenging
### 9.2.2. Inmenging
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
### 9.1. Inleiding
### 9.2. Toetsingskader
Hieronder wordt aangegeven welke vragen moeten worden beantwoord bij de toetsing aan artikel 8 EVRM.
### 9.2.1. Begrippen
Het begrip familie- of gezinsleven in artikel 8 EVRM heeft een andere betekenis dan (nationale) begrippen als feitelijke gezinsband en familierechtelijke relatie. In veel gevallen waarin de feitelijke gezinsband is verbroken, zal er toch gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaan.
### 10.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
### 9.2.1.1. Einde van het gezinsleven
### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, indien de vreemdeling:
### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Ook indien geen sprake is van inmenging dient een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaats te vinden. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf zal ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij deze belangenafweging. Bij illegaal verblijf zal slechts in zeer uitzonderlijke situaties sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM (zie de uitspraak van het EHRM inzake Rodrigues da Silva van 31 januari 2006, nr. 50435/99).
### 9.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Het feit dat de afwijzende beslissing (a) is gebaseerd op de regelgeving en (b) in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van de meerdere wegingsfactoren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de inmenging (met een beroep op het economisch welzijn van Nederland, respectievelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten) te rechtvaardigen. Er zal telkens een op de concrete zaak toegespitste afweging dienen plaats te vinden van de algemene belangen van de samenleving enerzijds en de individuele belangen van de vreemdeling en – indien daarvan sprake is – zijn gezinsleden anderzijds.
### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Tenslotte is van belang dat zowel bij eerste toelating als bij inmenging een volledige belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij het gewicht dat aan de verschillende belangen toekomt mede bepaald wordt door de omstandigheid of sprake is van eerste toelating of van inmenging.
### 10.3. Ambtshalve wijziging
Van belang zijn in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven of, indien het gaat om privé-leven, het gewicht van de aangegane sociale banden, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond in de individuele zaak kan worden toegekend, en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van die kinderen worden bezien.
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 10.3. Ambtshalve wijziging
Blijkens de uitspraak van het EHRM inzake Üner, van 18 oktober 2006, nr 46410/99 dient, naast deze criteria tevens gekeken te worden naar:
### 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
De objectieve belemmering vormt een van de factoren die in de belangenafweging moeten worden betrokken. Indien er, in geval van eerste toelating, geen sprake is van een objectieve belemmering, zal er in beginsel niet snel sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM. Dit laat onverlet dat bij afwezigheid van een objectieve belemmering een volledige belangenafweging dient plaats te vinden.
Van de hoofdpersoon wordt in ieder geval verwacht dat hij actief naar werk zoekt. De hoofdpersoon moet zeer duidelijk en gedocumenteerd kunnen aangeven wat hij allemaal heeft ondernomen om aan de toelatingsvoorwaarden te gaan voldoen.
Dat uitgangspunt lijdt slechts dan uitzondering indien de overheid de hoofdpersoon onevenredig lang heeft afgehouden van de verblijfsvergunning en daarmee van toegang tot de arbeidsmarkt.
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
Om te kunnen bepalen door welke regels – die van B2 inzake gezinsvorming of gezinshereniging óf die van het onderhavige hoofdstuk – de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier van een (buitenlands) kind worden beheerst, is het van belang vast te stellen of de aanvraag betrekking heeft op een adoptiekind of een adoptiefkind.
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
Indien het recht op eerbiediging van het privé-leven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), onder de beperking voor het uitoefenen van privé-leven conform artikel 8 EVRM.
### 3.2. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie
Afhankelijk van de aard van het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, wordt bij de verlening van de verblijfsvergunning aangegeven of het verblijfsrecht tijdelijk of niet- tijdelijk van aard is. Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling eveneens tijdelijk van aard. Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling eveneens niet tijdelijk van aard.
### 2.2.3. De bepalingen van B3 zijn van toepassing op de aanvraag
### 10.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van één van de in [artikel 3.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) genoemde verblijfsdoelen (inclusief artikel 8 EVRM), dan wel verblijf op grond van [paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825¶graaf=2), wordt aan hem op aanvraag op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend indien:
Het kind hoeft de vreemdeling niet te volgen en het grondgebied van de Europese Unie niet te verlaten indien er een andere ouder is die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a t/m e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of de Nederlandse nationaliteit heeft, tenzij de andere ouder feitelijk niet voor het kind kan zorgen. Onder ‘andere ouder’ worden geen andere familieleden of kennissen verstaan – ook niet indien zij feitelijk voor het kind zorgen of hebben gezorgd.
Er is geen sprake van een feitelijke onmogelijkheid voor de andere ouder om voor het kind te zorgen indien verlangd kan worden dat gebruik wordt gemaakt van hulp en ondersteuning bij zorg en opvoeding die van overheidswege en door maatschappelijke instellingen worden geboden. Hieronder wordt ook de verstrekking verstaan van een uitkering uit de openbare kas waar Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak op kunnen maken.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Als niet voldaan wordt aan een of meer van bovengenoemde voorwaarden die ontleend zijn aan de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) en het kind verblijft reeds illegaal hier te lande, maakt de IND melding van deze vermoedelijk illegale adoptie bij de Raad van de Kinderbescherming, die, zonodig, aangifte doet bij de politie.
Dit hoofdstuk bevat de bijzondere voorwaarden inzake de verlening van een verblijfsvergunning aan buitenlandse adoptiekinderen, alsmede aan buitenlandse kinderen voor wie opname in een pleeggezin in Nederland wordt beoogd. Het gaat om gezinsuitbreiding met kinderen, anders dan door geboorte.
Deze artikelen geven geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
### 2.2. Vergunning regulier bepaalde tijd wedertoelating
Vooropgesteld dient te worden dat de overkomst van de kinderen waarop het onderhavige hoofdstuk betrekking heeft, op verantwoorde wijze dient te zijn geregeld. Het kind dient derhalve in het bezit van een geldige mvv Nederland in te reizen, uiteraard voor zover deze voor Nederland is vereist (zie B1/4.1).
De opneming van buitenlandse kinderen ter adoptie is geregeld in de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447). Deze wet strekt mede tot uitvoering van het per 1 oktober 1998 voor Nederland in werking getreden Haags adoptieverdrag.
Buitenlandse adoptiekinderen in de zin van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) zijn buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende minderjarigen in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke worden of zullen worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers de plaats van de ouders innemen. De vreemdelingrechtelijke voorschriften en voorwaarden alsook de van toepassing zijnde voorschriften voortvloeiend uit de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) voor deze categorie zijn vermeld onder B3/2.3.
De [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) is van toepassing op alle personen die hun gewone verblijf in Nederland hebben en een buitenlands kind willen adopteren. Al deze personen zijn gehouden de procedures te volgen zoals voorgeschreven door de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447). Aan de procedure van de wet moet derhalve zijn voldaan bij binnenkomst van het kind in Nederland.
Indien het een adoptie betreft die zonder meer in Nederland kan worden erkend (zie B2/5.2.1), wordt de aanvraag van het kind getoetst aan de voorwaarden inzake gezinsvorming en gezinshereniging (zie B2/5). Is er bij de adoptie van het buitenlandse kind door in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders nog geen declaratoir van de Nederlandse rechter verkregen over de geldigheid van de in het buitenland uitgesproken adoptie, dan wordt het kind toegelaten voor verblijf ter adoptie volgens de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk.
Om te kunnen bepalen door welke regels – die van B2 inzake gezinsvorming of gezinshereniging óf die van het onderhavige hoofdstuk – de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier van een (buitenlands) kind worden beheerst, is het van belang vast te stellen of de aanvraag betrekking heeft op een adoptiekind of een adoptiefkind.
In de situatie waarin de adoptie wél in het buitenland is uitgesproken, maar het land niet is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag, is geen sprake van erkenning van rechtswege. Erkenning dient dan te geschieden door de Nederlandse rechter. In [artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) is vastgelegd onder welke voorwaarden tot erkenning kan worden overgegaan (zie B2/5.2.1.2). Eén van de voorwaarden is dat de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) in acht zijn genomen. B2 is in dit geval alleen van toepassing indien (bij inreis van het kind) de erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter reeds voor handen is.
Voor al deze kinderen geldt als voorwaarde dat naar het oordeel van de Minister voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst doordat er ten aanzien van het kind sprake is van zodanige omstandigheden, dat het niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Zulks wordt in het algemeen niet aangenomen van een kind dat bij zijn ouders verblijft in minder welvarende omstandigheden, voorzover die omstandigheden overigens ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Daarom zal het een in Nederland verblijvend gezin van een rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling of Nederlander niet zijn toegestaan om bijvoorbeeld een jonger broertje of zusje van één der ouders, of neefje of nichtje op te nemen uitsluitend op grond van de opvatting dat het kind hier te lande in ruimere materiële welstand kan verkeren.
Het is echter mogelijk dat in Nederland (alsnog) in de adoptie moeten worden voorzien middels een adoptie naar Nederland recht. Hiervan kan sprake zijn indien het kind afkomstig is uit een land waarvan het nationale recht niet vereist dat de adoptiebeslissing ter plekke wordt uitgesproken. Er is dan wel voldaan aan de vereisten voor adoptie in het gezin in Nederland, maar er is nog geen adoptiebeslissing genomen. De adoptie vindt pas plaats nadat het kind gedurende een proefperiode (bijvoorbeeld een jaar) in het gezin van de aspirant-adoptiefouders is opgenomen geweest. Indien aan de vereisten voor adoptie is voldaan, neemt de buitenlandse autoriteit een besluit tot opname van het buitenlandse kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouder(s) ter adoptie. Alsdan wordt ten behoeve van het kind een verblijfsvergunning verleend, in afwachting van de adoptie (zie B3/2.3 en verder). Ook in de situatie waarin de in het buitenland uitgesproken adoptie noch op grond van het Haags Adoptieverdrag, noch op grond van [artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) kan worden erkend, wordt de beslissing op de aanvraag beheerst door de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk. De bepalingen van onderhavig hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de aanvraag van een kind ten aanzien waarvan de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) door de in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders niet in acht zijn genomen en niet bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat die in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verblijf ter adoptie de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
Door de aspirant-adoptiefouders dient een in het land van herkomst recent afgegeven (niet langer dan zes maanden geleden) medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd, waaruit blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) afgewezen (zie ook B1/4.5). Het vorenstaande is uiteraard niet van toepassing indien het kind op grond van zijn nationaliteit is vrijgesteld van het vereiste van het ondergaan van een onderzoek naar en/of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen.
Ingevolge de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) zijn de aspirant-adoptiefouders vanaf het tijdstip van vertrek van het buitenlandse kind naar Nederland verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van dat kind als ware het hun eigen kind. De kosten van een eventuele terugkeer naar het land van herkomst van het kind komen te hunnen laste. In het kader van het onderzoek met het oog op het afgeven van de beginseltoestemming, wordt door de Staatssecretaris van V&J bezien of de aspirant-adoptiefouders duurzaam over voldoende zelfstandige middelen van bestaan beschikken.
Ingevolge [artikel 5 Pleegkinderenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002084&artikel=5) is het hoofd van het pleeggezin verplicht van de opneming van een pleegkind binnen één week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente van verblijf.
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 2.5.3. De controletaak van de politie ingevolge de [Wobka](onbekend)
Afhankelijk van de vraag of de adoptie in Nederland wordt erkend, moet worden beoordeeld of het kind voor gezinsvorming of gezinshereniging op grond van het bepaalde in B2, of voor verblijf ter adoptie op grond van de in het onderhavige hoofdstuk opgenomen bepalingen in aanmerking komt.
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
### 2.6.1. Ontbreken mvv
In beide bovengenoemde gevallen wordt de aanvraag niet afgewezen omdat niet wordt voldaan aan het vereiste bezit van een geldige mvv. In deze gevallen gaat het namelijk om een minderjarige die door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, en die op grond van dit paspoort Nederland is ingereisd, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort. Nu het hier gaat om een bijzondere groep, bestaat aanleiding om onder toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) de aanvraag niet af te wijzen wegens het ontbreken van een geldige mvv.
### 2.6.2. Aanvraag vaststelling van het Nederlanderschap
Tevens staat het de adoptie(f)ouders vrij om op grond van [artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) ten behoeve van het adoptie(f)kind een aanvraag verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard in te dienen onder een beperking verband houdend met het afwachten van een bij de rechtbank ingediend verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Voor de te volgen procedure wordt verwezen naar B4/11 en verder.
[Artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) geeft het kader aan waarbinnen aan Oud-Nederlanders verblijf kan worden toegestaan in het kader van wedertoelating. De in het [eerste en tweede lid, onder a, van artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) genoemde groepen oud-Nederlanders zijn niet limitatief. Het tweede lid, onder b, van dit artikel geeft de mogelijkheid in de Vc ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen op te nemen.
### 1. Inleiding
[Artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) geeft het kader aan waarbinnen aan Oud-Nederlanders verblijf kan worden toegestaan in het kader van wedertoelating. De in het [eerste en tweede lid, onder a, van artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) genoemde groepen oud-Nederlanders zijn niet limitatief. Het tweede lid, onder b, van dit artikel geeft de mogelijkheid in de Vc ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen op te nemen.
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:
### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Zo nodig wint het Hoofd van de Visadienst dan wel de Minister voor I&A aanvullende gegevens in bij de Raad voor de Kinderbescherming omtrent de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de enkele grond dat:
### 4.1. Beperking
### 2.2.4.1. Verblijfsvoorwaarden
### 7. Beperking en arbeidsmarkaantekening
Op het verblijfsdocument van het kind wordt dezelfde arbeidsmarktaantekening geplaatst als op het verblijfsdocument van de hoofdpersoon. Indien de hoofdpersoon de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt als arbeidsmarktaantekening geplaatst ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4.3. Voorschrift
### 5. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.2.4.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3. Remigratie en terugkeeroptie (op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8))
[Artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) geeft aan wanneer verblijf kan worden toegestaan aan een vreemdeling, die een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), tot vaststelling van zijn Nederlanderschap heeft ingediend.
Het eerste deel van dit hoofdstuk zet uiteen wanneer en onder welke voorwaarden de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde en onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating kunnen worden verleend. Het tweede deel van het hoofdstuk behandelt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in afwachting van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 2.1. Algemeen
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
De aanvraag wordt niet afgewezen indien:
### 3.2.1.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (de glijdende schaal; zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
### 3.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Wat betreft de voorwaarden is het bepaalde in B4/2.2.3.1 en B4/2.3.1 van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) of voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Indien de betrokkene na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap – doch voordat het Nederlanderschap werd ingetrokken – zelf afstand doet van de Nederlandse nationaliteit wordt de termijn van twee jaar berekend vanaf de dag na die waarop de verklaring is afgelegd.
Naast de in paragraaf B4/2.2.3.2 genoemde bescheiden, met uitzondering van een afschrift van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken, overlegt de vreemdeling bij de aanvraag een uittreksel uit de GBA waaruit de datum blijkt waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit.
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.
### 3.2.2. Vergunning regulier onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) kan worden verleend aan de vreemdeling:
### 9. Aard van het verblijfsrecht
In de gevallen, waarbij tevens is voldaan aan het middelenvereiste, wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Indien niet wordt voldaan aan het middelenvereiste wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
### 3.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Zie het gestelde in B4/3.2.1.2.
### 4. Vergunning regulier bepaalde tijd terugkeeroptie (minderjarigen)
Deze terugkeeroptie moet worden onderscheiden van de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8). Deze regeling ziet op de minderjarige vreemdeling, aan wie in het kader van wedertoelating een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
De verblijfsvergunning kan aan de minderjarige vreemdeling worden verleend indien:
### 11.5. Aard van het verblijfsrecht
Ten aanzien van de onder b bedoelde groep wordt, door de jeugdige leeftijd waarop de betrokken vreemdeling Nederland heeft verlaten, aangenomen dat de beslissing om Nederland te verlaten niet bewust en weloverwogen is gemaakt. Tevens wordt a priori aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst. De betrokken vreemdeling heeft na het vierde levensjaar ten minste tien jaren rechtmatig in Nederland verbleven en in die periode het grootste deel van zijn schoolopleiding in Nederland gevolgd. Overigens behoeft het rechtmatig verblijf op grond van onderdeel a. niet aaneengesloten te zijn. Evenmin is noodzakelijk dat het rechtmatig verblijf is begonnen toen de vreemdeling vier jaar oud was. Voldoende is, dat de vreemdeling tien jaar rechtmatig heeft verbleven tussen het vierde jaar en zijn meerderjarigheid. Het vereiste dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning moet zijn ontvangen voordat de vreemdeling meerderjarig wordt, stelt veilig dat de banden met het land van herkomst – die mettertijd sterker zullen worden naarmate het verblijf van de vreemdeling aldaar duurt – minder sterk zijn dan de banden met Nederland.
### 11.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 5. Vergunning regulier onbepaalde tijd terugkeeroptie (meerderjarigen)
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
### 1. Inleiding
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
Zie het gestelde onder B4/4.2.
### 6. Beoordeling openbare orde
### 7. Beperking en arbeidsmarkaantekening
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
De vergunning, als bedoeld in B4/3.1, wordt verleend voor de duur van ten hoogste zes maanden of zoveel korter als het daadwerkelijke vertrek uit Nederland.
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
Voor buitenlandse werknemers vindt de vaststelling daarvan plaats in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) (zie B5/1.2). Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die op grond van [artikel 86, tweede lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=86), bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), heeft ingediend, indien:
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling in ieder geval een volledig afschrift van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 11.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
Teneinde de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling te bevorderen als ook een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND en UWV WERKbedrijf te waarborgen (zie B5/1.1), verloopt de aanvraagprocedure van de verblijfsvergunning via het centrale loket voor kennis- en arbeidsmigratie bij de IND en wordt ook de aanvraagprocedure voor de TWV door UWV WERKbedrijf centraal afgehandeld.
### 2.5. Voorschrift
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
Indien die afhankelijke gezinsleden de vreemdeling vergezellen, wordt hun aanvraag om wedertoelating aangemerkt als aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien:
### 4.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties continentaal plat
Het gelijktijdig afdoen van het verzoek van gezinsleden door het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:
Bij [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet worden verleend voor arbeid in loondienst, indien er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn.
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
### 2.5. Voorschrift
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
De Minister van SZW heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het beleid met betrekking tot de toelating tot de Nederlandse arbeidsmarkt op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Hij heeft de uitvoering van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) gedelegeerd aan UWV WERKbedrijf.
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
### 2.4. Beperking
De [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) voorziet in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling (zie B5/3.1).
Op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) wordt getoetst of er gronden zijn om aan de werkgever waarvoor de vreemdeling arbeid wil gaan verrichten een TWV verlenen.
[Artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten niet geldt voor:
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
De werkgever kan ten behoeve van een vreemdeling die in Nederland verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid in loondienst, een verzoek om advies met het oog op afgifte van een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst indienen bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie door middel van het daarvoor bestemde formulier. In dit formulier zijn de documenten en gegevens opgenomen die overgelegd moeten worden ten behoeve van het advies. Dit formulier wordt door hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld. Dit aanvraagformulier dient volledig ingevuld en voorzien van alle gevraagde gegevens en bescheiden te worden geretourneerd naar de IND.
Ten aanzien van de procedure met betrekking tot de afhandeling van dit verzoek is het bepaalde in B1/1.1.1 en B1/1.1.2 van toepassing.
De werkgever dient een aanvraag om verlening van een TWV in bij UWV WERKbedrijf.
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) krijgen op hun verblijfsdocument de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan.
### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning
Het gelijktijdig afdoen van het verzoek van gezinsleden door het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Voor gezinsleden gelden daarnaast de in B2 neergelegde toepasselijke voorwaarden, waaronder de legalisatie en verificatie van documenten (zie B2/7).
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
### 4.6.4.2. Beperking
Een weigeringsgrond of het niet voldoen aan een voorwaarde leidt tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vormt ingevolge [artikel 8, eerste lid onder c, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) een dwingende weigeringsgrond voor een TWV. Door zo mogelijk direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen kan de ongewenste situatie worden voorkomen dat aan een vreemdeling die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende TWV arbeid in loondienst is gaan verrichten, nadien het verblijf moet worden ontzegd. Het gaat daarbij om aanvragen die worden afgewezen op grond van weigeringsgronden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), zoals gevaar voor de openbare orde (zie [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78)) en onvoldoende middelen van bestaan. Als voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning geldt ingevolge [artikel 3.31, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) de verplichting mee te werken aan onderzoek naar of behandeling van TBC van de ademhalingsorganen, tenzij dat wegens de nationaliteit van de vreemdeling niet is toegestaan. Indien de vereiste medewerking niet wordt gegeven, wordt de vergunning niet verleend (zie B1). In afwachting van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst plaatst de burgemeester (in de praktijk de ambtenaar burgerzaken of de ambtenaar publiekszaken) een verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling.
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
De buitenlandse godsdienstleraar of geestelijk voorganger die op verzoek van een bepaalde groepering naar Nederland wil komen, komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in aanmerking, indien hij beschikt over een geldige mvv voor dat doel. Daarvoor is onder meer vereist dat die groepering dan wel de werkgever beschikt over een TWV voor het door de vreemdeling laten verrichten van werkzaamheden in die hoedanigheid. CWI beoordeelt op grond van de Wav of een TWV kan worden afgegeven. Daarnaast stelt de IND een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare rust en de openbare orde bezwaar bestaat tegen het verblijf van de godsdienstleraar dan wel geestelijk voorganger in Nederland en of de betrokken groepering op wier verzoek de godsdienstleraar of geestelijk voorganger zijn werkzaamheden zal gaan uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de godsdienstleraar of geestelijk voorganger handhaaft.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
De maximale duur van een TWV is ingevolge [artikel 11, eerste lid, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=11) drie jaar.
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
De IND onderzoekt voorts of aan de overige voorwaarden is voldaan.
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt ingevolge [artikel 4.21, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) in beginsel de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ geplaatst.
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
Voor vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en boorplatformen (mijnbouwinstallaties) op het Nederlandse deel van het continentaal plat zijn enkele specifieke verblijfsregelingen opgenomen. De bijzondere voorwaarden hiervoor zijn geregeld in de [artikelen 3.34 tot en met 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34).
### 3.2. Vreemdelingen met aantekening document ‘arbeid vrij toegestaan’
### 4.5.1. Beperkingen
Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
B2 is van toepassing, met uitzondering van het beleid inzake voortgezet verblijf na verblijf in het kader van gezinshereniging (zie B16), aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), en [3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) krijgen op hun verblijfsdocument de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan.
Ten aanzien van een vreemdeling die drie jaar de beschikking heeft gehad over een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldt voor de werkgever niet langer de verplichting te beschikken over een TWV. Het is hierbij niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige.
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Indien een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de onderstaande regelingen wordt hij geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben verplaatst enkel omdat hij buiten Nederland arbeid verricht (zie B1/5.3.2).
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
Het gaat om de volgende categorieën van vreemdelingen:
De verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’ als hij in ieder geval voldoet aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.31, tweede lid, onder b, c en e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31).
### 4.6.2. Gastdocenten
Er dient te zijn voldaan aan zowel de vereisten van [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) (zie B5/2) als [artikel 3.33 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.33).
Door dit onderzoek wordt voorkomen dat problemen ontstaan, voortvloeiend uit culturele, politieke of religieuze tegenstellingen.
### 4.2.4. Arbeid als zelfstandige
### 4.4.2. Beperking
Desgewenst kan de vreemdeling, als genoemd onder B5/4.2, voor het doorbrengen van verlof in Nederland in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, indien het verlof de vrije termijn overschrijdt. In dat geval is [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) van toepassing.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
Gezinsleden van de vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof in Nederland worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt.
### 4.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
[Artikel 3.31a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31a) verschaft het verblijfskader voor vreemdelingen die als grensoverschrijdende dienstverrichter in Nederland willen verblijven.
De buitenlandse godsdienstleraar of voorganger is uitgezonderd van de algemene regeling van B5/5.3 inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, omdat zijn verblijfsrecht ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard is. Dit betekent dat het aan de buitenlandse godsdienstleraar of voorganger niet is toegestaan om, nadat hij zijn werkzaamheden als godsdienstleraar of voorganger heeft beëindigd, zijn verblijf hier te lande voort te zetten.
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
Afgezien van de bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de hier bedoelde gevallen gelden steeds de algemene voorwaarden – en ook weigeringsgronden – voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
### 4.4.2. Beperking
Het arbeidsverleden van buitenlandse werknemers op Nederlandse zeeschepen wordt bepaald aan de hand van het monsterboekje.
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
De vreemdeling als genoemd onder B5/4.2, die beoogt arbeid hier te lande te verrichten, komt onder bepaalde voorwaarden, vermeld in [artikel 3.35, eerste en tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.35) in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Het gaat hierbij om een verblijfsregeling voor buitenlandse wernemers die werkzaam zijn geweest aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het continentaal plat, en die wegens werkloosheid een uitkering krachtens de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) ontvangt (zie [artikel 3.35 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.35)).
Met de regering van Canada is een Memorandum van Overeenstemming gesloten inzake een uitwisselingsprogramma voor werkende jongeren (Young Workers Exchange Program). Ingevolge het Young Workers Exchange Program geldt als vereiste voor stagiairs die:
Indien de vreemdeling, als genoemd onder B5/4.2, gezinshereniging of -vorming beoogt in Nederland (een verblijfsvergunning voor zijn gezinsleden op afhankelijke gronden), dient hij allereerst zelf te beschikken over een verblijfsvergunning (op zelfstandige gronden, zie [artikel 3.34 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34)).
Gezinsleden van de vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof in Nederland worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt.
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van de opleiding in het land van herkomst.
Onder practicant wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als practicant’.
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
De verbodsbepaling van de Wav is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft én geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever én uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
Het verblijf als stagiair en practicant is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk.
De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt.
Geen TWV is vereist, indien de gastcolleges voor de duur van maximaal één jaar worden gegeven. Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar zal bedragen, is voor deze werkzaamheden wel een TWV vereist.
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
Gezinsleden van de dienstverrichter aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend, zijn niet vrijgesteld van de TWV-plicht. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
### 4.6.5.2. Duurzame middelen van bestaan
Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van de opleiding in het land van herkomst.
Onder practicant wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is.
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien een TWV is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de TWV onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’, mits aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), nader uitgewerkt in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en hoofdstuk B1/4, is voldaan. Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een TWV kan worden afgegeven.
### 4.11. Directeuren-(groot)aandeelhouders
### 4.6.4.6. Duurzame middelen
### 4.6.2. Gastdocenten
### 4.6.5.2. Duurzame middelen van bestaan
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
### 4.6.2.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.6.2.4. Voortzetting van verblijf
Indien tijdig een aanvraag is ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de in dit kader voor één jaar verleende verblijfsvergunning is het de betrokken gastdocent toegestaan de arbeid als gastdocent voort te zetten in afwachting op de beslissing op die aanvraag, zolang op de tevens vereiste aanvraag om een TWV nog niet is beslist. In dat geval is de weigeringsgrond van [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) niet van toepassing (zie B5/2 en B5/2.2).
### 4.6.3. Wetenschappelijk onderzoekers
### 4.6.6.1. Duurzame middelen
### 4.6.4.2. Beperking
### 4.8. Vreemdelingen werkzaam geweest als geprivilegieerde vreemdeling
De werkgever dient echter wel in het bezit te zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in 3). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf.
### 4.9. Werknemers in de sportsector
### 4.6.4.5. Middelen van bestaan
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
Kunnen zij aannemelijk maken dat zij naar Nederland zijn gekomen voor een tijdvak van maximaal drie maanden, te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst, dan hoeven zij de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar zij verblijven ressorteert, niet te melden dat ze werk gaan zoeken of verrichten.
### 4.7.2. Grensarbeiders
### 4.12.1. Algemeen
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
Een TWV is niet vereist, indien tijdelijk betaald werk wordt verricht voor de duur zoals is bepaald in een actieprogramma van de EU.
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een TWV niet vereist (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
### 4.10. Sleutelpersoneel bedrijf van land met Europa-overeenkomst
Het volgende heeft betrekking op vreemdelingen die verblijf binnen de zogeheten vrije termijn beogen. Te denken valt aan:
### 4.12.1. Algemeen
Kunnen zij aannemelijk maken dat zij naar Nederland zijn gekomen voor een tijdvak van maximaal drie maanden, te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst, dan hoeven zij de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar zij verblijven ressorteert, niet te melden dat ze werk gaan zoeken of verrichten.
Met het oog daarop kan de vreemdeling zich melden bij de IND, die hem daartoe een verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) verstrekt.
Met het oog op de verlening van een TWV aan hun werkgever is het ook voor grensarbeiders van belang dat zij in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Zie hiervoor het gestelde onder B5/4.7.1.
### 4.7.3. Musici en artiesten
Voor musici en artiesten die incidenteel (binnen een periode van vier weken) optreden, is geen TWV vereist (zie [artikel 1, onder 7°, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
Vreemdelingen die houder zijn van een geldige, door een Schengenland afgegeven verblijfstitel, zijn voor het verrichten van diensten voor een periode van maximaal drie maanden vrijgesteld van de visumplicht. Voor het verrichten van diensten gedurende deze periode hebben zij geen TWV nodig. Houders van een verblijfsvergunning van een EU/EER lidstaat, niet zijnde een Schengenlidstaat, zoals Ierland, het Verenigd Koninkrijk en de op 1 mei 2004 toegetreden lidstaten, dienen wel over een visum kort verblijf te beschikken.
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
Een vreemdeling komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ in het kader van de Pilot Circulaire Migratie als aan de voorwaarden van B5 wordt voldaan. Daarnaast moet de vreemdeling, die verblijf voor arbeid in loondienst beoogt in het kader van deze Pilot verder aan de algemene voorwaarden van [art 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voldoen.
### 4.13.5. Gezinshereniging en - vorming
De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend bij de IND door de Stichting Hersteld vertrouwen in de Toekomst (HIT) als gemachtigde namens de vreemdeling en diens werkgever.
### 4.13.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
Derhalve dienen zij indien zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van het salaris zelf kunnen beïnvloeden, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aan te vragen. Indien zij niet aan deze criteria voldoen, is de procedure die geldt voor werknemers van toepassing.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1/4.
Ingevolge [artikel 3.31, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) wordt de aanvraag die is ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op gronden dat:
### 5.3. Werkloosheid
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
Bij de aanvraag dient de langdurig ingezetene, in aanvulling op het bepaalde in B17, de volgende bescheiden over te leggen:
### 4.12.4. Beperking
Recht op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat, mits de 65-jarige leeftijd nog niet is bereikt, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 of meer, tijdens de verzekeringsperiode ontstaan, en nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft voortgeduurd.
### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 5.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 4.13.4. Geldigheidsduur
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 4.13.5. Gezinshereniging en – vorming
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
### 6.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de [Vw](onbekend)
Er is sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van [artikel 3.91, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91) onder andere in de volgende gevallen:
De arbeidsongeschiktheid heeft voor het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer de volgende consequenties.
### 5.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 5.4.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 7.3.2. Toetsing wezenlijk Nederlands belang Turkse zelfstandigen
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
Voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent het ontslag van een buitenlands werknemer, diens aanspraken op een uitkering krachtens bovengenoemde wetten en de eventuele arbeidsbemiddeling, kan de IND zich ingevolge [artikel 107 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) wenden tot UWV WERKbedrijf, de bedrijfsvereniging en de Gemeentelijke Sociale Dienst.
De [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063), het [WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voorzien in een aantal bepalingen om illegale tewerkstelling tegen te gaan en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers te kunnen reguleren.
### 7.4.1. Middelenvereiste
### 7.4.1. Middelenvereiste
De vreemdeling die toegelaten wil worden om arbeid als zelfstandige te verrichten, moet aantonen dat hij aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van het uit te oefenen beroep of aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf voldoet ([artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30)).
Ter controle op werkgevers in Nederland die, zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste TWV, buitenlandse werknemers in dienst hebben gehad, is bij [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) aan werkgevers de verplichting gesteld om onmiddellijk gegevens te verstrekken aan de Korpschef over vreemdelingen die bij hen in dienst zijn. De Korpschef kan daartoe bij een daartoe strekkende vordering een termijn stellen (zie [A3/7.3.5](onbekend)).
### 7. Zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen, inclusief horecabedrijf
Hier komen aan de orde de regels ten aanzien van vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen. Het gaat dus niet om het verrichten van werkzaamheden in loondienst.
Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van B&W van een gemeente. In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen.
### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
Indien niet aan de daar vermelde voorwaarden is voldaan, is de Minister niet bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen en moet de aanvraag worden afgewezen, tenzij internationale verplichtingen tot verlening van de gevraagde vergunning nopen (zie [artikel 13 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13), B10 en B11). Is wel aan de voorwaarden van [artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen, doch niet verplicht. Hierna wordt aangegeven in welke gevallen van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt.
### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
### 7.8. EG-langdurig ingezetenen
### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
Voor de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend ([artikel 3.30, eerste lid aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30), zal in veel gevallen het oordeel van andere ministeries van belang zijn. In geval van een kunstenaar zal het advies van de Minister van OCW moeten worden gevraagd, in geval van een sportleraar het advies van de Minister van VWS. Indien het gaat om het zelfstandig uitoefenen van een beroep of ondernemersactiviteiten zal in de regel advies moeten worden gevraagd aan de Minister vanEL&I. De toenmalige Minister van Economische Zaken heeft een puntensysteem ontwikkeld dat de basis vormt voor het advies dat de Minister van EL&I aan de IND geeft over het wezenlijk Nederlands economisch belang dat met het verblijf van de vreemdeling in Nederland wordt gediend (zie hierna B5/7.3.1). Voor Turkse vreemdelingen die verblijf in Nederland voor het verrichten van arbeid als zelfstandige beogen, geldt het puntensysteem niet (zie hierna B5/7.3.2).
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
Uit het ondernemingsplan zelf moet in ieder geval het volgende blijken:
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diploma’s) en beroepservaring;
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, gelet op [artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) en B1/4.3.4.
In geval van een aanvraag om een mvv, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur of een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur, ingediend terwijl de vreemdeling nog niet tenminste anderhalf jaar in het bezit is van die verblijfsvergunning, geldt het volgende.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
### 7.4.1. Middelenvereiste
### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Hiervoor is onder meer ook, evenals voor andere beroepen in de individuele gezondheidszorg, inschrijving in het BIG-register vereist. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van VWS.
### 2. Voorwaarden voor studie hoger onderwijs
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van studie aan het hoger onderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
Verblijf wordt geweigerd indien er sprake is van een algemene weigeringsgrond, zoals gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel indien niet aan een algemene of bijzondere voorwaarde is voldaan (zie [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) of [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78)).
### 7.9.2. Vreemdeling werkzaam is (geweest) internationale arbeidsmarkt
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
Zie B11.
### 7.10. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
**Voorbeeld:**
Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld (zie [artikel 3.42, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
Voor de arbeidsmarktaantekeningen voor EU/ EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B1/2.3.1, B10/2.7 en B10/3.3.2.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.42, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde (geregistreerde of huwelijks-)partner.
### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
### 2.1.1. De bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling
Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld (zie [artikel 3.42, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft voor studiedoeleinden, bij tussentijdse beëindiging van de studie of als de studie niet tijdig is afgerond Nederland dient te verlaten. De vreemdeling ondertekent dan ook een verklaring dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor studiedoeleinden verblijf in Nederland wordt toegestaan.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
Als de vreemdeling binnen de maximale verblijfsduur de studie/opleiding heeft afgerond en een nieuwe studie/opleiding wil beginnen, is de maximale verblijfsduur niet van toepassing. In dat geval kan immers niet worden gesteld dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. Wanneer in deze situatie aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor studie wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning worden verleend en vangt de berekening van de maximale verblijfsduur opnieuw aan.
### 5. Het verrichten van arbeid
Indien een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie, wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 7.1. Inleiding
Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan is van belang of de studie en het verblijf worden bekostigd door:
### 7.2. Middelen van bestaan
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
### 7.1. Inleiding
Middelen van bestaan zijn in het algemeen duurzaam, indien zij voor een periode van één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie B1/4.3). Deze hoofdregel is opgenomen in [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
Bij aanvragen voor studiedoeleinden kunnen de studie en het verblijf van de vreemdeling ook worden gefinancierd door middel van periodieke betalingen. Deze betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen Nederland gevestigde persoon of instelling. Deze middelen kunnen als duurzaam worden aangemerkt, indien voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom (zie [artikel 3.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
In de regel zal de student moeten aantonen dat hij voor ten minste één jaar beschikt over voldoende middelen van bestaan. Bij aanvragen voor studiedoeleinden bestaat hierop evenwel een uitzondering. Indien de student namelijk een verblijf korter dan één jaar beoogt, zal het aan te tonen bedrag worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van het verblijf (zie [artikel 3.42, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)). Als hij dus een verblijf van zes maanden beoogt, zal hij moeten aantonen voor die periode over voldoende middelen van bestaan te beschikken.
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
Voor een schriftelijke studie of een avondopleiding wordt geen toelating verleend (zie [artikel 3.41, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41)).
### 7. Uitwisseling
### 1.2. Gezinshereniging of -vorming
### 2. Au pairs
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor (verruimde) gezinshereniging of -vorming met een in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling worden afgewezen. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling overgaat tot gezinshereniging of gezinsvorming met een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende persoon. De vreemdeling wordt dan in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen tot wijziging van de vergunning.
Het is voorts aan vreemdelingen die hier te lande voor studiedoeleinden zijn toegelaten, toegestaan arbeid van bijkomende aard te verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is wel een TWV vereist.
Als algemene uitgangspunten voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk gelden de volgende regels:
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 2.5. Arbeidsmarktaantekening
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
Deze tegenprestatie mag niet het karakter hebben van werk in de zin van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) (Wav) waarvoor een tewerkstellingsvergunning vereist is. Dit betekent onder meer dat de au pair niet alleen (volledig) verantwoordelijk kan zijn voor de licht huishoudelijke werkzaamheden; er moet altijd een alternatief voorhanden zijn. Een au pair mag niet worden ingezet als nanny of werk(st)er. Ook mag een au pair geen taken verrichten voor mensen die een bijzondere zorg nodig hebben, die een specifieke vaardigheid vereist. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om handelingen waarvoor een (medische) opleiding nodig of vereist is.
### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden
Indien het gastgezin de au pair werkzaamheden laat verrichten waarvoor ingevolge de Wav een TWV verplicht is, is het gastgezin strafbaar op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Zie het gestelde in B5/6 (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling).
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
### 2.4. Beperking
### 2.5. Arbeidsmarktaantekening
[Artikel 3.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) geeft het kader waarbinnen aan een vreemdeling verblijf kan worden toegestaan als au pair. De [artikelen 3.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.44) en [3.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.45) geven het kader waarbinnen aan een vreemdeling verblijf kan worden toegestaan in het kader van andere vormen van uitwisseling dan au pair. Indien aan de in die artikelen vermelde voorwaarden is voldaan, is de Minister bevoegd, doch niet verplicht, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
### 1.1. Verblijf algemeen
Als algemene uitgangspunten voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk gelden de volgende regels:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van uitwisselingsprogramma van (naam uitwisselingsorganisatie)’.
De deelnemer maakt kennis met de Nederlandse samenleving en cultuur via het verblijf in het gastgezin, deelname aan activiteiten van de organisatie, en via het volgen van onderwijs.
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
Een belangrijke plaats bij de beoordeling vooraf bij de aanvraag van de verblijfsvergunning en bij het toezicht wordt ingenomen door de bewustverklaring (zie [bijlage 10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=10)) en de overeenkomst au pair – gastgezin (zie [bijlage 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13) en 13a VV). In de overeenkomst komen de au pair en het gastgezin overeen dat zij de daarin neergelegde verplichtingen zullen nakomen. Hetgeen wordt vastgelegd in de overeenkomst is direct van toepassing op de desbetreffende au pair en het gastgezin.
De aanvraag wordt afgewezen of het verblijfsrecht beëindigd indien de au pair:
### 2.4. Beperking
### 2.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4.5. Arbeidsmarktaantekening
De authenticiteit van de voor dit verblijfsdoel benodigde buitenlandse documenten wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gecontroleerd alvorens tot afgifte van de mvv kan worden overgegaan.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
De hierboven bedoelde termijn van vijf jaar vangt aan op de datum waarop de intrekkingsbeschikking van de verblijfsvergunning in rechte onaantastbaar is geworden, dan wel op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Indien de tenuitvoerlegging van de sanctie pas later heeft plaatsgevonden, vangt de termijn aan op de dag waarop de sanctie volledig ten uitvoer is gelegd (zie B1/4.4.1).
In het geval van een uitnodigende instelling kan aan dit voorschrift ook worden voldaan door middel van ondertekening van een garantverklaring door die instelling (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)).
### 4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
### 4.4. Beperking
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
### 4.6. Voorschriften
### 5.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
De authenticiteit van de voor dit verblijfsdoel benodigde buitenlandse documenten wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gecontroleerd alvorens tot afgifte van de mvv kan worden overgegaan.
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, volstaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging met de mededeling aan de jongere dat hem wegens het niet voldoen aan de voorwaarden in Nederland geen positieve verklaring zal kunnen worden verstrekt voor het gevraagde doel.
### 4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
De IND verschaft de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op de aanvraag het bescheid rechtmatig verblijf, met daarop de aantekening dat het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
### 5. Europees Vrijwilligerswerk
Deze mogelijkheid bestaat ingevolge de gemaakte afspraken ook voor Nederlandse jongeren in de genoemde landen.
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
Om in de kosten van hun verblijf te voorzien is het deze jongeren toegestaan betaalde arbeid te verrichten. Het mogen werken vormt echter niet het verblijfsdoel, maar is slechts een middel om het verblijf te kunnen financieren. Een arbeidsovereenkomst mag echter wel een langere periode omvatten en ook een open einde hebben.
### 4.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
### 8. Medische behandeling
Indien niet uitdrukkelijk met een eventuele uitwisselingsorganisatie anders is overeengekomen, is de jongere gedurende zijn verblijf volledig zelf verantwoordelijk en aansprakelijk. Indien de jongere – rekening houdend met de kosten van zijn terugreis – niet meer beschikt over voldoende middelen van bestaan en hij niet binnen zes weken over betaald werk kan beschikken, dient hij Nederland te verlaten.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling:
### 4.4. Beperking
### 4.5. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.7. Wijziging van verblijfplaats
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats in Nederland. Met het oog op het toezicht op vreemdelingen dient hij een wijziging te melden bij de Korpschef. In het geval van een uitnodigende instelling is die instelling verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Indien ten behoeve van de jongere een mvv in het kader van het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme is afgegeven, meldt deze zich ingevolge [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) dan wel [4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49) binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de Korpschef. Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.33a, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a), dient de jongere vervolgens bij IND een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in. De IND verstrekt in deze situatie het bescheid rechtmatig verblijf aan de jongere (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt vermeld dat het verrichten van arbeid is toegestaan en dat een TWV niet is vereist.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 5. Europees Vrijwilligerswerk
Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA.
### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Het Nationaal Agentschap voor het EVS is ondergebracht bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi).De jongeren doen vrijwilligerswerk in Nederland in lokale organisaties, de zogenaamde gastorganisaties. Deze organisaties worden door het NJi geaccrediteerd. Dit houdt in dat het NJi de organisatie en de inhoud van het geboden vrijwilligerswerk beoordeelt. Ook wordt bij de beoordeling betrokken of de organisatie in staat is de jongeren goed te begeleiden en de praktische zaken te regelen, zoals huisvesting, voeding en vervoer. Het Nederlands Jeugdinstituut is opgenomen in de lijst met uitwisselingsorganisaties.
Overeenkomstig artikel 3.46, derde lid Vb, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
### 3. Medisch advies
### 3. Medisch advies
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling gehuwd is of de zorg heeft voor kinderen. De aanvraag wordt evenmin afgewezen indien de vreemdeling niet in een gastgezin verblijft.
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) met de beperking ‘conform beschikking Minister’, voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van deze vergunning wordt na een jaar niet verlengd.
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 5.6. Voorschrift
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is geëindigd, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. In deze gevallen wordt toepassing gegeven aan [artikel 3.46, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46). De vraag of de te late indiening van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de aanvraag. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid er niet op is gewezen dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw binnenkort eindigt en dat een aanvraag moet worden ingediend, komt in dit verband geen betekenis toe. Evenmin komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich te kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw bij de IND meldt voor het maken van een afspraak voor het in persoon indienen van de aanvraag, waardoor het niet langer mogelijk is om tijdig een afspraak in te plannen. Aan het feit dat de vreemdeling tijd nodig heeft om de voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te vergaren, zoals een paspoort, komt ook geen betekenis toe.
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
[Artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien niet wordt voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 3.46 Vb, wordt de verblijfsvergunning niet verleend.
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4).
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
Voor deze beoordeling is slechts van belang of de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden die genoemd worden in één van de onder 1 tot 6 genoemde situaties.
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
De financiering van de medische behandeling dient deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten. Een ziektekostenverzekering die uit de publieke middelen wordt betaald of waarvan de premie wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de publieke middelen, wordt niet als toereikend aangemerkt.
### 3.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring
In ieder geval is er sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden zoals hier bedoeld als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
### 3.2.2. Registratie door de politie
Artikel 16, eerste lid, onder c, Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. De vreemdeling moet beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. Hiertoe moet de vreemdeling aantonen dat de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling niet met openbare middelen worden gefinancierd. De middelen dienen toereikend te zijn voor de gehele periode waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend.
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten in ieder geval van toepassing :
Het bovenstaande impliceert dat de vreemdeling de aanvraag tijdig moet indienen, anders is namelijk geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voorafgaande aan de aanvraag.
In het geval de vreemdeling de aanvraag in persoon bij de IND indient in de periode tussen 28 dagen vóór het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) en 28 dagen nadat het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, wordt de aanvraag als tijdig beschouwd, ook al voldoet de vreemdeling formeel gezien nog niet of niet langer aan de voorwaarde van één jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag (zie in dit verband ook **ingangsdatum van de verblijfsvergunning**). Een aanvraag zoals hier bedoeld ingediend buiten bovengenoemde periode wordt niet als tijdig aangemerkt.
### 9. Gezinsleden
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Met ‘mantelzorg’ wordt bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg zoals bijvoorbeeld thuiszorg is geen mantelzorg.
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA niet in staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
De behandelaar kan de gevraagde informatie verstrekken in eenvoudige, voor niet-medici begrijpelijke bewoordingen.
### 7. Aard van het verblijfsrecht
Voorts wordt geen advies ingewonnen bij het BMA indien de vreemdeling niet met een volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) een nader onderzoek naar diens stellingen mogelijk heeft gemaakt. In dat geval is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
Het BMA stelt dan een advies op omtrent de medische situatie van de vreemdeling. Daarbij maakt het BMA onder andere gebruik van algemene informatie uit het Landen Informatiesysteem, vakliteratuur en informatie verkregen van de behandelaars van de vreemdeling. Omdat het BMA derden benadert, verlengt de IND de wettelijke beslistermijn (zie B1/9.7.3).
### 3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
In de volgende situatie wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van de medische behandeling af, omdat de IND zich geen oordeel kan vormen over de stelling van de vreemdeling dat hij een medische behandeling ondergaat en daarom verblijf in Nederland behoeft:
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten in ieder geval van toepassing :
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 13. Overgangsrecht
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
### 13. Overgangsrecht
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 7. Aard van het verblijfsrecht
Indien buiten enige twijfel vaststaat dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden, kan de verblijfsvergunning voor medische behandeling op grond van [artikel 3.60 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.60) worden verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaar. Dit zal in de regel blijken uit het BMA-advies.
Als de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is verbonden wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking.
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
### 3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de medische behandeling van de hoofdpersoon, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij (naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.
De arbeidsmarktaantekening luidt ‘arbeid niet toegestaan’.
### 3.2.2. Registratie door de politie
### 3.2.3. Briefadres
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning wordt afgewezen, zijn de normale procedures van toepassing (zie B1).
In het geval het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding brengt de politie daarin de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aan ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op de sticker wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
### 3.2.5. Meldplicht
### 7.1. Beslissing op de aanvraag
### 1. Inleiding
Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale Meldpunten Vrouwenopvang. Wordt het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren door de politie geplaatst, dan meldt hij dit, met spoed, eveneens aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens kan het Coördinatiecentrum Mensenhandel dan beoordelen of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd.
Reeds bij de geringste aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel, dient de politie de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek terzake mensenhandel. Hierbij wordt zonodig gebruik gemaakt van tolken werkzaam in opdracht van de politie. De vreemdeling kan onverwijld aangifte doen. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen staat tevens de bedenktijdfase open.
### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
Ook ten aanzien van vreemdelingen op wie een maatregel conform [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) van toepassing is, kunnen er aanwijzingen zijn dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn. Indien er tijdens vreemdelingenbewaring aanwijzingen zijn dat de vreemdeling slachtoffer is van mensenhandel, dient de politie de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek terzake mensenhandel. Ook dan heeft het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel recht op de bedenktijdfase. Het verlenen van de bedenktijd heeft tot gevolg dat de grondslag aan de bewaring komt te ontvallen en de bewaring derhalve dient te worden opgeheven. In die gevallen zal de bedenktijdfase echter alleen verleend worden indien het OM en de politie hiermee akkoord gaan.
### 3.2. Bedenktijdfase
De bedenktijd wordt gegeven, omdat slachtoffers van mensenhandel vaak pas na wat langere tijd hun ervaringen kunnen uiten.
### 3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
### 3.2.2. Registratie door de politie
De Korpschef onder wiens verantwoordelijkheid het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd krijgt, blijft gedurende de gehele verdere procedure administratief verantwoordelijk. De vreemdeling wordt ingeschreven in het registratiesysteem van de politie.
### 3.2.3. Briefadres
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [RvB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) vanaf de datum waarop de vertrektermijn van het slachtoffer eindigt.
De Korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek.
### 3.2.8. Kosten van levensonderhoud
### 4.2.4. Rechtshulp
### 3.2.9. Medische bijstand en rechtshulp
De zorgcoördinator is eindverantwoordelijk voor de opvang van het vermoedelijke slachtoffer gedurende de bedenktijdfase. De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het vermoedelijke slachtoffer in staat wordt gesteld zich medisch te laten onderzoeken en, zich zonodig, te laten behandelen. Met het oog op de mogelijke latere afgifte van een verblijfsvergunning dient een TBC-onderzoek onderdeel uit te maken van dit medisch onderzoek.
### 6.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
### 6.2. Opschorting van de verwijdering
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
Indien de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning (anders dan op grond van dit hoofdstuk) indient of heeft ingediend, is het ter zake geldende beleid van toepassing. De procedures beschreven in dit hoofdstuk zijn niet langer van toepassing op deze vreemdeling.
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij of zij administratief is ondergebracht. De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan.
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 4.2.4. Rechtshulp
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, indien:
Ad a Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in Nederland kunnen rechten ontlenen aan de in dit hoofdstuk omschreven procedure. Op hen is de bedenktijd als omschreven in B9/3.2 niet van toepassing omdat de bedenktijd naar zijn aard bedoeld is om een slachtoffer uit de strafbare situatie te halen en de gelegenheid te bieden om op adem te komen en een weloverwogen beslissing tot aangifte te kunnen laten nemen.
Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
### 9. Verlenging
### 6.3. Meldplicht
### 9.3. Plaats van indienen van de aanvraag
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning kan een getuige-aangever aanspraak maken op de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726). Een getuige-aangever die in verband met de aangifte gevaar loopt, kan daarbij aanspraak maken op opvang. De politie neemt contact op met het Coördinatiecentrum Mensenhandel indien om een veilige locatie wordt verzocht.
### 7. De beslissing
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
### 8.1. Slachtoffer
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
### 8.2. Getuige-aangever
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
### 9.1. Slachtoffer
### 1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 1.6. Terminologie
### 3.3.1. Werknemers
Op grond van [artikel 3.34e, onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34e) is het slachtoffer of de getuige-aangever die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), geen leges verschuldigd.
Nadat de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk is komen te ontvallen dient betrokkene Nederland te verlaten.
Dat is anders indien betrokkene tijdig een aanvraag doet om wijziging van de verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de in dat kader gestelde voorwaarden is voldaan. Betrokkene dient dan een wijziging van de vergunning aan te vragen. Het gaat hier om een aanvraag die niet gerelateerd is aan de B9-procedure.
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER, Zwitserse onderdanen, alsmede hun gezinsleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, worden allen aangeduid als ‘gemeenschapsonderdanen’. Gemeenschapsonderdanen zijn echter niet in alle gevallen ook burgers van de Unie. Zo zijn de gezinsleden van de burger van de Unie, onderdaan van de EER of Zwitserland die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van deze staten bezitten, wel gemeenschapsonderdaan doch niet burger van de Unie.
### 1.7. Aard van het verblijf van een burger van de Unie
Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden als verwoord in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en de algemene bepalingen van B2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen in zake het middelenvereiste.
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 1.4. De Overeenkomst EG-Zwitserland
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).
### 1.3. Partijen bij de Overeenkomst betreffende de EER
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
In [artikel 1, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:
Een Nederlander is in beginsel niet aan te merken als gemeenschapsonderdaan, tenzij wordt vastgesteld dat betrokkene (ook) verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht. Hierbij kan worden gedacht aan een in Nederland gevestigde Nederlander die vanuit Nederland diensten verricht ten behoeve van dienstenontvangers in een andere lidstaat. Gemeenschapsonderdaan is ook de Nederlander die in een andere lidstaat gevestigd is geweest met het oog op het verrichten van economische activiteiten en zich nadien weer in Nederland heeft gevestigd en zijn economische activiteiten hier te lande voortzet (zie B10/3.4, B10/5.3.1, B10/5.3.2 en B10/5.4.2).
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 1.7. Aard van het verblijf van een burger van de Unie
Het is burgers van de Unie en hun gezinsleden toegestaan om in Nederland te verblijven, tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag, dan wel de toegang of het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid.
Vanzelfsprekend geldt bij het vorenstaande dat bedoeld onderzoek door de Minister zich richt op de door de betrokken burger daartoe verschafte gegevens en bescheiden, ter onderbouwing van diens stelling dat hij een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, en voor zover die bescheiden ingevolge de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht mogen worden verlangd (zie B10/5.2).
### 2.1. Toegang tot Nederland
Familieleden of gezinsleden van hier te lande verblijvende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, die niet zelf onderdaan van genoemde landen zijn maar afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in [bijlage 2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=2)) en die niet beschikken over een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, kunnen Nederland zonder mvv inreizen indien zij het familielid begeleiden of indien zij zich alhier bij hemzullen voegen. De familieleden of gezinsleden dienen dan wel in het bezit te zijn van een visum kort verblijf. Dit visum zal versneld en kosteloos worden verstrekt. Dus ook indien een visumplichtig familielid of gezinslid voor een verblijf bij de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland van langer dan drie maanden naar Nederland komt, hoeft hij niet in het bezit te zijn van een mvv. Hij hoeft in dat geval slechts in het bezit te zijn van een visum kort verblijf om te kunnen inreizen. Voor de te volgen visumprocedure wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
### 2.3. Meldplicht bij de Korpschef
### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid
Om met succes beroep te kunnen doen op het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en verder, dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen dan wel op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) hun identiteit en nationaliteit aan te tonen. De identiteitskaart of het paspoort dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Hierop dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van de identiteitskaart of paspoort gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging.
### 3.4. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied
### 2.5. Rechtmatig verblijf
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER en onderdanen van Zwitserland, alsmede hun gezinsleden ongeacht hun nationaliteit, genieten rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland. Voor andere EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden zijn de overige bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf van toepassing. Burgers van de Unie hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Het vrije verkeer van personen brengt echter geen absoluut verblijfsrecht mee in de zin dat iedere burger van de Unie te allen tijde in Nederland verblijfsgerechtigd is. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben zij, onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden van het EG-Verdrag en de bepalingen die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, het recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Het stelsel van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) kent hierbij verschillende fasen van het verblijf van de burger van de Unie en diens familieleden:
De eerste periode van verblijf van de burger van de Unie bedraagt drie maanden. In deze periode worden geen andere voorwaarden gesteld dan het bezit van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart. De burger van de Unie die door middel van een identiteitskaart zijn identiteit en nationaliteit aantoont, bezit recht op verblijf. Het niet beschikken over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort doet echter niet af aan de rechtmatigheid van het verblijf, indien het bewijs van identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd (zie [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). Ten aanzien van burgers van de Unie wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de zogeheten vrije termijn ([artikel 8, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)) en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan ([artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)). Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben burgers van de Unie het recht om in Nederland te verblijven, met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld. Het uit artikel 18 EG-Verdrag voortvloeiende verblijfsrecht wordt aangenomen, zolang en indien het onderzoek niet heeft uitgewezen dat niet wordt voldaan aan die voorwaarden en beperkingen, zodat de burger van de Unie moet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan (in de zin van [artikel 1, onderdeel e, onder 1, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)) met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 3.3.1. Werknemers
Het rechtmatige verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, dat gelet op het bovenstaande vanaf zijn inreis rechtmatig is, kan slechts met een beschikking worden beëindigd. In dat geval wordt in de vreemdelingenadministratie aangetekend dat het rechtmatige verblijf is beëindigd.
### 3.3.2. Zelfstandigen
[Richtlijn 2004/38](32004L0038) voorziet, ter voorkoming van misbruik, in de mogelijkheid voor lidstaten van de burgers van de Unie te verlangen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden. In Nederland is voor EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland voorzien in een verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie, waarbij de in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) omschreven bewijzen moeten worden overgelegd. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven. Aan de inschrijving in de vreemdelingenadministratie en afgifte van een verklaring van inschrijving zijn geen leges verbonden. Ingevolge [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) is deze aanmelding tot inschrijving verplicht. Het niet voldoen aan deze verplichting is in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld.
### 5. Familie- en gezinsleden van gemeenschapsonderdanen
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
Het ononderbroken karakter van de periode van vijf jaar legaal verblijf wordt niet onderbroken door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of derde land. Het is aan de vreemdeling om zulks met documenten te staven (zie [artikel 8.17, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)).
### 3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
Op grond van Richtlijn 2004/38 wordt aan EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland geen document of schriftelijke verklaring (sticker voor verblijfsaantekeningen), waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, afgegeven.
Slechts het duurzame verblijfsrecht van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, blijkt uit een op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’.
Indien het familielid van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, die zelf niet de nationaliteit bezit van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland niet voldoet aan de legesverplichting, wordt de aanvraag om het verkrijgen van het bewijs van rechtmatig verblijf niet behandeld. Dit heeft geen gevolgen voor het rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), omdat dit van rechtswege is ontstaan en vervalt. Het vorenstaande geldt ook indien de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, of zijn familielid, ongeacht diens nationaliteit, niet voldoet aan de legesverplichting verbonden aan de aanvraag tot afgifte van een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Indien opnieuw een aanvraag om afgifte van een document wordt ingediend, zullen alsdan opnieuw leges worden geheven.
EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom mag voor het laten werken van een EU- of EER- onderdaan of Zwitserse onderdaan geen TWV worden verlangd. De bepalingen in de Wav zijn evenmin van toepassing op gemeenschapsonderdanen, die zelf geen EU- of EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn (zie B10/8 inzake het overgangsrecht).
Indien een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor zijn 65e levensjaar stopt met het verrichten van arbeid, kan hij in aanmerking komen voor verblijf als economisch niet-actieve.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Iedere EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG, 23 maart 1982, Levin; 3 juni 1986, Kempf) blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast.
### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
### 3.6.1. Uitzondering ([artikel 8.17, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken
Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden zijn niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen. Afwezigheid van langere tijd, is niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen in de volgende gevallen:
### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Na vijf jaren verblijf als gemeenschapsonderdaan kan hij in aanmerking komen voor een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’, na betaling van de ter afdoening van de aanvraag verschuldigde leges.
De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft.
### 4.2.1. Beroepsopleiding
### 4.2.4. Beëindiging van de studie
### 4.3. Beroep op de publieke middelen
Arbeidsongeval of beroepsziekte ([artikel 8.17, derde lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
Het bij voortduring in Nederland wonen kan worden aangetoond aan de hand van een historisch overzicht uit de GBA (zie [artikel 8.17, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)).
### 4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
### 5.1. Samenwoningvereiste
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
Ook voor het verblijfsrecht voor langer dan drie maanden geldt voor deze familieleden, die EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, de verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie als opgenomen in [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12). Zie verder B10/2.5.2, welke van overeenkomstige toepassing is. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven.
Daarbij worden, voor zover van toepassing, de middelen in aanmerking genomen van een huwelijkspartner of persoon met wie de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de norm als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en de ander niet.
Tevens is dit van belang voor onderdanen van de EU/EER en Zwitserse onderdanen, die met een Nederlander zijn gehuwd of een in Nederland dan wel andere lidstaat geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, waarbij slechts de Nederlandse partner over bedoelde middelen beschikt.
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft.
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
Na indiening van deze aanvraag dient onmiddellijk een bewijs van aanvraag te worden verstrekt (verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan).
Indien de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een (aanvullend) beroep doet op de publieke middelen, kan dat tot gevolg hebben dat zijn rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) vervalt, tenzij de betrokkene inmiddels het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen (na vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf en soms ook eerder). Onder een beroep op de publieke middelen wordt eveneens begrepen een beroep op de maatschappelijke opvang,
### 5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid
### 5. Familie- en gezinsleden van gemeenschapsonderdanen
### 5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters
### 5.2.1. Familielid zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
Ook voor het verblijfsrecht voor langer dan drie maanden geldt voor deze familieleden, die EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, de verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie als opgenomen in [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12). Zie verder B10/2.5.2, welke van overeenkomstige toepassing is. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven.
### 4.2. Waarborgen
### 5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijft wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland. Het rechtmatig verblijf (in de zin van [artikel 8, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)) van het familielid dat niet de nationaliteit heeft van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland, blijkt in de eerste periode van drie maanden uit diens geldige paspoort met een op grond van [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) gestelde aantekening omtrent rechtmatig verblijf. Het rechtmatige verblijf kan voorts blijken uit het geldige paspoort, voorzien van het eventueel voor inreis benodigde visum of een recente aantekening omtrent inreis (inreisstempel, zie [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)) dan wel uit het geldige paspoort en een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart.
Op grond van artikel 23 van richtlijn 2004/38 hebben de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat (duurzaam) verblijfsrecht genieten ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht in Nederland verblijven zijn in Nederland dus vrij op de arbeidsmarkt. Hun werkgever hoeft niet te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. Dit houdt in dat het familie- of gezinslid, ongeacht de nationaliteit, het recht heeft om arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht verblijven in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat, mogen gelet op artikel 23 van de Richtlijn, in Nederland alleen arbeid verrichten indien de werkgever beschikt over een geldige tewerkstellingsvergunning, tenzij de [Wet arbeid Vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) anders bepaalt.
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
Daarbij maakt het in beide gevallen niet uit of de burger van de Unie ten tijde van zijn registratie wel of geen familieleden had.
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ondertekend en namens de EG gesloten en goedgekeurd en bevestigd bij [verordening 2760/72](31972R2760) van de Raad van de EG van 19 december 1972. Het aanvullend protocol is voor Nederland op 1 januari 1973 in werking getreden. De bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ingestelde Associatieraad heeft op 19 september 1980 Associatiebesluit 1/80 vastgesteld.
### 5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
Indien sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging, wordt het familielid verblijf toegestaan dat voortvloeit uit het EG-Verdrag.
Volgens het Hof van Justitie EG (HvJEG, 23 februari 1994, Scholz) kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie [artikel 8.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18)):
### 8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
### 8.2. Werknemers
Indien het familielid reeds duurzaam verblijf heeft (zie [artikel 8.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)) dan blijft dit recht behouden. Indien er nog geen sprake is van duurzaam verblijf kan betrokkene het verblijf voortzetten als economisch actieve of economisch niet-actieve, mits er geen onevenredig beroep op de publieke middelen wordt gedaan.
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Het rechtmatig verblijf van burgers van de Unie en hun gezinsleden eindigt niet, zolang zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf (zie [artikelen 8.12 tot en met 8.15 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden, kan daartoe een onderzoek ter verificatie worden ingesteld. De verificatie geschiedt evenwel niet stelselmatig. Een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het sociale bijstandsstelsel leidt niet automatisch tot beëindiging van het rechtmatige verblijf. Het verblijf van een burger van de Unie of zijn familieleden kan, buiten de aanwezigheid van een actuele en (voldoende) ernstige bedreiging van de openbare orde of openbare veiligheid, in geen geval worden beëindigd indien de burger van de Unie werknemer of zelfstandige is, of indien hij Nederland is binnengekomen om werk te zoeken. In dat laatste geval kunnen de burger van de Unie en zijn gezinsleden niet worden verwijderd zolang de burger van de Unie kan bewijzen dat hij nog immer werk zoekt en een reële kans maakt te worden aangesteld.
In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid wel toegestaan; TWV wel vereist’.
### 6.1. Verblijfsdocument
Aan een Belg of Luxemburger die geen verblijfsrecht heeft op grond van het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan op grond van [artikel 8.6, eerste en derde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6) direct bij eerste binnenkomst een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) ([document I, bijlage 7a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a)), worden afgegeven, indien hij:
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
### 6.2. Weigering verlenging of intrekking verblijfsdocument
In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid wel toegestaan; TWV wel vereist’.
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
Het rechtmatig verblijf kan voorts worden beëindigd indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf (zie [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25)). Het gaat hier om maatregelen die getroffen kunnen worden tegen misbruik van recht of fraude, zoals schijnhuwelijk. Deze maatregelen moeten evenredig zijn (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). Toepassing van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) leidt tot een beschikking waartegen rechtsmiddelen mogelijk zijn.
### 11. Verdragen
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
Indien dit onontbeerlijk wordt geacht ter beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde of openbare veiligheid kan bij de lidstaat van oorsprong of eventuele andere lidstaten worden verzocht om mededeling van gerechtelijke antecedenten betreffende de vreemdeling. Deze raadpleging kan plaatsvinden bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of de afgifte van de verblijfskaart waarmee het verblijfsrecht van het familielid dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit wordt aangetoond.
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
### 8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
### 8.2. Werknemers
Ingevolge artikel IX Richtlijn 2004/38, wordt aan onderdanen van staten, die op 1 mei 2004 zijn toegetreden of daarna toetreden tot de EU alsmede hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, een document rechtmatig verblijf verleend waaruit rechtmatig verblijf blijkt, voor de duur van vijf jaar of tenminste voor de duur van de dienstverlening.
### 3.1. Begunstigde
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid wel toegestaan; TWV wel vereist’.
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
Daarbij wordt voorts verwezen naar de [paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav](onbekend), inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (zie D2/2).
### 6. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat
Indien de Turkse werknemer heeft aangetoond dat hij gedurende de periode van één jaar voor hetzelfde uitzendbureau of dezelfde inlener heeft gewerkt en uitzicht bestaat op voortzetting van de werkzaamheden, worden deze werkzaamheden meegeteld voor het berekenen van de periode waarin werkzaamheden bij dezelfde werkgever zijn verricht. Hetzelfde geldt voor werkzaamheden die via een detacheringbureau worden verricht.
Indien de in B10/8.5 bedoelde onderdanen dan wel gezinsleden niet voor afgifte van een verblijfsdocument in aanmerking komen in het kader van B10/8.2 tot en met B10/8.4, noch in het kader van een der voorafgaande paragrafen van dit hoofdstuk, omdat zij geen verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontlenen, staat het hen vanzelfsprekend vrij om een aanvraag in te dienen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen, verband houdende met een door hen aan te geven verblijfsdoel. Zij dienen daarbij in beginsel een keuze te maken uit de verblijfsdoelen, omschreven in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Daarbij is het gestelde in B1/2.1 van toepassing, alsmede het gestelde in de desbetreffende materiehoofdstukken, afhankelijk van het aangegeven verblijfsdoel.
### 6.3. Toegang en verblijf in Nederland
### 11. Verdragen
### 3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Voor zover de aan de vergunning verbonden beperking nog niet luidde: ‘arbeid in loondienst’, wordt de beperking (de vergunning) alsnog in die zin gewijzigd, met als aanvulling: ‘bij (naam werkgever) op grond van het Turkse Associatie Verdrag.’
### 3.4. Recht op voortzetting van verblijf gezinsleden Turkse werknemers
De Associatieovereenkomst EG-Turkije heeft ten doel de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, teneinde de levensstandaard van het Turkse volk te verbeteren en in een later stadium de toetreding van Turkije tot de EG te vergemakkelijken. Dit geschiedt door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen en door de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten op te heffen.
De nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming (zie B2) bieden de gezinsleden in de regel al meteen het recht om te werken en gaan derhalve verder dan waartoe het Associatiebesluit nr. 1/80 verplicht.
In artikel 7, Associatiebesluit 1/80 is bepaald onder welke voorwaarden gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Om rechten te kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 dient de verblijfgever in ieder geval op het moment van toelating van het gezinslid, werknemer in de zin van het Associatiebesluit 1/80 te zijn (geweest).
### 3.6. Turkse zelfstandige
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
### 4.2. Waarborgen
### 12.1. Begunstigde
Turkse werknemers die werkzaam zijn in het internationaal verkeer als chauffeur, zijn doorgaans in het bezit van een visum (een zogenoemde ‘multiple entry visum’) en niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Dat betekent niet dat daardoor geen sprake is van legale arbeid (zie hierbovengenoemde zaak Bozkurt). Immers, het bezit van een verblijfsvergunning is slechts een bevestiging van een rechtstreeks door het Associatiebesluit 1/80 toegekend recht en is derhalve geen voorwaarde voor ‘legale arbeid’. De door de Turkse chauffeur verrichte werkzaamheden moeten wel verricht zijn op grond van een TWV.
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
### 4.2. Waarborgen
Vrijwillige werkloosheid gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid heeft tot gevolg dat reeds opgebouwde rechten verloren gaan. Ook werkloosheid ten gevolge van een detentie heeft gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid tot gevolg dat de reeds opgebouwde rechten verloren gaan. In het geval van hervatting van werkzaamheden, wordt weer van voor af aan begonnen met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid en daarmee de opbouw van rechten.
### 3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 3.4. Recht op voortzetting van verblijf gezinsleden Turkse werknemers
De nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming (zie B2) bieden de gezinsleden in de regel al meteen het recht om te werken en gaan derhalve verder dan waartoe het Associatiebesluit nr. 1/80 verplicht.
Daarnaast kunnen bovenstaande gezinsleden reeds na drie jaar rechtmatig verblijf hier te lande aanspraak maken op een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking ’voortgezet verblijf’ (zie B16/3.1.1). Op grond van deze verblijfsvergunning hebben zij ook de vrije toegang tot iedere arbeid van keuze.
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
De omstandigheid dat het gezinslid in Nederland is geboren en daardoor geen toestemming heeft moeten aanvragen om zich in het kader van de gezinshereniging bij de Turkse werknemer in Nederland te voegen is niet van belang (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya, C-467/02).
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
Vorenstaande betekent dat de vrije toegang tot de arbeidsmarkt als bepaald in artikel 7, eerste lid, onder b, besluit nr. 1/80 (waarin is bepaald dat de gezinsleden vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben wanneer zij ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen) reeds na drie jaar legaal wonen van toepassing is. Met deze voor de gezinsleden van een Turkse werknemer gunstigere regel wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, onder a, Associatiebesluit 1/80. Deze gunstigere regel moet altijd worden toegepast.
Het verblijfsrecht wordt beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid indien het persoonlijk gedrag van betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (zie artikel 14, eerste lid, besluit nr. 1/80; zie Hof van Justitie van de EG, 10 februari 2000, Nazli, C-340/97en zie B10/7.1.1).
Het verblijfsrecht gaat verloren indien het grondgebied van Nederland voor zes maanden of langer is verlaten, tenzij deze afwezigheid is gelegen in het vervullen van de militaire dienstplicht (zie bovengenoemde zaak Ergat en B10/7.1).
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
Een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond, wordt niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot, en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij, een bevoegde autoriteit of persoon of één of meer speciaal door de bevoegde autoriteiten aangewezen personen.
### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
De vorenvermelde speciale waarborgen gelden niet, indien dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen. Het begrip dwingende overwegingen van nationale veiligheid dient te worden onderscheiden van het begrip ‘bezwaren uit hoofde van de openbare orde’, zoals bedoeld in B1/4.4.
### 4.2.2. Tien jaar rechtmatig verblijf
Deze bepaling is niet vertaald in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), maar de algemene regeling van [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87) geeft – materieel inhoudelijk bekeken – een rechtsbescherming die ten minste even sterk is als de rechtsbescherming die voortvloeit uit het Verdrag.
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 7.1. Verblijf van werknemers
Verwezen wordt naar [artikel 21 tot en met 27 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), [hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&afdeling=3) en naar B1/6.
### 7.2. Verblijf van zelfstandigen
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 6. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat
De onderneming dient te zijn ingeschreven in het handelsregister met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
### 6.2. Begunstigde
Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.
### 13.1. Belang
### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen, indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B5/7.3 en B5/7.4.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf op grond van het Nederlands-Zwitserse Traktaat’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 10.1. Begunstigde
### 7. Europa-overeenkomsten met Bulgarije en Roemenië
Deze Europa-overeenkomsten hadden tot doel een associatie tot stand te brengen om uitbreiding van de handel en economische betrekkingen tussen de verdragspartijen te bevorderen en daarmee de dynamische ontwikkeling en welvaart in Bulgarije en Roemenië te stimuleren, teneinde de toetreding tot de EG te vergemakkelijken. Door de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU op 1 januari 2007 hebben deze overeenkomsten hun betekenis verloren.
### 10.2. Repatriëring en bijstand
In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).
Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
### 11. ESH
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
De onderneming dient te zijn ingeschreven in het handelsregister met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend.
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
De vreemdeling die bijstand geniet, mag voortzetting van verblijf slechts worden ontzegd, indien:
Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan (Stb. 1913, 389) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.
Ten aanzien van de beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en het voorschrift geldt het volgende:
### 11.3. Intrekking verblijfsvergunning
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 10. Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand
Het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand verplicht de verdragsluitende partijen de wederzijdse onderdanen op gelijke voet als eigen onderdanen recht te geven op sociale en medische bijstand.
### 10.1. Begunstigde
Er kan wel tot repatriëring worden overgegaan, indien:
### 15. Het IVRK
### 14.1. Begunstigde en belang
Als bewijsstuk, erkend voor het verblijf, geldt onder meer het uittreksel uit de GBA. Tegenbewijs door de vreemdeling is toegestaan.
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
De vreemdeling die bijstand geniet, mag voortzetting van verblijf slechts worden ontzegd, indien:
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Als regel zal aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de betrokkene steeds een beperking zijn verbonden. Indien ingevolge het Verdrag niet tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan, wordt de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd laatstelijk is verleend, gehandhaafd.
De op de eerder verleende verblijfsvergunning geplaatste arbeidsmarktaantekening wordt gehandhaafd.
### 11. ESH
Nederland, Turkije en de landen van de EU/EER (zie B10), behoudens Estland, Litouwen en Slovenië, hebben het ESH geratificeerd.
Nederland heeft zich ingevolge artikel 19, zesde lid, van het ESH verbonden te waarborgen dat zoveel mogelijk de hereniging van het gezin van een migrerende werknemer, die toestemming heeft gekregen om zich op het grondgebied te vestigen, wordt vergemakkelijkt. Deze bepaling heeft geen rechtstreekse werking (zie ABRvS, 16 april 1984, RV 1984/ 117).
Dat laat echter onverlet dat voor gezinshereniging, met hier te lande rechtmatig verblijvende Turkse werknemers, aanvullende eisen kunnen worden gesteld indien het gaat om (verruimde) gezinshereniging. Dat betekent dat, voorzover hier van belang, op ‘kinderen’ tussen de 18 en 21 jaar, die ten laste van de werknemer komen, niet dezelfde regeling behoeft te worden toegepast zoals die geldt voor EU/EER- onderdanen en onderdanen van Zwitserland.
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
Partij bij het Verdrag zijn: Nederland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Portugal, Spanje, Turkije en Zweden.
Het Europees Verdrag migrerende werknemers heeft betrekking op onderdanen van een Verdragsluitende Partij die in Nederland werkzaam zijn en rechtmatig verblijf hebben.
Het verdrag lijkt met name van belang te zijn voor onderdanen van Turkije en voor vreemdelingen met de nationaliteit van de overige landen, alleen voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het recht van de EU/EER, niet aan het Europees vestigingsverdrag en evenmin aan het Associatiebesluit 1/80.
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
### 16.2. Medische behandeling
Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).
Op 27 april 1976 is te Rabat de samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko ondertekend, die namens de EG is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1).
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
### 13.1. Belang
### 14. Het BuPo
Op 11 maart 1979 is voor Nederland in werking getreden het BuPo.
### 14.1. Begunstigde en belang
Indien de vreemdeling een staatloze is in de zin van het Staatlozenverdrag en hij in de vreemdelingenadministratie expliciet als staatloze staat ingeschreven (en dus niet als vreemdeling met ‘onbekende’ nationaliteit), kan hij op grond van het Staatlozenverdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen (zie [C21/3](onbekend)).
Het tweede lid van dit artikel, vermeldt weliswaar dat een kind van wie de ouders in verschillende staten verblijven het recht heeft op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden met beide ouders, doch dit artikellid draagt de Partijen slechts op daartoe het recht van het kind en de ouders te eerbiedigen om welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten en het eigen land binnen te gaan.
### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel
### 16.1.2. Binnenkomst na 24 november 1980
### 16.2. Medische behandeling
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
### 3.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4), in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13). De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in [artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
Het afhankelijke gezinslid kan dan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) onder de beperking verband houdend met gezinshereniging bij de hoofdpersoon, indien het gezinslid:
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest
Ad a. Het betreft door de zendstaat na 1 augustus 1987 uitgezonden administratief, technisch en bedienend personeel, dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet. Dit geldt mede voor lokaal geworven personen die niet onder de eerdere definitie van ‘duurzaam verblijf houdend’ vielen en daarom als ‘uitgezonden personeel’ zijn aangemerkt.
Indien de vreemdeling een staatloze is in de zin van het Staatlozenverdrag en hij in de vreemdelingenadministratie expliciet als staatloze staat ingeschreven (en dus niet als vreemdeling met ‘onbekende’ nationaliteit), kan hij op grond van het Staatlozenverdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen (zie [C21/3](onbekend)).
### 12. Diplomaten
### 3.2.4. Gezinsleden
### 2. Personeel van ambassades en consulaten, alsmede de gezinsleden
Sinds 1 augustus 1987 wordt onderscheid gemaakt tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijvend personeel.
Het betreft de volgende categorieën:
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Van de bovenstaande drie categorieën wordt alleen de derde categorie door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument ([model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81); zie [bijlage 3, onder A, derde lid VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3) juncto [artikel 2.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=2.3)). Dit houdt onder meer in dat deze categorie niet behoeft te beschikken over een verblijfsvergunning, maar wel over bovengenoemd geprivilegieerdendocument, vervangend document of visum.
### 2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
Het afhankelijke gezinslid kan dan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) onder de beperking verband houdend met gezinshereniging bij de hoofdpersoon, indien het gezinslid:
### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 3.1.3. Verblijfsvoorwaarden (ex-)geprivilegieerden
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
Ad a. Voor 1 januari 2000 konden diplomatieke zendingen of consulaire posten vreemdelingen lokaal werven die reeds een jaar of meer op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verbleven en gerechtigd waren arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten.
Ad b. Lokaal geworven personeel is op een missie werkzaam personeel dat op de lokale (Nederlandse) arbeidsmarkt is geworven en dat werkzaamheden ten behoeve van de missie verricht. Het gaat hier veelal om administratief, technisch en bedienend personeel dat niet door een zendstaat is uitgezonden. De missies kunnen vanaf 1 januari 2000 slechts personen werven op de lokale arbeidsmarkt aan wie het verrichten van arbeid in Nederland vrij is toegestaan en die rechtmatig in Nederland verblijf hebben op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn en blijven onverkort van toepassing op de twee bovengenoemde categorieën.
### 2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
### 2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest
Het betreft de volgende categorieën:
Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan op aanvraag (net als de (ex-)geprivilegieerde) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a)). Dit is ook mogelijk indien de geprivilegieerde hoofdpersoon in dienst blijft van een internationale organisatie of uit Nederland vertrekt. Dit is in tegenstelling tot de afhankelijke gezinsleden van personeelsleden van ambassades en consulaten, hun verblijfsrecht is afhankelijk van dat van de geprivilegieerde hoofdpersoon (zie B12/2.1.2.2). Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, indien het gezinslid:
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Ten aanzien van deze vreemdelingen geldt op grond van [artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist. In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie of wanneer de betreffende vreemdeling na de periode van tien jaar op zijn verzoek (aanvraag) duurzaam een verblijfsstatus onder de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegewezen heeft gekregen, komt de uitgezonden (geprivilegieerde) status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
### 3.1.3. Verblijfsvoorwaarden (ex-)geprivilegieerden
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) kan op aanvraag worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
Zie B1/7.1.3.
### 3.3.1. Verdrag van Ottawa
Ten aanzien van deze voorwaarde wordt aangesloten bij [artikel 3.95 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95). Dit betekent dat de aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Verder is [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) van overeenkomstige toepassing (zie B1/4.4 en B1/5.3.6).
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
Zie B1/4.4.
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan op aanvraag (net als de (ex-)geprivilegieerde) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a)). Dit is ook mogelijk indien de geprivilegieerde hoofdpersoon in dienst blijft van een internationale organisatie of uit Nederland vertrekt. Dit is in tegenstelling tot de afhankelijke gezinsleden van personeelsleden van ambassades en consulaten, hun verblijfsrecht is afhankelijk van dat van de geprivilegieerde hoofdpersoon (zie B12/2.1.2.2). Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, indien het gezinslid:
Het bepaalde in B12/2.1.2.2 met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland en de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon, komen journalisten, medewerkers van NGO’s en vertegenwoordigers van juridische verenigingen die betrokken zijn bij het werk van het Internationaal Strafhof en/of het Speciale Tribunaal voor Libanon in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Aan deze personen komt niet de uitgezonden status toe als bedoeld in B12/3.1.
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) onder de beperking ‘verblijf in het kader van de Zetelovereenkomst’.
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst ‘een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.
### 3.2.3. Geldigheidsduur
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
Voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan de gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a).
### 1. Inleiding
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
### 2.1. Algemeen
Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt verwezen naar B1/1.
### 2.1. Algemeen
Amv’s van wie de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) in een regeling voorzien, inhoudende dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de Amv in beginsel moet terugkeren.
### 2. Amv’s
De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Ingevolge het bepaalde in [artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) wordt een persoon als minderjarig beschouwd, indien:
Aan de echtgeno(o)t(e) (zie [artikel 3.40 tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40)) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)….’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
Aan vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3.40, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) die onderdaan zijn van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend onder de beperking: ‘verblijf als NAVO-vreemdeling.’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
Een minderjarige vreemdeling wordt in het kader van dit beleid wél als alleenstaand beschouwd, indien zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn.
De verblijfsregeling, zoals genoemd in B12/3.4.2, geldt niet voor die vreemdelingen die als EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland hebben (zie B10).
Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.
Indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.
Het bestaan van adequate opvang wordt in ieder geval aangenomen indien:
### 1. Inleiding
In dit hoofdstuk worden de bepalingen inzake de ambtshalve verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als Amv, voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken,en voor verblijf op grond van het driejarenbeleid en voor verblijf verband houdend met de vervolging van mensenhandel uitgewerkt.
### 2.3. Afwijzingsgronden
Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
### 2.3. Afwijzingsgronden
Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
De afwijzingsgronden van [artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), zijn van toepassing (zie [artikel 3.56, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56), [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79), en B1/4.4 en B1/4.5).
Amv’s van wie de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) in een regeling voorzien, inhoudende dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de Amv in beginsel moet terugkeren.
### 2.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
Voor de vaststelling of een vreemdeling als gevolg van een in het buitenland gesloten huwelijk als meerderjarig dient te worden beschouwd, is van belang of het huwelijk naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht wordt erkend. Op grond van [artikel 5 Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619&artikel=5) wordt een huwelijk alleen erkend indien het rechtsgeldig is ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond. Een minderjarige wordt dus niet meerderjarig door een niet-erkend traditioneel huwelijk. Op grond van [artikel 6 Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619&artikel=6) wordt een huwelijk evenmin erkend als dit onverenigbaar zou zijn met de openbare orde. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij gedwongen huwelijken of huwelijken tussen jonge kinderen.
### 2.4.3. Leeftijdsonderzoek
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 2.3.2. Frustreren van het onderzoek naar adequate opvang
### 2.5.4. Herhaald onderzoek naar adequate opvang
### 2.6. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv kan worden afgewezen, indien:
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
Indien de vreemdeling niet vooraf toestemming heeft gegeven voor een herhaald leeftijdsonderzoek (door middel van een toestemmingsverklaring in het verzoek om een leeftijdsonderzoek of anderszins), kan hij in het kader van een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor verblijf als amv, dan wel om verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, opnieuw in de gelegenheid worden gesteld om een verzoek in te dienen voor een leeftijdsonderzoek.
Indien de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag óf het moment van beslissen op de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij ingevolge het bepaalde in [artikel 21, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn uitgewerkt in B1/6.
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in B7/13 van de Vc (oud) en de Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1996/1, 2000/6 en 2000/7.
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
In de gevallen waarin op of na 1 april 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vc.
In [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake Amv’s en die inmiddels achttien jaar oud zijn. Deze vreemdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16/3.3.3).
### 2.10.3.1. Inleiding
Op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform [bijlage 7f2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7f2) (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
Op grond van [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de vergunning worden ingetrokken om redenen genoemd in B14/2.6.3 (gronden voor afwijzing van de verlenging).
### 2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).
In de gevallen waarin op of na 1 april 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vc.
In [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake Amv’s en die inmiddels achttien jaar oud zijn. Deze vreemdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16/3.3.3).
### 2.10.3. Overgangsrecht voor begeleide minderjarigen
Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.
### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
Vreemdelingen aan wie eerder een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv is geweigerd omdat zij begeleid werden, kunnen conform bovengenoemde brief een nieuwe asielaanvraag indienen. [C10/2.5](onbekend) is hierbij van toepassing. Deze aanvraag geeft recht op opvang gedurende de asielprocedure.
Op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.
Voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken komen tevens in aanmerking vreemdelingen op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, maar bij wie door het BMA is vastgesteld dat zij vanwege hun gezondheidstoestand blijvend niet kunnen reizen. Hieronder vallen tevens vreemdelingen bij wie door het BMA voorgeschreven fysieke overdracht aan een medische instelling dan wel behandelaar in het land van herkomst in aansluiting op de reis blijvend niet kan plaatsvinden, zodat zij vanwege hun gezondheidstoestand niet kunnen reizen.
**Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding**
In afwijking van B1/4.2 wordt de aanvraag niet afgewezen op de enkele grond dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Dit lijdt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de DT&V wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om mee te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.
In deze gevallen kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
De bepalingen van B2 zijn van toepassing.
Voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken komen tevens in aanmerking vreemdelingen op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, maar bij wie door het BMA is vastgesteld dat zij vanwege hun gezondheidstoestand blijvend niet kunnen reizen. Hieronder vallen tevens vreemdelingen bij wie door het BMA voorgeschreven fysieke overdracht aan een medische instelling dan wel behandelaar in het land van herkomst in aansluiting op de reis blijvend niet kan plaatsvinden, zodat zij vanwege hun gezondheidstoestand niet kunnen reizen.
### 3.2.4. Ontheffing van het paspoortvereiste
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### 5.1. Algemeen
### 5.2. Aantekening beroep algemene middelen
Een aanvraag tot wijziging van de beperking is niet vereist in die gevallen waarbij de vreemdeling zijn verblijf wil voortzetten onder dezelfde beperking, maar bij een andere referent dan bij wie hij oorspronkelijk is toegelaten.
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 7.1. Het indienen van rechtsmiddelen
### 4.3. Middelen van bestaan
### 9.1.3.1. Berekening hoogte van de bestuurlijke boete
### 9.1.3.3. Verwijtbaarheid van de overtreding
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
Het vereiste met betrekking tot middelen van bestaan, zoals opgenomen in de [artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73), is van toepassing op die aanvragen om een verblijfsvergunning als de vreemdeling conform [artikel 1d, eerste lid, aanhef en onder b of c, Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) wordt aangemerkt als:
### 3.1.3. Samenwoning
Als een van de in [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde gronden tot afwijzing kan leiden, wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde duur als EG-langdurig ingezetene niet verleend.
De beoordeling of de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden voor zover die blijkt uit diens gedragingen.
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
De IND wijst de aanvraag op grond van [artikel 3.51, derde lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) af als de vreemdeling verblijf heeft gekregen op grond van het beleid voor gezinshereniging van een alleenstaande vreemdeling van 65 jaar of ouder met zijn kind.
Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld of van een medische of psychische beperking, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces, geen sprake meer, dan verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ als er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard.
Bij toepassing van artikel 6, tweede lid, Besluit 1/80, gaat de IND ervan uit dat op het moment dat de werkzaamheden bij **dezelfde** werkgever worden hervat, verder wordt gegaan met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan (ex-)gezinsleden van Turkse werknemers die een recht op verblijf ontlenen aan artikel 7 Besluit 1/80 onder de beperking: 'niet-tijdelijke humanitaire gronden'.
Als na drie maanden een reële kans op werk is ontstaan, verlengt de IND de termijn van drie maanden maximaal twee keer.
Op grond van [artikel 3.96a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) past de IND in ieder geval de hardheidsclausule toe als de vreemdeling ondanks aantoonbaar geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kan worden geacht het inburgeringsexamen te behalen:
Als de IND de verblijfsvergunning regulier vervolgens alsnog verleent, dan beschouwt de IND de periode van verblijf gedurende bezwaar- of beroepsprocedure (achteraf bezien) niet meer als formeel beperkt verblijfsrecht.
Beroep bij de rechtbank staat open tegen de beschikking op een bezwaarschrift of op een administratief beroepschrift en tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag, een bezwaarschrift of een administratief beroepschrift. Het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is een besluit te nemen en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan schriftelijk door een belanghebbende in gebreke is gesteld (zie [artikel 6:12, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). Op reeds vóór 1 oktober 2009 ingediende bezwaar- en beroepschriften tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het recht van toepassing zoals dit gold vóór 1 oktober 2009.
De IND wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op nationale gronden niet af op grond van [artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) als de vreemdeling op het moment van het nemen van het besluit vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf heeft.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als de vreemdeling naast de in paragraaf B12/4.4.1.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij het Nederlanderschap heeft verloren op grond van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15).
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als de vreemdeling naast de in paragraaf B12/ 4.4.1.1 Vc genoemde voorwaarden ook voldoet aan de voorwaarde dat hij het Nederlanderschap heeft verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, nadat het Nederlanderschap is verleend en voordat het Nederlanderschap met toepassing van [artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d of f, RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) wordt ingetrokken.
De IND wijst deze aanvraag niet af als de vreemdeling:
Dit hoofdstuk ziet niet op gezinshereniging tussen of met gemeenschapsonderdanen. Daarop is B10 van toepassing.
De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.92, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92).
Het onder a en b vermelde is gebaseerd op [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22).
Blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangetoond aan de hand van een beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt. Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of de [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien:
Dat het blijvend onmogelijk is om aan deze verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen wordt – behoudens bijzondere omstandigheden – slechts aangenomen als (op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven) de hoofdpersoon:
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van 6 maanden. Verlenging van de geldigheidsduur is niet mogelijk ([artikel 3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70)).
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner en eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
### 6.12.6. Mvv
Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar B2/2.10 onder ad b.
### 6.5. Achterlating een onevenredige hardheid
### 6.7. Polygamie
Op deze algemene voorwaarden bestaan echter uitzonderingen wat betreft het middelenvereiste (zie B2/5.10). Ook in andere gevallen kan deze vergunning, gelet op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), worden verleend.
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
Adoptiefkinderen en adoptiekinderen worden aangemerkt als juridische kinderen in de zin van [artikel 3.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14).
In deze gevallen wordt ter zake van het gezag over het kind geen nader bewijs verlangd, tenzij er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij beide echtgenoten berust dan wel niet of niet langer bij de alleenstaande moeder.
### 6.2. Familielid
Er zijn rechtsstelsels die, ingeval er gezamenlijk gezag van de ouders over kinderen bestaat, het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stellen van de toestemming van de andere ouder. In die gevallen wordt bij de aanvraag de verklaring, waaruit de toestemming van die andere ouder blijkt, overgelegd, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van die andere ouder, ter verificatie van de handtekening.
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
### 6.4. Gelegaliseerde akten
### 6.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
Indien sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het vorenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
### 6.12.5. Alleenstaand
Let op: Nederland heeft bezwaar gemaakt tegen de toetreding tot het Haags Adoptieverdrag door Armenië, Cambodja en Guatemala. Adoptiebeslissingen, gegeven in één van deze verdragslanden, worden niet erkend door Nederland.
### 6.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 5.5.2. Bepaling van de geboortedatum
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 6.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 6.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 5.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 6.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Het kind van vijftien jaar of ouder toont aan dat het niet de zorg heeft voor (buitenhuwelijkse) kinderen door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring. Dat vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien naderhand blijkt dat de verklaring ten onrechte is ondertekend, worden daaraan verblijfsrechtelijke gevolgen verbonden. Het kind dat de verklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verstrekt daarover gegevens die bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband worden betrokken.
### 5.9. Openbare orde beleid
Op grond van [artikel 3.15 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) wordt de verblijfsvergunning verleend, indien de hoofdpersoon in Nederland verblijft als:
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
De voorwaarde dat de hoofdpersoon ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven alvorens een verblijfsvergunning kan worden verleend, is verder niet van toepassing op het minderjarig meereizend voorkind. Deze situatie doet zich voor als de biologische of juridische ouder van het kind in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en deze echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner niet de biologische ouder is van het kind. In dat geval is immers de ouder de hoofdpersoon en niet de in Nederland verblijvende echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner.
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
[Artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) bevat een bijzondere regeling voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd dan wel een vreemdeling is die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Een onderscheid wordt gemaakt naar de plaats waar het kind wordt geboren.
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6.5. Alleenstaand
De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of de gezinsband.
### 7.7. Gelegaliseerde akten
### 6.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6.10. Middelenvereiste
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 8. Gelegaliseerde bescheiden
### 6.9. Openbare orde
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78).
Het middelenvereiste geldt ook niet indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de minderjarige hoofdpersoon of de vreemdeling bijzondere banden heeft.
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
### 8.1. Inleiding
### 9.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
De IND stelt op grond van de door het ministerie van BuZa verstrekte informatie vast of de door betrokkene overgelegde documenten alsnog kunnen worden gelegaliseerd. Indien dit niet het geval is, wordt door de IND beoordeeld of er sprake is van bewijsnood, alvorens zij beslist op de aanvraag.
### 9.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
### 8.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
### 7.6. Toepassing DNA-onderzoek
Als de afstammingsrelatie door het DNA-onderzoek wordt bevestigd en aan alle overige voorwaarden wordt voldaan, wordt de aanvraag ingewilligd, tenzij overigens bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
### 8.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
### 9.5. Middelenvereiste
### 2.4. Mvv
### 9.5. Middelenvereiste
### 9.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
### 9.5.3. Afwijking van het middelenvereiste
### 10. Artikel 8 EVRM
### 8.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
Van verbreking van de gezinsrelatie is sprake indien de vreemdeling als hierbedoeld:
### 10. Artikel 8 EVRM
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De aanvraag om verlenging wordt op deze grond alleen afgewezen als een beroep wordt gedaan op de publieke middelen (zie B2/8.2).
### 10. Artikel 8 EVRM
### 8.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele een beroep doet op de publieke middelen, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen worden hieronder algemene regels gesteld.
### 10.2.2. Inmenging
### 9.2.1.1. Einde van het gezinsleven
### 9. Artikel 8 EVRM
### 10.2.2.2. Aanvragen om voortzetting van verblijf
Artikel 8 EVRM bepaalt:
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Om onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen dient sprake te zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Dit betekent dat voor het aannemen van schending van het privé-leven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur (circa dertig jaar, zie de uitspraken van het EHRM inzake Sisojeva van 16 juni 2005, nr 14492/03, Shevanova van 15 juni 2006, nr 58822/00 en Slivenko van 9 oktober 2003, nr 48321/99) eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus (zie uitspraak van het EHRM inzake Mendizabal van 17 januari 2006, nr 51431/99).
De belangenafweging valt, indien sprake is van een objectieve belemmering, alleen dan op voorhand al in het voordeel van de vreemdeling uit, indien er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te gaan voldoen, zinloos is. Dat wordt slechts aangenomen indien:
### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Bij gezinshereniging dan wel -vorming zal in ieder geval in de belangenafweging betrokken dienen te worden of:
Bij de beoordeling van het familie- of gezinsleven van meerderjarige kinderen en hun ouders dient in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding. Indien de banden zodanig bijzonder zijn dat aangenomen moet worden dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is, leidt dit op zichzelf nog niet tot de conclusie dat tevens sprake is van een verplichting om de vreemdeling verblijf toe te staan. Die omstandigheid vormt één van de aspecten die in de belangenafweging betrokken dient te worden. Hieraan komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe.
### 9.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
De belangenafweging valt, indien sprake is van een objectieve belemmering, alleen dan op voorhand al in het voordeel van de vreemdeling uit, indien er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te gaan voldoen, zinloos is. Dat wordt slechts aangenomen indien:
### 9.3. Ambtshalve wijziging
[Artikel 14, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) geeft de bevoegdheid om op aanvraag van de houder of ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen. Deze bevoegdheid zal worden gebruikt in alle gevallen waarin de verblijfsbeëindiging van de reguliere verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 EVRM. Als gevolg van de systematiek van de Vw, waarmee een strikte scheiding tussen de verblijfsvergunning regulier en de verblijfsvergunning asiel is beoogd, dient in een asielprocedure, indien verblijf op grond van artikel 8 EVRM wordt beoogd, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier te worden ingediend.
### 2.2.1. Inleiding
### 10. Gezinshereniging van verzorgende ouder met Nederlands minderjarig kind
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
### 2.1. Inleiding
### 2.6.1. Ontbreken mvv
### 2.2.1. Inleiding
Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing kan van rechtswege geschieden of door tussenkomst van de Nederlandse rechter. In de drie hieronder beschreven situaties zijn de bepalingen van B2 op de aanvraag van toepassing in plaats van de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk, uiteraard voor zover het kind ten gevolge van de in het buitenland uitgesproken adoptie niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
### 3.1. Inleiding
De aspirant-pleegouders verstrekken bij de ten behoeve van het kind in te dienen aanvraag de gegevens en bescheiden behorende bij de voorwaarden als vermeld onder B3/3.1. Het betreft:
Na onderzoek zal, met inachtneming van de relevante omstandigheden op de aanvraag worden beslist.
### 2.6. Het kind wordt niet als Nederlander in de GBA opgenomen
Het komt veelvuldig voor dat een kind als direct gevolg van een in het buitenland uitgesproken adoptie de Nederlandse nationaliteit verkrijgt en dus als Nederlander met een Nederlands paspoort Nederland inreist en als Nederlander wordt opgenomen in de GBA. In een dergelijk geval is het toelatingsbeleid vanzelfsprekend niet van toepassing.
De aanvraag wordt afgewezen indien niet door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond (zie B2/8), dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) of (indien zij zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben) de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders. Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is naast instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist. Daarnaast moet het gezag van de aspirant-pleegouders over het kind (bij voorkeur) in het land van herkomst zijn geregeld door het bevoegd gezag, blijkens officiële gelegaliseerde bescheiden.
### 2.1. Algemeen
De hierboven in B3/2.5 vermelde voorschriften inzake aanmelding (zie B3/2.5.1) en de plaats van indiening van de aanvraag (zie B3/2.5.2) van buitenlandse kinderen ter adoptie zijn voor wat de buitenlandse pleegkinderen betreft van overeenkomstige toepassing. Voorafgaande aan de aanmelding dient de wettelijke vertegenwoordiging van het kind te zijn geregeld. Het gestelde in B1/9.1.1 is van overeenkomstige toepassing.
### 3.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.2.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.2.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.3.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 2.3.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2.3.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.3.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3. Remigratie en terugkeeroptie (op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8))
Er zijn twee soorten regelingen op grond waarvan een vreemdeling na definitief vertrek naar het buitenland wederom naar Nederland kan terugkeren. Het betreft hier de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) (zie B4/3.1 en B4/3.2) en de sedert jaar en dag bestaande (voorheen in B21/5 van de Vc (oud) geregelde) terugkeeroptie voor vreemdelingen die als minderjarige kinderen met hun remigrerende ouders uit Nederland zijn geremigreerd (zie B4/4 en B4/5).
### 3.1. Verblijfsrechtelijke positie vóór remigratie
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
### 5.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55)).
### 6. Beoordeling openbare orde
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling in ieder geval een volledig afschrift van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 5.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
### 5. Arbeid
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.
### 1.1. Samenhang tussen de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Voor buitenlandse werknemers vindt de vaststelling daarvan plaats in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) (zie B5/1.2). Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
### 2.4. Beperking
### 1.1. Samenhang tussen de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning
Een vreemdeling, die naar Nederland komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, mag hij derhalve niet uit Nederland worden verwijderd. Hij verblijft dan immers rechtmatig in Nederland in de zin van [artikel 8, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat omvatten zowel installaties voor proefboringen als voor exploitatie. Werkzaamheden op bevoorradingsschepen van de hier bedoelde installaties vallen echter niet onder deze regeling.
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van een dergelijke vreemdeling gelden vervolgens de [artikelen 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) (zie B2). Deze gezinsleden worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. Op hen is B16 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
### 4.1.7. Gezinshereniging
### 4.6.4.2. Beperking
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
### 4.5.3. Voorschriften
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
### 4.5.1. Beperkingen
Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in enkele specifieke sectoren (internationale luchtvaart, het internationale wegtransport en de internationale binnenscheepvaart) van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen daarom in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.5.4. Geldigheidsduur
### 4.6.2.4. Voortzetting van verblijf
Geen TWV is vereist, indien de gastcolleges voor de duur van maximaal één jaar worden gegeven. Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar zal bedragen, is voor deze werkzaamheden wel een TWV vereist.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als practicant’.
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2.
### 4.6.1. Algemeen
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend.
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 4.6.4.4. Gevraagde bescheiden
### 4.7.1. Inleiding
### 4.7.1. Inleiding
### 4.6.5.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.7.3. Musici en artiesten
### 4.6.6.1. Duurzame middelen
### 4.6.6.2. Geldigheidsduur
### 4.9.1. Algemeen
### 4.9.3. Gezinshereniging en -vorming
Het in B5/4.7.1 gestelde is van overeenkomstige toepassing op grensarbeiders, waaronder hier wordt verstaan in Nederland tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in België of in Duitsland waarheen zij in beginsel dagelijks, of ten minste eenmaal per week terugkeren. Het gaat daarbij met name om vreemdelingen die in België verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige Belgische of Luxemburgse identiteitskaart voor vreemdelingen, dan wel van een Belgisch bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister.
### 4.12.6. Geldigheidsduur
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2.
### 4.11. Directeuren-(groot)aandeelhouders
### 5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
De houder van een door een andere (eerste) lidstaat afgegeven status als EG-langdurig ingezetene, kan onder bepaalde voorwaarden voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland (tweede lidstaat) verblijven en in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
### 4.12.2. Verlening van de verblijfsvergunning
### 7.4.1. Middelenvereiste
### 2.3. Middelen van bestaan
### 5.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor kortere duur, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning verlengd voor de duur van de werkzaamheden.
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 5. Voortzetting van verblijf
### 5.3. Werkloosheid
Het [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32) stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Daarom behoeft in die gevallen geen advies te worden gevraagd.
### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
### 7.3.1. Puntensysteem
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diploma’s) en beroepservaring;
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 6.3.1. Vordering aan werkgevers tot het verstrekken van gegevens
### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst, van de markt waarop de vreemdeling actief wil worden, wat de doelgroep is van de beoogde ondernemingsactiviteit (de afnemers), welke concurrenten er zijn, wat hun sterke en zwakke punten zijn en wat de bijzondere kenmerken van de vreemdeling dan wel van diens producten of diensten zijn. Tevens dient te worden ingegaan op de wijze waarop de vreemdeling de markt gaat bewerken (presentatie naar buiten, promotiemiddelen, wijze van adverteren, enzovoort). Eén en ander wordt zo mogelijk onderbouwd met contracten of referenties van afnemers, afzetprognoses en dergelijke);
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
De vreemdeling die toegelaten wil worden om arbeid als zelfstandige te verrichten, moet aantonen dat hij aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van het uit te oefenen beroep of aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf voldoet ([artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30)).
### 6. Studie
Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van B&W van een gemeente. In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen.
### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
### 2.2. Tijdelijk verblijf
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
Onverminderd [artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) geldt het vereiste dat de betrokkene een goede conduitestaat heeft (lijst die onder andere in de scheepvaart wordt gebruikt en waarin gegevens over gedrag en geschiktheid zijn opgenomen).
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 3.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 3.1. EG-Langdurig ingezetenen
**Voorbeeld:**
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor de voorbereiding op de studie de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 7. Gezinshereniging en -vorming
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 9. Verlenging en voorbereidend jaar
### 1.3. Geldigheidsduur
### 2. Au pairs
### 7. Gezinshereniging en -vorming
### 2. Au pairs
### 2.1. Inleiding
### 2.6. Voorschrift
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de periode van studie van de buitenlandse student (de hoofdpersoon), krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de buitenlandse student.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
### 9. Verlenging en voorbereidend jaar
Instellingen die culturele uitwisselingsprogramma’s organiseren, kunnen onder voorwaarden op hun verzoek op een (centraal bij te houden) lijst van de IND worden geplaatst, waarna aanvragen van de aangewezen organisaties om verblijf ten behoeve van deelnemers aan hun programma’s kunnen worden behandeld zoals hierna omschreven onder B7/3.8. Elke uitwisselingsorganisatie die bij de IND verzoekt op de bedoelde lijst te worden geplaatst, wordt getoetst op overeenstemming van het geboden programma met het hier geschetste beleid. Bovendien kan de organisatie worden getoetst op solvabiliteit. De organisatie ondertekent per toe te laten jongere de garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)). Organisaties die op de hierbovengenoemde lijst van de IND voorkomen, kunnen tussentijds worden gecontroleerd op het nog steeds voldoen aan, respectievelijk het nakomen van alle voorwaarden.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
### 3.6. Voorschrift
### 3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
### 3.5. Arbeidsmarktaantekening
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
### 4.4. Beperking
Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, volstaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging met de mededeling aan de jongere dat hem wegens het niet voldoen aan de voorwaarden in Nederland geen positieve verklaring zal kunnen worden verstrekt voor het gevraagde doel.
### 4.5. Arbeidsmarktaantekening
Er is sprake van misbruik als de au pair en het gastgezin doelbewust handelen in strijd met de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) of de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Het gaat dan bijvoorbeeld om het achterhouden van informatie, het laten verrichten van werkzaamheden gedurende meer dan 30 uur per week of het laten verrichten van werkzaamheden die niet onder het au pairbeleid vallen. Ook ander misbruik waarbij de au pair is betrokken, zoals bijvoorbeeld een misdrijf in de zin van het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), kan tot uitsluiting van het beleid leiden. Sanctionering van het gastgezin vindt echter alleen plaats indien aan het misbruik van de au pair door het gastgezin een intrekking van de verblijfsvergunning, een geldboete of (onherroepelijke) veroordeling ten grondslag ligt.
### 4.7. Wijziging van verblijfplaats
### 3.2. Aard van het verblijf
### 3.6. Voorschrift
Indien ten behoeve van de jongere een mvv in het kader van het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme is afgegeven, meldt deze zich ingevolge [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) dan wel [4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49) binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de Korpschef. Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.33a, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a), dient de jongere vervolgens bij IND een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in. De IND verstrekt in deze situatie het bescheid rechtmatig verblijf aan de jongere (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt vermeld dat het verrichten van arbeid is toegestaan en dat een TWV niet is vereist.
### 4.6. Voorschriften
### 4.8. Onverplichte mvv
Voor Australische, Canadese en Nieuw-Zeelandse jongeren is een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet worden ingediend op een bij ministeriële regeling aan te wijzen plaats.
### 3.2. Bedenktijdfase
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
### 5.7. Wijziging van verblijfplaats
### 1.1. Inleiding
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
Bij onvoldoende financiële zekerheid wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Het familielid of een andere relatie dient aantoonbaar te beschikken over voldoende, zelfstandig verworven middelen van bestaan voor zichzelf (en zijn gezin) en voor de kosten van het levensonderhoud van de vreemdeling voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling in Nederland. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een inkomen, dat tenminste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV. Tevens dient het familielid of een andere relatie zich schriftelijk garant te stellen voor de door de vreemdeling te maken kosten.
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 9. Gezinsleden
### 9. Gezinsleden
Het beroep op medische gronden moet de vreemdeling onderbouwen met:
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
### 3.2.9. Medische bijstand en rechtshulp
In overige gevallen geldt het volgende:
### 10. Afwijzing
### 10. Afwijzing
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
De IND kent geen betekenis toe aan niet (in voldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent en is evenmin verplicht om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen.De enkele onwil van de hier bedoelde personen, met name gezins- of familieleden, de benodigde mantelzorg te verlenen dan wel de eventuele onwil van de vreemdeling om een beroep op hen te doen is onvoldoende voor het oordeel dat de vreemdeling de nodige zorg in het land van herkomst zal ontberen.
De bij het eerste opsommingsteken bedoelde gespecificeerde periode bedraagt de duur van het reisbeletsel met maximaal een jaar.
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
Gedurende de bedenktijdfase wordt de verwijdering van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland opgeschort en houden zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van [artikel 8, onder k, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). In deze periode kunnen zij op grond van [artikel 11, tweede lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend aan een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling die is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
### 10. Afwijzing
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 3.2.7. Opvang en huisvesting
### 9. Mensenhandel
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
Gedurende de bedenktijdfase wordt de verwijdering van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland opgeschort en houden zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van [artikel 8, onder k, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). In deze periode kunnen zij op grond van [artikel 11, tweede lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
### 4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
### 4.2.2. Opvang
Gedurende de bedenktijd is het verrichten van arbeid niet toegestaan. De verklaring op de tweede bladzijde van het aanvraagformulier wordt voor de verzending ingevuld door de politie. Het aanvraagformulier wordt door de politie voorzien van een stempel. De vreemdeling die gebruik wenst te maken van de regeling stuurt het formulier na ontvangst zo spoedig mogelijk toe aan het COA.
### 7. De beslissing
### 7. De beslissing
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
### 8.1. Slachtoffer
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer gedurende het verblijf op grond van de in dit hoofdstuk beschreven procedure gebruik maken van de mogelijkheden voor het volgen van een opleiding en voor vrije tijdsbesteding. De zorgcoördinator beschikt over de informatie van het aanbod in de regio.
### 9.2. Getuige-aangever
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
### 8.2. Getuige-aangever
### 6.2. Opschorting van de verwijdering
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt het OM in kennis van de beslissing.
### 9. Verlenging
Indien het slachtoffer of de getuige-aangever van mensenhandel niet over een paspoort beschikt, dient hij een paspoort aan te vragen bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/4.2 is vervolgens van toepassing.
### 2. Algemeen
### 2.1. Toegang tot Nederland
### 2. Algemeen
### 1. Inleiding
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
### 1.6. Terminologie
### 2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht
Voor de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan en zijn familie- of gezinsleden, die geen verblijfsrecht aan de bepalingen van het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland kunnen ontlenen, gelden onverkort de overige bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en het (restrictieve) beleid. De rechtsbescherming die onderdanen van de EU/EER en van Zwitserland genieten, ontlenen zij op grond van hun nationaliteit aan Richtlijn 2004/38 (zie B10/7).
### 2. Algemeen
### 2.2. Mvv-vereiste
Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland zijn vrijgesteld van de plicht te beschikken over een geldige mvv. De vrijstelling van het mvv-vereiste geldt eveneens indien een familielid van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’ toont.
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
### 3.6.5. Verblijfskaart
### 3.7. Overige categorieën
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de norm als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en de ander niet.
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
### 7.1.1. Actuele bedreiging van de openbare orde en openbare veiligheid
Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de WAO/ WIA, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang
### 4.2.1. Beroepsopleiding
### 3.6.1. Uitzondering ([artikel 8.17, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
De bovengenoemde termijnen van wonen en tewerkstelling gelden niet, indien de echtgeno(o)t(e) of partner met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan:
### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen
Het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt bij een verblijf van langer dan drie maanden na aanvraag in bezit gesteld van een document EU/EER, met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’. De geldigheidsduur van dit document bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte, of is gelijk aan de (voorgenomen) periode van verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is, indien dat voorgenomen verblijf korter dan vijf jaren bedraagt. In overige gevallen wordt de geldigheidsduur van het verblijfsdocument bepaald op vijf jaren.
### 4.2.1. Beroepsopleiding
Voor familieleden die ten laste komen van de burger van de Unie geldt dat bij álle familieleden die stellen ten laste te komen van een burger van de Unie per geval moet worden beoordeeld of zij, gezien hun financiële en sociale toestand, materiële steun nodig hebben om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien in het land van herkomst of het land vanwaar zij kwamen op het ogenblik dat zij verzochten om hereniging met de EU-burger (d.w.z. niet in het gastland waar de EU-burger verblijft). Dit geldt dus zowel voor familieleden die vallen onder [artikel 8.7, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) als de familieleden die vallen onder artikel 8.7, tweede lid, onder c of d, Vb.
### 8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
### 5.1. Samenwoningvereiste
### 5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
Ten aanzien van Belgen en Luxemburgers dient te worden afgezien van het doen ondertekenen van een antecedentenverklaring. Ingevolge de Beneluxovereenkomst kunnen zij bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning eigener beweging een bewijs van goed zedelijk gedrag overleggen.
Over de reikwijdte van het behoud van rechten krachtens het gemeenschapsrecht van de eigen onderdaan na terugkeer in het eigen land, heeft het Hof bepaald dat deze strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van werknemers. Het gaat dus om rechten krachtens het gemeenschapsrecht, waaraan reeds uitvoering is gegeven. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van de eigen onderdaan, die niet in de andere lidstaat bij hem hebben verbleven op grond van het EG-Verdrag, zijn daarom de regels als genoemd in B2 onverkort van toepassing.
### 6. Onderdanen van België en Luxemburg
### 8.3. Gezinsleden van werknemers
Het afhankelijke verblijfsrecht eindigt in beginsel van rechtswege bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, behalve indien het kind feitelijk ten laste blijft komen van de ouder van wie zijn verblijfsrecht afhankelijk was, bijvoorbeeld omdat het kind in Nederland studeert. Het kind behoudt in dat geval als bloedverwant in neerdalende lijn zijn afhankelijk verblijfsrecht.
### 8.1. Werkzoekenden
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 7.2. Uitzetting
### 8.3. Gezinsleden van werknemers
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.4.1. Nationaal recht
### 1. Inleiding
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
### 3.4.2. Voorwaarden Associatiebesluit 1/80
Het verblijfsrecht wordt beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid indien het persoonlijk gedrag van betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (zie artikel 14, eerste lid, besluit nr. 1/80; zie Hof van Justitie van de EG, 10 februari 2000, Nazli, C-340/97en zie B10/7.1.1).
**Werknemer**: de persoon die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij slechts marginaal en bijkomstig van aard zijn. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een (geldelijke) vergoeding ontvangt. Dit is niet anders indien de arbeidsverhouding voortkomt uit sociale wetgeving, de productiviteit van betrokkene gering is, de beloning niet ten minste ter hoogte is van het minimumloon, de vergoeding voor de arbeid geschiedt vanuit publieke middelen als bijvoorbeeld gesubsidieerde banen (zie Hof van Justitie van de EG, 19 november 2002, Kurz, C-188/00 en 26 november 1998, Birden, C-1/97; zie B10/3.2 en B10/3.2.1).
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
### 3.4.1. Nationaal recht
### 5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
Onder gezinsleden wordt verstaan, de echtgenoot van de Turkse werknemer, hun bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn (zie Hof van Justitie van de EG, 30 september 2004, Ayaz, C-275/02; zie B10). Gelet op de gelijkstelling in Nederland tussen echtgenoten en geregistreerd partners is hetgeen is bepaald met betrekking tot de echtgeno(o)t(e) ook van toepassing op de geregistreerde partner van een Turkse werknemer.
### 6.1. Inleiding
Overigens heeft verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag niet tot gevolg dat betrokkene rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) verkrijgt.
### 10.2. Repatriëring en bijstand
Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is [artikel 3.30, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) niet van toepassing. Dit betekent dat hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/7.5 en B5/7.7. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van EL&I te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang.
Op een onderdaan van Zwitserland, die zich in Nederland wil vestigen voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het bepaalde in B10/3 van toepassing.
### 4.2. Waarborgen
### 6.3. Toegang en verblijf in Nederland
### 6.3.2. Arbeid in loondienst
### 7.1.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Overigens heeft verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag niet tot gevolg dat betrokkene rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) verkrijgt.
Ingevolge het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag wordt in geval van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet tegengeworpen dat niet aan de beperking wordt voldaan, mits betrokkene beschikt over voldoende middelen van bestaan. Met andere woorden, (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan indien:
### 6.3.3. Vestiging
### 8.3. Gezinshereniging
### 8.3. Gezinshereniging
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
### 15. Het IVRK
### 10.1. Begunstigde
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Evenmin telt mee de tijd van verblijf buiten Nederland van zes maanden of meer. Het dienst doen op in Nederland geregistreerde schepen geldt niet als onderbreking van het verblijf (zie artikel 13 van het Verdrag).
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Hieronder volgt een uitleg van het begrip ‘aanzienlijk kapitaal’ ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen (zie circulaire van de Minister van EL&I van 4 november 1992, DMO/DCM/ AM92081647):
### 8.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
De bepalingen van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand zijn in het kader van de uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) slechts van belang voor houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). De [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) verleent aan houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), een rechtspositie die ten minste even sterk is als die welke zij krachtens het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand hebben.
### 11.1. Begunstigde
Het ESH is alleen van belang voor Turkse onderdanen, voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 en voorzover zij geen gezins- of familielid zijn van een onderdaan van de EU/EER of Zwitserland.
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
### 16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980
### 12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer
### 12.3. Gezinshereniging
Gezinshereniging met onderdanen die reeds rechtmatig verblijf hebben, is toegestaan volgens nationale procedures.
### 17. Het Staatlozenverdrag
### 17. Het Staatlozenverdrag
### 15.1. Begunstigde
Niet-duurzaam verblijvend personeel bezit een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag en het Consulaire verdrag. Op dit personeel alsmede op hun afhankelijke gezinsleden en particuliere bedienden zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing. Zij zijn in het algemeen niet onderworpen aan de verplichtingen die in het belang van het toezicht op vreemdelingen zijn gesteld. Evenmin kunnen op hen de maatregelen van uitzetting en bewaring krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden toegepast (zie [A2/6.2.3.1](onbekend) en [A2/6.2.3.4](onbekend)). Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.
Op 24 november 1980 eindigde de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975. Er is geen nieuwe overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen gesloten, maar bij overeenkomst van 25 februari 1981 is een overlegstructuur met betrekking tot het door beide landen gevoerde vreemdelingenbeleid in het leven geroepen.
### 12. Diplomaten
Het betreft hier:
### 2. Personeel van ambassades en consulaten, alsmede de gezinsleden
### 16.2.1. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 17.1. Begunstigde
De verblijfsstatus van de geprivilegieerde (hoofdpersoon) is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Zolang de hoofdpersoon de uitgezonden status behoudt, behouden ook de afhankelijke gezinsleden deze status. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden.
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
### 2.2.2.3. Inleveren geprivilegieerdendocument
### 3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 2.2.1. Lokaal geworven personeel
Ad a. Het betreft door de zendstaat na 1 augustus 1987 uitgezonden administratief, technisch en bedienend personeel, dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet. Dit geldt mede voor lokaal geworven personen die niet onder de eerdere definitie van ‘duurzaam verblijf houdend’ vielen en daarom als ‘uitgezonden personeel’ zijn aangemerkt.
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge [artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) niet inhoudingsplichtig zijn.
### 3.2.4. Gezinsleden
Daarnaast dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4).
### 3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
### 3.3.5. Verblijfsdocument
Zie B1/7.1.11.
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, indien geen van beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
### 3.3.8. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
### 3.4.1. Verblijfsdocument
### 1. Inleiding
### 13. Familiebezoek
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, indien geen van beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
[Artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
Bij de vaststelling of de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, worden de volgende omstandigheden in overweging genomen:
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
De uitgangspunten van het in B14/2 neergelegde beleid zijn alleen van toepassing op Amv’s die een asielaanvraag hebben ingediend. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid wordt alleen ambtshalve verleend, dus niet op aanvraag (zie B14/2.4.1).
Het in B14/2 neergelegde beleid is niet van toepassing op de minderjarige asielzoeker of vreemdeling
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde af als de vreemdeling wegens een misdrijf:
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.6. Voorschriften
### 6.3. Gronden voor intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 8.3.4. Bewijsmiddelen afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 3.1. Beleidsregels
Op grond van [artikel 3.1, derde lid, aanhef en onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1) luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument als de IND de verblijfsvergunning verleent op grond van paragraaf B5/2.1.1: ‘TWV niet vereist voor specifieke arbeid, andere arbeid toegestaan mits TWV is verleend’.
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 9.1.7. Feitelijke toegankelijkheid
Ten aanzien van de in artikel 3.93, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, Vb genoemde vreemdelingen geldt het volgende:
Indien de hoofdpersoon geen uitkering krachtens de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) ontvangt, wordt de blijvendheid van de arbeidsongeschiktheid aangenomen indien:
Het is aan de vreemdeling om aan te tonen of aannemelijk te maken dat het voor hem en zijn partner als gevolg van wettelijke beletselen niet mogelijk is om in het land van herkomst te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan.
### 4.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 5.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 7.7. Gelegaliseerde akten
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
Adoptiefkinderen en adoptiekinderen worden aangemerkt als juridische kinderen in de zin van [artikel 3.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14).
### 6.4. Gelegaliseerde akten
### 6.8. Samenwoning
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.12.2. Bloedverwantschap en gezinsband
### 5.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 5.9. Openbare orde beleid
### 6.12.7. Document voor grensoverschrijding
### 7.5. Kinderen in Nederland
### 7.5. Kinderen in Nederland
De bloedverwantschap c.q. de gezinsband tussen de vreemdeling en de hoofdpersoon wordt met officiële bewijsstukken aangetoond, waarop in beginsel B2/8 van toepassing is, maar andere bewijsstukken worden ook in aanmerking genomen.
### 8.3. Vrijgestelde bescheiden
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de IND aan de hand van de ter beschikking staande gegevens of het document wordt doorgeleid naar het ministerie BuZa met het verzoek om een verificatieonderzoek. De termijn van het nemen van een beslissing wordt met een termijn van maximaal zes maanden opgeschort.
### 4.1. Beperking
### 9.5.1. Inleiding
### 8.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 2.1. Inleiding
### 10.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven of privé-leven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezins- dan wel privé-leven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn of in afwachting van een beslissing, gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn, dan wel een negatieve beslissing op de lopende aanvraag, weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen. Evenmin is sprake van inmenging in het geval een verblijfsvergunning is verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of door de vreemdeling achtergehouden gegevens die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.
In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
### 10.2.2.1. Aanvragen om eerste verblijfsaanvaarding
### 1. Inleiding
### 9.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
Om onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen dient sprake te zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Dit betekent dat voor het aannemen van schending van het privé-leven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur (circa dertig jaar, zie de uitspraken van het EHRM inzake Sisojeva van 16 juni 2005, nr 14492/03, Shevanova van 15 juni 2006, nr 58822/00 en Slivenko van 9 oktober 2003, nr 48321/99) eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus (zie uitspraak van het EHRM inzake Mendizabal van 17 januari 2006, nr 51431/99).
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
In veel zaken waarin sprake is van een Nederlands kind, wordt een beroep gedaan op artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Dat artikel ziet niet op het verlenen van een verblijfstitel aan een niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind, maar op aanspraken die een onderdaan van een betreffende staat jegens die staat geldend kan maken in het kader van feitelijke toelating tot het grondgebied van de staat en het bestendig verblijf aldaar. Nu uitzetting van een Nederlands kind in verblijfsprocedures van zijn ouders strikt genomen niet aan de orde is, komt aan artikel 3 van het Vierde Protocol van het EVRM in dit verband geen beslissende betekenis toe. Dit neemt niet weg dat, zoals hiervoor in deze paragraaf reeds is aangegeven, de belangen van het kind in de belangenafweging binnen artikel 8 EVRM worden betrokken.
Door de aspirant-adoptiefouders dient een in het land van herkomst recent afgegeven (niet langer dan zes maanden geleden) medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd, waaruit blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) afgewezen (zie ook B1/4.5). Het vorenstaande is uiteraard niet van toepassing indien het kind op grond van zijn nationaliteit is vrijgesteld van het vereiste van het ondergaan van een onderzoek naar en/of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen.
### 1. Inleiding
Onder adoptiefkind wordt uitsluitend verstaan een kind dat – als gevolg van een erkende buitenlandse adoptiebeslissing – naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht geldt als kind van de adoptanten. De beslissing op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning van een adoptiefkind wordt beheerst door de bepalingen van B2, uiteraard voor zover het kind ten gevolge van de erkende buitenlandse adoptiebeslissing niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 1. Inleiding
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55)).
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55)).
### 6. Beoordeling openbare orde
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
### 2.2.4.1. Verblijfsvoorwaarden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 10. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 4.1.2. Beperking
### 11.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 11.5. Aard van het verblijfsrecht
### 12. Buiten Nederland wegens detentie of militaire dienst
Het verblijf van de vreemdeling die tijdelijk buiten Nederland heeft verbleven voor het vervullen van de militaire dienstplicht of wegens detentie, wordt niet beëindigd wegens de verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, indien:
### 4.1.7. Gezinshereniging
Het [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV.
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
### 2.5. Voorschrift
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties continentaal plat
### 4.4.2. Beperking
### 4.4.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd.
### 4.5.3. Voorschriften
### 4.5. Stagiaires en practicanten
### 4.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e) niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.4.6. Gezinshereniging
Voor musici en artiesten die incidenteel (binnen een periode van vier weken) optreden, is geen TWV vereist (zie [artikel 1, onder 7°, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
### 4.5.1. Beperkingen
### 4.10. Sleutelpersoneel bedrijf van land met Europa-overeenkomst
Veelal zijn directeuren-(groot)aandeelhouders materieel te beschouwen als zelfstandigen vanwege de positie die zij binnen de onderneming innemen.
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 4.6.5.5. Gevraagde bescheiden
### 4.6.6.1. Duurzame middelen
### 4.6.5.5. Gevraagde bescheiden
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Door het feit dat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, ingevolge het bepaalde in [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3), een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben. Ook is het gestelde in [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) en [4.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48) over de aanmeldingsplicht niet van toepassing.
### 4.12.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4.13.4. Geldigheidsduur
### 4.12.5. Arbeidsmarktaantekening
### 5.4.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden onderscheiden in de onderstaande categorieën:
### 5.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
De IND dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een TWV, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring.
### 6.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de [Vw](onbekend)
### 7.1. Inleiding
[Artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) verleent de Minister de bevoegdheid onder de daar geregelde voorwaarden op aanvraag een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen.
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
### 5.5. Samenwerking met UWV WERKbedrijf en de Gemeentelijke Sociale Dienst
### 7.1. Inleiding
Voor het overige zijn de bepalingen van B5/7.1, B5/7.2, B5/7.3, B5/7.4 en B5/7.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ten behoeve van de langdurig ingezetene geen sprake hoeft te zijn van een hooggekwalificeerde vreemdeling die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kan leveren en ook geen advies van het Ministerie van EL&I hoeft te worden ingewonnen.
### 1. Inleiding
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 7.8. EG-langdurig ingezetenen
Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft voor studiedoeleinden, bij tussentijdse beëindiging van de studie of als de studie niet tijdig is afgerond Nederland dient te verlaten. De vreemdeling ondertekent dan ook een verklaring dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor studiedoeleinden verblijf in Nederland wordt toegestaan.
### 2.3. Middelen van bestaan
### 2.3. Middelen van bestaan
### 2.4. Beperking
Indien tussentijds van studie/opleiding wordt gewisseld, wordt de tijd die reeds is gestudeerd afgetrokken van de maximale looptijd van de nieuwe studie/opleiding.
### 7.2. Middelen van bestaan
### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
### 3.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 2.1. Inleiding
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor de voorbereiding op de studie de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 7. Uitwisseling
### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
### 1.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.65) dan wel [3.66 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.66) verleend voor een periode van ten hoogste één jaar met ingang van de dag na de datum van inreis in Nederland.
### 3.2. Aard van het verblijf
### 4.1. Inleiding
Ook ten behoeve van jongeren die wegens hun nationaliteit niet behoeven te beschikken over een geldige mvv, kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, zodat in een eerder stadium duidelijk wordt of de jongere voor het beoogde verblijf in aanmerking komt.
### 4.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
### 3. Programma’s van particuliere organisaties
### 4.8. Onverplichte mvv
### 3. Medisch advies
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
### 5.1. Inleiding
Omdat niet het gastgezin maar de organisatie gedurende het verblijf voor de jongere garant staat, wordt aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning wordt verleend geen met name genoemd gastgezin gekoppeld en is wijziging van gastgezin derhalve mogelijk zolang daarmee het verblijfsdoel niet verandert. Wel dient de verantwoordelijke uitwisselingsorganisatie de wijziging per – vormvrije – brief te melden bij de betreffende Korpschef alsmede aan de IND, en daarbij te bevestigen dat de jongere nog steeds onder volledige verantwoordelijkheid van de organisatie aan het uitwisselingsprogramma deelneemt.
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
### 5.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4.7. Wijziging van verblijfplaats
### 4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
### 4. Mantelzorgnetwerk
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
Als de hoofdpersoon een minderjarig kind is, kunnen de volgende gezinsleden in aanmerking komen voor verblijf als hier bedoeld:
### 3.2.5. Meldplicht
### 3.2.8. Kosten van levensonderhoud
### 3.3. Einde van de bedenktijdfase
### 13. Overgangsrecht
### 3.3. Einde van de bedenktijdfase
### 3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 4.2.3. Medisch onderzoek
### 4.2.4. Rechtshulp
### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte
### 13. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [RvB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) vanaf de datum waarop de vertrektermijn van het slachtoffer eindigt.
### 7.1. Beslissing op de aanvraag
### 2.2. Mvv-vereiste
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
### 9.1. Slachtoffer
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
Het verblijfsdocument wordt afgegeven door de politie onder wiens administratieve verantwoordelijkheid het slachtoffer of de getuige-aangever valt (zie B9/3.2.2).
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 9.3. Plaats van indienen van de aanvraag
### 2. Algemeen
### 2.3. Meldplicht bij de Korpschef
### 2.3. Meldplicht bij de Korpschef
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 2.5. Rechtmatig verblijf
### 3. Economisch actieven
### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
### 3. Economisch actieven
### 2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 2.7. [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.1.1. Voldoende middelen van bestaan
### 3.6.2. Bij voortduring in Nederland wonen
### 3.6.3. Voortdurend in Nederland werken ([artikel 8.17, vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.6.5. Verblijfskaart
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
Ditzelfde geldt ook voor familieleden van een economisch actieve burger van de Unie met dien verstande dat bij de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht dient te worden aangetoond dat de burger van de Unie nog steeds reële en daadwerkelijke arbeid verricht.
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen
### 5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid
### 5.4.3. Familielid onderdaan derde land
### 6.2. Weigering verlenging of intrekking verblijfsdocument
### 5.4.4. Kinderen die 21 jaar worden
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
### 8.5. Leges
### 7.1.1. Actuele bedreiging van de openbare orde en openbare veiligheid
De vaststelling van een actuele bedreiging van de openbare orde of van de openbare veiligheid behoeft niet op het bestaan van een strafbaar feit te berusten. Een zodanige actuele bedreiging kan in voorkomend geval ook worden afgeleid uit het lidmaatschap van, of de deelneming aan activiteiten van een organisatie, waarvan de activiteiten door een Lidstaat van de EU, EER of Zwitserland als een gevaar voor de maatschappij zijn aangemerkt.
### 4.1. Begunstigde
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e) niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
### 3.3.1. Begrippen
### 8.5. Leges
Op het verblijfsdocument van de gezins- of familieleden wordt in beginsel dezelfde arbeidsmarktaantekening geplaatst als op het document van de vreemdeling van wie hun verblijfsrecht afhankelijk is. Dat geldt ook voor wat betreft de aantekeningen inzake beroep op de publieke middelen.
### 8.5. Leges
### 1. Inleiding
### 8.7. Seksuele dienstverlening
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
De Turkse werknemer die drie jaar legale arbeid heeft verricht, heeft daarmee het recht om zijn dienstbetrekking vrijwillig te beëindigen, onder voorwaarde dat hij binnen een redelijke termijn een nieuwe dienstbetrekking vindt en gedurende deze periode blijft behoren tot de legale arbeidsmarkt en geen beroep doet op de publieke middelen. Er is sprake van het blijven behoren tot de legale arbeidsmarkt als betrokkene zich na de vrijwillige beëindiging van zijn dienstbetrekking onmiddellijk inschrijft bij een arbeidsbureau en zich volledig beschikbaar stelt voor het verrichten van werkzaamheden.
### 3.4.1. Nationaal recht
### 5.2. Verblijfsvoorwaarden
### 6.3.2. Arbeid in loondienst
### 7.3. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid
### 5.2. Verblijfsvoorwaarden
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
### 8.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is [artikel 3.30, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) niet van toepassing. Dit betekent dat hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/7.5 en B5/7.7. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van EL&I te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang.
### 8.2. Arbeid in loondienst
### 11. ESH
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
### 14. Het BuPo
### 16.1.2. Binnenkomst na 24 november 1980
### 17.3.2. Reisdocumenten
### 16.1. Binnenkomst en verblijf
### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel
### 2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status
### 2.2.1. Lokaal geworven personeel
Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.
### 2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden lokaal geworven personeel
### 3.2.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Op grond van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) wordt de hier bedoelde verblijfsvergunning aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
Het verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status dient te worden aangetoond aan de hand van een originele verklaring van BuZa waaruit het verblijfsrecht als geprivilegieerde vreemdeling blijkt.
### 2.2.2. Alleenstaand
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
### 3.4.2. Registratie
Het betreft hier het personeel van het NATO AEW&C Programme Management Agency, gevestigd in Brunssum en het NATO C3 Agentschap in Den Haag.
### 3.3.3. Gezinsleden
### 3.3.6. Registratie
### 3.3.8. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) en hun gezinsleden, bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40). De bedoelde vreemdelingen zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verplicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.
### 2.1. Algemeen
### 2.2.1. Minderjarigheid
### 2.2.2. Alleenstaand
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
### 2.4.5. Aard van het verblijfsrecht
Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.
### 2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 2.6.1. Gronden voor verlenging
### 2.4.1. Ambtshalve toets
### 2.6.2. Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding
### 2.6.3. Gronden voor afwijzing van de aanvraag tot verlenging
### 2.6.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Het belang van het herhaald leeftijdsonderzoek is erin gelegen dat zoveel mogelijk dient te worden tegengegaan dat vreemdelingen ten onrechte in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv, of anderszins ten onrechte een behandeling als minderjarige krijgen, terwijl zij feitelijk meerderjarig zijn. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen een minimumleeftijd van twintig jaar wordt gehanteerd. Als deze conclusie bij een herhaald onderzoek wordt getrokken, zal dat vaak betekenen dat de vreemdeling al bij de eerste verlening van de vergunning voor verblijf als Amv meerderjarig was en de vergunning dus ten onrechte heeft verkregen. Het herhaald leeftijdsonderzoek is in dit kader dus een belangrijke aanvulling op het eerste leeftijdsonderzoek.
Op grond van [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de vergunning worden ingetrokken om redenen genoemd in B14/2.6.3 (gronden voor afwijzing van de verlenging).
### 2.8. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
### 2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 2.10.3.2. Uitgeprocedeerde minderjarigen
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake Amv’s.
### 3.1. Algemeen
### 3.2.3. Vrijstelling mvv
De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van [artikel 44, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=44) niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen. Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning. Teneinde het vorengenoemde ongewenste effect te voorkomen is een voorziening getroffen voor die vreemdelingen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook zij in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16).
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
De verblijfsvergunning wordt verleend voor één jaar.
Voor de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.
### 3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
### 3.2.1. Inleiding
### 3.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 3.6. Gezinshereniging en -vorming
### 3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
### 4. Driejarenbeleid in de asielprocedure
### 4.1. Inleiding
### 3.4.4. Leges
Voor de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.
### 4.3. Contra-indicaties
### 4.3. Contra-indicaties
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Gelet op de systematiek van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is het voeren van een procedure in een ander land in het algemeen een afwijzingsgrond voor de asielaanvraag. Zolang de procedure in het andere land nog niet is afgerond, neemt de relevante periode voor het driejarenbeleid nog geen aanvang. De reden hiervoor is dat de vreemdeling het in eigen hand heeft om een van de procedures te beëindigen. Zaken waarin wordt geprocedeerd over de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een ander land voor de asielaanvraag (op grond van [artikel 30, eerste lid, onder a of d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30)) leveren geen relevante periode op voor het driejarenbeleid, omdat dan door het aanwenden van rechtsmiddelen de verantwoordelijkheid automatisch op Nederland zou overgaan, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van de onderliggende procedure. In het geval de rechter heeft vastgesteld dat Nederland wel de asielaanvraag moet behandelen, en dus af moet zien van een overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag, telt de gehele aan die uitspraak voorafgaande procedure mee voor de bepaling van de termijn.
### 4.4.1. Aanvang termijn
### 3.6. Gezinshereniging en -vorming
### 4.4.1. Aanvang termijn
De termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier als bedoeld in [artikel 3.108 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108) (zie [C11/1.1.1](onbekend)).
### 4.4. Berekening termijn
### 4.4.1. Aanvang termijn
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
### 3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
### 3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 4.1. Inleiding
### 4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen
### 4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen
### 5. Vervolging van mensenhandel
Deze grond is bijvoorbeeld van toepassing indien de vreemdeling zich heeft bediend van verschillende personalia (pseudoniemen) en ten aanzien van geen van deze personalia authentieke documenten heeft overgelegd. Ook hier heeft de vreemdeling het zelf in de hand om aan de twijfel een einde te maken, en zolang hij dat niet doet, levert de verstreken tijd in de procedure geen relevante termijn voor het driejarenbeleid op.
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 7.1. Algemene verblijfsvoorwaarden
Gezinsvorming is bij [artikel 1.1, onder r, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.1) gedefinieerd als: ‘gezinshereniging van de echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had.’
### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.12.8. TBC-onderzoek
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6. Verruimde gezinshereniging
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
### 5.7. Polygamie
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 8.2. Hoofdregel
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
### 7.6. Toepassing DNA-onderzoek
Daarnaast waarborgen officiële en gelegaliseerde bescheiden dat de gegevens die bij de IND, de vreemdelingenpolitie, de GBA en de verschillende andere overheidsdiensten bekend zijn, juist en eensluidend zijn. Derhalve wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet ingewilligd, indien de vreemdeling de daarvoor benodigde gelegaliseerde documenten betreffende de staat van personen niet heeft overgelegd.
Als beleidsregel geldt dat de staat van personen wordt aangetoond aan de hand van officiële gelegaliseerde bescheiden. Indien niet-gelegaliseerde documenten worden overgelegd, dienen deze alsnog te worden gelegaliseerd. De vreemdeling draagt zorg voor legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich er op beroept aanspraak te ontlenen aan [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) of [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23). Het gaat daarbij om een beleidsregel omtrent de vaststelling van feiten.
### 10. Artikel 8 EVRM
### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 1. Inleiding
### 1. Inleiding
De redelijke termijn vangt in beginsel aan op de datum van dagtekening van de beschikking, waarbij de hoofdpersoon is toegelaten en waarmee hij toegang tot de arbeidsmarkt heeft verkregen. Dat is dus niet de (eerdere) ingangsdatum van het verblijfsrecht dat met terugwerkende kracht wordt verleend.
### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
### 2.2.2. Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing
### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
### 3.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 1. Inleiding
### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 2.2. Vergunning regulier bepaalde tijd wedertoelating
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
### 11.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
### 11.5. Aard van het verblijfsrecht
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.6.5.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.1.6. Wijziging van de verblijfsrechtelijke beperking
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
### 4.6.4.5. Middelen van bestaan
Voor het doorbrengen van verlof in Nederland dat plaatsvindt in de vrije termijn, dat wil zeggen de termijn gedurende welke het aan vreemdelingen krachtens [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) is toegestaan in Nederland te verblijven, is geen verblijfsvergunning vereist. In die gevallen is immers sprake van rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (zie [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)).
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.8. Vreemdelingen werkzaam geweest als geprivilegieerde vreemdeling
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
### 4.12.2. Verlening van de verblijfsvergunning
### 4.6.6.5. Gevraagde bescheiden
### 4.6.4.6. Duurzame middelen
### 4.7.3. Musici en artiesten
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’.
### 4.7.1. Inleiding
### 4.12.1. Algemeen
### 4.7.2. Grensarbeiders
### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 4.10. Sleutelpersoneel bedrijf van land met Europa-overeenkomst
### 6.1. Strafbepalingen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 5.5. Samenwerking met UWV WERKbedrijf en de Gemeentelijke Sociale Dienst
De IND dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een TWV, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring.
### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
### 7.1. Inleiding
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling:
### 5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 6.3.1. Vordering aan werkgevers tot het verstrekken van gegevens
### 5.3.3. Werkloze buitenlandse werknemers en beëindiging verblijf
### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
### 6. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling
### 6.1. Strafbepalingen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 7.3.1. Puntensysteem
### 7.3.3. Te overleggen stukken
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
### 7.10.3. Voorschriften
### 2.2. Tijdelijk verblijf
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 1.3. Geldigheidsduur
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
Voorts valt in dit verband te denken aan het weigeren van medewerking aan een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen, voor zover die medewerking, gelet op de nationaliteit, mag worden verlangd (zie [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) en B1/4.5).
### 4.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
### 4.6. Voorschriften
### 5.4. Beperking
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
### 2. Medische behandeling
### 4. Mantelzorgnetwerk
### 10. Afwijzing
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
### 3.2. Bedenktijdfase
### 3.2.5. Meldplicht
### 3.3. Einde van de bedenktijdfase
### 3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
### 5. Voorwaarden verblijfsvergunning getuige-aangever
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
### 9.4. Document voor grensoverschrijding, middelen en openbare orde
### 9.5. Leges
### 10. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52)
### 10. EU-recht
### 1.4. De Overeenkomst EG-Zwitserland
### 2.6.1. Niet betalen van leges
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 3.3.2. Zelfstandigen
### 4. Economisch niet-actieven
### 3.6.4. Bedenktijd
### 3.7. Overige categorieën
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.
### 5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
### 5.4.4. Kinderen die 21 jaar worden
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters
### 5.3.2.3. Voortzetting van verblijf bij naturalisatie
### 5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 1. Inleiding
### 11. Verdragen
De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt (zie ook B5/4.4).
### 3.5. Verlies van opgebouwde rechten
### 3.6. Turkse zelfstandige
### 4.1. Begunstigde
### 6.2. Begunstigde
### 6.2. Begunstigde
### 6.3.3. Vestiging
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
### 5.1. Begunstigde
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 12.1. Begunstigde
### 12.3. Gezinshereniging
### 15. Het IVRK
### 11.3. Intrekking verblijfsvergunning
### 16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980
### 17.3. Belang
Het Hof van Justitie van de EG (2 maart 1999, El-Yassini, C-416/96) heeft geoordeeld dat het in artikel 40, eerste alinea, van de Overeenkomst EEG-Marokko neergelegde beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen, op zich niet tot gevolg heeft dat het de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verboden is de verlenging van de verblijfstitel van een op het grondgebied van die lidstaat werkzame Marokkaanse migrerende werknemer te weigeren, ook al kan die maatregel naar haar aard niet worden genomen jegens de onderdanen van de betrokken lidstaat.
### 17.3. Belang
### 17.3.2. Reisdocumenten
### 17.3. Belang
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden lokaal geworven personeel
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 3.3.6. Registratie
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 1. Inleiding
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
### 4. EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden
### 2.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 2.4. Procedurele bepalingen
### 2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 2.6.3. Gronden voor afwijzing van de aanvraag tot verlenging
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 3.4. Procedurele bepalingen
### 3.4.4. Leges
### 3.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s
### 3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 3.7. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3.4.3. De aanvraag
### 4.1. Inleiding
### 4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 3.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.1.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat (zie [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) en [artikel 3.92, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), en [artikel 3.93, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)):
### 3.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
### 10. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 11.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
### 4.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties continentaal plat
### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning
### 4.2.3. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
### 4.6.1. Algemeen
### 4.7.1. Inleiding
### 4.6.6.2. Geldigheidsduur
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 6. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling
### 6. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling
### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 7.1. Inleiding
### 2.1.1. De bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling
### 7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
### 6. Studie
### 2.3. Middelen van bestaan
### 4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
### 7.1. Inleiding
### 7. Uitwisseling
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
### 3.4. Beperking
### 3.7. Verandering van gastgezin
### 4.3. Verblijf voor Working Holiday Program en Working Holiday Scheme
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
### 4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
### 3.2.7. Opvang en huisvesting
### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
### 6.3. Meldplicht
### 6.5. Opvang en financiën
### 8.1. Slachtoffer
### 8.1. Slachtoffer
### 7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
### 9.2. Getuige-aangever
### 2.1. Toegang tot Nederland
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 3.3.2. Zelfstandigen
### 3.6.2. Bij voortduring in Nederland wonen
### 3.6.3. Voortdurend in Nederland werken ([artikel 8.17, vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.6.5. Verblijfskaart
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
### 4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
### 5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 6.1. Verblijfsdocument
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, wordt ontzegd of beëindigd om redenen van volksgezondheid in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden genomen (zie [artikel 8.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)). Hierbij kan, naast de in de gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts worden gedacht aan een ziekte als Sars (zie [artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2)). Het rechtmatig verblijf wordt niet om redenen van volksgezondheid beëindigd indien de ziekte later dan drie maanden na inreis is opgetreden (zie [artikel 8.23, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)).
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
### 4.1. Begunstigde
### 5.2. Verblijfsvoorwaarden
### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
### 5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
### 7.3. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
### 2.1.1. Algemeen
### 2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2. Voorwaarden familiebezoek
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
### 4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.4.1. Ambtshalve toets
### 2.3. Afwijzingsgronden
### 2.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
De geldigheidsduur kan twee maal worden verlengd met een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
### 2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.8. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 3.4.3. De aanvraag
Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.
### 3.4.1. Inleiding
### 3.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 4.4.2. Einde termijn
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 Vw is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de volgende overweging: als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure kan, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en kan anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruikmaken van zijn bevoegdheid de vreemdeling verblijf te weigeren.
### 4.3. Contra-indicaties
### 2.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
### 2.2.2. Alleenstaand
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.5.4. Herhaald onderzoek naar adequate opvang
### 2.6.1. Gronden voor verlenging
### 2.6.2. Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.10. Overgangsrecht
### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
### 3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 3.2.3. Vrijstelling mvv
### 3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
### 5.1. Algemeen
### 5.4.1. Ambtshalve toets
### 5.4.2. Toetsing ex nunc
### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
Indien het onderzoek redelijkerwijs tot inwilliging van de aanvraag kan leiden, bestaat er geen aanleiding om de termijn van het onderzoek aan de vreemdeling toe te rekenen. In die gevallen zal de gevraagde vergunning in het algemeen worden verleend en is reeds daarom het driejarenbeleid niet van toepassing.
### 1. Inleiding
### 3. Kennismigranten
### 5. Vervolging van mensenhandel
### 3. Kennismigranten
### 5.2. Voorwaarden
B9.2 is van overeenkomstige toepassing.
Aan vreemdelingen die voldoen aan het looncriterium dan wel aan de kwalificatie van wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan mits de werkgever bij wie zij in dienst treden op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)), is toegelaten tot de kennismigrantenregeling. Zie voor deze verklaring B15/4.1.
### 4. De procedurele aspecten
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
### 5.4. Procedurele bepalingen
Slechts werkgevers die in Nederland gevestigd zijn, kunnen een beroep op de kennismigrantenregeling doen. De regeling is niet van toepassing op werkgevers die in het buitenland gevestigd zijn, tenzij tevens sprake is van een vestiging in Nederland. De verklaring dient steeds door de in Nederland gevestigde werkgever te worden ondertekend.
Om in aanmerking te komen voor de versnelde procedure voor toelating van kennismigranten, dient de werkgever een volledig ingevulde en ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) in te dienen bij de IND. Het gaat hier om de verklaring, bedoeld in [artikel 1d Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d).
### 4.1. De verklaring van de werkgever ([bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a))
Nu de IND zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de IND van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring (zie [artikel 3.25a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.25a)) aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen:
Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De – alsnog – overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken.
### 5.4.1. Ambtshalve toets
Van startende ondernemingen kan niet worden verwacht dat zij een verklaring omtrent betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst, overleggen, aangezien het bedrijf nog geen (belasting) verleden in Nederland heeft. Verblijf als kennismigrant bij startende ondernemingen is evenwel mogelijk in de navolgende situaties en onder de daarbij genoemde voorwaarden. Verblijf als kennismigrant kan worden toegestaan bij:
De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet. In de praktijk is dat veelal de datum waarop de vreemdeling aangifte heeft gedaan. De ingangsdatum valt echter niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
De verklaring kan worden verkregen via de website van de IND, onder de kennismigrantenmodule.
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
B9.9 is van overeenkomstige toepassing.
De toelatingsprocedure met betrekking tot kennismigranten is bij uitstek een referentprocedure.
### 1. Inleiding
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ wordt door het hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND (en wel op de kennismigrantenmodule) ter beschikking gesteld.
### 1. Inleiding
Dit hoofdstuk regelt het verblijf van vreemdelingen die als kennismigrant een bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie. Het betreft dus vreemdelingen die verblijf als kennismigrant beogen dan wel in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Vreemdelingen die arbeid in loondienst, anders dan als kennismigrant, of arbeid als zelfstandige verrichten, vallen onder het bepaalde in B5.
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (zie B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (zie B15/5.1).
De werkgever kan namens de gezinsleden te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de kennismigrant en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de kennismigrant beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. In het geval de gezinsleden tegelijkertijd met de kennismigrant een verzoek om advies doen, dient gebruik gemaakt te worden van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’. In het geval voor de gezinsleden niet gelijktijdig met de kennismigrant een verzoek om advies wordt ingediend, dient gebruik gemaakt te worden van de formulieren voor nareizende gezinsleden. De werkgever kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van B1/4 en B2/2. B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) niet van toepassing op de tewerkstelling van kennismigranten. De kennismigranten wier werkgevers ingevolge [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) niet langer hoeven te beschikken over een TWV, kunnen voor de duur van maximaal vijf achtereenvolgende jaren in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant. Deze beperking is opgenomen in [artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4).
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als kennismigrant wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al of niet door tussenkomst van de werkgever, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
### 1. Inleiding
Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar wordt verwezen naar B15/5.1. Deze categorie blijft ook na hun dertigste jaar kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij een bruto jaarloon verdient, dat tenminste gelijk is aan het geldende looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar.
### 6.2. Familielid
### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 5.8. Samenwoning
### 6.12.6. Mvv
In [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) is neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74). In het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) is derhalve geen verplichting neergelegd om de inkomsten van anderen dan de hoofdpersoon mee te tellen bij de berekening van de bestaansmiddelen.
### 6.12.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 7.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.6. Mvv
B1/4.4 is van toepassing.
Het middelenvereiste is niet van toepassing indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, dan wel nadat die beslissing is bekend gemaakt. Indien de aanvraag niet is ontvangen binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend of bekend gemaakt, wordt de verblijfsvergunning ingevolge [artikel 3.24a, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) pas verleend, nadat de minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
### 9.5.1. Inleiding
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/8.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn.
### 8.5.1. Inleiding
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 2.5.1. Aanmelding
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
### 4. Vergunning regulier bepaalde tijd terugkeeroptie (minderjarigen)
### 2.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
### 2. Oud-Nederlanders
### 2.3. Vergunning regulier onbepaalde tijd
### 4.2.3. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 4.6.4.4. Gevraagde bescheiden
### 4.7.3. Musici en artiesten
### 4.6.5.2. Duurzame middelen van bestaan
### 4.6.5.3. Beperking
### 4.13.2. Beperking
### 5.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 7. Zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen, inclusief horecabedrijf
### 7.3.3. Te overleggen stukken
### 5.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2. Au pairs
### 3.5. Arbeidsmarktaantekening
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
### 2. Medische behandeling
### 6. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 7. Aard van het verblijfsrecht
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
### 6. Procedurele bepalingen getuige-aangever
### 7.1. Beslissing op de aanvraag
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
### 1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
### 2.7. [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 3.7. Overige categorieën
### 4.1.1. Voldoende middelen van bestaan
### 5.3.2.3. Voortzetting van verblijf bij naturalisatie
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
### 7.2. Uitzetting
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
### 6.3.2. Arbeid in loondienst
### 9. Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan
### 7.1. Verblijf van werknemers
### 11.1. Begunstigde
### 9. Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
Artikel 9 houdt onder meer in dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders tegen hun wil en schept procedurele waarborgen.
### 2. Personeel van ambassades en consulaten, alsmede de gezinsleden
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 3.3.7. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
### 2.6.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
### 3.2.3. Vrijstelling mvv
### 3.4. Procedurele bepalingen
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### 4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
B9/2 is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen indien zich een situatie voordoet als genoemd in B9/2 onder c. Voorts geldt dat als op het moment van ambtshalve beslissen de strafzaak door het OM is geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld danwel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, de verblijfsvergunning niet wordt verleend.
### 5.4. Procedurele bepalingen
### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
Tevens worden aangemerkt als kennismigrant vreemdelingen die in Nederland worden tewerkgesteld in het kader van het doen van wetenschappelijk onderzoek in dienst van een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling, of als arts in opleiding tot specialist bij een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut. Voor hen geldt geen looncriterium.
### 5.3. Afwijzingsgronden
B9/2 is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen indien zich een situatie voordoet als genoemd in B9/2 onder c. Voorts geldt dat als op het moment van ambtshalve beslissen de strafzaak door het OM is geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld danwel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, de verblijfsvergunning niet wordt verleend.
### 5.4.1. Ambtshalve toets
De toetsing is ex nunc. Van belang is niet de situatie op het moment van indienen van de aanvraag, noch die op het moment waarop aangifte is gedaan, maar die op het moment van het ambtshalve beslissen.
### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.2. Verzoek om advies
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
### 15. Kennismigranten
De werkgever vult het formulier elektronisch in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Voor de definiëring van kennismigranten is in het [Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) gekozen voor een éénduidig en objectief criterium, namelijk het looncriterium (zie B15/5.1).
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Voorts worden aangemerkt als kennismigrant vreemdelingen die niet langer dan één jaar na het afronden van een hogere beroepsopleiding of een wetenschappelijke studie in Nederland worden tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling en een bruto jaarloon verdienen dat ten minste gelijk is aan het geldende looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten. Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten wordt verwezen naar B15/5.1.
Tevens worden aangemerkt als kennismigrant vreemdelingen die in Nederland worden tewerkgesteld in het kader van het doen van wetenschappelijk onderzoek in dienst van een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling, of als arts in opleiding tot specialist bij een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut. Voor hen geldt geen looncriterium.
### 4. De procedurele aspecten
Aan vreemdelingen die voldoen aan het looncriterium dan wel aan de kwalificatie van wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan mits de werkgever bij wie zij in dienst treden op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)), is toegelaten tot de kennismigrantenregeling. Zie voor deze verklaring B15/4.1.
Als de gezinsleden nareizen nadat de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een aanvraag heeft ingediend, doen deze gezinsleden, zijnde de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner en de minderjarige kinderen, met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden, een aanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van kennismigranten geldt een streeftermijn van twee weken. Daarbij is de IND afhankelijk van buiten de IND gelegen procedures, zoals de verplichte inschrijving van het huwelijk in de GBA, die moeten zijn afgerond voordat de IND een beslissing kan nemen op de aanvraag.
### 4.3.2. TBC-verklaring
Als de gezinsleden nareizen nadat de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een aanvraag heeft ingediend, doen deze gezinsleden, zijnde de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner en de minderjarige kinderen, met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden, een aanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van kennismigranten geldt een streeftermijn van twee weken. Daarbij is de IND afhankelijk van buiten de IND gelegen procedures, zoals de verplichte inschrijving van het huwelijk in de GBA, die moeten zijn afgerond voordat de IND een beslissing kan nemen op de aanvraag.
Slechts werkgevers die in Nederland gevestigd zijn, kunnen een beroep op de kennismigrantenregeling doen. De regeling is niet van toepassing op werkgevers die in het buitenland gevestigd zijn, tenzij tevens sprake is van een vestiging in Nederland. De verklaring dient steeds door de in Nederland gevestigde werkgever te worden ondertekend.
### 4.3.2. TBC-verklaring
In deze verklaring geeft de werkgever garanties met betrekking tot onder meer de volledigheid van het verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of de aanvraag om een verblijfsvergunning die hij ten behoeve van of namens de kennismigrant indient, het voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant door de vreemdeling en het niet ten koste komen van de Nederlandse Staat van het verblijf van kennismigranten. Daarnaast neemt de werkgever de verplichting op zich de IND te informeren zodra de situatie van de werknemer zich wijzigt. Doordat de werkgever een aantal verplichtingen op zich neemt, wordt de IND in staat gesteld de aanvragen om verblijf als kennismigrant via een versnelde procedure af te doen.
### 4.3.2. TBC-verklaring
Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De – alsnog – overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken.
Als de stukken niet of niet volledig zijn overgelegd dan wel de inhoud van de stukken daartoe aanleiding geeft, kan de IND nader onderzoek (laten) doen naar de werkgever. De gebruikelijke behandeltermijn van twee weken is in het geval van nader onderzoek niet van toepassing.
Van startende ondernemingen kan niet worden verwacht dat zij een verklaring omtrent betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst, overleggen, aangezien het bedrijf nog geen (belasting) verleden in Nederland heeft. Verblijf als kennismigrant bij startende ondernemingen is evenwel mogelijk in de navolgende situaties en onder de daarbij genoemde voorwaarden. Verblijf als kennismigrant kan worden toegestaan bij:
Bij vreemdelingen die een bedrijf uitoefenen op grond van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan. In het geval het bedrijf van deze vreemdeling een startende onderneming is, gelden voor wat betreft verblijf van vreemdelingen als kennismigrant bij dat bedrijf, de hierboven genoemde voorwaarden die van toepassing zijn op startende ondernemingen.
De IND verstrekt een negatief advies aan de werkgever dan wel wijst de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning af als niet aannemelijk is dat de werkgever de in de overgelegde verklaring neergelegde verplichtingen zal (kunnen) nakomen.
### 5.1. Het looncriterium
De verklaring dient elektronisch door de werkgever te worden ingevuld. De door de werkgever ingevulde en ondertekende verklaring (de printversie) dient, met de hierboven vermelde stukken, door de werkgever per post te worden verzonden naar het op de verklaring vermelde adres van de IND.
### 1. Inleiding
### 3.2.1.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
### 4.4.2. Beperking
### 4.9.3. Gezinshereniging en -vorming
### 4.9.1. Algemeen
### 7.10.1. Beperking
### 7.2. Middelen van bestaan
### 2.1.2. (Voorlopige) inschrijving aan de onderwijsinstelling
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
### 7. Gezinshereniging en -vorming
### 8. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
### 2.1. Inleiding
### 4.1. Inleiding
### 4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
### 5.4. Beperking
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
### 6.3. Meldplicht
### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte
### 1.3. Partijen bij de Overeenkomst betreffende de EER
### 2.5.1. Verblijfsrecht van maximaal drie maanden
### 4. Economisch niet-actieven
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
### 5.4.3. Familielid onderdaan derde land
### 3.5. Verlies van opgebouwde rechten
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
### 3.4.1. Nationaal recht
Zulks is niet meer dan al geldt ingevolge de algemene regels inzake verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde (zie B1/4.4).
### 12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer
### 13.1. Belang
### 1. Inleiding
### 3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.4.2. Registratie
### 2.2.2. Alleenstaand
### 2. Voorwaarden familiebezoek
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
### 2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s
### 3.4.2. Ambtshalve verlening
### 3.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
In de toelichting op [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) werd aangegeven dat in het geval de in dit artikel bedoelde vergunning niet ambtshalve wordt verleend en de vreemdeling zich daar niet mee kan verenigen, deze de eventuele gronden tegen de niet-verlening van de hier bedoelde verblijfsvergunning bij voorkeur in beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag aanvoert. Dit is van belang voor de voortgang van de verblijfsrechtelijke procedure en de samenhang met de asielprocedure.
### 4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen
Asielzoekers kunnen aangifte doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek hangende de asielprocedure. In hoofdstuk B9 is uitgewerkt onder welke voorwaarden in dat geval een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kan worden verleend. De asielzoeker kan bij het doen van de aangifte terzake mensenhandel of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolginsonderzoek echter ook aangeven eerst de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag te wensen (zie [Model M55a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55-A)). In geval van een afwijzing van de asielaanvraag kan de vreemdeling ambtshalve (alsnog) in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder genoemde beperking, mits op dat moment (nog steeds) wordt voldaan aan de voorwaarden.
### 5.4.2. Toetsing ex nunc
B9.7.2 is van overeenkomstige toepassing.
### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 4.2. Verzoek om advies
Als het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND de volledig ingevulde en ondertekende verklaring, vergezeld van de hierboven genoemde stukken heeft ontvangen, stuurt het loket de werkgever een ontvangstbevestiging. Als de te overleggen stukken geheel of gedeeltelijk ontbreken, wordt de werkgever erop gewezen dat de ontbrekende stukken alsnog in het kader van het eerste verzoek om advies in verband van de afgifte van een mvv dan wel de eerste verblijfsaanvraag dienen te worden overgelegd. Bij de ontvangstbevestiging krijgt de werkgever een toegangscode waarmee hij op de website van de IND toegang krijgt tot:
### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 3. Kennismigranten
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Uitgezonderd van verblijf als kennismigrant zijn beroepssporters in het betaalde voetbal, geestelijke voorgangers en godsdienstleraren, en vreemdelingen die werkzaamheden verrichten die geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden.
### 4.3.1. Leges
De toelatingsprocedure met betrekking tot de kennismigranten behelst een versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
### 4.1. De verklaring van de werkgever ([bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a))
Om in aanmerking te komen voor de versnelde procedure voor toelating van kennismigranten, dient de werkgever een volledig ingevulde en ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) in te dienen bij de IND. Het gaat hier om de verklaring, bedoeld in [artikel 1d Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d).
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Nu de IND zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de IND van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring (zie [artikel 3.25a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.25a)) aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen:
### 5. Looncriterium
### 5. Looncriterium
De verklaring kan worden verkregen via de website van de IND, onder de kennismigrantenmodule.
### 5.1. Het looncriterium
Indien voor een vreemdeling bij de eerste verlening de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten geldt, blijft bij wijziging van werkgever en bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning dit looncriterium van toepassing.
### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon
Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland dient de werkgever in Nederland door middel van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ te verzoeken om een advies in verband met het voornemen van de kennismigrant om een mvv aan te vragen in het buitenland.
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ wordt door het hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND (en wel op de kennismigrantenmodule) ter beschikking gesteld.
De werkgever vult het formulier elektronisch in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Indien naar aanleiding van een verzoek van de werkgever door de IND een positief advies is verstrekt en de verschuldigde leges zijn betaald, kan aan de vreemdeling in diens land van herkomst of bestendig verblijf door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging een mvv worden afgegeven. Het doen van een mvv-aanvraag zonder dat daar een verzoek om adviesprocedure aan vooraf is gegaan, ligt, gelet op het feit dat de toelatingsprocedure bij beoogd verblijf als kennismigrant bij uitstek een referentprocedure is, niet in de rede. Vreemdelingen die zonder voorafgaande referentprocedure een mvv-aanvraag voor verblijf als kennismigrant willen indienen op een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland, worden er door de vertegenwoordiging op gewezen dat het de voorkeur verdient dat de werkgever bij wie zij verblijf als kennismigrant beogen, een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan de vreemdeling indient. Dat leidt slechts uitzondering wanneer in het kader van een door de werkgever gestart verzoek om adviesprocedure negatief door de IND is geadviseerd. De streeftermijn van twee weken is niet van toepassing op deze aanvragen.
De werkgever kan namens de gezinsleden, te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, en hun minderjarige kinderen, verzoeken om afgifte van een mvv aan de gezinsleden. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van de hoofdstukken B1 en B2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Als de IND indicaties heeft dat het loon niet marktconform is, wordt een advies gevraagd aan het UWV WERKbedrijf of een bepaalde beloning wel of niet marktconform is.
### 8. Bewijsmiddelen
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 9.1.3.2. Ernst van de overtreding
### 4. Verlenging en intrekking
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 9.6.4. Restitutie van leges
In bezwaar, doch niet in administratief beroep, kan voorts van het horen worden afgezien indien aan de bezwaren volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
### 4.2. Wettelijke beletselen
### 5.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
Als de hoofdpersoon voldoet aan de bepalingen van [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), behoeft geen garantverklaring te worden ondertekend.
### 5.7. Polygamie
### 5.5. Minderjarigheid
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 7. Gelegaliseerde bescheiden
### 8.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 3.1. Verblijfsrechtelijke positie vóór remigratie
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
### 11.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
### 2.4. Beperking
### 7.4. Voldoende middelen van bestaan
### 3. Programma’s van particuliere organisaties
### 4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
### 4.3. Verblijf voor Working Holiday Program en Working Holiday Scheme
### 5. Europees Vrijwilligerswerk
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
### 3.1. Aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel
### 3.1. Aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel
### 12. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging
### 3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken
### 2.6.1. Niet betalen van leges
### 3.4. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied
### 5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht
### 14. Het BuPo
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
### 2.2.1. Lokaal geworven personeel
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
### 2.10.3.1. Inleiding
### 2.10.3. Overgangsrecht voor begeleide minderjarigen
### 3.4.2. Ambtshalve verlening
### 5.1. Algemeen
### 4.4. Berekening termijn
### 4.4.2. Einde termijn
### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 4. De procedurele aspecten
### 4. De procedurele aspecten
De toelatingsprocedure met betrekking tot de kennismigranten behelst een versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
### B8. Humanitair tijdelijk
### 4.8. Verwantschap
### 6. Verruimde gezinshereniging
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 6.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 8.1. Inleiding
### 10.2.1. Begrippen
### 10.2.3. Belangenafweging
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 4.5.3. Voorschriften
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
### 4.7. Verblijf in de vrije termijn
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
### 3.5. Arbeidsmarktaantekening
### 5.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4. Mantelzorgnetwerk
### 9. Gezinsleden
### 9. Mensenhandel
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 5.4.3. Familielid onderdaan derde land
### 3.4.1. Nationaal recht
### 11.1. Begunstigde
### 10.2. Repatriëring en bijstand
### 3.2.4. Gezinsleden
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
### 5.2. Voorwaarden
### 5.4.1. Ambtshalve toets
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘tijdsverloop in de asielprocedure’.
### 4. De procedurele aspecten
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.2. Familielid
### 6.9. Openbare orde beleid
### 6.7. Document voor grensoverschrijding
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
### 4.5.1. Beperkingen
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
### 4.6.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 7.2. Middelen van bestaan
### 9.2. Getuige-aangever
### 12. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging
### 6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 12.1. Begunstigde
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.3.5. Verblijfsdocument
### 2.10. Overgangsrecht
### 5.1. Algemeen
### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 3. Seizoenarbeid
### 3.7. Buitenlandse pleegkinderen
### 7.2.5. Openbare orde
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 4. Wedertoelating
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 4.6.2.2. Beperking
### 4.6.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
### 7.2. Middelen van bestaan
### 2.2. Mvv-vereiste
### 3.7. Overige categorieën
### 3.3.1. Begrippen
### 2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest
### 9.1.9. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.8. Samenwoning
### 9. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
### 8.1. Inleiding
### 6.8. TBC-onderzoek
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
### 4.6.5.1. Geldigheidsduur
### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
### 3.5.2. Onvrijwillige werkloosheid
### 1. Inleiding
### 2. EVRM
### 3.4.2. Voorwaarden Associatiebesluit 1/80
### 6.3.3. Vestiging
### 1. Inleiding
### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
### 5.1. Algemeen
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 5.5. Minderjarigheid
### 1.5.5. Gezinshereniging
### 4.3.3.4. Inkomsten uit overige bron
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 4.9. Illegaal verblijf
### 2.6. Voorschriften
### 7.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.2. Au pair
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.5. Medisch onderzoek
### B7. Gezinsmigratie
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 9.1.8. [Artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 4.6.6.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.6.6.5. Gevraagde bescheiden
### 4.12.4. Beperking
### 1. Inleiding
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3.3.1. Verdrag van Ottawa
### 3.5.3. Geldigheidsduur
### 3.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 4.4.2. Einde termijn
### 4. Driejarenbeleid in de asielprocedure
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
### 6.5. Opvang en financiën
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 5. Looncriterium
De toelatingsprocedure met betrekking tot kennismigranten is bij uitstek een referentprocedure.
De werkgever kan namens de gezinsleden te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de kennismigrant en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de kennismigrant beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. In het geval de gezinsleden tegelijkertijd met de kennismigrant een verzoek om advies doen, dient gebruik gemaakt te worden van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’. In het geval voor de gezinsleden niet gelijktijdig met de kennismigrant een verzoek om advies wordt ingediend, dient gebruik gemaakt te worden van de formulieren voor nareizende gezinsleden. De werkgever kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van B1/4 en B2/2. B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als kennismigrant wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al of niet door tussenkomst van de werkgever, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
Het aanvraagformulier kan worden verkregen via de website van de IND, en wel op de kennismigrantenmodule. Het aanvraagformulier dient elektronisch te worden ingevuld.
### 10.4. Verlenging en zoekperiode
Als de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, maakt hij daartoe een afspraak met het loket.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
Als de gezinsleden nareizen nadat de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een aanvraag heeft ingediend, doen deze gezinsleden, zijnde de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen, met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden, een aanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van kennismigranten geldt een streeftermijn van twee weken. Daarbij is de IND afhankelijk van buiten de IND gelegen procedures, zoals de verplichte inschrijving van het huwelijk in de GBA, die moeten zijn afgerond voordat de IND een beslissing kan nemen op de aanvraag.
De beslistermijn van twee weken is tevens van toepassing op aanvragen om wijziging van de beperking waaronder eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend in de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Hierbij kan worden gedacht aan het geval dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, deze beperking wil wijzigen in de beperking ‘verblijf als kennismigrant’.
Indien een vreemdeling voldoet aan het looncriterium wordt zondermeer aangenomen dat hij voldoet aan het vereiste om duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
Betaling van de door de betrokken vreemdeling(en) verschuldigde leges vindt plaats door de werkgever door middel van een machtiging tot automatische incasso. Deze machtiging wordt door de werkgever bij elke individuele aanvraag afgegeven. Ten behoeve van de automatische incasso geeft de werkgever een Nederlands bankrekeningnummer op. Als de werkgever geen machtiging tot automatische incasso afgeeft bij de aanvraag ontvangt de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een factuur met een acceptgiro van het CJIB ter betaling van de verschuldigde leges. De beslistermijn van twee weken is dan niet van toepassing.
### 4.3.2. TBC-verklaring
De verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst tot een maximum van vijf jaar.
De werkgever neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’(zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de kennismigrant(en) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de werkgever zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Indien de kennismigrant niet over een mvv beschikt wordt de volgende arbeidsmarktaantekening geplaatst: ‘Arbeid niet toegestaan; TWV vereist’. Dit geldt ook voor diens echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner.
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Als het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND de volledig ingevulde en ondertekende verklaring, vergezeld van de hierboven genoemde stukken heeft ontvangen, stuurt het loket de werkgever een ontvangstbevestiging. Als de te overleggen stukken geheel of gedeeltelijk ontbreken, wordt de werkgever erop gewezen dat de ontbrekende stukken alsnog in het kader van het eerste verzoek om advies in verband van de afgifte van een mvv dan wel de eerste verblijfsaanvraag dienen te worden overgelegd. Bij de ontvangstbevestiging krijgt de werkgever een toegangscode waarmee hij op de website van de IND toegang krijgt tot:
### 4.2. Verzoek om advies
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 9.2. Verhalen van de kosten van uitzetting op de referent
### 4.9. Vertrektermijn
### 2.1. Beleidsregels
### 2.1.1. Arbeid op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat en arbeid op een Nederlands zeeschip
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2.5.3. De controletaak van de politie ingevolge de [Wobka](onbekend)
### 2.6. Voorschrift
### 6. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat
### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 5.1. Het looncriterium
### 5.1.3. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
De werkgever dient het ingevulde en door de kennismigrant ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld met de vereiste stukken, per post te verzenden naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
De werkgever of de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, kan met een aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning voor een kennismigrant, tevens tegelijkertijd een aanvraag doen voor de meegereisde echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen. Het aanvraagformulier wordt zowel door de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt als door de gezinsleden ondertekend.
### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen
Voor beroepen in de individuele gezondheidszorg is registratie in het beroepen in de individuele gezondheidszorg register verplicht. Indien een kennismigrant in Nederland een beroep wil uitoefenen waarvoor beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is, maar niet in het register geregistreerd staat wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning of verzoek om advies voor verblijf als kennismigrant afgewezen omdat er geen sprake is van wettelijk toegestane arbeid (zie B15/5.1). Indien aan de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie voorwaarden zijn verbonden betreffende de inhoud van de uitoefening van het beroep, bijvoorbeeld dat bepaalde handelingen slechts onder supervisie verricht mogen worden, wordt de vergunning verleend. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever dat aan de voorwaarden voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie wordt voldaan.
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Indien de kennismigrant in het bezit is van een mvv wordt op de sticker aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor diens echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner.
### 11.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de GBA. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de IND na de inwilliging van de aanvraag.
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
### 4.3.1. Leges
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Voor de kennismigrant die op grond van [artikel 17, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) is vrijgesteld van het mvv-vereiste, staat de mogelijkheid open om bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen teneinde zijn verblijfsaanspraak vooraf te laten toetsen (zie B1/4.1.1). De werkgever in Nederland kan voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv middels het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ verzoeken om een advies omtrent de afgifte van een mvv (zie B15/4.2).
Echtgenoten en partners van kennismigranten krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van kennismigranten wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5.
De vreemdeling die in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning als kennismigrant hoeft geen wijziging van de beperking aan te vragen als hij van werkgever verandert mits nog steeds aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant wordt voldaan.
### 3.2. Na medische behandeling
Voor de vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant gelden looncriteria, te weten een looncriterium voor vreemdelingen die ouder zijn dan dertig jaar, een looncriterium voor vreemdelingen die jonger zijn dan dertig jaar en een looncriterium voor in Nederland afgestudeerde vreemdelingen die in aansluiting op hun studie dan wel gedurende het zoekjaar, werk als kennismigrant vinden. Het looncriterium houdt in dat uit wettelijk toegestane arbeid in loondienst voor één en dezelfde werkgever, een bruto jaarloon dient te worden ontvangen ten minste ter hoogte van een bedrag dat jaarlijks door de Minister van SZW wordt vastgesteld. Het looncriterium voor kennismigranten wordt conform het gestelde in [artikel 1d, derde lid, van het Besluit tot uitvoering van de Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) (zie paragraaf 21, onderdeel f, inkomenscriterium kennismigranten), jaarlijks met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar herzien met de procentuele wijziging van het meest recente indexcijfer van de CAO-lonen, gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het inkomenscriterium wordt gepubliceerd in paragraaf 21, onderdeel f, inkomenscriterium kennismigranten van de Uitvoeringsregels Wav.
De vereiste premies en belastingen moeten worden afgedragen.
Op het moment dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant de leeftijd van dertig jaar bereikt, blijft de vreemdeling, ongeacht de functie die hij vervult, gelet op het gestelde in de toelichting van het Besluit van 28 september 2004 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wav voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, mits hij nog steeds voldoet aan de jaarloonbepalingen die voor hem golden bij de eerste verlening van de verblijfsvergunning als kennismigrant en hij niet van werkgever is veranderd. Indien de vreemdeling na het bereiken van het dertigste levensjaar van werkgever verandert en hij verblijf als kennismigrant blijft beogen, dient hij te voldoen aan het jaarloonvereiste voor vreemdelingen van dertig jaar en ouder zoals door de Minister van SZW vastgesteld.
Indien voor een vreemdeling bij de eerste verlening de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten geldt, blijft bij wijziging van werkgever en bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning dit looncriterium van toepassing.
Er kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan zonder dat hoeft te zijn voldaan aan het looncriterium zoals dat door de Minister van SZW is vastgesteld voor verblijf als kennismigrant, aan wetenschappelijk onderzoekers en aan artsen in opleiding tot specialist. Alsdan geldt het algemene middelenvereiste onverkort (Zie B1/4.3).
### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon
In tegenstelling tot het middelenvereiste wordt bij de beoordeling van het looncriterium uitsluitend betekenis toegekend aan het loon in geld. Het gaat daarbij om het vaste contractueel overeengekomen en in geld vastgestelde bruto loon. De waarde van niet in geld uitgekeerd loon en de waarde van onzekere loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen worden derhalve niet meegeteld. Vaste toeslagen zoals de vakantietoeslag en een dertiende maand kunnen bij dit bruto loon wel worden meegerekend.
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt in het kader van dit beleidsonderdeel aangetoond door het overleggen van:
### 5.1.3. Loon niet marktconform
De IND wijst een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf of een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ af of trekt deze in als sprake is van een loon dat naar het oordeel van de minister van SZW niet marktconform is.
Als de IND indicaties heeft dat het loon niet marktconform is, wordt een advies gevraagd aan het UWV WERKbedrijf of een bepaalde beloning wel of niet marktconform is.
De IND stelt de werkgever eerst in de gelegenheid om het volgende met (aanvullende) stukken inzichtelijk te maken:
Als geen sprake is van een CAO moet de werkgever informatie verstrekken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden overeenkomen met vergelijkbare functies.
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
De nieuwe voorwaarde geldt, ingevolge [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103), voor alle aanvragen om een verblijfsvergunning of machtiging tot voorlopig verblijf met als doel: ‘verblijf als kennismigrant’, die zijn ingediend op of na 19 juni 2011.
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als kennismigrant.
### 9.2. Ziekte en arbeidsongeschiktheid
Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten. Bij ziekte blijft de kennismigrant aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een dienstverband met een werkgever die een verklaring heeft afgelegd in het kader van het kennismigrantenbeleid en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, aan het loonvereiste blijft voldoen.
Indien een vreemdeling voldoet aan het looncriterium wordt zondermeer aangenomen dat hij voldoet aan het vereiste om duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
### 5.3. Beroepen in de individuele gezondheidszorg
Voor beroepen in de individuele gezondheidszorg is registratie in het beroepen in de individuele gezondheidszorg register verplicht. Indien een kennismigrant in Nederland een beroep wil uitoefenen waarvoor beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is, maar niet in het register geregistreerd staat wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning of verzoek om advies voor verblijf als kennismigrant afgewezen omdat er geen sprake is van wettelijk toegestane arbeid (zie B15/5.1). Indien aan de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie voorwaarden zijn verbonden betreffende de inhoud van de uitoefening van het beroep, bijvoorbeeld dat bepaalde handelingen slechts onder supervisie verricht mogen worden, wordt de vergunning verleend. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever dat aan de voorwaarden voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie wordt voldaan.
Indien een kennismigrant na een periode van ziekte arbeidsongeschikt wordt verklaard, geldt het volgende.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
Als de kennismigrant als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister wordt de verblijfsvergunning verleend voor ten hoogste de duur van de opleiding.
Indien de vreemdeling voor een beperkte periode in het beroepen in de individuele gezondheidszorg register staat geregistreerd wordt de verblijfsvergunning verleend voor de duur van de registratie.
### 10.1. Zoekjaar
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
Als de vreemdeling gedurende het zoekjaar een beroep doet op de algemene middelen kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, eerste lid, onder y, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
De arbeidsmarktaantekening ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ houdt in dat een vreemdeling, die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant, arbeid als kennismigrant mag verrichten. Voor andere arbeid is een TWV vereist.
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’. Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Indien de kennismigrant van werkgever verandert, moet hij nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant. Op de nieuwe werkgever rust de verplichting aan het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND te melden dat betrokken kennismigrant in dienst is getreden en daarbij de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2 te overleggen.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Indien de arbeidsovereenkomst van de kennismigrant gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning door de werkgever voortijdig wordt ontbonden, zonder dat de kennismigrant daarvan een verwijt kan worden gemaakt, wordt hem een zoektermijn van drie maanden gegund. De werkgever maakt schriftelijk melding van de beëindiging van het dienstverband bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND. Vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd geldt een zoekperiode van drie maanden voor de vreemdeling om een nieuwe functie als kennismigrant te verwerven. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant doet de (nieuwe) werkgever daarvan schriftelijk mededeling aan het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND onder overlegging van de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2 . In het geval dat de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, dient deze toegelaten te zijn tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) en dient de vreemdeling te voldoen aan het looncriterium, respectievelijk dient hij een functie als wetenschappelijk onderzoeker dan wel arts in opleiding tot specialist te vervullen. Slaagt de vreemdeling er niet in binnen drie maanden een dergelijke functie te vinden dan wordt zijn verblijfsvergunning ingetrokken.
Indien de zoekperiode van drie maanden zich uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de kennismigrant, dient de kennismigrant om verlenging van zijn verblijfsvergunning als kennismigrant te vragen. Bij de behandeling van de aanvraag zal rekening gehouden worden met de (resterende) zoekperiode die de vreemdeling wordt gegund om een functie als kennismigrant te verwerven. Voor deze aanvraag is de gangbare behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant dient de kennismigrant, dan wel diens (nieuwe) werkgever, daarvan schriftelijk melding te doen onder overlegging van de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2. In het geval de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, deze is toegelaten tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) en de vreemdeling voldoet aan het looncriterium, respectievelijk een functie als wetenschappelijk onderzoeker dan wel arts in opleiding tot specialist vervult, kan de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant worden verlengd. Vindt de vreemdeling geen baan als kennismigrant dan zal de aanvraag tot verlenging worden afgewezen.
Voor de vreemdeling die als arts in opleiding tot specialist een verblijfsvergunning als kennismigrant aanvraagt geldt dat deze zal worden verleend voor de duur van zijn opleiding. Na beëindiging van zijn opleiding is verlenging van de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant slechts mogelijk indien de arts in opleiding tot specialist een andere functie als kennismigrant verwerft. In dat geval dient hij verlenging van de vergunning voor verblijf als kennismigrant aan te vragen.
### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking
Op de vreemdeling rust de verplichting om onmiddellijk aan de Korpschef melding te maken van het feit dat hij niet meer aan de beperking voldoet. Op de werkgever rust de verplichting om de IND schriftelijk in kennis te stellen van het feit dat de kennismigrant niet langer bij deze werkgever werkzaam is, niet langer aan het looncriterium voldoet, of niet langer werkzaamheden als wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist vervult (zie daarvoor ook [artikelen 4.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) en [4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43) en [A3/7.3.5](onbekend) en [A3/7.3.7](onbekend)).
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ kan op grond van het bepaalde in [artikel 19, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19), juncto [artikel 18 eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), worden ingetrokken als betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden van de beperking ‘verblijf als kennismigrant’.
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Deze regeling wijkt op de volgende punten af van het beleid inzake het zoekjaar afgestudeerden (zie B15/10):
### 11.2. Voorwaarden
De verblijfsvergunning kan op aanvraag worden verleend, indien:
Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten. Bij ziekte blijft de kennismigrant aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een dienstverband met een werkgever die een verklaring heeft afgelegd in het kader van het kennismigrantenbeleid en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, aan het loonvereiste blijft voldoen.
Indien een kennismigrant na een periode van ziekte arbeidsongeschikt wordt verklaard, geldt het volgende.
Onder een kennismigrant die arbeidsongeschikt is wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant en die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. De verblijfsvergunning van de kennismigrant wordt ingetrokken bij volledige arbeidsongeschiktheid. Indien sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (percentage minder dan 80%) en de kennismigrant in dienst blijft bij de werkgever dient hij, op grond van de uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) en zijn inkomen uit het dienstverband met de werkgever, nog steeds te voldoen aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant. Als de kennismigrant gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en zijn dienstverband bij de werkgever is beëindigd zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, kan hij gebruik maken van de zoekperiode van drie maanden na de datum waarop het dienstverband (voortijdig) is beëindigd. Indien betrokken vreemdeling er niet in slaagt om in die periode werk te vinden waarmee hij voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant ingetrokken. Bij de beoordeling of de gedeeltelijk arbeidsongeschikte vreemdeling voldoet aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant wordt een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) meegerekend als bestanddeel van het brutoloon.
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
Omdat nog niet alle studenten een geaccrediteerde opleiding met een Master-graad afronden, maar er ook nog studenten afstuderen aan een ongedeelde opleiding, wordt een getuigschrift van een geaccrediteerde ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 18:15 WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), gelijkgesteld met een Master-graad als hierbedoeld.
Vreemdelingen die met goed gevolg een hogere beroepsopleiding of wetenschappelijke studie in Nederland hebben afgerond, krijgen de mogelijkheid om binnen maximaal één jaar (zoekperiode) na de datum van voltooiing van de studie of opleiding een functie als kennismigrant te vinden. Het gaat hier om vreemdelingen die op basis van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘studie’ in Nederland hun studie hebben afgerond. Indien de vreemdeling gebruik wil maken van het zoekjaar, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de beperking in (zie B15/10.2 en B15/10.3).
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
Het zoekjaar geldt niet voor vreemdelingen die verblijf hebben voor studie aan voortgezet of beroepsonderwijs. Aan hen is verblijf toegestaan onder meer om een positieve bijdrage aan de ontwikkeling in het land van herkomst te kunnen leveren. Het bieden van een mogelijkheid om zich na beëindiging van de studie aan voortgezet en beroepsonderwijs op een functie als kennismigrant te oriënteren, is niet in overeenstemming met de intentie van het toestaan van verblijf voor studie aan voortgezet of beroepsonderwijs.
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 8.3.1. Gegevens en bescheiden uit aangewezen administraties
### 2. Arbeid in loondienst
### 5.1.3. Loon niet marktconform
### 5.1.3. Loon niet marktconform
### 5.3. Beroepen in de individuele gezondheidszorg
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 5.1. Het looncriterium
Het looncriterium is een bijzondere voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant en wordt derhalve onderscheiden van het vereiste duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 5.1. Het looncriterium
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd)partner/ouder (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 8.1. Wijziging van werkgever
Indien de zoekperiode van drie maanden zich uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de kennismigrant, dient de kennismigrant om verlenging van zijn verblijfsvergunning als kennismigrant te vragen. Bij de behandeling van de aanvraag zal rekening gehouden worden met de (resterende) zoekperiode die de vreemdeling wordt gegund om een functie als kennismigrant te verwerven. Voor deze aanvraag is de gangbare behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant dient de kennismigrant, dan wel diens (nieuwe) werkgever, daarvan schriftelijk melding te doen onder overlegging van de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2. In het geval de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, deze is toegelaten tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) en de vreemdeling voldoet aan het looncriterium, respectievelijk een functie als wetenschappelijk onderzoeker dan wel arts in opleiding tot specialist vervult, kan de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant worden verlengd. Vindt de vreemdeling geen baan als kennismigrant dan zal de aanvraag tot verlenging worden afgewezen.
### 8.2. Zoekperiode
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of zijn vertaald door een vertaler die door de Nederlandse rechtbank is beëdigd.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
Indien de vreemdeling beschikt over een arbeidsovereenkomst voor een kortere duur dan één jaar, dient de vreemdeling gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst naar rato te voldoen aan het criterium van het bruto jaarloon. De vreemdeling dient derhalve een loon in geld te genieten dat de uitkomst is van de rekensom: geldend looncriterium, gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal maanden van de arbeidsovereenkomst.
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Onder een kennismigrant die arbeidsongeschikt is wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant en die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. De verblijfsvergunning van de kennismigrant wordt ingetrokken bij volledige arbeidsongeschiktheid. Indien sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (percentage minder dan 80%) en de kennismigrant in dienst blijft bij de werkgever dient hij, op grond van de uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) en zijn inkomen uit het dienstverband met de werkgever, nog steeds te voldoen aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant. Als de kennismigrant gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en zijn dienstverband bij de werkgever is beëindigd zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, kan hij gebruik maken van de zoekperiode van drie maanden na de datum waarop het dienstverband (voortijdig) is beëindigd. Indien betrokken vreemdeling er niet in slaagt om in die periode werk te vinden waarmee hij voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant ingetrokken. Bij de beoordeling of de gedeeltelijk arbeidsongeschikte vreemdeling voldoet aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant wordt een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) meegerekend als bestanddeel van het brutoloon.
### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst tot een maximum van vijf jaar.
De verblijfsvergunning kan voor vijf jaar worden verleend als de vreemdeling, die verblijf als kennismigrant beoogt, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overlegt. Als de vreemdeling, die verblijf als kennismigrant beoogt, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant voor ten hoogste de duur van de arbeidsovereenkomst afgegeven (zie [artikelen 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en [3.59a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59a)).
### 10.1. Zoekjaar
Echtgenoten en partners van kennismigranten krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van kennismigranten wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking
### 8.1. Wijziging van werkgever
### 3.3. Na verblijf als Amv
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking
Voor de mvv-aanvraag in het kader van de regeling hoogopgeleiden wordt gestreefd naar afhandeling van de aanvraag binnen een termijn van vier weken na voldoening van de leges. Voor de aanvraag om een verblijfsvergunning zal afhandeling binnen zes weken worden na gestreefd.
Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van één jaar na voltooiing van zijn opleiding of studie een baan als kennismigrant te vinden, de werkgever op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) is toegelaten tot de kennismigrantenregeling en de vreemdeling aan het looncriterium voldoet, kan de vreemdeling een aanvraag om wijziging van de beperking in ‘verblijf als kennismigrant’ indienen (zie B15/3 en verder).
### 10.2. Voorwaarden
De verblijfsvergunning kan op aanvraag worden verleend, indien:
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
Als de vreemdeling gedurende het zoekjaar een beroep doet op de algemene middelen kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
### 1. Inleiding
De algemene bepalingen van B1/4, B2/2, B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
### 1. Inleiding
Bij de in 1999 ondertekende Bologna-verklaring hebben de aangesloten Europese landen zich gecommitteerd te komen tot een Europa-breed vergelijkbaar en uitwisselbaar onderwijssysteem. De aangesloten landen hebben hierin vast gelegd dat zij vóór 2010 het Bachelor-Master stelsel invoeren. De achterliggende gedachte is dat het hoger onderwijs op deze manier flexibeler, opener en aantrekkelijker wordt. Gelet hierop zal een vreemdeling die een opleiding heeft voltooid aan een hoger onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring gemakkelijker aansluiting vinden met de Nederlandse arbeidsmarkt.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen drie jaar
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’. Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ kan, tenzij hierna anders aangegeven, alleen op aanvraag worden verleend.
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
Tenzij:
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
Vreemdelingen die in Nederland zijn afgestudeerd aan een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs met een Master-graad alsmede vreemdelingen die in Nederland gepromoveerd zijn, krijgen binnen de regeling hoogopgeleiden de mogelijkheid om binnen maximaal één jaar (zoekjaar) een functie als kennismigrant te vinden of een innovatief bedrijf te starten.
Hetzelfde geldt voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd met een Master-graad of gepromoveerd aan een opleiding die is opgenomen in de top-200 van de meest recent gepubliceerde lijsten van de ‘Times Higher Education World University Rankings’, ‘de QS World University Rankings’ of de ‘Academic Ranking of World Universities’ (ook wel genoemd de Shanghai Jiao Tong ranking).
Daarnaast wordt de vreemdeling die om toelating vraagt in het kader van de regeling hoogopgeleiden getoetst aan de hand van een puntensysteem. Er wordt getoetst op opleiding, op leeftijd en op indicatoren voor het welslagen in Nederland. De vreemdeling dient minimaal 35 punten te halen in het puntensysteem om voor toelating in aanmerking te komen.
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
Deze regeling wijkt op de volgende punten af van het beleid inzake het zoekjaar afgestudeerden (zie B15/10):
### 11.2. Voorwaarden
De verblijfsvergunning kan op aanvraag worden verleend, indien:
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Als de vreemdeling gedurende het zoekjaar hoogopgeleide een beroep doet op de algemene middelen kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
De vreemdeling die reeds een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar afgestudeerde’ heeft gehad, kan geen verblijfsvergunning meer krijgen onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
De in Nederland afgestudeerde vreemdeling dient een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs te hebben afgerond met een Master-graad of een Doctor-graad te hebben behaald.
Omdat nog niet alle studenten een geaccrediteerde opleiding met een Master-graad afronden, maar er ook nog studenten afstuderen aan een ongedeelde opleiding, wordt een getuigschrift van een geaccrediteerde ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 18:15 WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), gelijkgesteld met een Master-graad als hier bedoeld.
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
De vreemdeling dient zelf zorg te dragen voor waardering van zijn diploma door de Nuffic. Hiertoe dient hij een gewaarmerkt kopie van zijn diploma en de bijbehorende cijferlijst, zonodig voorzien van een vertaling door een beëdigde vertaler voor waardering aan de Nuffic voor te leggen. De aanvraag dient te worden ingediend bij het Informatiecentrum Diplomawaardering. De Nuffic zal aan de hand van de gewaarmerkte kopieën zomogelijk de authenticiteit van het diploma beoordelen. Betrokkene toont dit aan door overlegging van de schriftelijke diplomawaardering van Nuffic bij de aanvraag bij de IND.
De vreemdeling heeft tot drie jaar na datum afstuderen of promoveren de mogelijkheid van de regeling hoogopgeleiden gebruik te maken.
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
In het puntensysteem kan de vreemdeling maximaal 40 punten behalen.
De vreemdeling heeft minimaal 35 punten nodig om voor verblijf in aanmerking te komen. De onderdelen waarvoor punten kunnen worden toegekend zijn:
### 16. Voortgezet verblijf
Hoe jonger een vreemdeling binnenkomt, hoe langer hij/zij een positieve bijdrage kan leveren aan de welvaartstaat. Een jongere leeftijd betekent doorgaans ook dat de vreemdeling zich snel aan Nederland zal kunnen aanpassen en gemakkelijker een baan zal kunnen vinden. De vreemdeling die tussen de 21 en 40 jaar is, scoort 5 extra punten.
Hieronder wordt verstaan eerder verblijf in Nederland voor arbeid of studie, de Nederlandse of Engelse taal sprekend of opleiding voltooid aan een hoger onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring.
### 16. Voortgezet verblijf
### 3.3. Na verblijf als Amv
Puntensysteem hoogopgeleiden:
Om mogelijke excessieve gebruikmaking van de regeling hoogopgeleiden te kunnen bestrijden kan, na besluitvorming daarover onder verantwoordelijkheid van onze Minister en de Minister van SZW en OCW, besloten worden voor toelating in het kader van de regeling hoogopgeleiden een quotum in te stellen.
### 3.3.1. Algemeen
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Indien sprake is van eerste toelating geldt het algemene middelenvereiste (zie B1/4.3, B2/2.9, B2/4.12 en B2/5.10). Indien sprake is van voortgezet verblijf geldt het volgende. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Voor die afweging van belangen wordt verwezen naar B2/8.5.2.
Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform [bijlage 7f2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7f2) (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
De verblijfsvergunning zoekjaar hoogopgeleide wordt verleend met ingang van de datum aanvraag van de verblijfsvergunning en wordt altijd, ongeacht de datum van afstuderen of promoveren, verleend voor de duur van één jaar.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ wordt in de hierboven genoemde gevallen ten hoogste verlengd tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
‘Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner/ouder (naam). Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De vreemdeling hoeft niet direct voorafgaand aan (dat wil zeggen aansluitend op) de aanvraag om wijziging van de beperking in het bezit geweest te zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. Wel dient de aanvraag tijdig ingediend te zijn (zie B1/5.1). Daarnaast is van belang dat de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ altijd volgt op eerder bezit van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. De vreemdeling komt derhalve niet voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1) in aanmerking indien hij na verbreking van de relatie in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder een andere beperking.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode hoogopgeleide’ is van tijdelijke aard en wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
De geldigheidsduur van een TWV verleend in samenhang met een verblijfsvergunning in het kader van de regeling hoogopgeleiden zal gelet hierop in beginsel maximaal een jaar zijn. Aan een langere geldigheidsduur van de TWV kunnen geen verblijfsrechten worden ontleend.
Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van één jaar, na verlening van de verblijfsvergunning, een baan als kennismigrant te vinden bij een werkgever die op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) is toegelaten tot de kennismigrantenregeling en de vreemdeling aan het looncriterium voldoet, kan de vreemdeling een aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning in ‘verblijf als kennismigrant’ indienen (zie B15/3 en verder). Voor de hoogopgeleiden wordt aangesloten bij het looncriterium voor in Nederland afgestudeerde vreemdelingen die in aansluiting op hun studie dan wel gedurende het zoekjaar, werk als kennismigrant vinden.
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
Voor de verlening van deze verblijfsvergunning is niet noodzakelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken.
Zie voor het beleid inzake de uitgeprocedeerde begeleide vreemdeling die nog minderjarig is B14/2.10.3.2.
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
Ingevolge [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan, onder bepaalde voorwaarden, aan de volgende categorieën vreemdelingen een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend:
### 3.5. Verblijf als gezinslid bij een houder van een Europese blauwe kaart
Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) of [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), wordt de verblijfsvergunning niet verleend. Artikel 3.51 Vb geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. In B16 wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, is [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) van belang (zie B16/7) Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) of [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. In B16/4 wordt het beleid voor de volgende gevallen nader uitgewerkt:
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ kan, tenzij hierna anders aangegeven, alleen op aanvraag worden verleend.
Naast de beleidsregels in B16 zijn, tenzij hieronder anders is aangegeven, ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4. Voor wat betreft de aanvraag zijn tevens de algemene bepalingen van B1/5 en B1/9 van toepassing.
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
Voorts bevat [artikel 3.51, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) een bijzondere regeling voor het voortgezet verblijf van de Turkse onderdaan wiens huwelijk na drie jaar is ontbonden of ontwricht en die op grond van dit huwelijk één jaar rechtmatig verblijf heeft gehad.
Indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen drie jaar
Tenzij:
### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen
### 5. Looncriterium
### 1. Inleiding
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
### 9.1. Werkloosheid
### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.2. Na medische behandeling
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 8.2. Zoekperiode
### 11. Regeling hoogopgeleiden
### 11.1. Zoekjaar
### 11.1. Zoekjaar
In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan.
Indien de vreemdeling gebruik wil maken van het zoekjaar, dient hij een aanvraag tot wijziging van de beperking in door middel van een aanvraagformulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) dat te verkrijgen is bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze aanvraag dient bij één van de loketten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te worden ingediend.
### 16. Voortgezet verblijf
Indien sprake is van eerste toelating geldt het algemene middelenvereiste (zie B1/4.3, B2/2.10, B2/4.11 en B2/5.10). Indien sprake is van voortgezet verblijf geldt het volgende. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen wordt verwezen naar B2/9.5.2.
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar afgestudeerde’.
### 2. Na verblijf als minderjarige
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Voor de mvv-aanvraag in het kader van de regeling hoogopgeleiden wordt gestreefd naar afhandeling van de aanvraag binnen een termijn van vier weken na voldoening van de leges. Voor de aanvraag om een verblijfsvergunning zal afhandeling binnen zes weken worden na gestreefd.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode hoogopgeleide’ is van tijdelijke aard en wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan, mits geen beroep wordt gedaan op de publieke middelen.
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 1. Inleiding
Onze Minister beoordeelt door middel van het puntensysteem of de vreemdeling in aanmerking komt voor het zoekjaar hoogopgeleiden.
### 3.2. Na medische behandeling
De afgestudeerde of gepromoveerde aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling of een buitenlandse topuniversiteit krijgt maximaal 30 punten.
### 2. Na verblijf als minderjarige
Een eerdere ervaring met Nederland of het spreken van de Nederlandse taal (Nederlands als tweede taal op niveau A2) of in elk geval de Engelse taal (op International English Language Testing System niveau 6) of een Bachelor-, Master-graad of een Doctor-graad, behaald aan een onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring kan rekenen op extra punten.
Bij de in 1999 ondertekende Bologna-verklaring hebben de aangesloten Europese landen zich gecommitteerd te komen tot een Europa-breed vergelijkbaar en uitwisselbaar onderwijssysteem. De aangesloten landen hebben hierin vast gelegd dat zij vóór 2010 het Bachelor-Master stelsel invoeren. De achterliggende gedachte is dat het hoger onderwijs op deze manier flexibeler, opener en aantrekkelijker wordt. Gelet hierop zal een vreemdeling die een opleiding heeft voltooid aan een hoger onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring gemakkelijker aansluiting vinden met de Nederlandse arbeidsmarkt.
### 3.3.1. Algemeen
De opsomming van de genoemde bewijsstukken is indicatief en niet uitputtend bedoeld. Vreemdelingen die zijn afgestudeerd aan een hoger onderwijsinstelling gevestigd in een Engelstalig land, zullen geen verklaring van een taalinstituut hoeven te overleggen.
### 2. Na verblijf als minderjarige
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van één jaar een innovatief bedrijf te starten en daarmee voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor verblijf als zelfstandige (zie B5/7), kan de vreemdeling een aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning in ‘verblijf voor arbeid als zelfstandige’ indienen.
[Artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) bevat een bijzondere regeling voor het voortgezet verblijf van de vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging met een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Artikel 3.50 Vb bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien aan de voorwaarden van artikel 3.50 Vb wordt voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend (zie B16/2).
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
Ingevolge [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) wordt de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Reden hiervoor is dat het kind van de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, dat niet zelf in aanmerking is gekomen voor een verblijfsvergunning asiel, maar wel voor een verblijfsvergunning regulier, niet reeds na een jaar in een betere positie komt te verkeren dan de houder van de verblijfsvergunning asiel bij wie het verblijft. Ook komt dit kind niet in een betere positie te verkeren dan waarin het zou hebben verkeerd, indien wel zou zijn voldaan aan de voorwaarden (van [artikel 29, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)) voor de verlening van de asielvergunning.
Ingevolge [artikel 3.50, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) wordt de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf aan de minderjarige vreemdeling verleend indien een van de ouders in Nederland is gevestigd en de Nederlandse nationaliteit heeft, tenzij de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid, of de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
Voor de verlening van de verblijfsvergunning is het niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken. Ook indien het kind nog feitelijk bij de ouder(s) woont, kan de zelfstandige verblijfsvergunning worden verleend, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Wel moet daartoe een aanvraag worden ingediend.
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 3.2.3. Briefadres
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd)partner/ouder (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De vreemdeling die in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning als kennismigrant hoeft geen wijziging van de beperking aan te vragen als hij van werkgever verandert mits nog steeds aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant wordt voldaan.
Vreemdelingen die in Nederland zijn afgestudeerd aan een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs met een Master-graad alsmede vreemdelingen die in Nederland gepromoveerd zijn, krijgen binnen de regeling hoogopgeleiden de mogelijkheid om binnen maximaal één jaar (zoekjaar) een functie als kennismigrant te vinden of een innovatief bedrijf te starten.
### 11. Regeling hoogopgeleiden
### 9.1. Werkloosheid
### 3.3. Arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode afgestudeerde’ is van tijdelijke aard en wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
### 11. Regeling hoogopgeleiden
### 10.4. Verlenging en zoekperiode
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 3.3. Na verblijf als Amv
De algemene bepalingen van B1/4, B2/2, B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
### 16. Voortgezet verblijf
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
[Artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften.
### 4.1. Inleiding
Voor Turkse onderdanen die toegang hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt en diens gezinsleden geldt dat de in [artikel 3.51, eerste lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) genoemde periode van vijf jaar niet van toepassing is. Voor hen geldt dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf indien:
### 3.3.1. Algemeen
Onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht wordt in dit kader niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28).
Ook de vreemdeling die in het jaar na zijn verblijfsaanvaarding meerderjarig is geworden, komt in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning.
### 8. Geldigheid en rechtspositie
Daarnaast kan als uitwerking van de onder d en f genoemde factoren gedacht worden aan:
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Indien betrokkene vóór 4 januari 2001 (ingangsdatum huidige beleid) achttien jaar oud is geworden, en hij op grond van het toenmalig geldende beleid inzake Amv’s in aanmerking komt voor verblijf, dient voor de periode tot en met 3 januari 2001 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ te worden verleend. Vanaf 4 januari 2001 komt betrokkene op grond van [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
### 1. Inleiding
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
### 3.3.3. Begeleide minderjarige vreemdelingen
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon zelf verblijfsrecht van tijdelijk aard heeft. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze een verblijfsvergunning voor studie of medische behandeling heeft. Zie [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5). De verblijfsvergunning wordt evenmin verleend indien de hoofdpersoon houder is van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarmee wordt voorkomen dat de vreemdeling met een verblijfsrecht dat afhankelijk is van een andere vreemdeling die zelf verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft, na ommekomst van vijf jaren een sterker verblijfsrecht kan verkrijgen dan degene bij wie verblijf was toegestaan.
Indien de vreemdeling aanvankelijk houder was van een verblijfsvergunning op grond van een relatie, en aansluitend houder was van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk of geregistreerd partnerschap met dezelfde hoofdpersoon, wordt de duur van deze perioden opgeteld.
De vreemdeling hoeft niet direct voorafgaand aan (dat wil zeggen aansluitend op) de aanvraag om wijziging van de beperking in het bezit geweest te zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. Wel dient de aanvraag tijdig ingediend te zijn (zie B1/5.1). Daarnaast is van belang dat de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ altijd volgt op eerder bezit van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. De vreemdeling komt derhalve niet voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1) in aanmerking indien hij na verbreking van de relatie in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder een andere beperking.
Zie B1/4.7.2 en verder voor de uitwerking van dit vereiste.
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
De verblijfsvergunning wordt op aanvraag verleend, indien:
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
Voor de verlening van deze verblijfsvergunning is niet noodzakelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken.
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
### 2.2. Middelen van bestaan
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien:
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de familierelatie, wordt aangetoond door:
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de medische behandeling naar het oordeel van de Minister nog voor ten minste één jaar noodzakelijk zal zijn. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
Voorts moet de vreemdeling, op het moment waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt ingediend, nog steeds aan alle voorwaarden genoemd in B8/2.1 Vc voldoen.
### 3.6.2. Na het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst
Indien de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), of nadat de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ telt deze laatst genoemde periode van ten minste een jaar mee voor de periode van drie jaar die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. In deze situatie kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) onder meetelling van de periode als hiervoor beschreven na drie jaar een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voorgezet verblijf’, indien de vreemdeling nog steeds aan de voorwaarden voldoet op grond waarvan de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verlengd.
### 3.3. Na verblijf als Amv
Indien de Amv niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. Hierin voorziet [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
### 4.6. Amv
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan aan een Amv op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend, indien:
De peildatum voor de vraag of de vreemdeling aan deze voorwaarden voldoet, ligt, gezien de bewoordingen van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), op de laatste dag van geldigheid van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als Amv’.
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform [bijlage 7f2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7f2) (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
### 4.6. Amv
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ wordt in de hierboven genoemde gevallen ten hoogste verlengd tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
Als uitwerking van de onder a, b en c genoemde factoren kan gedacht worden aan:
### 4.9. Slachtoffer van geweld
Indien betrokkene vóór 4 januari 2001 (ingangsdatum huidige beleid) achttien jaar oud is geworden, en hij op grond van het toenmalig geldende beleid inzake Amv’s in aanmerking komt voor verblijf, dient voor de periode tot en met 3 januari 2001 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ te worden verleend. Vanaf 4 januari 2001 komt betrokkene op grond van [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
Indien betrokkene op of na 4 januari 2001 achttien jaar oud is geworden, wordt aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ verleend tot de datum waarop hij achttien jaar oud wordt. Vanaf de datum waarop betrokkene achttien jaar oud wordt, komt hij in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4).
### 5.1. Inleiding
Aan deze factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (genoemd onder a tot en met d en f) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van:
De ABRvS heeft in haar uitspraak van 14 mei 2003 (20031352/1) geoordeeld dat de beslissing van destijds, om aan een minderjarige vreemdeling de verblijfsvergunning te weigeren omdat hij begeleid was, niet in overeenstemming is met de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Daarom is de volgende voorziening getroffen voor hen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen.
### 4.9. Slachtoffer van geweld
### 1. Inleiding
Zie voor het beleid inzake de uitgeprocedeerde begeleide vreemdeling die nog minderjarig is B14/2.10.3.2.
Zie voor het beleid inzake uitgeprocedeerde vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden B14/2.10.3.3 en B16/4.7.
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
Hierbij zijn de bepalingen ten aanzien van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie (zie B16/4.2) van overeenkomstige toepassing. In verband met de leeftijd van de vreemdeling is hiervoor niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
Op grond van [artikel 3.51, zesde lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) komen de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf als:
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van verruimde gezinshereniging of het ouderenbeleid, zoals dat gold voor 1 oktober 2012, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
### 5. Geldigheid en rechtspositie
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie heeft geleid tot verbreking van de familierelatie, wordt hieraan in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de familierelatie heeft besloten. Dit betekent dat, indien het ondervonden geweld binnen de familie is aangetoond, de vreemdeling in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
Ingevolge [artikel 3.31b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31b) wordt de verblijfsvergunning op aanvraag verleend aan de vreemdeling:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard (zie B2/10).
Ingevolge [artikel 3.51, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan de verblijfsvergunning onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst’ worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de vreemdeling uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur verstrijkt, voor nog een jaar beschikt over een arbeidsplaats waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in de [artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) verwerft.
Hetgeen onder paragraaf B16/3.2 , ‘**Meetellen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j van de Vw**’ is opgenomen is hier ook van toepassing.
Indien de eerdere verblijfsvergunning was verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Deze arbeidsmarktaantekening geldt ook voor het gezinslid aan wie eerder een verblijfsvergunning was verleend voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. In de overige gevallen luidt de arbeidsmarktaantekening: arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) of [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) (zie B16/2 tot en met B16/6), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan (zie [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52)). In individuele gevallen, waarin niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf wordt voldaan, wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen vijf jaar
Indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen zijn gelegen in:
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met ter zake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
Als uitwerking van de onder a, b en c genoemde factoren kan gedacht worden aan:
Aan de hand van de door de vreemdeling overgelegde informatie omtrent factoren a, b en c kan de IND zonodig een individueel ambtsbericht opvragen bij het Ministerie van BuZa.
Van belang is de mate van worteling in de Nederlandse samenleving en de mogelijkheid om het familie- en gezinsleven elders voort te zetten.
Daarnaast kan als uitwerking van de onder d en f genoemde factoren gedacht worden aan:
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
Aan deze factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (genoemd onder a tot en met d en f) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van huiselijk geweld, dat geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
### 2.1.1. Erkenning van de onderzoeksinstelling
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van huiselijk geweld, dat geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
### 1.2. Afgifte mvv
### 1.2. Afgifte mvv
### 1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
### 1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
De IND reikt het verblijfsdocument uit:
### 1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
### 1.5.2.1. Toelating
### 1.5.1.4. Voorwaarden voor au-pairbureaus
### 1.5.2.1. Toelating
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
In afwijking van het vorenstaande is voor een au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin het convenant geldig gedurende zes maanden vanaf de datum waarop het convenant door beide partijen is ondertekend.
In deze paragraaf zijn beleidsregels opgenomen voor de beoordeling van de middelen van bestaan van een vreemdeling. Op grond van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden bij de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan in sommige gevallen ook de middelen van bestaan van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven betrokken. Wanneer de middelen van bestaan van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven – al dan niet samen met die van de vreemdeling – worden beoordeeld, is dit in het betreffende materiehoofdstuk aangegeven.
### 1.5.3.1. Beslissing
De afwijkende normbedragen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen. Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.
### 4.3.3. Inkomen per inkomstenbron
### 4.3.3.1. Inkomen uit arbeid in loondienst
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als kennismigrant.
### 9.2. Ziekte en arbeidsongeschiktheid
### 11.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De in Nederland afgestudeerde vreemdeling dient een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs te hebben afgerond met een Master-graad of een Doctor-graad te hebben behaald.
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 10.4. Verlenging en zoekperiode
### 16. Voortgezet verblijf
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
### 3.2. Na medische behandeling
### 3.3. Na verblijf als Amv
### 3.3. Na verblijf als Amv
### 3.3.3. Begeleide minderjarige vreemdelingen
Zie voor het beleid inzake uitgeprocedeerde vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden B14/2.10.3.3 en B16/4.7.
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
Ingevolge [artikel 3.51, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan de zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na (verruimde) gezinshereniging of gezinsvorming eveneens worden verleend indien de hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht is overleden en de gezinsband om die reden is verbroken. In deze gevallen wordt in beginsel altijd gebruikgemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. Als regel levert het overlijden een zodanig schrijnende situatie op dat het voortgezet verblijf van de vreemdeling in Nederland behoort te worden aanvaard (zie artikel 3.51, derde lid, Vb). Daarbij hoeft de aanwezigheid van (andere) klemmende redenen van humanitaire aard niet te worden gesteld of onderzocht. Het vorengaande geldt echter niet indien verblijf is verleend in het kader van het ouderenbeleid (B2/7).
### 4.5. Slachtoffer/getuige-aangever van mensenhandel
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 3.2. Beperking
Indien er sprake is van een te late indiening van de aanvraag om verlenging of de aanvraag om wijziging van de beperking, is het gestelde in B1/5.1 van toepassing.
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
Indien er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag waarbij ambtshalve een vergunning op grond van het beleid inzake Amv’s wordt verleend, geldt het volgende.
### 5. Gezinshereniging
Als er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag en de vreemdeling is inmiddels achttien, dan wordt in deze gevallen de asielaanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. De vreemdeling hoeft deze vergunning dus niet apart aan te vragen.
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
Een Amv, aan wie een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ wordt verleend, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52):
Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
Indien er een beroep wordt gedaan op (seksueel) geweld, zonder dat dit op de voorgaande wijze kan worden aangetoond, kan dit betrokken worden bij de beoordeling of sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die aanleiding geven voortgezet verblijf toe te staan.
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan aan een vreemdeling aan wie verblijf is verleend omdat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend, indien:
### 4.10. Medische noodsituatie
### 3.5. Verblijf als gezinslid bij een houder van een Europese blauwe kaart
Naar aanleiding van de uitspraak van 9 december 2010 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken Toprak en Oguz (C-300/09 en C-301/09) is het beleid dat tussen 1982 en 2001 gold met betrekking tot voortzetting van het verblijf na verbreking van het huwelijk voor Turkse onderdanen weer ingevoerd. Deze regeling is vastgelegd in [artikel 7.2b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=7.2b).
### 5.1. Overgangsrecht
Indien de eerdere verblijfsvergunning was verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Deze arbeidsmarktaantekening geldt ook voor het gezinslid aan wie eerder een verblijfsvergunning was verleend voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. In de overige gevallen luidt de arbeidsmarktaantekening: arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 10. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De hiervoor gegeven opsomming is richtinggevend en uitdrukkelijk niet limitatief bedoeld.
### 1. Inleiding
Indien sprake is van in Nederland geboren kinderen, dan wel kinderen met (tevens) de Nederlandse nationaliteit en aannemelijk wordt gemaakt dat deze kinderen niet eenvoudig op te lossen problemen ondervinden bij toegang tot een schoolopleiding wordt aan deze factor in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend.
### 2. Algemene voorwaarden
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist:
### 4.6. Amv
Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 17 oktober 2003. Dit is de datum waarop de brief van de Minister, waarin deze regeling wordt aangekondigd, aan de Tweede Kamer is aangeboden.
### 3.3.2. Specifieke bepalingen over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De IND verstrekt de sticker ‘Verblijfsaantekening algemeen' ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)):
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 5.3. Wijziging van de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking
### 6.2.3. Middelen van bestaan
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 6.2. Toezicht op de naleving van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 2.10.1. Toepasselijkheid van het beleid
### 5.1.3. Loon niet marktconform
### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking
### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking
Onze Minister beoordeelt door middel van het puntensysteem of de vreemdeling in aanmerking komt voor het zoekjaar hoogopgeleiden.
### 1. Inleiding
### 16. Voortgezet verblijf
### 11.1. Zoekjaar
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
### 11.2. Voorwaarden
### 3.2. Na medische behandeling
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
### 2. Na verblijf als minderjarige
De verblijfsvergunning wordt op aanvraag verleend indien:
Voor de verlening van deze verblijfsvergunning is niet noodzakelijk dat de (huwelijks)relatie is ontwricht of ontbonden.
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
### 3.6. Turkse onderdanen
### 3.2. Na medische behandeling
### 4.4. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling
### 4.1. Inleiding
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met verblijf als Amv kan op aanvraag worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
### 3.6.1. Na verbreking van het huwelijk
### 3.6.2. Na het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst
### 4.1. Inleiding
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten (zie ten aanzien hiervan tevens B1/5.1, B1/5.3.2, en B16/7).
### 2. Algemene voorwaarden
Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten.
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld of van een medische of psychische beperking, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces, geen sprake meer, dan kan de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend als er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2 en B16/4.5).
Onder de in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) (zie B16/2) genoemde voorwaarden komt een als minderjarige in het kader van gezinshereniging toegelaten vreemdeling, ook indien de gezinsband niet is verbroken, na een jaar in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voorgezet verblijf. Echter, indien de minderjarige of diens wettelijk vertegenwoordiger, een aanvraag om voortgezet verblijf indient en op grond van artikel 3.50 Vb niet in aanmerking komt voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning, dient beoordeeld te worden of betrokkene op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
### 4.10. Medische noodsituatie
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'voorgezet verblijf', indien de medische noodsituatie naar het oordeel van de Minister nog ten minste één jaar zal duren. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
### 4.9. Slachtoffer van geweld
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie heeft geleid tot verbreking van de familierelatie, wordt hieraan in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de familierelatie heeft besloten. Dit betekent dat, indien het ondervonden geweld binnen de familie is aangetoond, de vreemdeling in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de familierelatie, wordt aangetoond door:
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een verklaring van het OM dan wel van de politie. Ook in dat geval is een verklaring van een (vertrouwens)arts of andere hulpverlener vereist.
### 4.4. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling
Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ kunnen op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Dit is slechts van toepassing als aan alle onderstaande genoemde voorwaarden wordt voldaan:
Hetgeen onder paragraaf B16/3.2 , ‘**Meetellen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j van de Vw**’ is opgenomen is hier ook van toepassing.
### 4.5. Slachtoffer/getuige-aangever van mensenhandel
Het slachtoffer dat drie jaar op basis van een verblijfsvergunning op grond van B9 in Nederland verblijft, kan ook indien er nog een strafzaak loopt voortgezet verblijf aanvragen. In die gevallen kan de aanvraag, mits zich verder geen algemene weigeringsgrond voordoet, in ieder geval worden ingewilligd.
Een verzoek tot het verlenen van een mvv in de verkorte procedure zal bij inwilliging leiden tot afgifte van een D-visum. Met dit D-visum mag de vreemdeling in een periode van drie maanden binnen zes maanden op het grondgebied van de lidstaten circuleren.
### 3.3.1.6. Intrekking van de aanvraag
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 4.3.3.3. Inkomsten uit eigen vermogen
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 5.5. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
### 10.1. Zoekjaar
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 3.6. Turkse onderdanen
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
Indien er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag waarbij ambtshalve een vergunning op grond van het beleid inzake Amv’s wordt verleend, geldt het volgende.
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 1.1. Procedureel
### 2.2. Middelen van bestaan
Indien er een beroep wordt gedaan op (seksueel) geweld, zonder dat dit op de voorgaande wijze kan worden aangetoond, kan dit betrokken worden bij de beoordeling of sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die aanleiding geven voortgezet verblijf toe te staan.
### 2. Algemene voorwaarden
Hierbij zijn de bepalingen ten aanzien van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie (zie B16/4.2) van overeenkomstige toepassing. In verband met de leeftijd van de vreemdeling is hiervoor niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon
De in het buitenland afgestudeerde vreemdeling dient een opleiding te hebben afgerond met een Master-graad of een Doctor of Philosophy-graad of equivalent daarvan aan een onderwijsinstelling die voorkomt in de top-200 van de meest recent gepubliceerde lijsten van de ‘Times Higher Education World University Rankings’, ‘de QS World University Rankings’ of de ‘Academic Ranking of World Universities’ (ook wel genoemd de Shanghai Jiao Tong ranking).
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
### 1. Inleiding
### 3.3.1. Algemeen
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
### 3.3.3. Begeleide minderjarige vreemdelingen
### 9. Internationale verplichtingen
### 4.9. Slachtoffer van geweld
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard (zie B2/10).
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
Indien de Amv niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. Hierin voorziet [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
Bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) kunnen indien het om een Amv gaat worden aangenomen, indien:
Van de bevoegdheid om de vergunning in een dergelijk geval aldus te wijzigen zal geen gebruik worden gemaakt indien er een of meer van de algemene gronden voor weigering van toepassing zijn.
### 8. Geldigheid en rechtspositie
Het betreft hier met name vreemdelingen van wie de verblijfsvergunning asiel is ingetrokken, dan wel niet is verlengd, en aan wie vervolgens een verblijfsvergunning is verleend op grond van het bijzondere beleid inzake Amv’s. Indien deze vreemdelingen op het moment dat zij meerderjarig worden meer dan drie jaar op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verblijven, maar nog geen drie jaar in het bezit zijn van laatstgenoemde verblijfsvergunning, kunnen zij niet op grond van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) in aanmerking komen voor voortgezet verblijf. Van deze vreemdelingen kan, in de geest van het bijzondere beleid inzake Amv’s, echter niet gevergd worden dat zij na meer dan drie jaar verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning Nederland alsnog verlaten. Daarom kan in deze zaken [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) worden toegepast.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend aan de ongehuwde partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd.
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
Een bijzondere categorie verblijfsvergunningen in verband met voortgezet verblijf wordt gevormd door de vergunningen die worden verleend op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823).
Op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) en [artikel 17a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘afwikkeling nalatenschap oude [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)’ ambtshalve verleend (zie B14/5.4).
In verband met het bijzondere karakter van de regeling is besloten dat aan de houder van een verblijfsvergunning onder deze beperking ten tijde van de eerste verlenging een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt verleend op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). Dit houdt in dat de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ – behoudens contra-indicaties – na één jaar ambtshalve wordt gewijzigd in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf na verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ op grond van de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) en 3.52 Vb en [artikel 3.17a, onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a).
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
### 4.9. Slachtoffer van geweld
Een vreemdeling kan een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52):
In bovengenoemde gevallen wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ verleend als aangetoond wordt dat de dreiging op grond waarvan de vergunning is verleend voortduurt.
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld of van een medische of psychische beperking, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces, geen sprake meer, dan kan de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend als er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2 en B16/4.5).
### 11.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 5. Looncriterium
### 10.2. Voorwaarden
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 4.6. Amv
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 8.2. Zoekperiode
### 10.2. Voorwaarden
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 1.5.3.2. Onvolledig verzoek om advies
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.6. Voorschriften
### 3.3.1. Algemeen
### 3.6. Turkse onderdanen
### 1. Inleiding
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van verruimde gezinshereniging of het ouderenbeleid, zoals dat gold voor 1 oktober 2012, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
### 5. Geldigheid en rechtspositie
### 3.1. Middelen van bestaan
Voor wat betreft de geldigheidsduur zie [artikel 3.64 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.64) en B1/3.
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In deze paragraaf worden de algemene voorwaarden behandeld voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de houder van een, door een andere lidstaat afgegeven, EG-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene.
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
De vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en diens gezinslid zoals genoemd in B17/5 komt een vrije termijn toe van drie maanden (zie [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) en [A2/4.4.7](onbekend)).
In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 4.10. Medische noodsituatie
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'voorgezet verblijf', indien de medische noodsituatie naar het oordeel van de Minister nog ten minste één jaar zal duren. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
### 4.3. Middelen van bestaan
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
### 6. Internationale verplichtingen
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
### 8. Geldigheid en rechtspositie
### 2. Algemene voorwaarden
In geval van de slachtoffers van mensenhandel wordt de vergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ ook verleend als uit de medische informatie blijkt dat een fysieke of psychische aandoening het slachtoffer in de weg staat om medewerking te verlenen aan het strafproces. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die hetzij in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg hetzij in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven.
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3. Specifieke voorwaarde en bepalingen economisch niet-actieve
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 1. Inleiding
### 1.1. Procedureel
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
### 6. In kennis stellen eerste lidstaat
Voorts moet de vreemdeling, op het moment waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt ingediend, nog steeds aan alle voorwaarden voldoen op grond waarvan de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verlengd.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen vijf jaar
### 4.2. Voorschrift
### 9. Internationale verplichtingen
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.
De aard van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ brengt verder met zich dat de verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken, en de aanvraag tot verlenging niet wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden van het bijzonder beleid op grond waarvan eerder verblijf was toegestaan.
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
### 6. In kennis stellen eerste lidstaat
Indien de houder van EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven, na vijf jaar de status van langdurig ingezetene in Nederland heeft verkregen (zie B1/6) dient de eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) en B1/9.7.7.4);
### 6. Internationale verplichtingen
Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard (zie B2/10).
De economisch niet-actieve langdurig ingezetene dient duurzaam en zelfstandig over de middelen van bestaan te beschikken. De bron waaruit deze middelen komen (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, etcetera) is niet van belang, mits de langdurig ingezetene de vrije beschikking heeft over vaste en regelmatige inkomsten, of het recht op (periodieke) uitkering ervan, die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste zoals dat reeds bij aanvragen om gezinshereniging, niet zijnde gezinsvorming wordt gehanteerd. Voor wat betreft de wijze waarop de inkomsten dienen te worden aangetoond wordt verwezen naar B1/4.3.1.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
Indien de eerdere verblijfsvergunning was verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. In de overige gevallen luidt de arbeidsmarktaantekening: arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 3.3. Arbeidsmarktaantekening
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
De toelatingsaanvragen kunnen worden ingediend door de onderzoekers, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstellingen (zie artikel 14 Richtlijn 2005/71). Erkende onderzoeksinstellingen kunnen gebruik maken van een versnelde toelatingsprocedure.
### 9. Internationale verplichtingen
Erkende onderzoeksinstellingen komen in aanmerking voor de versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 1. Inleiding
In deze paragraaf worden de algemene voorwaarden behandeld voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de houder van een, door een andere lidstaat afgegeven, EG-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene.
De houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen (zie B1/6.1) die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven heeft het recht om onder bepaalde voorwaarden, gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in Nederland (de tweede lidstaat) als werknemer of als zelfstandige, om een studie of beroepsopleiding te volgen, of om andere redenen, bijvoorbeeld als economisch niet-actieve.Hij kan hiertoe een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen.
### 4. Overige algemene bepalingen
De in de andere (eerste) lidstaat verkregen status wordt derhalve niet direct omgezet in een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarvoor is vereist dat de langdurig ingezetene uit een andere lidstaat vijf jaar op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland (tweede lidstaat) heeft verbleven en ook aan de overige voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voldoet (zie B1/6).
### 1.1. Procedureel
De vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en diens gezinslid zoals genoemd in B17/5 komt een vrije termijn toe van drie maanden (zie [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) en [A2/4.4.7](onbekend)).
### 2.2. Verzoek om advies
Verblijf onder deze beperking wordt slechts verleend aan bovenstaande gezinsleden die reeds in de eerste lidstaat bij de langdurig ingezetene verbleven. Op andere aanvragen, bijvoorbeeld om gezinsvorming, zijn de algemene regels (zie [artikelen 3.13 tot en met 3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) en B2) van toepassing. Ook indien het gezin in de andere lidstaat nog niet was gevormd zijn de algemene regels van B2 van toepassing.
De algemene voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder daarmee verband houdende beperkingen wordt verleend hebben betrekking op:
De onderzoeksinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
### 2.4. Leges
Indien het een minderjarig kind betreft, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf bij ....(naam ouder(s))’.
De langdurig ingezetene dient bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste. (zie B1/4.3).
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Ingevolge [artikel 3.77, vijfde en zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) wordt bij de toepassing van [artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk die door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of diens gezinslid uitgaat.
### 5.7. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning van de echtgeno(o)t(e) van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en het minderjarige kind van de echtgeno(o)t(e) of de langdurig ingezetene, wordt op grond van [artikel 3.67, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57), verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de vergunning van de langdurig ingezetene.
De langdurig ingezetene dient een afschrift over te leggen van de aan hem door de andere lidstaat afgeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
### 5.8. overige algemene bepalingen
De overige algemene bepalingen van B17/4 zijn van overeenkomstige toepassing
De onderzoeksinstelling neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de onderzoeker(s) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de onderzoeksinstelling zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
Voor de verblijfsvergunning als economisch niet-actieve geldt, in afwijking van het gestelde onder B17/2.2 het volgende.
### 5.7. Geldigheidsduur
Indien de houder van EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven, na vijf jaar de status van langdurig ingezetene in Nederland heeft verkregen (zie B1/6) dient de eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) en B1/9.7.7.4);
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene’.
Indien de autoriteiten van de tweede lidstaat bereid zijn de betrokken vreemdeling tot hun grondgebied toe te laten, kan Nederland volstaan met de minder ingrijpende maatregel van intrekking van de (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met toepassing van de waarborgen van artikel 17 van richtlijn 2003/109 en met verwijdering van de vreemdeling naar die (eerste) lidstaat in plaats van het land van herkomst. Vorenstaande laat onverlet dat de eerste lidstaat, ook na terugname, kan besluiten de vreemdeling alsnog te verwijderen naar het land van herkomst (na de status van langdurig ingezetene te hebben ingetrokken).
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
### 6. Internationale verplichtingen
### 5.1. Overgangsrecht
### 5.4. Middelen van bestaan
Dit laat echter onverlet dat onder toepassing van [artikel 18, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning kan worden afgewezen als blijkt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Op grond van [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de vergunning om dezelfde reden worden ingetrokken.
Voor wat betreft de geldigheidsduur zie [artikel 3.64 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.64) en B1/3.
De Minister kan (als tweede lidstaat) om ernstige redenen in verband met de openbare orde of de nationale veiligheid besluiten om de vreemdeling die houder is van een EG-status als langdurig ingezetene, die is afgegeven door een andere EU-lidstaat, uit te zetten naar een staat buiten het grondgebied van de EU. Van zodanige redenen is sprake indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt (zie [artikel 22 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) en B1/8.3). Hiertoe moet de Minister ingevolge [artikel 3.103a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) de autoriteiten van de eerste lidstaat raadplegen. Indien de Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, wordt alle noodzakelijke informatie met betrekking tot de uitzetting aan de betreffende lidstaat verstrekt zodat de eerste lidstaat de status van langdurig ingezetene kan intrekken of de vreemdeling terugneemt.
### 3.2. Beperking
De verblijfsvergunning bedoeld in paragraaf B16/3.5.1 wordt verleend onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
Toelating in het kader van onderzoek kan ingevolge de richtlijn alleen plaatsvinden bij vooraf erkende onderzoeksinstellingen. Dit vereiste wordt gesteld om de kwaliteit van de ontvangende onderzoeksinstellingen te waarborgen. Een onderzoeksinstelling in de zin van de richtlijn kan zowel publiek als particulier zijn.
Erkende onderzoeksinstellingen komen in aanmerking voor de versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
### 2.1.1. Erkenning van de onderzoeksinstelling
Voor de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid zoals genoemd in B17/3, geldt een afwijkende beslistermijn van vier maanden (zie [artikel 25, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) en B1/9.7.3)
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
Indien de aanvraag plaatsvindt terwijl de langdurig ingezetene zich nog in een andere lidstaat bevindt (onverplichte aanvraag mvv), kan worden volstaan met overlegging van een afschrift van het geldige reisdocument, opdat nog in het bezit van het originele reisdocument kan worden gereisd. Er wordt daarbij niet verlangd dat de over te leggen afschriften gewaarmerkt zijn. De verificatie van het reisdocument vindt immers plaats bij gelegenheid van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning (zie B1/4.2).
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
### 3.1. Middelen van bestaan
### 6.1. Contactpunt IND
In de in deze paragraaf genoemde gevallen zal het koppelingsbureau van de IND fungeren als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
Het onderzoeksproject dient door de instelling te worden goedgekeurd, waarbij getoetst wordt aan het doel en de duur van het onderzoek inclusief de benodigde financiële middelen.
### 4.2. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5. Gezinshereniging
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
Ingevolge [3.23a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23a) wordt, aan de echtgenoot of de geregistreerde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en het minderjarige kind van die echtgenoot, geregistreerd partner of langdurig ingezetene (zie artikel 3.23a, eerste lid, Vb) onder bepaalde voorwaarden verblijf verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging. Deze voorwaarden houden verband met:
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
In afwijking van B1/4.3.1 worden inkomsten uit arbeid, waarbij de vreemdelingen de arbeid (gewoonlijk) buiten Nederland verricht, eveneens meegeteld, voor zover de op grond van de toepasselijke wetgeving vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Inkomsten uit arbeid in loondienst worden in geval van buitenlandse dienstbetrekkingen aangetoond met een verklaring van de werkgever waaruit de duur van de dienstbetrekking en de hoogte van het salaris blijkt. Een afschrift van de door de uitvoeringstelling gewaarmerkte aanmelding van de arbeidsovereenkomst hoeft in een dergelijk geval niet te worden overgelegd. In alle andere gevallen van arbeid in loondienst worden de inkomsten aangetoond overeenkomstig B1/4.3.1 (onder ‘bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst’).
De algemene voorwaarden en bepalingen voor zover deze afwijken van de in B17/2 genoemde bepalingen hebben betrekking op:
Bij [artikel 3.18b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18b) zijn als erkende onderzoeksinstellingen aangewezen:
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
Verblijf onder deze beperking wordt slechts verleend aan bovenstaande gezinsleden die reeds in de eerste lidstaat bij de langdurig ingezetene verbleven. Op andere aanvragen, bijvoorbeeld om gezinsvorming, zijn de algemene regels (zie [artikelen 3.13 tot en met 3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) en B2) van toepassing. Ook indien het gezin in de andere lidstaat nog niet was gevormd zijn de algemene regels van B2 van toepassing.
Ingevolge [artikel 3.68 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.68) kan, in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn worden verleend voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst met een maximum van vijf jaren.
De toelatingsprocedure met betrekking tot onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 is bij uitstek een referentprocedure.
De verblijfsvergunning wordt, indien het de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner betreft, verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam).’
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 18. Verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 5.2. Algemene voorwaarden
De algemene voorwaarden en bepalingen voor zover deze afwijken van de in B17/2 genoemde bepalingen hebben betrekking op:
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
Voor een overzicht waarop de equivalenten in alle EU-talen van de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ zijn vermeld wordt verwezen naar de website van de IND.
### 3. Specifieke voorwaarde en bepalingen economisch niet-actieve
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
De economisch niet-actieve langdurig ingezetene dient duurzaam en zelfstandig over de middelen van bestaan te beschikken. De bron waaruit deze middelen komen (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, etcetera) is niet van belang, mits de langdurig ingezetene de vrije beschikking heeft over vaste en regelmatige inkomsten, of het recht op (periodieke) uitkering ervan, die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste zoals dat reeds bij aanvragen om gezinshereniging, niet zijnde gezinsvorming wordt gehanteerd. Voor wat betreft de wijze waarop de inkomsten dienen te worden aangetoond wordt verwezen naar B1/4.3.1.
### 3.2. Beperking
### 4. Overige algemene bepalingen
Er dient een door een notaris of gemeente gewaarmerkte kopie van het vereiste diploma te worden toegevoegd. Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over een passend diploma wordt aangesloten bij het oordeel van de onderzoeksinstelling.
### 2. Procedureel
De toelatingsaanvragen kunnen worden ingediend door de onderzoekers, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstellingen (zie artikel 14 Richtlijn 2005/71). Erkende onderzoeksinstellingen kunnen gebruik maken van een versnelde toelatingsprocedure.
### 5.1. Inleiding
Indien aan één of meer verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze Vc.
### 5.2. Algemene voorwaarden
Het betreft hier het gezinslid dat in een andere staat die partij is bij het EG-verdrag is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene.
### 4. Geldigheidsduur
Indien het een minderjarig kind betreft, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf bij ....(naam ouder(s))’.
### 5.8. overige algemene bepalingen
### 5. Geldigheid en rechtspositie
### 5.1. Overgangsrecht
### 8. Geldigheid en rechtspositie
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
### 5.1. Inleiding
De specifieke voorwaarden per verblijfsdoel worden per materiehoofdstuk behandeld (voor arbeid zie B5/4.12 en B5/7.7.1, voor studie zie B6/2.1.1 en B6/3.1 en voor economisch niet-actieve zie B17). Voor zover in de materiehoofdstukken niets is opgenomen over langdurig ingezetenen, geldt dat zij aan alle terzake geldende specifieke voorwaarden dienen te voldoen, met uitzondering van het mvv-vereiste en het vereiste een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen te ondergaan.
### 3.3. Arbeidsmarktaantekening
### 3.1. Middelen van bestaan
### 1. Inleiding
### 5.5. Beperking
### 5. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De onderzoeksinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
Verder wordt op het document de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 5.7. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning van de echtgeno(o)t(e) van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en het minderjarige kind van de echtgeno(o)t(e) of de langdurig ingezetene, wordt op grond van [artikel 3.67, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57), verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de vergunning van de langdurig ingezetene.
De geregistreerde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
### 5.8. overige algemene bepalingen
De overige algemene bepalingen van B17/4 zijn van overeenkomstige toepassing
### 6. In kennis stellen eerste lidstaat
In de volgende gevallen dient Nederland als tweede lidstaat, de (eerste) lidstaat, die de EG-status langdurig ingezetene aan de vreemdeling heeft verleend, te informeren:
Indien Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleent, (niet) verlengt of intrekt van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene in een andere (eerste) lidstaat heeft verkregen, dient deze eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste en tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) en B1/9.4). In het geval Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verlengt of intrekt, dient aan de eerste lidstaat tevens informatie te worden verstrekt betreffende het verwijderingsbesluit. De eerste lidstaat is verplicht de langdurig ingezetene terug te nemen.
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
De Minister kan (als tweede lidstaat) om ernstige redenen in verband met de openbare orde of de nationale veiligheid besluiten om de vreemdeling die houder is van een EG-status als langdurig ingezetene, die is afgegeven door een andere EU-lidstaat, uit te zetten naar een staat buiten het grondgebied van de EU. Van zodanige redenen is sprake indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt (zie [artikel 22 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) en B1/8.3). Hiertoe moet de Minister ingevolge [artikel 3.103a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) de autoriteiten van de eerste lidstaat raadplegen. Indien de Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, wordt alle noodzakelijke informatie met betrekking tot de uitzetting aan de betreffende lidstaat verstrekt zodat de eerste lidstaat de status van langdurig ingezetene kan intrekken of de vreemdeling terugneemt.
Indien de autoriteiten van de tweede lidstaat bereid zijn de betrokken vreemdeling tot hun grondgebied toe te laten, kan Nederland volstaan met de minder ingrijpende maatregel van intrekking van de (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met toepassing van de waarborgen van artikel 17 van richtlijn 2003/109 en met verwijdering van de vreemdeling naar die (eerste) lidstaat in plaats van het land van herkomst. Vorenstaande laat onverlet dat de eerste lidstaat, ook na terugname, kan besluiten de vreemdeling alsnog te verwijderen naar het land van herkomst (na de status van langdurig ingezetene te hebben ingetrokken).
Omdat in het geval van verblijf bij organisaties waarbij niet eerder verblijf is toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, in het verleden geen uitspraak is gedaan over een wezenlijk Nederlands belang, en pas in het kader van een definitieve regeling voor verblijf op religieuze doeleinden een oordeel kan worden uitgesproken over het wezenlijk Nederlands belang dat wordt gediend met (de aard van) het verblijf van een vreemdeling bij deze organisaties, staat de onderhavige regeling niet open voor religieuze of levensbeschouwelijke organisaties bij wie niet in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend. Zoals hierboven gesteld geldt zulks niet voor bovengenoemde categorie kloosters. Onderhavige regeling is evenmin van toepassing op religieuze of levensbeschouwelijke organisaties waarbij tot dusverre uitsluitend verblijf is toegestaan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
De onderzoeksinstelling neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de onderzoeker(s) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de onderzoeksinstelling zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
Op de sticker wordt aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor de sticker verblijfsaantekening van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen van de onderzoeker.
Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de GBA. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de IND na de inwilliging van de aanvraag.
De toelatingsaanvragen kunnen worden ingediend door de onderzoekers, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstellingen (zie artikel 14 Richtlijn 2005/71). Erkende onderzoeksinstellingen kunnen gebruik maken van een versnelde toelatingsprocedure.
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2. Algemene voorwaarden
### 2.2. Middelen van bestaan
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
De onderzoeksinstelling dient het ingevulde en door de onderzoeker ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post te verzenden naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
De echtgeno(o)te of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen die verblijf bij de onderzoeker beogen, doen met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleden van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71, een verblijfsaanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van een onderzoeker geldt een streeftermijn van twee weken.
### 2.4. Leges
Indien de houder van EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven, na vijf jaar de status van langdurig ingezetene in Nederland heeft verkregen (zie B1/6) dient de eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) en B1/9.7.7.4);
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 18. Verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 2. Procedureel
### 2.5. mvv-vereiste
Bij de inwerkingtreding van deze regeling op 8 januari 2004 zijn bijzondere regelingen met een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie vervallen. De afspraken over het maximaal per jaar toe te laten vreemdelingen bij een organisatie blijven echter onverkort gehandhaafd.
Erkende onderzoeksinstellingen komen in aanmerking voor de versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
Nadat het Loket kennis- en arbeidsmigratie het registratieformulier heeft ontvangen en – indien noodzakelijk – de onderzoeksinstelling heeft erkend, wordt hiervan bericht gestuurd aan de onderzoeksinstelling en worden de aanvraagformulieren beschikbaar gesteld.
### 2.1.1. Erkenning van de onderzoeksinstelling
Toelating in het kader van onderzoek kan ingevolge de richtlijn alleen plaatsvinden bij vooraf erkende onderzoeksinstellingen. Dit vereiste wordt gesteld om de kwaliteit van de ontvangende onderzoeksinstellingen te waarborgen. Een onderzoeksinstelling in de zin van de richtlijn kan zowel publiek als particulier zijn.
Bij [artikel 3.18b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18b) zijn als erkende onderzoeksinstellingen aangewezen:
De Nederlandse Onderzoek Databank is een openbare online databank met informatie over wetenschappelijk onderzoek, onderzoekers en onderzoekinstituten. De Nederlandse Onderzoek Databank bestrijkt alle wetenschappelijke disciplines en beoordeelt of een project daadwerkelijk valt onder de term wetenschappelijk onderzoek. Bij deze beoordeling wordt door de IND aangesloten.
Op basis van deze wet hoeft voor werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen of nieuwe producten, processen of programmatuur ontwikkelen, minder loonbelasting te worden afgedragen. Teneinde erkend te worden als private onderzoeksinstelling dient de instelling een Speur en Ontwikkelingswerk verklaring te overleggen waaruit blijkt dat met succes een beroep is gedaan op de hier bedoelde regeling.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
### 3.1. Middelen van bestaan
Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland dient de onderzoeksinstelling in Nederland door middel van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71’ te verzoeken om een advies in verband met het voornemen van de onderzoeker om een mvv aan te vragen in het buitenland.
### 4. Beperking
De onderzoeksinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Indien naar aanleiding van een verzoek om advies van de onderzoeksinstelling door de IND een positief advies is verstrekt en de verschuldigde leges zijn betaald, kan aan de vreemdeling in diens land van herkomst of bestendig verblijf door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging een mvv worden afgegeven. Het indienen van een mvv-aanvraag zonder dat daar een adviesprocedure aan vooraf is gegaan, ligt, gelet op het feit dat de toelatingsprocedure bij beoogd verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 bij uitstek een referentprocedure is, niet in de rede. Vreemdelingen die zonder voorafgaande referentprocedure een mvv-aanvraag voor verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 willen indienen op een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland, worden er door de vertegenwoordiging op gewezen dat het de voorkeur verdient dat de onderzoeksinstelling bij wie zij verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 beogen, een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan de vreemdeling indient. Dat leidt slechts uitzondering wanneer in het kader van een door de onderzoeksinstelling gestart verzoek om adviesprocedure negatief door de IND is geadviseerd. De streeftermijn van twee weken is niet van toepassing op deze aanvragen.
### 7.5. Voorschriften
Daarnaast worden in aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/4.3.1, ten aanzien van onderzoekers, tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel de inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
### 4. Beperking
De onderzoeksinstelling dient het ingevulde en door de onderzoeker ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post te verzenden naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Als de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, maakt hij daartoe een afspraak met het loket.
De echtgeno(o)te of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen die verblijf bij de onderzoeker beogen, doen met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleden van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71, een verblijfsaanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van een onderzoeker geldt een streeftermijn van twee weken.
De beslistermijn van twee weken is tevens van toepassing op aanvragen om wijziging van de beperking waaronder eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend in de beperking ‘verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG’. Hierbij kan worden gedacht aan het geval dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, deze beperking wil wijzigen in de beperking ‘verblijf als onderzoeker’.
Echtgenoten en geregistreerd partners van onderzoekers krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van onderzoekers wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de gezinsleden kan echter de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de onderzoeker niet overschrijden.
Betaling van de door de betrokken vreemdeling(en) verschuldigde leges vindt plaats door de onderzoeksinstelling door middel van een machtiging tot automatische incasso. Deze machtiging wordt door de onderzoeksinstelling bij elke individuele aanvraag afgegeven. Ten behoeve van de automatische incasso geeft de onderzoeksinstelling een Nederlands bankrekeningnummer op. Als de onderzoeksinstelling geen machtiging tot automatische incasso afgeeft bij de aanvraag ontvangt de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt een factuur met een acceptgiro van het CJIB ter betaling van de verschuldigde leges. De beslistermijn van twee weken is dan niet van toepassing.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG’.
Ingevolge [artikel 3.71, tweede lid, onder i, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) is de houder van een verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 afgegeven door een andere staat die partij is bij het EG-Verdrag dan wel de echtgenoot, geregistreerd partner of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat, vrijgesteld van het mvv-vereiste (zie B1/4.1.1).
Aan de gezinsleden van de onderzoeker wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij (naam onderzoeker)’. Bij de verlening aan de gezinsleden wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
Op de sticker wordt aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor de sticker verblijfsaantekening van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen van de onderzoeker.
Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de GBA. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de IND na de inwilliging van de aanvraag.
Voor de onderzoeker die op grond van [artikel 17, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) is vrijgesteld van het mvv-vereiste, staat de mogelijkheid open om bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen teneinde zijn verblijfsaanspraak vooraf te laten toetsen (zie B1/4.1.1). De onderzoeksinstelling in Nederland kan voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv middels het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ verzoeken om een advies omtrent de afgifte van een mvv aan of bij de onderzoeker in zin van Richtlijn 2005/71.
Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken of niet verlengd indien er sprake is geweest van fraude bij de verkrijging, indien de houder niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging (artikel 6 en 7 Richtlijn 2005/71) of indien hij in de EU verblijft voor een ander doel dan waarvoor hij is toegelaten. Intrekking of niet-verlenging is ook mogelijk op gronden die verband houden met openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.
Ingevolge [artikel 3.56a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56a) kan een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn worden verleend aan de vreemdeling:
Een vooraf erkende instelling die een onderzoeker wil uitnodigen dient met die onderzoeker een gastovereenkomst te sluiten (zie [artikel 3.56a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56a), artikel 5 Richtlijn 2005/71 en artikel 6 Richtlijn 2005/71). Hierin verbindt de onderzoeker zich ertoe het onderzoeksproject uit te voeren, terwijl de instelling zich ertoe verplicht de onderzoeker voor dat doel als gast te ontvangen. Gelet op de Richtlijn 2005/71 is de gastovereenkomst vormvrij. Desgewenst kan bij de IND een voorbeeld gastovereenkomst verkregen worden.
Uit de gastovereenkomst dient in elk geval het volgende te blijken:
Het onderzoeksproject dient door de instelling te worden goedgekeurd, waarbij getoetst wordt aan het doel en de duur van het onderzoek inclusief de benodigde financiële middelen.
Er dient een door een notaris of gemeente gewaarmerkte kopie van het vereiste diploma te worden toegevoegd. Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over een passend diploma wordt aangesloten bij het oordeel van de onderzoeksinstelling.
### 1. Inleiding
### 7.3. Procedure
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
### 3.1. Middelen van bestaan
Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan wordt in beginsel aangesloten bij het oordeel van de onderzoeksinstelling. De onderzoeksinstelling kan gelet op artikel 6, onder c, Richtlijn 2005/71, immers alleen een gastovereenkomst sluiten indien de onderzoeker gedurende zijn verblijf beschikt over voldoende middelen, uitgaande van het minimumbedrag dat daartoe door de lidstaat is vastgesteld.
Wel dienen schriftelijke bewijsstukken van de inkomsten te worden overgelegd.
De hierna genoemde bepalingen inzake middelen van bestaan zijn ook van toepassing op de echtgeno(o)te of geregistreerd partner van de onderzoeker en de minderjarige kinderen.
De in B1/4.3 genoemde bepalingen ten aanzien van het middelenvereiste zijn ook hier van toepassing.
### 20. Eergerelateerd geweld
Daarnaast worden in aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/4.3.1, ten aanzien van onderzoekers, tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel de inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht.
In afwijking van B1/4.3.1 worden inkomsten uit arbeid, waarbij de vreemdelingen de arbeid (gewoonlijk) buiten Nederland verricht, eveneens meegeteld, voor zover de op grond van de toepasselijke wetgeving vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Inkomsten uit arbeid in loondienst worden in geval van buitenlandse dienstbetrekkingen aangetoond met een verklaring van de werkgever waaruit de duur van de dienstbetrekking en de hoogte van het salaris blijkt. Een afschrift van de door de uitvoeringstelling gewaarmerkte aanmelding van de arbeidsovereenkomst hoeft in een dergelijk geval niet te worden overgelegd. In alle andere gevallen van arbeid in loondienst worden de inkomsten aangetoond overeenkomstig B1/4.3.1 (onder ‘bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst’).
### 1. Inleiding
Zie B19/2.1.
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75)duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
### 4. Geldigheidsduur
Ingevolge [artikel 3.68 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.68) kan, in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn worden verleend voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst met een maximum van vijf jaren.
Echtgenoten en geregistreerd partners van onderzoekers krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van onderzoekers wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de gezinsleden kan echter de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de onderzoeker niet overschrijden.
### 5. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG’.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Aan de gezinsleden van de onderzoeker wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij (naam onderzoeker)’. Bij de verlening aan de gezinsleden wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
### 3. Procedure
Voor zover op de vreemdeling de plicht berust om te beschikken over een mvv, dient de procedure ter verkrijgen van de mvv bij voorkeur in Nederland te worden gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling verblijf beoogt. Daartoe dient de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan betrokken vreemdeling te richten aan de IND. Bij het verzoek om advies dienen de in B19/2.2 genoemde bescheiden te worden meegezonden. Tevens dient bij het verzoek om advies een aanvullende brief te worden meegezonden waarin uiteengezet wordt dat de vreemdeling verblijf beoogt voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde verblijf voor arbeid of studie. Indien door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op het verzoek om advies een verblijfsdoel is aangekruist terwijl uit de overgelegde bescheiden nadrukkelijk blijkt dat verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden wordt beoogd, dient de aanvraag getoetst te worden aan de voorwaarden, verbonden aan de onderhavige regeling.
Ingevolge [artikel 3.89a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89a) juncto [artikel 3.91a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91a) wordt, indien de erkenning van de onderzoeksinstelling niet wordt verlengd of wordt ingetrokken vanwege fraude, eerst aan de vreemdeling – mits die te goeder trouw is – een zoektermijn van drie maanden gegund. Eerst daarna wordt overgegaan tot intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning van de onderzoeker op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18).
Voor zover mogelijk zal hij zijn onderzoek zoals voorzien afronden bij de instelling. Als dat niet mogelijk blijkt wordt de onderzoeker de mogelijkheid geboden om een nieuwe gastovereenkomst te sluiten met een andere instelling. Hij krijgt daarvoor drie maanden de tijd. Als binnen drie maanden geen nieuwe gastovereenkomst wordt overgelegd wordt overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning.
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken of niet verlengd indien er sprake is geweest van fraude bij de verkrijging, indien de houder niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging (artikel 6 en 7 Richtlijn 2005/71) of indien hij in de EU verblijft voor een ander doel dan waarvoor hij is toegelaten. Intrekking of niet-verlenging is ook mogelijk op gronden die verband houden met openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.
Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of aan een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden of indien een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel.
### 7.1. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van onderzoekers in loondienst, die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71.
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Er kan een verblijfsvergunning worden verleend:
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 7. Pilot religieus verblijf
Omdat in het geval van verblijf bij organisaties waarbij niet eerder verblijf is toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, in het verleden geen uitspraak is gedaan over een wezenlijk Nederlands belang, en pas in het kader van een definitieve regeling voor verblijf op religieuze doeleinden een oordeel kan worden uitgesproken over het wezenlijk Nederlands belang dat wordt gediend met (de aard van) het verblijf van een vreemdeling bij deze organisaties, staat de onderhavige regeling niet open voor religieuze of levensbeschouwelijke organisaties bij wie niet in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend. Zoals hierboven gesteld geldt zulks niet voor bovengenoemde categorie kloosters. Onderhavige regeling is evenmin van toepassing op religieuze of levensbeschouwelijke organisaties waarbij tot dusverre uitsluitend verblijf is toegestaan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
Vooruitlopend op de invoering van het Modern Migratiebeleid wordt een pilot religieus verblijf ingericht om, in nauwe samenwerking met het UWV WERKbedrijf, toe te werken naar deze toekomstige situatie. De pilot biedt de mogelijkheid om nader kennis te maken met de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties in hun rol als referent. Tevens biedt de pilot de mogelijkheid om nadere invulling te kunnen geven aan de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) uitvoeringsregels ten aanzien van religieuzen, in het bijzonder in welke gevallen toetsing op betaling van tenminste het wettelijk minimumloon bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning achterwege kan blijven en in welke gevallen kan worden afgezien van de verplichte vacaturemelding en de arbeidsmarkttoets.
De vreemdeling kan aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland dient ook in het land van herkomst dreiging aanwezig te zijn. De vreemdeling dient in dit kader aannemelijk te maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat.
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
Sommige van de hierboven genoemde organisaties waarbij verblijf kan worden toegestaan, hebben meerdere vestigingen in Nederland. Indien een dergelijke vestiging aantoont onderdeel te vormen van één van de in bovenstaand overzicht genoemde organisaties, kan ook bij die vestiging verblijf worden toegestaan. Indien een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die niet in bovenstaand overzicht wordt genoemd, kan aantonen dat in de laatste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling, aan een vreemdeling verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden is verleend bij de desbetreffende organisatie, zal worden beoordeeld of deze organisatie onder de werking van de onderhavige regeling valt. Zulks is niet van toepassing als verblijf is verleend voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
Géén verblijf zal worden toegestaan bij organisaties waarbij op enig moment is of wordt vastgesteld dat het verblijf op oneigenlijke gronden is verleend dan wel dat verblijfsvergunningen van vreemdelingen die verblijf bij de desbetreffende organisatie hadden, zijn ingetrokken. In het geval sprake is van beoogd verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie ten behoeve van het verrichten van arbeid in de zin van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), dan wel ten behoeve van studie, zijn de voorwaarden ten aanzien van arbeid in loondienst (zie B5), respectievelijk studie (zie B6) onverkort van toepassing. Indien sprake is van een aanvraag voor verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, zal aan de hand van de door betrokken vreemdeling, respectievelijk de betrokken religieuze of levensbeschouwelijke organisatie te verschaffen informatie, allereerst worden getoetst of er sprake is van verblijf op grond van arbeid of studie. Bij twijfel of betrokkene verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid zal advies worden gevraagd aan UWV WERKbedrijf. Van arbeid in loondienst is in elk geval sprake als er een arbeidsovereenkomst is tussen de vreemdeling en de organisatie. In het geval uit de door betrokken vreemdeling dan wel door de desbetreffende organisatie bij het doen van de aanvraag te verschaffen informatie valt op te maken dat primair verblijf wordt beoogd in het kader van studie, zal worden getoetst aan de voorwaarden voor verblijf voor studie (zie B6).
Bij de inwerkingtreding van deze regeling op 8 januari 2004 zijn bijzondere regelingen met een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie vervallen. De afspraken over het maximaal per jaar toe te laten vreemdelingen bij een organisatie blijven echter onverkort gehandhaafd.
Het slachtoffer van huiselijk geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder l, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
### 4.6. Amv
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
### 1. Inleiding
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
### 5.2. Algemene voorwaarden
### 3. Voorwaarden toelating onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
Ingevolge [artikel 3.89a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89a) juncto [artikel 3.91a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91a) wordt, indien de erkenning van de onderzoeksinstelling niet wordt verlengd of wordt ingetrokken vanwege fraude, eerst aan de vreemdeling – mits die te goeder trouw is – een zoektermijn van drie maanden gegund. Eerst daarna wordt overgegaan tot intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning van de onderzoeker op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18).
In de in deze paragraaf genoemde gevallen zal het koppelingsbureau van de IND fungeren als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
### 2.6. TBC-verklaring
### 2.3. Algemene voorwaarden:
### 3. Voorwaarden toelating onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
De toelatingsprocedure met betrekking tot onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 is bij uitstek een referentprocedure.
De onderzoeksinstelling kan namens de gezinsleden, te weten de echtgeno(o)te of geregistreerd partner van de onderzoeker en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de onderzoeker beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. Ten behoeve van deze gezinsleden dient gebruik te worden gemaakt van de formulieren ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv gezinsleden van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71’. De onderzoeksinstelling kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen van B1/4 en B2/2, B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstelling, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
### 6. Voorschriften
### 2.4. Leges
### 2.5. mvv-vereiste
### 7. Pilot religieus verblijf
De onderzoeksinstelling neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de onderzoeker(s) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de onderzoeksinstelling zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Het begrip arbeidsvoorwaarden ziet in dit geval niet noodzakelijkerwijs op een dienstverband maar ook op de aard van de rechtsbetrekking waarin is vastgelegd wat de onderzoeksinstelling de onderzoeker aan faciliteiten biedt en wat van de onderzoeker verwacht wordt.
Hierbij is van belang dat lesgeven wordt gezien als een onlosmakelijk deel van de werkzaamheden van een onderzoeker, en het verrichten van onderzoek niet van bijkomende aard is, maar het hoofddoel.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
Ten aanzien van verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij een klooster of een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie gelden de navolgende voorwaarden:
### 1. Inleiding
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie op grond van onderhavige regeling verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, dienen te voldoen aan de voorwaarden genoemd in B2.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 4. Beperking
Naast levensbedreigende delicten kunnen ook andere uitingsvormen van eergerelateerd geweld, waarbij sprake is van een strafbaar feit gericht tegen het slachtoffer zoals verminking, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, tot vergunningverlening leiden.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 indien zij in loondienst zijn. Bij ziekte blijft de onderzoeker aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor het verrichten van onderzoek op basis van een met de onderzoeksinstelling gesloten gastovereenkomst en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, hetzij vanwege eigen inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht, over voldoende middelen van bestaan in de hier bedoelde zin blijft beschikken.
### 2.1. Bekende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties
Verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op religieuze of levensbeschouwelijke gronden kan worden toegestaan bij de navolgende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties:
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan:
De ondergrens van 18 jaar wordt gesteld omdat het niet wenselijk wordt geacht om jongeren in de (gedeeltelijk) leerplichtige leeftijd verblijf in Nederland toe te staan met het oog op verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, anders dan voor studiedoeleinden waarop het reguliere beleid van toepassing is.
Zie B19/2.1.
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
Ten aanzien van verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij een klooster of een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie gelden de navolgende voorwaarden:
Het klooster of de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verschaft ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, de volgende gegevens en bescheiden:
Indien verblijf wordt gevraagd bij een klooster, waarbij niet eerder verblijf is toegestaan, dient dat klooster in aanvulling op bovenvermelde bescheiden met schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat eerder verblijf is toegestaan bij (een) ander(e) klooster(s) behorende tot dezelfde orde, congregatie of organisatie.
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie op grond van onderhavige regeling verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, dienen te voldoen aan de voorwaarden genoemd in B2.
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2.4. Leges
### 4.1. Vrijstellingen
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 6.1. Contactpunt IND
### 1. Inleiding
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Uit de gastovereenkomst dient in elk geval het volgende te blijken:
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
### 2.2. Verzoek om advies
### 3. Procedure
### 2.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
### 4. Geldigheidsduur
### 7. Pilot religieus verblijf
### 5. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 5.4. Middelen van bestaan
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71’ dat gebruikt dient te worden voor de aanvragen in het kader van verblijf bij/als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71, wordt door het Hoofd IND vastgesteld en wordt alleen elektronisch door de IND ter beschikking gesteld.
### 2.3. Algemene voorwaarden:
Het aanvraagformulier kan uitsluitend elektronisch worden verkregen van de IND.
### 3.1.1. Duurzame middelen
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
### 7.2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 10. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 5.4. Middelen van bestaan
### 2.6. TBC-verklaring
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 3. Voorwaarden toelating onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 2.1. Bekende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties
### 7.5. Voorschriften
In aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/4.3.1 worden ten aanzien van alle onderzoekers de volgende inkomsten tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel:
### 3.1.1. Duurzame middelen
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Aan vreemdelingen kan verblijf bij religieuze of levensbeschouwelijke organisaties worden toegestaan indien bij die organisaties de afgelopen vijf jaar aan vreemdelingen verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of studie. Het betreft hier een overgangsregeling in afwachting van een definitief beleidskader.
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
Vreemdelingen die verblijf beogen bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij niet gedurende de laatste vijf jaar aan vreemdelingen verblijf is verleend op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, dienen te voldoen aan één van bestaande beperkingen zoals genoemd in artikel 3.4 Vb of een beperking als genoemd in de Vc.
### 2.6. In kennis stellen eerste lidstaat bij afwijzing
De verblijfsvergunning wordt met toepassing van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), verleend in verband met de pilot religieus verblijf. Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’. De verblijfsvergunning voor verblijf in het kader van de pilot religieus verblijf wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Omdat deze pilot een tijdelijke regeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) biedt om een beperking, anders dan de in artikel 3.5, tweede lid, Vb, genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. Hoofdstuk B5/5 is niet van toepassing.
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
Vreemdelingen aan wie verblijf wordt toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, dienen tijdens hun verblijf in Nederland in hun onderhoud te kunnen voorzien. Derhalve dient te kunnen worden beoordeeld of de vreemdeling gedurende zijn verblijf in Nederland bij de levensbeschouwelijke of religieuze organisatie over voldoende middelen van bestaan beschikt. Uit de aard van het verblijf vloeit voort dat in de kosten van levensonderhoud wordt voorzien door derden, in de regel de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie. De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling gaat verblijven dient door middel van een opgave van de aan de vreemdeling te verstrekken voorzieningen gedurende zijn verblijf en een bewijs dat de organisatie over voldoende financiële middelen voor dat doel beschikt, aan te tonen dat deze voorzieningen ook daadwerkelijk (kunnen) worden verstrekt. De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie dient zich schriftelijk garant te stellen voor de kosten die voor de Staat en andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien alsmede voor de kosten van diens reis naar een plaats buiten Nederland waar diens toegang gewaarborgd is door middel van een [model M48-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M48-B). De organisatie verklaart in [model M48-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M48-B) tevens zich bewust te zijn van de in dat model genoemde verplichtingen die uit hoofde van de toelating van een vreemdeling voor verblijf bij de desbetreffende organisatie op de organisatie rusten.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 20. Eergerelateerd geweld
De contactpersoon gender van de IND vraagt een analyse aan het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie over de aanwezigheid van dreiging van eergerelateerd geweld.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij (naam religieuze of levensbeschouwelijke groepering)’.
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
Omdat het een overgangsregeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) biedt om een beperking, anders dan de in [artikel 3.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. In de beschikking op een aanvraag voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt bepaald dat het verblijfsrecht tijdelijk is. Daartoe dient de vreemdeling een verklaring [M45-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M45-A) te tekenen.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
Vreemdelingen die in dit kader verblijf beogen hebben geen TWV nodig voor zover en aangezien het werkzaamheden betreft met een overwegend religieus of levensbeschouwelijk karakter zoals die van kloosterling of uitvoerder van activiteiten ten bate van de organisatie zelf. Dientengevolge geldt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid niet toegestaan’ Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst ‘een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
Is er slechts sprake van gevaar in het land van herkomst, maar is er in Nederland geen dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld, dan is de asielprocedure de aangewezen weg.
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
In het kader van de aanpak van eergerelateerd en huiselijk geweld is de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) gewijzigd zodat slachtoffers van eergerelateerd of huiselijk geweld zonder een verblijfstitel, mits een aanvraag om een verblijfsvergunning vanwege dreigend eergerelateerd geweld is ingediend bij de IND, gebruik kunnen maken van de voorzieningen van de Rvb. Deze regeling maakt niet alleen toegang tot opvang door een instelling voor vrouwenopvang mogelijk, maar ook financiering van hulpverlening en een ziektekostenverzekering.
### 7.1. Inleiding
Vooruitlopend op de invoering van het Modern Migratiebeleid wordt een pilot religieus verblijf ingericht om, in nauwe samenwerking met het UWV WERKbedrijf, toe te werken naar deze toekomstige situatie. De pilot biedt de mogelijkheid om nader kennis te maken met de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties in hun rol als referent. Tevens biedt de pilot de mogelijkheid om nadere invulling te kunnen geven aan de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) uitvoeringsregels ten aanzien van religieuzen, in het bijzonder in welke gevallen toetsing op betaling van tenminste het wettelijk minimumloon bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning achterwege kan blijven en in welke gevallen kan worden afgezien van de verplichte vacaturemelding en de arbeidsmarkttoets.
Indien de dreiging in de zeer nabije toekomst kan worden weggenomen doordat een bevredigende oplossing voor het conflict kan worden bereikt, zal er in principe geen noodzaak zijn verblijf in Nederland toe te staan. In de rapportage van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie zal worden opgenomen wat de verwachte duur is van het conflict. Een verblijfsvergunning zal echter niet alleen worden verleend indien sprake is van een blijvende dreiging, maar daarnaast is het ook mogelijk om in acute situaties een vergunning te verlenen. De verblijfsvergunning zal een tijdelijk karakter hebben.
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
### 12. Gezinshereniging
### 12. Gezinshereniging
Onder levensbedreigende delicten wordt ook verstaan het aanzetten tot zelfmoord, waartegen het slachtoffer geen verweer kan bieden.
De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, die aan deze pilot meedoet, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
Bij het indienen van een aanvraag geldt dat de organisatie:
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden in het kader van de pilot is verleend, moeten voldoen aan de voorwaarden als genoemd in hoofdstuk B2.
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 2.5. mvv-vereiste
### 7.1. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
De inkomsten uit arbeid als zelfstandige worden aangetoond overeenkomstig B1/4.3.4 (onder ‘Berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer’). Voor zover de bewijsstukken zijn overgelegd in een vreemde taal, wordt verwezen naar B1/9.3.
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 2.3. Algemene voorwaarden:
### 4. Beperking
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 7.1. Inleiding
### 7.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 7.5. Voorschriften
Voor zover op de vreemdeling de plicht berust om te beschikken over een mvv, dient de procedure ter verkrijgen van de mvv bij voorkeur in Nederland te worden gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling verblijf beoogt. Daartoe dient de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan betrokken vreemdeling te richten aan de IND. Bij het verzoek om advies dienen de in B19/2.2 genoemde bescheiden te worden meegezonden. Tevens dient bij het verzoek om advies een aanvullende brief te worden meegezonden waarin uiteengezet wordt dat de vreemdeling verblijf beoogt voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde verblijf voor arbeid of studie. Indien door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op het verzoek om advies een verblijfsdoel is aangekruist terwijl uit de overgelegde bescheiden nadrukkelijk blijkt dat verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden wordt beoogd, dient de aanvraag getoetst te worden aan de voorwaarden, verbonden aan de onderhavige regeling.
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’.
Al enige jaren is er - onder andere in de media en de politiek - aandacht voor eergerelateerd en huiselijk geweld en de bestrijding ervan. Het merendeel van de slachtoffers is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit of is in het bezit van een zelfstandige verblijfsvergunning. Het komt ook voor dat een slachtoffer een afhankelijke verblijfsvergunning heeft, of in het geheel niet of niet meer in het bezit is van een verblijfsvergunning. Voor deze laatste groep ontbreekt daarmee veelal de grond voor financiering van opvang en hulpverlening.
In het geval betrokken vreemdeling onderdaan is van een lidstaat van de EU, de EER of Zwitserland is de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
In het kader van de pilot religieus verblijf kan, in aanvulling op B5/4.1 en B19/1.2, verblijf worden toegestaan aan de vreemdeling die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt en ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht of anderszins met een religieuze of levensbeschouwelijke boodschap naar buiten treedt. Tevens kan verblijf worden toegestaan aan de vreemdeling, die activiteiten voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht als interne functionaris of als contemplatieve. Daarvoor is vereist dat het UWV WERKbedrijf een positief advies heeft afgegeven aan de IND betreffende de vreemdeling. Indien geen positief advies wordt afgegeven door het UWV WERKbedrijf wordt de aanvraag afgewezen. Indien door het UWV WERKbedrijf een positief advies is afgegeven, wordt zonodig vrijstelling van het middelenvereiste verleend, mits wordt voldaan aan de onder paragraaf 7.2.2 genoemde bijzondere voorwaarden. De vreemdeling moet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Het mvv-vereiste is onverkort van toepassing.
De IND stelt een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare orde en nationale veiligheid bezwaar bestaat tegen het verblijf van de vreemdeling.
Indien sprake is van beoogd verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie ten behoeve van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger/godsdienstleraar, ten behoeve van studie of ten behoeve van uitwisseling, zijn de voorwaarden ten aanzien van respectievelijk arbeid in loondienst (B5), studie (zie B6) of uitwisseling (zie B7) van toepassing. De [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) blijft onverkort van toepassing.
De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie legt ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan de volgende gegevens en bescheiden ten aanzien van de organisatie over:
De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie legt ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan de volgende gegevens en bescheiden met betrekking tot de individuele aanvraag over:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die heeft geleid tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
Voor zover op de vreemdeling de plicht rust om te beschikken over een mvv, wordt de procedure ter verkrijging van de mvv in Nederland gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die de overkomst van de vreemdeling wenst. Daartoe richt de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv aan betrokken vreemdeling aan de IND, onder vermelding van ‘pilot religieus verblijf’. Bij het verzoek zendt de organisatie de in B19/7.2.2 genoemde bescheiden mee.
Hierbij is het niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten. Alleen bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
De verblijfsvergunning wordt met toepassing van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), verleend in verband met de pilot religieus verblijf. Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’. De verblijfsvergunning voor verblijf in het kader van de pilot religieus verblijf wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Omdat deze pilot een tijdelijke regeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) biedt om een beperking, anders dan de in artikel 3.5, tweede lid, Vb, genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. Hoofdstuk B5/5 is niet van toepassing.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
### 7.5. Voorschriften
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 20. Eergerelateerd geweld
Als een gezinslid niet gelijktijdig een verzoek om advies wordt indient moet hij maken van het formulier voor nareizende gezinsleden.
In dit hoofdstuk wordt het rechtmatig verblijf van slachtoffers van eergerelateerd geweld geregeld. Daarnaast biedt dit hoofdstuk richtlijnen voor het bieden van opvang en bescherming van slachtoffers van eergerelateerd geweld.
Tevens wordt in dit hoofdstuk het rechtmatig verblijf van slachtoffers van huiselijk geweld geregeld die niet in aanmerking kunnen komen voor voortgezet verblijf op grond van huiselijk geweld (B16), omdat zij niet eerder in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning. Daarnaast biedt dit hoofdstuk ook richtlijnen voor het bieden van opvang en bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld.
Onder eergerelateerd geweld wordt verstaan elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld gepleegd vanuit een collectieve mentaliteit in een reactie op een (dreiging van) schending van de eer van een man of vrouw en daarmee van zijn of haar familie, waarvan de buitenwereld op de hoogte dreigt te raken. Dit type geweld vindt plaats in een specifieke culturele en sociale context en heeft geen religieuze basis. Eergerelateerd geweld kan verschillende vormen aannemen en in het uiterste geval tot moord of doodslag leiden.
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Al enige jaren is er - onder andere in de media en de politiek - aandacht voor eergerelateerd en huiselijk geweld en de bestrijding ervan. Het merendeel van de slachtoffers is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit of is in het bezit van een zelfstandige verblijfsvergunning. Het komt ook voor dat een slachtoffer een afhankelijke verblijfsvergunning heeft, of in het geheel niet of niet meer in het bezit is van een verblijfsvergunning. Voor deze laatste groep ontbreekt daarmee veelal de grond voor financiering van opvang en hulpverlening.
Dit hoofdstuk voorziet alleen in beleid voor het verlenen van een verblijfsvergunning indien de vreemdeling niet in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning of indien de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning twee jaar of langer is verlopen en de vreemdeling, gelet op het bepaalde in paragraaf B1/5.1 Vc, niet tijdig danwel binnen de redelijke termijn een aanvraag om verlenging of wijziging beperking heeft ingediend. Dit hoofdstuk is niet bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld of eergerelateerd geweld die hun verblijfsrecht dreigen te verliezen maar hun verblijf kunnen voortzetten op grond van een van de beperkingen als genoemd in [artikel 3.4 eerste lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Zij dienen een aanvraag wijziging beperking in te dienen en komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van dit hoofdstuk.
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
Is er slechts sprake van gevaar in het land van herkomst, maar is er in Nederland geen dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld, dan is de asielprocedure de aangewezen weg.
Indien er in Nederland sprake is van een dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld dan is de reguliere procedure de meest aangewezen weg. Voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk dient echter wel, naast dreiging in Nederland, ook dreiging in het land van herkomst aanwezig te zijn. In dat geval kan betrokkene zich immers niet aan het gevaar onttrekken door zich in het land van herkomst te vestigen.
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
In het kader van vergroting van de veiligheid van het slachtoffer van eergerelateerd geweld kan de aanvraag, eventueel door tussenkomst van de vrouwenopvang, schriftelijk worden ingediend (zie B1/9.1.1).
Om te beoordelen of sprake is van dreiging van eergerelateerd geweld vraagt de IND, ten behoeve van de beoordeling of dit verstrekking van een verblijfsvergunning rechtvaardigt, een analyse bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie. Uit de analyse moet in ieder geval blijken of er sprake is van dreiging van eergerelateerd geweld die de verstrekking van een verblijfsvergunning rechtvaardigt. Wanneer het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie mogelijkheden ziet waardoor de dreiging in die periode op de een of andere wijze afgewend kan worden, moet dit in de analyse worden meegenomen.
### 4. De beslissing
De contactpersoon gender van de IND vraagt een analyse aan het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie over de aanwezigheid van dreiging van eergerelateerd geweld.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Indien de dreiging in de zeer nabije toekomst kan worden weggenomen doordat een bevredigende oplossing voor het conflict kan worden bereikt, zal er in principe geen noodzaak zijn verblijf in Nederland toe te staan. In de rapportage van het Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie zal worden opgenomen wat de verwachte duur is van het conflict.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Onder levensbedreigende delicten wordt ook verstaan het aanzetten tot zelfmoord, waartegen het slachtoffer geen verweer kan bieden.
### 8. Verlenging
Eergerelateerd geweld kan zich ook uiten in de vorm van verstoting. Hierbij gaat het om een sociale doodverklaring van het slachtoffer door de familie. Bij de beoordeling van de verblijfsaanvraag wordt de vraag betrokken of het slachtoffer zich door vestiging elders aan de gevolgen van de verstoting zou kunnen onttrekken en of betrokkene zich vervolgens zelfstandig zou kunnen handhaven.
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4), behoudens de voorwaarden die hieronder worden genoemd.
### 8. Verlenging
### 10. Leges
### 4. Voorwaarden
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
Hierbij is het niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten. Alleen bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
De vreemdeling kan aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland dient ook in het land van herkomst dreiging aanwezig te zijn. De vreemdeling dient in dit kader aannemelijk te maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat.
In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen:
Het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie de [artikel 3.34b, eerste lid, onder j, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
Indien het slachtoffer van dreigend eergerelateerd of huiselijk geweld tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het slachtoffer voor de GBA een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van [artikel 67, vierde lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=67). Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regionale politiekorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt.
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
Ter beoordeling van de vraag of sprake is van dreigend eergerelateerd geweld in Nederland, wordt advies ingewonnen bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie.
### 4.3. Werkgever
Uit de analyse moet in ieder geval blijken of er sprake is van langdurige dreiging van eergerelateerd geweld die de verstrekking van een verblijfsvergunning rechtvaardigt. Wanneer het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld mogelijkheden ziet waardoor de dreiging in die periode op de een of andere manier afgewend kan worden, moet dit in de analyse worden meegenomen.
De inhoud van de analyse van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld vormt de basis van de beslissing omtrent de aanvraag om een verblijfsvergunning. De IND zal opnieuw om een analyse verzoeken indien daaraan zodanige gebreken kleven dat dit niet als basis kan dienen voor een zorgvuldig besluit omtrent de verlening van een verblijfsvergunning.
Bij de aanvraag moet altijd de originele diplomawaardering van het Nuffic worden meegestuurd. Betrokkene zelf of de werkgever draagt zelf zorg voor de diplomawaardering door een aanvraag hiertoe in te dienen bij het Informatiecentrum Diplomawaardering van het Nuffic. Bij deze aanvraag moet een gewaarmerkte kopie van het diploma en de bijbehorende cijferlijst worden overgelegd zonodig voorzien van een vertaling door een beëdigde vertaler.
Indien de vreemdeling, in verband met dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld, in een instelling voor vrouwenopvang is opgenomen, dient de vreemdeling, indien gewenst met behulp van de instelling voor vrouwenopvang, het aanvraagformulier voor de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) via het COA aan te vragen. De Rvb wordt verstrekt teneinde het slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.
Aan verstrekking op grond van de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) wordt de voorwaarde verbonden dat er een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van dreigend eergerelateerd geweld is ingediend en dat er sprake is van verblijf bij een instelling voor vrouwenopvang. Het COA gaat bij de IND en bij de instelling voor vrouwenopvang na of aan deze voorwaarde is voldaan.
De werkgever kan voor de vreemdeling, die in Nederland verblijf beoogt als houder van een Europese blauwe kaart het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen. Het bepaalde in B1/1.1.1 en B1/1.1.2 is van toepassing. Als de vreemdeling, conform het bepaalde in B1/1.1.1 zonder voorafgaand verzoek om een advies van de werkgever een aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt de aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie.
Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning kan een slachtoffer van dreigend eergerelateerd of huiselijk geweld aanspraak maken op de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726).
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) niet eerder dan nadat een verblijfsvergunning is afgegeven of de aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van dreigend eergerelateerd geweld is afgewezen en hiertegen geen bezwaar of beroep is ingesteld dat de vreemdeling hier te lande mag afwachten. Na afgifte van de verblijfsvergunning maakt het slachtoffer eergerelateerd geweld aanspraak op een uitkering ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703).
### 4. De beslissing
De contactpersoon gender van de IND vraagt een analyse aan het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie over de aanwezigheid van dreiging van eergerelateerd geweld.
Gelet hierop zal de wettelijke beslistermijn, op grond van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) met ten hoogste zes maanden kunnen worden verlengd.
De werkgever kan voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’ het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post aan het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De Hoofddirecteur van de IND stelt het aanvraagformulier vast en het aanvraagformulier kan alleen elektronisch worden verkregen van de IND (zie website).
Het verblijfsdocument van een slachtoffer van eergerelateerd geweld wordt afgegeven door de korpschef onder wiens verantwoordelijkheid het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld valt.
Als de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij de IND, maakt hij een afspraak via de afsprakenlijn.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend.
### 8. Verlenging
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd.
### 2.4. TBC-verklaring
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV. Een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 10. Leges
De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Het bepaalde in B1/4.5 is van toepassing.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden als verwoord in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en de algemene bepalingen van B2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen in zake het middelenvereiste.
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
Het koppelingsbureau van de IND fungeert in dergelijke gevallen als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
### 9.1. Wijziging werkgever
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning (regulier) voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het voldoen aan het looncriterium (zie B21/3.2) en het voldoen aan de opleidingseis (zie B21/3.4).
### 2. Procedureel
De volgende categorieën vreemdelingen komen in aanmerking voor verblijf op grond van Richtlijn 2009/50:
Op grond van [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) wordt de verblijfsvergunning verleend als:
### 4.1. Vrijstelling mvv
De Hoofddirecteur van de IND stelt het aanvraagformulier vast en het aanvraagformulier kan alleen elektronisch worden verkregen via de website van de IND.
De werkgever kan voor de vreemdeling, die in Nederland verblijf beoogt als houder van een Europese blauwe kaart het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen. Het bepaalde in B1/1.1.1 en B1/1.1.2 is van toepassing. Als de vreemdeling, conform het bepaalde in B1/1.1.1 zonder voorafgaand verzoek om een advies van de werkgever een aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt de aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie.
De echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner en de minderjarige kinderen die verblijf bij de houder van een Europese blauwe kaart willen, moeten een aanvraag indienen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleden van de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50.
De werkgever kan een verzoek om advies met het oog op de afgifte van een mvv in het kader van gezinshereniging bij de houder van een Europese blauwe kaart ook bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie indienen als:
Als de gezinsleden tegelijkertijd met de hoofdpersoon een verzoek om advies indienen, moeten zij gebruik maken van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv als gezinslid bij de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
Als een gezinslid niet gelijktijdig een verzoek om advies wordt indient moet hij maken van het formulier voor nareizende gezinsleden.
### 4.3. Werkgever
De aanvrager legt een kopie van de arbeidsovereenkomst over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het looncriterium. Daarnaast wordt voor de bewijsmiddelen aangesloten bij B15/5.1.2.
Betrokkene dient de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50 schriftelijk in bij de IND. Betrokkene kan dit zelf doen, of door tussenkomst van de werkgever. Betrokkene maakt gebruik van het aanvraagformulier ‘aanvraag verblijfsvergunning zonder mvv of wijziging verblijfsdoel als houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’ of ‘aanvraag verblijfsvergunning houder van een Europese blauwe kaart met mvv’.
De Hoofddirecteur van de IND stelt het aanvraagformulier vast en het aanvraagformulier kan alleen elektronisch worden verkregen van de IND (zie website).
### 4.4. Diploma
Als de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij de IND, maakt hij een afspraak via de afsprakenlijn.
Met het aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning voor de houder van een Europese blauwe kaart kunnen de gezinsleden gelijktijdig een aanvraag voor een verblijfsvergunning indienen.
Als de gezinsleden naar Nederland reizen nadat de vreemdeling, die in Nederland wil verblijven als houder van een Europese blauwe kaart een aanvraag heeft ingediend, moeten deze gezinsleden een aanvraag indienen. Hiervoor moeten zij gebruik maken van het daartoe bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden.
De vreemdeling, die direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een blauwe kaart uit een andere lidstaat, mag de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland afwachten. De uitzetting blijft dan achterwege. Ook de leden van het reeds in de eerste lidstaat bestaande gezin – er mag dus geen sprake zijn van gezinsvorming – mogen de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland afwachten (zie [artikel 3.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1b)).
Ingevolge richtlijn 2009/50 neemt de IND binnen een termijn van 90 dagen een beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als houder van een Europese blauwe kaart’.
### 2.3. Leges
Betaling van de verschuldigde leges vindt plaats door tussenkomst van de werkgever door een machtiging tot automatische incasso. Als de werkgever dit niet bij de aanvraag doet dan vindt betaling van de verschuldigde leges plaats door een acceptgiro van het CJIB.
### 2.4. TBC-verklaring
### 5.1. Inleiding
Voor verlening van een verblijfsvergunning verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging komen in aanmerking de echtgeno(o)te of geregistreerd partner, alsmede de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 5.2. Voorwaarden in het kader van gezinshereniging
Daarna moet de vreemdeling naar de gemeente gaan waar hij woont om zich te laten inschrijven in de GBA.
Het gezinslid legt bescheiden over waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag blijkt.
Als Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verleent, verlengt of intrekt, stelt de IND de eerste lidstaat, die de status als houder van een Europese blauwe kaart aan de vreemdeling heeft verleend, in kennis en verstrekt de IND informatie betreffende het verwijderingsbesluit. De eerste lidstaat is verplicht de vreemdeling en zijn gezinsleden terug te nemen (zie [artikel 3.103a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a)).
### 6. Geldigheidsduur
De toegang wordt niet geweigerd als de vreemdeling of zijn gezinsleden uit een andere staat die partij is bij het EU-Verdrag naar Nederland terugkeert als ‘houder’ of voormalig houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart. Dit geldt ook als de geldigheid van de door de Nederlandse autoriteiten afgegeven verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf als houder van een Europese blauwe kaart’ is verstreken of de verblijfsvergunning tijdens behandeling van de aanvraag is ingetrokken (zie [artikel 2.1a, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.1a)).
De verblijfsvergunning van de gezinsleden wordt op grond van [artikel 3.59c, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c) verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, eerste lid onder cc, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’. Het verblijfsrecht wordt met toepassing van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) aangemerkt als een niet-tijdelijk verblijfsrecht.
Op grond van [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) wordt de verblijfsvergunning verleend als:
De verblijfsvergunning voor de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/(geregistreerd)partner/ (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De vreemdeling moet beschikken over een geldige mvv afgegeven onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van een Europese blauwe kaart. Het mvv-vereiste geldt niet als:
Het is aan de vreemdeling om bescheiden over te leggen waaruit dit blijkt. Richtlijn 2009/50 is niet bindend voor de lidstaten Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.
### 4.2. Looncriterium
Het looncriterium is een bijzondere voorwaarde voor de verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als ‘houder van een Europese blauwe kaart’. Uit de arbeidsovereenkomst, aangegaan voor ten minste één jaar, moet blijken dat de vreemdeling een salaris ontvangt dat in ieder geval gelijk is aan het looncriterium. De wettelijk toegestane arbeid moet verricht worden voor één en dezelfde werkgever en de vereiste premies en belastingen moeten worden afgedragen.
Voor het looncriterium wordt verwezen naar [artikel 1i van het Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i). De Minister van SZW zal dit bedrag jaarlijks herzien.
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
De IND telt niet in geld uitgekeerd loon en onzekere loonbestanddelen (overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen) niet mee. Vaste toeslagen (zoals vakantietoeslag en een dertiende maand) rekent de IND bij het brutoloon mee.
De aanvrager legt een kopie van de arbeidsovereenkomst over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het looncriterium. Daarnaast wordt voor de bewijsmiddelen aangesloten bij B15/5.1.2.
### 9.1. Wijziging werkgever
Als de houder van een Europese blauwe kaart niet langer voldoet aan de beperking waaronder aan hem verblijf is toegestaan kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met toepassing van [artikel 18, eerste lid, sub f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18). Relevante wijzigingen, zoals wijziging van werkgever, moeten aan de IND worden gemeld (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). De houder van een Europese blauwe kaart heeft na drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
### 4.4. Diploma
Onder benodigde getuigschriften van het hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, Richtlijn 2009/50 wordt verstaan:
Bij de aanvraag moet altijd de originele diplomawaardering van het Nuffic worden meegestuurd. Betrokkene zelf of de werkgever draagt zelf zorg voor de diplomawaardering door een aanvraag hiertoe in te dienen bij het Informatiecentrum Diplomawaardering van het Nuffic. Bij deze aanvraag moet een gewaarmerkte kopie van het diploma en de bijbehorende cijferlijst worden overgelegd zonodig voorzien van een vertaling door een beëdigde vertaler.
Volgens [artikel 3.30b, eerste lid onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) moet een ‘gereglementeerd’ beroep (bijvoorbeeld een chirurg, notaris, boswachter en brandweerofficier) erkend zijn. De werkgever en de vreemdeling dragen de verantwoordelijkheid om bij een bezoek van een inspectie aan te tonen dat de vreemdeling beschikt over de vereiste beroepskwalificaties voor het betreffende gereglementeerde beroep.
De TEV-procedure vangt aan door:
De IND wijst de aanvraag voor een mvv niet af omdat de vreemdeling op grond van [artikel 8, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijft, als uit de duur en het doel van dit verblijf blijkt dat de vreemdeling niet in Nederland verblijft met het oogmerk de TEV-procedure te omzeilen.
### 1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student
### 3.3.1. Algemene bepalingen
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.3. Samenloop aanvraagprocedures
### 1.1.4. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRvS 12 januari 2004
Deze beleidsregel heeft een tijdelijk karakter. Deze overgangsregeling wordt uitsluitend toegepast indien de referent een nieuw verzoek om advies indient omtrent de afgifte van een mvv dan wel de vreemdeling een aanvraag indient tot het verlenen van een mvv, gedurende de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat dit voor hetzelfde verblijfsdoel moet zijn als waarvoor het eerdere verzoek om advies is ingediend, tenzij de wijziging van het verblijfsdoel dermate gering is, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken (zie [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100)).
De houder van een geldige mvv dient zich binnen een termijn van drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de korpschef van de gemeente waar hij gaat verblijven (zie [artikel 4.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ ([bijlage 7j VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7j)) wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’. Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND (zie B1/9.4). Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake indien blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is voldaan. Daartoe worden in ieder geval gerekend situaties waarin de vreemdeling:
Als uitzonderlijke omstandigheid wordt niet aangemerkt de situatie waarin degene bij wie de vreemdeling verblijf beoogt na verlening van de mvv alleen vanwege een latere aanscherping van het middelenvereiste niet meer voldoet aan dat vereiste dan wel niet langer is vrijgesteld van het middelenvereiste (zie B1/4).
### 1.5. Verkorte mvv-procedure
### 2.1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.1.7. Voorschriften
### 1.1.4. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRvS 12 januari 2004
Het verzoek om als convenanthouder te worden toegelaten tot de verkorte mvv-procedure en alle verzoeken om advies die via de verkorte mvv-procedure worden ingediend, moeten worden gericht aan de IND.
Een bijzondere categorie waarvoor wordt voorzien in een permanente regeling, betreft de zogeheten nareizers, die binnen drie maanden nadat een familielid een zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, deze hoofdpersoon nareizen. Zij komen dan in beginsel ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De wijze waarop deze nareis vorm moet krijgen is neergelegd in [C2/6](onbekend). Daarin is bepaald dat de aanvraag om verlening van een mvv wordt aangemerkt als begin van de nareis. Voor de uitspraak van 12 januari 2004 betrof dit zowel de aanvraag op de post als het verzoek om advies door de referent.
Nu het verzoek om advies in de referentprocedure echter niet meer als een aanvraag beschouwd kan worden en hiertegen geen rechtsmiddelen openstaan, is de datum van de start van de referentprocedure als start van de nareis komen te vervallen. Hierdoor zouden de gezinsleden van de hoofdpersoon in bepaalde gevallen hun afgeleide asielstatus mislopen. Gezien de schrijnende gevolgen die dit met zich mee zou brengen, geldt in deze gevallen de datum van het verzoek om advies van de asielstatushouder als startdatum van de nareis, in de zin van [artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29). Dit houdt in dat als de hoofdpersoon binnen drie maanden na de statusverlening een verzoek om advies heeft ingediend de nareistermijn is veiliggesteld. Ook indien er in eerste instantie een negatief advies is afgegeven en referent voldoet in een later stadium alsnog aan alle voorwaarden, blijft de datum van het eerste verzoek om advies staan als datum start nareis.
Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor bedrijven de volgende voorwaarden:
De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan slechts worden afgegeven na voorafgaande machtiging door de Visadienst van het Ministerie van BuZa, ondergebracht bij de IND. Deze machtiging is zes maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de Minister van BuZa om een mvv te verstrekken. Binnen die zes maanden moet de vreemdeling de machtiging in ontvangst hebben genomen. Indien de vreemdeling zich niet binnen zes maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Indien de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die zes maanden, heeft de vreemdeling vervolgens zes maanden de tijd om vanaf datum afgifte van de mvv naar Nederland te reizen.
Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor onderwijsinstellingen de volgende voorwaarden:
Op grond van [artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) worden alleen onderwijsinstellingen die een convenant met de IND hebben afgesloten aangewezen als onderwijsinstelling als bedoeld in [artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Hiermee is de verkorte mvv-procedure voor verblijf voor studie in beginsel de standaard toelatingsprocedure.
Uit de systematiek van de wet volgt dat het ontbreken van een mvv geen betekenis heeft bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. In die gevallen waarin een vreemdeling eerst een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daarna tevens een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, wordt ten aanzien van de asielaanvraag het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Voor de reguliere aanvraag die hangende de asielprocedure wordt ingediend, wordt het mvv-vereiste evenwel onverkort gehandhaafd.
Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor culturele uitwisselingsorganisaties de volgende voorwaarden:
De houder van een geldige mvv dient zich binnen een termijn van drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de korpschef van de gemeente waar hij gaat verblijven (zie [artikel 4.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie [artikel 4.29, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29)). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ ([bijlage 7j VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7j)) wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’. Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND (zie B1/9.4). Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake indien blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is voldaan. Daartoe worden in ieder geval gerekend situaties waarin de vreemdeling:
Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor au pair bureaus de volgende voorwaarden:
Uit de aard van de verkorte mvv-procedure volgt dat deze procedure uitsluitend is bedoeld voor verzoeken om advies waarbij criteria gelden die duidelijk en eenvoudig (en daardoor snel) te toetsen zijn. Daarom is de verkorte mvv-procedure alleen mogelijk voor verzoeken om advies in het kader van arbeid in loondienst (inclusief stage), (de voorbereiding op) studie (uitsluitend hoger onderwijs) en culturele uitwisseling. Uitzondering betreft het verzoek om advies, onder bepaalde voorwaarden, in het kader van gezinshereniging (zie B1/1.5.5).
Voor bedrijven, onderwijsinstellingen (hieronder begrepen: onderzoeksinstellingen) en culturele uitwisselingsorganisaties bestaat onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure. Wanneer een bedrijf, onderwijsinstelling of culturele uitwisselingsorganisatie tot de verkorte mvv-procedure is toegelaten, kunnen verzoeken om advies via deze procedure versneld worden afgedaan. De IND kan deze faciliteit verlenen, maar ook – bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan – weer intrekken.
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.5.2.2. Geldigheidsduur
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
In afwijking van het vorenstaande is voor een au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin het convenant geldig gedurende zes maanden vanaf de datum waarop het convenant door beide partijen is ondertekend.
Iedere zes maanden wordt door de IND het functioneren van het au pair bureau binnen de verkorte mvv-procedure geëvalueerd en beoordeeld. Na een positieve beoordeling door de IND wordt de toestemming om deel te nemen aan de verkorte mvv-procedure opnieuw verleend door het opnieuw ondertekenen van een convenant. Ook dit convenant wordt afgesloten voor de duur van zes maanden vanaf de datum van inwerking treden. Er vindt geen verlenging plaats voor onbepaalde tijd.
Op grond van [artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) worden alleen onderwijsinstellingen die een convenant met de IND hebben afgesloten aangewezen als onderwijsinstelling als bedoeld in [artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Hiermee is de verkorte mvv-procedure voor verblijf voor studie in beginsel de standaard toelatingsprocedure.
In het convenant wordt uitdrukkelijk vermeld dat het convenant kan worden opgezegd indien niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden of als sprake is van oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik. Tevens wordt vermeld op welke wijze en op welke termijn kan worden opgezegd.
Indien feiten of omstandigheden wijzen op oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik wordt door de IND een nader onderzoek ingesteld dat kan leiden tot opzegging van het convenant en daarmee beëindiging van het gebruik door het bedrijf/de instelling/ het au pair bureau van de verkorte mvv-procedure. Indien zulks het geval is, ontvangt het bedrijf/de instelling/ het au pair bureau een gemotiveerde beslissing dat niet langer van de verkorte mvv- procedure gebruik kan worden gemaakt.
De geldigheidsduur van het convenant van een au pair bureau hangt samen met de looptijd van de proeftuin au pair. Het convenant vervalt in ieder geval bij de beëindiging van de proeftuin. Het convenant komt eveneens te vervallen bij de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid, ongeacht de nog resterende duur van de geldigheid op dat moment.
Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor culturele uitwisselingsorganisaties de volgende voorwaarden:
De verzoeken om advies worden gedaan door het indienen van een inlichtingenformulier. Dit inlichtingenformulier dient ten behoeve van de vreemdeling te worden ingevuld door het bedrijf of de instelling en te worden gezonden aan de IND. Binnen de verkorte mvv-procedure zijn vier inlichtingenformulieren van toepassing: ‘(de voorbereiding op) studie’, ‘stage’, ‘arbeid in loondienst’ en ‘culturele uitwisseling’.
Het inlichtingenformulier dient vergezeld te gaan van de voor het verzoek om advies benodigde bijlagen, zoals vermeld in het desbetreffende inlichtingenformulier. Wanneer alle gegevens volledig en op de juiste wijze zijn verstrekt, wordt het verzoek om advies in deze verkorte procedure in behandeling genomen. Op dat moment wordt nagegaan of de personalia van de vreemdeling voorkomen in het (N)SIS en het OPS.
Indien aan de in B1/1.5.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, ontvangt het bedrijf/de instelling schriftelijk toestemming om voor de duur van een jaar gebruik te maken van de verkorte mvv- procedure. In afwijking hiervan geldt voor het au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin dat schriftelijke toestemming wordt verleend om voor de duur van zes maanden gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure.
Indien de vreemdeling niet voorkomt in (N)SIS/OPS en aan de overige voorwaarden wordt voldaan, volgt een positieve beslissing. Deze beslissing wordt door de IND naar de desbetreffende ambassade gezonden. De Nederlandse ambassade zal vervolgens de mvv afgeven, tenzij deze tegen de afgifte alsnog bezwaren ziet, bijvoorbeeld op grond van de openbare orde. Ook zal de Nederlandse ambassade de identiteit van de vreemdeling vaststellen alvorens tot afgifte van de mvv over te gaan. Voor het verkrijgen van de mvv zijn leges verschuldigd.
Indien aan de in B1/1.5.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, ontvangt het bedrijf/de instelling schriftelijk toestemming om voor de duur van een jaar gebruik te maken van de verkorte mvv- procedure. In afwijking hiervan geldt voor het au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin dat schriftelijke toestemming wordt verleend om voor de duur van zes maanden gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure.
Indien bij de behandeling van het verzoek om advies blijkt dat niet aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan, of indien het inlichtingenformulier onvolledig is ingevuld dan wel niet is voorzien van de voor het advies benodigde bijlagen, zal de IND het bedrijf of de instelling in de gelegenheid stellen het verzoek binnen een bepaalde termijn aan te vullen. Indien het verzoek om advies niet binnen die termijn (voldoende) is aangevuld, kan het verzoek buiten behandeling worden gesteld.
In afwijking van het vorenstaande is voor een au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin het convenant geldig gedurende zes maanden vanaf de datum waarop het convenant door beide partijen is ondertekend.
Nadat de vreemdeling in het bezit van een mvv Nederland is ingereisd, wordt de gangbare procedure gevolgd ter verkrijging van een verblijfsvergunning. De gegevens die bij het inlichtingenformulier zijn verstrekt, dienen bij de aanvraag om een verblijfsvergunning bij de IND wederom te worden verstrekt. Voorts dienen aldaar de originele documenten te worden overgelegd.
### 1.5.5. Gezinshereniging
### 1.5.3.1. Beslissing
### 1.5.2.3. Beëindiging
### 1.5.2.3. Beëindiging
Aanvragen in het kader van adoptie en pleegkinderen kunnen derhalve niet via de verkorte mvv-procedure worden afgehandeld.
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
Het inlichtingenformulier dient vergezeld te gaan van de voor het verzoek om advies benodigde bijlagen, zoals vermeld in het desbetreffende inlichtingenformulier. Wanneer alle gegevens volledig en op de juiste wijze zijn verstrekt, wordt het verzoek om advies in deze verkorte procedure in behandeling genomen. Op dat moment wordt nagegaan of de personalia van de vreemdeling voorkomen in het (N)SIS en het OPS.
Het is niet mogelijk om een verzoek om advies ten behoeve van een vreemdeling die een verblijf in Nederland voor een periode van niet langer dan drie maanden beoogt binnen de verkorte mvv-procedure af te handelen. Indien een kort verblijf wordt beoogd, dient de vreemdeling daartoe zelf bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland een visumaanvraag in te dienen.
Het inlichtingenformulier dient vergezeld te gaan van de voor het verzoek om advies benodigde bijlagen, zoals vermeld in het desbetreffende inlichtingenformulier. Wanneer alle gegevens volledig en op de juiste wijze zijn verstrekt, wordt het verzoek om advies in deze verkorte procedure in behandeling genomen. Op dat moment wordt nagegaan of de personalia van de vreemdeling voorkomen in het (N)SIS en het OPS.
### 1.5.3.1. Beslissing
### 1.5.3.1. Beslissing
Gelet op [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100) is, in gevallen waarin de vreemdeling hangende de besluitvorming op een aanvraag een ander verblijfsdoel nastreeft, sprake van wijziging van het verblijfsdoel, waarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Indien de wijziging dermate gering is dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. In een dergelijk geval kan de beperking dus wel anders luiden dan hetgeen is aangevraagd.
### 1.5.1.3. Voorwaarden voor culturele uitwisselingsorganisaties
### 1.5.3.2. Onvolledig verzoek om advies
Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel.
Op grond van [artikel 3.81 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.81) wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de [artikelen 3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), [3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77), [3.78](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) en [3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) niet van toepassing zijn en de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87) van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.
Wanneer andere sectoren dan hiervoor onder b. genoemd worden aangewezen, zal dit per Wijzigingsbesluit Vc worden bekendgemaakt. Bij twijfel of een bepaalde functie binnen één van de genoemde categorieën valt, dient contact te worden opgenomen met de Afdeling Juridische Zaken van Arbeidsbureau Nederland.
Ingevolge [artikel 14, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdend met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Het is derhalve niet mogelijk om een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen. In [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) zijn de voornaamste beperkingen genoemd. Deze houden verband met:
Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie [artikel 3.4, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) en de desbetreffende materiehoofdstukken B2 en verder).
Daarnaast kan de Minister een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking dan hiervoor genoemd (zie [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4)). Het moet daarbij gaan om een verblijfsvergunning op reguliere gronden en niet op asielgerelateerde gronden (zie B1/9.2).
Ingevolge [artikel 14, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) kunnen verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd alleen onder een beperking verband houdende met het verblijfsdoel worden verleend en is verlening van een zodanige verblijfsvergunning zonder beperkingen niet mogelijk.
In [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100), handelend over de wijziging van de beperking, komt tot uiting de regel van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve kunnen worden verleend).
Met de aanvraag stelt de vreemdeling het kader voor de besluitvorming. Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan is aangevraagd. Indien de wijziging dermate gering is dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. In een dergelijk geval kan de beperking dus wel anders luiden dan hetgeen is aangevraagd.
De verblijfsdoelen waarvoor verblijf kan worden verleend, zijn omschreven in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) en deze zijn nader uitgewerkt in deel B. De opsomming in artikel 3.4 Vb is niet limitatief. In het derde lid van dit artikel is de bevoegdheid van de Minister voor I&A neergelegd om een verblijfsvergunning te verlenen onder een beperking die niet in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) is geregeld.
Van deze bevoegdheid, die overigens ook categoriaal kan worden toegepast, zal terughoudend worden gebruikgemaakt.
De in het derde lid gegeven bevoegdheid ziet niet op situaties waarin de vreemdeling in Nederland wil verblijven op een grond die wel in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) is opgenomen, maar aan een of meer van de voorwaarden niet wordt voldaan. In een dergelijke situatie wordt de verblijfsvergunning als regel niet verleend.
Gelet op het uitgangspunt om van bedoelde bevoegdheid terughoudend gebruik te maken, gelet op mogelijke precedentwerking en in het belang van de noodzakelijke coördinatie is de hieronder vermelde werkwijze vastgesteld.
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 7.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 20. Eergerelateerd geweld
### 4. Beperking
### 1. Inleiding
### 2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
### 2.3. Algemene voorwaarden:
Naast voornoemde bijzondere voorwaarden voor toelating, moet worden voldaan aan de algemene toelatingsvoorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). Daarbij geldt ten aanzien van middelen van bestaan het navolgende.
### 3. Procedure
### 4. Beperking
### 4. De beslissing
In het kader van vergroting van de veiligheid van het slachtoffer van eergerelateerd geweld kan de aanvraag, eventueel door tussenkomst van de vrouwenopvang, schriftelijk worden ingediend (zie B1/9.1.1).
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Twv niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. In het geval de vreemdeling onderdaan is van een lidstaat van de EU, de EER of Zwitserland luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist’.
Het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie de [artikel 3.34b, eerste lid, onder j, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
Als de gezinsleden tegelijkertijd met de hoofdpersoon een verzoek om advies indienen, moeten zij gebruik maken van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv als gezinslid bij de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
### 1. Inleiding
### 3.1. Briefadres
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd. Met ‘de huiselijke kring’ worden (ex-)partners, gezins- en familieleden en huisvrienden bedoeld. De term ‘huiselijk’ verwijst dus niet naar de plaats waar het geweld zich voordoet, maar naar de relatie tussen pleger en slachtoffer. Huiselijk geweld kan de vorm aannemen van kindermishandeling, (ex-)partnergeweld in alle denkbare verschijningsvormen, en mishandeling, uitbuiting en/of verwaarlozing van ouderen. Het gaat bij huiselijk geweld om lichamelijke, seksuele maar ook psychische vormen van geweld zoals belaging en bedreiging (**‘stalking’**).
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld waarvoor een verblijfsvergunning af moet worden gegeven is van belang waar de vreemdeling gevaar loopt.
### 9.1. Wijziging werkgever
In het kader van de aanpak van eergerelateerd en huiselijk geweld is de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) gewijzigd zodat slachtoffers van eergerelateerd of huiselijk geweld zonder een verblijfstitel, mits een aanvraag om een verblijfsvergunning vanwege dreigend eergerelateerd geweld is ingediend bij de IND, gebruik kunnen maken van de voorzieningen van de Rvb. Deze regeling maakt niet alleen toegang tot opvang door een instelling voor vrouwenopvang mogelijk, maar ook financiering van hulpverlening en een ziektekostenverzekering.
### 2.3. Leges
Indien de dreiging in de zeer nabije toekomst kan worden weggenomen doordat een bevredigende oplossing voor het conflict kan worden bereikt, zal er in principe geen noodzaak zijn verblijf in Nederland toe te staan. In de rapportage van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie zal worden opgenomen wat de verwachte duur is van het conflict. Een verblijfsvergunning zal echter niet alleen worden verleend indien sprake is van een blijvende dreiging, maar daarnaast is het ook mogelijk om in acute situaties een vergunning te verlenen. De verblijfsvergunning zal een tijdelijk karakter hebben.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Indien er sprake is van een dreiging met eergerelateerd geweld die alleen in het land van herkomst bestaat, is er aanleiding om het slachtoffer een asielaanvraag in te laten dienen wegens asielgerelateerde gronden. Er zal derhalve voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning in ieder geval sprake moeten zijn van een dreiging in Nederland. Naast dreiging in Nederland, dient ook in het land van herkomst dreiging aanwezig te zijn. De vreemdeling dient in dit kader aannemelijk te maken dat er familieleden in het land van herkomst wonen, welke familieleden dat zijn en waar zij woonachtig zijn.
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Er kan een verblijfsvergunning worden verleend:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die heeft geleid tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat de betrokkene aangifte van geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist: recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of recente gegevens over verblijf in de opvang; of andere recente gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron. Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
### 10. Leges
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
### 12. Gezinshereniging
### 4.2. Looncriterium
Het slachtoffer van huiselijk geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder l, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer.
### 1. Inleiding
Het is niet de bedoeling dat niet terzake gespecialiseerde ambtenaren van de IND zich een eigenstandig oordeel vormen over de mogelijke dreiging van eergerelateerd geweld.
### 4.3. Werkgever
### 2.1. Verzoek om advies mvv
Als de gezinsleden tegelijkertijd met de hoofdpersoon een verzoek om advies indienen, moeten zij gebruik maken van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv als gezinslid bij de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Als de gezinsleden naar Nederland reizen nadat de vreemdeling, die in Nederland wil verblijven als houder van een Europese blauwe kaart een aanvraag heeft ingediend, moeten deze gezinsleden een aanvraag indienen. Hiervoor moeten zij gebruik maken van het daartoe bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden.
Bij voortduring van de dreiging in verband waarmee de verblijfsvergunning is verleend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard kan na 1 jaar een aanvraag worden ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Zie paragraaf B16/14.9.
### 12. Gezinshereniging
Voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komen in aanmerking:
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven in het kader van Richtlijn 2009/50, onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’. De richtlijn regelt de voorwaarden van toegang en verblijf voor langer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaten van derdelanders die als houder van een Europese blauwe kaart hooggekwalificeerde werkzaamheden vervullen en van hun gezinsleden.
### 2.1. Verzoek om advies mvv
De vreemdeling dient het verzoek om advies schriftelijk in bij de IND. Betrokkene kan dit zelf doen, of door tussenkomst van de werkgever. De vreemdeling maakt gebruik van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
### 4.1. Vrijstelling mvv
### 4.1. Vrijstelling mvv
Ten aanzien van de beslistermijnen wordt aangesloten bij de algemene bepalingen hieromtrent als opgenomen in paragraaf B1/1.
### 4.4. Diploma
De IND controleert bij de Belastingdienst of de loonbelasting of premies voor de werknemers- of volksverzekeringen zijn afgedragen.
Onder benodigde getuigschriften van het hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, Richtlijn 2009/50 wordt verstaan:
Het bepaalde in B1/4.5 is van toepassing.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
De werkgever neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND. Vervolgens moet betrokkene of de werkgever met het paspoort van de betrokkene zich melden bij dit loket. Als de vreemdeling in het bezit is van een mvv wordt op de sticker aangetekend: ‘Arbeid wel toegestaan. TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor zijn gezinsleden. Als de vreemdeling niet over een mvv beschikt wordt de volgende arbeidsmarktaantekening geplaatst: ‘Arbeid niet toegestaan. TWV wel vereist’. Dit geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden.
### 5. Gezinsleden
### 2.6. In kennis stellen eerste lidstaat bij afwijzing
Uitgesloten van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’ is (zie [artikel 3.30b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b)):
### 4. Voorwaarden
### 6. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning van de gezinsleden wordt op grond van [artikel 3.59c, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c) verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van de houder van een Europese blauwe kaart.
Bij het beoordelen van het looncriterium kent de IND uitsluitend betekenis toe aan loon in geld. Het gaat daarbij om het vaste contractueel overeengekomen en in geld vastgestelde brutoloon.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode
Bij de beoordeling van aanvragen om een mvv of een eerste verblijfsvergunning zal in de regel geen rekening kunnen worden gehouden met een eventuele toekenning van de 30% regeling, omdat de Belastingdienst in dat stadium nog geen beschikking heeft afgegeven.
### 4.3. Werkgever
De houder van een Europese blauwe kaart heeft als hij werkloos is geworden, binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, drie maanden de tijd om een nieuwe baan te zoeken. De vreemdeling en zijn (voormalige) werkgever moeten de IND direct informeren als de vreemdeling werkloos is geworden.
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 9.2. Werkloosheid
De werkgever en/of de vreemdeling moet bij de aanvraag de bewijsmiddelen overleggen waaruit blijkt dat de vreemdeling aan de vereisten voldoet om een bepaald beroep uit te oefenen.
Als de houder van een Europese blauwe kaart niet langer voldoet aan de beperking waaronder aan hem verblijf is toegestaan kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met toepassing van [artikel 18, eerste lid, sub f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18). Relevante wijzigingen, zoals wijziging van werkgever, moeten aan de IND worden gemeld (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). De houder van een Europese blauwe kaart heeft na drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
Een vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding komt niet in aanmerking voor een Europese blauwe kaart. In afwijking van B1/4.2 wordt de vreemdeling niet vrijgesteld van dit vereiste ook als de vreemdeling kan aantonen dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
### 3.2.5. Ambtshalve verlening verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Bij de beslissing op de aanvraag wordt overigens niet getreden buiten de toelatingsgronden van [artikel 13 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13).
Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel.
Ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) wordt de verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dat geldt zowel voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als voor onbepaalde tijd.
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.1. Beperking
### 2.2.4.6. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
### 2.1. Beperking
Zie in dit verband ook B5.
Ingevolge [artikel 9, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) verschaft de Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder a tot en met h, en j tot en met l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. De vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), wordt desgevraagd een dergelijk document of verklaring verschaft (zie ook [artikel 3.9 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
Het document of de schriftelijke verklaring als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9), bevat tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt van de vreemdeling.
De vreemdeling dient op zijn uit de aantekening voortvloeiende rechten te worden gewezen.
Van deze bevoegdheid, die overigens ook categoriaal kan worden toegepast, zal terughoudend worden gebruikgemaakt.
Op het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, kunnen verschillende arbeidsmarktaantekeningen worden geplaatst. Voor de vreemdeling is het van groot belang dat de juiste arbeidsmarktaantekening zo spoedig mogelijk wordt geplaatst op zijn document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Een verkeerde aantekening kan immers grote gevolgen hebben voor zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. Het is van belang dat de Korpschef de vreemdeling wijst op de rechten die voortvloeien uit deze aantekening.
De vreemdeling is met deze aantekening volledig vrij op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat hij dit recht behoudt gedurende de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur of tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure. Wanneer de beperking wijzigt waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan hem is verleend, blijft de arbeidsmarktaantekening ongewijzigd (bijv. indien de beperking van een verblijfsvergunning bij Nederlandse echtgenoot wijzigt in een verblijfsvergunning voor studie).
EU/EER-onderdanen (zie B10/8) en onderdanen van Zwitserland mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom mag voor het laten werken van een EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland geen TWV worden verlangd.
Op het af te geven bewijs van rechtmatig verblijf aan gemeenschapsonderdanen die zelf geen EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, dient de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ te worden geplaatst (zie B10/2.7).
De vreemdeling heeft hiermee een beperkt recht om zich op de arbeidsmarkt te begeven. Slechts indien zijn (feitelijke) werkgever beschikt over een TWV ten behoeve van zijn tewerkstelling is het de vreemdeling toegestaan om arbeid te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen die in het kader van het verrichten van arbeid in loondienst tot Nederland worden toegelaten alsmede hun gezinsleden krijgen deze aantekening). Deze aantekening kan echter wijzigen.
Indien de vreemdeling gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met deze aantekening, heeft hij recht op de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De vreemdeling met deze aantekening kan zich slechts op een specifiek omschreven deel van de arbeidsmarkt begeven onder de voorwaarde dat zijn (feitelijke) werkgever beschikt over een TWV ten behoeve van zijn tewerkstelling. Het is niet toegestaan om andere arbeid te verrichten dan de arbeid waarvoor toestemming is verleend.
Het is de vreemdeling niet toegestaan arbeid in Nederland te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning verband houdende met verblijf als au pair is verleend).
Deze aantekening wordt gebruikt in geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgegeven aan de houder van de door een andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning langdurig ingezetene. De verplichting om te beschikken over een tewerkstellingsvergunning blijft gedurende de eerste twaalf maanden bestaan.
Met deze aantekening wordt uitgedrukt dat de vreemdeling de arbeid in verband waarmee de verblijfsvergunning is afgegeven mag verrichten zonder TWV. Hij mag echter geen andere arbeid verrichten dan die waarvoor de verblijfsvergunning is verleend. Als de vreemdeling andere arbeid wil gaan verrichten zal hij een wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning moeten aanvragen. Deze arbeidsmarktaantekening wordt gebruikt bij bijvoorbeeld kennismigranten en onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers.
Deze arbeidsmarktaantekening wordt gebruikt als iemand in Nederland verblijft om arbeid als zelfstandige te verrichten. Deze vreemdelingen mogen naast hun werkzaamheden als zelfstandige arbeid in loondienst verrichten, maar alleen als hiervoor een TWV is afgegeven.
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 2.1. Versnelde toelatingsprocedure
### 2.3. Algemene voorwaarden:
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
### 20. Eergerelateerd geweld
### 6. Afgifte van het verblijfsdocument
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
Naast levensbedreigende delicten kunnen ook andere uitingsvormen van eergerelateerd geweld, waarbij sprake is van een strafbaar feit gericht tegen het slachtoffer zoals verminking, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, tot vergunningverlening leiden.
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De vreemdeling toontde (reële dreiging van) huiselijk geweld aan met:
### 3.1. Briefadres
De aanvrager legt een kopie van de arbeidsovereenkomst over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het looncriterium. Daarnaast wordt voor de bewijsmiddelen aangesloten bij B15/5.1.2.
### 2. Procedureel
### 5. Gezinsleden
### 4.5. Geldig document voor grensoverschrijding
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Betaling van de verschuldigde leges vindt plaats door tussenkomst van de werkgever door een machtiging tot automatische incasso. Als de werkgever dit niet bij de aanvraag doet dan vindt betaling van de verschuldigde leges plaats door een acceptgiro van het CJIB.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode
### 3. Uitsluitingen
Uitgesloten van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’ is (zie [artikel 3.30b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b)):
### 4. Voorwaarden
De werkgever kan voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’ het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post aan het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen.
### 4.3. Werkgever
### 4.4. Diploma
### 5.1. Inleiding
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
Voor beroepen in de individuele gezondheidszorg is registratie in het ‘beroepen in de individuele gezondheidszorg’-register verplicht. Als een vreemdeling in Nederland een beroep wil uitoefenen waarvoor registratie in het BIG (dit register) verplicht is, maar deze registratie niet blijkt wijst de IND de aanvraag af omdat er geen sprake is van wettelijk toegestane arbeid.
### 9.1. Wijziging werkgever
### 9.2. Werkloosheid
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen (zie [artikel 3.89b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b) en [artikel 18, eerste lid, sub d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18)) en de verblijfsvergunning wordt ingetrokken (zie [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91c)) als:
De houder van een Europese blauwe kaart moet in alle gevallen melding maken van zijn werkloosheid (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben op het verblijfsrecht.
Voor verlening van een verblijfsvergunning verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging komen in aanmerking de echtgeno(o)te of geregistreerd partner, alsmede de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 3.2.4. Afgifte mvv en inreis in Nederland
### 1.2. Afgifte mvv
### 1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 2.2.7.1. Inburgering Buitenland
De achtergrond van dit besluit is gelegen in de ongewenste gevolgen die de voorheen geldende regeling bleek te hebben. In die situatie zouden werkgevers een TWV moeten aanvragen en bij weigering daarvan de vreemdeling moeten ontslaan, terwijl de vreemdeling nadien weer het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt zou (kunnen) verkrijgen. Ook uit oogpunt van het algemeen belang is het te verkiezen dat vreemdelingen, aan wie mogelijk voortzetting van het verblijf wordt toegestaan, beschikken over een werkkring waarmee zij in hun onderhoud (blijven) voorzien.
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
Uit het feit dat een vreemdeling in het bezit is van de hier bedoelde arbeidsmarktaantekening kan echter niet worden afgeleid dat met de voortzetting van zijn verblijf een wezenlijk Nederlands belang in de zin van de Vw wordt gediend op grond waarvan opnieuw verblijf zou moeten worden toegestaan.
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.2.9. Onjuiste gegevens
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
Met name niet-tijdelijk van aard is het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning die is verleend onder een beperking verband houdend met:
Bij het slot van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) kan, afgezien van individuele gevallen, worden gedacht aan een tijdelijke regeling op grond waarvan aan bepaalde categorieën vreemdelingen gedurende een beperkte periode verblijf in Nederland wordt toegestaan. In een dergelijk geval wordt in het desbetreffende Wijzigingsbesluit [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) aangegeven of het verblijfsrecht tijdelijk of niet-tijdelijk van aard is.
In [artikel 3.4, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) is opgenomen wanneer een beroep op de publieke middelen in ieder geval gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
In [artikel 4.21, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) is opgenomen in welke gevallen op het verblijfsdocument een aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ wordt gesteld.
In [artikel 3.4, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) is opgenomen wanneer een beroep op de publieke middelen in ieder geval gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.
De IND stelt de vreemdeling vooraf schriftelijk in kennis dat een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. De IND doet dit door een aantekening op te nemen op het verblijfsdocument of de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt toegekend.
Het doen van een beroep op de publieke middelen kan betekenen dat niet langer wordt voldaan aan ten minste een van de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning wordt verleend, zodat verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden geweigerd met toepassing van [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18).
Onder ‘beperkingen’ wordt in dit verband mede verstaan de voorwaarden die zijn gesteld aan verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Tevens is het doen van een beroep op de publieke middelen een aanwijzing dat niet wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan, als bedoeld in [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18).
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) zijn dit tevens intrekkingsgronden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Hetzij de vreemdeling zelf, hetzij degene bij wie aan de vreemdeling verblijf is toegestaan, beschikt kennelijk niet langer zelfstandig over voldoende middelen van bestaan, wanneer hij of zij een beroep doet op de publieke middelen.
Zorg-, huur-, kinderopvang- en kindertoeslagen zoals die door de Belastingdienst worden uitgekeerd, worden niet beschouwd als een beroep op de publieke middelen in de zin van [artikel 3.4, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). De toekenning van een van voornoemde toeslagen heeft derhalve geen gevolgen voor het verblijfsrecht.
Ingevolge [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van dat artikel. In dat geval wordt bij de verlening aangegeven of het daaruit voortvloeiende verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Blijft een dergelijke aanwijzing achterwege dan volgt uit [het derde lid van artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) dat het verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is.
Ingevolge [artikel 14, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) kunnen aan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
Aan de verblijfsvergunning kan als voorschrift worden verbonden het deponeren van een passagebiljet, voor de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.
In verband met de beperkte geldigheidsduur van passagebiljetten wordt van deze mogelijkheid slechts gebruik gemaakt ten aanzien van vreemdelingen die een verblijf beogen van korter dan één jaar. De duur waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend, is in deze gevallen steeds korter dan de geldigheidsduur van het passagebiljet. De vreemdeling wordt geacht aan dit voorschrift te hebben voldaan, indien hij reeds in verband met verblijf in de vrije termijn een passagebiljet heeft gedeponeerd dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.
Indien het deponeren van een passagebiljet als voorschrift aan een verblijfsvergunning regulier wordt verbonden – en het biljet is niet reeds gedeponeerd in verband met verblijf in de vrije termijn – dient het alsnog te worden gedeponeerd bij één van de visumloketten, welke door de IND zijn ingericht in Rijswijk en Zwolle. Afhankelijk van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling stelt de ambtenaar van de IND middels een kopie van de beschikking hetzij het visumloket in Rijswijk, hetzij het visumloket in Zwolle, op de hoogte van het feit dat aan de verblijfsvergunning een dergelijk voorschrift is verbonden. De vreemdeling ontvangt vervolgens een schriftelijke uitnodiging van het betreffende visumloket om het passagebiljet aldaar in persoon te deponeren. Ten bewijze van het feit dat het passagebiljet is gedeponeerd ontvangt de vreemdeling een ontvangstbewijs. Het visumloket bericht vervolgens de ambtenaar dat het biljet is gedeponeerd.
Teruggave van het passagebiljet geschiedt bij één van de visumloketten. Hiertoe zal de vreemdeling schriftelijk worden opgeroepen teneinde het passagebiljet in persoon in ontvangst te nemen. Bij de teruggave van het passagebiljet tekent de vreemdeling een ontvangstbewijs, ten bewijze van het feit dat het biljet aan hem is geretourneerd.
Van de mogelijkheid aan de verblijfsvergunning een voorschrift te verbinden tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt.
### 2.6. Voorschriften
De uitvoering van de vorenstaande regels geschiedt als volgt.
Indien het deponeren van een waarborgsom als voorschrift aan de verblijfsvergunning wordt verbonden, wordt een factuur vervaardigd die aan de vreemdeling wordt toegezonden. De vreemdeling krijgt de gelegenheid om binnen vier weken het op de factuur vermelde bedrag te voldoen. Indien hij na ommekomst van deze periode het bedrag nog niet heeft betaald, wordt hem een aanmaning toegezonden om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen. Deze aanmaning geldt als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim. Het bedrag kan overigens zowel per bank als per giro worden voldaan.
### 2.6. Voorschriften
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
Zulke voorschriften moeten worden onderscheiden van maatregelen van toezicht die in dat belang kunnen worden genomen (zie [A3](onbekend)).
Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid worden verbonden.
Zulke voorschriften moeten worden onderscheiden van maatregelen van toezicht die in dat belang kunnen worden genomen (zie [A3](onbekend)).
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 3.3.2. Terugkeeroptie
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
De verblijfsvergunning van de echtgeno(o)t(e) van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) die deze status in een andere lidstaat heeft verkregen, en het minderjarige kind van de echtgeno(o)t(e) of die langdurig ingezetene wordt op grond van [artikel 3.67, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57), verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de vergunning van de langdurig ingezetene.
De geregistreerde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
In aanvulling op [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) geldt dat bij verlenging van de geldigheidsduur van een afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur ervan zich niet uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon, indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bezit en zolang de vreemdeling nog niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) mogelijk is (zie de [artikelen 3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), [3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69) en [3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70)).
In aanvulling op [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) geldt dat bij verlenging van de geldigheidsduur van een afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur ervan zich niet uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon, indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bezit en zolang de vreemdeling nog niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
Het is immers niet de bedoeling de vreemdeling met een afhankelijk verblijfsrecht een sterker verblijfsrecht te geven dan het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, zolang de vreemdeling met het afhankelijke verblijfsrecht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
Ten aanzien van de toepassing van [artikel 3.67 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) wordt verwezen naar B1/3.1.
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating
### 4.1. Mvv-vereiste
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 4.1. Mvv-vereiste
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 4.1.1.7. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
Voor vreemdelingen uit deze landen staat echter wel de mogelijkheid open om bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen ten einde hun verblijfsaanspraken vooraf te laten toetsen, zodat ook zij vroegtijdig weten of hun verblijfsrecht toekomt.
Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in [artikel 1 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)).
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.1. Mvv-vereiste
Ingeval het noodzakelijk is dat de getuige-aangever in Nederland verblijft nadat de aangifte is gedaan, kan de in [artikel 3.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang dat in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel noodzakelijk is.
Aan het slachtoffer van mensenhandel die aangifte doet of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in [artikel 273f van het WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f), kan de in [artikel 3.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan wel de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte nog niet heeft plaatsgevonden.
Het mvv-vereiste wordt hierbij niet tegengeworpen.
In het geval van de getuige-aangever kan de verblijfsvergunning eerst worden verleend, indien het OM de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst acht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Ook in die situatie wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Er dient wel proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn.
Het mvv-vereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
### 4.1.1. Vrijstellingen
De geregistreerde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
Ingevolge [artikel 3.71, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:
Kinderen van twaalf jaar of jonger die in Nederland zijn geboren, vanaf dat moment onafgebroken in Nederland woonachtig zijn en naar het oordeel van de Minister feitelijk zijn blijven behoren tot het gezin van een van de ouders die sinds de geboorte van het kind in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien zij feitelijk (zijn blijven) behoren tot het gezin van die ouder. Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind.
Is het kind evenwel niet direct na de geboorte aangemeld dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan de verblijfsvergunning worden verleend indien naar het oordeel van de Minister genoegzaam is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren, is het niet rechtvaardig om de aanvraag af te wijzen omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv. Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen die in Nederland zijn geboren uit een ouder die op het moment van die geboorte rechtmatig in Nederland verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt evenmin verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Tot de hier bedoelde categorie behoren onder meer de kinderen die tijdens de procedure in Nederland worden geboren uit een ouder die aansluitend op die procedure in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning. Tevens zijn vrijgesteld andere kinderen die in Nederland zijn geboren op een moment waarop de ouder op een der andere in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) genoemde gronden rechtmatig in Nederland verbleef, bijvoorbeeld in verband met de aangifte van mensenhandel, of tijdens de vrije termijn, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning.
Onderdeel c ziet op feitelijk in Nederland verblijvende afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie in Nederland.
### 4.1.2. Leges
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.1.2.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 4.1.2.4. Restitutie van leges
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2.1. Herstel verzuim
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.2.3.3. Opschorting in verband met een onvolledige aanvraag
Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.
De weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland eigener beweging moet verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet ([artikel 27, eerste lid, onder b, van de Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27)). Een dergelijke beslissing moet in overeenstemming zijn met artikel 8 van het EVRM, dat onder meer recht op respect voor het familie- en gezinsleven garandeert.
De Turkse onderdaan van wie uitzetting in strijd is met de Associatieovereenkomst EG-Turkije, het Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), of het Associatiebesluit 1/80 omdat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’, kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.4. Bevoegdheid
Indien een vreemdeling een beroep doet op een van de hierboven genoemde vrijstellingscategorieën dient hij aan te tonen dat hij behoort tot één van de vrijstellingscategorieën.
De vreemdeling dient, indien hij zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën, aanstonds aan te tonen dat hij behoort tot een vrijstellingscategorie. Dit dient direct aan het IND-loket te gebeuren. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) vermeld voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van de telefonische afspraak.
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op één der vrijstellingscategorieën, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) in samenhang met [artikel 3.71, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71)) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
### 4.5. Bekendmaking
### 4.3. Middelen van bestaan
De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het mvv-vereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zal dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier moeten motiveren en zo veel als mogelijk met bewijsstukken onderbouwen. Het aanvraagformulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van een telefonische afspraak.
Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) in samenhang met [artikel 3.71, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.
Het is, net als onder de werking van artikel 16 a Vw (oud), de bedoeling dat van de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen. Onder de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is het wel mogelijk om categorieën vreemdelingen onder de werking van de hardheidsclausule te brengen.
Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van [artikel 3.71 vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), geldt in ieder geval voor de vreemdeling:
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene:
In deze gevallen kan geen recht op vrijstelling van het mvv-vereiste worden ontleend aan de hardheidsclausule.
Dat een aantal categorieën vreemdelingen is vrijgesteld van het vereiste van het bezit van een mvv, betekent niet dat vreemdelingen die tot deze categorie behoren, geen mvv kunnen aanvragen. Indien een vreemdeling die behoort tot een van de van het mvv-vereiste vrijgestelde categorieën een aanvraag tot afgifte van een mvv indient, wordt die aanvraag uiteraard in behandeling genomen. Vreemdelingen die op grond van [artikel 3A Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a) zijn vrijgesteld van het legesvereiste van een mvv zijn dat ook bij de aanvraag van een onverplichte mvv.
In [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) is bepaald dat de aanvrager bij de indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de hoogte, de duurzaamheid en de bronnen van het inkomen van de vreemdeling en, voor zover van toepassing, van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven.
Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling in het bezit dient te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Uit het document blijken de identiteit van de vreemdeling en diens relatie tot het land van afgifte van dat document. Veelal blijkt uit het document ook de nationaliteit van de vreemdeling. Voorts kan het document inzicht geven in de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling in het land van afgifte, dat verplicht is tot terugname van de houder van het document.
Zie voor de algemene bepalingen inzake een geldig document voor grensoverschrijding [artikel 3, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=3), [artikel 2.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.3) en [A2/4.2.1](onbekend) . In de meeste gevallen geldt als geldig document voor grensoverschrijding een geldig nationaal paspoort dat door Nederland wordt erkend.
Er zijn gevallen bekend waarin op (al dan niet schriftelijk) verzoek van de vreemdeling of van een familielid een paspoort wordt toegezonden zonder dat de beoogde houder zich in persoon voor de autoriteiten heeft moeten melden. Aangezien in deze gevallen geen deugdelijke toetsing van de identiteit van de betrokken vreemdeling heeft plaatsgevonden, worden deze zogenoemde blanco paspoorten niet aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding.
Het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is een zelfstandige voorwaarde (zie [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) ). Van de bevoegdheid om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding zal steeds gebruik worden gemaakt, behalve in gevallen ten aanzien waarvan in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) anders is bepaald (zie de [artikelen 3.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.19), [3.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.72) en [3.83 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.83) ) en met inachtneming van hetgeen hierna is vermeld inzake het geven van een termijn om het verzuim te herstellen.
Bij de aanvraag tot het verlenen van de reguliere verblijfsvergunning legt de vreemdeling in persoon in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (zie [artikel 3.102, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102)). Indien de vreemdeling bij de aanvraag geen geldig document voor grensoverschrijding overlegt, wordt hij in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist.
De redelijke termijn bedraagt in beginsel vier weken. Een kortere termijn kan echter worden gesteld, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien de vreemdeling binnen een kortere periode een geldig document kan overleggen, ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld, of het een herhaalde aanvraag betreft.
### 4.3. Middelen van bestaan
Ingevolge [artikel 3.72 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.72) wordt de aanvraag afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, tenzij de vreemdeling aantoont dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
De vreemdeling, die zich er op beroept dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, toont dat, voorzover redelijkerwijs mogelijk, aan. Tevens verschaft hij (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit (zie [artikel 3.102, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102)).
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.5.2.4. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 4.6. Rechtsmiddelen
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.7.6.2. Uitzonderingen: herhaalde aanvraag en niet tijdig bezwaar
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.7.6.5. Aantekening
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.7.9. Beslistermijnen
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en de [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2) andersluidende bepalingen opgenomen.
Inkomsten uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, waarbij de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan één jaar, worden evenmin aangemerkt als inkomsten die duurzaam zijn in de zin van [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
Ingevolge [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) moeten middelen van bestaan zelfstandig zijn.
Als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden aangemerkt inkomsten uit arbeid in loondienst. Naast het loon (salaris, soldij) behoren daartoe tevens:
Gesubsidieerde arbeid wordt gelijkgesteld met andere vormen van arbeid in loondienst. Het gaat daarbij in ieder geval om arbeid ingevolge de [Wsw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903).
Uit de ratio en strekking van het middelenvereiste volgt dat het moet gaan om legale arbeid. Arbeid is legaal als er naast belastingen ook premies sociale verzekeringen worden afgedragen.
Om te kunnen vaststellen of er sprake is van legale arbeid wordt alleen in geval van twijfel geverifieerd bij de desbetreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan daar nagegaan worden wat de aard van het dienstverband is en of er premies voor de betreffende werknemer worden afgedragen. In bepaalde gevallen kan dit direct worden geverifieerd. Indien directe verificatie niet mogelijk is, is het volgende van toepassing. Indien blijkt dat de aard van het dienstverband, zoals die is aangemeld, anders is dan in de arbeidsovereenkomst staat vermeld, wordt aan die arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde toegekend. De te verwachten duur van de inkomsten komt dan niet overeen met de duur van de arbeidsovereenkomst. In dat geval is niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.
Om vast te stellen of er premies worden afgedragen voor de individuele werknemer kunnen zich de volgende situaties voordoen:
Voorts mag die arbeid niet worden verricht in strijd met de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Zo wordt het inkomen uit arbeid in loondienst van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien het die vreemdeling ingevolge de Wav niet is toegestaan die arbeid te verrichten.
Evenzo wordt het inkomen uit arbeid in loondienst niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien de arbeidsovereenkomst niet is aangemeld bij de desbetreffende uitvoeringsinstantie of wanneer ter zake geen premies sociale verzekeringen worden afgedragen of wanneer ter zake geen belastingen worden afgedragen.
De aanvraag wordt afgewezen wegens het niet zelfstandig beschikken over inkomsten uit arbeid in loondienst, indien de inkomsten zijn verkregen uit arbeid die niet wettelijk is toegestaan of geen premies sociale verzekeringen of geen belastingen worden afgedragen. Voor personeel in dienst van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid gelden hierop uitzonderingen (zie B12/2.2.2.1).
Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt aangetoond door het overleggen van:
Indien dit voor de besluitvorming relevant is (zie B1/4.3.2 onder ‘Flexibele arbeidsovereenkomsten en kortlopende arbeidscontracten’), worden met betrekking tot het arbeidsverleden tevens overgelegd:
Indien dat voor de beoordeling van het arbeidsverleden noodzakelijk is, kan tevens worden gevraagd om loonstroken over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag. Ook kan ter meerdere zekerheid worden gevraagd over die jaren belastingaangiften en definitieve aanslagen over te leggen.
Indien er een verschil van mening tussen werkgever en werknemer bestaat over de duur van de arbeidsovereenkomst, kan deze tevens worden onderbouwd met een uitspraak van de kantonrechter (zie B1/4.3.2 onder ‘Bewijsmiddelen en Wet Flexibiliteit en Zekerheid’).
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.9.1. Vereisten
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.5. Medisch onderzoek
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 5.4. Bijzondere rechtsmiddelen vrijheidsbeperking en ontneming
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
Voor aanvragen ontvangen voor 31 juli 2010 is het volgende van belang. Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) anders voortvloeit, of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, gunstiger is.
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.5. Medisch onderzoek
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
Afwijkende bepalingen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn opgenomen voor:
Bepalingen met betrekking tot de openbare orde bij:
Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard. Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, of de nationale veiligheid, en ongewenste politieke activiteit, worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf zijn derhalve geen algemene regels opgenomen met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in Nederland te weigeren of te beëindigen.
Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.
### 4.7.2. Ontheffing
### 4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.4.2. Procedurele aspecten
De aanvraag wordt afgewezen, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is niet noodzakelijk. Deze grond is niet afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft. Deze grond is nader uitgewerkt in [C4/3.11.3](onbekend). Voor het beleid ten aanzien van in Nederland verblijvende gezinsleden als bedoeld in [artikel 29, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) van een vreemdeling die zich heeft schuldig gemaakt aan bedoelde gedragingen zie [C4/3.11.4](onbekend).
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.5. Medisch onderzoek
Indien een strafzaak terzake van misdrijf openstaat en bekendheid met de uitkomst van de strafzaak voor de te nemen beslissing noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met het OM. De termijn voor het geven van de beschikking wordt met toepassing van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd. Indien de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid wordt de termijn met toepassing van artikel 25, vierde lid, Vw met maximaal drie maanden verlengd. De vreemdeling wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Indien na vergunningverlening alsnog een strafrechtelijke veroordeling volgt, dient te worden bezien of het verblijf kan worden beëindigd.
Aan het feit dat een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, komt voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toe.
Niet alle gedragingen op grond waarvan gevaar voor de openbare orde kan leiden tot afwijzing van de aanvraag zijn in [artikel 3.77, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) neergelegd.
Buiten de gevallen genoemd in [artikel 3.77, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) kan op grond van [artikel 3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) de aanvraag slechts worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien naar het oordeel van de Minister zwaarwegende belangen daartoe nopen.
Bij toepassing van [artikel 3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) dient grote terughoudendheid te worden betracht. Toepassing vergt een volledige individuele afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde belangen.
Er geldt een maximale termijn waarbinnen antecedenten in een toelatingsaanvraag kunnen worden tegengeworpen, tenzij sprake is van een levensdelict.
### 4.5. Medisch onderzoek
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.7.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.5. Medisch onderzoek
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
Zowel bij de weigering van eerste verblijf als bij ontzegging van voortzetting van verblijf wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid dient steeds beoordeeld te worden of de vreemdeling tevens ongewenst wordt verklaard (zie [A5](onbekend)).
### 4.5. Medisch onderzoek
In alle gevallen waarin een verblijfsvergunning (of in geval van een mvv een positief advies) zal worden afgegeven, worden, indien de laatste raadpleging meer dan drie maanden daarvoor heeft plaatsgevonden, de genoemde systemen opnieuw geraadpleegd.
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland, inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=3) en [5 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5) en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.
Op dit moment is TBC de enige infectieziekte waaraan het vreemdelingenrecht gevolgen verbindt, zowel op het gebied van toezicht (zie [artikel 54, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=54), [artikel 4.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.46) en [A3/7.5 Vc](onbekend)) als ook bij de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De bereidheid om het onderzoek (en zonodig de behandeling) te ondergaan en daaraan mee te werken, is een algemene voorwaarde voor de verlening (zowel op aanvraag als ambtshalve) van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Indien TBC wordt vastgesteld, vormt dat op zichzelf nog geen grond om de aanvraag af te wijzen.
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 4.7. Inburgeringsvereiste
In [artikel 3.18 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18) zijn de landen vermeld, waarvan de onderdanen van dit vereiste zijn vrijgesteld. Het betreft onderdanen van de EU, de lidstaten van de EER, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. In deze landen komt verhoudingsgewijs weinig TBC voor.
### 4.7.2. Ontheffing
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 4.7.2. Ontheffing
In het kader van het medisch onderzoek zoals bedoeld in de onderhavige paragraaf is het van belang twee situaties van elkaar te scheiden; de bereidheid tot medisch onderzoek en de bereidheid tot het ondergaan van een medische behandeling.
Door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het formulier verklaart de vreemdeling zich bereid zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen alsmede zijn medewerking te verlenen aan behandeling van eventuele TBC. Indien de vreemdeling niet tot ondertekening is overgegaan wordt hem een termijn van twee weken gegund om dat alsnog te doen.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is gebleken bedoelde verklaring op het TBC-formulier te ondertekenen.
De bereidheid van de vreemdeling om een medisch onderzoek te ondergaan, zoals bedoeld in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier. Nadat de vreemdeling voornoemde verklaring heeft ondertekend, kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
Het enkele feit dat bij de vreemdeling TBC aan de ademhalingsorganen is geconstateerd, leidt er overigens niet toe dat de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning wordt afgewezen. Indien de verklaring is ondertekend, wordt de vergunning verleend. Gelet op de duur van de TBC-behandeling is het immers niet opportuun om de bereidheid om mee te werken aan die behandeling eerst na voltooiing van de behandeling vast te stellen. Indien na verlening van de vergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk bereid is gebleken de behandeling te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de vergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.
Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, kan dat een reden vormen om de uitzetting van die vreemdeling en diens eventuele gezinsleden achterwege te laten omdat het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen (zie artikel [64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)). Voor de specifieke uitwerking hiervan wordt verwezen naar [A4/7.7](onbekend). Voor het recht op opvang en RvA verstrekkingen wordt verwezen naar [C23/2.3.3](onbekend).
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.7. Inburgeringsvereiste
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 5.3.5. Middelen
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 4.9. Vertrektermijn
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
Het EPE en het praktijkdeel van het inburgeringsexamen zijn vervallen. In plaats van deze twee onderdelen zijn drie nieuwe examenonderdelen geïntroduceerd. Het gaat om de vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal die op niveau A2 worden getoetst. De onderdelen TGN en KNS blijven bestaan. De onderdelen lezen, luisteren, spreken (TGN) en KNS worden afgenomen via de computer. Het onderdeel schrijven wordt schriftelijk afgelegd ([artikel 3.9 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=3.9)).
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17), na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland, inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=3) en [5 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5) en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.
### 4.9. Vertrektermijn
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
Vreemdelingen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar zijn ingevolge de Wet inburgering inburgeringsplichtig en dienen derhalve het basisexamen inburgering buitenland met goed gevolg af te leggen tenzij zij zijn vrijgesteld ingevolge de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=3) en [5 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5) (zie B1/4.7.1.1).
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, tenzij:
In [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) is bepaald dat de aanvrager bij indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het is daarbij aan de vreemdeling, als potentiële nieuwkomer, om aan te tonen dat hij over de vereiste basiskennis van de Nederlandse taal en Nederlandse samenleving beschikt. De enige wijze die hem daartoe ter beschikking staat is het met goed gevolg afleggen van een basisexamen inburgering. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering.
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
In deze paragraaf zijn algemene regels opgenomen over het basisexamen inburgering buitenland. Het basisexamen inburgering buitenland is van toepassing op aanvragen tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming met een hoofdpersoon die een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is of die Nederlander is, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) en de Vc in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) andersluidende bepalingen opgenomen.
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
Het inburgeringsvereiste wordt niet tegengeworpen aan het gezinslid van de hoofdpersoon die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.
Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de ontheffing. In geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de hierna beschreven procedure.
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
Indien de vreemdeling een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, is hij ontheven van het basisexamen inburgering buitenland. Het gaat hier met name om blindheid, doofheid alsmede om doofstomheid. Indien er sprake is van slechtziendheid en hardhorendheid en betrokkene niet door eigen hulpmiddelen (bijvoorbeeld een bril of hoorapparaat) alsnog voldoende gezichts- of hoorvermogen krijgt om de toets af te leggen, is betrokkene ook vrijgesteld.
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de ontheffing. In geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de hierna beschreven procedure.
De verzoeker verklaart op de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging dat hij blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering buitenland te doen vanwege een lichamelijke of geestelijke belemmering. Hiertoe is model ([bijlage 19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=19), ontheffing inburgering, [artikel 3.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10)) beschikbaar. Het door de arts, deskundige of specialist ingevulde standaardformulier (zie bijlage 19 VV) wordt gevoegd bij de aanvraag tot afgifte van de mvv.
Van het model vragenformulier maakt deel uit een door vreemdeling zelf te ondertekenen verklaring dat hij toestemming geeft aan de arts of deskundige die hem onderzoekt om zijn bevindingen mee te delen aan de Minister via het hoofd van de Nederlandse vertegenwoordiging.
Bij het model vragenformulier hoort het informatieblad voor de arts of deskundige ([artikel 3.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10)). Het informatieblad is onderdeel van het model vragenformulier en dient tevens door de arts of deskundige voor gezien te worden ondertekend. De verklaring wordt opgemaakt door het vragenformulier in te vullen. De arts of deskundige tekent zijn bevindingen aan op de verklaring en zendt de verklaring rechtstreeks naar de Minister via het hoofd van de post en stuurt een afschrift ervan aan de vreemdeling, dan wel geeft het afschrift aan de vreemdeling mee.
Verklaringen, opgemaakt anders dan conform dit model, worden niet geaccepteerd. Om de garantie te hebben dat het model inderdaad is ingevuld door een arts of deskundige, hecht deze een korte verklaring dienaangaande op zijn eigen brief- of receptpapier aan de ingevulde verklaring. De arts/deskundige voorziet het eigen brief- of receptpapier van zijn stempel en zijn paraaf. Voorts worden slechts geaccepteerd de verklaringen afkomstig van een door de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige ([artikel 3.10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10)).
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 5.3.5. Middelen
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
De vreemdelingen die gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van [artikel 2.4 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.4) vallen hier uitdrukkelijk niet onder. De vreemdelingen die slechts gedeeltelijk van de inburgeringsplicht zijn vrijgesteld en de resterende examens (nog) niet hebben behaald, hebben het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onderdeel a, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7) dan ook nog niet behaald.
Met deze onderdelen is geregeld dat vreemdelingen die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden en vrijstelling hebben gekregen op grond van de [artikelen 2.3, onderdelen i, j en k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), en [artikel 2.5, a tot en met c, van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5) in aanmerking blijven komen voor een vrijstelling op grond van deze bepalingen zoals deze luidden voor 1 januari 2013. Het gaat hier om de vreemdeling die in het bezit is van:
In [artikel 3.80a, tweede lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie [artikel 6, eerste lid, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en artikel 6, eerste lid, onder a, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie [artikel 2.8, eerste lid, Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8)). Deze beslissing heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.9. Vertrektermijn en inreisverboden
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts ([artikel 2.8, eerste lid, Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8)).
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
De vreemdeling die aantoont dat hij een zodanig psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is het inburgeringsexamen af te leggen, kan naar het oordeel van de Minister voor I&A worden ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen. Voor een medisch advies die de belemmering of handicap aantoont, kan hij terecht bij de, in het kader van de uitvoering van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), door de Minister voor I&A aangewezen arts. In geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden kan ook een medisch advies worden overgelegd afkomstig van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts. In geval van verhuizing kan het advies afkomstig zijn van een aangewezen arts uit de vorige woonplaats.
De medisch adviseur is een onafhankelijke arts – niet zijnde een behandelend arts van de vreemdeling – die is ingeschreven in het BIG-register (het conform de [Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006251) door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gehouden register).
De medisch adviseur stelt een advies op conform het ‘[Protocol Medische Advisering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&bijlage=4)’ dat een bijlage is bij [artikel 2.4, derde lid, van de Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&artikel=2.4). Het advies wordt door de medisch adviseur rechtstreeks naar de vreemdeling gestuurd. In het advies dienen de volgende gegevens ingevuld te zijn: persoonlijke gegevens van betrokkene, de naam van de medisch adviseur, onderzoeksactiviteiten, probleemanalyse, conclusie en advies. Medische adviezen opgemaakt anders dan conform het model zoals opgenomen in het ‘Protocol Medische Advisering’, of door een andere dan de door de Minister voor I&A of het college van B&W aangewezen arts (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden), dan wel onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd.
Het medisch advies mag bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning niet ouder zijn dan zes maanden.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan tijdens de procedure om een verblijfsvergunning het medisch advies nader worden onderzocht door de IND. De IND stuurt dan het medische advies naar de medisch adviseur die het advies heeft opgesteld, waarna de medisch adviseur de authenticiteit kan vaststellen. Indien het advies niet authentiek blijkt, wordt de vreemdeling niet ontheven van de verplichting het inburgeringsexamen te behalen.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen, kennis Nederlandse samenleving en elektronisch praktijkexamen bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door de vreemdeling worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde vreemdeling derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands afleggen.
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.9. Vertrektermijn en inreisverboden
### 4.9. Vertrektermijn
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 4.9. Vertrektermijn
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 4.9. Vertrektermijn
### 7.1.4. Middelen van bestaan
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt DUO een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 5.3.6. Openbare orde
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.9. Vertrektermijn en inreisverboden
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
Voor een betrokkene die niet verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) te volgen, geldt in het kader van ‘extra inspanning’ een zelfde maatstaf. Ook hier toont betrokkene aan dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van een cursus Nederlands zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven. De eis van ‘extra inspanning’ toont betrokkene aan door middel van bescheiden, afkomstig van de instelling waar het onderwijs of de cursus is gevolgd, bij het ROC van Amsterdam.
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 10.7. Gelegaliseerde akten
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 5.3.5. Middelen
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 4.9. Vertrektermijn en inreisverboden
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
De toepassing van het driejarenbeleid heeft tot gevolg dat afgezien wordt van de afwijzingsgronden van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). De overige afwijzingsgronden zijn onverkort van toepassing. Voor de toepassing van de afwijzingsgrond van artikel 16, aanhef en onder d, Vw is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie.
Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.4). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal.
Gelet op het bijzondere karakter van het driejarenbeleid worden de voordelen van dit beleid niet verstrekt, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt.
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
De termijn van drie jaar gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag om een verblijfsvergunning, het wijzigen daarvan of het verlengen van de geldigheidsduur, door middel van het formulier als bedoeld in [artikel 3.99 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.99). De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
Indien een verblijfsvergunning regulier wordt verleend op grond van het driejarenbeleid, dan geschiedt dit onder de beperking waarop de aanvraag was gericht. De daarbij behorende arbeidsmarktaantekeningen gelden onverkort. Na de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op 1 april 2001 moet een vreemdeling een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) aangeven. In zaken van vóór 1 april 1998, waarin van de vreemdeling niet gevergd werd een dergelijke beperking aan te geven, dan wel in zaken waarin de vreemdeling vóór 1 januari 2000 een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning met als doel ‘zonder beperking’ of vanwege ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ en geen beperking kon aangeven, kan op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een verblijfsaanvraag. Dit houdt verband met het feit dat er niet een concreet verblijfsdoel is geweest waaraan kon worden getoetst.
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
Voor de verlenging van deze verblijfsvergunning gelden geen bijzondere voorwaarden.
Ingevolge [artikel 73 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Afwijking van deze hoofdregel geldt evenwel indien de aanvraag is afgewezen wegens onder andere het ontbreken van een mvv (zie [artikel 73, tweede lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). De rechtsgevolgen zoals neergelegd in [artikel 27 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27) treden onverkort in werking.
Uitgangspunt bij aanvragen tot het wijzigen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is dat wordt getoetst aan de regels voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het gewijzigde doel, doch dat een dergelijke aanvraag voor het overige wordt behandeld als een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
Er wordt geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid neergelegd in [artikel 3.67, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) wanneer er sprake is van een aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de vergunning is verleend. Deze aanvragen worden immers beoordeeld op de voet van de regelgeving ten aanzien van aanvragen om verlening van een vergunning. De verlenging met een duur van vijf jaren is aan de orde wanneer reeds verblijf was toegestaan in het kader van hetzelfde verblijfsdoel gedurende minimaal een jaar. Wanneer het verblijfsdoel gewijzigd wordt, dient de vreemdeling eerst gedurende een periode van minimaal een jaar in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of een relatie, voordat verlenging met een duur van vijf jaren aan de orde kan zijn.
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
Ingevolge [artikel 73 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Afwijking van deze hoofdregel geldt evenwel indien de aanvraag is afgewezen wegens onder andere het ontbreken van een mvv (zie [artikel 73, tweede lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). De rechtsgevolgen zoals neergelegd in [artikel 27 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=27) treden onverkort in werking.
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
Er wordt geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid neergelegd in [artikel 3.67, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) wanneer er sprake is van een aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de vergunning is verleend. Deze aanvragen worden immers beoordeeld op de voet van de regelgeving ten aanzien van aanvragen om verlening van een vergunning. De verlenging met een duur van vijf jaren is aan de orde wanneer reeds verblijf was toegestaan in het kader van hetzelfde verblijfsdoel gedurende minimaal een jaar. Wanneer het verblijfsdoel gewijzigd wordt, dient de vreemdeling eerst gedurende een periode van minimaal een jaar in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap of een relatie, voordat verlenging met een duur van vijf jaren aan de orde kan zijn.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:
Ingevolge [artikel 26, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlengd met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 5.3.1. Niet voldoen aan de beperking
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 5.3.5. Middelen
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 5.3.5. Middelen
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 5.3.6. Openbare orde
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 7.1.5. Openbare orde
### 5.3.6. Openbare orde
In [artikel 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52) is opgenomen in welke gevallen de vreemdeling zijn verblijfsdocument dient in te leveren. Het ingenomen verblijfsdocument wordt door de vreemdelingenpolitie voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, gezonden naar het Bureau Documenten van de IND.
In de situatie waarin de vreemdeling zich in persoon meldt bij de burgemeester van de gemeente waar hij woon- of verblijfplaats heeft met de mededeling dat hij zijn hoofdverblijf naar buiten Nederland wenst te verplaatsen, attendeert de burgemeester de vreemdeling erop dat het verblijfsdocument bij de vreemdelingenpolitie moet worden ingeleverd. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing op de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verkregen. Indien de vreemdeling daarentegen schriftelijk melding maakt van het voornemen van de verplaatsing van zijn hoofdverblijf naar het buitenland, zendt de burgemeester dit bericht door aan de vreemdelingenpolitie.
Bovendien houdt de Minister rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst (zie [artikel 3.86, vijftiende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86)).
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid. Onder het verstrekken van onjuiste gegevens wordt ook begrepen het achterhouden van essentiële (juiste) gegevens. Op grond van [artikel 18, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.84 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.84). Zij zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14).
Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, wordt de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd.
Niet van belang is of het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel het achterhouden van gegevens opzettelijk is gebeurd. Het gaat er om dat de onjuiste situatie wordt gecorrigeerd. Bepalend is immers of de verblijfsvergunning bij bekendheid met de juiste gegevens zou zijn verleend, verlengd of gewijzigd. Het is niet van belang of de onjuiste gegevens zijn verstrekt of de juiste gegevens zijn achtergehouden door de vreemdeling zelf of andere belanghebbenden.
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 7.1.7. Ziektekosten
### 5.3.6. Openbare orde
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet worden ingetrokken op deze grond.
Voor onderdanen van Somalië geldt een bijzondere regeling, die is vermeld in B1/4.2.
**NB3:**
### 7.1.7. Ziektekosten
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 5.3.6. Openbare orde
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
Ingevolge [artikel XIII bij het besluit van 24 juli 2010 tot wijziging van artikel 3.86 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0027992&artikel=XIII) (Stb. 2010, 307, in werking getreden op 31 juli 2010) blijft het gewijzigde Besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van dit Besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld dan wel hem terzake van een zodanig misdrijf bij onherroepelijk strafbeschikking een taakstraf is opgelegd.
**NB4:**
Ingevolge artikel II bij het besluit van 26 maart 2012 tot wijziging van artikel 3.86 Vb 2000 (Stb. 2012, 158, in werking getreden op 1 juli 2012) blijft het gewijzigde Besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit Besluit niet kon worden beëindigd, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit Besluit wederom schuldig maakt aan een misdrijf en hiervoor onherroepelijk is veroordeeld.
Bij de ontzegging van voortzetting van verblijf (verblijfsbeëindiging) wordt de duur van het verblijf van de vreemdeling op grond van een verblijfsvergunning, direct voorafgaande aan het plegen van het misdrijf, gerelateerd aan de ernst van de inbreuk op de openbare orde, zoals die blijkt uit de beoordeling daarvan door de (straf)rechter in de hoogte van de opgelegde straf.
Daarmee wordt tot uiting gebracht dat naarmate de banden van de vreemdeling met Nederland sterker zijn, de inbreuk op de openbare orde ernstiger dient te zijn om voortzetting van verblijf te ontzeggen. Dit is het principe van de glijdende schaal. In bepaalde gevallen wordt het verblijf niet, of onder zwaardere voorwaarden, beëindigd.
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 5.3.7. Niet voldoen aan de inburgeringsplicht
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
Sinds 1 februari 2008 kan aan criminele jongeren een gedragsbeïnvloedende maatregel worden opgelegd. Deze vrijheidsbeperkende maatregel houdt het midden tussen een taakstraf en een PIJ-maatregel (Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen) en biedt de rechter betere mogelijkheden om jeugdige daders op maat te straffen. Deze maatregel is bedoeld voor jeugdige veelplegers van 12 tot 21 jaar met gedragsproblemen. Ook jongeren met gedragsproblemen die voor het eerste een relatief zwaar vergrijp plegen komen voor de maatregel in aanmerking. De maatregel biedt uitkomst in situaties waarbij de rechter een voorwaardelijke straf of een taakstraf te licht vindt en de PIJ-maatregel te zwaar.
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
Op grond van hun bijzondere banden met Nederland vinden uitvaardiging van een inreisverbod, ongewenstverklaring en ontzegging van verder verblijf op grond van gevaar voor de openbare orde niet plaats ten aanzien van deze vreemdelingen (zie [artikel 3.50, vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50)).
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
Met ‘gezinslid’ wordt hier bedoeld het gezinslid dat door de andere lidstaat is toegelaten voor verblijf bij een langdurig ingezetene in die lidstaat. (zie B17/5)
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
Voor de toepassing van de glijdende schaal, dient tevens te worden beoordeeld welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft. Voor die beoordeling is van belang dat de vreemdeling zelf alle relevante gegevens en bescheiden met betrekking tot de strafbare feiten en de afdoening daarvan verschaft, waarbij valt te denken aan een gewaarmerkt afschrift van het strafvonnis. Aan de hand van de gegevens die de vreemdeling heeft verschaft of anderszins bekend zijn geworden, wordt contact opgenomen met het OM voor de vraag welke straf in Nederland voor het betreffende strafbare feit zou zijn gevorderd, waarbij wordt aangesloten bij de gepubliceerde richtlijnen van het OM met betrekking tot de eis van de Officier ter zitting.
Verder verblijf wordt ontzegd, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling of een in Nederland verblijvend gezinslid als bedoeld in [artikel 29, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29), zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is niet noodzakelijk. Deze grond is niet afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft. Deze grond is nader uitgewerkt in [C4/3.11.3](onbekend). Voor een in Nederland verblijvend gezinslid dat op eigen gronden aanspraak maakt op vluchtelingenrechtelijke bescherming zie C2/6.3.
Als een van de in [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde gronden tot afwijzing kan leiden, wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde duur als EG-langdurig ingezetene niet verleend.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet heeft voldaan aan de inburgeringsplicht bedoeld in a[rtikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=7) binnen de in dat artikel genoemde termijn, of binnen de met toepassing van artikel 7, derde lid, van die wet of van de krachtens artikel 7, vierde lid, aanhef en onderdeel a, van die wet gestelde regels verlengde termijn. Op grond van artikel 18, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Ingevolge artikel 19 Vw kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, Vw met uitzondering van onderdeel b (de vreemdeling beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding).
Het gaat om een afwijzings- dan wel intrekkingsgrond bij reguliere verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd die zijn verleend voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel in de zin van het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674):
Een inburgeringsplichtige heeft tijdig voldaan aan zijn inburgeringsplicht indien hij binnen de door Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gestelde termijn (drie jaar) of de verlengde termijn, het inburgeringsexamen heeft behaald, dan wel daarvan door DUO wordt vrijgesteld of ontheven ([artikel 7 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7)). Indien de inburgeringsplichtige vreemdeling verwijtbaar niet tijdig inburgert, zal DUO de IND hiervan op de hoogte stellen. De IND beziet vervolgens of de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden afgewezen of dat de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken.
Op grond van [artikel 3.89d Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89d) wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), niet op grond van [artikel 18, eerste lid, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM.
Op grond van [artikel 3.91e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91e) wordt niet op grond van [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) in samenhang met [artikel 18, eerste lid, onder i, van de Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) ingetrokken, indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM.
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
Aan de vergunning worden geen beperkingen of voorschriften verbonden.
### 7.2.4. Middelen van bestaan
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
De periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven, telt eveneens mee (zie B4).
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
In [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) is neergelegd, in welke gevallen in afwijking van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), op grond van de gunstigere nationale voorwaarden een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur wordt verleend (zie B1/7.2). Het gaat hierbij om de meerderjarige vreemdeling die:
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.5. Openbare orde
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 4.1.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.1.6. Nationale veiligheid
De periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven, telt eveneens mee (zie B4).
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 8.1.2. Gebruik van gegevens uit aangewezen administraties als bedoeld in [artikel 2d Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=2d)
### 4.1. Vrijstellingen
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
### 7.5. Voorschriften
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
### 7. Pilot religieus verblijf
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 2.1. Verzoek om advies mvv
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 7.3. Procedure
### 6. Voorschriften
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
### 2.4. TBC-verklaring
Er zijn verschillende vormen van eergerelateerd geweld, van verstoting door familieleden tot levensdelicten. Niet in alle gevallen zal het noodzakelijk zijn verblijf in Nederland toe te staan. Indien sprake is van levensbedreigende delicten of kinderontvoering of indien het geweld leidt tot schrijnende omstandigheden als gedwongen scheiding tussen ouder en kind of een dreigende gedwongen uithuwelijking, ligt vergunningverlening voor de hand.
### 6. Afgifte van het verblijfsdocument
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
### 5.2. Voorwaarden in het kader van gezinshereniging
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 7.2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 2.1. Verzoek om advies mvv
### 5. Gezinsleden
### 6. Afgifte van het verblijfsdocument
Als Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verleent, verlengt of intrekt, stelt de IND de eerste lidstaat, die de status als houder van een Europese blauwe kaart aan de vreemdeling heeft verleend, in kennis en verstrekt de IND informatie betreffende het verwijderingsbesluit. De eerste lidstaat is verplicht de vreemdeling en zijn gezinsleden terug te nemen (zie [artikel 3.103a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a)).
### 1. Inleiding
### 4. Beperking
### 10. Leges
### 1. Inleiding
### 2. Procedureel
### 5.1. Inleiding
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
### 2.6. In kennis stellen eerste lidstaat bij afwijzing
### 7.1.11.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 7.1.4. Middelen van bestaan
Als voorbeeld kan worden genoemd de vreemdeling aan wie in aansluiting op (tijdelijk) verblijf in het kader van studie in het kader van gezinsvorming met een Nederlander niet-tijdelijk verblijf is toegestaan, en die nadien een aanvraag indient tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zijn verblijfsrecht is op het moment van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard. Indien de vreemdeling zes jaar verblijfsrecht in het kader van studie heeft gehad telt dit voor de helft mee (drie jaar). Dit betekent dat de na twee jaar niet-tijdelijk verblijf in het kader van gezinsvorming ingediende aanvraag in dat geval kan worden ingewilligd, ondanks het feit dat hij nog niet 5 jaar niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft gehad.
Voor de beoordeling of er **zelfstandig** over middelen wordt beschikt wordt verwezen naar [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) en B1/4.3.1.
### 9.1. De aanvraag
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 7.1.5. Openbare orde
### 7.1.5. Openbare orde
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 7.1.11.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.1.7. Ziektekosten
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
Voor de beoordeling of er **zelfstandig** over middelen wordt beschikt wordt verwezen naar [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) en B1/4.3.1.
Voor de beoordeling of er **duurzaam** over middelen wordt beschikt wordt verwezen naar [artikel 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en B1/4.3.2.
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
Voor het verkrijgen van de vergunning voor onbepaalde tijd als langdurig ingezetene met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) gelden geen vrijstellingen inzake het beschikken over voldoende en duurzame middelen van bestaan.
Uit artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2003/109, waaraan [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) mede toepassing geeft, volgt dat burgers van de Unie zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik van Richtlijn 2003/109. Derhalve wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ niet verleend indien de aanvrager burger is van de EU.
Op grond van [artikel 21, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92).
Behoudens gevallen als bedoeld in [artikel 3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87), kan de aanvraag slechts op grond van [artikel 21, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) worden afgewezen, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de normen, bedoeld in [artikel 3.86, eerste dan wel tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit is het principe van de glijdende schaal. Artikel 3.86, derde tot en met het tiende lid, Vb is van overeenkomstige toepassing.
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
Voor de verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) is doorslaggevend dat het verblijfsrecht van de vreemdeling op het tijdstip van de aanvraag dan wel de beslissing niet-tijdelijk van aard is. Daarbij is niet van belang hoe lang dat verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is. Indien de vreemdeling in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, wordt de aanvraag niet op die grond afgewezen, indien het verblijfsrecht op het tijdstip van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)).
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.
Gevaar voor de nationale veiligheid wordt per geval beoordeeld. In deze paragraaf zijn derhalve geen algemene regels opgenomen met betrekking tot de gevallen waarin de aanvraag op deze grond wordt afgewezen of de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op deze grond wordt ingetrokken (zie B1/4.4).
Minderjarige vreemdelingen zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Minderjarige vreemdelingen worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/7.1.11.3).
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
De vreemdeling dient bewijs over te leggen dat hij voor zichzelf en de te zijnen laste komende gezinsleden beschikt over een ziektekostenverzekering voor alle risico’s die in Nederland normaliter voor de eigen onderdanen zijn gedekt. Deze voorwaarde lijdt geen uitzondering.
Van een langdurig in Nederland verblijvende vreemdeling kan worden verlangd zich tegen dergelijke kosten te verzekeren, opdat de eventuele kosten niet worden afgewenteld op de samenleving. De vreemdeling is als regel zelfs verplicht zich tegen ziektekosten te verzekeren ingevolge de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450).
B1/4.7.2.1 ad f is van toepassing.
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
Indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling door het verzwijgen van relevante gegevens of het verstrekken van onjuiste gegevens in het bezit is gekomen of gebleven van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, kan hem de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en de status van langdurig ingezetene worden onthouden. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in het geval waarin de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend op grond van een schijnhuwelijk waarmee de bepalingen inzake binnenkomst en verblijf zijn omzeild.
Op grond van [artikel 3.96a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht door het college van B&W vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet door het college van B&W van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder e). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder c of d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of in afwachting is van een definitieve beslissing tot het verlenen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in de [artikelen 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33).
Gelet hierop wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ niet verleend indien sprake is van:
Uit artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2003/109, waaraan [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) mede toepassing geeft, volgt dat burgers van de Unie zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik van Richtlijn 2003/109. Derhalve wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ niet verleend indien de aanvrager burger is van de EU.
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
Ingevolge [artikel 21, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling een bijzondere geprivilegieerde status bezit dan wel heeft bezeten in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanvraag.
Omdat het hier gaat om een uitwerking van artikel 3 van Richtlijn 2003/109 over het toepassingsbereik hiervan, verzet het vertrouwen dat de lidstaten onderling moeten hebben in elkaars beslissingen met betrekking tot de uitvoering van Richtlijn 2003/109, zich er tegen dat de vergunning wordt verleend aan personen die niet vallen binnen het toepassingsbereik van de richtlijn.
Gelet hierop is er in het kader van de inherente afwijkingsbevoegdheid geen ruimte om de status van langdurig ingezetene toe te kennen. Dit laat onverlet dat een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden kan worden verleend.
### 7.1.11. Het inburgeringsexamen
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 7.1.11.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.5. Openbare orde
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7.2.4. Middelen van bestaan
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Op grond van [artikel 3.96a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door de Minister voor I&A aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. In geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden kan ook een medisch advies worden overgelegd afkomstig van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder g). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 8.2. Frauduleuze verkrijging
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7.2.4. Middelen van bestaan
### 7.2.4. Middelen van bestaan
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.2.5. Openbare orde
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
Ingevolge [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) wordt de aanvraag niet wegens eerder tijdelijk verblijfsrecht afgewezen indien de vreemdeling op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen niet tijdelijk verblijfsrecht heeft en in de periode van vijf aanééngesloten jaren direct voorafgaande aan dat tijdstip rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) had.
Voor de verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) is doorslaggevend dat het verblijfsrecht van de vreemdeling op het tijdstip van de aanvraag dan wel de beslissing niet-tijdelijk van aard is. Daarbij is niet van belang hoe lang dat verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is. Indien de vreemdeling in de periode van vijf jaren direct voorafgaande aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, wordt de aanvraag niet op die grond afgewezen, indien het verblijfsrecht op het tijdstip van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)).
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 7.5. Openbare orde
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 9. Procedurele bepalingen
### 9.1. De aanvraag
### 7.2.4. Middelen van bestaan
Ingevolge [artikel 21a, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet afgewezen op het middelenvereiste indien de vreemdeling:
Ingevolge [artikel 22, eerste lid onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) juncto [artikel 3.95, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) ingetrokken indien de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen.
Ingevolge artikel 21a, tweede lid, Vb kan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van de vreemdeling die in Nederland is geboren dan wel reeds voor zijn vierde levensjaar in Nederland verbleef en sindsdien zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst en inmiddels achttien jaar is geworden slechts in een beperkt aantal gevallen worden afgewezen (zie B1/7.2.3).
In die gevallen waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden afgewezen op basis van [artikel 3.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) en [3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93), dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden ingetrokken op basis van [artikel 3.95 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95), wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt, tenzij dat in strijd zou komen met internationale verplichtingen.
Indien echter sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken wordt de verblijfsvergunning gewijzigd, indien daarop de aantekening “EG langdurig ingezetene” was geplaatst. In een dergelijk geval wordt deze gewijzigd in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a). Hiermee vervalt dus het recht om zich als “EG-langdurig ingezetene” in een andere lidstaat te vestigen.
Ingevolge [artikel 3.93, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) wordt de aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden, bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), niet afgewezen wegens het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van gegevens die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zou hebben geleid, indien sinds de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken.
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 7.3. Onjuiste gegevens
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.5. Openbare orde
### 8. Intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 8.1. Afwezigheid van het grondgebied
### 9. Procedurele bepalingen
### 9. Procedurele bepalingen
### 9.1. De aanvraag
De student kan in een andere lidstaat niet de status van langdurig ingezetene krijgen nu Richtlijn 2003/109 niet van toepassing is op houders van een verblijfsvergunning van tijdelijke aard.
### 8.2. Frauduleuze verkrijging
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Ingevolge [artikel 22, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken of gewijzigd indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt.
Dit criterium is niet gelijk aan het communautaire openbare orde criterium van artikel 27 Richtlijn 2004/38. Voor burgers van de EU geldt op grond van [artikel 8.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) dat uitvoering geeft aan artikel 27 Richtlijn 2004/38 immers als extra vereiste dat door de bedreiging, die zij door hun persoonlijk gedrag vormen, een fundamenteel belang van de samenleving wordt aangetast.
De verblijfsvergunning kan slechts wegens het bestaan van een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan een of meer van de toepasselijke normen, bedoeld in [artikel 3.86, tweede en vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit is het principe van de glijdende schaal. Artikel 3.86, Vb is van overeenkomstige toepassing (zie [artikel 3.95, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95)).
Voor intrekking van de verblijfsvergunning wegens het bestaan van een actuele en ernstige bedreiging van de nationale veiligheid is oplegging van een straf of maatregel niet vereist en is mitsdien de glijdende schaal niet van toepassing.
Bij de besluitvorming wordt mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling of dat gezinslid uitgaat.
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9. Procedurele bepalingen
### 9.1. De aanvraag
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
De IND draagt er zorg voor dat de politie van het beëindigen van de procedure(s) wordt geïnformeerd.
Indien een vreemdeling zich in bewaring bevindt, dient de intrekking te allen tijde te geschieden middels het [model M53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M53).
Een herhaalde aanvraag is een aanvraag, die op grond van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) kan worden afgewezen (zie [artikel 1, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)). Het gaat dus om een aanvraag die is ingediend overeenkomstig de formele vereisten van [artikel 3.26 tot en met 3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.26) of [artikel 3.30 tot en met 3.32 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.30).
Op grond van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.1.1. Vereisten voor het indienen van de aanvraag
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
In afwijking van de hoofdregel wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met dreiging van eergerelateerd geweld, eventueel door tussenkomst van de instelling voor vrouwenopvang, schriftelijk ingediend bij de contactpersoon mensenhandel/gender bij de IND. De vreemdeling heeft in dit geval niet de verplichting de aanvraag in persoon in te dienen.
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.7.3. Beslistermijn
Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.101, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) wordt, indien de vreemdeling rechtens de vrijheid is ontnomen, de aanvraag ingediend op de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd. Dat kan een politiecel, een cel van de KMar, een Huis van Bewaring of een uitzetcentrum zijn. Indien de vreemdeling zich in een politiecel of een Huis van Bewaring bevindt, neemt de politie de aanvraag in ontvangst en zendt haar onverwijld door naar de IND. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van het model M56. De terzake relevante bescheiden en gegevens worden met de aanvraag meegezonden. De IND beslist onverwijld op de aanvraag en stelt de politie onverwijld in kennis van de inhoud van de beslissing.
Indien de vreemdeling zich in een cel van de KMar of een uitzetcentrum bevindt, neemt de KMar de aanvraag in ontvangst en zendt haar onverwijld door naar de IND. De terzake relevante gegevens en bescheiden worden met de aanvraag meegezonden. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van het model M56. De IND beslist onverwijld op de aanvraag en stelt de KMar onverwijld in kennis van de inhoud van de beslissing.
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.6.3. Aantekening
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6. Leges
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.3. Onderbouwende gegevens en bescheiden
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.6. Leges
Er is in Somalië geen internationaal erkend gezag. Op die grond worden Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten, waaronder bewijsstukken betreffende de staat van personen, door Nederland niet erkend. Zie voor wat betreft documenten voor grensoverschrijding B1/4.2.
Legalisatie van documenten betreffende de burgerlijke staat van een persoon geschiedt in het geval van Somalische onderdanen als regel door dezelfde niet erkende autoriteiten en daarom worden ook die documenten door Nederland niet erkend.
De circulaire inzake ‘de Legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen’ van 12 januari 2000, laatstelijk gewijzigd op 15 mei 2006, houdt onder meer in dat houders van een verblijfsvergunning asiel of van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die is verleend met vrijstelling van het paspoortvereiste, zijn vrijgesteld van het legalisatievereiste. In aanvulling daarop geldt het volgende.
Van vreemdelingen, die op een wijze, als uitgewerkt in B1/4.2 hebben aangetoond dat zij de door hen gestelde identiteit bezitten, alsmede de Somalische nationaliteit, wordt niet geëist dat zij bij de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (daarom ook niet bij de aanvraag van een mvv) gelegaliseerde documenten betreffende hun burgerlijke staat overleggen.
Dit geldt echter alleen voorzover die documenten door Somalische autoriteiten zijn afgegeven.
In daarvoor in aanmerking komende gevallen vindt DNA-onderzoek plaats om een gestelde afstammingsrelatie vast te stellen, een en ander overeenkomstig B2/8.5 en B2/8.6 (toepassing DNA-onderzoek).
Zie voor wat betreft documenten voor grensoverschrijding B1/4.2 slot.
De IND-ambtenaar maakt tevens ten behoeve van de aanvrager een kopie van de pagina van het aanvraagformulier waarop de persoonsgegevens van de aanvrager alsmede diens handtekening staan vermeld. Deze kopie wordt gewaarmerkt en vervolgens overhandigd aan de vreemdeling. Voor zover de vreemdeling nog geen onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen heeft ondergaan en hij daarvan evenmin is vrijgesteld, verwijst de IND-ambtenaar de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD met gebruikmaking van het TBC-formulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)).
Voor zover in de onderhavige paragraaf niet anders is bepaald, is het bepaalde in B1 onverkort van toepassing.
De IND heeft negen loketten verspreid over het hele land (zie B1/9.1.1). Op de website van de IND is te vernemen in welke plaats de vreemdeling zich bij een IND-loket kan melden. Alvorens de aanvraag in persoon te kunnen indienen zal de vreemdeling daartoe eerst telefonisch (0900 - 1234561) een afspraak dienen te maken.
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
Echter, ingeval het een slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld betreft zoals bedoeld in B20, wordt de identificatie verricht door de korpschef, door tussenkomst van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie.
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
De IND-ambtenaar kruist op de per verblijfsdoel gespecificeerde checklist aan welke bescheiden bij het indienen van de aanvraag door de vreemdeling zijn overgelegd. De IND-ambtenaar kan de vreemdeling wijzen op de mogelijkheid de ontbrekende bescheiden bij de aanvraag per ommegaande (dezelfde dag nog) over te leggen (bijvoorbeeld een ontbrekende pasfoto, of een salarisstrookje dat de vreemdeling thuis of elders heeft laten liggen en waarvan kan worden verwacht dat de vreemdeling het per ommegaande (alsnog) kan overleggen). Met nadruk zij vermeld dat vorenstaande situatie dient te worden onderscheiden van het bieden van een herstelverzuim en dat het géén inhoudelijke toets met zich meebrengt. Indien de vreemdeling aangeeft de ontbrekende bescheiden niet per ommegaande alsnog te willen overleggen en kenbaar maakt dat hij zijn aanvraag in behandeling wenst te laten nemen, neemt de IND-ambtenaar de aanvraag onverkort in ontvangst.
De IND-ambtenaar verstrekt de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan de vreemdeling ten bewijze van het feit dat de vreemdeling een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft ingediend. De sticker wordt afgegeven voor een duur die één maand korter is dan de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, met in beginsel een maximumduur van zes maanden.
De sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ wordt, indien het een slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld betreft zoals bedoeld in B20, door de korpschef geplaatst.
De sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ bevat naast de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder f, g, h en i Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt.
### 9.6. Leges
Voor het familielid van de onderdaan van de EU/EER of van Zwitserland dat zelf niet ook afkomstig is uit één van deze lidstaten (met andere woorden het familielid-derdelander van de unieburger) plaatst de IND-ambtenaar de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Gemeenschapsonderdaan’ in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, of voorziet het reisdocument van een zogeheten inlegvel. De sticker of het inlegvel bevat naast de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf, tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt.
De IND-ambtenaar maakt een kopie van het door de vreemdeling overgelegde geldige document voor grensoverschrijding alsmede een kopie van de door de vreemdeling overgelegde originele brondocumenten (zoals geboorteakte en de huwelijksakte).
De IND-ambtenaar roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument.
### 9.6. Leges
### 10.6.3. Aantekening
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 10.7. Horen
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 9.6. Leges
### 9.6. Leges
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
De aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument wordt rechtstreeks naar de IND gezonden. Het aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bescheiden, dient naar de IND te Zwolle te worden gezonden.
De IND roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument.
Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt en tegen inlevering van het oude verblijfsdocument of tegen overlegging van (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing van het oude verblijfsdocument. De IND ziet er op toe dat de vreemdeling in persoon, en bij minderjarigheid in bijzijn van zijn wettelijk vertegenwoordiger, het verblijfsdocument in ontvangst neemt.
### 9.6. Leges
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.1. Procedure leges
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 10.7. Horen
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.7.3. Beslistermijn
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
Indien gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier, zijn ter afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd, zodat dan slechts ter afdoening van de aanvraag voor het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd leges zijn verschuldigd.
Indien echter op de datum van ontvangst van de gelijktijdige aanvragen de vergunning, waarvan verlenging wordt gevraagd, nog een jaar of meer geldig is, geldt deze regeling niet. De termijn waartegen verlenging dient plaats te vinden bedraagt immers als hoofdregel een jaar. Op een dergelijke termijn kan bezwaarlijk worden gesproken van cumulatie van legesheffingen.
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
In het kader van verblijf als kennismigrant alsmede in het kader van de verkorte mvv-procedure voor studie wordt, in het kader van een verzoek om advies ten behoeve van het verlenen van een mvv aan een vreemdeling die verblijf als kennismigrant dan wel student beoogt, met het oog op een snelle procedure aan referenten de mogelijkheid van betaling door middel van automatische incasso geboden. De referent is niet gehouden om in het kader van een adviesprocedure de leges voor de mvv-aanvraag te voldoen ten behoeve van een vreemdeling, nu de mvv-aanvraag formeel nog niet is ingediend en deze leges door de vreemdeling zelf verschuldigd zijn.
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.3. Beslistermijn
### 10. Rechtsmiddelen
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 2.4. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 9.6.3. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
### 9.7.1. Herstel verzuim
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 10.10.3. Bericht politie
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 10.11. Hoger beroep
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.3. Beslistermijn
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.7. Horen
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.10.3. Bericht politie
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.11. Hoger beroep
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.7.4. Vertrek naar andere gemeente hangende beslissing aanvraag
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.11. Hoger beroep
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 2.4. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 10.2. Termijn indienen bezwaar en (administratief) beroep
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.10.3. Bericht politie
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10.6.3. Aantekening
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 10.7. Horen
### 10.2. Termijn indienen bezwaar en (administratief) beroep
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.4. Beschikking verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
Deze rechten en plichten zijn opgenomen op de website van de IND.
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 10.6.3. Aantekening
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.7. Horen
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
### 10.7. Horen
### 10.1. Onderwerp van bezwaar en (administratief) beroep
### 2.8. Inschrijving in de GBA
### 10.9. Beslistermijnen
### 10.2. Termijn indienen bezwaar en (administratief) beroep
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 10.6.3. Aantekening
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
### 3.5. Procedure
### 10.4. Vereisten indienen bezwaar- of administratief beroepschrift
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 10.5. Bericht over een bezwaar- of administratief beroepschrift
### 4. Relatie
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 10.6.1. Uitzonderingen opschortende werking
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.9. Beslistermijnen
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 10.6.2. Opschorting van de werking (afwijzende) besluit en hoorplicht
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.6.3. Aantekening
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 10.6.4. Het verzoek om een voorlopige voorziening
### 10.10.2. Geen opschorting
### 5.2. Familierechtelijke relatie
### 10.10.3. Bericht politie
### 2.8. Inschrijving in de GBA
### 10.11. Hoger beroep
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 4.8. Polygamie
### 4.9. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 10.7. Horen
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 10.9. Beslistermijnen
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 10.10.3. Bericht politie
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
Ingevolge [artikel 7:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:11) vindt, voorzover het bezwaar ontvankelijk is, een heroverweging plaats op grondslag van het bezwaar. Daaruit vloeien blijkens de Memorie van Toelichting op de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) twee gevolgen voort.
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 3.1. Algemeen
### 10.10.2. Geen opschorting
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 10.10.3. Bericht politie
### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 10.11. Hoger beroep
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 10.9. Beslistermijnen
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 1.1. Inleiding
### 10.10.2. Geen opschorting
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 10.10.3. Bericht politie
Verder uitstel dan met zes weken (bezwaar) respectievelijk tien weken (administratief beroep) kan uitsluitend voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, of als dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften ([zie artikel 7:10, vierde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) en [artikel 7:24, zesde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:24)). Hiervan moet wel schriftelijk mededeling worden gedaan aan (de gemachtigde van) de vreemdeling.
### 10.11. Hoger beroep
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
Uitstel voor het indienen van de nadere gronden wordt – behoudens hierna te vermelden uitzonderingen – niet verleend. Het kan voorkomen dat een indiener van een bezwaar- of beroepschrift toch voor het verstrijken van de termijn om uitstel vraagt. Hier moet altijd uitdrukkelijk op worden gereageerd, omdat anders een stilzwijgende verlenging wordt aangenomen.
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
### 10.10. Beroep bij de rechtbank
### 5.5.3. Correctie van de geboortedatum
### 10.10.1. Vereisten beroepschrift
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
### 10.10.2. Geen opschorting
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 10.10.3. Bericht politie
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 10.11. Hoger beroep
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 2.9. Openbare orde beleid
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 2.8. Inschrijving in de GBA
### 2.9. Openbare orde beleid
### 2. Gezinshereniging en gezinsvorming
### 1. Algemeen
### 1.1. Inleiding
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
Uitgangspunt is dat de regels van dit hoofdstuk voor wat betreft gezinshereniging van derdelanders met derdelanders in overeenstemming zijn met de Richtlijn 2003/86, hierna te noemen: de Richtlijn), alsmede met artikel 8 EVRM.
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Voorts laat artikel 4, vijfde lid, van de Richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om ter zake van gezinsvorming een minimumleeftijd te stellen, die maximaal 21 jaar bedraagt, voor zowel de echtgenote als de gezinshereniger. Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt bij de [artikelen 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) en [3.15, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) (zie ook B2/2.5 en B2/4.7).
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 3.1. Algemeen
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 3.6. Stuiting door het OM
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 2.9. Openbare orde beleid
### 2.4. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 2.4. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 1.3. Bijzondere categorieën gezinsleden
### 2.5. Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners
### 1.4. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), Vc
### 2.5. Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners
### 4.3. Verwantschap
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
### 2.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 2.6. Polygamie
### 4.5. Gelegaliseerde akten
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Ingevolge [artikel 3.14, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) wordt de verblijfsvergunning op grond van een huwelijk verleend indien het huwelijk of het geregistreerd partnerschap naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig is.
### 2.8. Inschrijving in de GBA
### 2.9. Openbare orde beleid
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
### 4.7. Leeftijd van beide partners
### 2.3. Gelegaliseerde akten
### 4.8. Polygamie
### 2.10. Middelen
### 2.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 2.4. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 2.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.9. Middelen
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 3.1. Algemeen
### 2.5. Leeftijd van beide echtgenoten of geregistreerd partners
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 2.6. Polygamie
### 3.5. Procedure
### 3.6. Stuiting door het OM
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 3.6. Stuiting door het OM
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 4. Relatie
Alleen in die gevallen waarin de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wwb geniet en het voor de hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, wordt ontheffing van het middelenvereiste verleend.
### 4.2. Duurzame en exclusieve relatie
### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.12. Garantverklaring
### 4. Relatie
### 4.3. Verwantschap
### 2.9. Middelen
### 4.4. Ongehuwde burgerlijke staat
### 5. Minderjarige kinderen
### 4.5. Gelegaliseerde akten
### 2.10. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
### 4.4. Ongehuwde burgerlijke staat
### 4.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 3.1. Algemeen
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 4.8. Polygamie
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 4.8. Polygamie
### 4.9. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 5.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
### 4.10. Openbare orde beleid
Met het oog op de invoering van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) wordt bij de berekening van de termijn van vijf jaar tevens meegeteld de periode waarin de hoofdpersoon op grond van [artikel 107 Abw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007333&artikel=107) volledig was vrijgesteld van de verplichting naar vermogen te trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen (de zogenaamde ‘sollicitatieplicht’).
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 5.4.1. Minderjarige kinderen/verruimde gezinshereniging
### 3.4. Het model M46
### 5.5. Minderjarigheid
### 4.11. Middelen
### 5.5.2. Bepaling van de geboortedatum
### 2.10. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 4.11.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 3. Voorkoming van schijnhuwelijken
### 3.1. Algemeen
### 3.5. Procedure
### 5.9. Openbare orde beleid
### 3.2. Verklaring op grond van [artikel 44, eerste lid onder k, Boek 1 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003045&artikel=44)
### 4.12. Garantverklaring
### 4.11.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 4.12. Garantverklaring
### 4.13. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.10. Middelen
Een negatief advies dient te worden gemotiveerd en te worden vergezeld van een ingevulde vragenlijst met eventuele waarnemingen van de Korpschef die kunnen duiden op een schijnhuwelijk of -partnerschap. Alleen een gemotiveerd negatief advies kan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken ondersteunen bij zijn beslissing om niet mee te werken aan het voltrekken van een huwelijk of de registratie van een partnerschap dan wel de registratie van een buiten Nederland gesloten huwelijk of partnerschap in de onder hem berustende registers.
### 3.3. Verhouding verblijfsprocedure en [Wet voorkoming schijnhuwelijken](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011937)
### 5.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Indien een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt gestuit, wordt de vreemdelingenpolitie door tussenkomst van de IND via deel C: terugmeldformulier hierover geïnformeerd.
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
Vervolgens zendt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken het volledig ingevulde model M46-A (waarop zowel de gegevens betreffende de gemeente alsmede gegevens van de (aanstaande) echtgenoten/geregistreerde partners zijn ingevuld) tezamen met het model M46-B naar de IND ter invulling van onderdeel II.
### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 5.2. Familierechtelijke relatie
### 4.2. Wettelijke beletselen
### 3.5. Procedure
### 4.3. Ongehuwde burgerlijke staat
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
Na ontvangst van het aanvraagformulier ontvangt de onderwijsinstelling namens de vreemdeling een ontvangstbevestiging van de IND. Deze ontvangstbevestiging geldt voor de vreemdeling als een bewijs van rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9). Indien de vreemdeling gedurende de behandeltijd van de aanvraag toch een verblijfssticker nodig heeft kan hij hiertoe een afspraak maken via de afsprakenlijn van de IND. Op vertoon van de ontvangstbevestiging ontvangt de vreemdeling, op voorwaarde dat de leges zijn voldaan, een verblijfssticker in het paspoort.
Het koppelingsbureau van de IND fungeert in dergelijke gevallen als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie (zie B17/6).
De IND roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument.
Voor zover in de onderhavige paragraaf niet anders is bepaald, is het bepaalde in hoofdstuk B1 onverkort van toepassing.
Zie B1/9.1.1.
De IND zendt de vreemdeling drie maanden vóór de expiratie van de verblijfsvergunning een aanvraagformulier toe, waarmee de vreemdeling kan verzoeken om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Met nadruk zij vermeld dat het voorgaande niet af doet aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling voor de tijdige indiening van de aanvraag. Bij een niet-tijdige indiening van de verlengingsaanvraag komt dan ook geen betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling onverhoopt niet door de IND is gewezen op het feit dat zijn vergunning afloopt.
Het aanvraagformulier tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden verkregen via het landelijk telefoonnummer van de IND.
Het aanvraagformulier tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bescheiden rechtstreeks aan de IND verzonden (zie [artikelen 3.33 b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b) en [3.33 c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33c)).
Indien sprake is van een gelijktijdig met de verlengingsaanvraag ingediende aanvraag tot wijziging van de beperking waaronder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, wordt de vreemdeling door de IND zonodig verzocht om nadere informatie te verstrekken.
### 10. Rechtsmiddelen
### 10.6. Opschorting van de werking van het (afwijzende) besluit
### 9.6.2. Leges bij de ambtshalve verleende verblijfsvergunning
De toepasselijke legestarieven zijn voor:
Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming kunnen twee legestarieven van toepassing zijn: een standaardtarief conform [artikel 3.34, tweede lid, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34) en een gezinstarief conform artikel 3.34, tweede lid, onder c of d, VV. Het gezinstarief is van toepassing indien meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming voor verblijf bij dezelfde hoofdpersoon, gelijktijdig worden ingediend. Zo is in het geval dat twee of meer vreemdelingen gelijktijdig een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning met het oog op gezinshereniging of gezinsvorming met een in Nederland verblijvende persoon, één van de aanvragers het standaardtarief verschuldigd en betalen de andere aanvragers het gezinstarief (artikel 3.34, tweede lid, onder d, VV). In het geval dat één of meer vreemdelingen gelijktijdig met de vreemdeling, bij wie zij in Nederland in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming willen verblijven, een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming, betalen zij het gezinstarief. De vreemdeling, bij wie deze gezinsleden verblijf beogen, betaalt het tarief conform het door hem beoogde verblijfsdoel (artikel 3.34, tweede lid, onder c, VV). Voor het afdoen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan in Nederland uit een ouder, die in het bezit is van een verblijfsvergunning, geboren kinderen is het tarief van artikel 3.34, tweede lid, onder e, VV van toepassing.
Een vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, kan desgevraagd ontheven worden van de verplichting om de voor het afdoen van de aanvraag verschuldigde leges te betalen. Voorwaarde om voor vrijstelling in aanmerking te komen, is dat hij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM. Ten behoeve van ontheffing van het legesvereiste wordt een beroep op artikel 8 EVRM gerechtvaardigd geacht indien verblijf in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt beoogd. De hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, dient door middel van het overleggen van bewijsstukken omtrent zijn financiële situatie aan te tonen dat hij niet over middelen kan beschikken om de leges te voldoen. Tevens dient hij aannemelijk te maken dat hij op korte termijn noch zelf zal kunnen beschikken over de middelen om de leges te voldoen, noch deze kan verwerven bij personen in zijn naaste omgeving waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze de vergoeding voor de belanghebbende betalen, zoals de partner, familieleden of andere in aanmerking komende derden.
Indien gelijktijdig aanvragen worden gedaan tot het verlengen en het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zijn ter afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de vergunning geen leges verschuldigd, zodat dan slechts ter afdoening van de aanvraag tot het wijzigen van de vergunning leges zijn verschuldigd.
Daarbij wordt gedacht aan gevallen waarin de wijziging zinloos zou zijn als niet tevens tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning zou worden overgegaan, met name aan het einde van de looptijd van de vergunning. In die gevallen wordt een cumulatieve legesheffing ter afdoening van twee aanvragen die met hetzelfde verband houden, namelijk voortzetting van het verblijf, maar voor een gewijzigd doel, onwenselijk geacht.
Deze regeling is vooral getroffen met het oog op vreemdelingen die behoren tot de groep van al dan niet mishandelde vrouwen dan wel slachtoffers van mensenhandel, die vragen om verlenging van hun verblijfsvergunning en gelijktijdig tevens om wijziging in ‘voortgezet verblijf’. Deze regeling is echter niet tot die beide groepen beperkt.
Tevens kan worden gedacht aan bijvoorbeeld studenten, die wijziging vragen van ‘de voorbereiding op studie’ in ‘het volgen van studie’ of in ‘arbeid in loondienst’, voor verblijf in het kader van gezinsvorming of ‘voortgezet verblijf’.
In de situatie dat een vreemdeling, aan wie verblijf is toegestaan voor verblijf bij partner, met die partner in het huwelijk is getreden, kan redelijkerwijs niet van een wijziging (van het verblijfsdoel) worden gesproken en behoeft geen aanvraag om wijziging te worden gedaan, ter afdoening waarvan leges zouden zijn verschuldigd. Daarom is deze regeling evenmin in die situatie van toepassing. In dergelijke gevallen wordt het huwelijk uiteraard wel geregistreerd in het informatiesysteem van de IND en wordt bij de afgifte van het nieuwe verblijfsdocument wel als beperking verblijf bij echtgenoot vermeld.
Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan bepaalde gezinsleden van de houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29). Het betreft de vreemdeling:
Bij het in ontvangst nemen van de aanvraag tot het verlenen of het wijzigen van een verblijfsvergunning bepaalt de IND-ambtenaar de voor de aanvraag geldende leges. De vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld in persoon de verschuldigde leges per kas of per pin ter plekke aan de kas te voldoen. De vreemdeling dient het verschuldigde bedrag in één keer te voldoen. Betaling in termijnen is niet mogelijk. Na betaling van het verschuldigde bedrag ontvangt de vreemdeling een betalingsbewijs.
Indien de vreemdeling het verschuldigde legesbedrag niet ter plekke per kas of per pin heeft voldaan, stelt de IND-ambtenaar de vreemdeling ingevolge het bepaalde in [artikel 4:5 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) mondeling in de gelegenheid om het verzuim te herstellen en alsnog ter plekke de verschuldigde leges per kas of pinbetaling te voldoen. In dat geval is er geen reden om langer herstel verzuim te verlenen dan het tijdsverloop dat in de regel gemoeid is met de handeling van kas- of pinbetaling. Als betrokkene geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om het verschuldigde legesbedrag alsnog te voldoen, en de vreemdeling persisteert om zijn aanvraag in te dienen, wordt de aanvraag direct ter plaatse door de IND-ambtenaar buiten behandeling gesteld.
De aanzegging tot legesbetaling valt niet onder het beschikkingsbegrip. Tegen de beschikking tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag, die volgt als geen leges worden voldaan, kan een bezwaarschrift worden ingediend.
In gevallen waarin – na een voor de vreemdeling onaantastbaar geworden (ongunstige) beschikking – een aanvraag wordt gedaan om alsnog een voor de vreemdeling gunstige beschikking te verkrijgen, is sprake van een nieuwe aanvraag in de zin van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6), ter zake waarvan (wederom) leges zijn verschuldigd.
Ten aanzien van de procedure die gevolgd wordt indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van studie aan een instelling voor hoger onderwijs of voorbereidend jaar door tussenkomst van de onderwijsinstelling wordt ingediend bij de IND, geldt het volgende.
Betaling van de door de betrokken vreemdeling verschuldigde leges vindt plaats door de instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 3.18a VV door middel van een automatisch incasso. Een machtiging tot automatisch incasso wordt door de instelling voor hoger onderwijs bij elke individuele aanvraag afgegeven. Ten behoeve van het automatisch incasso geeft de onderwijsinstelling een Nederlands bankrekeningnummer op.
Over de legesinning in het geval van aanvragen tot het verlenen van een mvv zijn door de IND afspraken gemaakt met het ministerie van BuZa. De leges voor het behandelen van een mvv-aanvraag worden geheven namens de Minister van BuZa en zijn opgenomen in de Regeling op de Consulaire Tarieven. De afspraken houden in dat de voor het behandelen van een mvv-aanvraag verschuldigde leges door de vreemdeling gestort of overgeboekt worden op een rekeningnummer van de IND in Nederland. De IND verrekent de ontvangen legesbedragen met het ministerie van BuZa. Tevens wordt in het kader van een verzoek om advies aan de referent van de vreemdeling, ten behoeve van wie een positief advies is afgegeven, de mogelijkheid geboden om de leges die verschuldigd zijn voor de door de vreemdeling in te dienen mvv-aanvraag, te voldoen. Als de referent niet bereid is de leges te voldoen, dient de vreemdeling in het kader van de aanvraagprocedure voor het verlenen van een mvv de verschuldigde leges op de bovenomschreven wijze te voldoen.
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier wordt rechtstreeks naar de IND gezonden. De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt eveneens rechtstreeks naar de IND gezonden.
In het geval wel leges verschuldigd zijn en de leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier niet worden voldaan, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Uit de [artikelen 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) kan een verplichting voortvloeien om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, indien wordt overwogen om een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen (of de IND daartoe te adviseren) of een beschikking te geven waarom de vreemdeling niet heeft gevraagd.
Indien niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag – bijvoorbeeld omdat de leges niet zijn voldaan, de aanvraag niet is ondertekend of niet de nodige gegevens bevat – wordt de aanvrager een redelijke termijn gegeven om dat verzuim te herstellen. De redelijke termijn is niet bedoeld om de vreemdeling de gelegenheid te bieden alsnog aan bepaalde inhoudelijke voorwaarden te gaan voldoen.
### 10.8. De beschikking in bezwaar of administratief beroep
Als niet is voldaan aan een van de vereisten voor het in behandeling nemen van een bezwaar- of administratief beroepschrift – termijn, vormvereisten, beroepsgerechtigde – wordt de indiener gedurende een termijn van twee weken in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Indien het verzuim niet binnen die termijn wordt hersteld, kan het bezwaar- of administratief beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard.
### 10.11. Hoger beroep
### 4. Relatie
### 1.2. [Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)
Als uitgangspunt geldt dat uitstel kan worden verleend indien de indiener van het verzoek om uitstel schriftelijk kan aantonen dat tijdig een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is. In een dergelijk geval kan uitstel worden verleend tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal wel beschikbaar is. De eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is, dient te blijken uit een te overleggen schrijven van het tolkencentrum. Indien een reeds gemaakte afspraak door de besproken tolk wordt afgezegd, komt dit in beginsel voor rekening van de betrokkene, tenzij er sprake is van overmacht van de zijde van de tolk. Dit vanuit de gedachte dat het op een juiste wijze verdelen van de beschikbare tolken een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van rechtshulp en de tolkencentra. In de bezwaarfase dient een dergelijk schrijven van het tolkencentrum aan een ongemotiveerd bezwaar-of beroepschrift te worden toegevoegd.
Een voorlopige voorziening kan bij de Voorzitter van de ABRvS aangevraagd worden om de werking van het bestreden besluit hangende het hoger beroep op te schorten. Voorwaarden voor het vragen van een voorlopige voorziening zijn dat er een beroepschrift is ingediend bij de ABRvS in de bodemprocedure, en er een spoedeisend belang is. Indien de vreemdeling tijdig een verzoek heeft ingediend om een voorlopige voorziening, blijft uitzetting als regel achterwege totdat de president uitspraak heeft gedaan, tenzij:
Nadat in dit kader een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend is het gestelde in B1 en B2 onverkort van toepassing.
### 2.10. Middelen
### 2. Huwelijk en geregistreerd partnerschap
In het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) zijn voorwaarden opgenomen voor verblijf in het kader van gezinshereniging met echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner die zien op:
### 2.2. Rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 2.7. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
In het algemeen is een huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig indien het is gesloten:
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid. De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) zijn van toepassing (zie verder ook B1/4.4).
### 4.7. Leeftijd van beide partners
Als een beroep wordt gedaan op deze vrijstellingsgrond, worden alle toekenningsbesluiten ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), dan wel de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) overgelegd, die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, alsook eventuele correspondentie met het college van B&W omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Indien aanwezig, dienen bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is.
### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 3.4. Het model M46
### 4.4. Gelegaliseerde akten
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 6.5. Achterlating een onevenredige hardheid
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
### 4.5. Polygamie
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 3.6. Stuiting door het OM
### 4.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
### 3.7. Nietigverklaring door het OM
### 5.4.2. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
De aanvraag wordt niet afgewezen op de enkele grond dat de hoofdpersoon niet beschikt over voldoende zelfstandige middelen van bestaan, indien deze op de datum waarop de aanvraag is ontvangen 23 jaar of ouder is en:
### 4.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 4.8. Verwantschap
Op grond van [artikel 3.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.29) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap worden verleend aan de vreemdeling:
### 4.9. Duurzame en exclusieve relatie
### 5.7. Polygamie
De vreemdeling overlegt ter onderbouwing van de duurzame en exclusieve relatie bij de aanvraag een volledig ingevulde en ondertekende relatieverklaring ([bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) en een ingevulde partnervragenlijst. De antwoorden op de partnervragenlijst moeten met zoveel mogelijk stukken worden onderbouwd.
### 5.8. Samenwoning
### 4.3. Ongehuwde burgerlijke staat
### 5.9. Openbare orde beleid
### 4.4. Gelegaliseerde akten
### 4.11. Openbare orde beleid
### 5.9. Openbare orde beleid
### 4.12. Middelen
### 4.5. Polygamie
### 5.10. Middelen
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
Ingevolge [artikel 3.98c, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98c) worden de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem beoordeeld. Aangezien de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de kwaliteit van de toetsen, ruimte laten voor onduidelijkheid omtrent de mate waarin de beoordeling aan de hand van het geautomatiseerde systeem vergelijkbaar is met die door menselijke examinatoren, worden de resultaten van het basisexamen in de eerste fase na invoering daarvan een tweede maal door menselijke examinatoren beoordeeld. In verband hiermee is in [artikel II besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vb in verband met inburgering in het buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019587&artikel=II), Stb. 2006, 94,opgenomen dat in afwijking van [artikel 3.98c, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98c) de resultaten van het basisexamen inburgering, die door middel van het geautomatiseerde systeem zijn beoordeeld, nogmaals beoordeeld worden door examinatoren, indien het basisexamen is afgelegd vóór een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Als tijdelijke verblijfsdoel in de zin van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) gelden de volgende verblijfsdoelen:
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van [artikel 2.6 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6) uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsgrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
Andere bescheiden dan hier vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond. De thans geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige toepassing.
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met DUO.
De vreemdeling met de Surinaamse nationaliteit is op grond van [artikel 16, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) vrijgesteld van het basisexamen inburgering, indien hij heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.
Conform artikel 3.13 VV dienen daartoe de volgende bescheiden te worden overgelegd:
Andere bescheiden dan daar vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond.
Het inburgeringsvereiste is evenmin van toepassing op vreemdelingen die, om voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in aanmerking te kunnen komen, niet hoeven te beschikken over een geldige mvv. In [artikel 16, eerste lid, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) is reeds voorzien in een uitzondering voor de in [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) genoemde categorieën vreemdelingen, waartoe ook behoren de in [artikel 3.71, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) genoemde categorieën vreemdelingen, aan wie het ontbreken van een geldige mvv niet wordt tegengeworpen.
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Zie voor herkansing [artikel 3.98d Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98d).
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van [artikel 2.6 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6) uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
Ingevolge [artikel 16a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16a) kan de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling het examen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), niet heeft behaald.
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
In [artikel 3.80a, tweede lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) is ook de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat het voor een vreemdeling vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie [artikel 31, tweede lid, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31), zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en [artikel 6, eerste lid, onder b, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6)).
Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
In [artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder f, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2). De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld wordt, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking in voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats betreft het vreemdelingen, die binnen de vijf jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats betreft het vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na vijf jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.
De vreemdeling die verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd, is verbroken in verband met huiselijk geweld ([art. 3.80a, tweede lid, onder f, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a)), toont dit aan door:
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.2.
Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.3.
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.8. De gevolgen van de afwijzing
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 4.7.2.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen (inburgeringsexamen oude stijl), kennis Nederlandse samenleving, elektronisch praktijkexamen (inburgeringsexamen oude stijl), lezen (inburgeringsexamen nieuwe stijl) en schrijven(inburgeringsexamen nieuwe stijl) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door de vreemdeling worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde vreemdeling derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands afleggen.
### 5.3.4. Geldig document voor grensoverschrijding
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
Voor wat betreft de vertrektermijnen wordt verwezen naar [artikel 62, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) in combinatie met [artikel 62 a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a). De vreemdeling wordt onder andere opgedragen onmiddellijk Nederland te verlaten, indien:
Gedurende deze vertrektermijn heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf. Dit laat onverlet dat de vreemdeling op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring kan worden gesteld. Uiteraard dient dan wel de gegunde vertrektermijn alsnog te worden bekort. In deze gevallen bedraagt de termijn voor het instellen van beroep tegen de vrijheidsbeneming op grond van [artikel 69, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69) één week. De vreemdeling wordt terstond in de gelegenheid gesteld een raadsman te raadplegen.
Indien ten aanzien van de vreemdeling reeds eerder een terugkeerbesluit is uitgebracht, bijvoorbeeld bij de afwijzing van een eerdere aanvraag (asiel en regulier), wordt er niet opnieuw een terugkeerbesluit uitgebracht. Gelet op [artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62a), krijgt de vreemdeling in een dergelijk geval geen nieuwe vertrektermijn.
Er wordt geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van [artikel 3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40) en [3:41 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:41), in werking treedt, als de vreemdeling tenminste binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
Er wordt geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van [artikel 3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40) en [3:41 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:41), in werking treedt, als de vreemdeling tenminste binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/ Turkije. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejaartermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de REK van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken, dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van de REK van 1 november 2000 – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van deze paragraaf is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn, buiten beschouwing blijft de periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Minister een verklaring heeft gekregen die hem recht geeft op terugkeer naar Nederland, en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting, dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
In onderdeel c is bepaald dat indien de vreemdeling gegevens of bescheiden heeft overgelegd, waarnaar onderzoek heeft moeten plaatsvinden, terwijl achteraf blijkt dat die in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden hebben kunnen leiden, deze periode niet meetelt voor de opbouw van de driejarentermijn. De noodzaak tot het verrichten van onderzoek wordt dan beschouwd als voort te vloeien uit een handeling van de vreemdeling, waardoor de extra proceduretijd die met het onderzoek gemoeid is voor rekening van de vreemdeling komt. Indien het onderzoek redelijkerwijs tot inwilliging van de aanvraag kan leiden, bestaat er geen aanleiding om de termijn van het onderzoek aan de vreemdeling toe te rekenen. In die gevallen zal de gevraagde vergunning in het algemeen worden verleend en is reeds daarom het driejarenbeleid niet van toepassing.
Het driejarenbeleid geldt ook voor aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier. Aangezien in deze procedures het mvv-vereiste veelal niet van toepassing zal zijn, zijn de effecten van het tijdsverloop beperkt tot het niet stellen van het middelenvereiste. De overige afwijzingsgronden van [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) gelden hier dus onverkort. Zie voor de toepassing van deze gronden B1/5.
### 5.3.2. Verplaatsing hoofdverblijf
### 13.2.3.1. Gezinshereniging kinderen met ouders
### 5. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 5.3.5. Middelen
De aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), is in ieder geval tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag vóór de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt. De tijdig ingediende aanvraag tot het verlenen, het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf (zie [artikel 3.80 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80)). Het mvv- vereiste blijft buiten toepassing. De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan de voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan de datum waarop de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning afloopt (zie [artikel 26, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26)). Als de vreemdeling niet-toerekenbaar buiten staat was de gegevens waaruit blijkt dat aan alle voorwaarden wordt voldaan tijdig te overleggen, kan aansluitend verblijfsrecht worden verleend (zie [artikel 26, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26)).
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verstreken, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late ontvangst van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen (zie [artikel 3.80, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80)). In deze gevallen wordt getoetst aan voortzetting van verblijf, zodat het mvv-vereiste niet van toepassing is.
De aanvraag tot het verlenen, het verlengen of het wijzigen van een verblijfsvergunning die is ontvangen nadat de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is afgelopen dan wel nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken dan wel nadat het verblijf als Nederlander is geëindigd, maar die nog wel is ontvangen binnen de redelijke termijn van twee jaar, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf (zie [artikel 3.82, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82)). De redelijke termijn van twee jaar vangt aan op de dag waarop het rechtmatig verblijf, bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), of als Nederlander is geëindigd. De vergunning wordt in dit geval niet met terugwerkende kracht verleend. De vergunning zal worden verleend met als ingangsdatum de datum van aanvraag, of zo veel later als de vreemdeling heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 26 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26)). Er ontstaat derhalve een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling, hetgeen gevolgen heeft voor de opbouw van verdere verblijfsrechten (een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, optie of naturalisatie). Dit is slechts anders als sprake is van feiten en omstandigheden die de vreemdeling niet toe te rekenen zijn.
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
### 7.1.4. Middelen van bestaan
### 5.2. Ingangsdatum in geval van voortzetting van verblijf
### 5.3.5. Middelen
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) anders is bepaald.
De vergunning wordt ingetrokken, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) anders is bepaald.
Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van de verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, en er nog geen periode van twaalf jaren of langer is verstreken, wordt de ten onrechte verleende verblijfsvergunning ingetrokken of de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Voorwaarde is uiteraard dat het verstrekken van de onjuiste gegevens, of het achterhouden van de juiste gegevens er (mede) toe heeft geleid dat de verblijfsvergunning ten onrechte is verleend, verlengd of gewijzigd.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de houder daarvan zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. De hieronder gegeven regels zijn van overeenkomstige toepassing op de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) (zie [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19)). Enkele bijzondere voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd houden in dat de aanvrager zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd. Zie in dit verband [artikel 3.23](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23), [3.71](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) en [3.82 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82). De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), wordt op grond van [artikel 18, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) afgewezen, indien de vreemdeling zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd. Hoofdverblijf en verplaatsing van hoofdverblijf zijn feitelijke begrippen. Een vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland, wanneer hij niet duurzaam in Nederland verblijft. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling is uitgeschreven uit de GBA van een Nederlandse gemeente of in Nederland geen adres heeft waar hij geregeld kan worden aangetroffen. Beoordeling van de vraag of er sprake is van verplaatsing van het hoofdverblijf vindt plaats aan de hand van factoren van feitelijke aard. Met de wil van de vreemdeling wordt slechts rekening gehouden voorzover deze blijkt uit zijn gedragingen. Aanwijzingen voor verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland zijn onder meer:
Deze factoren zijn niet limitatief. Ook op andere feitelijke gronden kan worden geconcludeerd dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Indien daarentegen de vreemdeling de vreemdelingenpolitie er tevoren van in kennis heeft gesteld dat hij tijdelijk, maar niet langer dan zes maanden, in het buitenland beoogt te verblijven, dan is dit een aanwijzing dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland wenst te vestigen.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt in ieder geval aangenomen, indien de vreemdeling:
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 5.3.5. Middelen
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling en degene bij wie verblijf als gezinslid in Nederland is toegestaan niet gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, tenzij het [tweede lid van artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) van toepassing is dan wel in de desbetreffende materiehoofdstukken anders is bepaald.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken indien de vreemdeling en degene bij wie verblijf als gezinslid in Nederland is toegestaan niet gezamenlijk zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan, tenzij in de desbetreffende materiehoofdstukken anders is bepaald.
In [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) is bepaald dat de aanvrager bij de indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de hoogte, de duurzaamheid en de bronnen van het inkomen van de vreemdeling en, voorzover van toepassing, van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven.
Deze regels zijn van toepassing op alle gevallen waarin sprake is van verlenging of wijziging van het verblijf, alsmede indien een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt ingetrokken.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op grond van artikel 18, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87).
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 7.1. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning EG-langdurig ingezetene
### 7.1.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
Er is in ieder geval sprake van meerdere misdrijven indien meer dan één sanctie is opgelegd. Ook is sprake van meerdere misdrijven indien één sanctie is opgelegd voor meerdere bewezen verklaarde strafbare feiten (voeging, waarbij verschillende strafbare feiten tot één strafzaak worden samengevoegd).
Verder verblijf wordt ontzegd, indien de vreemdeling wegens een misdrijf;
Het vonnis waarbij de straf of maatregel is opgelegd, moet onherroepelijk zijn. Indien het vonnis nog niet onherroepelijk is, of indien er een strafzaak openstaat, wordt contact opgenomen met het OM. De beslistermijn kan met toepassing van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) schriftelijk met maximaal zes maanden worden verlengd.
Een taakstraf is ofwel een werkstraf (het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte) ofwel een leerstraf (het volgen van een leertraject) dan wel een combinatie van beiden. De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In geval van een veroordeling tot een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de berekening van de strafmaat. Als een taakstraf is opgelegd bij strafbeschikking wordt de waarde in vrijheidsstraf afgeleid uit de bepalingen over de vervangende hechtenis, te weten een dag per twee uur onuitgevoerde taakstraf.
Terbeschikkingstelling op grond van [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a) kan leiden tot verblijfsbeëindiging. Indien een vreemdeling ter beschikking is gesteld kan dit met zich meebrengen dat het verblijfsrecht eerst bij verlenging van die terbeschikkingstelling met toepassing van de glijdende schaal kan worden beëindigd. De verlenging kan immers betekenen dat wordt voldaan aan de betreffende norm van [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Zo spoedig mogelijk nadat een rechterlijk vonnis waarin verlenging van de TBS-maatregel is uitgesproken onherroepelijk is geworden wordt (opnieuw) beoordeeld of tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan.
Aan het feit dat een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, komt voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toe.
De Minister houdt bij de toepassing van [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) mede rekening met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of dat gezinslid uitgaat (zie artikel 3.86, veertiende lid, Vb).
Bovendien houdt de Minister rekening met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst (zie [artikel 3.86, vijftiende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86)).
### 6.1. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd EG-langdurig ingezetene
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 5.3.7. Niet voldoen aan de inburgeringsplicht
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 6.1.2. Tijdelijk verblijfsrecht
### 6.2. Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
De nieuwe status van langdurig ingezetene wordt, evenals de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden, op aanvraag verleend. De aanvraag strekt tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
Het is aan de houder van deze verblijfsvergunning toegestaan om arbeid te verrichten, zonder dat een TWV is vereist. Tegen het verblijf voor onbepaalde duur van de houder van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd bestaan in beginsel geen bedenkingen als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8).
### 6.1.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.1.4. Middelen van bestaan
Op grond van [artikel 21, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen, indien de vreemdeling in de periode, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder a, Vw zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien sprake is geweest van een formeel beperkt verblijfsrecht of een verblijfsrecht als werknemer van een dienstverlener in het kader van grensoverschrijdende diensten of als verlener van grensoverschrijdende diensten.
Van een formeel beperkt verblijfsrecht is bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag om verlening, wijziging of verlenging van een verblijfsvergunning. Van een formeel beperkt verblijfsrecht is bijvoorbeeld ook sprake hangende bezwaar of beroep tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen, alsmede hangende bezwaar of beroep, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning. Als de verblijfsvergunning uiteindelijk wordt verleend, geldt die periode (achteraf gezien) niet meer als formeel beperkt. Voor zover deze perioden uiteindelijk toch worden bestreken door een verblijfsvergunning tellen deze alsnog wel mee. Dit is als regel het geval indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd alsnog met toepassing van [artikel 26 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) met ingang van datum aanvraag wordt toegekend. Hetzelfde geldt indien de intrekking alsnog ongedaan wordt gemaakt.
### 7.1.5. Openbare orde
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, IND of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht.
Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf, stelt de IND de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund.
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, indien de aanvraag is ingediend door de vreemdeling die in aanmerking komt voor verblijf op grond van de in [artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) geregelde terugkeeropties (zie artikel 3.92 [en 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52)).
De politie zendt het verblijfsdocument voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, naar het Bureau Documenten van de IND.
Indien sprake is van beroepsmatige detachering (ook in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening) in een andere EU-lidstaat, telt het verblijf buiten Nederland wel mee bij de berekening van de duur van het rechtmatig verblijf voor de toekenning van de status van langdurig ingezetene (zie [artikel 3.92, derde lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92)).
De EG-status als langdurig ingezetene kan na intrekking in sommige gevallen worden herkregen. Herverkrijging is mogelijk indien de vreemdeling, die als langdurig ingezetene houder is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) (zie [artikel 3.92, derde lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92)):
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
Voor de beoordeling of er over **voldoende** middelen wordt beschikt wordt verwezen naar [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en B1/4.3.3.
Onder gezinslid bij wie de vreemdeling verblijft, wordt hier verstaan:
### 7.1.5. Openbare orde
Tevens moet bij de besluitvorming rekening worden gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de vreemdeling op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat, de duur van het verblijf en het bestaan van banden met Nederland (zie [artikel 3.92, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92)).
In die gevallen waarin de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden afgewezen op basis van [artikel 21, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) juncto [artikel 3.92, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier kan worden ingetrokken op basis van [artikel 22, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) juncto [artikel 3.95, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt, tenzij dat in strijd zou komen met internationale verplichtingen.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid.
### 7.1.11.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.4. Middelen van bestaan
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 7.1.11.3. Ontheffing met een beroep op de hardheidsclausule
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 7.2.2. De aard van het verblijfsrecht
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Met de introductie van het vernieuwde inburgeringsstelsel per 1 januari 2013 worden aan de inburgeringsplichtige vreemdelingen geen inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen meer aangeboden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
Aanspraak op hernieuwd verblijf, de terugkeeroptie, geldt in bepaalde gevallen voor kinderen van migranten, welke kinderen naar het land van hun nationaliteit zijn gegaan of teruggekeerd (zie [artikelen 3.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) en [3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en B4/5).
### 7.2.7. Geprivilegieerden
### 7.2.7. Geprivilegieerden
Het gaat hier om de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd aan bijzondere categorieën op grond van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto [artikel 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94).
Voor bijzondere bepalingen ten aanzien van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar:
Onder secundaire migranten wordt verstaan: kinderen van migranten, dat wil zeggen vreemdelingen die als minderjarige in het kader van gezinshereniging in Nederland zijn toegelaten; voorzover het gaat om secundaire migranten die in aanmerking komen voor de terugkeeroptie (zie B4/5).
Ingevolge [artikel 21a, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) komt de vreemdeling die als minderjarige onder een beperking verband houdend met gezinshereniging is toegelaten, sindsdien zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en inmiddels 18 jaar is, tenzij de gezinsband werd verbroken binnen een jaar na verlening van de verblijfvergunning, met voorbij gaan aan het middelenvereiste, in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden (zie B1/7.2.5). Dit betekent dat voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, in dit geval aan de overige voorwaarden van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) wel dient te worden voldaan.
Ingevolge [artikel 21a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a), kan de aanvraag van een vreemdeling die:
alleen worden afgewezen op grond dat aanvrager bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), is opgelegd en hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De aanvraag kan slechts worden afgewezen op grond van artikel 21, eerste lid, onder e, Vb, indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan 60 maanden, ter zake van handel in verdovende middelen.
### 8.2. Frauduleuze verkrijging
### 7.2.5. Openbare orde
### 8.4. Verkrijging EG-status in een andere lidstaat
### 9.6. Leges
### 7.2.6. Onjuiste gegevens
### 8.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Bij de besluitvorming wordt mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk dat door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde of nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de vreemdeling of dat gezinslid uitgaat.
Ingevolge [artikel 22, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken of gewijzigd indien de vreemdeling een aaneengesloten periode van 12 maanden of langer buiten het grondgebied van de staten die partij zijn bij het EG-Verdrag, dan wel zes jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven.
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet ingetrokken wegens afwezigheid van het grondgebied indien:
**Ad b**
Een vreemdeling kan hetzij middels een [model M53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M53), hetzij middels een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken.
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gevallen waarin, ingevolge Richtlijn 2003/109, intrekking voorgeschreven is, maar daadwerkelijke beëindiging van het verblijf, na een individuele belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM, niet aan de orde is.
De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij er op gewezen dat de aanvraag schriftelijk moet worden ingediend.
Ingevolge [artikel 22, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken indien de vreemdeling langdurig ingezetene is geworden in een andere staat die partij is bij het EG-Verdrag.
Voor gevallen waarin de vreemdeling na intrekking van de status in aanmerking kan komen voor herverkrijging van de status (en daarmee) de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ (zie B1/7.1.2).
### 9.2. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd
### 9.6.4. Restitutie van leges
### 9.6.1. Procedure leges
### 9.7.3. Beslistermijn
Bij een aanvraag om eerste toelating zal het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na inreis op een geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor paalde tijd na inreis zonder geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot afgifte van een bewijs waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, aan de vreemdeling worden verstrekt. Indien de aanvraag wordt ingediend door middel van een brief die de bewoordingen van het toepasselijke formulier volgt en die alle daarbij gevraagde gegevens omvat, wordt deze – met inachtneming van de overige vereisten – in behandeling genomen.
In [artikel 3.101 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de plaats waar de aanvraag dient te worden ingediend.
Hoofdregel: De aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend bij de IND (zie [artikel 4:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:1), in samenhang met [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a)).
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
Door de IND-ambtenaar dient de identiteit van de vreemdeling te worden vastgesteld aan de hand van de vereiste brondocumenten zoals aangegeven in de GBA-wetgeving en, indien voorhanden, het Bewijs van Bekendmaking. De vreemdeling legt hiertoe gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit en, indien voorhanden, het Bewijs van Bekendmaking. Indien er een Bewijs van Bekendmaking door de burgermeester waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is afgegeven zijn de hierop vermelde persoonsgegevens leidend.
Bij de indiening van de aanvraag legt de vreemdeling een geldig document voor grensoverschrijding over en verstrekt hij, voorzover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden waarmee wordt aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan (zie [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2), [artikel 3.102, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102)). Uitgangspunt is dat de vreemdeling een volledig onderbouwde aanvraag indient. De vreemdeling kan zich voor het indienen van de aanvraag op de hoogte stellen welke gegevens benodigd zijn, door telefonisch of schriftelijk informatie op te vragen, of de vreemdelingenregelgeving dan wel een van de voorlichtingsbrochures te raadplegen. Ook kan hij zich in Nederland met de IND in verbinding stellen. In het buitenland kan hij informatie vragen bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in zijn land van domicilie.
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, legt hij, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over, waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
In dat geval legt hij tevens gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
Indien de gegevens of bescheiden in een vreemde taal, anders dan de Franse, Duitse of Engelse taal, zijn gesteld, dient tevens een vertaling (in het Nederlands, Frans, Duits of Engels) te worden verschaft.
De vertaling dient te zijn opgesteld door een bij een Nederlandse rechtbank beëdigde tolk/vertaler.
Aan vreemdelingen van twaalf jaar en ouder die een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen wordt een antecedentenverklaring ter ondertekening voorgelegd (zie [bijlage 12 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12)). Burgers van de EU en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, mag geen antecedentenverklaring ter ondertekening worden voorgelegd. Hetzelfde geldt voor onderdanen van de EER en Zwitserland en hun familieleden. Voor specifieke bepalingen ten aanzien van de vreemdeling die de Belgische of Luxemburgse nationaliteit bezit wordt verder verwezen naar B10/6.1.2.
De originele door de vreemdeling ondertekende antecedentenverklaring(en) wordt/worden zorgvuldig bewaard in de administratie van de IND.
De vreemdeling die de antecedentenverklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verschaft gegevens en bescheiden met betrekking tot zijn antecedenten.
De vreemdeling draagt zorg voor de legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen (zie B2).
### 9.7.7. Bekendmaking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 9.7.3. Beslistermijn
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
De vreemdeling kan bij de burgemeester van de gemeente waar hij zijn woon- of verblijfsplaats heeft een Bewijs van Bekendmaking verkrijgen. Het Bewijs van Bekendmaking kan door de burgemeester worden afgegeven in het kader van de inschrijving in de GBA. Ook zonder in het bezit te zijn van een Bewijs van Bekendmaking kan de vreemdeling bij het IND-loket een aanvraag indienen.
Door de IND-ambtenaar dient de identiteit van de vreemdeling te worden vastgesteld aan de hand van de vereiste brondocumenten zoals aangegeven in de GBA-wetgeving en, indien voorhanden, het Bewijs van Bekendmaking. De vreemdeling legt hiertoe gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit en, indien voorhanden, het Bewijs van Bekendmaking. Indien er een Bewijs van Bekendmaking door de burgermeester waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is afgegeven zijn de hierop vermelde persoonsgegevens leidend.
### 9.4.1. Verlenging verblijfsvergunning regulier (on)bepaalde tijd
### 9.6. Leges
### 9.5. De aanvraag vervanging of vernieuwing verblijfsdocument
### 9.7.7.2. Weigering verlenging en wijziging beperking
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 10.2.1. Tijdig indienen bezwaarschrift of (administratief) beroep
### 9.7.7.3. Intrekking van de vergunning tot verblijf voor bepaalde tijd
Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt en – voor zover sprake is van een aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning – tegen inlevering van het oude verblijfsdocument of tegen overlegging van (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing van het oude verblijfsdocument. De IND-ambtenaar ziet erop toe dat de vreemdeling in persoon, en bij minderjarigheid in bijzijn van zijn wettelijk vertegenwoordiger, het verblijfsdocument in ontvangst neemt.
Ook indien het verblijfsdocument waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, nog niet is verstrekt, is er vanaf de bekendmaking van de beschikking sprake van rechtmatig verblijf.
Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingevolge [artikel 3.33a, vierde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a) bij een kantoor van de IND wordt ingediend, is het bepaalde in B1 onverkort van toepassing voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.
Na betaling van de verschuldigde leges vraagt de IND-ambtenaar aan de vreemdeling – voor zover zulks niet reeds blijkt uit het ingevulde aanvraagformulier – op welke mvv-vrijstellingsgrond hij zich beroept dan wel op welke gronden betrokkene meent dat sprake is van een zodanig bijzonder geval dat vasthouden aan het mvv-vereiste zou getuigen van een bijzondere hardheid (de hardheidsclausule ex [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71)) indien en voor zover betrokkene zich daarop beroept. Conform het bepaalde in B1/4.1.1 dient betrokkene reeds bij het indienen van de aanvraag het verzoek om mvv- vrijstelling met feiten en omstandigheden te onderbouwen en van die feiten en omstandigheden tenminste een begin van bewijs te leveren. Indien de aangevoerde feiten en omstandigheden reeds op voorhand niet kunnen leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste, zal de IND-ambtenaar direct ter plaatse een afwijzende beschikking uitreiken aan betrokkene. Indien de aangevoerde feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, zal de vreemdeling in de gelegenheid worden gesteld het beroep op de mvv-vrijstelling (alsnog) nader te onderbouwen met bescheiden of anderszins.
Indien de aanvraag niet meteen ter plaatse kan worden afgedaan omdat nader onderzoek aangewezen is, zal de IND-ambtenaar de vreemdeling de Sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) verstrekken ten bewijze van het feit dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gedurende de behandeling van de aanvraag.
De IND-ambtenaar maakt tevens ten behoeve van de aanvrager een kopie van de pagina van het aanvraagformulier waarop de persoonsgegevens van de aanvrager alsmede diens handtekening staan vermeld. Deze kopie wordt gewaarmerkt en vervolgens overhandigd aan de vreemdeling. Voor zover de vreemdeling nog geen onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen heeft ondergaan en hij daarvan evenmin is vrijgesteld, verwijst de IND-ambtenaar de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD met gebruikmaking van het TBC-formulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)).
Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking verband houdend met studie aan het hoger onderwijs of voorbereidend jaar door tussenkomst van een instelling voor hoger onderwijs bij een kantoor van de IND wordt ingediend, is het bepaalde in B1 onverkort van toepassing voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking studie aan het hoger onderwijs of een voorbereidend jaar kan door de vreemdeling schriftelijk, door tussenkomst van de instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in [artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a), worden ingediend bij de IND. De vreemdeling vult met hulp van de onderwijsinstelling het aanvraagformulier in en ondertekent de aanvraag. De onderwijsinstelling stuurt het aanvraagformulier door naar de IND. Als voorwaarde hiervoor geldt dat de instelling voor hoger onderwijs een convenant heeft afgesloten met de IND.
Het onvermogen met betrekking tot legesbetaling dient bij de indiening van de aanvraag te worden aangetoond aan de hand van bewijsstukken. De vreemdeling dient te overleggen een inkomensverklaring van de raad voor rechtsbijstand op grond van [artikel 7, derde lid, onder e, Wet op de rechtsbijstand](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006368&artikel=7), ten behoeve van de hoofdpersoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt. Ook dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat noch hij noch de hoofdpersoon op korte termijn in het bezit zullen raken van financiële middelen waarmee de verschuldigde leges kunnen worden voldaan, waarbij ook aannemelijk moet worden gemaakt dat daartoe evenmin een beroep gedaan kan worden op familieleden of in aanmerking komende derden.
Indien de vreemdeling bij het doen van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming een beroep op vrijstelling van de leges doet maar niet heeft aangetoond niet te (kunnen) beschikken over financiële middelen om de verschuldigde leges te betalen, wordt hem herstel verzuim geboden zodat hij dat alsnog kan aantonen en wordt hem tegelijkertijd de gelegenheid geboden om de verschuldigde leges te voldoen. Indien de vreemdeling niet alsnog heeft aangetoond dat hij de verschuldigde leges niet kan betalen en evenmin leges heeft betaald, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Indien voornoemde stukken zijn overgelegd en de beoordeling ervan tot het oordeel leidt dat de vreemdeling, ook niet met behulp van derden, in staat is, noch op korte termijn in staat zal zijn, om de verschuldigde leges te voldoen, wordt de aanvraag in behandeling genomen zonder dat de vreemdeling leges is verschuldigd. Ook geldt de mogelijkheid van vrijstelling van leges in het geval van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning van de vreemdeling die verblijf heeft onder de beperking ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM’ en die bij de aanvraag om het verlengen van de verblijfsvergunning aantoont dat hij vanaf de datum van het verlenen van de verblijfsvergunning alles in het werk heeft gesteld om over voldoende middelen te beschikken.
De volgende categorieën vreemdelingen zijn vrijgesteld van de verplichting om leges te voldoen ter afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Het betreft niet-geprivilegieerd militair en niet-geprivilegieerd burgerpersoneel en hun gezinsleden, alsmede slachtoffers van mensenhandel en hun minderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en daartoe reeds in het land van herkomst feitelijk behoorden en die onder het gezag van de hoofdpersoon staan, alsmede slachtoffers van dreigend eergerelateerd geweld en hun minderjarige kinderen. Tevens zijn vrijgesteld vreemdelingen die blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning in het kader van het buiten de schuld van de vreemdeling niet kunnen vertrekken uit Nederland, dan wel voor een verblijfsvergunning voor een ander verblijfsdoel dan genoemd [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4); de vreemdeling die een aanvraag in dient in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel of als slachtoffer van huiselijk geweld onder de beperking ‘conform beschikking Minister’ en zijn minderjarige kinderen.
Daarnaast zijn vreemdelingen die op grond van Richtlijn 2001/55 de status van tijdelijk beschermde hebben ontheven van de legesplicht in het geval deze vreemdeling een aanvraag doet tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige.
Het legestarief ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is vastgelegd in de aanhef van [artikel 3.34d VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34d), ongeacht de gevraagde duur van de verlenging en ongeacht de leeftijd van de vreemdeling. De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor studie is vastgelegd in artikel 3.34d, onder a, VV. Artikel 3.34d, onder b, VV bepaalt de leges in het geval van aanvragen tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor gezinshereniging met de beperking ‘(verruimde) gezinshereniging bij ouder(s)’.
De toepassing van het gezinstarief bij verlengingsaanvragen is niet afhankelijk van de vraag of er sprake is van meerdere gelijktijdig ingediende aanvragen. Alle – individueel ingediende – verlengingsaanvragen voor het verblijfsdoel gezinshereniging, met de beperking ‘(verruimde) gezinshereniging bij ouder(s)’, komen voor het gezinstarief in aanmerking.
De leges ter zake van de afdoening van de aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning regulier voor het doorbrengen van verlof, van werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat, is vastgelegd in [artikel 3.34d, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34d).
### 9.7.3. Beslistermijn
Indien de verschuldigde leges ter afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet of niet volledig zijn betaald, meldt het CJIB dit aan de IND na het verstrijken van de betalingstermijn.
De legesplichtige vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in het kader van de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet, dient de leges in persoon aan een loket van de IND te voldoen.
Het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan pas worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke heeft gesteld (zie [artikel 6:12, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). Het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12, eerste lid, Awb) is niet aan een termijn gebonden, met dien verstande dat bij een onredelijk late indiening een niet-ontvankelijk verklaring kan volgen (artikel 6:12, vierde lid, Awb). Tenzij de beslistermijn is opgeschort (op grond van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) of [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15)), bedraagt de termijn waarbinnen een beschikking op een aanvraag omtrent een verblijfsvergunning regulier moet worden gegeven zes maanden. Voor mvv-aanvragen is er geen wettelijke beslistermijn. De beslissing moet genomen worden binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt drie maanden. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht ([artikel 4:14 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) en B1/1).
De beslissing op een administratief beroepschrift moet binnen zestien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, worden genomen ([artikel 7:24, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:24)). De beslissing op een administratief beroepschrift kan met tien weken worden verdaagd (artikel 7:24, vierde lid, Awb). Dat moet schriftelijk (artikel 7:24, zevende lid, Awb) en behoeft geen instemming van de vreemdeling. Verdere uitstel dan met die tien weken kan uitsluitend voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener van het beroepschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, of als dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (artikel 7:24, zesde lid, Awb). Omdat besluiten omtrent de verlening, verlenging en intrekking van verblijfsvergunningen, alsmede afwijzing van aanvragen altijd namens de Minister worden genomen, staat daartegen geen administratief beroep, maar bezwaar open.
Een beroepschrift wordt in tweevoud ingediend bij de rechtbank te 's-Gravenhage. Daarbij wordt een afschrift van het bestreden besluit overgelegd. Beroep kan slechts worden ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger (de ouder die de ouderlijke macht heeft, de voogd of de curator), zijn bijzondere gemachtigde, of een advocaat, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gemachtigd ([artikel 70, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=70)). Indien de vreemdeling rechtens zijn vrijheid is ontnomen, kan beroep worden ingediend door middel van een schriftelijke verklaring als bedoeld in [artikel 451a WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=451a), die de vreemdeling doet toekomen aan het hoofd van de inrichting waar hij is gedetineerd.
Dit hoofdstuk ziet niet op gezinshereniging tussen of met gemeenschapsonderdanen. Daarop is B10 van toepassing.
Bij inwilliging van de aanvraag om afgifte van een mvv dient de vreemdeling erop te worden gewezen dat hij zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland in het kader van het vreemdelingentoezicht dient aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met gezinshereniging dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND.
Het betreft de volgende categorieën:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling of de hoofdpersoon de eenentwintigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt, tenzij:
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
### 2.8. Openbare orde beleid
Indien de hoofdpersoon arbeid in het kader van de Wsw verricht en aanspraak kan maken op een uitkering krachtens de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656), [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), of [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657), wordt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aangenomen indien aan de voornoemde voorwaarden wordt voldaan.
Naast de vermelding van de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bevat deze verklaring een advies van de Korpschef aan de ambtenaar van de burgerlijke stand met het oog op diens beslissing om al dan niet medewerking te verlenen aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte/aangifte van registratie van een partnerschap dan wel de huwelijksvoltrekking/partnerschapsregistratie. Deze verklaring heeft een geldigheidsduur van zes maanden. De IND verschaft de vreemdelingenpolitie schriftelijk informatie omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling, voor zover de vreemdelingenpolitie niet zelf de beschikking heeft over die informatie.
### 4. Het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap
Om er zorg voor te dragen dat de Korpschef alle van belang zijnde feiten bij zijn advies aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken betrekt, dienen betrokkenen bij het invullen van het model M46-A een uittreksel uit de GBA over te leggen ([artikel 28 Besluit Burgerlijke Stand 1994](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006493&artikel=28)). Dit uittreksel bevat onder meer historische huwelijks- en adresgegevens en wordt met de modellen M46-A en M46-B (waarop zowel door de ambtenaar van burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken als door de IND een aantal gegevens zijn ingevuld) aan de Korpschef gestuurd, die het uittreksel vervolgens tezamen met zijn advies retourneert aan de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken.
In alle gevallen waarin de Korpschef een verklaring afgeeft, informeert de ambtenaar van de burgerlijke stand/GBA-ambtenaar door tussenkomst van de IND de vreemdelingenpolitie over zijn beslissing via deel C: terugmeldformulier. Wordt tegen de weigering beroep ingesteld bij de rechter, dan informeert de desbetreffende ambtenaar, nadat de rechterlijke beschikking kracht van gewijsde heeft gekregen, de Korpschef door tussenkomst van de IND over de beslissing van de rechter met behulp van deel D model M46-D: afloopbericht procedure schijnhuwelijken.
Stuiting is het recht om zich te verzetten tegen de sluiting van een huwelijk of de registratie van een partnerschap. Op grond van [artikel 53 lid 3 Boek 1 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=53) is het OM bevoegd om een voorgenomen huwelijk of geregistreerd partnerschap te stuiten wegens strijd met de openbare orde, indien het huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aangegaan met het oog op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor Nederland van één van de aanstaande echtgenoten of geregistreerde partners. Voordat tot stuiting wordt overgegaan, verzamelt het OM de hiervoor benodigde informatie. Een kopie van deel B en overige waarnemingen van de Korpschef spelen hierbij een belangrijke rol.
### 4. Het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap
### 5.5.3. Correctie van de geboortedatum
Op grond van [artikel 16, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Het beschikken over een geldige mvv is een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland. De verplichting om voor de komst naar Nederland een mvv aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid hier te lande voor een voldongen feit te worden geplaatst (zie voor de algemene afwijzingsgronden en bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [artikel 3.13 tot en met 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13)).
De aanvraag om afgifte van een mvv leidt bij inwilliging tot afgifte van een Dvisum. Met dit D-visum mag de vreemdeling in een periode van drie maanden binnen zes maanden op het grondgebied van de lidstaten circuleren.
In [artikel 17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) en [artikel 3.71 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) is een aantal categorieën aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. Deze categorieën zijn verder uitgewerkt onder B1/4.1.1.
De mvv is in [artikel 1, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) als volgt omschreven: het bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst, het land van bestendig verblijf of, bij gebreke daarvan, het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd, dan wel bij het Kabinet van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen(lees: Kabinet van Gouverneur van Curaçao of het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten) of het Kabinet van de Gouverneur van Aruba aldaar, door de vreemdeling in persoon aangevraagde en aldaar door die vertegenwoordiging of dat Kabinet na voorafgaande machtiging van de Minister van BuZa afgegeven visum voor een verblijf van langer dan drie maanden.
Een vreemdeling die zich naar Nederland wil begeven voor een verblijf van langer dan drie maanden moet in beginsel in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding voorzien van een geldige mvv, welke hij in persoon heeft aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf. Als in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, kan de mvv worden verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd of door het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten. De mvv moet hem aldaar in persoon zijn verstrekt door die vertegenwoordiging of dat kabinet.
Indien in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, dient de mvv in persoon te worden aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd. Aldaar zal vervolgens de mvv in persoon aan de vreemdeling worden verstrekt.
Een land van bestendig verblijf is een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel.
De algemene uitgangspunten dat het verblijf rechtmatig moet zijn (naar maatstaven van het betreffende land) en voor een periode langer dan drie maanden, zijn hierop steeds van toepassing. Indien naar het oordeel van de Minister het handhaven van de termijn van meer dan drie maanden rechtmatig verblijf tot onredelijke gevolgen zal leiden, kan in voorkomende gevallen een kortere termijn volstaan, mits geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure dan wel het oneigenlijk gebruik daarvan.
In ieder geval zal geen bestendig verblijf worden aangenomen indien de vreemdeling in het bezit is van een toeristen- of zakenvisum.
Het aantonen van bestendig verblijf zal steeds dienen te geschieden aan de hand van officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft. Uit deze documenten zal telkens moeten blijken dat de vreemdeling aldaar rechtmatig verblijft, en voor welke periode. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de vreemdeling. Indien daartoe voldoende concrete aanleiding bestaat, kan nader onderzoek worden ingesteld naar de redenen om vanuit dit derde land, niet zijnde het land van herkomst, verblijf in Nederland te vragen. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen wanneer binnen zeer korte tijd nadat in dit derde land om verblijf aldaar is gevraagd, de vreemdeling een aanvraag voor verblijf hier te lande indient, via de mvv-procedure. Niet is het de bedoeling dat zo op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van de mvv-procedure. Hierbij kan met name gedacht worden aan mvv-aanvragen ingediend in de Nederland in ruime zin omringende landen, zoals de lidstaten van de EU. Van geval tot geval zal worden bezien of de uitkomst van het onderzoek aanleiding biedt dit tegen te werpen in de procedure en de afgifte van de mvv te weigeren.
De aanvraag tot het verlenen van een mvv van een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft wordt afgewezen (zie REK-uitspraak van 16 maart 1995; RV 1995, 44). De mvv wordt verleend om legale binnenkomst in Nederland mogelijk te maken voor een vreemdeling die verblijf langer dan drie maanden in Nederland beoogt. Een mvv kan niet worden verleend om de binnenkomst in Nederland achteraf te legaliseren. Indien de vreemdeling op grond van [artikel 8, aanhef en onder f, dan wel h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijft, wordt de aanvraag tot het verlenen van een mvv eveneens afgewezen.
Indien de vreemdeling op grond van [artikel 8, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verblijft gedurende de vrije termijn en er sprake is van een aanvraag tot het verlenen van een mvv, staat zulks niet noodzakelijk aan een inhoudelijke beoordeling van deze aanvraag in de weg. Uit de lengte van de periode waarin en het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland verblijft, moet wel blijken dat dit verblijf in Nederland niet gericht is op het omzeilen van het vereiste van een mvv.
De mvv is een nationaal visum. De bevoegdheid tot afgifte van een mvv ligt bij de Minister van BuZa. De Minister van BuZa heeft in een groot aantal gevallen van zijn bevoegdheid mandaat verleend aan het Hoofd van de Visadienst. Als Hoofd van de Visadienst is aangewezen het Hoofd van de IND. Uit de besluiten zal altijd moeten blijken dat het gaat om een bevoegdheid van de Minister van BuZa. Alle beslissingen ten aanzien van mvv’s dienen steeds namens de Minister van BuZa te worden genomen. De mvv kan worden afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland na voorafgaande machtiging van de Visadienst van het Ministerie van BuZa.
Er is voor mvv-aanvragen geen wettelijke beslistermijn. Ingevolge [artikel 4:13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:13) juncto [4:14 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) dient binnen een redelijke termijn te worden beslist. Een termijn van drie maanden wordt redelijk geacht. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht (zie artikel 4:14 Awb). De [Algemene Termijnenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002448) is van toepassing (zie B1/10.2.1).
Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde verzoeken om een advies in verband met een door de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een mvv (referentprocedure). Het verzoek om advies wordt gericht aan de Visadienst. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv niet in Nederland te bevinden. Het oordeel van de Visadienst op het verzoek om advies is geen beslissing in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Tegen een dergelijk oordeel staan dan ook geen rechtsmiddelen open. De vreemdeling, ten behoeve van wie een referentprocedure is gevoerd en voor wie aldus een oordeel van de Visadienst is ingewonnen, kan, indien hij in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.
Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde verzoeken om een advies in verband met een door de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een mvv (referentprocedure). Het verzoek om advies wordt gericht aan de Visadienst. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv niet in Nederland te bevinden. Het oordeel van de Visadienst op het verzoek om advies is geen beslissing in de zin van de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537). Tegen een dergelijk oordeel staan dan ook geen rechtsmiddelen open. De vreemdeling, ten behoeve van wie een referentprocedure is gevoerd en voor wie aldus een oordeel van de Visadienst is ingewonnen, kan, indien hij in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.
Indien er door de IND een, na achteraf blijkt, onterecht negatief advies is afgegeven, kan dit advies in geen geval worden ingetrokken en worden omgezet in een positief advies. Er zal altijd een nieuw verzoek om advies ingediend moeten worden. Indien er een evident onterecht negatief advies is afgegeven kan bij de toetsing van het nieuwe verzoek om advies het eerder afgegeven onterechte advies worden meegenomen en zal worden bezien of de negatieve gevolgen van het eerdere advies hersteld kunnen worden. Dit kan er toe leiden dat er gebruik zal worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een mvv of een verzoek om advies, wordt betrokkene respectievelijk referent door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging respectievelijk de Visadienst desgevraagd geïnformeerd welke documenten en gegevens in elk geval dienen te worden verstrekt. Hierbij wordt in het algemeen gebruikgemaakt van gestandaardiseerde brieven ‘voorwaarden en bescheiden’.
In het kader van de aanvraagprocedure bestaan van de brieven ‘voorwaarden en bescheiden’ voor de meest voorkomende verblijfsdoelen twee brieven, te weten een brief waarin vermeld staat wat betrokkene dient te overleggen en een brief waarin vermeld staat wat de referent dient te overleggen. In het kader van de adviesprocedure bestaat één brief waarin vermeld staat wat betrokkene dient te overleggen.
In het formulier, waarmee de referent verzoekt om advies, zijn de door de referent te overleggen documenten en gegevens vermeld. Dit model wordt door Hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld.
Voor de referent kan dan ook bij de adviesprocedure worden volstaan met dit model.
Voor ieder verblijfsdoel bestaan derhalve in totaal drie brieven. In aanvulling hierop kan betrokkene respectievelijk de referent schriftelijk worden verzocht aanvullende gegevens of bescheiden te verschaffen. Indien betrokkene niet beschikt over een referent, dient hij zelf alle voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te overleggen.
De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient in beginsel altijd in persoon te worden ingediend. Voorts worden de verschuldigde leges (zie voor vrijstelling van het legesvereiste [artikel 3a, Regeling op de Consulaire Tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a) en [A2/4.3.5](onbekend)) voldaan, en toont de vreemdeling zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of betrokkene de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd.
De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient altijd in persoon te worden ingediend. Voorts toont de vreemdeling zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de vreemdeling de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging beziet in dit verband of de overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd en informeert de Visadienst hierover.
Voor zover de door de vreemdeling te verstrekken gegevens en bescheiden moeten worden aangevuld, wordt hij eenmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen vier weken aan te vullen. De aanvrager wordt gevraagd of hij zelf de verschuldigde leges zal voldoen of dat zijn referent dit zal doen. Als de aanvrager aangeeft de leges zelf te zullen voldoen, krijgt hij een brief met aanwijzingen inzake de betaling van de leges op een daartoe bestemde bankrekening van de IND in Nederland. De betalingstermijn bedraagt drie weken. Voorts wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de mvv. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de Visadienst, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden. Zijn de leges na de termijn van drie weken niet voldaan dan kan de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt hiervan op de hoogte gesteld.
In voorkomende gevallen kan betrokkene tevens worden verzocht zich nogmaals in persoon bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te melden teneinde een mondelinge toelichting op zijn aanvraag te geven.
Na ontvangst van de aanvraag gaat de Visadienst aan de hand van de door betrokkene verstrekte gegevens na of een (in Nederland woonachtige) referent bekend is. Als dat het geval is, dan wordt (behoudens bijzondere omstandigheden) de referent, in het geval de aanvrager heeft aangegeven dat de referent de leges zal voldoen, door de Visadienst schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken de leges te voldoen en om de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Als de leges door de aanvrager worden voldaan, wordt de referent alleen in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de Visadienst of de leges zijn voldaan en of de gevraagde documenten zijn overgelegd, en of deze documenten in orde zijn. Zonodig vindt onderzoek plaats naar de inhoud of authenticiteit van de overgelegde stukken.
In eerste instantie zal de Visadienst zoveel als mogelijk zelfstandig de juistheid van de door de vreemdeling en/of referent aangeleverde informatie nagaan. Eerst nadat twijfel is gerezen over de juistheid van de verkregen informatie, documenten of anderszins en de Visadienst niet de aangewezen instantie is om het benodigde nader onderzoek te verrichten, kan nader onderzoek worden ingesteld bij een derde (bijvoorbeeld het Nederlands Forensisch Instituut, de vreemdelingenpolitie of een buitenlandse instantie). In voorkomende gevallen kan de referent worden verzocht zich in persoon bij de Visadienst te melden teneinde een mondelinge toelichting op de aanvraag te geven.
De Visadienst besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de mvv af te geven. Voor de behandeling van de mvv-aanvraag hanteert de Visadienst een redelijke termijn van drie maanden.
In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een mvv af te geven. De Visadienst stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt betrokkene uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de mvv. Betrokkene dient zijn document voor grensoverschrijding mee te brengen, zodat de mvv in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling dient binnen zes maanden na de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door de Visadienst te verschijnen voor de afgifte van de mvv (zie B1/1.2).
Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de Visadienst de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan betrokkene. Referent ontvangt een afschrift van de beschikking. Indien zowel de referent als betrokkene zich beiden in het buitenland bevinden, kan door betrokkene een mvv worden aangevraagd. De hoofdpersoon dient dan wel aan te tonen dat hij na binnenkomst in Nederland zal beschikken over voldoende middelen van bestaan. Indien voorts aan alle voorwaarden wordt voldaan, behoudens inschrijving in de GBA, kan worden overgegaan tot afgifte van de mvv. Het is van belang dat direct na binnenkomst in Nederland inschrijving in de GBA plaats vindt. Dit dient te gebeuren alvorens tot afgifte van een verblijfsvergunning kan worden overgegaan.
### 1.1.2. Verzoek om advies
Indien de referent bij het indienen van het verzoek om advies niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend.
Deze beleidsregel heeft een tijdelijk karakter. Deze overgangsregeling wordt uitsluitend toegepast indien de referent een nieuw verzoek om advies indient omtrent de afgifte van een mvv dan wel de vreemdeling een aanvraag indient tot het verlenen van een mvv, gedurende de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat dit voor hetzelfde verblijfsdoel moet zijn als waarvoor het eerdere verzoek om advies is ingediend, tenzij de wijziging van het verblijfsdoel dermate gering is, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken (zie [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100)).
Als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan, wordt alsnog een (positief advies omtrent afgifte van een) mvv afgegeven:
Dergelijke onder 3 bedoelde bijzondere omstandigheden doen zich in ieder geval voor in de volgende situaties:
De onder 3 bedoelde bijzondere omstandigheden doen zich, met inachtneming van het bovenstaande onder a tot en met d, niet voor in de situatie waarin enkel door tijdsverloop de situatie van de vreemdeling zodanig is gewijzigd dat strikt genomen niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. Hiervan is in ieder geval in de volgende gevallen sprake:
Een bijzondere categorie waarvoor wordt voorzien in een permanente regeling, betreft de zogeheten nareizers, die binnen drie maanden nadat een familielid een zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, deze hoofdpersoon nareizen. Zij komen dan in beginsel ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De wijze waarop deze nareis vorm moet krijgen is neergelegd in [C2/6](onbekend). Daarin is bepaald dat de aanvraag om verlening van een mvv wordt aangemerkt als begin van de nareis. Voor de uitspraak van 12 januari 2004 betrof dit zowel de aanvraag op de post als het verzoek om advies door de referent.
### 1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student
De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan slechts worden afgegeven na voorafgaande machtiging door de Visadienst van het Ministerie van BuZa, ondergebracht bij de IND. Deze machtiging is zes maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de Minister van BuZa om een mvv te verstrekken. Binnen die zes maanden moet de vreemdeling de machtiging in ontvangst hebben genomen. Indien de vreemdeling zich niet binnen zes maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Indien de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die zes maanden, heeft de vreemdeling vervolgens zes maanden de tijd om vanaf datum afgifte van de mvv naar Nederland te reizen.
Alvorens de ambassade tot afgifte van de mvv overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. Betrokkene dient zijn identiteit genoegzaam aan te tonen.
Deze beleidsregel heeft een tijdelijk karakter. Deze overgangsregeling wordt uitsluitend toegepast indien de referent een nieuw verzoek om advies indient omtrent de afgifte van een mvv dan wel de vreemdeling een aanvraag indient tot het verlenen van een mvv, gedurende de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat dit voor hetzelfde verblijfsdoel moet zijn als waarvoor het eerdere verzoek om advies is ingediend, tenzij de wijziging van het verblijfsdoel dermate gering is, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken (zie [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100)).
Uit de systematiek van de wet volgt dat het ontbreken van een mvv geen betekenis heeft bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. In die gevallen waarin een vreemdeling eerst een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daarna tevens een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, wordt ten aanzien van de asielaanvraag het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Voor de reguliere aanvraag die hangende de asielprocedure wordt ingediend, wordt het mvv-vereiste evenwel onverkort gehandhaafd.
Een geval waarin bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst inmiddels niet langer garantie biedt voor duurzame inkomsten, wordt niet aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid die tot het alsnog weigeren van verblijf leidt. Dit is anders wanneer de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd en niet op andere wijze is gebleken van voldoende middelen van bestaan. De middelen van bestaan dienen in ieder geval zelfstandig verworven en voldoende hoog te zijn. Wanneer een nieuw verzoek of een nieuwe aanvraag op of na 1 april 2004 wordt ingediend, zal getoetst worden naar analogie van het overgangsrecht van [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116), ook al is dat artikel sinds die datum niet langer toepasbaar. Benadrukt wordt dat deze analoge toepassing enkel in het kader van deze overgangsregeling geldt.
Voor bedrijven, onderwijsinstellingen (hieronder begrepen: onderzoeksinstellingen) en culturele uitwisselingsorganisaties bestaat onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure. Wanneer een bedrijf, onderwijsinstelling of culturele uitwisselingsorganisatie tot de verkorte mvv-procedure is toegelaten, kunnen verzoeken om advies via deze procedure versneld worden afgedaan. De IND kan deze faciliteit verlenen, maar ook – bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan – weer intrekken.
Uit de aard van de verkorte mvv-procedure volgt dat deze procedure uitsluitend is bedoeld voor verzoeken om advies waarbij criteria gelden die duidelijk en eenvoudig (en daardoor snel) te toetsen zijn. Daarom is de verkorte mvv-procedure alleen mogelijk voor verzoeken om advies in het kader van arbeid in loondienst (inclusief stage), (de voorbereiding op) studie (uitsluitend hoger onderwijs) en culturele uitwisseling. Uitzondering betreft het verzoek om advies, onder bepaalde voorwaarden, in het kader van gezinshereniging (zie B1/1.5.5).
### 1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
### 1.5.1.2. Voorwaarden voor onderwijsinstellingen
### 1.5.1.3. Voorwaarden voor culturele uitwisselingsorganisaties
### 1.5.2.1. Toelating
Daartoe wordt een convenant gesloten. Het bedrijf/de instelling/ het au pair bureau wordt bij toelating tot de verkorte mvv-procedure expliciet gewezen op de geldende voorwaarden binnen de verkorte mvv-procedure. Indien niet aan de voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure wordt voldaan, volgt een gemotiveerde afwijzing van het verzoek.
Het convenant bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding en is voor een bedrijf/ instelling geldig voor de duur van één jaar. Jaarlijks wordt door de IND het functioneren van het bedrijf/de instelling binnen de verkorte mvv-procedure (en daarmee de wenselijkheid van handhaving) beoordeeld. Bij twijfel kan (opnieuw) een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel worden gevraagd. Na een positieve beoordeling wordt de toestemming deel te nemen aan de verkorte mvv-procedure stilzwijgend voortgezet. Bij de derde verlenging volgt schriftelijke toestemming voor onbepaalde tijd. Ook in dit convenant wordt uitdrukkelijk opgenomen dat het bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan, kan worden opgezegd.
### 1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
### 1.5.2.3. Beëindiging
### 1.5.1.3. Voorwaarden voor culturele uitwisselingsorganisaties
### 1.5.3. Beoordeling van individuele verzoeken om advies
### 1.5.3.1. Beslissing
### 1.5.2.2. Geldigheidsduur
Verzoeken om een mvv in het kader van gezinshereniging kunnen niet via de verkorte mvv-procedure worden afgehandeld. Dit lijdt slechts uitzondering indien:
Het gelijktijdig afdoen van de aanvraag van gezinsleden via de verkorte mvv-procedure, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:
### 1.5.3. Beoordeling van individuele verzoeken om advies
Voor gezinsleden gelden daarnaast de algemene toepasselijke beleidsvoorwaarden, waaronder de legalisatie en verificatie van documenten (zie B2/7).
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
In [artikel 14, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) is de bevoegdheid neergelegd van de Minister voor I&A om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt slechts gebruik gemaakt indien schending van het familie-, gezins- of privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM aan de orde is.
Als regel van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) geldt dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) en [artikel 3.17a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve verleend kunnen worden). Dat geldt ook voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en tevens voor wijziging van een zodanige verblijfsvergunning.
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
Indien de vreemdeling verblijf vraagt voor een doel dat niet voorkomt in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) (en ook niet in de Vc) geldt het volgende:
Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie [artikel 3.4, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) en de desbetreffende materiehoofdstukken B2 en verder).
Ingevolge [artikel 4.21, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) wordt op het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, aangetekend of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een TWV is vereist.
Tussen de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) en de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) bestaat een nauwe samenhang. Toetreding tot de arbeidsmarkt wordt gereguleerd met de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Het algemene uitgangspunt in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV (zie [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2)).
### 2.2. Ingangsdatum
Deze arbeidsmarktaantekening wordt momenteel alleen gebruikt in het geval van een niet-geprivilegieerd NAVO-vreemdeling. Deze vreemdeling mag naast zijn werkzaamheden als NAVO-vreemdeling andere arbeid verrichten als daar een TWV voor is afgegeven. Het onderscheid met de hiervoor genoemde aantekening is erin gelegen dat de werkzaamheden van de NAVO-vreemdeling in loondienst plaatsvinden. Als de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ zou worden gebruikt, zou hiermee de indruk kunnen worden gewekt dat voor de werkzaamheden als NAVO-vreemdeling een TWV vereist zou zijn.
De achtergrond van dit besluit is gelegen in de ongewenste gevolgen die de voorheen geldende regeling bleek te hebben. In die situatie zouden werkgevers een TWV moeten aanvragen en bij weigering daarvan de vreemdeling moeten ontslaan, terwijl de vreemdeling nadien weer het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt zou (kunnen) verkrijgen. Ook uit oogpunt van het algemeen belang is het te verkiezen dat vreemdelingen, aan wie mogelijk voortzetting van het verblijf wordt toegestaan, beschikken over een werkkring waarmee zij in hun onderhoud (blijven) voorzien.
Op 5 december 1997 is het besluit van 14 november 1997 (Stb. 1997, 583) tot wijziging van het [Koninklijk Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) (Stb. 406) in werking getreden. Dit besluit heeft betrekking op vreemdelingen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Zij behouden hun vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zolang zij de beslissing op hun aanvraag om (voortzetting van het) verblijf met instemming van de Minister in Nederland mogen afwachten.
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
Het besluit van 14 november 1997 heeft uitdrukkelijk géén betrekking op vreemdelingen:
Bij vreemdelingen, die onder de werking van dit besluit vallen, dient in het paspoort of vergelijkbaar identiteitsdocument een sticker voor verblijfsaantekeningen ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) te worden aangebracht, met de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. Het is van belang dat de vreemdeling wordt gewezen op de rechten die voortvloeien uit deze aantekening.
Het is niet nodig dat de vreemdeling al in het bezit was van een werkkring. Deze werkkring kan namelijk ook op een later tijdstip gevonden worden. De vreemdeling dient echter zelf actief werk te zoeken, omdat bemiddeling via een arbeidsbureau in deze periode niet is toegestaan.
Verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is, wordt aangeduid als tijdelijk verblijfsrecht. De vraag of het verblijfsrecht al of niet tijdelijk van aard is, is alleen relevant zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). Deze verblijfsvergunning kan een tijdelijk en niet-tijdelijk verblijfsrecht impliceren. De tijdelijkheid van het verblijfsrecht heeft niets te maken met de omstandigheid dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor ten hoogste vijf jaren wordt verleend. De tijdelijkheid van het verblijfsrecht valt evenmin af te leiden uit het feit dat de verblijfsvergunning steeds onder een beperking wordt verleend.
[Artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) bevat de uitwerking van het uit de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voortvloeiende onderscheid tussen verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk dan wel niet-tijdelijk is. In [artikel 21, eerste lid, onderdeel f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) is neergelegd dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden afgewezen, indien het verblijfsrecht van de vreemdeling van tijdelijke aard is. In diverse regelingen worden gevolgen verbonden aan het onderscheid tussen verblijf dat naar zijn aard tijdelijk is en verblijf dat naar zijn aard niet-tijdelijk is. Een dergelijk onderscheid is onder meer aangebracht voor de vraag of de vreemdeling op grond van de [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) een inburgeringstraject moet doorlopen, waarbij een verplichting tot het doorlopen van een inburgeringstraject op grond van de [Wet inburgering nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) overigens niet in alle gevallen noodzakelijkerwijs meebrengt dat het verblijf naar zijn aard niet-tijdelijk is. Voorts kunnen vreemdelingen met verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is, niet tot Nederlander worden genaturaliseerd, aangezien er ten aanzien van hen in ieder geval bedenkingen zullen bestaan tegen het verblijf in Nederland voor onbepaalde duur als bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8), en de verlening van het Nederlanderschap de toepassing van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zou kunnen doorkruisen.
Verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is, wordt aangeduid als tijdelijk verblijfsrecht. De vraag of het verblijfsrecht al of niet tijdelijk van aard is, is alleen relevant zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). Deze verblijfsvergunning kan een tijdelijk en niet-tijdelijk verblijfsrecht impliceren. De tijdelijkheid van het verblijfsrecht heeft niets te maken met de omstandigheid dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor ten hoogste vijf jaren wordt verleend. De tijdelijkheid van het verblijfsrecht valt evenmin af te leiden uit het feit dat de verblijfsvergunning steeds onder een beperking wordt verleend.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geeft de houder ofwel tijdelijk verblijfsrecht ofwel niet-tijdelijk verblijfsrecht. Of het verblijfsrecht van de vreemdeling tijdelijk of niet-tijdelijk is, wordt uitsluitend bepaald door [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5). Is de verblijfsvergunning verleend onder een beperking genoemd in het tweede lid, dan is het verblijf van de vreemdeling tijdelijk van aard. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling als uitgangspunt niet-tijdelijk van aard.
Ingevolge [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van dat artikel. In dat geval wordt bij de verlening aangegeven of het daaruit voortvloeiende verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Blijft een dergelijke aanwijzing achterwege dan volgt uit [het derde lid van artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) dat het verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is.
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften tot het stellen van zekerheid worden verbonden. Met een voorschrift tot het stellen van zekerheid aan een verblijfsvergunning wordt op zich niet voldaan aan de algemene voorwaarde dat over voldoende middelen van bestaan moet worden beschikt. Het stellen van zekerheid ingevolge een voorschrift verbonden aan een verblijfsvergunning, moet in die zin worden onderscheiden van het stellen van zekerheid in verband met de vrije termijn.
Voorschriften tot het stellen van zekerheid worden niet verbonden aan verstrekking van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, in geval van vreemdelingen die behoren tot een van de in [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) genoemde categorie verblijfsgerechtigden (zie B10).
In de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) wordt telkens aangegeven of en zo ja welke voorschriften aan de verblijfsvergunning worden verbonden.
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen worden gegeven in de [artikelen 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.8), [3.9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.9), [3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.10) en [3.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.11).
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
De vreemdeling ontvangt na betaling een bevestiging. De betreffende ambtenaar van de IND wordt eveneens op de hoogte gesteld van het feit dat de waarborgsom is gedeponeerd.
Indien de vreemdeling zich in Nederland bevindt, vindt de terugbetaling van de waarborgsom en de uitbetaling van de toekomende rente bij voorschot plaats door de Minister. Het bedrag wordt door de IND gestort op het aldaar bekende bank- of girorekeningnummer van de vreemdeling. De vreemdeling wordt tevens bij brief bericht dat het bedrag is teruggestort.
Een aanvraag om wijziging of opheffing van het aan de verblijfsvergunning verbonden voorschrift tot het stellen van zekerheid komt voor inwilliging in aanmerking, indien op andere wijze zekerheid wordt gesteld of indien de redenen die hebben geleid tot het verbinden van het voorschrift aan de vergunning zijn vervallen.
De vreemdeling moet door middel van een schriftelijk bewijsstuk aantonen dat hij voldoende tegen ziektekosten verzekerd is.
Een voorschrift tot het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten (met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting) wordt aan de verblijfsvergunning verbonden.
Een voorschrift als hier bedoelt, kan aan de verblijfsvergunning worden verbonden bij verlening of (alsnog) bij verlenging van de geldigheidsduur daarvan.
De hoofdregels voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend of verlengd, is neergelegd in [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57).
Ingevolge [artikel 14, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren en worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Deze regels zijn neergelegd in de [artikelen 3.57 tot en met 3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57), [3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69) en [3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70).
De hoofdregels voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend of verlengd, is neergelegd in [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57).
Van deze hoofdregel wordt, afhankelijk van het verblijfsdoel, afgeweken in de [artikelen 3.58 tot en met 3.67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58), [3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69) en [3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70).
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) mogelijk is.
De ten aanzien van de geldigheidsduur geldende regels zijn opgenomen in de [artikelen 3.58 tot en met 3.67 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58).
Als de vreemdeling niet reeds bij het indienen van de aanvraag heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan, maar later, dan wordt bij het vaststellen van de geldigheidsduur uitgegaan van de latere datum waarop alsnog is aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan. Dat de vreemdeling niet reeds bij het indienen van de aanvraag heeft aangetoond aan alle voorwaarden te voldoen, heeft derhalve geen gevolgen voor de totale geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning. De totale geldigheidsduur blijft gelijk aan de geldigheidsduur zoals die zou gelden als reeds bij het indienen van de aanvraag aan alle geldende voorwaarden werd voldaan.
Ingevolge [artikel 3.67, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) alweer zou zijn geëindigd. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt indien op het moment van beoordeling door de IND de te verlenen of verlengen verblijfsvergunning nog minder dan drie maanden geldig zou zijn. In die gevallen wordt de te verlenen of verlengen verblijfsvergunning één jaar langer geldig gemaakt, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning zou zijn verstreken.
De bevoegdheid van [artikel 3.67, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) kan alleen worden gebruikt in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57). Deze bevoegdheid kan dan ook niet worden gebruikt om af te wijken van andere artikelen van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), zoals de [artikelen 3.59](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59), [3.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.65), [3.66](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.66), [3.69](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69), of [3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70). Evenmin wordt deze bevoegdheid gebruikt om de in het beleid neergelegde maximale verblijfsduren op te rekken (bijvoorbeeld de maximale verblijfsduur voor studenten, stagiaires, practicanten, onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers en vreemdelingen die arbeid in loondienst verrichten in het kader van een actieprogramma van de EU), of om de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te verlengen terwijl niet meer aan het verblijfsdoel of de voorwaarden wordt voldaan.
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) mogelijk is.
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien:
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) mogelijk is.
Alleen de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) kan worden afgewezen op grond van het ontbreken van een mvv. Dat betekent dat het ontbreken van een mvv geen betekenis heeft voor de beoordeling van de volgende aanvragen:
Het ontbreken van een mvv is evenmin van betekenis bij de vraag of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de volgende categorieën ambtshalve verleend kan worden:
De Turkse onderdaan van wie uitzetting in strijd is met de Associatieovereenkomst EG-Turkije, het Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), of het Associatiebesluit 1/80 omdat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’, kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt ingevolge [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:
Voor deze vrijstelling dient beoordeeld te worden of de vreemdeling, al dan niet onder voorwaarden, in staat is te reizen. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Hierbij wordt aangesloten bij B8/3.4. Voor de procedurele aspecten wordt in dit kader verwezen naar B8/3.
### 4.1. Mvv-vereiste
Het ontbreken van een mvv wordt evenmin tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Hierbij is van belang dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook indien een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van [artikel 29, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) en vervolgens in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor de beoordeling of sprake is van voortzetting van verblijf is dan niet van belang of de eerdere vergunning verlengd zou zijn of dat de vergunning na twee maanden is ingetrokken in verband met een wijziging in de situatie in het land van herkomst. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, ontvangen is (zie [artikel 3.82 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) en B1/5.1).
Geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag of het Consulaire verdrag. De verblijfsstatus van de hoofdpersoon is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt daarmee tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden. De afhankelijke gezinsleden die tien jaar of langer bij de hoofdpersoon in Nederland verblijven komen – evenals de hoofdpersoon – onder omstandigheden in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12).
Na beëindiging van de bijzondere geprivilegieerde status van de hoofdpersoon kan het voorkomen dat de geprivilegieerde hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Dit kan het geval zijn indien één of meer van de afhankelijke gezinsleden nog minderjarig is of als één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet minimaal tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op basis van een bijzondere geprivilegieerde status. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Deze vrijstelling houdt verband met het feit dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, het feit dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is verzocht en het feit dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Gelet hierop is het niet redelijk van deze afhankelijke gezinsleden een mvv te verlangen.
Personeelsleden van internationale organisaties en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status (de uitgezonden status) op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Deze personeelsleden en hun meerderjarige afhankelijke gezinsleden kunnen onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12). Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Onderdeel c ziet niet op de afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een internationale organisatie. Echter, ten aanzien van hen geldt evenzeer dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is verzocht en dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Daarom is evenmin redelijk van hen een mvv te verlangen. Daarmee wordt voor deze categorie toepassing gegeven aan [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71).
Onderdeel d ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie [artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34) en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het Continentaal Plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) en de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Dit onderdeel heeft betrekking op vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80. Deze zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het Associatiebesluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het Associatiebesluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de betrokken vreemdeling een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document, zoals een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een verblijfsvergunning kan het ontbreken van een geldige mvv hem niet worden tegengeworpen. In de meeste gevallen zal de desbetreffende werknemer echter verkeren in een situatie van voortzetting van verblijf of reeds op grond van enige andere vrijstelling van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat verblijfsrechten niet slechts uit artikel 6, maar ook uit enkele andere artikelen van het Associatiebesluit 1/80 kunnen voortvloeien.
De persoon die feitelijk in Nederland verblijft en bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek ingevolge [artikel 17, eerste lid, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet uitgezet indien dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de betrokkene, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, in afwachting van de beslissing op het verzoek. Gelet op het feit dat de verzoeken van deze personen niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot zijn en zij veelal lange tijd in Nederland verblijven voordat twijfels over de Nederlandse nationaliteit ontstonden, is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen en kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.
Dit onderdeel h is het gevolg van de implementatie per 15 februari 2005 van de Richtlijn 2001/55. Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn staan de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toe om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Daarbij mogen de lidstaten om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang geven aan EU-burgers en onderdanen van staten die gebonden zijn aan de EER overeenkomst, en aan de onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven en een werkloosheidsuitkering ontvangen. Het op grond van het ontbreken van een mvv afwijzen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid van de tijdelijk beschermde vreemdeling is niet verenigbaar met het geclausuleerde recht op arbeid in de richtlijn. Om die reden krijgt de tijdelijk beschermde die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit laat onverlet dat er een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend met het verrichten van die arbeid. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien voor de desbetreffende soort arbeid voorrang kan worden gegeven aan EU- en EER-burgers of legaal verblijvende derdelanders met een werkloosheidsuitkering. Zie tenslotte het derde lid van [artikel 3.71 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71): de tijdelijk beschermde vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar is (in afwijking van artikel 3.71, derde lid, Vb) eveneens vrijgesteld van het mvv-vereiste.
Deze vrijstelling strekt ertoe de mobiliteit voor wetenschappelijk onderzoekers tussen lidstaten te vergemakkelijken. Deze uitzondering geldt enkel voor onderzoekers die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor het verrichten van onderzoek in de zin van de richtlijn die is afgegeven door een ander lidstaat. Deze uitzondering geldt ook voor gezinsleden (echtgenoot, geregistreerd partner, minderjarig kind) van de onderzoeker, met dien verstande dat het gezin reeds dient te zijn gevormd in de ander lidstaat.
Een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd komt op grond van [artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) onder bepaalde voorwaarden eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Het gezinslid dat niet voldoet aan alle in voornoemd artikel genoemde voorwaarden kan, onder bepaalde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier. Een van de voorwaarden is dat het gezinslid in het bezit is van een mvv. Uit de toelichting op de wijziging van [artikel 3.71 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) van 24 april 2009 blijkt dat deze voorwaarde, in situaties waarin het gezinslid enkel door het bezit van een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon, mogelijk tot – bij nader inzien – onbillijk te achten situaties leidt, met name in het geval dat het gezinslid dat tegelijk met de hoofdpersoon naar Nederland is gekomen om internationale bescherming te zoeken, zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Om deze situaties te voorkomen en de eenheid van het gezin in die gevallen te bewaren, is onderdeel j in artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 opgenomen.
Op grond van [artikel 3.71, tweede lid, onderdeel b, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan minderjarigen van twaalf jaar of jonger, die een aanvraag tot gezinshereniging indienen omdat zij in Nederland zijn geboren uit een ouder die rechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de geboorte van het kind, en vanaf de geboorte onafgebroken verblijf hebben. Er komt regelmatig voor dat minderjarigen ouder dan twaalf jaar, of minderjarigen die niet in Nederland zijn geboren, na een aanzienlijke periode van feitelijk verblijf in Nederland een verblijfsaanvraag indienen in het kader van gezinshereniging met de hoofdpersoon. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze gevallen- bij nader inzien – tot onbillijk te achten situaties leidt, waarin het kind, dat na geruime tijd feitelijk te hebben verbleven bij een legaal verblijvende hoofdpersoon, mogelijk zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Het betreft een kwetsbare groep vreemdelingen die in de regel afhankelijk is van de keuzes die volwassenen voor hen maken.
Zij zijn voorts veelal geworteld in de Nederlandse maatschappij en gaan hier te lande naar school.
In de toelichting op de regels over de vrijstelling van het mvv-vereiste ([artikel 3.71 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71)) is reeds aangegeven dat vanzelfsprekend het ontbreken van een geldige mvv niet kan leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Wanneer toetsing aan artikel 8 EVRM aan de orde is, vergt dit een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.
Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen dient de Turkse onderdaan voldoende aan te tonen dat hij daadwerkelijk voornemens is arbeid als zelfstandige te gaan verrichten. Dit is alleen voldoende aangetoond als een ondernemingsplan van de zelfstandige als bedoeld in B5/7.3.3 wordt overgelegd. Aan de hand van dit ondernemingsplan kan vervolgens worden getoetst of de Turkse onderdaan voldoet aan het beleid voor het verrichten van arbeid als zelfstandige als bedoeld in B5/7. Indien dit het geval is wordt de Turkse onderdaan, voor de in Nederland ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning, vrijgesteld van het mvv-vereiste.
De vreemdeling is echter niet vrijgesteld indien hij in Nederland wil verblijven voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger (zie [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) en B5). Deze uitzondering voor de vreemdeling die als godsdienstleraar of geestelijke voorganger wil verblijven, dient er mede toe om vooraf te onderzoeken of er vanuit het oogpunt van openbare orde bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de vreemdeling en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. De aanwezigheid en het functioneren van godsdienstleraren en geestelijk voorgangers hier te lande, in verband met de bijzondere positie die zij innemen binnen de alhier gevestigde gemeenschappen, kan van zodanige invloed zijn op de openbare orde en nationale veiligheid, dat onderzoek vooraf gewenst is. In deze gevallen wordt niet voorbijgegaan aan het mvv-vereiste; ook niet indien de vreemdeling behoort tot de in artikel 3.71, tweede lid, Vb genoemde vrijgestelde categorieën. De enige uitzondering hierop vormt artikel 3.71, tweede lid, onder h, Vb (zie hiervoor de toelichting van onderdeel h).
Vanzelfsprekend kan het ontbreken van een geldige mvv niet leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80.
Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden.
In het vierde lid van [artikel 3.71 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, indien de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B1/4.1.1).
In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) opgeschort. Als de vreemdeling na die redelijke termijn geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, wordt de aanvraag afgewezen, tenzij [artikel 3.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.72) of [3.83 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.83) van toepassing is.
Het feit dat de vreemdeling vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, wordt aangetoond aan de hand van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Indien een dergelijke verklaring niet door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland wordt afgegeven en de vreemdeling ook overigens geen genoegzaam bewijs kan leveren, dient de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terug te reizen om daar de afgifte van een geldig document voor grensoverschrijding te bewerkstelligen. Aan het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding wordt niet voorbijgegaan om de enkele reden dat de vreemdeling daarvoor zijn militaire dienstplicht moet vervullen in het land waarvan hij onderdaan is of de reis naar dat land bezwaarlijk vindt. Het ondergaan van een medische behandeling in Nederland is op zichzelf evenmin doorslaggevend.
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, indien de aanvraag strekt tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf ter adoptie of verblijf hangende het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant adoptiefouders (zie [artikel 3.26, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26), en [3.27, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.27) ). Voor gemeenschapsonderdanen, EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B10. Voor asielzoekers wordt verwezen naar [deel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012288).
Het paspoortvereiste geldt niet voor de verlening van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking die verband houdt met:
Deze verblijfsvergunningen worden niet op een daartoe strekkende aanvraag verleend. Het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is voor de ambtshalve verlening van die vergunningen niet van overeenkomstige toepassing verklaard.
Het paspoortvereiste is eveneens niet van toepassing op hier te lande geboren kinderen, ten behoeve van wie een aanvraag voor verblijf bij ouder is gedaan en waarvan de ouders zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste aangezien zij in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel, een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure of een verblijfsvergunning als Amv of een vergunning buitenschuld.
Er is in Somalië geen internationaal erkend centraal gezag. Op die grond worden Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten, waaronder documenten voor grensoverschrijding, door Nederland niet erkend.
Ten aanzien van onderdanen van Somalië wordt in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, één en ander in de zin van de [artikelen 3.19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.19), [3.72](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.72) en [3.83 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.83) .
Indien de situatie in Somalië zich wijzigt met betrekking tot een internationaal erkend centraal gezag, zal opnieuw worden bezien of er nog steeds aanleiding bestaat om ten aanzien van onderdanen van Somalië in het algemeen te stellen dat zij hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding.
Niettemin zal van vreemdelingen die stellen Somalisch onderdaan te zijn, worden verlangd dat zij op andere wijze aantonen dat zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezitten.
De vreemdeling afkomstig uit Somalië wordt daarmee derhalve niet ontheven van de verplichting zijn identiteit en nationaliteit door middel van documenten aan te tonen.
Voorts worden identificerende vragen gesteld. In daarvoor in aanmerking komende gevallen vindt DNA-onderzoek plaats om een gestelde afstammingsrelatie vast te stellen, een en ander overeenkomstig B2/8.5 en B2/8.6 . Tevens wordt als voorwaarde gesteld dat door betrokkene een verklaring wordt ondertekend in de eigen taal en het Nederlands waarin deze verklaart dat hij of zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezit.
Deze voorwaarden worden gesteld om een succesvolle intrekking van de verleende verblijfsvergunning wegens onjuiste gegevens te bevorderen (fraudebestrijding), in gevallen waarin later mocht blijken dat de betrokkene een andere identiteit of nationaliteit bezit.
Indien de vreemdeling met inachtneming van het vorenstaande wordt vrijgesteld van de verplichting te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt deze in verband met de afgifte van de mvv door de betreffende Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland in het bezit gesteld van een laissez-passer.
Als middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt tevens aangemerkt:
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 16, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in [artikel 3.73](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73), [3.75](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) en [3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85).
Als hoofdregel geldt dat vreemdelingen die in Nederland willen verblijven, zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan.
In bepaalde gevallen dient degene bij wie de vreemdeling in Nederland wil verblijven zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
De middelen van bestaan dienen zelfstandig te worden verworven. Daarnaast dienen zij duurzaam beschikbaar te zijn en van voldoende hoogte.
Op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop op die aanvraag wordt beslist, moet gelijktijdig worden of zijn voldaan aan de drie elementen van de middelen van bestaan: zelfstandig, duurzaam en voldoende. Dit vloeit voort uit [artikel 16, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) in samenhang gelezen met [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26).
Voor degene bij wie de vreemdeling wil verblijven, geldt als uitgangspunt dat diens solvabiliteit buiten twijfel moet staan. Deze persoon wordt in ieder geval niet als solvabel aangemerkt in geval van faillissement of surseance van betaling, omdat daarbij onder meer de (vrije) beschikking over het vermogen of de boedel is verloren.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling dan wel degene bij wie hij in Nederland wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In [artikel 4:2, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2) is bepaald dat de aanvrager bij de indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de hoogte, de duurzaamheid en de bronnen van het inkomen van de vreemdeling en, voor zover van toepassing, van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven.
### 4.3. Middelen van bestaan
Bij twijfel of het loon daadwerkelijk wordt uitbetaald kan ter meerdere zekerheid om bank/giro- afschriften of uitbetalingskwitanties worden gevraagd die op de betreffende loonstaten of het relevante arbeidsverleden betrekking hebben.
Indien de voornoemde bescheiden – voor zover nodig voor de beoordeling van het middelenvereiste – niet zijn overgelegd, of indien deze naar het oordeel van de Minister op relevante onderdelen inconsistenties, tegenstrijdigheden, hiaten of ongerijmdheden vertonen, is – ongeacht de gestelde hoogte en duurzaamheid van de inkomsten – niet aangetoond dat aan het middelenvereiste wordt voldaan.
Als middelen van bestaan in de zin van de Vw wordt aangemerkt inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen. Het gaat hierbij om:
Voor al deze uitkeringen geldt dat slechts die uitkeringen worden meegeteld, die reeds daadwerkelijk zijn toegekend met een beschikking van de betreffende uitkeringsinstantie. Met de omstandigheid dat een persoon in de toekomst op grond van premieafdracht aanspraak zou kunnen maken op een dergelijke uitkering (bijvoorbeeld na beëindiging van de arbeidsovereenkomst), wordt geen rekening gehouden.
Als middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt tevens aangemerkt inkomen uit eigen vermogen. Hieronder wordt in het vreemdelingenbeleid verstaan inkomen uit sparen en beleggen en inkomen uit een aanmerkelijk belang. Hieronder vallen onder meer inkomsten uit rente, aandelen, obligaties of verhuur van een zelfstandige woning. Daarbij geldt dat de bron van de inkomsten uit eigen vermogen niet mag worden aangetast. Deze inkomsten worden eerst als duurzaam aangemerkt, indien zij op het moment van de aanvraag (of de beschikking) nog beschikbaar zijn, en deze inkomsten op dat moment reeds gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest.
Bij de beoordeling van de hoogte van inkomen uit eigen vermogen, is aansluiting gezocht bij fiscale regelingen. De inkomsten uit vermogen worden door de Belastingdienst forfaitair vastgesteld op 4% van het gemiddelde eigen vermogen tussen 1 januari en 31 december van ieder jaar. Het inkomen uit eigen vermogen wordt voor de toepassing van de [Vreemdelingenwet 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) aangemerkt als voldoende middelen van bestaan, indien 4% van het eigen vermogen zoals dat op de belastingaangifte is opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaande aan de datum van de aanvraag omgerekend per maand, ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) of [artikel 3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19).
De inkomsten worden aangetoond door overlegging van in ieder geval de opgaaf aan de Inspecteur der Belastingen over het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven.
Dat de vereiste belastingen worden afgedragen, wordt aangenomen indien de vorenvermelde belastingopgaaf is overgelegd. Ingeval van twijfel kan worden gevraagd additionele bewijsmiddelen te overleggen waaruit blijkt dat de verschuldigde belasting is afgedragen.
Deze inkomensbestanddelen kunnen derhalve worden meegeteld bij de berekening van het totale inkomen.
Niet als (bestanddeel van de) middelen van bestaan wordt aangemerkt een uitkering of bijdrage uit de publieke middelen op grond van de navolgende sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen krachtens:
Het algemene uitgangspunt bij behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning is dat de zelfstandige ten tijde van de aanvraag aantoont dat hij nog een jaar over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. Hier kan de zelfstandige over het algemeen niet aan voldoen. Immers, de inkomensvorming van een zelfstandige verloopt over het algemeen niet regelmatig over een jaar en het inkomen in zijn administratie wordt over een boekjaar vastgesteld. Aan de hand van zijn inkomsten uit het verleden dient daarom te worden vastgesteld of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd kan worden geacht.
Ingevolge [artikel 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) zijn middelen van bestaan in ieder geval duurzaam indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.
Afhankelijk van de bron waaruit de inkomsten zijn verworven, zijn nadere regels vastgesteld.
Aan de omstandigheid dat bij een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, wordt voor de bepaling van de duurzaamheid geen betekenis toegekend. Als op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld, de proeftijd nog niet is verstreken, is dat geen reden om de beslissing op de aanvraag aan te houden. Daarbij heeft de proeftijd geen negatieve invloed op het oordeel over de duurzaamheid, en wordt de proeftijd niet in mindering gebracht op de duur van de verblijfsvergunning. Ontslag tijdens de proeftijd kan evenwel verblijfsrechtelijke gevolgen hebben (zie voor de regelgeving inzake gezinshereniging en gezinsvorming B2/9.5).
In verband met de flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt door werkgevers steeds meer gebruik gemaakt van kortdurende en flexibele arbeidsovereenkomsten. Hierdoor worden minder arbeidsovereenkomsten met de minimale duur van één jaar afgesloten. Met het oog op deze ontwikkeling is in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) een uitzonderingsregel getroffen ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Beschikt de aanvrager of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet over inkomsten die op het moment van de aanvraag, het beslismoment, of op enig tussenliggend moment nog voor een jaar beschikbaar zijn, of is er sprake van een flexibele arbeidsovereenkomst, dan wordt aan de hand van het arbeidsverleden vastgesteld of de duurzaamheid van de inkomsten voor de toekomst is gegarandeerd.
Oproep- of afroepcontracten, nul-urencontracten, min/max-contracten, uitzendwerk, losse dienstverbanden, seizoenswerk, voorovereenkomsten, en overeenkomsten met uitgestelde prestatieplicht worden wel ‘flexibele arbeidsovereenkomsten’ genoemd. Als sprake is van arbeid voor een uitzendbureau, wordt aangenomen dat sprake is van flexibele arbeid als hier bedoeld, tenzij uit de overgelegde bescheiden uitdrukkelijk anders blijkt (zie [artikel 3.76 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.76) en de toelichting hierop bij ‘Bewijsmiddelen en Wet flexibiliteit en zekerheid’). De Minister begeeft zich immers bij de uitvoering van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet op het terrein van het arbeidsrecht.
Inkomsten uit flexibele arbeidsovereenkomsten worden, gelet op het onzekere karakter dat werken op basis van dergelijke arbeidsovereenkomsten kenmerkt, niet aangemerkt als inkomsten die nog één jaar beschikbaar zijn (op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ontvangen of de beschikking wordt gegeven, dan wel op enig moment tussen beide tijdstippen). Zij zijn derhalve niet duurzaam in de zin van [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75). Hieraan doet de duur van de flexibele arbeidsovereenkomst niet af. Eigen aan flexibele arbeidsovereenkomsten is immers dat de hoogte van de inkomsten onregelmatig kan zijn.
Inkomsten uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, waarbij de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan één jaar, worden evenmin aangemerkt als inkomsten die duurzaam zijn in de zin van [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
Ook voor inkomsten uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, waarbij de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt binnen één jaar na de datum waarop de aanvraag is ontvangen, geldt dat ook deze niet worden aangemerkt als inkomsten die duurzaam zijn in de zin van [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
De voornoemde inkomsten uit arbeid (inclusief werk verricht op basis van een flexibele arbeidsovereenkomst) kunnen echter, in afwijking van de hoofdregel als duurzaam worden aangemerkt, indien ten tijde van de aanvraag (of het tijdstip waarop de beschikking wordt genomen, dan wel op enig moment tussen beide tijdstippen):
Kortdurende tijdvakken van werkloosheid worden bij de driejaarsperiode als inkomen uit arbeid in loondienst meegeteld. In deze driejaarsperiode mag het totaal van deze tijdvakken van werkloosheid niet meer dan 26 weken bedragen.
Gedurende de driejaarsperiode, inclusief de tijdvakken van kortdurende werkloosheid, moeten de inkomsten wel zelfstandig zijn verworven (zie B1/4.3.1). Er mag geen (aanvullende) uitkering krachtens de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) zijn ontvangen. Uitsluitend inkomsten uit arbeid in loondienst worden meegeteld voor de beoordeling of de inkomsten duurzaam zijn; gedurende de driejaarsperiode verworven inkomsten uit arbeid als zelfstandige blijven derhalve buiten beschouwing. Het inkomen dat de afgelopen drie jaren is verworven, hoeft niet iedere maand gelijk te zijn geweest aan de relevante brutonorm; voldoende is dat het inkomen op jaarbasis daaraan voldoet. Het laagste jaarinkomen uit arbeid in loondienst in de driejaarsperiode kan als duurzaam conform [artikel 3.75, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) worden beschouwd. Vervolgens moet worden getoetst of deze inkomsten ook als voldoende middelen van bestaan als bedoeld in [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) of [artikel 3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) kunnen worden beschouwd (zie B1/4.3.3). Bij deze beoordeling gaat de IND uit van het normbedrag zoals dat geldt op het moment van de aanvraag.
Bij de duurzaamheid van inkomsten uit de [Algemene nabestaandenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007795) is van belang dat het recht op deze uitkering onder meer vervalt als de nabestaande 65 jaar wordt, hertrouwt dan wel met iemand een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Bij de beoordeling van de duurzaamheid wordt hiermee rekening gehouden. Om die reden worden inkomsten uit deze bron in ieder geval niet duurzaam geacht indien op grond van het doel waarvoor verblijf wordt aangevraagd vaststaat dat de hoofdpersoon (met de vreemdeling) zal gaan samenwonen. Dat op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend of de beslissing wordt genomen wel over deze uitkering wordt beschikt, doet daaraan niet af.
Onregelmatige inkomsten (overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag en fooien) en loon in natura worden als duurzaam aangemerkt wanneer deze inkomsten structureel zijn. De onregelmatige inkomsten en het loon in natura worden als structureel aangemerkt wanneer deze in de twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag of het moment van beschikken tenminste elf maanden zijn verworven. Slechts het laagste maandelijkse bruto bedrag aan overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag, fooien of loon in natura dat onderdeel uitmaakt van het sv-loon mag worden meegeteld. Het is niet toegestaan de over een heel jaar extra verdiende inkomsten te middelen en dat op te tellen bij het maandinkomen.
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
De middelen van bestaan moeten ingevolge [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) voldoende zijn.
Ingevolge [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag getoetst aan [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) zoals de betekenis was ten tijde van de ontvangst van de aanvraag. Derhalve is de toepasselijke inkomensnorm de norm die geldt op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen tenzij de inkomensnorm op een later tijdstip gunstiger is.
Als hoofdregel geldt dat middelen van bestaan voldoende zijn, indien het inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag zoals dat in artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb of [artikel 3.19, eerste en tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt voor de desbetreffende categorie (echtparen en gezinnen, alleenstaanden en alleenstaande ouders). De toepasselijke norm wordt vastgesteld aan de hand van het wettelijk minimumloon voor personen van 23 jaar of ouder. De IND publiceert de toepasselijke normbedragen voor de betreffende categorieën halfjaarlijks op haar website nadat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wijziging van het wettelijk minimumloon kenbaar heeft gemaakt.
Bij de berekening van het totale inkomen worden alle bestanddelen van het inkomen (dus ook inkomsten uit bijvoorbeeld een nevenbetrekking) meegeteld, voor zover die tevens zelfstandig zijn verworven en duurzaam beschikbaar zijn (zie B1/4.3.2).
Bij de toepassing van [artikel 3.75, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) moet aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken zijn gewerkt (zie B1/4.3.2) en in die gehele periode een inkomen uit arbeid zijn verworven, waarbij deze inkomsten bovendien nog beschikbaar moeten zijn. De inkomsten, bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb, kunnen met andere zelfstandige en duurzame inkomsten worden gecombineerd (bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid als zelfstandige) om te voldoen aan het toepasselijke normbedrag.
Hierbij wordt uitgegaan van het toepasselijke normbedrag dat gold ten tijde van de aanvraag. Er wordt derhalve steeds een beoordeling gemaakt aan de hand van één normbedrag, en nadrukkelijk niet van de (in de loop der tijd steeds gewijzigde) normbedragen zoals deze golden gedurende de driejaarsperiode. Immers, aan de hand van de inkomsten uit het verleden wordt beoordeeld of deze in de toekomst van voldoende hoogte zullen zijn.
Voor de vaststelling van het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en [artikel 3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) wordt aangesloten bij het minimumloon voor personen van 23 jaar en ouder. Er wordt niet aangesloten bij de desbetreffende minimumjeugdlonen. Deze bedragen voor 21- en 22-jarigen 72½ respectievelijk 85 procent van het minimumloon, bedoeld in de [artikelen 8, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [14 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14) (zie [artikel 2, eerste lid, van het Besluit minimumjeugdloonregeling](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003599&artikel=2)). Ook van de 21- en 22-jarige gezinshereniger die een nieuwe partner wil laten overkomen, wordt verwacht dat hij zijn financiële verantwoordelijkheden daarvoor duurzaam kan waarmaken.
In verband met de wijziging in de beoordeling van de hoogte van de middelen van bestaan die op 31 juli 2010 is ingevoerd met een wijziging van [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en [3.19 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt de volgende overgangsregeling.
Dit betekent voor gezinsvormers dat als de aanvraag is ingediend voor 31 juli 2010 aan het normbedrag voor gezinnen en echtparen in de zin van de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) moet worden voldaan, of als het gunstiger is, aan het wettelijk minimumloon.
In afwijking van [artikel 3.19 VV, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben gekregen voor 31 juli 2010 op basis van de alleenstaandennorm, in plaats van 70% van het wettelijk minimumloon de norm van 50% van het wettelijk minimumloon.
In afwijking van [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19) geldt bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben gekregen voor 31 juli 2010 op basis van de norm voor alleenstaande ouders, in plaats van 90% van het wettelijk minimumloon de norm van 70% van het wettelijk minimumloon.
De afwijkende normen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen.
Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.
Hieronder worden beleidsregels gegeven omtrent de inkomsten uit arbeid als zelfstandige.
Als middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige, voorzover getrokken uit arbeid als zelfstandig beroepsbeoefenaar of ondernemer, mits het is toegestaan die arbeid te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt derhalve niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien het die persoon niet is toegestaan die arbeid te verrichten. Met name is niet toegestaan die arbeid te verrichten indien op het verblijfsdocument van de zelfstandige is vermeld dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan of niet is voldaan aan de vereisten voor uitoefening van het betreffende beroep of voor exploitatie van de betreffende onderneming (zie B5).
Het algemene uitgangspunt bij behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning is dat de zelfstandige ten tijde van de aanvraag aantoont dat hij nog een jaar over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. Hier kan de zelfstandige over het algemeen niet aan voldoen. Immers, de inkomensvorming van een zelfstandige verloopt over het algemeen niet regelmatig over een jaar en het inkomen in zijn administratie wordt over een boekjaar vastgesteld. Aan de hand van zijn inkomsten uit het verleden dient daarom te worden vastgesteld of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd kan worden geacht.
Als startende ondernemer wordt aangemerkt diegene die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Immers, hij kan nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige hebben verworven. De omstandigheid dat de ondernemer een reeds langere tijd bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat hij geen startend ondernemer is in de zin van [artikel 3.20 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.20). Uitgangspunt van artikel 3.20 VV is immers het inkomen van de zelfstandige zelf, en niet het inkomen van diegene die voorheen de onderneming dreef.
De inkomsten van een startende ondernemer worden, ongeacht de hoogte ervan, vanwege de onzekerheid van de levensvatbaarheid van de onderneming en het ontbreken van een inzicht in de inkomsten van het verleden, niet aangemerkt als duurzame inkomsten in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823).
Een uitzondering op deze hoofdregel wordt gemaakt voor vreemdelingen die op grond van het beleid als genoemd in B5 tot Nederland worden toegelaten voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, aangezien ten aanzien van hen is vastgesteld dat met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend en inzichtelijk wordt gemaakt, door middel van een ondernemingsplan, wat de te verwachten inkomsten uit de onderneming zullen zijn.
De inkomsten van de gevestigd ondernemer uit diens arbeid als zelfstandige over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar, worden aangetoond met de volgende stukken:
Ter meerdere zekerheid kunnen andere bewijsstukken worden opgevraagd, waaronder bankafschriften, aangiften inkomstenbelasting, aanslagen inkomstenbelasting, jaarrekeningen en maandelijkse opgaven van de bedrijfsresultaten over de anderhalf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.
Met de verklaring inkomen ondernemer wordt de aanvrager in staat gesteld de inkomsten van de ondernemer over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar aan te tonen. Ter toelichting op het model, wordt het volgende opgemerkt:
Voor het inkomen van een freelancer (die dat inkomen verwerft uit arbeid op basis van een overeenkomst van opdracht) geldt hetzelfde als voor het inkomen van een zelfstandige.
Buiten de gevallen genoemd in [artikel 3.77, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) kan op grond van [artikel 3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) de aanvraag slechts worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien naar het oordeel van de Minister zwaarwegende belangen daartoe nopen.
Ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland worden geweigerd dan wel beëindigd, indien de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid. In deze paragraaf zijn de algemene regels opgenomen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste verblijfsaanvaarding van vreemdelingen en de ontzegging van voortzetting van verblijf van vreemdelingen.
Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Ingevolge [artikel 16, eerste lid aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan. Op grond van [artikel 16, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79).
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op grond van artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78).
In geval de aanvraag verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming houdt de Minister rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst (zie [artikel 3.77, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77)).
In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere EU lidstaat wordt ingevolge [artikel 3.77, vijfde en zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) bij de toepassing van artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk die door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of diens gezinslid uitgaat.
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst (zie ook B17/2.3).
Bij de termijn gedurende welke een gesanctioneerd misdrijf reden blijft vormen om de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning af te wijzen, wordt onderscheid gemaakt naar de aard en de ernst van de misdrijven.
Ingeval van een veroordeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd bedraagt die termijn twintig jaren. Het gaat hierbij onder meer om de misdrijven genoemd in Titel XIV (misdrijven tegen de zeden), Titel XIX (misdrijven tegen het leven gericht) en Titel XX (mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht. Ook drugsdelicten, misdrijven tegen het openbaar gezag, wapendelicten en misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, zoals brandstichting, horen hier bij.
Ingeval van een veroordeling, transactie of strafbeschikking wegens een drugsdelict dan wel een geweldsmisdrijf waartegen een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is bedreigd, bedraagt die termijn tien jaren. Ingeval van een veroordeling, transactie of strafbeschikking wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren.
De termijn vangt aan op de dag waarop de veroordeling of strafbeschikking onherroepelijk is geworden of het transactievoorstel is aanvaard. De veroordeelde bevindt zich in voorlopige hechtenis en de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden geëxecuteerd.
Indien de tenuitvoerlegging van de sanctie pas later heeft plaatsgevonden (door bijvoorbeeld een verstekvonnis), vangt de termijn aan op de dag waarop de sanctie volledig ten uitvoer is gelegd. Daarmee wordt voorkomen dat de termijn (bijvoorbeeld tijdens een langdurige gevangenisstraf) kan verstrijken voordat de straf ten uitvoer is gelegd. De sanctie is ten uitvoer gelegd:
Het is van belang dat de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag gegevens en bescheiden overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus wanneer hij in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald (zie [artikel 4:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Indien de aanvraag wegens het verstrijken van deze vijfjaren, tien- of twintigjarentermijn niet langer wordt afgewezen, wordt de vreemdeling ook niet ongewenst verklaard op de enkele grond dat hij die feiten heeft gepleegd.
De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien of twintig jaren, is niet van toepassing, indien sprake is van een veroordeling voor een levensdelict, het bij herhaling plegen van strafbare feiten of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Onder ‘geweldsmisdrijven’ worden in ieder geval gerekend: mishandeling, openlijke geweldpleging, bedreiging, belediging en verzet bij aanhouding.
Van het bij herhaling plegen van strafbare feiten is sprake als de vreemdeling meer dan één sanctie opgelegd heeft gekregen. Dit geldt ook als één sanctie is opgelegd voor een aantal bewezen verklaarde strafbare feiten (voeging). In geval van eendaadse of meerdaadse samenloop wordt uitgegaan van één misdrijf. Bijvoorbeeld een winkeldiefstal die gepaard gaat met wederspannigheid en/of belediging van een ambtenaar in functie kan drie misdrijven opleveren. In dat geval wordt echter uitgegaan van één misdrijf en niet van drie misdrijven.
Indien de vreemdeling ongewenst is verklaard kan hij geen rechtmatig verblijf hebben (zie [artikel 67, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=67)). Ook indien de termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren (zie [artikel 6.6, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)) verstrijkt voordat de ongewenstverklaring is opgeheven, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning.
Het inburgeringsvereiste in het kader van de aanvraag om een bovengenoemde verblijfsvergunning bestaat uit het behalen van het inburgeringsexamen ([artikel 3.80a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) voor de verblijfsvergunning bepaalde tijd en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd). Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt ([artikel 14 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=14)).
Bij de aanvraag die in Nederland wordt ingediend, wordt door iedere vreemdeling van 12 jaar of ouder een antecedentenverklaring ondertekend. De vreemdeling die aangeeft de verklaring niet naar waarheid te kunnen ondertekenen, verschaft daarvoor de reden(en) en onderbouwt die met de relevante gegevens en bescheiden.
Bij iedere aanvraag tot het verlenen, het verlengen, het wijzigen van de verblijfsvergunning of het vernieuwen of vervangen van het verblijfsdocument, alsmede in het kader van adviesaanvragen inzake een aanvraag tot een mvv worden het SIS, het OPS, het HKS en het JDS geraadpleegd. Hierbij wordt zo mogelijk rekening gehouden met eventuele aliassen en alternatieve schrijfwijzen.
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
Ingevolge [artikel 16, eerste lid aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan. Op grond van [artikel 16, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79).
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen te ondergaan of indien hij niet meewerkt aan dat onderzoek of die behandeling, tenzij hij de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen. Ontbreken van bedoelde bereidheid of medewerking staat ook in de weg aan ambtshalve verlening van verblijfsvergunningen.
Ingevolge [artikel 3.79, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) is van het vereiste eveneens vrijgesteld de vreemdeling die langdurig ingezetene is, dan wel als gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere staat die partij is bij het EG-verdrag is toegelaten.
Omdat het vereiste alleen geldt voor de eerste verblijfsaanvaarding kunnen aanvragen om voortzetting van verblijf niet op deze grond worden afgewezen. Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest, en een aanvraag heeft ingediend, geldt het vereiste niet, indien wordt geoordeeld dat redelijkerwijs sprake is van voortzetting van verblijf.
Dat betekent dat, indien wordt geoordeeld dat niet redelijkerwijs kan worden of behoort te worden gesproken van voortzetting van verblijf, het vereiste wel geldt, met name gelet op het tweede lid van [artikel 3.82 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82).
Met een redelijke termijn wordt gedoeld op een termijn van twee jaar na het einde van het rechtmatig verblijf of als Nederlander.
Idealiter heeft de vreemdeling die zich bij de IND meldt om aldaar fysiek een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in te dienen, reeds bij de GG&GD een onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen ondergaan. Veelal zal de vreemdeling dat onderzoek nog niet hebben ondergaan.
In die situatie ondertekent de vreemdeling, bij de indiening van de aanvraag om een verblijfsvergunning, een verklaring op het TBC-formulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) waarin de vreemdeling aangeeft bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De IND verwijst daarna de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD. Voor deze verwijzing maakt hij gebruik van het originele TBC-formulier.
De te onderzoeken vreemdeling vervoegt zich vervolgens, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de aanvraag om een verblijfsvergunning, bij de aangewezen GG&GD voor het ondergaan van een TBC-onderzoek. Naast het document voor grensoverschrijding dat bij de IND is overgelegd, wordt het TBC-formulier aan de onderzoeksarts overgelegd, waarop de persoonsgegevens van de vreemdeling die uit het document voor grensoverschrijding kenbaar zijn, staan vermeld. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het formulier. De onderzoeksarts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar het juiste kantoor van de IND, dat de aanvraag in behandeling heeft.
Achteraf stelt de IND, op basis van opgave door de GG&GD, vast of betrokkene aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan.
Indien na verlening van de verblijfsvergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan (zie [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79)) wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.
De bereidheid van de vreemdeling om een medische behandeling te ondergaan en daaraan medewerking te verlenen, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier.
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.
Ingevolge het tweede lid van zowel [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als [18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden bedoeld in het eerste lid.
Andere bescheiden dan daar vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond.
Per 15 maart 2006 is de [Wet inburgering in het buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0023204) van kracht geworden en per 1 januari 2007 de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611). De koppeling tussen het behalen van het inburgeringsexamen en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met voortgezet verblijf en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is per 1 januari 2010 van kracht.
Op 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd. Het uitgangspunt van de gewijzigde Wet inburgering is om de inburgeringsplichtigen zelf de volledige verantwoordelijkheid te laten dragen voor hun inburgering. Met de introductie van dit vernieuwde inburgeringsstelsel is aan de Vw de afwijzings- dan wel intrekkingsgrond ‘verwijtbaar niet tijdig hebben voldaan aan de inburgeringsplicht’ toegevoegd (zie B1/5.3.7).
Het inburgeringsvereiste in het kader van de aanvraag om een bovengenoemde verblijfsvergunning bestaat uit het behalen van het inburgeringsexamen ([artikel 3.80a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) voor de verblijfsvergunning bepaalde tijd en artikel [3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd). Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt.
Met de introductie van het vernieuwde inburgeringsstelsel wordt ook het inburgeringsexamen aangepast. Alle inburgeringsplichtige vreemdelingen (ook die na 31 december 2012 inburgeringsplichtig worden) kunnen na 1 januari 2013 gedurende een overgangsperiode van twee jaar nog de onderdelen van het inburgeringsexamen oude stijl afleggen. Vanaf 1 januari 2013 kunnen alle inburgeringsplichtige vreemdelingen ook de onderdelen van het inburgeringsexamen nieuwe stijl afleggen. Dit betekent dat vanaf 1 januari 2013 twee verschillende inburgeringsdiploma’s overgelegd kunnen worden.
Het inburgeringsexamen bestaat uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel.
Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide ([artikel 3.7 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=3.7), zoals dat luidde tot 1 januari 2013).
Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het electronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN). KNS en EPE worden afgenomen via de computer. TGN wordt afgenomen via de telefoon. De examens van het centraal deel van het inburgeringsexamen worden enkel afgenomen door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder verantwoordelijkheid van de Minister van BZK (vóór 1 januari 2010: de IB-Groep) ([artikel 3.9 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=3.9), zoals dat luidde tot 1 januari 2013).
Ten aanzien van het niveau van het inburgeringsexamen: voor een oudkomer (niet zijnde een geestelijke bedienaar) moet het behaalde niveau A1 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader zijn voor de schriftelijke vaardigheden en A2 voor mondelinge vaardigheden. Voor overige vreemdelingen moet het behaalde niveau voor alle vaardigheden A2 zijn ([artikel 2.9 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.9), zoals dat luidde tot 1 januari 2013).
Ingevolge [artikel 16, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in [artikelen 3.71a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a), [3.98a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a), [3.98b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98b), [3.98c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98c) en [3.98d Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98d) en de [artikelen 3.10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.10), [3.11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.11), [3.12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.12) en [3.13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.13).
Ingevolge [artikel 16, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) is het eerste lid, onder h, niet van toepassing op de vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit en die, met bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden, heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.
Ingevolge [artikel 3.98c, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98c) worden de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem beoordeeld. Aangezien de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de kwaliteit van de toetsen, ruimte laten voor onduidelijkheid omtrent de mate waarin de beoordeling aan de hand van het geautomatiseerde systeem vergelijkbaar is met die door menselijke examinatoren, worden de resultaten van het basisexamen in de eerste fase na invoering daarvan een tweede maal door menselijke examinatoren beoordeeld. In verband hiermee is in [artikel II besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vb in verband met inburgering in het buitenland](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019587&artikel=II), Stb. 2006, 94,opgenomen dat in afwijking van [artikel 3.98c, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98c) de resultaten van het basisexamen inburgering, die door middel van het geautomatiseerde systeem zijn beoordeeld, nogmaals beoordeeld worden door examinatoren, indien het basisexamen is afgelegd vóór een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Inburgeringsplichtig is de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft of geestelijk bedienaar is. Verblijfsdoelen die als tijdelijk worden aangemerkt in de zin van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) staan opgenomen [artikel 2.1 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.1) en in de bijlage bij [artikel 2.1 Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657&artikel=2.1) (zie B1/4.7.1.1).
De hoofdregel geldt voor vreemdelingen die voor hun komst naar Nederland in het bezit moeten zijn van een mvv in het kader van bijvoorbeeld gezinshereniging of gezinsvorming, en die na hun komst naar Nederland inburgeringsplichtig zijn op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=3) en [5 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5). Hetzelfde geldt voor verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, ondanks dat zij doorgaans geen duurzaam verblijf in Nederland beogen (zie B1/4.7.1.1).
De basiskennis, die de vreemdeling reeds voor komst naar Nederland in het buitenland moet hebben verworven, wordt in het buitenland beoordeeld aan de hand van het basisexamen inburgering, tenzij de vreemdeling niet inburgeringsplichtig is of daarvan is vrijgesteld. De resultaten van het basisexamen worden betrokken bij de aanvraag om een mvv.
Het basisexamen inburgering bestaat uit de Toets Gesproken Nederlands en een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving ([art. 3.98a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.98a)). Vanaf 1 april 2011 is het niveau van de Toets Gesproken Nederlands verhoogd van niveau A1min naar niveau A1 van het Europese Raamwerk voor Vreemde Talen en omvat het basisexamen inburgering ook de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL).
Indien de vreemdeling bij de aanvraag niet de noodzakelijke gegevens voor eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering overlegt, wordt hij met toepassing van [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist. In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15) opgeschort. Als de vreemdeling binnen die redelijke termijn geen gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering heeft overgelegd, wordt op de aanvraag beslist.
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van [artikel 2.6 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6) uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
Uit de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611), het [Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674) en de [Regeling inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020657) blijkt of de vreemdeling wel of niet inburgeringsplichtig is. Als de vreemdeling in Nederland niet inburgeringsplichtig is, dan is de vreemdeling ook niet inburgeringsplichtig in het buitenland en hoeft het basisexamen inburgering niet te worden afgelegd.
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op vreemdelingen die na verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland niet inburgeringsplichtig op grond van de [artikelen 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=3) en [5 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5) zijn, bijvoorbeeld omdat zij voor een tijdelijk doel naar Nederland komen.
Op grond van [artikel 2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3) en [artikel 2.5 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5) is niet inburgeringsplichtig de vreemdeling die beschikt over een diploma, certificaat of ander document zoals hieronder genoemd:
Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag van de mvv of het verzoek om advies het gevraagde diploma. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
Tevens kan onder meer gedacht worden aan een ernstig spraakgebrek dat de menselijke communicatie verhindert en het afleggen van het basisexamen met behulp van de spraakherkenningscomputer blijvend onmogelijk maakt. In dergelijke gevallen is het blijvend onmogelijk om te gaan voldoen aan het inburgeringsvereiste en daarmee voor toelating tot Nederland.
De Minister beoordeelt aan de hand van de bevindingen van de arts of deskundige of er wel of niet sprake is van lichamelijke of geestelijke belemmeringen, waardoor de vreemdeling blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering af te leggen.
Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan op aanwijzing van de IND tijdens de aanvraagprocedure de gegrondheid van het beroep op ontheffing van het basisexamen nader worden onderzocht.
Ingevolge [artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van de Minister van BZK zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (dit is de zogenaamde hardheidsclausule). Hiervan is sprake als een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden ertoe leidt dat de vreemdeling blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen.
Hierbij dient de vreemdeling bovendien te kunnen aantonen die inspanningen te hebben geleverd die in redelijkheid kunnen worden gevergd om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Dit kan onder meer blijken uit het één of meermalen afleggen van het basisexamen inburgering, waarbij bijvoorbeeld wel een positief resultaat is behaald voor de Toets Gesproken Nederlands en de toets Kennis van de Nederlandse Samenleving, maar geen positief resultaat is behaald voor de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen. Deze resultaten blijken uit de op naam van de vreemdeling gestelde resultatenbrief van het Ministerie van Buza. Deze resultatenbrief ontvangt de vreemdeling van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland na het afleggen van het basisexamen inburgering en voegt de vreemdeling bij de mvv-aanvraag.
Het enkele feit dat men een of meerdere malen het examen heeft afgelegd, leidt niet tot een succesvol beroep op de hardheidsclausule.
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt de Dienst Uitvoering Onderwijs een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
De geldigheid van het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is vastgesteld op één jaar ([artikel 3.71a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a)). Het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is ongeldig indien het is behaald meer dan een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.
In [artikel 3.80a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) is het inburgeringsvereiste geregeld met betrekking tot de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Op grond van [artikel 3.80a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) wordt een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning in een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), die het inburgeringsexamen niet heeft behaald. Dit is de vreemdeling die vijf jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht. Dit betekent dat het inburgeringsvereiste alleen van toepassing is in de gevallen genoemd in B16/3.1.1.
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
Op grond van [artikel 3.80a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen als de vreemdeling het examen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), niet heeft behaald. Dit is ingevolge artikel 3.80a, tweede tot en met vierde lid, Vb niet van toepassing indien:
Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van [artikel 2.6 Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.6) uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.
Het gaat hier om de vreemdeling die in het bezit is van een diploma, certificaat of ander document genoemd in [artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.3), of [artikel 2.5 van het Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.5). Zie paragraaf B1/4.7.1.1 onder het kopje **Niet inburgeringsplichtig vanwege diploma’s, certificaten of andere documenten**voor de opsomming van de bedoelde diploma’s, certificaten of andere documenten die tot de vrijstelling kunnen leiden.
Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning een gewaarmerkte kopie van het gevraagde diploma, certificaat of document. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling ook een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met DUO.
Het medisch advies mag bij het indienen van de aanvraag om een verblijfsvergunning niet ouder zijn dan zes maanden.
Op grond van [artikel 3.80a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door de Minister voor I&A aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. In geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden kan ook een medisch advies worden overgelegd afkomstig van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning niet van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder g). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.
In [artikel 3.80a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Minister leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep reeds bij het indienen van de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier in een verblijfsvergunning om voortgezet verblijf en onderbouwt dit zoveel als mogelijk met bewijsstukken. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling ook verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform [artikel 16a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16a) in samenhang met [artikel 3.80a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80a) afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
Gezien de vorm waarin het inburgeringsexamen wordt afgenomen, kunnen de onderdelen, praktijkdeel examen (inburgeringsexamen oude stijl), kennis Nederlandse samenleving, elektronisch praktijkexamen (inburgeringsexamen oude stijl), lezen (inburgeringsexamen nieuwe stijl) en schrijven(inburgeringsexamen nieuwe stijl) bij een geslaagd beroep op niet gealfabetiseerd zijn niet op reguliere wijze door de vreemdeling worden afgelegd. Kunnen lezen is nu eenmaal een minimale voorwaarde om deze onderdelen af te kunnen leggen. Bij de toets gesproken Nederlands geldt de voorwaarde van het kunnen lezen echter niet. Bij een geslaagd beroep op ‘niet gealfabetiseerd’ zijn moet de niet gealfabetiseerde vreemdeling derhalve de vaardigheden ‘spreken’ en ‘luisteren’ door middel van de toets gesproken Nederlands afleggen.
Indien de niet gealfabetiseerde vreemdeling de toets gesproken Nederlands met goed gevolg op A2 niveau heeft afgelegd, verstrekt DUO een resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands, met het resultaat ‘geslaagd’.
Bij de indiening van een verblijfsaanvraag overlegt de vreemdeling de door DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’. Separaat hieraan toont betrokkene aan welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
Om een geslaagd beroep te doen op deze ontheffingsgrond, overlegt betrokkene een verklaring van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Het ROC komt tot een dergelijke verklaring na het uitvoeren van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek, zoals hieronder beschreven.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
Het gaat hier om een vreemdeling die:
Bij de indiening van een verblijfsaanvraag overlegt de vreemdeling de door DUO verstrekte resultatenbrief van het afleggen van de toets gesproken Nederlands (TGN), met het resultaat ‘geslaagd’. Separaat hieraan toont betrokkene aan welke inspanning hij heeft verricht om gealfabetiseerd te raken.
Om een geslaagd beroep te doen op deze ontheffingsgrond, overlegt betrokkene een verklaring van het ROC Amsterdam, waarin deze aangeeft dat betrokkene wegens beperkt leervermogen in samenhang met onder meer vooropleiding en leeftijd in redelijkheid niet in staat geacht kan worden het examen te behalen. Het ROC komt tot een dergelijke verklaring na het uitvoeren van het zogenaamde haalbaarheidsonderzoek, zoals hieronder beschreven.
Het bovenstaande leidt ertoe dat bij een beroep op deze ontheffingsgrond een nader onderzoek wordt ingesteld. In dit onderzoek worden de volgende factoren meegenomen: de mate van het niet gealfabetiseerd zijn, de mate van extra inspanning om gealfabetiseerd te raken, alsmede het leervermogen van betrokkene, de vooropleiding en de leeftijd.
Dit zogenaamde ‘haalbaarheidsonderzoek’ vindt uitsluitend plaats bij Regionaal Opleidingen Centrum (ROC) van Amsterdam. Dit ROC beoordeelt of het haalbaar is voor betrokkene binnen een tijdsbestek van vijf jaar Nederlands te leren lezen en schrijven op het betreffende niveau van het Referentiekader Nederlands als Tweede Taal. Betrokkene betaalt zelf voor het haalbaarheidsonderzoek. De kosten voor het haalbaarheidsonderzoek staan vermeld op www.ind.nl. De datum van ontvangst door het ROC Amsterdam van de aanmelding voor het haalbaarheidsonderzoek is bepalend voor de vaststelling van de vraag welk tarief geldt.
Iemand is ‘niet gealfabetiseerd’ in het kader van het inburgeringsexamen indien hij analfabeet is in zowel zijn eigen taal als het Nederlands. Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Thais schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn .
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van het inburgeringsexamen als niet gealfabetiseerd beschouwd. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet gealfabetiseerd. Van een ieder die op het model Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme aangeeft dat hij in het herkomst land geen enkele opleiding heeft afgerond, wordt aangenomen dat hij de eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft dienaangaande geen stukken te overleggen. Indien later blijkt dat de vreemdeling in een andere procedure anders heeft verklaard of anderszins blijkt dat de vreemdeling een opleiding heeft afgerond, wordt van het ROC-advies afgeweken. Het model **Aanmeldingsformulier ROC van Amsterdam voor het onderzoek naar analfabetisme** is te vinden op www.ind.nl.
Betrokkene toont aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aan dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd te raken. Van een ‘extra inspanning’ is sprake als meer dan gemiddeld is getracht het vereiste niveau op het gebied van Nederlands leren lezen en schrijven te behalen. Voor oud-komers is dit het niveau A1, voor overige vreemdelingen is dit het niveau A2. Hierbij is het niet van belang of betrokkene wel of niet inburgeringsplichtig is of was ingevolge de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611). Het moet wel ten minste gaan om een cursus in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om een gemeentelijk welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
Dit betekent bijvoorbeeld voor een betrokkene die verplicht is geweest de inburgeringscursus uit de [Wet Inburgering Nieuwkomers](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009544) te doen (en daarvoor (wel getoetst) niet het niveau heeft gehaald waarop hij vrijstelling van het inburgeringsexamen zou hebben gekregen), dat hij (onverplicht door enige regelgeving) door middel van het volgen van een cursus zich heeft ingespannen te leren lezen en schrijven in de Nederlandse taal.
De vreemdeling toont bij zijn aanmelding bij het ROC van Amsterdam aan dat hij (onverplicht) een cursus Nederlands heeft gedaan. Gezien de kosten voor het onderzoek is het een betrokkene die niet aantoont (onverplicht) een cursus Nederlands te hebben gedaan, bij voorbaat af te raden om zich bij het ROC van Amsterdam te melden voor het onderzoek. Alleen als betrokkene ervan overtuigd is de ‘extra inspanning’ te kunnen aantonen bij het ROC van Amsterdam, heeft het zin dat betrokkene zich tot het ROC wendt voor het onderzoek naar de vraag of betrokkene eventueel nog binnen vijf jaar met kans op succes het inburgeringsexamen zal kunnen afleggen.
Met ‘beperkt leervermogen’ wordt bedoeld ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Of hiervan sprake is, wordt onderzocht en beoordeeld door het ROC van Amsterdam. In die beoordeling betrekt het ROC van Amsterdam factoren als de geen tot zeer beperkte vooropleiding van betrokkene, diens leeftijd en het feit dat betrokkene wel heeft getracht Nederlands te leren schrijven en lezen op het betreffende niveau van het Europese Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen.
De hardheidsclausule kan toepassing hebben op de vreemdelingen die in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, die onvrijwillig in het land van herkomst zijn achtergelaten, en die niet meer kunnen beschikken over hun verblijfspapieren (ten aanzien van achtergelaten vrouwen zie B1/5.1, B1/5.3.2, B1/7.1.3 en B16/4.2). Wanneer deze vreemdelingen na achterlating een verzoek doen tot wedertoelating, is voortgezet verblijf vaak de enige vergunning waarvoor zij in aanmerking kunnen komen.
In het geval deze categorie in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na vijf jaar verblijf in Nederland overeenkomstig [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), wordt het niet voldoen aan het inburgeringsvereiste hen niet tegengeworpen.
In het geval de vreemdeling nog geen vijf jaar in Nederland verblijft conform [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan slechts voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) worden overwogen. Mocht geconcludeerd worden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.52 Vb, dan is het inburgeringsvereiste niet van toepassing.
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
Het inburgeringsvereiste zal nimmer buiten toepassing worden gelaten om die reden. De voorwaarden waaronder voortgezet verblijf wordt verleend waren reeds met inwerkingtreding van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) op 1 januari 2007 duidelijk. Van een onverwachte confrontatie met het inburgeringsvereiste is geen sprake. Met de introductie van vernieuwde inburgeringsstelsel per 1 januari 2013 worden aan de inburgeringsplichtige vreemdelingen geen inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen meer aangeboden. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om ingeburgerd te geraken.
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan.
Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de overweging dat als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte kan opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruik kan maken van zijn bevoegdheid de vreemdeling op bepaalde gronden verblijf te weigeren. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). In een reguliere procedure wordt het driejarenbeleid uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) blijven van toepassing.
Daarnaast gelden nog de volgende afwijzingsgronden:
Op grond van [artikel 73, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) dient de vreemdeling, indien hij geen gebruik maakt van de mogelijkheid beroep in te stellen, na het verstrijken van de beroepstermijn Nederland onmiddellijk uit eigen beweging te verlaten. De rechtsgevolgen van de beschikking treden dus in werking onmiddellijk na het verstrijken van de beroepstermijn.
De algemene termijn voor het instellen van beroep is vier weken. Gedurende deze termijn heeft de vreemdeling nog rechtmatig verblijf.
In het geval de bij het eerste terugkeerbesluit gegeven vertrektermijn ongebruikt is verstreken, of in het geval aanleiding bestaat op grond van [artikel 62, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) om de vertrektermijn te verkorten, dan wel te bepalen dat de vreemdeling onmiddellijk Nederland moet verlaten, wordt aan het afwijzende besluit tevens een inreisverbod gekoppeld. Met betrekking tot de mogelijkheden om een inreisverbod uit te vaardigen, wordt verwezen naar [hoofdstuk A5](onbekend).
Met ingang van 1 januari 2003 is het driejarenbeleid afgeschaft, onder handhaving van het bestaande beleid als overgangsrecht voor aanvragen die op dat moment drie jaar oud waren. Een aanspraak op het driejarenbeleid ontstaat pas op het moment dat de driejarentermijn is volgemaakt. Aanvragen, ontvangen op 1 januari 2000 of latere datum, komen dus niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor inwilliging.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan.
Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de overweging dat als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte kan opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruik kan maken van zijn bevoegdheid de vreemdeling op bepaalde gronden verblijf te weigeren. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). In een reguliere procedure wordt het driejarenbeleid uitgewerkt als een beperking van de afwijzingsgronden. Ingeval de procedure drie jaar heeft geduurd wordt voorbij gegaan aan twee gronden waarop een aanvraag afgewezen zou kunnen worden, te weten het middelenvereiste en het mvv-vereiste. De overige afwijzingsgronden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) blijven van toepassing.
Daarnaast gelden nog de volgende afwijzingsgronden:
Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn; pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt gaat er een nieuwe termijn lopen.
Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. In deze gevallen gaat de termijn lopen vanaf de datum van ontvangst van het rechtsmiddel. Let wel, deze procedure staat los van de procedure die betrekking heeft op de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het tijdsverloop van de oorspronkelijke procedure mag niet worden opgeteld bij het tijdsverloop van de intrekkingsprocedure.
Indien de vreemdeling beroep heeft ingesteld, eindigt het tijdsverloop, behoudens een gegrondverklaring van het beroep met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan, op de datum van de uitspraak, tenzij binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld.
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep, wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep, wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
Bij het berekenen van deze termijn worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten. Het betreft de volgende perioden, waarin:
Het driejarenbeleid voor verblijfsvergunningen regulier regelt slechts de afwijking van het mvv-vereiste en het middelenvereiste. De aanvraag komt dus niet voor inwilliging op grond van het driejarenbeleid in aanmerking indien niet aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van de gevraagde verblijfsvergunning wordt voldaan.
Voor zover een aanvraag is ingediend voor een andere beperking, maar tevens bij de aanvraag is aangegeven dat de aanvraag (mede) is ingediend wegens klemmende redenen van humanitaire aard, dan wel ‘zonder beperking’, geldt deze uitzondering ook. Dit geldt ook voor zaken waarin na de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) door de IND is verzocht een verblijfsrechtelijke beperking aan te geven en de vreemdeling één van de verblijfsdoelen als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) heeft aangegeven.
Deze regeling geldt dus alleen voor de aanvragen om een verblijfsvergunning ‘zonder beperking’, ‘klemmende redenen van humanitaire aard’ en de aanvragen waarin zowel de hier bedoelde gronden zijn genoemd, als een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4).
Aanvragen met een beperking als bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), zonder aanvulling met betrekking tot de klemmende redenen van humanitaire aard, vallen niet onder de regeling.
In de beschikking dient te worden aangegeven dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend op grond van dit beleid, als vastgesteld in Tussentijds Bericht Vc 2002/62. Op het verblijfsdocument komt te staan ‘verblijf onder beperking conform beschikking Minister’. De arbeidsmarktaantekening wordt dan: ‘arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.
Met voortzetting van verblijf wordt hier gedoeld op het continueren van verblijf door middel van (tijdige) verlenging of wijziging beperking. De bepalingen voor het verlenen van verblijf onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ zijn in hoofdstuk B16 opgenomen. Het mvv-vereiste is niet van toepassing op aanvragen om voortzetting van het verblijf. Zie omtrent voortzetting van verblijf tevens B1/2.2, B1/2.3.2 en B1/3.
Een aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van het verblijfsdoel van een verblijfsvergunning die meer dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning is ontvangen, wordt in beginsel aangemerkt als een aanvraag om eerste toelating (zie [artikel 3.80, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80)). Het mvv-vereiste is in deze gevallen onverkort van toepassing.
Ten aanzien van aanvragen om verlenging dan wel wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning, die zijn ingediend na afloop van de eerder verleende vergunning, zijn uitzonderingen opgenomen in [artikel 3.82, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82). Als de vreemdeling onder deze uitzonderingen valt, is [artikel 3.81, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.81) niet van toepassing. Dit betekent dat – indien de vreemdeling niet vóór het einde van de geldigheidsduur van de eerder verleende verblijfsvergunning de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van de vergunning indient – het mvv-vereiste onverkort van toepassing is, ook al is de aanvraag ingediend binnen een redelijke termijn. In [artikel 3.82, tweede lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) is een specifieke bepaling opgenomen voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als geestelijk voorganger of godsdienstleraar. Deze uitzondering wordt gemaakt in het belang van het toezicht op vreemdelingen en de openbare orde. Ten aanzien van deze groep wordt vooraf een onderzoek ingesteld of er vanuit het oogpunt van de openbare orde en openbare rust bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de desbetreffende vreemdeling, en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling als godsdienstig functionaris zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. Dat geldt zowel indien de vreemdeling niet tijdig heeft verzocht om verlenging, als ook indien hij voor een andere groepering wil werken. Echter, indien de vreemdeling, die aanvankelijk een verblijfsvergunning had onder de beperking verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, wijziging naar een geheel ander verblijfsdoel (niet zijnde als geestelijk voorganger of godsdienstleraar) wenst, geldt het reguliere beleid ten aanzien van aanvragen om wijziging van het verblijfsdoel. Ten overvloede zij er hierbij op gewezen dat een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich tegen (al dan niet tijdelijke) verblijfsbeëindiging kan verzetten, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de vreemdeling aantoonbaar zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehouden, geldt het mvv-vereiste onverkort.
In de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15a Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) is een aantal verliesgronden opgenomen voor het Nederlanderschap van meerderjarigen. De aanvraag van de vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren op grond van de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=14), [15](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15) en [15a Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15A) wordt ingevolge [artikel 3.82, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) gelijkgesteld met de niet-tijdig ingediende aanvraag en is daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste, indien de aanvraag binnen een redelijke termijn van twee jaar is ontvangen (zie B4/2.2.3). De uitzonderingsgronden van [artikel 3.82, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82) zijn onverkort van toepassing.
De termijn van twee jaar vangt aan:
De aanvraag van de vreemdeling wiens verblijfsvergunning is ingetrokken (al dan niet met terugwerkende kracht), maar waarbij de aanvraag nog wel is ontvangen binnen de redelijke termijn van twee jaar na de datum waarop de intrekkingsbeschikking is bekendgemaakt, wordt getoetst aan de voorwaarden voor voortzetting van verblijf. De aanvraag is dan namelijk ingediend binnen een redelijke termijn nadat de eerdere verblijfsvergunning is ingetrokken (zie hierboven bij ‘Niet-tijdig maar binnen de redelijke termijn’ ). Dit geldt uiteraard niet indien sprake is van de uitzonderingssituaties bedoeld in [artikel 3.82, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.82):
Indien voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet zowel de verlengingsaanvraag als de gegevens en bescheiden waarmee is aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan, zijn ontvangen, zal het verblijfsrecht van de vreemdeling niet aaneengesloten zijn. Dat heeft gevolgen voor de opbouw van rechten (bijvoorbeeld voor de latere verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie). Het is derhalve van belang dat de vreemdeling de aanvraag en de gegevens tijdig indient.
Verplaatsing hoofdverblijf heeft overigens tot gevolg dat de vreemdeling niet voldoet aan de beperking die verband houdt met het verblijf waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd, zodat de aanvraag met toepassing van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan worden afgewezen.
Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, IND of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht. Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf, stelt de IND de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund. Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/5.1, B1/5.3.2 en B16/7. Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken op gronden bedoeld in [artikel 18, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) met uitzondering van onderdeel b (de vreemdeling beschikt niet over een geldig document voor grensoverschrijding).
Ingevolge het tweede lid van zowel [artikel 16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) als [18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden bedoeld in het eerste lid.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:
De vreemdeling wordt niet geacht zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:
Verplaatsing hoofdverblijf heeft overigens tot gevolg dat de vreemdeling niet voldoet aan de beperking die verband houdt met het verblijf waarvoor de verblijfsvergunning is gevraagd, zodat de aanvraag met toepassing van [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan worden afgewezen.
Bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling het hoofdverblijf heeft verplaatst, wordt rekening gehouden met de situatie van vrouwen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten. Omdat de omstandigheden van deze vrouwen sterk uiteenlopen, geldt dat als de achtergelaten vrouw zich zonder dralen tot de Nederlandse overheid (gemeente, ambassade, consulaat, IND of Vreemdelingenpolitie) heeft gewend om naar Nederland te kunnen terugkeren, verplaatsing van het hoofdverblijf niet wordt aangenomen. Wat ‘zonder dralen’ is, wordt van geval tot geval bezien; hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijkheden die de positie van de achtergelaten vrouw met zich mee heeft gebracht. Als een beroep wordt gedaan op achterlating, kan van de vreemdelinge worden gevergd om de omstandigheden waar een beroep op wordt gedaan met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Indien het beroep op achterlating niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortzetting van verblijf, stelt de IND de vreemdelinge in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt hiertoe een termijn van vier weken gegund. Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/5.1, B1/5.3.2 en B16/7. Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.
### 7.2.3. Bijzondere categorieën
### 6. Verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
Verblijfsbeëindiging blijft achterwege, indien dat in strijd zou komen met een ieder verbindende verdragsbepaling (bijvoorbeeld artikel 8 EVRM) of voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de beleidsregel te dienen doelen (zie [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84)).
In dergelijke gevallen kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd echter wel (ambtshalve) worden gewijzigd wegens veranderde omstandigheden, met toepassing van [artikel 14, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). Door die wijziging wordt dan de onjuiste situatie uit het verleden gecorrigeerd door de beperkingen en voorschriften die aan de verblijfsvergunning waren verbonden te vervangen door beperkingen en voorschriften op basis van de veranderde omstandigheden.
Indien wordt vastgesteld dat er bij de verlening, verlenging of wijziging van een verblijfsvergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, wordt de zaak bezien op aangifte van een strafbaar feit bij het OM (zie [artikel 162 WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=162)). Daarbij kan wel van belang zijn wie de onjuiste gegevens heeft verstrekt of de juiste gegevens heeft achtergehouden, of dat opzettelijk is gebeurd, en of de vreemdeling daarbij persoonlijk betrokken is geweest.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Ingevolge [artikel 18, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Die regels zijn neergelegd in [artikel 3.83 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.83).
Hetgeen geldt voor het verlenen van de verblijfsvergunning geldt eveneens voor de verlenging van de verblijfsvergunning. Ook indien eerder bij de verlening van een verblijfsvergunning het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding niet is tegengeworpen, dient bij de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur te worden beoordeeld of de vreemdeling in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding of daarvan kan worden vrijgesteld. Er kan immers sprake zijn van wijziging van omstandigheden, waardoor de aanvankelijke reden om het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding niet tegen te werpen niet langer geldt.
Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en de [Vc](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287) in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en B15) andersluidende bepalingen opgenomen. Indien een vreemdeling voldoet aan het looncriterium in het kader van de kennismigrantenregeling (zie B15) wordt zondermeer aangenomen dat hij voldoet aan het vereiste om duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
Als hoofdregel geldt dat vreemdelingen die in Nederland willen verblijven, zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bepaalde gevallen dient degene bij wie de vreemdeling in Nederland wil verblijven zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Voor degene bij wie de vreemdeling wil verblijven geldt als uitgangspunt dat diens solvabiliteit buiten twijfel moet staan. Deze persoon wordt in ieder geval niet als solvabel aangemerkt in geval van faillissement of surseance van betaling, omdat daarbij onder meer de (vrije) beschikking over het vermogen of de boedel is verloren.
**NB1:**
Ingevolge [artikel II bij het besluit van 5 juli 2002 tot wijziging van artikel 3.86 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0013860&artikel=II) (Stb. 2002, 371, in werking getreden op 17 juli 2002) blijft het gewijzigde Besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van dit Besluit gepleegd misdrijf waartegen een gevangenisstraf van twee jaar of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld.
**NB2:**
Ingevolge [artikel II bij het besluit van 29 september 2004 tot wijziging van artikel 3.86 Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017262&artikel=II) (Stb. 2004, 496, in werking getreden op 1 november 2004), blijft het gewijzigde Besluit buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd, tenzij die vreemdeling wegens een na inwerkingtreding van dit Besluit gepleegd misdrijf bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot jeugddetentie of een maatregel is opgelegd als bedoeld in [artikel 38m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m) of [77h, vierde lid, onder a, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h).
Deze regels zijn van toepassing op alle gevallen waarin sprake is van verlenging of wijziging van het verblijf, alsmede indien een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt ingetrokken.
Aan straffen en maatregelen die zijn opgelegd wegens zeer ernstige misdrijven, dat wil zeggen misdrijven die de rechtsorde zeer ernstig schokken en die veelal een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers ten gevolge hebben, wordt een zwaarder gewicht toegekend. Dit zijn misdrijven waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd. Indien sprake is van een veroordeling voor een dergelijk misdrijf is [artikel 3.86, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) van toepassing.
Indien sprake is van een vreemdeling die wegens tenminste drie misdrijven is veroordeeld, wordt de vreemdeling aangemerkt als een veelpleger en zijn de normen van artikel 3.86, vijfde lid Vb, van toepassing.
In geval van eendaadse of meerdaadse samenloop wordt uitgegaan van één misdrijf. Een voorbeeld van meerdaadse samenloop is dat een winkeldiefstal die gepaard gaat met wederspannigheid en/of belediging van een ambtenaar in functie kan drie misdrijven kan opleveren. In dat geval wordt echter uitgegaan van één misdrijf en niet van drie misdrijven.
De enkele omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, wordt niet gebaseerd op iedere willekeurige misstap die tot een sanctie heeft geleid. De misdraging moet wel voldoende ernstig zijn geweest. De ernst komt tot uiting in het feit dat alleen misdrijven in aanmerking worden genomen. Bovendien moet ook de sanctie die daarop is gevolgd, voldoende zwaar zijn. Dat betekent dat misdragingen die strafrechtelijk als overtreding worden gekwalificeerd of die buiten het strafrecht zijn afgedaan (bijvoorbeeld met een bestuurlijke boete of uitsluitend een civiele veroordeling tot schadevergoeding) buiten beschouwing blijven. Of een bepaalde misdraging een misdrijf of een overtreding is, is afhankelijk van de desbetreffende wetgeving.
Tegen de meeste misdrijven is een maximale door de rechter op te leggen straf bedreigd van drie jaar of meer. Een aantal misdrijven kent een lagere strafbedreiging van twee jaar, waarvan de belangrijkste is vernieling ([artikel 350 WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=350)).
Indien de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid wordt de termijn met toepassing van [artikel 25, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) met maximaal drie maanden verlengd.
Bij de glijdende schaal worden alleen de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van de straf meegeteld bij de berekening van de norm in de glijdende schaal.
Bij een verblijfsduur van ten minste tien jaar wordt alleen tot verblijfsbeëindiging over gegaan ingeval van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en misdrijven uit de Opiumwet waarvoor een strafbedreiging geldt van zes jaar of meer.
Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde betrokken, doch slechts voor zover het gaat om strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn. Dat geldt ook indien het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar Nederlands recht een misdrijf is. Of het feit naar Nederlands recht een misdrijf is (waartegen een gevangenisstraf van twee, onderscheidenlijk drie of zes jaren of meer is bedreigd) wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) of de bijzondere Nederlandse strafwetten. Bij verblijfsbeëindiging gaat het om (een of meer) strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn waartegen een gevangenisstraf van respectievelijk twee, onderscheidenlijk drie of zes jaren of meer is bedreigd.
Tot intrekking dan wel niet-velenging zal niet eerder worden overgegaan dan nadat er een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval heeft plaatsgevonden. Voor de wijze waarop in individuele gevallen aan artikel 8 EVRM wordt getoetst, wordt verwezen naar B1/10.
Na beoordeling en eventuele niet-verlenging of intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zal de IND DUO informeren over het resultaat ervan.
Tenslotte is voor een nader omschreven groep secundaire migranten geregeld dat hun aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur alleen mag worden afgewezen op grond van [artikel 21, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) (zie [artikel 21a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a), B1/7.2.4 en B1/7.2.6).
Richtlijn 2003/109 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen geeft materiële en procedurele normen voor de toekenning en intrekking van een Europese verblijfstitel voor langdurig ingezetenen en de daarbij behorende rechten en voorwaarden waaronder langdurig ingezetenen in andere lidstaten van de EU mogen verblijven.
Het is de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), ongeacht op welke gronden die is verleend, toegestaan voor onbepaalde tijd in Nederland te verblijven. Deze vergunning behoeft dus niet te worden verlengd. Het verblijfsdocument, waaruit het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd blijkt, moet elke vijf jaren worden vernieuwd. De vreemdeling dient ervoor zorg te dragen dat het verblijfsdocument telkens vijf jaar na de afgifte daarvan wordt vervangen door een nieuw exemplaar.
De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt slechts verleend op aanvraag, indien op het moment van de aanvraag (zie [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21)), of de beslissing daarop (zie [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a)), aantoonbaar aan alle voorwaarden voor de verlening wordt voldaan. Weliswaar ontstaat op grond van de Richtlijn 2003/109 aanspraak op toekenning van de status van EG-langdurig ingezetene, maar die aanspraak is afhankelijk van voorwaarden, terwijl de lidstaat onder omstandigheden kan weigeren de status toe te kennen. De status ontstaat dan ook niet van rechtswege, maar moet door de lidstaat uitdrukkelijk worden toegekend. De verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening “EG-langdurig ingezetene” heeft derhalve niet slechts een declaratoir, maar constitutief karakter. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt dan ook niet ambtshalve nagegaan of de aanvrager op enig moment in het verleden aanspraak zou hebben kunnen doen gelden op de verlening van de verblijfsvergunning indien die destijds zou zijn aangevraagd.
In B1/6.1 worden de algemene voorwaarden ingevolge [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) juncto [artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), inzake de toekenning van de Europese status van langdurig ingezetene behandeld. In B1/7.1 en verder worden de afwijzingsgronden ingevolge [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) inzake de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ behandeld en in B1/7.2 en verder worden de afwijzingsgronden ingevolge [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto [artikel 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) inzake de toekenning van de vergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden behandeld.
In deze paragraaf worden de algemene voorwaarden voor de toekenning van de Europese status van langdurig ingezetene met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) behandeld. Deze hebben betrekking op:
Indien het verblijfsrecht formeel beperkt is, of is geweest in de periode van vijf jaar, wordt de aanvraag afgewezen. Omdat het hier gaat om een uitwerking van artikel 3 Richtlijn 2003/109 over het toepassingsbereik hiervan, verzet het vertrouwen dat de lidstaten onderling moeten hebben in elkaars beslissingen met betrekking tot de uitvoering van deze richtlijn, zich er tegen dat de vergunning wordt verleend aan personen die niet vallen binnen het toepassingsbereik van deze richtlijn.
Gelet hierop is er in het kader van de inherente afwijkingsbevoegdheid geen ruimte om de status van langdurig ingezetene toe te kennen.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad.
Op grond van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) wordt onder bepaalde voorwaarden afgeweken van:
Een en ander betekent dat de overige in [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde voorwaarden onverkort van toepassing zijn.
Tenslotte is voor een nader omschreven groep secundaire migranten geregeld dat hun aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur alleen mag worden afgewezen op grond van [artikel 21, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) (zie [artikel 21a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a), B1/7.2.4 en B1/7.2.6).
Gelet op [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), slechts worden afgewezen op de in [artikel 21, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde gronden, dan wel krachtens de op grond van [artikel 21, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) te stellen regels. Deze gronden worden behandeld in B1/7.1.1 tot en met B1/7.1.11.
Het verblijf in Nederland dient in beginsel ononderbroken te zijn. De aanvraag wordt echter niet in alle gevallen afgewezen waarin de verblijfsduur niet aaneensluitend is. Zo is een onderbreking van het verblijf in Nederland door verblijf buiten Nederland gedurende maximaal zes maanden achtereenvolgend, of maximaal tien maanden in de gehele periode van vijf jaar, onvoldoende om de aanvraag af te wijzen. Deze perioden tellen echter niet mee voor de berekening van de totale verblijfsduur van vijf jaren.
Op grond van [artikel 21, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Richtlijn 2003/109 laat niet toe dat uitzonderingen worden gemaakt op de duur van het rechtmatig verblijf. Wel mogen de lidstaten uitzonderingen maken op de voorwaarde dat het rechtmatig verblijf ononderbroken moet zijn.
Op grond van [artikel 3.92, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) wordt de aanvraag niet af gewezen, om reden dat het rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) niet vijf jaar aaneengesloten is geweest, indien de aanvraag is ingediend door een meerderjarige die zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en:
Op grond van [artikel 3.92, derde lid, sub c en d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), wordt de aanvraag van de houder van een Europese blauwe kaart niet afgewezen als deze houder:
Bij de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, is van doorslaggevend belang dat het verblijfsrecht van de vreemdeling niet-tijdelijk van aard is. Daarmee wordt voorkomen dat een vreemdeling met een tijdelijk verblijfsrecht bijvoorbeeld op grond van een verblijfsvergunning voor studie aanspraak kan maken op de verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en zo het tijdelijke karakter aan zijn verblijfsrecht kan ontnemen. Indien het doel waarvoor deze vreemdeling verblijf is toegestaan is bereikt of beëindigd, wordt dat verblijf beëindigd en dient de vreemdeling Nederland weer te verlaten. Daarmee is niet te verenigen dat deze vreemdeling in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en derhalve Nederland niet zou hoeven te verlaten.
Indien het verblijfsrecht formeel beperkt is, of is geweest in de periode van vijf jaar, wordt de aanvraag afgewezen. Omdat het hier gaat om een uitwerking van artikel 3 Richtlijn 2003/109 over het toepassingsbereik hiervan, verzet het vertrouwen dat de lidstaten onderling moeten hebben in elkaars beslissingen met betrekking tot de uitvoering van deze richtlijn, zich er tegen dat de vergunning wordt verleend aan personen die niet vallen binnen het toepassingsbereik van deze richtlijn.
Gelet hierop is er in het kader van de inherente afwijkingsbevoegdheid geen ruimte om de status van langdurig ingezetene toe te kennen.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad.
Indien in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag sprake is geweest van perioden van verblijf op grond van een tijdelijke verblijfsvergunning wordt de status van EG-langdurig ingezetene niet toegekend.
De vreemdeling die na zijn verblijf voor studiedoeleinden een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft gekregen dat hem in staat stelt de status van langdurig ingezetene te krijgen, mag de daaraan voorafgaande periode van verblijf voor studie voor de helft meetellen bij de berekening van de vereiste verblijfsduur van vijf jaren (zie [artikel 3.92, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92)).
Op grond van [artikel 21, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen, indien de vreemdeling in de periode, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder a, Vw zes of meer achtereenvolgende maanden of in totaal tien of meer maanden buiten Nederland heeft verbleven.
Het verblijf in Nederland dient in beginsel ononderbroken te zijn. De aanvraag wordt echter niet in alle gevallen afgewezen waarin de verblijfsduur niet aaneensluitend is. Zo is een onderbreking van het verblijf in Nederland door verblijf buiten Nederland gedurende maximaal zes maanden achtereenvolgend, of maximaal tien maanden in de gehele periode van vijf jaar, onvoldoende om de aanvraag af te wijzen. Deze perioden tellen echter niet mee voor de berekening van de totale verblijfsduur van vijf jaren.
De aanvraag wordt niet vanwege overschrijding van de bovengenoemde termijn van onderbreking van het verblijf afgewezen indien deze is ingediend door:
Deze uitzondering geldt ook als de houder van een Europese blauwe kaart geen gebruik heeft gemaakt van zijn intra-communautaire mobiliteit, maar als houder van een Europese blauwe kaart in het land van herkomst of derde land heeft verbleven (zie [artikel 3.92, derde lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92)).
Het gedeelte van het verblijf buiten Nederland dat tien maanden in totaal, of bij aaneengesloten verblijf buiten Nederland het tijdvak van zes maanden, te boven gaat wordt buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het tijdvak van vijf jaar ([artikel 3.92, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92)).
De beoordeling of de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden voor zover die blijkt uit diens gedragingen.
Vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland wordt niet aangenomen op de enkele grond dat de vreemdeling:
Daarnaast geldt als beleidsregel dat een vreemdeling niet geacht wordt zijn hoofdverblijf buiten Nederland te hebben gevestigd:
Zie ten aanzien van achtergelaten vrouwen tevens B1/5.1, B1/5.3.2 en B16/7.
Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van achtergelaten vrouwen. Vanzelfsprekend kunnen ook mannen en minderjarigen een beroep doen op de omstandigheid dat zij zijn achtergelaten.
Van een langdurig in Nederland verblijvende vreemdeling kan worden verlangd zich tegen dergelijke kosten te verzekeren, opdat de eventuele kosten niet worden afgewenteld op de samenleving. De vreemdeling is als regel zelfs verplicht zich tegen ziektekosten te verzekeren ingevolge de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450).
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling, al of niet tezamen met het gezinslid bij wie hij verblijft, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Wanneer de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam over middelen van bestaan beschikt ter hoogte van minimaal de norm voor alleenstaanden kan het duurzame en zelfstandige inkomen van het gezinslid bij wie hij verblijft worden meegeteld. Dan geldt wel de toepasselijke gezinsnorm.
### 7.1.9. Rechtmatig verblijf (werkingssfeer)
### 7.1.8. Onjuiste gegevens
Het gaat om de volgende groepen vreemdelingen:
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, aanhef en onder k, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), worden afgewezen indien de vreemdeling het examen, bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), niet heeft behaald.
In [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) is het inburgeringsvereiste geregeld met betrekking tot de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Op grond van artikel 3.96a, eerste lid, Vb wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijf afgewezen, indien de vreemdeling het examen bedoeld in [artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), niet heeft behaald.
Langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, die in een andere lidstaat van de Europese Unie de status van langdurig ingezetene hebben verworven, moeten het volledige inburgeringsexamen met goed gevolg hebben afgelegd om na verloop van vijf jaren ook in Nederland de status van langdurig ingezetene (een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd) te kunnen verwerven. Dat is op grond van artikel 23, eerste lid, in samenhang met artikel 5, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG aanvaardbaar. Indien zij dat inburgeringsexamen niet behalen, verkrijgen zij in Nederland niet de status van langdurig ingezetene. Ook komen zij in dat geval niet in aanmerking voor de ‘gewone’ verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
Op grond van [artikel 3.96a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) wordt de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd afgewezen als de vreemdeling het examen bedoeld in [7, tweede lid, onderdeel a, van de Wet Inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=7), of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in [artikel 5, eerste lid, onderdeel c, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=5), niet heeft behaald. Dit is ingevolge artikel 3.96a, tweede tot en met het vierde lid, Vb niet van toepassing indien:
B1/4.7.2.1 ad b is van toepassing.
B1/4.7.2.1 ad c en d is van overeenkomstige toepassing.
B1/4.7.2.1 ad e en f is van overeenkomstige toepassing.
In artikel [3.96a, tweede lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie [artikel 6, eerste lid, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6), zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en artikel 6, eerste lid, onder a, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie [artikel 2.8, eerste lid, Besluit inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020674&artikel=2.8)). Deze beslissing heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
In [artikel 3.96a, tweede lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) is ook de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing (in geval dat de vreemdeling voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig is geworden) of die van DUO (in geval dat de vreemdeling na 31 december 2012 inburgeringsplichtig is geworden) dat het voor een vreemdeling vanwege aantoonbaar geleverde inspanningen redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond van de inburgeringsplicht ontheven (zie [artikel 31, tweede lid, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=31), zoals deze luidde voor 1 januari 2013, en [artikel 6, eerste lid, onder b, Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=6)).Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W of van DUO. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.
Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 7.1.11.2.
Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 7.1.11.3.
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt niet verleend aan vreemdelingen die op het moment van de aanvraag (of de beslissing daarop) korter dan vijf jaren in Nederland verblijven als houder van een geldige verblijfsvergunning, of als vreemdeling die van rechtswege krachtens het gemeenschapsrecht of krachtens het Associatieovereenkomst EG/Turkije verblijfsgerechtigd zijn. Voor onderdanen van de EU/EER en van Zwitserland wordt verwezen naar de specifieke bepalingen ten aanzien van duurzaam verblijf in B10.
De IND maakt ter beoordeling van de psychische of lichamelijke belemmering eveneens gebruik van het medische advies van de onafhankelijke arts (artikel 2.8, eerste lid, Besluit inburgering). Betrokkene toont zelf door middel van een ‘medisch advies inburgeringsexamen’ aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de procedure gevolgd te worden, zoals omschreven in B1/4.7.2.2.
In [artikel 3.96a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over het inburgeringsdiploma en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet voldoet aan het inburgeringsvereiste, indien de toepassing van het inburgeringsvereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het inburgeringsvereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, motiveert dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en onderbouwt dit zo veel als mogelijk met bewijsstukken.
Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij aan het inburgeringsvereiste voldoet. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.
Indien geen (afdoende) bewijs wordt overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vast staat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) in samenhang met [artikel 3.96a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) afgewezen wegens het niet behalen van het inburgeringsexamen.
Bij de toepassing van de hardheidsclausule kan ondermeer worden gedacht aan de situaties in de volgende paragrafen.
Het gaat om de volgende groepen vreemdelingen:
Met betrekking tot deze oud-Nederlanders geldt dat zij, gelet op de duur van hun eerder rechtmatig verblijf en de omstandigheid dat zij op enig moment Nederlander zijn geweest, worden geacht ingeburgerd te zijn in de Nederlandse samenleving.
Ook voor de vreemdelingen die in het kader van de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) zijn teruggekeerd geldt dat zij, gelet op de daaraan voorafgaande verblijfsduur en rechtspositie, geacht worden nauwe banden te hebben met de Nederlandse samenleving en te zijn ingeburgerd. Bovendien moeten zij, om voor wedertoelating in aanmerking te komen, binnen een jaar na emigratie naar Nederland terugkeren.
Voor deze categorie vreemdelingen geldt dat zij, gelet op hun leeftijd, geacht worden geen bewuste keuze te hebben gemaakt voor terugkeer naar het land van herkomst en dat zij geacht worden nauwere banden met Nederland te hebben dan met het land van herkomst.
De hardheidsclausule kan ook toegepast worden in de situaties waarin de Minister voor I&A op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor deze vreemdeling redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.
B1/4.7.2.3, kopje B. **Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het inburgeringsexamen te behalen** is van overeenkomstige toepassing.
Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene stelt, hoewel inburgeringsplichtig, geen aanbod tot een inburgeringsvoorziening of geen inburgeringsvoorziening opgelegd te hebben gekregen of geen aanbod tot een taalkennisvoorziening te hebben gekregen van de gemeente of nimmer hebben geweten het inburgeringsexamen behaald te moeten hebben.
Indien de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan worden toegekend, moet volgens de systematiek van de wet ambtshalve worden getoetst of deze kan worden verleend op nationale gronden met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a), dan wel krachtens dat artikel gestelde regels. In geval aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden verleend.
Voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden gelden, voorzover hierop in de [artikelen 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a), [3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.94 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.94) geen uitzondering is gemaakt, de afwijzingsgronden van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) (zie B1/7.1.3, B1/7.1.5, B1/7.1.6, B1/.7.1.7, B1/7.1.9 en B1/7.1.11. De hiervoor bedoelde uitzonderingsbepalingen zijn in B1/7.2.1 tot en met B1/7.2.7 opgenomen.
Ingevolge [artikel 21a, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet afgewezen op het middelenvereiste indien de vreemdeling:
In afwijking van [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) wordt de aanvraag niet afgewezen indien de vreemdeling op het moment van de aanvraag niet, maar op het moment van beslissing wel vijf jaar rechtmatig verblijf heeft.
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt niet verleend aan vreemdelingen die op het moment van de aanvraag (of de beslissing daarop) korter dan vijf jaren in Nederland verblijven als houder van een geldige verblijfsvergunning, of als vreemdeling die van rechtswege krachtens het gemeenschapsrecht of krachtens het Associatieovereenkomst EG/Turkije verblijfsgerechtigd zijn. Voor onderdanen van de EU/EER en van Zwitserland wordt verwezen naar de specifieke bepalingen ten aanzien van duurzaam verblijf in B10.
Niet van belang is of de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een verblijfsvergunning asiel of regulier is. Indien de vreemdeling aanvankelijk als houder van een verblijfsvergunning asiel in Nederland heeft verbleven en het verblijf aansluitend heeft voortgezet op grond van een verblijfsvergunning regulier, wordt de gehele ononderbroken periode in aanmerking genomen.
De periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven, telt eveneens mee (zie B4).
Ingevolge [artikel 3.93, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) wordt de aanvraag tot het verlenen van een vergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden, bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), niet afgewezen wegens het verstrekken van onjuiste gegevens of het achterhouden van gegevens die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zou hebben geleid, indien sinds de verlening, de verlenging of de wijziging een periode van twaalf jaren is verstreken.
Indien het verblijfsrecht van de vreemdeling tijdelijk van aard is, dient de vreemdeling er eerst zorg voor te dragen dat de verblijfsvergunning wordt gewijzigd.
Als voorbeeld kan worden genoemd de vreemdeling aan wie in aansluiting op (tijdelijk) verblijf in het kader van studie in het kader van gezinsvorming met een Nederlander (niet-tijdelijk) verblijf is toegestaan, en die nadien een aanvraag indient tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde duur. Zijn verblijfsrecht is op het moment van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard. Dat hij daarvoor enkele jaren verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad, is niet van belang. Wel moet het eerdere verblijfsrecht in totaal ten minste vijf jaren bestrijken (zie B1/7.2.1).
Indien een vreemdeling zich in bewaring bevindt, dient de intrekking te allen tijde te geschieden middels het [model M53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M53).
In afwijking van [artikel 21a, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), behoeft het rechtmatig verblijf van de vreemdeling niet aaneengesloten te zijn. Wel dient dat rechtmatige verblijf ten minste vijf jaren te beslaan (zie [artikel 21, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) in samenhang met [artikel 21a, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a)).
Aanspraak op hernieuwd verblijf, de terugkeeroptie, geldt in bepaalde gevallen voor kinderen van migranten, welke kinderen naar het land van hun nationaliteit zijn gegaan of teruggekeerd (zie [artikelen 3.92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) en [3.93 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en B4/5).
Weliswaar zijn burgers van de Unie uitgezonderd van het toepassingsbereik van Richtlijn 2003/109 en komen zij derhalve niet in aanmerking voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’, zij kunnen echter wel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden.
**Ad b**
Indien bedoelde twaalf jaren zijn verstreken weegt het algemene belang niet (langer) op tegen het belang van de vreemdeling bij voortzetting van het verblijf in Nederland (zie B1/5.3.3).
Ingevolge [artikel 22, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) kan de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden ingetrokken of gewijzigd indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt.
Voor de voorwaarden voor toekenning van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) aan de houder van een status als bijzonder geprivilegieerde of diens afhankelijk gezinslid wordt verwezen naar B12/2.1.2.1, B12/2.1.2.2, B12/2.2.2.1, B12/3.3.1 en B12/3.3.2.
Voor intrekking van de verblijfsvergunning wegens het bestaan van een actuele en ernstige bedreiging van de nationale veiligheid is oplegging van een straf of maatregel niet vereist en is mitsdien de glijdende schaal niet van toepassing.
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst. Deze factoren zijn tevens van belang voor de individuele belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM (zie B2/10).
In deze paragraaf worden de intrekkings- en wijzigingsgronden van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd behandeld. Deze gronden zijn zowel geldend voor de vergunning die verleend is met toepassing van [artikel 21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) als met toepassing [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) en hebben betrekking op:
Op grond van [artikel 22, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de in het eerste lid genoemde grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.95 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95).
In gevallen van verblijfsbeëindiging levert de vreemdeling zijn verblijfsdocument in op grond van [artikel 4.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.52).
De politie zendt het verblijfsdocument voorzien van een begeleidend schrijven, waarin de reden van inname alsmede ten minste het adres van de vreemdeling in het buitenland staan vermeld, naar de IND.
Ingevolge [artikel 22, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken indien de vreemdeling langdurig ingezetene is geworden in een andere staat die partij is bij het EG-Verdrag.
Ingevolge [artikel 22, eerste lid onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) juncto [artikel 3.95, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95) wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) ingetrokken indien de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen.
Op grond van Richtlijn 2003/109 moet de status van EG-langdurig ingezetene in een voorkomend geval worden ingetrokken, ongeacht de tijd die sedert de verkrijging is verstreken.
Indien echter sedert de verkrijging een periode van twaalf jaren is verstreken wordt de verblijfsvergunning gewijzigd, indien daarop de aantekening “EG langdurig ingezetene” was geplaatst. In een dergelijk geval wordt deze gewijzigd in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a). Hiermee vervalt dus het recht om zich als “EG-langdurig ingezetene” in een andere lidstaat te vestigen.
Een herhaalde aanvraag is een aanvraag, die op grond van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) kan worden afgewezen (zie [artikel 1, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)). Het gaat dus om een aanvraag die is ingediend overeenkomstig de formele vereisten van [artikel 3.26 tot en met 3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.26) of [artikel 3.30 tot en met 3.32 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.30).
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst. Deze factoren zijn tevens van belang voor de individuele belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM (zie B2/10).
De bepalingen uit deze paragraaf die gelden voor intrekking van de vergunning voor onbepaalde tijd zijn ook van toepassing op de ongewenstverklaring. Het feit dat de ongewenstverklaring een zwaarder middel is dan de enkele verblijfsbeëindiging brengt met zich mee dat bij eventuele ongewenstverklaring tenminste ook de bepalingen van deze paragraaf in acht worden genomen.
Indien de intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wegens het bestaan van een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid niet leidt tot verwijdering, wordt de verblijfsvergunning gewijzigd. In geval daarop de aantekening “EG-langdurig ingezetene” was gesteld, wordt deze gewijzigd in een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden.
Hoofdregel: De aanvraag tot het verlenen, verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend bij de IND (zie [artikel 4:1 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:1), in samenhang met [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a)).
Specifiek geldt voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een vreemdeling die niet in het bezit is van de vereiste mvv en die woonachtig is in de gemeente die vermeld is in kolom A van [bijlage 18, behorend bij artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=18), dat de aanvraag wordt ingediend bij het met die gemeente corresponderende in kolom B van deze bijlage vermelde kantoor van de IND.
De verblijfsvergunning regulier (zowel voor bepaalde tijd als ook voor onbepaalde tijd) wordt op aanvraag verleend. Daarop bestaan ingevolge [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) slechts drie uitzonderingen, waarin de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) ambtshalve kan worden verleend. De verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ook van de hierboven genoemde verblijfsvergunningen (beperkingen), geschiedt op aanvraag. Deze verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan wel ambtshalve worden gewijzigd. Tenslotte wordt een verzoek om heroverweging van een eerdere afwijzende beschikking aangemerkt als een herhaalde aanvraag als bedoeld in [artikel 1, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) en leidt evenmin tot de ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning.
Een vreemdeling kan hetzij middels een [model M53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M53), hetzij middels een brief een aanvraag en eventuele vervolgprocedures intrekken.
Een vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde kan een aanvraag en eventuele vervolgprocedures schriftelijk intrekken. Het op schrift gestelde dient wel ondertekend te zijn door de vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of gevolmachtigde.
Uit de inhoud van de brief dient duidelijk naar voren te komen welke aanvraag of vervolgprocedure wordt ingetrokken. In geval van twijfel dient de IND zich ervan te vergewissen welke aanvraag of vervolgprocedure wordt ingetrokken. Hiertoe zal de IND zich schriftelijk tot de vreemdeling, zijn wettelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde wenden. Indien de vreemdeling een raadsman heeft, neemt de IND na ontvangst van de brief contact op met de raadsman voor het beëindigen van de procedure(s).
Er is enkel sprake van nieuwe feiten en omstandigheden indien die:
Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking. De aanvrager behoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld de aanvraag inhoudelijk dan wel procedureel aan te vullen; van het toepassen van [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) kan immers worden afgezien.
[Artikel 3.1, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1) bepaalt dat tijdens de behandeling van een aanvraag uitzetting niet achterwege blijft indien naar het voorlopig oordeel van de Minister sprake is van een herhaalde aanvraag. Gelet op de strekking van dit artikel is het noodzakelijk om een herhaalde aanvraag met grote voortvarendheid te behandelen.
Worden wel nieuw gebleken feiten en omstandigheden vermeld, dan is er geen sprake van een herhaalde aanvraag, maar van een tweede of volgende aanvraag.
NB.: In een bezwaarschrift, gericht tegen de afwijzing van de herhaalde aanvraag, aangevoerde nieuwe feiten of omstandigheden zijn geen reden voor gegrondverklaring van het bezwaarschrift, aangezien zij niet aangevoerd zijn bij de aanvraag en daarom niet afdoen aan de juistheid van de verkorte afdoening van de aanvraag. Deze nieuwe feiten en omstandigheden kunnen aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning of een mvv in te dienen.
Een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking, dat veelal per brief wordt gedaan, is - voor zover hier van belang - niet ingediend overeenkomstig de vereisten van [artikel 3.26 tot en met 3.28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.26) of [artikel 3.30 tot en met 3.32 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.30).
De aanvraag wordt altijd schriftelijk ingediend. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij er op gewezen dat de aanvraag schriftelijk moet worden ingediend.
Als hoofdregel wordt de aanvraag, in het belang van de behandeling van die aanvraag en in het belang van het toezicht op vreemdelingen, door de vreemdeling in persoon bij de IND ingediend. Indien de vreemdeling het aanvraagformulier niet in persoon inlevert, doch het schriftelijk retourneert, zal hij worden verzocht in persoon te verschijnen teneinde alsnog een aantal gegevens in persoon te verstrekken. De ambtenaar van de IND tekent op het aanvraagformulier aan op welke datum de aanvraag door hem is ontvangen.
Specifiek geldt voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een vreemdeling die niet in het bezit is van de vereiste mvv en die woonachtig is in de gemeente die vermeld is in kolom A van [bijlage 18, behorend bij artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=18), dat de aanvraag wordt ingediend bij het met die gemeente corresponderende in kolom B van deze bijlage vermelde kantoor van de IND.
Deze verplichting geldt niet voor de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één van de door de Minister van BuZa aangewezen landen dan wel de vreemdeling die een gemeenschapsonderdaan of burger van de EU is. Het gaat hier om de nationaliteiten van de volgende landen: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Duitsland, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Vaticaanstad, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.
Alvorens de aanvraag in persoon te kunnen indienen, zal de vreemdeling daartoe eerst telefonisch een afspraak dienen te maken: 0900 – 1234561.
In afwijking van de hoofdregel wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel ingediend bij de politie van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft.
De politie stuurt de aanvraag na ontvangst per omgaande rechtstreeks door naar de IND, zodat op deze aanvraag binnen 24 uur kan worden beslist.
De betreffende instelling voor hoger onderwijs kan de aanvraag indienen namens de vreemdeling die onderwijs aan die onderwijsinstelling beoogt.
De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt eveneens schriftelijk ingediend bij de IND (zie [artikel 3.33b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b)).
Voor de specifieke bepalingen ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel in bewaring wordt verwezen naar B9/3.1.
De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan ingevolge [artikel 3.101, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) worden ingediend bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Australië, Canada of Nieuw Zeeland, indien de Australische, Canadese of Nieuw-Zeelandse vreemdeling in het kader van een uitwisselingsprogramma tussen Nederland en een van die landen in Nederland wil verblijven. De aanvraag kan ook in Nederland worden ingediend bij de IND.
Aanvragen met betrekking tot het vervangen of het vernieuwen van verblijfsdocumenten om redenen als genoemd in [artikel 4.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.22) kunnen worden toegezonden aan de IND. De aanvrager kan daartoe via het landelijk nummer van de IND telefonisch een aanvraagformulier, aanvragen. Dit aanvraagformulier wordt door het Hoofd van de IND vast gesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld. Dit aanvraagformulier kan vervolgens, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bescheiden, worden geretourneerd aan de IND.
Een formulier kan worden verkregen via de website en de infolijn van de IND. Het formulier kan tevens worden afgehaald bij het IND-loket van de desbetreffende IND-locatie.
Indien de aanvraag wordt ingediend door middel van een brief die de bewoordingen van het toepasselijke formulier volgt en die alle daarbij gevraagde gegevens omvat, wordt deze – met inachtneming van de overige vereisten – in behandeling genomen.
Bij een aanvraag om eerste toelating zal het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd na inreis op een geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor paalde tijd na inreis zonder geldige mvv, hetzij het aanvraagformulier tot afgifte van een bewijs waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, aan de vreemdeling worden verstrekt. Indien de aanvraag wordt ingediend door middel van een brief die de bewoordingen van het toepasselijke formulier volgt en die alle daarbij gevraagde gegevens omvat, wordt deze – met inachtneming van de overige vereisten – in behandeling genomen.
De aanvraag wordt ondertekend door de vreemdeling zelf of door diens wettelijk vertegenwoordiger. Als zodanig gelden uitsluitend een ouder, voogd of curator (dus niet een advocaat of zaakwaarnemer). Degene die een aanvraag namens een minderjarig kind wenst in te dienen, toont aan diens wettelijk vertegenwoordiger te zijn. Indien dat niet is aangetoond, geeft de IND een termijn van drie maanden om dat gebrek te herstellen. Dat laatste geschiedt hetzij door een voogdijvoorziening in Nederland, hetzij door de ondertekening van de aanvraag namens het kind door de wettelijk vertegenwoordiger van het kind in het land van herkomst. Indien na afloop van de termijn van drie maanden de wettelijke vertegenwoordiging niet is geregeld en het kind jonger is dan twaalf jaar, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld. Indien het kind twaalf jaar of ouder is, kan genoegen worden genomen met ondertekening door het kind zelf.
De aanvraag bevat in ieder geval de naam en het adres van de vreemdeling, en de dagtekening van de aanvraag (zie [artikel 4:2, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)). Bij ontvangst van de aanvraag wordt aangetekend op welke datum de aanvraag is ontvangen.
Aan vreemdelingen van twaalf jaar en ouder die een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen wordt een antecedentenverklaring ter ondertekening voorgelegd (zie [bijlage 12 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12)). Burgers van de EU en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, mag geen antecedentenverklaring ter ondertekening worden voorgelegd. Hetzelfde geldt voor onderdanen van de EER en Zwitserland en hun familieleden. Voor specifieke bepalingen ten aanzien van de vreemdeling die de Belgische of Luxemburgse nationaliteit bezit wordt verder verwezen naar B10/6.1.2.
Indien de vreemdeling aangeeft op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder beperking in Nederland te willen verblijven, wordt hij door de IND in de gelegenheid gesteld de aanvraag nader aan te vullen met een concreet verblijfsdoel en dat doel nader met gegevens en bescheiden te onderbouwen. De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt immers niet zonder beperking verleend, maar altijd onder een beperking die verband houdt met het verblijfsdoel (zie [artikel 14, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
Indien de vreemdeling aangeeft in Nederland te willen verblijven voor een ander regulier doel dan de verblijfsdoelen die in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en de Vc (en eventueel de (voorheen) Tussentijdse Berichten Vc, thans Wijzigingsbesluiten Vc) zijn genoemd, verschaft hij alle benodigde gegevens en bescheiden op grond waarvan hij meent dat aan hem op grond van hetzij een wezenlijk Nederlands belang, hetzij klemmende redenen van humanitaire aard, hetzij internationale verplichtingen, een verblijfsvergunning behoort te worden verleend.
Per aanvraag wordt één verblijfsdoel aangegeven. De verblijfsdoelen zijn genoemd in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) (zie [artikel 3.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) en [3.14 tot en met 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14)) en nader uitgewerkt in B2 en verder van de Vc. Deze opsomming is echter niet limitatief.
Indien de vreemdeling aangeeft voor meerdere verblijfsdoelen – bijvoorbeeld voor verblijf in het kader van gezinshereniging en voor het verrichten van arbeid als zelfstandige – in Nederland te willen verblijven, dient hij evenzoveel aanvragen in te dienen. Per aanvraag worden leges geheven.
Indien de vreemdeling na de indiening van de aanvraag aangeeft, verblijf in Nederland voor een ander doel te wensen, dient hij ingevolge [artikel 3.100 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.100) een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen bij IND (zie [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a) en B1/9.1.1). In dat geval worden opnieuw leges geheven. De vreemdeling kan desgewenst de eerder ingediende aanvraag schriftelijk intrekken. Intrekking van de aanvraag leidt niet tot restitutie van de leges.
De aanvraag om wijziging van de beperking verband houdend met dreiging van eergerelateerd geweld wordt eventueel door tussenkomst van de instelling voor vrouwenopvang schriftelijk ingediend bij de IND, waarna de aanvraag ter verdere afhandeling onmiddellijk wordt doorgeleid naar de contactpersoon mensenhandel/gender van de betreffende IND locatie. De vreemdeling heeft in dit geval niet de verplichting de aanvraag in persoon in te dienen.
Slechts indien redelijkerwijs niet van wijziging van het verblijfsdoel kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend.
In het aanvraagformulier (voor de aanvraag verblijfsvergunning regulier zonder mvv of aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning) wordt de vreemdeling die verblijf beoogt op asielgerelateerde gronden verwezen naar één van de AC’s in Nederland ter indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
Van asielgerelateerde gronden is in ieder geval sprake, indien de vreemdeling zich erop beroept dat hij:
Indien de vreemdeling desondanks de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier onderbouwt met asielgerelateerde gronden, wijst de IND hem er schriftelijk op dat deze bij de beoordeling van de reguliere aanvraag buiten beschouwing worden gelaten. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen dat hij zich ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel kan melden bij de aanmeldunit van de vreemdelingenpolitie in Ter Apel in Nederland. Persisteert de vreemdeling ook na deze schriftelijke mededeling nog bij het indienen van een reguliere aanvraag onderbouwd met asielgerelateerde gronden, dan wordt de aanvraag als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier behandeld. Als gevolg hiervan worden onder meer leges geheven en wordt getoetst aan het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding en een geldige mvv. Bij de beoordeling van de aanvraag blijven de asielgerelateerde gronden buiten beschouwing.
De vreemdeling die als gezinslid van een houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van [artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) dient een daartoe strekkende aanvraag in te dienen bij één van de AC’s in Nederland (zie [C9/2.1.6](onbekend)).
Het gaat hierbij om:
Op deze aanvraag is de gebruikelijke asielprocedure van toepassing. Zo wordt onder meer een eerste en (zonodig) een nader gehoor gehouden.
De procedure inzake de leges staat beschreven in B1/9.6.1.
Met nadruk zij vermeld dat de aantekening omtrent de aanmeldingsplicht alsmede de aantekening omtrent de periodieke meldplicht onverkort door de Korpschef dan wel de ambtenaar belast met het toezicht worden geplaatst. Hiertoe wordt op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ (zie [bijlage 7j VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7j)) door de Korpschef de datum van de aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’.
Echter, ingeval het een slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld betreft zoals bedoeld in B20, wordt het verblijfsdocument door de korpschef aan de vreemdeling uitgereikt.
Ingevolge [artikel 3.103a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) doet de Minister, indien een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) (niet) wordt verleend aan of verlengd dan wel wordt ingetrokken, van een vreemdeling die houder is van een door een andere EU-lidstaat, afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, mededeling aan de autoriteiten van die staat (zie B17/6).
Het gaat hier immers in wezen om een nieuwe aanvraag en niet zozeer om verlenging van de op grond van een andere beperking verleende verblijfsvergunning. Doorgaans zal ten behoeve van deze nieuwe aanvraag andere informatie nodig zijn dan waarover de IND al beschikt en die zonodig in het kader van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden aangevuld.
De procedure ter zake van de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, alsmede de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, betreft in beginsel een geheel en al schriftelijke procedure. De aanvraag wordt in beginsel niet in persoon ingediend, doch voorzien van alle relevante gegevens en bescheiden rechtstreeks naar de IND gezonden.
Ingeval van een niet in persoon ingediende aanvraag zal de vreemdeling veelal gegevens en bescheiden in kopie overleggen en niet in origineel. Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.102, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102) toont de vreemdeling op verzoek van de Minister de originele gegevens en bescheiden.
De leges die verschuldigd zijn voor de afdoening van een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alsmede voor de afdoening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden namens de Minister door de IND geïnd. De procedure terzake van het innen van de leges is in B1/9.6.1 meer uitgebreid beschreven.
De vreemdeling aan wie het is toegestaan na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland te verblijven, hangende de beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, kan ten bewijze van dit rechtmatig verblijf een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) verkrijgen. Op de sticker worden de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘verlenging aangevraagd voor de geldigheidsduur op’ of na de tekst ‘aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning’. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens bepaalt een ambtenaar van de IND de tijd en locatie waar de sticker kan worden verkregen. Het vorenstaande is tevens van toepassing op de vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op een door hem ingediende aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.
De sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) bevat tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt. Het is van belang dat de IND de vreemdeling wijst op de rechten die voortvloeien uit deze informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt van de vreemdeling.
Daarnaast zijn vreemdelingen die op grond van Richtlijn 2001/55 de status van tijdelijk beschermde hebben ontheven van de legesplicht in het geval deze vreemdeling een aanvraag doet tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige.
De houder van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd waarvan de geldigheidsduur van het verblijfsdocument afloopt, wordt analoog aan de procedure zoals omschreven in B1/9.4.1 door de IND gewezen op de mogelijkheid om dit document te vernieuwen door middel van het indienen van het aanvraagformulier. In welke gevallen tot vervanging van het document wordt overgegaan is opgenomen in [artikel 4.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.22).
De aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument wordt schriftelijk ingediend door middel van het daartoe bestemde formulier. Indien de vreemdeling mondeling aangeeft een aanvraag in te willen dienen, wordt hij door de IND in de gelegenheid gesteld alsnog een schriftelijke aanvraag in te dienen.
Een formulier voor een aanvraag tot vervanging of vernieuwing van het verblijfsdocument kan telefonisch via het landelijke telefoonnummer van de IND worden verkregen.
Tevens kan worden gedacht aan bijvoorbeeld studenten, die wijziging vragen van ‘de voorbereiding op studie’ in ‘het volgen van studie’ of in ‘arbeid in loondienst’, voor verblijf in het kader van gezinsvorming of ‘voortgezet verblijf’.
Ingevolge [artikel 24, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) is de vreemdeling leges verschuldigd voor de afdoening van een aanvraag in door de Minister te bepalen gevallen en volgens door die Minister te geven regels. Tevens kan de Minister bepalen dat de vreemdeling voor de afgifte van documenten waaruit het rechtmatig verblijf blijkt leges verschuldigd is. De Minister heeft van deze bevoegdheden gebruik gemaakt bij de [artikelen 3.34 en verder VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34).
Terzake van de afdoening van een aanvraag worden leges geheven:
De vreemdeling is leges verschuldigd per aanvraag. Indien de vreemdeling tegelijkertijd twee of meer aanvragen indient, worden daarom evenzo vaak leges geheven. De leges zijn verschuldigd ongeacht de beslissing op de aanvraag. Indien de leges niet worden voldaan, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld (zie [artikel 24, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24)).
Het legestarief terzake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van vreemdelingen die in het bezit zijn van een mvv voor hetzelfde verblijfsdoel als waarvoor de verblijfsvergunning wordt aangevraagd, is vastgelegd in artikel 3.34, eerste lid, Vw.
De leges terzake van de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van vreemdelingen die niet over een mvv beschikken, van vreemdelingen die een mvv hebben voor een ander verblijfsdoel dan waarvoor de reguliere verblijfsvergunning wordt aangevraagd en van vreemdelingen die om wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd vragen, zijn afhankelijk van het beoogde verblijfsdoel. De leges bedragen zijn vastgelegd in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002). Voor een overzicht van de verschillende legesbedragen zie ook de IND website.
### 9.7. De behandeling van de aanvraag
Het innen van de leges geschiedt door het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), welke organisatie ten behoeve van de Minister administratieve ondersteuning verleent bij de inning van de legesgelden. Op grond van de door de IND verstrekte gegevens wordt vervolgens door het CJIB binnen zes werkdagen een factuur met een acceptgiro vervaardigd die aan de vreemdeling wordt toegezonden.
Deze factuur betreft tevens de ontvangstbevestiging van de aanvraag.
De aanvrager wordt daarbij een termijn gesteld van vier weken om het legesbedrag te voldoen. Indien hij de leges na ommekomst van deze periode niet heeft betaald, dan wordt door het CJIB een aanmaning gestuurd om binnen twee weken alsnog te betalen. Deze aanmaning geldt als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim.
Indien de vreemdeling in bewaring is gesteld en een aanvraag indient, worden met het oog op de efficiënte afdoening van de aanvraag geen leges geheven. Zie [A6/5.3.4.4](onbekend) voor de procedure ter zake van het indienen van een aanvraag in de situatie waarin de vreemdeling in bewaring is gesteld. Op de aanvraag wordt onverwijld beslist, opdat – indien de aanvraag niet wordt ingewilligd – de feitelijke uitzetting doorgang kan vinden.
Indien de wettelijke vertegenwoordiging van een minderjarige geregeld moet worden, wordt een termijn van drie maanden gegeven (zie ook B1/9.1.1, ondertekening van de aanvraag). De beslissing om een nadere aanvulling van de aanvraag te verlangen, is een voorbereidingshandeling waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt (zie [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3)).
Vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend (onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv, als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, of met verblijf op grond van het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag) zijn in het algemeen geen leges ter zake van afdoening van een aanvraag verschuldigd. Zij hebben immers geen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier ingediend, maar een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor de afdoening waarvan geen leges zijn verschuldigd.
Indien zij, hoewel niet nodig, toch een aanvraag indienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder een van de hier bedoelde beperkingen, worden leges geheven ter afdoening van die aanvraag.
Indien de vreemdeling niet aanstonds een geldig document voor grensoverschrijding over kan leggen, bedraagt de redelijke termijn in beginsel vier weken. Een kortere termijn kan echter worden gesteld, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien de vreemdeling binnen een kortere periode een geldig document over kan leggen, ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld, of het een herhaalde aanvraag betreft. Ook hier betreft het een afwijzingsgrond.
Indien het gezinslid van de houder van de verblijfsvergunning asiel echter niet voldoet aan de omschrijving van [artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) – bijvoorbeeld omdat het gezinslid een andere nationaliteit bezit of de hoofdpersoon langer dan drie maanden na diens verblijfsaanvaarding is nagereisd – komt dat gezinslid niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw in aanmerking voor de verblijfsvergunning asiel. In het geval het gezinslid een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon en is nagereisd binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel is verleend, zijn voor de afdoening van een eventueel in te dienen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd geen leges verschuldigd.
Restitutie is slechts in uitzonderingsgevallen mogelijk, zoals in het geval van het betalen van een te hoog legesbedrag, een formele vrijstellingsgrond, of een anderszins onverschuldigde betaling (bijvoorbeeld een tweede betaling voor dezelfde aanvraag).
Het verzoek om restitutie, waaronder ook wordt verstaan een bezwaar tegen de hoogte van de leges, moet worden ingediend binnen het kader van een lopende verblijfsrechtelijke procedure. Als het verzoek om restitutie wordt ingediend nadat de termijn waarbinnen rechtsmiddelen kunnen worden ingediend tegen een beschikking is verlopen, dan is er sprake van een verzoek om heroverweging om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit. Het verzoek om restitutie wordt, behoudens nova, afgewezen op grond van [artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6).
Financiële draagkracht speelt bij de legesverplichting geen rol. Ontwikkelingen na de indiening van de aanvraag (waaronder dus een negatieve beslissing, een buiten behandelingstelling anders dan in verband met het niet betalen van de leges, of een intrekking van de aanvraag) leiden niet tot restitutie.
Het naast elkaar indienen van twee aanvragen (zoals tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en om naturalisatie) leidt ook niet tot recht op restitutie van leges bij het eerste zodra het tweede wordt verleend.
Een verzoek om restitutie moet worden ingediend bij de IND. Het verzoek dient gemotiveerd te zijn en bevat de volledige personalia en het bank- of gironummer van de vreemdeling.
Indien wordt besloten niet te restitueren, bestaat de mogelijkheid om tegen die beslissing rechtsmiddelen aan te wenden.
Overigens zal, gelet op het strikte karakter van de legesbepalingen, in veel gevallen het bezwaarschrift met toepassing van [artikel 7:3 onder b Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) zonder horen kunnen worden afgedaan.
In geval beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, blijft de verplichting bestaan een besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft. (zie artikel [artikel 6:20, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:20)).
De wettelijke beslistermijn van zes maanden kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd, indien advies of onderzoek door derden of het OM nodig is (zie [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25)). Van de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, wordt zo terughoudend mogelijk gebruikgemaakt.
In het algemeen is een termijn van twee weken redelijk. Zie evenwel het bepaalde in B1/9.4 onder B ten aanzien van de procedure inzake de legesbetaling indien de aanvraag wordt ingediend bij een kantoor van de IND.
Voor het geval dat de leges niet zijn voldaan geldt – behoudens het bepaalde in B1/9.4 onder B – de aanmaning door het CJIB als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim, voorzover niet is voorgeschreven dat de leges in persoon moeten worden voldaan (zie ook B1/9.6.1, procedure leges).
Indien de wettelijke vertegenwoordiging van een minderjarige geregeld moet worden, wordt een termijn van drie maanden gegeven (zie ook B1/9.1.1, ondertekening van de aanvraag). De beslissing om een nadere aanvulling van de aanvraag te verlangen, is een voorbereidingshandeling waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt (zie [artikel 6:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:3)).
Indien de leges zijn voldaan, maar een ander gebrek niet wordt hersteld, kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten (zie [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5)). Indien hiertoe wordt besloten dient de aanvrager binnen vier weken na ommekomst van de gegunde termijn, dan wel nadat de aanvrager heeft gereageerd, hiervan bij beschikking in kennis te worden gesteld. Na ommekomst van de hier genoemde termijn van vier weken dient de aanvraag in behandeling te worden genomen. Het bedoelde, niet herstelde gebrek wordt dan een afwijzingsgrond omdat niet is aangetoond dat aan de voorwaarden voor verlening, verlenging of wijziging is voldaan.
Indien evenwel de leges niet zijn voldaan binnen de daartoe gegeven termijn, de gegeven termijn voor herstel inbegrepen, wordt op grond van [artikel 24, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) de aanvraag niet in behandeling genomen, dan wel wordt het document niet afgegeven. [Artikel 24, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) schrijft dwingend voor om van de bij [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) gegeven bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te laten, gebruik te maken. De op grond van [artikel 24, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) gegeven bevoegdheid om de aanvraag buiten behandeling te laten, wordt gezien het dwingende karakter van deze bepaling en vanwege het ontbreken van een afwijzingsgrond in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wegens het niet voldoen van leges, niet beperkt door de in [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) genoemde termijn van vier weken na ommekomst van de gegunde termijn, dan wel nadat de aanvrager heeft gereageerd.
Indien de vreemdeling niet aanstonds een geldig document voor grensoverschrijding over kan leggen, bedraagt de redelijke termijn in beginsel vier weken. Een kortere termijn kan echter worden gesteld, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien de vreemdeling binnen een kortere periode een geldig document over kan leggen, ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld, of het een herhaalde aanvraag betreft. Ook hier betreft het een afwijzingsgrond.
Geen termijn wordt echter gegeven indien van te voren reeds vast staat dat aan een bepaalde voorwaarde niet wordt voldaan, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. In dat geval kan het gebrek niet worden hersteld. Dit moet worden onderscheiden van het onderbouwen van een beroep op een vrijstellingsgrond en op toepassing van de hardheidsclausule (zie daarover ook B1/4.1.1). Het niet voldoen aan een voorwaarde vormt veelal een afwijzingsgrond.
Indien de relatie is verbroken met degene bij wie verblijf wordt beoogd, is niet voldaan aan een voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning en geen sprake van verzuim.
De termijn die gegeven wordt om de aanvraag aan te vullen kan in beginsel worden verlengd. Daarvoor zullen uiteraard bijzonder goede redenen aanwezig moeten zijn. Indien de reeds gegeven termijn redelijk is geweest en de aanvraag toch niet is aangevuld, zal er in het algemeen echter geen aanleiding bestaan om die termijn te verlengen.
Indien de vreemdeling hangende de beslissing op een aanvraag vertrekt naar een andere gemeente, maakt hij dit kenbaar aan de IND in verband met de afhandeling van de aanvraag.
Uit de [artikelen 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) en [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) kan een verplichting voortvloeien om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen, indien wordt overwogen om een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen (of de IND daartoe te adviseren) of een beschikking te geven waarom de vreemdeling niet heeft gevraagd.
Een zodanige verplichting is er met name indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de vreemdeling betreffen, die gegevens afwijken van gegevens die de vreemdeling zelf heeft verstrekt, en de afwijking van meer dan slechts geringe betekenis voor de vreemdeling kan zijn.
De vreemdeling hoeft niet in de gelegenheid te worden gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, indien wordt overwogen een beschikking te geven waar de vreemdeling niet om heeft gevraagd, en de vreemdeling niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om gegevens te verstrekken.
De vreemdeling kan zijn zienswijze mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Hoe in een concreet geval uitvoering is gegeven aan de verplichting om de zienswijze in te winnen wordt vastgelegd. Indien de zienswijze mondeling naar voren wordt gebracht, wordt deze op schrift gesteld.
Voorts blijft uitzetting niet achterwege (en leidt de indiening van de aanvraag niet tot rechtmatig verblijf) indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), naar het voorlopig oordeel van de Minister kan worden afgewezen wegens gevaar voor of inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid.
De beschikking op de aanvraag moet worden gegeven uiterlijk binnen zes maanden (zie [artikel 25, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25)). Dat geldt zowel voor de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd), alsook voor de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur of tot het wijzigen van de verblijfsvergunning (voor bepaalde tijd).
De wettelijke beslistermijn begint op de dag van ontvangst van de aanvraag en loopt door totdat op de aanvraag is beslist. In die periode van zes maanden moeten alle handelingen hebben plaatsgevonden die tot een deugdelijke beslissing leiden en moet de beslissing zijn genomen.
In het geval de aanvraag door of namens de aanvrager schriftelijk wordt ingetrokken, vervalt de verplichting om te beslissen in eerste aanleg.
In geval beroep wordt ingesteld tegen het niet tijdig beslissen, blijft de verplichting bestaan een besluit te nemen, tenzij de belanghebbende daarbij als gevolg van de beslissing op het beroep geen belang meer heeft. (zie artikel [artikel 6:20, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:20)).
Verlenging is slechts mogelijk, indien het gaat om onderzoek door derden dat voor de beoordeling van de aanvraag nodig is. Onder derden wordt hierbij verstaan: personen die geen aanwijzingen van de Minister in acht behoeven te nemen terzake van het door hen te verrichten onderzoek, alsmede het OM. Naast het OM (in strafrechtelijke procedures) valt in elk geval te denken aan ministeries als BuZa, Financiën, EL&I, SZW, OCW, VWS en aan externen die medisch onderzoek verrichten (via BMA) of anderszins (bijvoorbeeld DNA-onderzoek) advies uit moeten brengen. De ambtenaren van de politie die onderzoek verrichten, worden niet aangemerkt als derden; zij dienen aanwijzingen van de Minister in acht te nemen.
Verlenging van de beslistermijn met toepassing van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet mogelijk indien het gaat om mvv-aanvragen.
Bij de kennisgeving van de verlenging van de beslistermijn wordt aangegeven waarom de beslistermijn wordt verlengd. Tevens wordt aangegeven dat tegen de verlenging geen bezwaar kan worden gemaakt.
De vreemdeling of referent die een onvolledige aanvraag indient, dient schriftelijk een redelijke termijn te worden gesteld waarbinnen de benodigde gegevens moeten worden verstrekt. Hiervan dient aantekening te worden gemaakt. De wettelijke beslistermijn van zes maanden wordt (van rechtswege) opgeschort met ingang van de dag na die waarop het bestuursorgaan de aanvrager krachtens [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag daadwerkelijk is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (zie [artikel 4:15, eerste lid, onder a, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15)).
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 oktober 2009, zijn met ingang van die datum de mogelijkheden voor opschorting van de beslistermijn uitgebreid (zie [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15)). De hieronder genoemde opschortingsgronden gelden voor aanvragen die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009 en voor aanvragen waarvan de beslistermijn op of na 1 oktober 2009 nog niet is verstreken. De beslistermijn wordt opgeschort:
Als de aanvrager op grond van [artikel 4:7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) of [4:8 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:8) moet worden gevraagd zijn zienswijze naar voren te brengen, omdat de aanvraag zal worden afgewezen op grond van gegevens die afwijken van de gegevens die hij zelf heeft verstrekt, en hij daarvoor een termijn krijgt, schort dat de beslistermijn niet op. Die termijn gaat dus af van de tijd die feitelijk beschikbaar is om een beslissing te nemen.
Opschorting van de beslistermijn sluit niet uit de verlenging van de beslistermijn met toepassing van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25).
Aangezien bij de totstandkoming van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en aanverwante regelgeving veel beleidsregels tot algemeen verbindend voorschrift zijn verheven, is de toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid drastisch beperkt.
Ingevolge het bepaalde in [artikel 4.37, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.37) stelt de vreemdeling tevens de Korpschef in kennis van zijn vertrek naar een andere gemeente.
In dit onderdeel worden de algemene regels behandeld voor de kennisgeving van beschikkingen, met name betreffende de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en die voor onbepaalde tijd (zie [artikel 24, eerst lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) juncto [artikel 3.104 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.104)). De termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voor geschreven wijze is bekendgemaakt. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht.
De vreemdeling heeft rechtmatig verblijf en hij mag de behandeling van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier op grond van [artikel 8, onder f en g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in beginsel in Nederland afwachten.
Ingevolge [artikel 3.1 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1) geldt hierop een uitzondering voor de aanvraag die naar het voorlopig oordeel van de Minister een herhaalde aanvraag is, dus een aanvraag zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden.
De hoofdregel (uitzetting blijft achterwege) blijft gelden totdat beslist is dat een van de uitzonderingen zich voordoet. Deze beslissing heeft het karakter van een beschikking. Deze beschikking zal met name samen kunnen vallen met de afwijzing van de herhaalde aanvraag. Bij de tweede uitzondering is denkbaar dat er een afzonderlijke beschikking wordt gegeven, inhoudende dat de uitzetting niet achterwege blijft.
Op deze sticker wordt de datum van de aanvraag en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning op [datum]’.
Ingevolge [artikel 3.9 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9) geschiedt de afgifte van documenten en verklaringen, waaruit het rechtmatig verblijf gedurende de besluitvorming blijkt, door de IND.
Op deze hoofdregel bestaat de volgende uitzondering: de vreemdeling die in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van [artikel 273 f van het WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f) (mensenhandel). In afwijking van de hoofdregel wordt het bescheid rechtmatig verblijf in deze situatie verstrekt door de Korpschef.
Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt een ambtenaar van de IND het verzoek af.
Wanneer geen sprake is van uitreiking vangt die termijn aan de dag na verzending van de beschikking aan bedoelde laatst bekende adres.
Alle beslissingen met betrekking tot de inwilliging, de afwijzing of buitenbehandelingstelling van aanvragen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van verblijfsvergunningen, en intrekking daarvan, worden door of namens de Minister genomen. De Minister heeft mandaat verleend aan het Hoofd van de IND. Deze heeft ondermandaat verleend aan onder hem ressorterende functionarissen.
Aan de toelichting op [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84) is het volgende ontleend. In normale gevallen behoort niet van een beleidsregel te worden afgeweken. Een structurele afwijking in normale, door de beleidsregel voorziene, gevallen betekent namelijk een materiële wijziging van de beleidsregel. Uit het oogpunt van rechtszekerheid moet die niet via een afwijking van de beleidsregel geschieden, maar via een overeenkomstig [artikel 3:42 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84) bekend te maken wijziging van de beleidsregel. Een incidentele afwijking in een normaal geval komt al snel in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In bijzondere gevallen kan een afwijking van een beleidsregel noodzakelijk zijn.
Het vorenstaande betekent dat alleen in bijzondere gevallen een beslissing anders dan conform de beleidsregel behoort plaats te vinden. In bezwaar speelt de inherente afwijkingsbevoegdheid ook een rol.
[Artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84) heeft uitsluitend betrekking op beleidsregels en daarom niet op algemeen verbindende voorschriften, zoals de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002).
Aangezien bij de totstandkoming van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en aanverwante regelgeving veel beleidsregels tot algemeen verbindend voorschrift zijn verheven, is de toepassing van de inherente afwijkingsbevoegdheid drastisch beperkt.
wordt het kind zelf in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.
In dit onderdeel worden de algemene regels behandeld voor de kennisgeving van beschikkingen, met name betreffende de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en die voor onbepaalde tijd (zie [artikel 24, eerst lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=24) juncto [artikel 3.104 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.104)). De termijn voor het indienen van een beroep- of bezwaarschrift vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voor geschreven wijze is bekendgemaakt. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht.
Bij deze uitreiking wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of de KMar een uitreikingsblad ingevuld. De vreemdeling tekent op dit uitreikingsblad voor ontvangst van de beschikking. Ingeval de vreemdeling weigert te tekenen, wordt door de vreemdelingenpolitie, ZHP of KMar een proces-verbaal opgemaakt. Bij de uitreiking van (het afschrift van) de beschikking wordt voor de betrokkene in begrijpelijke taal uitleg gegeven met betrekking tot de gevolgen van het inreisverbod en de ongewenstverklaring en het overtreden ervan.
Indien bij de beschikking (tevens) een inreisverbod wordt uitgevaardigd met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw, kan de beschikking zowel in persoon worden uitgereikt als worden toegezonden conform de hiervoor weergegeven hoofdregel. In geval van toezending zal van de beschikking tevens mededeling worden gedaan in de Stcrt.
In de situaties waarin de beschikking in persoon behoort te worden uitgereikt, zendt de Minister van een door hem gegeven beschikking alle drie exemplaren aan de politie met het verzoek de originele beschikking zo mogelijk in persoon uit te reiken.
De politie verzendt, terstond na uitreiking, een kopie van de beschikking aan de gemachtigde onder vermelding van de datum van uitreiking van het origineel.
De politie zendt de bijlage van de originele beschikking retour onder vermelding van de datum en de wijze van uitreiking en de datum van toezending van de informatiekopie (het tweede exemplaar) aan de gemachtigde van betrokkene.
Het derde exemplaar van de beschikking is bestemd voor de administratie van de politie.
Een beschikking die niet aan de vreemdeling in persoon kan worden uitgereikt, wordt door de politie bij aangetekende brief verzonden aan het laatst bekende (GBA)adres van de vreemdeling. In dit geval worden de Minister en de gemachtigde van de aangetekende verzending op de hoogte gesteld (zie ook [C2](onbekend) indien de beschikking niet aan de wettelijk vertegenwoordiger kan worden uitgereikt).
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of administratief beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na uitreiking van de beschikking aan de betrokken vreemdeling.
Wordt een beschikking gegeven, waarbij aan de vreemdeling (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, geheel of gedeeltelijk in overeenstemming met een door hem ingediende aanvraag, dan wordt de vreemdeling opgeroepen voor het uitreiken van het verblijfsdocument, nadat de IND het verblijfsdocument heeft ontvangen.
Op deze wijze wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een identiteitsbewijs dat hij verplicht is desgevraagd te tonen aan een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen (zie [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)).
Verblijfsdocumenten worden alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt.
De IND ziet er op toe dat de vreemdeling in persoon, en bij minderjarigheid in bijzijn van zijn wettelijk vertegenwoordiger, het verblijfsdocument in ontvangst neemt.
In de situatie waarin:
In andere situaties wordt het verblijfsdocument slechts aan het kind beneden de leeftijd van twaalf jaar verstrekt, voor zover het kind er naar het oordeel van de Minister een redelijk belang bij heeft in het bezit van zulk een document te worden gesteld (zie [artikel 4.21, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)). Bij voorbeeld voor het maken van reizen naar het buitenland (mits op aanvraag of met instemming van de wettelijk vertegenwoordiger van het kind).
Van een beschikking niet gegeven in overeenstemming met een door de vreemdeling ingediende aanvraag is sprake, indien:
Voor wat betreft de wijze van kennisgeving van de mededeling dat uitzetting niet achterwege zal blijven, zie ook [A4](onbekend).
Indien bij de beschikking (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan, wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een verblijfsdocument. Het verblijfsdocument wordt uitgereikt door de IND.
Bij afwijzing van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, wordt op een in het document voor grensoverschrijding gestelde aantekening omtrent indiening van de aanvraag (sticker, [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) de aantekening ‘vervallen’ geplaatst op het gedeelte van de sticker zonder laminaat.
De aantekening ‘vervallen’ op de sticker moet worden gedateerd en geparafeerd.
Indien geen bezwaar is gemaakt, wordt het verblijfsdocument ingehouden door de Korpschef dan wel op de sticker in het document voor grensoverschrijding door de ambtenaar belast met het toezicht de aantekening ‘vervallen’ geplaatst.
Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden in het bezit gesteld van een verblijfsdocument volgens [artikel 3.1 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.1). Op het verblijfsdocument staat de beperking aangegeven welke aan de verblijfsvergunning is gesteld. In de desbetreffende hoofdstukken van deel B van deze circulaire wordt voor de daar behandelde categorieën vreemdelingen aangegeven onder welke beperking de vergunning tot verblijf wordt verleend.
In de volgende gevallen wordt geen rekening gehouden met de geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding:
Deze vreemdelingen mogen niet worden verplicht om een Nederlands vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort aan te vragen dan wel de geldigheidsduur daarvan te doen verlengen. Met het oog op het maken van reizen naar het buitenland zullen vreemdelingen als hier bedoeld er echter wel belang bij kunnen hebben om er voor zorg te dragen dat zij in het bezit zijn van een geldig vreemdelingen- of vluchtelingenpaspoort. In voorkomende gevallen moet de vreemdeling hierop worden gewezen.
Voor onderdanen van lidstaten van de EU of van de EER: zie B10.
Kinderen beneden de twaalf jaar worden begrepen in de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van één van de ouders bij wie zij inwonen. Deze kinderen worden feitelijk in het bezit gesteld van een verblijfsdocument waaruit het verblijfsrecht blijkt (zie [artikel 4.21, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)). Zie hiervoor onder ‘Verblijfsdocument voor een kind beneden de leeftijd van twaalf jaar’.
Bezwaar kan worden gemaakt en (administratief) beroep kan worden ingesteld tegen:
Bij wijziging van de vergunning (beperking) overeenkomstig een door de vreemdeling ingediende aanvraag wordt een nieuw verblijfsdocument uitgereikt. Het oude document wordt ingenomen door de IND.
Van deze beschikking wordt niet afzonderlijk kennis gegeven indien tevens verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt geweigerd of de vergunning wordt ingetrokken. In dat geval wordt bij beschikking tot weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning of tot intrekking daarvan tevens uitdrukkelijk de aanvraag om wijziging van de vergunning (beperking) afgewezen.
De vreemdeling wordt schriftelijk kennisgegeven van de inwilliging van de aanvraag om wijziging of opheffing van het voorschrift tot het stellen van zekerheid. Zie voor de bij afwijzing van de aanvraag toepasselijke regels.
Het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan pas worden ingediend als het bestuursorgaan in gebreke is en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke heeft gesteld (zie [artikel 6:12, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). Het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:12, eerste lid, Awb) is niet aan een termijn gebonden, met dien verstande dat bij een onredelijk late indiening een niet-ontvankelijk verklaring kan volgen (artikel 6:12, vierde lid, Awb). Tenzij de beslistermijn is opgeschort (op grond van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) of [artikel 4:15 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:15)), bedraagt de termijn waarbinnen een beschikking op een aanvraag omtrent een verblijfsvergunning regulier moet worden gegeven zes maanden. Voor mvv-aanvragen is er geen wettelijke beslistermijn. De beslissing moet genomen worden binnen een redelijke termijn. Die termijn bedraagt drie maanden. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht ([artikel 4:14 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:14) en B1/1).
Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag.
Het rechtsmiddel is tijdig aangewend, indien
Zie voor de toepasselijke algemene regels B1/5.3. Ingevolge [artikel 3.104, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.104) dient de vreemdeling bij de bekendmaking van de beschikking, waarbij wordt beslist op de aanvraag, bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), te worden meegedeeld welke rechten en plichten hij heeft krachtens Richtlijn 2003/109.
Aan de vreemdeling wordt door de IND een verblijfsdocument ([bijlage 7b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7b)) uitgereikt.
Ingevolge [artikel 3.103a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) doet de Minister, indien een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een vreemdeling die tevens houder is van een door een andere EU-lidstaat, afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, hiervan mededeling aan de autoriteiten van die staat (zie B17/6).
Zie B10 voor de specifieke bepalingen ten aanzien van ‘duurzaam verblijf’ van onderdanen van de EU/EER en onderdanen van Zwitserland zie B10).
Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Zie voor de toepasselijke algemene regels de regels bij afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/9.7.7).
Wijzigen ten nadele van de indiener kan wel plaatsvinden indien die bevoegdheid op andere grond bestaat. Daarbij kan met name worden gedacht aan situaties waarin de bevoegdheid bestaat tot intrekking van een verleende vergunning over te gaan.
In deze paragraaf worden de rechtsmiddelen bezwaar, (administratief) beroep en hoger beroep behandeld, voorzover die niet zijn gericht tegen vrijheidsbenemende en -beperkende maatregelen en besluiten omtrent een verblijfsvergunning asiel voor (on)bepaalde tijd.
Onder het maken van bezwaar wordt verstaan: het gebruikmaken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
Onder het instellen van administratief beroep wordt verstaan: het gebruikmaken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid voorziening tegen een besluit te vragen bij een ander bestuursorgaan dan hetwelk het besluit heeft genomen.
Onder het instellen van beroep wordt verstaan: het instellen van administratief beroep dan wel beroep bij een administratieve rechter.
Als de ACVZ ingeschakeld is, wordt het advies met de beschikking meegezonden. Indien de beschikking afwijkt van het advies van de ACVZ, wordt op grond van [artikel 7:13, zevende lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) in de beschikking de reden voor die afwijking vermeld.
Bezwaar kan worden gemaakt en (administratief) beroep kan worden ingesteld tegen:
Vanaf 1 oktober 2009 is het als gevolg van de [Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0026450) alleen mogelijk om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag tot het geven van een beschikking krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of een visum, waaronder begrepen een mvv (zie [artikel 6:12, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). Dit beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is een besluit te nemen en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan schriftelijk door een belanghebbende in gebreke is gesteld (zie artikel 6:12, derde lid, Awb). Op reeds vóór 1 oktober 2009 ingediende bezwaar- en beroepschriften tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het recht van toepassing zoals dit gold vóór 1 oktober 2009.
Indien de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden ([artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6)), wordt de werking van het afwijzende besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht (zie [artikel 73, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). Indien het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, wordt de werking van het (afwijzende) besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht (zie [artikel 73, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)).
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt vier weken ([artikel 69, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=69)). Dat geldt ook voor bezwaar en beroep tegen (feitelijke) rechtens relevante handelingen van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig, die ingevolge [artikel 72, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=72) met een beschikking zijn gelijkgesteld. De termijn begint op de dag na die waarop de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Het enkele feit dat de werking van de afwijzende beschikking niet wordt opgeschort en de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten, betekent nog niet dat de hoorplicht in de bezwaarfase ([artikel 7:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:2)) niet langer geldt. Voor de regels inzake de hoorplicht is [artikel 7:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) van toepassing (zie ook B1/10.7).
Het rechtsmiddel is tijdig aangewend, indien
Indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest, mag de behandeling van het bezwaarschrift derhalve ondanks de termijnoverschrijding, wel in Nederland worden afgewacht.
De Algemene Termijnenwet is van toepassing. Indien de termijn van vier weken eindigt op een zaterdag, een zondag, een algemeen erkende feestdag (Nieuwjaarsdag, de Christelijke tweede paas- en pinksterdag, beide kerstdagen, hemelvaartsdag, de vijfde mei, en de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd), of Goede Vrijdag, wordt die termijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag, een algemeen erkende feestdag of Goede Vrijdag is.
Indien de werking van het besluit niet wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist en de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten, kan de rechtbank worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is bevoegd kennis te nemen van het verzoek. De behandeling van het verzoek kan plaatsvinden in een nevenzittingsplaats. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend om uitzetting te voorkomen, en nog niet op het bezwaar of administratief beroep is beslist, beslist de voorzieningenrechter zoveel mogelijk ook op het bezwaar of administratief beroep ([artikel 78 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=78)). Als regel mag de uitspraak op een tijdig ingediend verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar of beroep in Nederland worden afgewacht, tenzij:
Het bezwaar of (administratief) beroep kan slechts worden ingediend door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijk vertegenwoordiger (de ouder die de ouderlijke macht heeft, de voogd of de curator), zijn bijzondere gemachtigde, of een advocaat, die verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gemachtigd ([artikel 70, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=70)).
Indien sprake is van een herhaalde aanvraag waarbij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot heroverweging van het eerdere oordeel aanleiding geven, kan de herhaalde aanvraag met toepassing van [artikel 4:6, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) worden afgewezen. Dit houdt in dat in de afwijzende beschikking ten aanzien van de motivering wordt verwezen naar de eerdere afwijzende beschikking. Bij een dergelijke afwijzing van de aanvraag mag de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in de procedures tegen die afwijzing - het bezwaar en het (eventueel daarop volgende) beroep - niet in Nederland worden afgewacht.
Een bezwaar- of administratief beroepschrift wordt schriftelijk ingediend bij de Minister voor I&A. Een bezwaarschrift in visum- en mvv-zaken wordt gericht aan de Minister van BuZa, maar toegezonden aan de IND. Het bezwaar- of administratief beroepschrift bevat in ieder geval:
Vermelding van de naam en geboortedatum van de vreemdeling en het dossiernummer van de IND is gewenst. Indien het bezwaar- of administratief beroepschrift in een vreemde taal (anders dan het Frans, Duits of Engels) is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling noodzakelijk is, draagt de indiener zorg voor een vertaling (zie [artikel 6:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5)).
Van misbruik van het recht zal slechts sprake zijn indien het verzoek om voorlopige voorziening evident geen enkel redelijk belang heeft, dat sprake is van indiening van het verzoek te kwader trouw. Hierbij zullen de omstandigheden van het geval een belangrijke rol spelen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie dat de vreemdeling na zijn inbewaringstelling één of meerdere procedures is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen.
Na ontvangst van het bezwaar- of administratief beroepschrift wordt aan de indiener ervan een ontvangstbevestiging verzonden. Indien de beslissing op het bezwaar- of beroepschrift wordt verdaagd, wordt dat zo mogelijk reeds bij de ontvangstbevestiging meegedeeld. De politie wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling.
Uitstel voor het indienen van de nadere gronden wordt – behoudens hierna te vermelden uitzonderingen – niet verleend. Het kan voorkomen dat een indiener van een bezwaar- of beroepschrift toch voor het verstrijken van de termijn om uitstel vraagt. Hier moet altijd uitdrukkelijk op worden gereageerd, omdat anders een stilzwijgende verlenging wordt aangenomen.
Als hoofdregel geldt dat de vreemdeling die bezwaar heeft gemaakt tegen een afwijzende beslissing omtrent een verblijfsvergunning, de behandeling van het bezwaarschrift in Nederland mag afwachten. In die periode wordt de werking van het (afwijzende) besluit opgeschort en heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf.
Horen in bezwaar of administratief beroep geschiedt in persoon. Schriftelijk of telefonisch horen voldoet niet aan de eisen van de Awb. Wel kan de vreemdeling of de gemachtigde bij telefonisch of schriftelijk contact met de IND aangeven af te zien van het recht om te worden gehoord.
Onder ‘gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid’ als bedoeld onder ‘d’ en ‘e’ wordt verstaan een veroordeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis, wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaar of meer is bedreigd, óf oplegging van de maatregel van ter beschikkingstelling. Voor onderdanen van de EU/EER en Zwitserland gelden specifieke bepalingen ten aanzien van het afwachten van de behandeling van het bezwaarschrift (zie [A4/6.2](onbekend)).
Indien de vreemdeling in bewaring is gesteld, wordt de werking van het afwijzende besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht. Indien de vreemdeling hangende het bezwaarschrift in bewaring wordt gesteld, eindigt daarmee de opschorting van de werking van het afwijzende besluit. Vanaf dat moment mag de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet meer in Nederland afwachten (zie [artikel 73, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)).
In bezwaar en administratief beroep zijn in reguliere zaken de bepalingen van de Awb van toepassing, voorzover daarvan niet is afgeweken bij [artikel 72 tot en met 77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=72) dan wel [artikel 1.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.8).
Dat betekent echter niet dat onder alle omstandigheden tot volledige heroverweging moet worden overgegaan.
Ten eerste moeten die onderdelen van het besluit die geheel los van de aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven, waarbij het bestuursorgaan die bezwaren naar hun strekking wel ruim zal moeten opvatten en dus bijvoorbeeld rekening moet houden met wat er tijdens de hoorzitting daarover is gezegd.
Indien de werking van het besluit niet wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist en de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten, kan de rechtbank worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is bevoegd kennis te nemen van het verzoek. De behandeling van het verzoek kan plaatsvinden in een nevenzittingsplaats. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend om uitzetting te voorkomen, en nog niet op het bezwaar of administratief beroep is beslist, beslist de voorzieningenrechter zoveel mogelijk ook op het bezwaar of administratief beroep ([artikel 78 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=78)). Als regel mag de uitspraak op een tijdig ingediend verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar of beroep in Nederland worden afgewacht, tenzij:
Uitgangspunt is dat een vreemdeling de uitspraak op zijn eerste verzoek om voorlopige voorziening mag afwachten. Van een eerste verzoek om voorlopige voorziening is sprake als niet eerder in het bodemgeschil (de totale behandelingsduur van het geschil dat ontstaat op het moment van het bezwaar en (hoger) beroep) om een voorlopige voorziening is verzocht. Een tweede of herhaald verzoek om voorlopige voorziening mag in de regel niet worden afgewacht. Van een tweede verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in hiervoor bedoelde zin is geen sprake indien een in hetzelfde bodemgeschil eerste verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter is toegewezen.
Indien sprake is van een herhaalde aanvraag waarbij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht die tot heroverweging van het eerdere oordeel aanleiding geven, kan de herhaalde aanvraag met toepassing van [artikel 4:6, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6) worden afgewezen. Dit houdt in dat in de afwijzende beschikking ten aanzien van de motivering wordt verwezen naar de eerdere afwijzende beschikking. Bij een dergelijke afwijzing van de aanvraag mag de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening in de procedures tegen die afwijzing - het bezwaar en het (eventueel daarop volgende) beroep - niet in Nederland worden afgewacht.
Bij een ongewenstverklaarde vreemdeling zullen redenen van openbare orde dan wel de nationale veiligheid zich tegen het afwachten van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening verzetten. Een ongewenstverklaarde vreemdeling zal derhalve de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening niet in Nederland mogen afwachten.
Ook in andere gevallen waarbij (nog) geen sprake is van een ongewenstverklaring, maar wel van bijzondere omstandigheden in het kader van de openbare orde of nationale veiligheid, kunnen redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich verzetten tegen het afwachten van de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening. In dat geval wordt aan de vreemdeling kenbaar gemaakt dat hij op grond van redenen van openbare orde of nationale veiligheid de behandeling van zijn in te dienen verzoek om voorlopige voorziening niet in Nederland zal mogen afwachten.
De uitzetting wordt geacht onredelijk te worden belemmerd indien een concrete mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst of toelating tot een derde land verloren zou gaan doordat de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening door de vreemdeling mag worden afgewacht. Hiervan wordt geacht in ieder geval sprake te zijn indien:
Van misbruik van het recht zal slechts sprake zijn indien het verzoek om voorlopige voorziening evident geen enkel redelijk belang heeft, dat sprake is van indiening van het verzoek te kwader trouw. Hierbij zullen de omstandigheden van het geval een belangrijke rol spelen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie dat de vreemdeling na zijn inbewaringstelling één of meerdere procedures is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen.
De vreemdeling wordt in de regel uiterlijk 24 uur voor uitzetting door de DT&V op de hoogte gesteld van de datum en het tijdstip van de geplande uitzetting.
Horen in bezwaar of administratief beroep geschiedt in persoon. Schriftelijk of telefonisch horen voldoet niet aan de eisen van de Awb. Wel kan de vreemdeling of de gemachtigde bij telefonisch of schriftelijk contact met de IND aangeven af te zien van het recht om te worden gehoord.
Het horen geschiedt door een ambtelijke commissie.
Indien de belanghebbende in het buitenland verblijft en een adres in het buitenland bekend is, wordt gehoord door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.
In zaken met betrekking tot de afgifte van een visum of mvv wordt de referent in Nederland gehoord. De referent dient een schriftelijke machtiging om namens belanghebbende in rechte te mogen optreden, over te leggen, tenzij de referent tevens de aanvrager, wettelijk vertegenwoordiger of raadsman is.
De beslissing op een administratief beroepschrift moet binnen zestien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, worden genomen ([artikel 7:24, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:24)). De beslissing op een administratief beroepschrift kan met tien weken worden verdaagd (artikel 7:24, vierde lid, Awb). Dat moet schriftelijk (artikel 7:24, zevende lid, Awb) en behoeft geen instemming van de vreemdeling. Verdere uitstel dan met die tien weken kan uitsluitend voor zover alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener van het beroepschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen worden geschaad, of als dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften (artikel 7:24, zesde lid, Awb). Omdat besluiten omtrent de verlening, verlenging en intrekking van verblijfsvergunningen, alsmede afwijzing van aanvragen altijd namens de Minister worden genomen, staat daartegen geen administratief beroep, maar bezwaar open.
In bezwaar en administratief beroep zijn in reguliere zaken de bepalingen van de Awb van toepassing, voorzover daarvan niet is afgeweken bij [artikel 72 tot en met 77 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=72) dan wel [artikel 1.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.8).
Ingevolge het systeem van de Awb dient in bezwaar en administratief beroep een toetsing 'ex nunc' plaats te vinden. Dat wil zeggen dat daarbij ook nieuwe feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, tot aan de dag van de beslissing op het bezwaar of administratief beroep.
Dat betekent echter niet dat onder alle omstandigheden tot volledige heroverweging moet worden overgegaan.
Ten eerste moeten die onderdelen van het besluit die geheel los van de aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven, waarbij het bestuursorgaan die bezwaren naar hun strekking wel ruim zal moeten opvatten en dus bijvoorbeeld rekening moet houden met wat er tijdens de hoorzitting daarover is gezegd.
Ten tweede mag het bezwaarschrift er niet toe leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de indiener te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn.
Wijzigen ten nadele van de indiener kan wel plaatsvinden indien die bevoegdheid op andere grond bestaat. Daarbij kan met name worden gedacht aan situaties waarin de bevoegdheid bestaat tot intrekking van een verleende vergunning over te gaan.
Op administratief beroep is van toepassing onder meer [artikel 7:25 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:25).
Ingevolge [artikel 7:25 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:25) vernietigt het beroepsorgaan het bestreden besluit en neemt het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit, voorzover het beroepsorgaan het beroep ontvankelijk en gegrond acht.
[Artikel 7:25 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:25) spreekt niet over 'op grondslag van', is derhalve ruimer geformuleerd dan [artikel 7:11 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:11) en laat ruimte zowel voor een volledige heroverweging als voor een beperktere toetsing.
Als de ACVZ ingeschakeld is, wordt het advies met de beschikking meegezonden. Indien de beschikking afwijkt van het advies van de ACVZ, wordt op grond van [artikel 7:13, zevende lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) in de beschikking de reden voor die afwijking vermeld.
Indien van het horen is afgezien wordt ingevolge [artikel 7:12, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:12) dan wel [artikel 7:26, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:26) aangegeven op welke grond dat is geschied.
De mogelijke gronden zijn vermeld in [artikel 7:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) voor bezwaar en [artikel 7:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:17) voor administratief beroep.
Indien de ACVZ is of wordt ingeschakeld, beslist niet de ACVZ of met toepassing van [artikel 7:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) van het horen kan worden afgezien, doch het bestuursorgaan, dat wil zeggen de Minister.
Ingevolge [artikel 7:13, vierde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:13) beslist immers de commissie over de toepassing van [artikel 7:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3), voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald.
Het wettelijke voorschrift waarbij aldus anders is bepaald, is [artikel 1.8 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.8):
In het kader van de hieronder uitgewerkte regeling kan een vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, indien:
Met ingang van 1 oktober 2009 zijn als gevolg van een wijziging van de Awb ([artikel 7:10 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10) is gewijzigd m.i.v. 1 oktober 2009 ingevolge art. I, onderdeel B, van de wet van 18 juni 2009, Stb. 384) de beslistermijnen en de termijnen voor verdaging voor bezwaar en administratief beroep gewijzigd en zijn de opschortingsmogelijkheden voor bezwaar en administratief beroep uitgebreid. Voor bezwaar- en administratief beroepschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009, vangt de beslistermijn aan op de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaar- of beroepschrift is verstreken. De termijn eindigt met de verzending van de beschikking. De verplichting tot het beslissen vervalt, voorzover hier van belang, indien het bezwaar- of beroepschrift schriftelijk (of tijdens het horen: mondeling) wordt ingetrokken.
De beslissing op het bezwaarschrift tegen een – al dan niet door de korpschef genomen – beschikking, kan bij kennisgeving met zes weken worden verdaagd. Dat moet schriftelijk ([artikel 7:10, derde en vijfde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)) en behoeft geen instemming van de vreemdeling.
In dat geval bedraagt de totale beslistermijn dus:
Zowel voor bezwaar- als administratief beroepschriften geldt dat de beslistermijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in [artikel 6:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:6) te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor geldende termijn ongebruikt is verstreken ([artikel 7:10, tweede lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10); [artikel 7:24, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:24)). Indien niet is voldaan aan [artikel 6:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:5) of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Die termijn moet redelijk zijn. In alle gevallen wordt een termijn van twee weken redelijk geacht. Slechts in zeer bijzondere gevallen wordt verder uitstel gegeven. De beslistermijn wordt opgeschort met die twee weken of binnen die termijn op de dag van ontvangst van de gegevens.
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen per 1 oktober 2009, zijn met ingang van die datum de mogelijkheden voor opschorting van de beslistermijn in bezwaar en administratief beroep uitgebreid ([zie artikel 7:14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:14) en [artikel 7:27 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:27)). De hieronder genoemde opschortingsgronden gelden alleen voor bezwaarschriften die zijn ingediend op of na 1 oktober 2009 en bezwaarschriften waarvan de beslistermijn op of na 1 oktober 2009 nog niet is verstreken. De beslistermijn voor bezwaar- en administratief beroepschriften wordt opgeschort:
In overige gevallen, waarbij gedacht kan worden aan verzoeken om uitstel die zien op het geven van een reactie op onderzoeksuitslagen, dient ten minste het verstrijken van de gestelde termijn een verklaring van het tolkencentrum te worden overgelegd.
Bij plotselinge ziekte van een advocaat geldt als uitgangspunt dat voor zaken waarin de termijn gedurende de eerstvolgende vijf werkdagen verloopt, vijf werkdagen (vanaf datum ziekte) uitstel wordt verleend. Indien door het uitstel de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder A. Achtergrond hiervoor is dat in een dergelijke situatie de zaken van de betreffende advocaat doorgaans niet onmiddellijk door een collega kunnen worden overgenomen, gelet op diens/dier eigen agenda. Na ommekomst van de uitsteltermijn van vijf werkdagen wordt er vanuit gegaan dat de zaken van de betreffende advocaat door de kantoorgenoten of collega’s kunnen zijn opgevangen. Bij plotselinge ziekte van de betrokkene zelf wordt uitstel verleend tot vijf werkdagen na het herstel van betrokkene, indien de ziekte door het overleggen van een medische verklaring is aangetoond.
Met vakantie van rechtshulpverleners wordt in de hieronder genoemde gevallen rekening gehouden indien deze ten minste één maand tevoren schriftelijk is gemeld aan de IND. Een en ander moet door de rechtshulpverlener ook in elke betreffende zaak worden bevestigd. De termijn wordt op vijf werkdagen na de vakantie van de rechtshulpverlener bepaald. Voor eenmanskantoren wordt op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn bepaald.
Een verzoek om uitstel wegens vakantie wordt in de bezwaarfase ingewilligd indien uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener reeds in eerdere fase van de procedure als rechtshulpverlener is opgetreden. Onder het in een eerdere fase van de procedure optreden als rechtshulpverlener wordt mede begrepen het inzenden van een ongemotiveerd bezwaarschrift.
Verzoeken om uitstel wegens wijziging van rechtshulpverlener worden afgewezen. Wijziging van rechtshulpverlener is een verantwoordelijkheid van de betrokken vreemdeling en de betreffende rechtshulpverleners tezamen. Zij dienen er in onderling overleg op toe te zien dat bij de wijziging een goede overdracht plaatsvindt en er geen termijnen worden geschonden. Indien de gronden niet of niet tijdig worden ingediend wordt het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, tenzij:
Van de daardoor aan de lidstaten gelaten ruimte is door Nederland gebruik gemaakt bij [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) (zie B1/4.3) en [artikel 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) (zie ook B2/2.10 en B2/4.11).
Het instellen van beroep bij de rechtbank schort de werking van het besluit niet op. Een voorlopige voorziening kan aangevraagd worden om uitzetting hangende het beroep achterwege te laten. Voor de voorwaarden waaronder een verzoek om voorlopige voorziening mag worden afgewacht wordt verwezen naar B1/10.6.4.
Aldus is gezinsvorming een bijzondere vorm van gezinshereniging. Verder wordt met de aansluiting bij het begrip ‘hoofdverblijf’ voorkomen dat ook in geval van een tijdens een buitenlandse vakantie van een in Nederland gevestigde persoon gesloten huwelijk, om de enkele reden dat het huwelijk buiten Nederland tot stand is gekomen, sprake zou zijn van ‘gezinshereniging’.
De Korpschef wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling.
De ABRvS bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank had behoren te doen. Ook is het mogelijk dat de ABRvS de zaak terugverwijst naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld. Dit is mogelijk indien – voorzover hier van belang – de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de afdeling deze uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep of indien dan de afdeling om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw moet worden behandeld. In het geval de afdeling de uitspraak van de rechtbank vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep kan de afdeling ook zonder terugverwijzing de zaak afdoen, indien zij naar haar oordeel geen nadere beoordeling door de rechtbank behoeft. Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak zendt de griffier van de ABRvS een afschrift van de uitspraak aan de belanghebbende en aan de Minister voor I&A.
Hoger beroep bij de ABRvS schort de werking van de uitspraak van de vreemdelingenkamer niet op.
De Voorzitter heeft de mogelijkheid in de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening ook onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Dit geldt ook indien het verzoek niet ter zitting is behandeld.
De politie wordt middels een signalering in het BVV op de hoogte gesteld van de verblijfsstatus van de vreemdeling. Eerst nadat een beslissing in rechte onaantastbaar is geworden, worden aan de Korpschef aanwijzingen gegeven hoe verder ten aanzien van de vreemdeling moet worden gehandeld.
In dit hoofdstuk wordt het verblijf van gezinsleden van in Nederland gevestigde personen in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming behandeld. Het betreft gezinshereniging en -vorming van onderdanen van derdelanden met Nederlanders. Het betreft tevens gezinshereniging van derdelanders met derdelanders.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn dient de gezinshereniger te beschikken over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.
Aldus is gezinsvorming een bijzondere vorm van gezinshereniging. Verder wordt met de aansluiting bij het begrip ‘hoofdverblijf’ voorkomen dat ook in geval van een tijdens een buitenlandse vakantie van een in Nederland gevestigde persoon gesloten huwelijk, om de enkele reden dat het huwelijk buiten Nederland tot stand is gekomen, sprake zou zijn van ‘gezinshereniging’.
Een geregistreerd partnerschap is naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig als het een wettelijk geregelde samenlevingsvorm betreft van twee personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden. Deze samenlevingsvorm moet ten minste:
[Artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) geeft regels met betrekking tot gezinshereniging (niet: gezinsvorming) met een vreemdeling die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw kan aan de daar genoemde gezinsleden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel worden verleend. Verwezen wordt naar [C2/6.1](onbekend) en [C14/6.2](onbekend). In de overige gevallen zijn de regels over de verlening van de verblijfsvergunning regulier van toepassing op gezinshereniging en gezinsvorming met een houder van een verblijfsvergunning asiel.
Tot 1 april 2001 bestond een dergelijke mogelijkheid van gezinshereniging bij vreemdelingen die hier te lande waren toegelaten als vluchteling eveneens. Deze mogelijkheid was als beleidsregel neergelegd in de Vc (oud). In de beleidsregel werd een zogenoemde redelijke termijn voor nareis gehanteerd die in de praktijk is ingevuld met zes maanden.
Tevens geldt voor deze categorie vreemdelingen dat de aanvraag tot het verlenen van deze verblijfsvergunning niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, voorzover nodig, met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71). Ook in die gevallen geldt het legesvereiste onverkort.
Nadat in dit kader een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend is het gestelde in B1 en B2 onverkort van toepassing.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) niet verleend als de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
Indien aan een of meer van de voorwaarden in [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) niet wordt voldaan, kan geen aanspraak op de verlening van de verblijfsvergunning worden gebaseerd op het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825). Beleidsmatig wordt in die gevallen in principe geen verblijf verleend. Indien geen aanspraak op een verblijfsvergunning kan worden ontleend aan het Vb betekent dat niet dat er geen verblijfsvergunning kan worden verleend. [Artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) laat ruimte om de verblijfsvergunning toch te verlenen. In welke gevallen de verblijfsvergunning kan worden verleend, is geregeld in dit hoofdstuk. Dit hoofdstuk bevat voornamelijk beleidsregels.
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de [Wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Op deze algemene voorwaarden bestaan uitzonderingen voor wat betreft het middelenvereiste (zie B2/2.10).
Een geregistreerd partnerschap is naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig als het een wettelijk geregelde samenlevingsvorm betreft van twee personen die een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden. Deze samenlevingsvorm moet ten minste:
Het is mogelijk dat een huwelijk of geregistreerd partnerschap, gesloten volgens de wet van het land waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden, wegens strijd met de openbare orde niet voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Het onthouden van erkenning aan een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap brengt met zich mee dat aan dat huwelijk of geregistreerd partnerschap niet de rechtsgevolgen kunnen toekomen die wel aan een rechtsgeldig en erkend huwelijk toekomen. Dit betekent dat verlening van een verblijfsvergunning op basis van een niet erkend huwelijk of geregistreerd partnerschap niet mogelijk is. In gevallen waarin twijfel bestaat over de rechtsgeldigheid van een in het buitenland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap dient contact te worden opgenomen met de IND.
Voor de te volgen handelwijze bij de uitvoering van de Wet voorkoming schijnhuwelijken zie B2/3.
Het bestaan van een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij één van de uitzonderingen genoemd in B2/7 van toepassing is.
Het bestaan van een in Nederland geregistreerd partnerschap wordt aangetoond met een afschrift van de akte van de burgerlijke stand.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In afwijking hiervan wordt de aanvraag, ingediend door de (huwelijks)partner van een Nederlander, van een houder van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, slechts afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling:
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleend, indien de hoofdpersoon in Nederland verblijft als:
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
Voor zover is komen vast te staan dat de hoofdpersoon eerder als hoofdpersoon heeft opgetreden in een procedure voor gezinshereniging of -vorming met een vreemdeling, waarbij de hoofdpersoon deze laatste vreemdelinge tegen haar wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst heeft achtergelaten, geldt het volgende. In dat geval heeft de alimentatie die moet worden betaald aan de ex-echtgenote of de voormalige geregistreerd partner wel invloed op de hoogte van de middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Het betreft hier zowel de alimentatie voor de huwelijks- of geregistreerde partner, als de alimentatie voor de kinderen. De alimentatie die de hoofdpersoon betaalt wordt in mindering gebracht op diens inkomsten. Of sprake is van achterlating door de hoofdpersoon en of door de hoofdpersoon alimentatie wordt betaald, wordt slechts onderzocht indien daarvoor in het vreemdelingendossier concrete aanwijzingen zijn. In voorkomende gevallen kan worden gevraagd om overlegging van het echtscheidingsconvenant, de echtscheidingsbeschikking of de uitspraak waarbij de alimentatie is opgelegd, of de overeenkomst van ontbinding van het geregistreerde partnerschap waarbij de alimentatie overeen is gekomen. Worden deze niet overgelegd, dan is niet aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste en wordt de aanvraag afgewezen.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge de [artikelen 3.14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) en [3.15, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
Ingevolge [artikel 3.13, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) en [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) wordt, zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
De [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat naast de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten ook uit de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. Wanneer de hoofdpersoon ingevolge de WIA onder deze regeling valt, is in ieder geval géén sprake van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de belastingdienst en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast dienen de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de GBA te staan ingeschreven.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in Nederland met hun echtgeno(o)t(e) dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld.
Het voorstel tot opheffing van de samenwoningsverplichting voor echtgenoten in het Burgerlijk Wetboek laat onverlet dat samenwoning en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding in andere regelgeving als voorwaarde kan worden gesteld voor het laten intreden van bepaalde rechtsgevolgen. Dat is in de toelichting op genoemd wetsvoorstel nadrukkelijk veilig gesteld.
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) wordt de aanvraag, indien deze is ontvangen vóór 15 februari 2005, getoetst aan het recht zoals dat luidde voor die datum.
In afwijking van de voorgaande alinea’s wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
Op grond van [artikel 9, eerste lid, Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=9), hebben personen die aanspraak maken op een uitkering krachtens de Wwb (kort gezegd) de verplichting naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, alsook de verplichting gebruik te maken van door het college van B&W aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden tezamen de plicht tot arbeidsinschakeling genoemd.
[Artikel 9, tweede lid, Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703&artikel=9) geeft het college van B&W de bevoegdheid om in individuele gevallen tijdelijk te ontheffen van de plicht tot arbeidsinschakeling. Van een bevoegdheid om een burger blijvend vrij te stellen van deze verplichting, is geen sprake. Derhalve wordt de vraag of het voor een hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, beoordeeld aan de hand van ervaringen in het verleden.
Als redelijke termijn, waarbinnen arbeidsmarktinschakeling niet te voorzien moet zijn, wordt aangemerkt een termijn van een jaar.
In geval van gezinshereniging met een houder van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd wordt de aanvraag ingevolge [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien:
Dit vormt een aanvulling op de regeling van [artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29). Ingevolge die regeling kunnen gezinsleden onder omstandigheden, met voorbijgaan aan het middelenvereiste, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel. Gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden vragen om gezinshereniging maar niet in aanmerking komen voor een «afgeleide» verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw, omdat zij een andere nationaliteit bezitten dan de hoofdpersoon, kunnen op grond van deze aanvulling met voorbijgaan aan het middelenvereiste in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig, indien het gezinslid de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste niet tegengeworpen bij de beoordeling van een aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging. Bij de toepassing van het onder 1 gestelde wordt bij de bepaling van het begin van de termijn van drie maanden uitgegaan van de datum van bekendmaking van de beschikking, waarbij aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’.
Afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt van de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, wordt de beperking aangevuld met één van de arbeidsmarktaantekeningen genoemd in B1/2.3.1.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de IND over de beslissing van de rechter met behulp van deel D: afloopbericht schijnhuwelijken. IND stelt de Korpschef op de hoogte van de beslissing van de rechter alsmede van de aan die beslissing ten grondslag liggende beweegredenen. De vreemdelingenpolitie draagt zorg voor het verwerken van de informatie.
Om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de wet is het van groot belang dat er landelijk cijfermateriaal over het model M46 kan worden gegenereerd. Dit is alleen mogelijk als de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken, de IND én de vreemdelingenpolitie uitvoering geven aan de hiervoor beschreven werkzaamheden.
Op 1 november 1994 is de Wet voorkoming schijnhuwelijken (Wet van 2 juni 1994 tot wijziging van Titel 4 en Titel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet GBA (Stb. 1994, 405) in werking getreden. Deze regeling maakt het mogelijk om zowel preventief als repressief op te treden tegen het sluiten van een schijnhuwelijk in Nederland en tegen de registratie van een buiten Nederland gesloten schijnhuwelijk in de registers van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage dan wel in de GBA. Effectieve uitvoering van deze wet verlangt een goede samenwerking tussen de ambtenaar van de burgerlijke stand/ambtenaar belast met het bijhouden van de GBA (hierna: GBA-ambtenaar) en de vreemdelingenpolitie.
Een schijnhuwelijk of -partnerschap is een huwelijk of geregistreerd partnerschap dat wordt aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over een verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog een verblijfsrecht te verschaffen.
Voor de gevallen waarvoor geen verklaring is vereist, wordt verwezen naar B2/3.2.
Als ten minste één van de aanstaande echtgenoten of geregistreerde partners niet de Nederlandse nationaliteit bezit, mag de ambtenaar van de burgerlijke stand pas meewerken aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte of een akte van registratie van een partnerschap, en aan de voltrekking van een huwelijk of de aangifte van registratie van een partnerschap, indien hij beschikt over een verklaring van de Korpschef. Dit lijdt uitzondering indien:
Ook ingeval de ambtenaar van de burgerlijke stand van de Gemeente ’s-Gravenhage wordt verzocht om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand, of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken wordt verzocht om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA, dient de desbetreffende ambtenaar te beschikken over deze verklaring.
De Korpschef is in alle gevallen waarin de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken om advies vraagt, verplicht om een verklaring af te geven.
Het is voor de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van groot belang dat de verklaring van de Korpschef een duidelijk advies bevat:
De verklaring van de Korpschef is een advies aan de ambtenaar van de burgerlijke stand/GBA- ambtenaar en dient dan ook los te worden gezien van een eventuele aanvraag om een verblijfsvergunning. Dit betekent dat ook al beschikt de vreemdeling al over een verblijfsstatus, toch een verklaring van de Korpschef moet worden afgegeven, tenzij sprake is van een van de in B2/3.2 genoemde uitzonderingen. De verklaring is ook nodig in de situatie dat de vreemdeling nog niet over een verblijfsvergunning in Nederland beschikt, maar wel van plan is om een aanvraag daartoe in te dienen.
De verklaring van de Korpschef en de terugmeldberichten zijn opgenomen als model M46. Het model M46 bestaat uit vier delen, te weten:
Dit deel betreft een overzicht van de personalia van de personen – de (aanstaande) echtgenoten/ geregistreerde partners – op wie de verklaring betrekking heeft. Het model M46-A wordt uitgereikt door de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de aanvrager woon- of verblijfplaats heeft. Beide (aanstaande) echtelieden of geregistreerde partners dienen het gedeelte van de vragenlijst dat op hen van toepassing is na invulling van de datum en plaats te voorzien en te ondertekenen.
Dit deel bevat gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en van de (aanstaande) echtgenoten of geregistreerde partners, alsmede het advies van de Korpschef.
II: De IND vult de haar bekende vreemdelingrechtelijke gegevens van de (aanstaande) echtgenoten/ geregistreerde partners in onder dit gedeelte van het model M46-B. Deel II wordt vervolgens gedagtekend, ondertekend en verzonden naar de Korpschef. III: Het advies van de Korpschef met een motivering: alleen in geval van een negatief advies dient dit gemotiveerd te worden. Deel III wordt gedagtekend en ondertekend door de Korpschef. IV: Vragenlijst met betrekking tot waarnemingen: ingeval van een negatief advies, wordt tevens de vragenlijst ingevuld. Hierop worden vermeld de feiten en omstandigheden van verblijfsrechtelijke aard en overige waarnemingen die op een mogelijk schijnkarakter van het (voorgenomen) huwelijk kunnen duiden. Van belang hierbij is dat de beoordeling of sprake is van een schijnkarakter van het (voorgenomen) huwelijk, altijd op meerdere feiten en omstandigheden moet berusten. Het enkele feit dat sprake is van een groot leeftijdsverschil tussen beide (aanstaande) echtgenoten is bijvoorbeeld onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een schijnhuwelijk. De vragenlijst is niet limitatief. Het formulier biedt bij punt negen de ruimte om overige waarnemingen omtrent beide (aanstaande) echtgenoten/geregistreerde partners te vermelden.
De Korpschef vult tevens op de eerste pagina van het model M46-A de op hem betrekking hebbende gegevens in. Vervolgens zendt hij de ingevulde modellen M46-A en 46-B naar de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de aanvrager woon- of verblijfplaats heeft.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de IND over zijn beslissing met behulp van deel C: Terugmeldbericht. De IND stelt de vreemdelingenpolitie op de hoogte van de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken. De vreemdelingenpolitie draagt zorg voor het verwerken van de informatie.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken informeert de IND over de beslissing van de rechter met behulp van deel D: afloopbericht schijnhuwelijken. IND stelt de Korpschef op de hoogte van de beslissing van de rechter alsmede van de aan die beslissing ten grondslag liggende beweegredenen. De vreemdelingenpolitie draagt zorg voor het verwerken van de informatie.
Om inzicht te krijgen in de effectiviteit van de wet is het van groot belang dat er landelijk cijfermateriaal over het model M46 kan worden gegenereerd. Dit is alleen mogelijk als de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken, de IND én de vreemdelingenpolitie uitvoering geven aan de hiervoor beschreven werkzaamheden.
De verklaring wordt aangevraagd door:
Voor de gevallen waarvoor geen verklaring is vereist, wordt verwezen naar B2/3.2.
De verklaring wordt aangevraagd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar (één van) de (aanstaande) echtgenote(n) woonachtig (is)(zijn):
De Korpschef stuurt de modellen M46-A en M46-B rechtstreeks naar de betreffende ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken. Is de periode gelegen tussen de datum van de afgifte van de verklaring en de datum van de huwelijksvoltrekking of de voorgenomen registratie van het partnerschap langer dan zes maanden, dan dient voor de huwelijksvoltrekking of de registratie van het partnerschap een nieuwe verklaring van de Korpschef te worden overgelegd. De verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling kan immers zijn gewijzigd. De IND verschaft de vreemdelingenpolitie schriftelijk informatie omtrent de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en de andere partij, voorzover zij zelf over deze informatie beschikt en voorzover de vreemdelingenpolitie niet zelf de beschikking heeft over die informatie.
Op basis van de hem bekende feiten en omstandigheden en het advies van de Korpschef neemt de ambtenaar een beslissing. Komt de ambtenaar van de burgerlijke stand tot de conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk of -partnerschap, dan weigert hij mee te werken aan het opmaken van een akte van huwelijksaangifte/aangifte registratie van een partnerschap, aan het voltrekken van het huwelijk/het registreren van een partnerschap, óf weigert de ambtenaar van de burgerlijke stand te ’s-Gravenhage de inschrijving van het buiten Nederland gesloten huwelijk/geregistreerd partnerschap in de onder hem berustende registers van de burgerlijke stand. Betrokkenen kunnen hiertegen beroep instellen bij de rechter op grond van [artikel 27 Boek 1 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=27). Is de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken vanwege het schijnkarakter van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap niet voornemens gevolg te geven aan het verzoek om inschrijving van een buiten Nederland gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA, dan stelt hij betrokkenen hiervan in kennis en biedt hij hun de mogelijkheid hun zienswijze naar voren te brengen ([artikel 83 Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=83)). Weigert de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken ook na het vernemen van de zienswijze van beide partijen tot inschrijving over te gaan, dan kunnen partijen tegen deze weigering beroep indienen bij de rechter.
De Korpschef draagt zorg voor registratie van de gegevens, vermeld op deel C model M46-C: terugmeldbericht en deel D model M46-D: afloopbericht procedure schijnhuwelijken.
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner en eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Indien een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt gestuit, wordt de vreemdelingenpolitie door tussenkomst van de IND via deel C: terugmeldformulier hierover geïnformeerd.
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
Indien ná de huwelijksvoltrekking uit feiten en/of omstandigheden blijkt dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap is gericht op de verkrijging van een verblijfsvergunning voor Nederland van een van de echtgenoten of geregistreerde partners, kan op vordering van het OM het huwelijk of geregistreerd partnerschap nietig worden verklaard op grond van [artikel 71a Boek 1 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=71a). Een vordering tot nietigverklaring heeft in het algemeen alleen kans van slagen als er meerdere indicaties zijn die duiden op het schijnkarakter van het huwelijk of geregistreerd partnerschap. De enkele constatering bijvoorbeeld dat betrokkenen niet samenwonen is hiervoor niet voldoende.
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap kan worden verleend aan de buitenlandse partner van een in Nederland gevestigd hoofdpersoon. [Artikel 3.29 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.29) geeft het kader van rechtsregels waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
Ingevolge [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling of de hoofdpersoon niet met een ander is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in Nederland met hun partner dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld.
De regel dat een verklaring van ongehuwd zijn niet ouder mag zijn dan zes maanden na afgifte door de daartoe bevoegde autoriteiten wordt ook door de Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand gehanteerd. De termijn van zes maanden wordt gezien als een redelijke termijn waarbinnen men wordt geacht niet (opnieuw) in het huwelijk te zijn getreden. Uiteraard wordt een bewijs van ongehuwd zijn dat minder dan zes maanden oud is in geval van contra-indicaties niet geaccepteerd.
Er kan verder worden afgezien van het vereiste dat de ongehuwde burgerlijke staat met officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, indien de vreemdeling voldoende aannemelijk maakt dat het opvragen van een verklaring van ongehuwd zijn in het land van herkomst tot problemen zou leiden. In dat geval verklaart de vreemdeling in ieder geval schriftelijk dat hij ongehuwd is.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
Zolang de vreemdeling of de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een (al dan niet geregistreerd) partnerschap is verbonden, wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één partner tegelijkertijd, alsmede de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen.
### 5.10. Middelen
Het onder a en b vermelde is gebaseerd op [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22).
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) verleend indien de hoofdpersoon in Nederland verblijft als:
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
### 4.7. Leeftijd van beide partners
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon eenentwintig jaar of ouder zijn.
Als de hoofdpersoon voldoet aan de bepalingen van [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), behoeft geen garantverklaring te worden ondertekend.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon tot elkaar in een zodanig nauwe relatie staan dat die naar Nederlands recht een huwelijksbeletsel zou vormen.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap’.
De verblijfsvergunning wordt verleend indien de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de in Nederland gevestigde hoofdpersoon. Van een duurzame en exclusieve relatie is sprake indien de (homo- of heteroseksuele) relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.
De vreemdeling overlegt ter onderbouwing van de duurzame en exclusieve relatie bij de aanvraag een volledig ingevulde en ondertekende relatieverklaring ([bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) en een ingevulde partnervragenlijst. De antwoorden op de partnervragenlijst moeten met zoveel mogelijk stukken worden onderbouwd.
### 5. Minderjarige kinderen
### 4.10. Samenwoning en gemeenschappelijke huishouding
### 5.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
Voor vreemdelingen die vanuit het buitenland verblijf (mvv) aanvragen, geldt dat zij direct na inreis in Nederland met hun partner dienen te gaan samenwonen als hier bedoeld.
### 4.11. Openbare orde beleid
### 6.12.5. Alleenstaand
Ook daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot of geregistreerd partner (zie in dit verband B2/5.4).
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
### 5.2. Familierechtelijke relatie
In afwijking van het vorengaande wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
### 6.12.6. Mvv
Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
### 6.4. Gelegaliseerde akten
Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar B2/2.10 onder ad c.
### 4.13. Garantverklaring
De in Nederland gevestigde partner ondertekent een garantverklaring (zie [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)), waarmee hij zich garant stelt voor de kosten die voor de staat en voor andere openbare lichamen voortvloeien uit het verblijf van de buitenlandse partner, en voor de kosten van terugkeer naar een land waar de toelating van die buitenlandse partner is gewaarborgd. De IND beoordeelt de garantverklaring alleen als geldig als deze is ondertekend door de in Nederland gevestigde partner van de vreemdeling.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
De beperking wordt aangevuld met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid niet toegestaan. Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
Volgens de Islamitische rechtstraditie houdt de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag over zijn kinderen en krijgt de moeder de ‘hadânah’, het zorgrecht. Het zorgrecht is een minder sterk recht dan het gezagsrecht. Het zorgrecht wordt in het kader van deze paragraaf behandeld als gezag.
In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de moeder het zorgrecht heeft en hoeft dit niet met bescheiden te worden aangetoond. Dit is slechts anders als er tegenbewijs voorhanden is, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de vader of de kinderen dat de moeder het zorgrecht niet meer heeft of omdat de moeder is hertrouwd met iemand met wie het kind niet in familierechtelijke betrekking staat, omdat ook dan in de regel het zorgrecht vervalt.
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
### 6.10. Middelen
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
Op basis van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wordt deze vergunning voorts verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind dat onder het rechtmatig gezag staat van de om verblijf vragende echtgenoot of geregistreerd partner van de hoofdpersoon.
Ook daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot of geregistreerd partner (zie in dit verband B2/5.4).
De aanvraag wordt echter afgewezen indien verblijf wordt beoogd in verband met adoptie, opname ter adoptie of verblijf als pleegkind, en niet aan een of meer van de ter zake daarvan geldende voorwaarden is voldaan. Zie voor de ter zake daarvan geldende voorwaarden B2/5.2.1. Hetzelfde geldt indien sprake is van een polygame situatie en het gestelde in B2/5.7 aan verlening van de vergunning in de weg staat.
### 5.2. Familierechtelijke relatie
Op grond van [artikel 3.14, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in [artikel 3.13, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), op aanvraag verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van een in Nederland gevestigde hoofdpersoon, indien het kind onder het rechtmatig gezag van de hoofdpersoon staat. Daarbij geldt als voorwaarde dat het kind naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon. Zie voor de nadere invulling van deze voorwaarde B2/5.4.
Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot of geregistreerd partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond. Daarbij geldt het gestelde in B2/7(gelegaliseerde bescheiden).
Indien het gestelde rechtmatig gezag niet met gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond, wordt de aanvraag afgewezen. Daarbij wordt, voor zover van toepassing, het in B2/7 vermelde en het hierna volgende in acht genomen.
In zeer veel gevallen zal het bestaan van gezag niet rechtstreeks blijken uit de bescheiden die toch reeds moeten worden overgelegd om de persoonlijke staat aan te tonen. De geboorte van het kind staande het huwelijk brengt – uitzonderingen daargelaten – met zich mee dat het kind van rechtswege onder het gezag van de beide echtgenoten staat.
Het aldus ter plaatse van de gewone verblijfplaats van het kind van rechtswege ontstane gezag wordt in Nederland erkend en kan worden afgeleid uit de buitenlandse geboorteakte van het kind. Uit die akte blijkt immers dat het kind afstamt van de met elkaar gehuwde ouders.
Ook het kind van een alleenstaande moeder staat doorgaans van rechtswege onder haar gezag.
### 6.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning
De erkenning van het vaderschap van een kind van een ongehuwde moeder brengt in sommige, maar zeker niet in alle rechtsstelsels, van rechtswege mee dat het kind mede onder het gezag van de erkenner komt te staan, zonder dat dit gezag noodzakelijkerwijs uit de akte van erkenning of uit de geboorteakte van het kind blijkt.
Daarnaast zijn situaties denkbaar waarin de partner van de moeder het kind niet erkent, maar wel het gezag over het kind verkrijgt door een rechtshandeling, bijvoorbeeld een verklaring ten overstaan van een autoriteit.
In dergelijke gevallen wordt verlangd dat het bestaan van het medegezag van de partner wordt aangetoond door een verklaring van een daartoe bevoegde instantie.
De gezagssituatie van een kind kan na de geboorte ook wijziging ondergaan door de beslissing van een rechter of een andere autoriteit. Het kan gaan om een specifiek op het gezag betrekking hebbende beslissing dan wel om een beslissing houdende ontbinding van het huwelijk, waarbij tevens het kind aan een van de ex-echtgenoten is toegewezen. Betreft het een buitenlandse gezagsbeslissing, dan mag ervan worden uitgegaan dat die beslissing voor erkenning in Nederland in aanmerking komt, indien zij is gegeven door een ter plaatse competente autoriteit en tot stand is gekomen in het land waar het kind ten tijde van de betreffende procedure zijn gewone verblijfplaats had. De betreffende beslissing wordt bij de aanvraag overgelegd.
In sommige landen wordt een gezagsbeslissing ingeschreven in een daartoe bestemd register of op de geboorteakte van het kind vermeld. In dat geval wordt, in de plaats van een afschrift van de beslissing, ook overlegging van een uittreksel uit de geboorteakte of het betreffende register als bewijs geaccepteerd.
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat de moeder het zorgrecht heeft en hoeft dit niet met bescheiden te worden aangetoond. Dit is slechts anders als er tegenbewijs voorhanden is, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de vader of de kinderen dat de moeder het zorgrecht niet meer heeft of omdat de moeder is hertrouwd met iemand met wie het kind niet in familierechtelijke betrekking staat, omdat ook dan in de regel het zorgrecht vervalt.
Het is verder mogelijk dat niet de vader of de moeder van het kind, maar een derde met het zorgrecht wordt belast. In dat geval dient dit met bescheiden te worden aangetoond.
### 6.3. Feitelijke gezinsband
Indien de andere ouder, wiens toestemming is vereist, de toestemming niet wil geven, onvindbaar is of overleden, kan toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie daarvoor in de plaats worden gesteld. Die beslissing tot toestemming wordt bij de aanvraag overgelegd.
Bovenstaande regels worden gehanteerd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatige gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel die dat uitoefent.
Voor systematische overzichten per land van de belangrijkste bepalingen betreffende het personeel statuut van vreemdelingen zij verwezen naar de uitgave Burgerlijke stand en buitenlanders, ISBN 90 6500 3487. Voorts kan de benodigde informatie veelal worden verkregen bij de afdeling Burgerzaken van de gemeente.
De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is. Dat is ook het geval, indien de vreemdeling zich er op beroept dat aan alle voorwaarden van [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wordt voldaan.
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
Het verblijf van kinderen die reeds zijn geadopteerd of nog moeten worden geadopteerd, wordt beheerst door de regels betreffende gezinshereniging en gezinsvorming voorzover [artikel 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) en [3.27 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.27) daar niet op zien (zie B3).
In deze paragraaf wordt ingegaan op het vaststellen van de familierechtelijke relatie tussen de adoptie(f)kinderen en de hoofdpersoon op grond van de over te leggen bescheiden. De enkele erkenning van de adoptiebeslissing houdt op zichzelf niet in dat is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk. Immers naast de erkenning van de familierechtelijke relatie tussen de hoofdpersoon en het adoptie(f)kind dient tevens te zijn voldaan aan de overige voorwaarden voor het verlenen van een verblijfsvergunning voor verblijf bij ouder(s).
### 6.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Erkenning van een buitenlandse adoptie is mogelijk op grond van het Haags Adoptieverdrag of op grond [artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103). Met ingang van 1 januari 2012 is de [Wet conflictenrecht adoptie](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015330) (Wcad) komen te vervallen. Met ingang van die datum is artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW van toepassing.
Heeft een van de adoptanten het Nederlanderschap, dan is het mogelijk dat het adoptiefkind door de adoptie van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. Het navolgende is van toepassing op het geval dat het kind weliswaar bij een in Nederland te erkennen adoptie is geadopteerd, maar (nog) niet het Nederlanderschap heeft verkregen.
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
Een buitenlandse adoptie wordt erkend wanneer die adoptie is geschied overeenkomstig het Haags Adoptieverdrag. Het Haags adoptieverdrag is, behalve door Nederland (het Koninkrijk in Europa), ook bekrachtigd door: Albanië, Andorra, Armenië, Australië, Azerbeidzjan, Belarus, België, Belize, Bolivia, Brazilië, Bulgarije, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Canada, Chili, China, Colombia, Costa Rica, Cuba, Cyprus, Denemarken, Dominicaanse Republiek, Duitsland, El Salvador, Ecuador, Estland, Filipijnen, Finland, Frankrijk, Guatemala, Georgië, Guinee, Hongarije, IJsland, India, Israël, Italië, Kenia, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, (de voormalige Joegoslavische Republiek) Macedonië, Madagaskar, Mali, Malta, Mauritius, Mexico, Moldavië, Monaco, Mongolië, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Panama, Paraguay, Peru, Polen, Portugal, Roemenië, San Marino, Seychellen, Slovenië, Slowakije, Spanje, Sri Lanka, Thailand, Turkije, Tsjechië, Uruguay, Venezuela, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Afrika, Zweden en Zwitserland. Het meest actuele overzicht van landen is te vinden op de website van The Hague Conference on Private International Law (hcch).
Adoptiebeslissingen, gegeven in een van deze verdragslanden, worden door de andere verdragslanden erkend, indien een verklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat die adoptiebeslissing conform dat verdrag heeft plaatsgevonden. Dat is een verklaring van conformiteit ex artikel 23 Haags Adoptieverdrag, afkomstig van de bevoegde autoriteit van de staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden. Het kan daarbij gaan om interlandelijke adopties waarbij de Nederlandse autoriteiten betrokken zijn geweest, maar dat is niet vereist. Het kan ook gaan om een adoptiebeslissing van verdragsland A waarbij verdragsland B als staat van opvang heeft gefungeerd. Een dergelijke verdragsadoptie wordt in Nederland erkend, mits de vereiste verklaring van conformiteit is overgelegd.
### 5.4.1. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
Het Haags Adoptieverdrag is alleen van toepassing als de aanvraag om een beginseltoestemming is ingediend op of na de datum waarop zowel Nederland (1 oktober 1998) als het land van herkomst partij zijn geworden. In geval van bijvoorbeeld China en de Dominicaanse Republiek, geldt dat adoptiebeslissingen gegeven in één van deze verdragslanden alleen naar Nederlands internationaal privaatrecht erkend worden indien de beginseltoestemming op of na 1 januari 2006 is aangevraagd. Bij een dergelijke aanvraag ontvangt men een BKA nummer. Aan dit nummer is te zien in welk jaar en welk kwartaal daarvan de aanvraag is ingediend.
Landen die het verdrag hebben ondertekend maar nog niet hebben bekrachtigd zijn: Ierland, Nepal en Rusland. Adoptiebeslissingen, gegeven door deze landen, worden niet op grond van het Verdrag erkend.
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
De erkenning van een adoptiebeslissing die is gegeven in een niet-verdragsland, wordt beheerst door de Nederlandse internationaal privaatrechtelijke conflictregels aangaande adoptie. Met ingang van 1 januari 2012 is [artikel 10:103 tot en met artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) van toepassing.
De [artikelen 10:108 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=108) en [10:109 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=109) bepalen de omstandigheden waaronder een adoptiebeslissing in de Nederlandse rechtsorde kan worden erkend. Erkenning op grond van de eerdergenoemde artikelen is alleen mogelijk indien de buitenlandse adoptie tot stand is gekomen (d.w.z. kracht van gewijsde heeft gekregen) op of na 1 januari 2004.
Ingevolge [artikel 10:108 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=108), komt adoptie voor erkenning in aanmerking indien de adoptiefouders of het kind of beiden, ten tijde van het verzoek tot adoptie en de uitspraak, hun gewone verblijfplaats hadden in de staat waar de beslissing tot stand is gekomen, en deze is uitgesproken door een ter plaatse bevoegde autoriteit. Erkenning wordt onthouden indien aan de beslissing geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan of, in geval niet zowel de adoptiefouders als het kind hun gewone verblijfsplaats hadden in de staat waar de beslissing is tot stand gekomen, indien de beslissing niet is erkend in die staat. Aan de beslissing wordt in ieder geval erkenning onthouden indien de beslissing kennelijk op een schijnhandeling betrekking heeft of kennelijk in strijd met de openbare orde zou zijn. Van kennelijke strijd met de openbare orde is, ingevolge artikel 10:108, vierde lid, BW, geen sprake indien op de adoptie een ander recht is toegepast dan het recht dat door de [artikelen 10:105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=105) en [10:106 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=106) is aangewezen: het verbod van de conflictenrechtelijke toets.
Een in het kader van dit hoofdstuk veel voorkomende situatie – die van de in Nederland wonende hoofdpersoon die een buitenlandse adoptiebeslissing overlegt – wordt bestreken door [artikel 10:109 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=109). Het eerste lid van dit artikel bevat voor de hoofdpersoon die zowel ten tijde van het verzoek tot adoptie als ten tijde van de adoptie-uitspraak zijn gewone verblijfsplaats in Nederland had de belangrijke voorwaarde dat aan de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) moet zijn voldaan (zie B3/2.3).
Op grond van het tweede lid van artikel 10:109 BW dient in de door het eerste lid bestreken gevallen de Nederlandse rechter vast te stellen of aan de daar genoemde voorwaarden voor erkenning is voldaan.
Om te kunnen vaststellen of op grond van de buitenlandse adoptiebeslissing een familierechtelijke relatie bestaat tussen de hoofdpersoon en het adoptie(f)kind zal bij het indienen van een aanvraag in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming dus naast de op de in B2/8 beschreven wijze gelegaliseerde buitenlandse adoptiebeslissing tevens de beslissing van de Nederlandse rechter moeten worden overgelegd.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke bedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) of [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19). Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
De familierechtelijke relatie tot degene bij wie verblijf wordt beoogd, wordt door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is. Dat is ook het geval, indien de vreemdeling zich er op beroept dat aan alle voorwaarden van [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) wordt voldaan.
### 5.4. Feitelijk behoren tot het gezin
Ingevolge [artikel 3.14, tweede lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) wordt de verblijfsvergunning verleend, indien het kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland feitelijk behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan en het kind moet gaan samenwonen met de ouder(s).
De aanvraag wordt afgewezen, indien het kind niet feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de in Nederland wonende ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd.
Voor de invulling van het begrip feitelijke gezinsband in zaken waarin minderjarige biologische of juridische kinderen bij een in Nederland verblijvende ouder verblijf vragen, wordt aangesloten bij het begrip familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen in de zin van artikel 8 EVRM eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
Indien sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen dat een biologisch of juridisch kind feitelijk behoort en reeds in het buitenland behoorde tot het gezin van de ouder(s).
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Ingeval het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.
Met de genoemde uitzonderingsgevallen is duidelijk gemaakt dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin geoordeeld kan worden dat het kind niet (meer) feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s). In de eerste twee genoemde omstandigheden kan worden aangenomen dat het kind een zekere mate van zelfstandigheid heeft bereikt. In deze gevallen komt aan de handhaving van een restrictief vreemdelingenbeleid meer gewicht toe dan aan het individuele belang van het kind om zich alsnog bij zijn ouder(s) in Nederland te voegen. De zorg voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, kan uitsluitend tot het oordeel leiden dat het kind niet feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien het kind daarnaast zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet, óf door het aangaan van een huwelijk of een relatie een zelfstandig gezin heeft gevormd.
Ingevolge [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) wordt, zolang de ouder met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote of geregistreerd partner alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
### 5.8. Samenwoning
Ingevolge [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De verblijfsvergunning wordt niet in het kader van gezinshereniging verleend, indien het kind naar Nederlands recht meerderjarig is. Dat betekent dat geen verblijf wordt toegestaan aan het kind dat de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, gehuwd is (geweest), een geregistreerd partnerschap is aangegaan of door de kantonrechter in het belang van moeder en kind meerderjarig is verklaard met toepassing van [artikel 1:253 ha Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha). Op het vereiste van minderjarigheid zijn twee uitzonderingen.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
Als beleidsregel geldt dat de aanvraag niet wordt afgewezen om de enkele reden dat het kind de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, indien:
### 8.4. Overige vrijstellingen
### 5.5.2. Bepaling van de geboortedatum
De geboortedatum van het minderjarige kind moet vast staan op grond van gelegaliseerde officiële documenten afgegeven door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. Indien van een vreemdeling uitsluitend het geboortejaar bekend is, wordt de geboortedatum bepaald op 1 juli.
Is naast het geboortejaar alleen de geboortemaand bekend, dan wordt als geboortedatum aangenomen de zestiende van de desbetreffende maand.
### 5.5.3. Correctie van de geboortedatum
Het kan zich voordoen dat van een vreemdeling die voor gezinshereniging naar Nederland is gekomen de bij de gemeente en IND bekende geboortedatum door de autoriteiten van het land van herkomst blijkt te zijn gecorrigeerd.
### 6.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ambtenaar burgerzaken/publiekszaken van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, op grond hiervan overgaat tot correctie van de geboortedatum van de vreemdeling, meldt hij dit via een GBA-bericht aan de IND.
### 6.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
Echter, als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
### 6.12.5. Alleenstaand
In het volgende geval wordt de verblijfsvergunning pas verleend als de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven:
De voorwaarde dat de hoofdpersoon op het moment van de aanvraag ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven is niet van toepassing op de vreemdeling die als gezinslid wil verblijven bij een hoofdpersoon op wie van toepassing is:
### 6.12.5. Alleenstaand
Vorenstaande geldt ook indien de hoofdpersoon (dus de biologische of juridische ouder) inmiddels rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), dan wel Nederlander is.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
[Artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) bevat een bijzondere regeling voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd dan wel een vreemdeling is die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Een onderscheid wordt gemaakt naar de plaats waar het kind wordt geboren.
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in Nederland geboren kind, indien:
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid.
### 6.12.6. Mvv
Op grond van [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103), wordt de aanvraag, indien deze is ontvangen vóór 15 februari 2005, getoetst aan [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20), zoals dat luidde vóór die datum.
[Artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) luidde voor 15 februari 2005:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In afwijking hiervan wordt de aanvraag, ingediend door het kind van een Nederlander, van een houder van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, of van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien dat kind:
### 7.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 5.10. Middelen
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74), of [artikel 3.19, tweede lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.19). Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
In afwijking van de voorgaande alinea wordt de aanvraag niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon verblijf heeft op grond van de regeling in B9, of indien de hoofdpersoon:
De aanvraag wordt ingevolge [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) niet afgewezen wegens onvoldoende, niet duurzame of niet zelfstandige middelen van bestaan, indien:
### 6.12.9. Openbare orde
Echter, als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon – mits deze samenwoont met de hoofdpersoon – worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
Daarbij geldt als aanvullende voorwaarde dat, tenzij de bovenbedoelde partner, geregistreerde partner of huwelijkspartner biologisch of juridisch ouder van de vreemdeling is, deze een garantstelling moet hebben ondertekend.
Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsverband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, Vb, dan wel de onder c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) vermelde vrijstelling.
Als het gaat om (voor-)kinderen die verblijf beogen bij hun juridische of biologische ouder, die op zijn beurt verblijf beoogt bij een derde (die dan de hoofdpersoon van de ouder is), dan geldt het volgende. In die gevallen wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning niet afgewezen omdat niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt, indien door degene bij wie de juridische of biologische ouder verblijf beoogt, duurzaam en zelfstandig wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan óf indien deze persoon is vrijgesteld van het middelenvereiste op grond van één van de hierboven genoemde vrijstellingsgronden.
### 6.12.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
In die gevallen wordt het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders ([artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11)) niet ingesteld en is het gewone gezinsherenigingsbeleid van toepassing.
### 9.5.1. Inleiding
### 5.11.1. In Nederland geboren kinderen
De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in Nederland geboren kind, indien:
De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldig mvv of het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. De aanvraag wordt evenmin afgewezen wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan mee te werken.
Voor in Nederland geboren kinderen uit een ouder die op dat moment een asielprocedure doorloopt, wordt verwezen naar [C2/6.1](onbekend).
Echter, als de hoofdpersoon (de biologische of juridische ouder bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 3.14, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven netto-inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
De verblijfsvergunning wordt op aanvraag verleend aan het tijdens een kort verblijf van de ouder(s) buiten Nederland geboren kind, indien:
Indien de vader van het kind onbekend is, wordt de verblijfsvergunning indien aan de hiervoor onder a, e, f, g, en h genoemde voorwaarden is voldaan, eveneens verleend, indien het kind feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de moeder en de moeder sedert de geboorte van het kind rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, danwel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft, en de moeder het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.
De familierechtelijke relatie van het buiten Nederland geboren kind tot de ouder(s) bij wie verblijf wordt beoogd, wordt met officiële gelegaliseerde bescheiden aangetoond, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich erop beroept dat aan alle voorwaarden van [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) wordt voldaan.
Kort verblijf wil zeggen een verblijf waardoor het hoofdverblijf niet buiten Nederland wordt verplaatst, bijvoorbeeld vakantie. Om de hiergenoemde groep te onderscheiden van de overige gevallen waarin het verblijf van een minderjarig kind in het kader van gezinshereniging in Nederland wordt beoogd en waarin de algemene voorwaarden voor verblijf in het kader van gezinshereniging van toepassing zijn, is een termijnstelling noodzakelijk. Aangezien het tweede en derde lid van [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) uitsluitend zien op kinderen die tijdens kort verblijf van de moeder (al dan niet met de vader) buiten Nederland worden geboren, is aan de desbetreffende regeling een termijn gesteld van zes maanden, te rekenen vanaf de geboorte van de vreemdeling. Die termijn sluit aan bij de termijn van verblijf buiten Nederland waarna onder omstandigheden verplaatsing van het hoofdverblijf kan worden aangenomen. Indien de aanvraag later dan zes maanden na de geboorte van de vreemdeling is ontvangen, gelden de gebruikelijke voorwaarden voor gezinshereniging. In een dergelijk geval ligt het bovendien in de rede dat bij de beoordeling daarvan wordt onderzocht of de ouder het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s))’.
Afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt van de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, wordt de beperking aangevuld met één van de arbeidsmarktaantekeningen genoemd in B1/2.3.1.
Vorenstaande arbeidsmarktaantekeningen laten onverlet de bij andere wetten gestelde beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid door minderjarigen.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Vanzelfsprekend wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend indien het gezinslid zelf een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen.
De verblijfsvergunning kan onder de beperking ‘het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders’, bedoeld in [artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11) worden verleend aan de minderjarige vreemdeling die door de aspirant adoptiefouders in een periode waarin:
De verblijfsvergunning wordt verleend indien:
In die gevallen wordt onderzoek ingesteld naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders ([artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11)). Het verblijfsrecht hangende dat onderzoek is van tijdelijke aard.
NB. Deze regeling is niet van toepassing indien:
In die gevallen wordt het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders ([artikel 11 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=11)) niet ingesteld en is het gewone gezinsherenigingsbeleid van toepassing.
Wanneer het buitenlandse kind, na opneming door aspirantadoptiefouders in een periode waarin zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland hadden, tezamen met de aspirantadoptiefouders in Nederland is binnengekomen, wordt ambtshalve het onderzoek bedoeld in [artikel 5, eerste lid, Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=5) ingesteld.
### 6. Gezinshereniging bij minderjarige houder verblijfsvergunning asiel
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
In [artikel 3.24a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) is een aanspraak gegeven op de verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging aan de bloedverwant van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn van de alleenstaande minderjarige houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien wordt aangetoond dat aan al de daar vermelde voorwaarden is voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Daarbij is van belang dat in deze paragraaf ook regels worden gegeven over de toepassing van enkele voorwaarden. Het betreft beleidsregels over de vaststelling van feiten.
Indien niet onverkort wordt voldaan aan alle voorwaarden van dit artikel, bestaat geen aanspraak op verlening van de verblijfsvergunning, maar kan de vergunning toch worden verleend, indien is voldaan aan de voorwaarden van deze paragraaf. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
### 6.2. Bloedverwantschap en gezinsband
Uitgangspunt is in dit kader dat met de bloedverwantschap als regel ook de gezinsband is gegeven.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling geen bloedverwant is van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn van de hoofdpersoon.
De bloedverwant van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn is de ouder (vader of moeder) van de hoofdpersoon.
### 7.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6.8. TBC-onderzoek
Indien er andere gronden zijn om de vergunning niet te verlenen, wordt het eventueel ontbreken van bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of gezinsband wel tegengeworpen.
Tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/8 van toepassing is, wordt met officiële gelegaliseerde bescheiden in ieder geval aangetoond:
Uitgangspunt is in dit kader dat het daarbij niet van belang is of de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder a, b, c dan wel d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
### 7.8. Afwijking van het middelenvereiste
Vanzelfsprekend wordt de verblijfsvergunning evenmin verleend indien het gezinslid zelf een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de hoofdpersoon niet als minderjarige houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
### 9.1. Inleiding
Het middelenvereiste geldt ook niet indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de minderjarige hoofdpersoon of de vreemdeling bijzondere banden heeft.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, aanhef, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de hoofdpersoon nog niet de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt.
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig indien de vreemdeling de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Ook zijn bijzondere banden aanwezig indien het gezinslid over een verblijfstitel anders dan voor verblijf van korte duur in dat land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste in het onderhavige kader niet tegengeworpen.
De hoofdpersoon wordt als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding van een krachtens de wet of gewoonterecht verantwoordelijke volwassene in Nederland is aangekomen.
De hoofdpersoon wordt eveneens als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding wordt achtergelaten, nadat hij in Nederland is aangekomen.
NB. onder alleenstaand wordt hier aldus wat anders verstaan dan in [artikel 3.4, eerste lid, onder x](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), [3.5, tweede lid, onder q](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), [3.6, onder b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6), en [3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56), alsmede C2/7 1.3.
De aanvraag wordt niet afgewezen op grond dat de vreemdeling niet alleenstaand is, indien door de Nederlandse rechter een reeds in Nederland gevestigde persoon (niet zijnde bloedverwant van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn) of instelling als voogd is benoemd.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een toereikende ziektekostenverzekering.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, of is vrijgesteld op grond van [artikel 17, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) of [artikel 3.71, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71).
### 7. Gelegaliseerde bescheiden
### 6.7. Document voor grensoverschrijding
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of naar het oordeel van de Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een zodanig document. B1/4.2 is van toepassing.
Daarnaast waarborgen officiële en gelegaliseerde bescheiden dat de gegevens die bij de IND, de vreemdelingenpolitie, de GBA en de verschillende andere overheidsdiensten bekend zijn, juist en eensluidend zijn. Derhalve wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet ingewilligd, indien de vreemdeling de daarvoor benodigde gelegaliseerde documenten betreffende de staat van personen niet heeft overgelegd.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling bereid is een onderzoek naar, of behandeling van TBC te ondergaan en daaraan mee te werken, of de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling aan te wijzen landen. B1/4.5 is van toepassing.
Op de hoofdregel dat buitenlandse bescheiden met betrekking tot de staat van personen moeten worden gelegaliseerd alvorens zij kunnen dienen als basis voor besluitvorming, bestaan de nodige uitzonderingen.
### 8.3. Vrijgestelde bescheiden
### 8.3. Vrijgestelde bescheiden
### 6.10. Middelenvereiste
### 8.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
### 7.3. Vrijgestelde bescheiden
### 8.5. Bewijsnood
### 7.4. Overige vrijstellingen
Indien de minderjarige niet over zodanige middelen beschikt, wordt de aanvraag afgewezen.
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig indien de vreemdeling de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Ook zijn bijzondere banden aanwezig indien het gezinslid over een verblijfstitel anders dan voor verblijf van korte duur in dat land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste in het onderhavige kader niet tegengeworpen.
### 7.5. Bewijsnood
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij [naam (minderjarige) houder verblijfsvergunning asiel]’.
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een toereikende ziektekostenverzekering.
### 8.5.1. Inleiding
Indien wel sprake is van bewijsnood, kan de afstammingsrelatie middels DNA-onderzoek worden aangetoond. Indien door middel van het DNA-onderzoek de afstammingsrelatie is aangetoond, kan de vrijstelling worden verleend.
Indien DNA-onderzoek niet mogelijk is, kan in een situatie van bewijsnood ook gebruik worden gemaakt van identificerende vragen.
Officiële en gelegaliseerde bescheiden waarborgen dat de vreemdeling die op grond van een bepaalde staat een verblijfsvergunning voor Nederland krijgt, ook daadwerkelijk die staat bezit. Het gaat hierbij om ondermeer geboorteakten, huwelijksakten, akten waarmee de ongehuwde staat wordt aangetoond, bewijzen van echtscheiding en bescheiden omtrent gezagsvoorzieningen.
### 9.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
De vreemdeling dient zich hiervoor hetzij persoonlijk, hetzij via familieleden of kennissen, te wenden tot de daartoe bevoegde autoriteiten van het land van herkomst. In de meeste gevallen zal dit het ministerie van BuZa van dat land zijn. Vervolgens dient het stuk te worden gelegaliseerd door de voor dat land bevoegde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging.
Als de afstammingsrelatie door het DNA-onderzoek wordt bevestigd en aan alle overige voorwaarden wordt voldaan, wordt de aanvraag ingewilligd, tenzij overigens bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
### 9. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
Legalisatie kan slechts strekken tot de bevestiging door de eigen autoriteiten en de acceptatie hiervan door de Nederlandse autoriteiten van de formele echtheid van een document en biedt geen uitsluitsel omtrent de juistheid van de inhoud van het document.
### 10.1. Inleiding
### 10.2. Toetsingskader
### 7.3. Vrijgestelde bescheiden
### 9.1. Inleiding
### 7.4. Overige vrijstellingen
### 8. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
De bedenkingen zijn in ieder geval ongegrond, indien:
Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden,waarvan met name sprake zal zijn ingeval van verbreking van de gezinsband, ingeval de hoofdpersoon zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst of ingeval het verblijfsrecht van de hoofdpersoon wordt beëindigd, (zie B1/5.3.1) of indien een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/6. Aan vreemdelingen die als minderjarig kind in het kader van gezinshereniging houder zijn geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend (zie [artikel 21a, eerste lid, onder b en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a); B1/6).
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan voorts worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer er in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
Om een dergelijke bewijsnood te kunnen aannemen is vooraf overleg met het ministerie van BuZa noodzakelijk door de IND.
Indien betrokkene stelt geen documenten te kunnen overleggen, maar ingevolge de circulaire inzake legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen wel gelegaliseerde documenten dient te overleggen, verzoekt de IND het ministerie van BuZa om nadere informatie ter zake.
### 9.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
### 10.2.2. Inmenging
Indien wel sprake is van bewijsnood, kan de afstammingsrelatie middels DNA-onderzoek worden aangetoond. Indien door middel van het DNA-onderzoek de afstammingsrelatie is aangetoond, kan de vrijstelling worden verleend.
Indien DNA-onderzoek niet mogelijk is, kan in een situatie van bewijsnood ook gebruik worden gemaakt van identificerende vragen.
Ingevolge [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) juncto [18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks)relatie indien:
In het geval van aanvragen waarbij door legalisatieplichtige vreemdelingen geen documenten zijn overgelegd, neemt de IND terzake contact op met het Ministerie van BuZa. Uit de informatie van het Ministerie van BuZa kan blijken dat er sprake is van bewijsnood voor betrokkene. In dat geval wijst de IND betrokkene op de mogelijkheid van DNA-onderzoek ten einde vast te stellen of er sprake is van een biologische afstammingsrelatie.
### 9.2.2. Inmenging
### 9.2.3. Belangenafweging
Deelname aan DNA-onderzoek geschiedt op vrijwillige basis. Indien de aanvrager geen gebruik maakt van de mogelijkheid van DNA-onderzoek, zal op grond van de beschikbare gegevens een beslissing worden genomen over de aanvraag.
Als de aanvrager instemt met een DNA-test ten behoeve van de door hem of haar aangegeven gezinsleden en met het gebruik van de uitslag van DNA-onderzoek in de procedure in kwestie, zal de IND de uitvoering van het DNA-onderzoek bekostigen. Bij een negatieve uitslag van het DNA-onderzoek kunnen betrokkenen een contra-expertise laten verrichten. Het DNA-onderzoek wordt gedaan door een laboratorium dat geaccrediteerd is voor het verrichten van DNA verwantschapsonderzoek bij de Nederlandse Raad voor Accreditatie. Betrokkenen betalen zelf de kosten van een contra-expertise.
### 9.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
De gezinsleden van de aanvrager tekenen aldaar op het aanvraagformulier een verklaring van geen bezwaar met betrekking tot DNA-onderzoek. Het DNA-materiaal wordt afgenomen in aanwezigheid van een ambtenaar van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging en wordt door de diplomatieke vertegenwoordiging verzonden naar het Ministerie van BuZa. Het Ministerie van BuZa stuurt het DNA-materiaal vervolgens door naar de IND.
De aanvrager in Nederland neemt in aanwezigheid van een IND-loketmedewerker DNA-materiaal bij zichzelf af. Die medewerker stuurt het DNA-materiaal van de aanvrager samen met het DNA-materiaal van de gezinsleden naar het laboratorium waar het DNA-onderzoek zal worden verricht.
De uitslag van het DNA-onderzoek biedt een zekerheid met betrekking tot het bestaan van een biologische afstammingsrelatie van ten minste 99,99 % in het geval van beide ouders DNA-materiaal beschikbaar is, en ten minste 99,9% in het geval van één ouder DNA-materiaal beschikbaar is. De IND informeert de aanvrager over de uitslag van het DNA-onderzoek.
Het DNA-materiaal wordt na zes maanden na het onderzoek door het laboratorium vernietigd. In geval het DNA-materiaal langer bewaard moet blijven, geeft de IND daartoe een schriftelijke aanwijzing aan het laboratorium.
### 8. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
Wanneer de vreemdeling een aanvraag indient voor een ander verblijfsdoel, dient deze aanvraag getoetst te worden aan het ter zake geldende beleid. De aanvraag om voortzetting van het verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt getoetst aan het beleid zoals genoemd in B5. Zie in dit verband het bepaalde in B1/2.3.2 ten aanzien van vreemdelingen die op grond van hun eerdere verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Voor deze categorie vreemdelingen is een TWV niet vereist. Er dient echter wel getoetst te worden of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang wordt gediend, tenzij er sprake is van internationale verplichtingen (zie B16/9). Deze toets wordt uitgevoerd door de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De aanvraag van de betreffende vreemdeling dient derhalve ter advisering te worden voorgelegd aan deze organisatie, indien de werkzaamheden niet vallen onder het algemene arbeidsmarktadvies dat deze organisatie halfjaarlijks uitbrengt.
Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden,waarvan met name sprake zal zijn ingeval van verbreking van de gezinsband, ingeval de hoofdpersoon zijn hoofdverblijf buiten Nederland verplaatst of ingeval het verblijfsrecht van de hoofdpersoon wordt beëindigd, (zie B1/5.3.1) of indien een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel. Voor de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd wordt verwezen naar B1/6. Aan vreemdelingen die als minderjarig kind in het kader van gezinshereniging houder zijn geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend (zie [artikel 21a, eerste lid, onder b en tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a); B1/6).
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Alleen indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen zal tot intrekking op deze grond worden overgegaan.
Nadat de vreemdeling een jaar verblijf in het kader van (verruimde) gezinshereniging heeft gehad, dient de verblijfsvergunning te worden verlengd. Daarbij wordt getoetst aan de algemene voorwaarden voor het verlengen van de verblijfsvergunning.
Indien de verblijfsvergunning is verleend voor verblijf bij een minderjarige houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt het feit dat die houder inmiddels de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt niet tegengeworpen in het kader van de verlenging. De verblijfsvergunning wordt om die enkele reden niet ingetrokken.
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Dat lijdt uitzondering in de gevallen genoemd in B2/8.5.2. Deze uitzonderingen gelden ongeacht de vraag of de hoofdpersoon verblijfsrecht van tijdelijke aard of van niet-tijdelijke aard heeft.
Gelet op het voorgaande wordt behoudens de vrijstellingsgronden van [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) (zie hieronder) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur, bij een beroep op de publieke middelen, in ieder geval afgewezen indien de hoofdpersoon tijdens de geldigheid van de verblijfsvergunning vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden.
Ingevolge [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) juncto [18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval van verbreking van de (huwelijks)relatie. Er is sprake van een verbreking van de (huwelijks)relatie indien:
Tenzij op grond van B16 een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan worden verleend, wordt in een dergelijk geval de verblijfsvergunning ingetrokken. De verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan alleen op aanvraag worden verleend. Indien intrekking in deze gevallen wordt overwogen, wordt de vreemdeling derhalve in de gelegenheid gesteld een aanvraag tot wijziging van de beperking in ‘voortgezet verblijf’ in te dienen.
[Artikel 3.90 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.90) geeft een uitzondering op de hiervoor weergegeven regel dat de verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de (huwelijks)relatie is verbroken.
Dit artikel ziet op situaties waarin een vreemdeling, wiens verblijf in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming is aanvaard, de hoofdpersoon wegens gewelddaden is ontvlucht. In dergelijke gevallen kan er sprake zijn van een tijdelijke (feitelijke) verbreking van de samenwoning. De feitelijke verbreking kan echter ook een permanent karakter hebben. Om die reden kan de verblijfsvergunning, in situaties waarin de vreemdeling de hoofdpersoon wegens gewelddaden is ontvlucht, wel worden ingetrokken indien er sedert de feitelijke verbreking van de samenwoning een jaar is verstreken.
De vreemdeling die stelt de persoon bij wie verblijf was toegestaan wegens gewelddaden te hebben verlaten, maakt dat aannemelijk door in ieder geval over te leggen:
Ingevolge [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) wordt de aanvraag tot het verlengen niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan indien de hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Indien de (huwelijks)relatie korter dan drie jaar heeft geduurd, komt de vreemdeling in beginsel niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf (zie B16/5.3), tenzij sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/5.3.3) of internationale verplichtingen (zie B16/5.5). Wanneer de vreemdeling een aanvraag indient voor een ander verblijfsdoel, dient deze aanvraag getoetst te worden aan het ter zake geldende beleid. De aanvraag om voortzetting van het verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt getoetst aan het beleid zoals genoemd in B5. Zie in dit verband het bepaalde in B1/2.3.2 ten aanzien van vreemdelingen die op grond van hun eerdere verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Voor deze categorie vreemdelingen is een TWV niet vereist. Er dient echter wel getoetst te worden of met het verrichten van de arbeid een wezenlijk Nederlands arbeidsmarktbelang wordt gediend, tenzij er sprake is van internationale verplichtingen (zie B16/9). Deze toets wordt uitgevoerd door de Algemene Directie voor de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. De aanvraag van de betreffende vreemdeling dient derhalve ter advisering te worden voorgelegd aan deze organisatie, indien de werkzaamheden niet vallen onder het algemene arbeidsmarktadvies dat deze organisatie halfjaarlijks uitbrengt. De aanvraag om voortzetting van het verblijf voor het verrichten van arbeid als zelfstandige wordt onverkort getoetst aan het beleid als genoemd in B5/7. Zie voor uitzonderingen op grond van de overgangsregeling ingevolge [artikel 9.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.6) (zie B16/5.3.4).
Gelet op het voorgaande wordt behoudens de vrijstellingsgronden van [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) (zie hieronder) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur, bij een beroep op de publieke middelen, in ieder geval afgewezen indien de hoofdpersoon tijdens de geldigheid van de verblijfsvergunning vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden.
### 10.2. Toetsingskader
Zie voor de verblijfsrechtelijke gevolgen van afwezigheid voor militaire dienst in het land van herkomst of detentie in het buitenland van degene bij wie verblijf werd toegestaan B1/5.3.2.
### 8.5. Middelenvereiste
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Om gerechtvaardigd te zijn dient de inmenging:
### 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Alleen indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen zal tot intrekking op deze grond worden overgegaan.
Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele ten laste komt van de publieke middelen, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/ 8.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn.
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
### 10.2.1. Begrippen
Bij deze belangenafweging worden de volgende factoren betrokken:
Het economisch welzijn van Nederland is een van de gronden waarop inmenging in het familie- of gezinsleven, bedoeld in artikel 8 EVRM, kan worden gerechtvaardigd. Bij de belangenafweging die toetsing aan artikel 8 EVRM meebrengt, komt aan het feit dat er sprake is van vrijwillige of verwijtbare werkloosheid en van een beroep op de publieke middelen een zodanig zwaar gewicht toe, dat verblijfsbeëindiging veelal een gerechtvaardigde inmenging zal betekenen.
Gelet op het voorgaande wordt behoudens de vrijstellingsgronden van [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) (zie hieronder) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur, bij een beroep op de publieke middelen, in ieder geval afgewezen indien de hoofdpersoon tijdens de geldigheid van de verblijfsvergunning vrijwillig of door eigen toedoen werkloos is geworden.
Onder deze omstandigheden wordt ook de nog geldige verblijfsvergunning ingetrokken.
Het enkele feit dat iemand werkloos is na het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van vrijwillige werkloosheid. Vrijwillige werkloosheid kan wel worden aangenomen indien er andere feiten en omstandigheden zijn waaruit kan worden afgeleid dat het einde van het dienstverband een niet-onvrijwillig karakter heeft of dat na einde dienstverband de werkloosheid alsnog een niet-onvrijwillig karakter heeft gekregen, hetgeen onder meer kan blijken uit uitsluiting van of strafkorting op de uitkering.
Er kan gesproken worden van vrijwillige werkloosheid indien een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van [artikel 24 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24). Dit is het geval als hij:
Of een werknemer al dan niet verwijtbaar werkloos is geworden, dient naar behoren te worden geconstateerd door het CWI, de Gemeentelijke Sociale Dienst of het uitvoeringsorgaan van de sociale verzekeringen. Indien geconstateerd wordt dat de hoofdpersoon niet door eigen toedoen werkloos is, is hij onvrijwillig werkloos.
### 8.5.3. Afwijking van het middelenvereiste
Ingevolge [artikel 3.85 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.85) wordt de aanvraag tot het verlengen niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan indien de hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.
Ook indien geen sprake is van inmenging dient een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaats te vinden. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf zal ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij deze belangenafweging. Bij illegaal verblijf zal slechts in zeer uitzonderlijke situaties sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM (zie de uitspraak van het EHRM inzake Rodrigues da Silva van 31 januari 2006, nr. 50435/99).
Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.
Indien na de toetsing aan de voorgaande hoofdstukken de vreemdeling geen verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend, dient in alle gevallen getoetst te worden aan artikel 8 EVRM. In overige gevallen van afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning wordt getoetst aan artikel 8 EVRM indien daarop een beroep is gedaan.
### 10.2.3. Belangenafweging
Tenslotte is van belang dat zowel bij eerste toelating als bij inmenging een volledige belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij het gewicht dat aan de verschillende belangen toekomt mede bepaald wordt door de omstandigheid of sprake is van eerste toelating of van inmenging.
### 9.2.3. Belangenafweging
Zowel bij eerste toelating als bij inmenging dient altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafwegingen bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving.
### 3.2. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie
### 2.2.3. De bepalingen van B3 zijn van toepassing op de aanvraag
In de volgende gevallen kan eveneens sprake zijn van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
### 9.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
In de zaak Bensaid van 6 februari 2001, nr 44599/98, heeft het EHRM het begrip privé-leven als volgt gedefinieerd: ‘Privé-leven is een ruim begrip en leent zich niet voor een uitputtende definitie. Het Hof heeft inmiddels bepaald dat elementen als vereenzelviging met een bepaald geslacht (gender identification), naam, seksuele oriëntatie en seksueel leven belangrijke elementen zijn van de persoonlijke sfeer die door artikel 8 EVRM beschermd worden. Geestelijke gezondheid moet ook gezien worden als een essentieel deel van privé-leven in het kader van het aspect morele integriteit. Artikel 8 EVRM beschermt het recht op een identiteit, persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties aan te gaan en te ontwikkelen met andere mensen en de buitenwereld. Het behoud van een geestelijke stabiliteit is in deze context een onontbeerlijke voorwaarde om het recht op respect voor het privé-leven effectief te genieten’.
In de (latere) uitspraak in de zaak Üner, van 18 oktober 2006, nr 46410/99, heeft het EHRM overwogen: ‘Artikel 8 EVRM beschermt echter ook het recht om relaties met andere mensen te stichten en te ontwikkelen en kan onder omstandigheden aspecten van iemands sociale identiteit omvatten’. Het EHRM overweegt verder dat in dat licht het totaal aan sociale banden van ingeburgerde vreemdelingen en de samenleving waarin zij leven onderdeel kan zijn van het begrip privé-leven.
In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
Het gezinsleven tussen ouders en kinderen eindigt slechts in zeer uitzonderlijke situaties. Ook indien men niet samenwoont of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. De enkele ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing van het kind beëindigt bijvoorbeeld niet het gezinsleven.
### 9.2.2. Inmenging
### 2.4. Mvv
In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven of privé-leven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezins- dan wel privé-leven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn of in afwachting van een beslissing, gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn, dan wel een negatieve beslissing op de lopende aanvraag, weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen. Evenmin is sprake van inmenging in het geval een verblijfsvergunning is verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of door de vreemdeling achtergehouden gegevens die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.
Echter, indien de vreemdeling eerder rechtmatig verblijf heeft gehad en de redelijke termijn voor voortzetting van verblijf is overschreden, is wel sprake van inmenging. In dit geval zal het eerder rechtmatig verblijf, de duur en de reden van de termijnoverschrijding in de belangenafweging betrokken dienen te worden.
### 2.5.1. Aanmelding
Indien er sprake is van inmenging, wordt beoordeeld of die inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM. Die beoordeling bestaat uit drie stappen.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Verder is van belang dat het economisch welzijn meer omvat dan slechts de bescherming van de algemene middelen. Ook indien de vreemdeling die niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder hem verblijf in Nederland was toegestaan en die ook niet voldoet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, op enig moment wel beschikt over een arbeidsplaats, is het economisch welzijn van Nederland in geding. Het economisch welzijn strekt zich ook uit tot, bijvoorbeeld, de bescherming van de arbeidsmarkt (de vreemdeling werkt weliswaar, maar er is prioriteitgenietend aanbod) en de uit de algemene middelen gefinancierde faciliteiten (onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en dergelijke).
### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
### 9.2.3. Belangenafweging
Zowel bij eerste toelating als bij inmenging dient altijd een volledige belangenafweging plaats te vinden. Het verschil tussen de belangenafwegingen bij eerste toelating en de belangenafweging bij inmenging is gelegen in het gewicht van de belangen. Een belang van de vreemdeling heeft indien sprake is van inmenging een zwaarder gewicht dan hetzelfde belang heeft indien sprake is van eerste toelating. Het omgekeerde geldt ten aanzien van een belang van de samenleving.
Welke belangen bij de belangenafweging moeten worden betrokken, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus zal verschillen. De wegingsfactoren kunnen dan ook niet limitatief worden opgesomd. Wel kan in een aantal nader omschreven gevallen worden aangegeven welke belangen in ieder geval gewogen dienen te worden.
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
### 4. Voorwaarden
### 4.2. Looncriterium
### 4.3. Werkgever
### 7.3. Procedure
### 7.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Het koppelingsbureau van de IND fungeert in dergelijke gevallen als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
### 3. Uitsluitingen
### 4.1. Vrijstelling mvv
### 4.5. Geldig document voor grensoverschrijding
### 5. Gezinsleden
### 5.1. Inleiding
### 5.2. Voorwaarden in het kader van gezinshereniging
Op grond van [artikel 3.23b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23b) wordt de verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging verleend als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan. Het is niet nodig om te beschikken over een geldige mvv:
Het gezinslid legt bescheiden over waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag blijkt.
Als de gezinsleden niet aan de bovengenoemde voorwaarden voldoen dan zijn de algemene regels van B2 van toepassing. Dit is ook het geval indien het gezin in de andere lidstaat nog niet was gevormd.
### 6. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt verleend voor ten minste één jaar en ten hoogste vier jaren (zie [artikel 3.59c, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c)). Een verblijfsvergunning als houder van een Europese blauwe kaart wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst aangevuld met drie maanden.
De verblijfsvergunning van de gezinsleden wordt op grond van [artikel 3.59c, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c) verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, eerste lid onder cc, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’. Het verblijfsrecht wordt met toepassing van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) aangemerkt als een niet-tijdelijk verblijfsrecht.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV. Een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning voor de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/(geregistreerd)partner/ (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode
De houder van een Europese blauwe kaart heeft als hij werkloos is geworden, binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, drie maanden de tijd om een nieuwe baan te zoeken. De vreemdeling en zijn (voormalige) werkgever moeten de IND direct informeren als de vreemdeling werkloos is geworden.
Als de vreemdeling geen baan vindt binnen de termijn van drie maanden, moeten de werkgever en de vreemdeling dit melden bij de IND. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Als er een nieuwe werkgever is gevonden moet deze dit schriftelijk doorgeven aan de IND. De IND zal dan controleren of bij deze werkgever nog wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de Europese blauwe kaart. Als niet meer wordt voldaan aan deze voorwaarden trekt de IND de verblijfsvergunning in. Als de vreemdeling een wijziging wil aanvragen naar een ander verblijfsdoel dient hij daartoe een aanvraag in bij de IND.
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken of niet verlengd als sprake is geweest van fraude bij de verkrijging ervan of als het verblijfsdocument is vervalst of veranderd (zie [artikel 3.84, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.84)).
De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning af en trekt de verblijfsvergunning in als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend (zie [artikel 3.89b, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b)). Intrekking (zie [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91)) of niet-verlenging is ook mogelijk op gronden die verband houden met openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden of als een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6).
### 9.1. Wijziging werkgever
Als de houder van een Europese blauwe kaart niet langer voldoet aan de beperking waaronder aan hem verblijf is toegestaan kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met toepassing van [artikel 18, eerste lid, sub f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18). Relevante wijzigingen, zoals wijziging van werkgever, moeten aan de IND worden gemeld (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). De houder van een Europese blauwe kaart heeft na drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
### 9.2. Werkloosheid
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen (zie [artikel 3.89b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b) en [artikel 18, eerste lid, sub d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18)) en de verblijfsvergunning wordt ingetrokken (zie [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91c)) als:
De houder van een Europese blauwe kaart moet in alle gevallen melding maken van zijn werkloosheid (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben op het verblijfsrecht.
De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verleend, kan een aanvraag indienen tot wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning.
### 22. Langdurig verblijvende kinderen
### 1. Inleiding
Om de omvang van de verplichtingen van de overheid te bepalen, moeten alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen en uiteindelijk moet een eerlijk evenwicht worden bereikt tussen de algemene belangen die zijn gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en de weigering van de verblijfsvergunning enerzijds, en de persoonlijke belangen die zijn gediend met het in Nederland uitoefenen van het gezinsleven anderzijds. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, komt in beide gevallen aan de overheid een zekere beoordelingsvrijheid (a certain margin of appreciation) toe. Bij de weigering van eerste toelating van vreemdelingen tot het Nederlandse grondgebied is die groter dan bij de weigering van voortgezet verblijf.
Als richtsnoer wordt voor de duur van de redelijke termijn een termijn van drie jaren gehanteerd. Van belang is dat die termijn korter of langer kan zijn naar gelang de overige feiten en omstandigheden van het individuele geval.
### 10.2.3.3. Openbare orde aspecten en belangenafweging
Ingeval van gezinshereniging van kinderen met hun ouders dienen, gelet op de uitspraak van het EHRM inzake Sen (12 december 2001, nr 3144565/96) in de belangenafweging in ieder geval betrokken te worden:
### 9.3. Ambtshalve wijziging
In geval van gezinsleven met in Nederland gevestigde kinderen dienen in ieder geval (tevens) de volgende belangen in de afweging betrokken te worden:
Indien openbare orde aspecten een rol spelen in de weigering (verder) verblijf toe te staan dienen de uit het arrest van het EHRM van 2 augustus 2001 inzake Boultif (nr 54273/00) volgende ‘guiding principles’ in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden:
### 9.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
In de belangenafweging dient in ieder geval te worden betrokken het totaal van de in het gastland aangegane sociale banden en de intensiteit daarvan, de verblijfsduur in het gastland en de onzekerheid van de verblijfsstatus.
Daarnaast volgt uit de uitspraak inzake Üner, dat de Boultif-criteria ook toegepast kunnen worden op alle zaken waar het gaat om verblijfsbeëindiging van ingeburgerde vreemdelingen, waarbij geen sprake is van gezinsleven, na een strafrechtelijke veroordeling. Daarbij zullen, gelet op het ontbreken van het gezinsleven, alleen de eerste drie Boultif-criteria en de uit de uitspraak van Üner volgende hechtheid van de sociale en culturele banden van de vreemdeling met het gastland en zijn land van herkomst, van belang zijn.
Indien ongewenstverklaring aan de orde is dient gelet op de uitspaak van het EHRM van 31 januari 2006, inzake Sezen (nr 50252/99), naast de hiervoor genoemde belangen, in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden of en hoe lang de vreemdeling na invrijheidstelling in Nederland gezinsleven kon opbouwen, voordat tot ongewenstverklaring is overgegaan. Daarnaast dient in geval van ongewenstverklaring in de belangenafweging betrokken te worden dat, met ongewenstverklaring, het gedurende een aantal jaren voor de vreemdeling onmogelijk is zijn of haar gezin in Nederland te bezoeken.
Bij de beoordeling van de belangen vindt een afweging plaats van de belangen van de vreemdeling alsmede zijn gezinsleden tegen de algemene belangen. In dat kader wordt in ieder geval betrokken of:
Dit hoofdstuk bevat de bijzondere voorwaarden inzake de verlening van een verblijfsvergunning aan buitenlandse adoptiekinderen, alsmede aan buitenlandse kinderen voor wie opname in een pleeggezin in Nederland wordt beoogd. Het gaat om gezinsuitbreiding met kinderen, anders dan door geboorte.
Objectieve belemmeringen zien op belemmeringen om het gezinsleven tussen de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon en de gezinsleden buiten Nederland uit te oefenen. Bij de beoordeling van de vraag of daarvan sprake is, zal veelal moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in het land van herkomst kan worden uitgeoefend. In het zich daartoe lenende geval zal echter ook moeten worden beoordeeld of het gezinsleven in een derde land kan worden uitgeoefend. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsgerechtigde hoofdpersoon Nederlander of vreemdeling is. Nederlanders kunnen zich in het algemeen ook in andere landen vestigen. In iedere zaak zal beoordeeld moet worden of er op dit moment sprake is van een objectieve belemmering. In het algemeen gelden daarbij de volgende uitgangspunten:
Van een objectieve belemmering om het privé-leven in het land van herkomst uit te oefenen, zal gelet op de uitspraak van het EHRM van 22 juni 2004 inzake F versus UK (nr 17341/03) geen sprake zijn.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
### 2.2.1. Inleiding
Uitgangspunt is dat de hoofdpersoon bij wie verblijf wordt beoogd, zijn of haar eigen verantwoordelijkheden draagt, ook voor wat betreft de kosten van zijn of haar levensonderhoud en dat van de gezinsleden die hij of zij wenst te laten overkomen. Daarom wordt van de hoofdpersoon verwacht dat hij of zij gedurende een langere termijn alles op alles heeft gezet om werk te krijgen en zodoende duurzaam te gaan beschikken over voldoende zelfstandige bestaansmiddelen. Daarbij wordt van hem of haar een actieve houding verwacht.
### 2.1. Inleiding
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 2.1. Inleiding
Als richtsnoer wordt voor de duur van de redelijke termijn een termijn van drie jaren gehanteerd. Van belang is dat die termijn korter of langer kan zijn naar gelang de overige feiten en omstandigheden van het individuele geval.
Indien sprake is van gezinsvorming, en er dus niet reeds in het land van herkomst sprake was van gezinsleven tussen de toegelaten hoofdpersoon en het gezinslid, maar het gezinsleven eerst is aangegaan nadat de hoofdpersoon zich in Nederland heeft gevestigd, wordt slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden een schending van artikel 8 EVRM aangenomen. In het algemeen zal daarvan slechts sprake zijn, indien duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
Aangezien de opneming in het belang moet zijn van het kind speelt met name de geschiktheid van de toekomstige ouders een belangrijke rol. Zowel de Nederlandse autoriteiten als de vergunninghoudende bemiddelende organisaties als ook de buitenlandse betrokken instanties spelen een rol bij de beoordeling of opneming in het belang van het kind is.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
Dit betekent niet dat bij elke reguliere verblijfsbeëindiging ambtshalve zal worden beoordeeld of sprake is van artikel 8 EVRM. Een dergelijke beoordeling vind slechts plaats in de gevallen waarin expliciet een beroep op dit artikel wordt gedaan, dan wel waar een vreemdeling zelf feiten en omstandigheden naar voren brengt waaruit dit kan worden opgemaakt.
### 9.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij (naam hoofdpersoon met wie het gezinsleven moet worden toegestaan)’.
### 2.2.2. Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing
Afhankelijk van de positie op de arbeidsmarkt van de hoofdpersoon, wordt de beperking aangevuld met één van de arbeidsmarktaantekeningen genoemd in B1/2.3.1.
### 4.3. Voorschrift
Dit is slechts anders indien verblijf dient te worden verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven. In dat geval is het verblijfsrecht, ongeacht de aard van het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, altijd tijdelijk.
Als de procedure ingevolge de Wobka niet is gevolgd door adoptanten die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, kan aan het kind desondanks een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het bepaalde in B2. Hiertoe is dan in ieder geval wel vereist dat bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat de in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
Het is echter mogelijk dat in Nederland (alsnog) in de adoptie moeten worden voorzien middels een adoptie naar Nederland recht. Hiervan kan sprake zijn indien het kind afkomstig is uit een land waarvan het nationale recht niet vereist dat de adoptiebeslissing ter plekke wordt uitgesproken. Er is dan wel voldaan aan de vereisten voor adoptie in het gezin in Nederland, maar er is nog geen adoptiebeslissing genomen. De adoptie vindt pas plaats nadat het kind gedurende een proefperiode (bijvoorbeeld een jaar) in het gezin van de aspirant-adoptiefouders is opgenomen geweest. Indien aan de vereisten voor adoptie is voldaan, neemt de buitenlandse autoriteit een besluit tot opname van het buitenlandse kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouder(s) ter adoptie. Alsdan wordt ten behoeve van het kind een verblijfsvergunning verleend, in afwachting van de adoptie (zie B3/2.3 en verder). Ook in de situatie waarin de in het buitenland uitgesproken adoptie noch op grond van het Haags Adoptieverdrag, noch op grond van [artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) kan worden erkend, wordt de beslissing op de aanvraag beheerst door de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk. De bepalingen van onderhavig hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de aanvraag van een kind ten aanzien waarvan de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) door de in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders niet in acht zijn genomen en niet bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat die in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Met ‘ten laste komen van de vreemdeling’ wordt bedoeld dat de vreemdeling de feitelijke zorg heeft voor het kind, dan wel de feitelijke zorg op zich zal nemen.
### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
### 10.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij (naam kind)’. De beperking wordt aangevuld met de tekst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 2.4. Mvv
### 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
Dat is anders indien ten onrechte is geconcludeerd dat het kind door de adoptie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. In die gevallen is tevens ten onrechte een Nederlands paspoort afgegeven. Deze gevallen leiden dan ook tot weigering van de inschrijving als Nederlander in de GBA. Omdat het kind in kwestie hierdoor vreemdeling is gebleven, moet dus na inreis in Nederland alsnog een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier worden ingediend.
### 2.5.1. Aanmelding
De voorwaarden die zien op het verblijf verband houdend met verblijf ter adoptie en verblijf als pleegkind zijn opgenomen in respectievelijk de [artikelen 3.26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) en [3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28).
### 2.5.1. Aanmelding
Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B1/4 van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de IND. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. De aspirant-adoptiefouder toont de originele beginseltoestemming van de Staatssecretaris van V&J voor opneming bij de burgemeester. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van V&J. De IND retourneert de beginseltoestemming – voor zover deze in origineel is overgelegd – aan de vreemdeling.
Het komt veelvuldig voor dat een kind als direct gevolg van een in het buitenland uitgesproken adoptie de Nederlandse nationaliteit verkrijgt en dus als Nederlander met een Nederlands paspoort Nederland inreist en als Nederlander wordt opgenomen in de GBA. In een dergelijk geval is het toelatingsbeleid vanzelfsprekend niet van toepassing.
### 2.6. Het kind wordt niet als Nederlander in de GBA opgenomen
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Aangezien de opneming in het belang moet zijn van het kind speelt met name de geschiktheid van de toekomstige ouders een belangrijke rol. Zowel de Nederlandse autoriteiten als de vergunninghoudende bemiddelende organisaties als ook de buitenlandse betrokken instanties spelen een rol bij de beoordeling of opneming in het belang van het kind is.
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
De inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
### 2. Oud-Nederlanders
### 2.6.2. Aanvraag vaststelling van het Nederlanderschap
Tevens staat het de adoptie(f)ouders vrij om op grond van [artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) ten behoeve van het adoptie(f)kind een aanvraag verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard in te dienen onder een beperking verband houdend met het afwachten van een bij de rechtbank ingediend verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Voor de te volgen procedure wordt verwezen naar B4/11 en verder.
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
Een adoptie die conform het verdrag tot stand is gekomen en is uitgesproken in een land dat is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag wordt in alle andere verdragssluitende landen van rechtswege erkend, mits aan alle vereisten van beide landen is voldaan (zie B2/5.2.1.1). Een dergelijke adoptie is in Nederland direct rechtsgeldig.
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Als de procedure ingevolge de Wobka niet is gevolgd door adoptanten die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben, kan aan het kind desondanks een verblijfsvergunning worden verleend op grond van het bepaalde in B2. Hiertoe is dan in ieder geval wel vereist dat bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat de in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
### 2.2.3. De bepalingen van B3 zijn van toepassing op de aanvraag
Veelal zal de in het buitenland uitgesproken adoptie in Nederland kunnen worden erkend, hetzij op grond van het Haags Adoptieverdrag, hetzij op grond van [10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103).
### 2.2.4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
Indien de hoofdpersoon (het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 3.14, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74). Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.28, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde partner. Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsverband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in artikel 3.28, vierde lid, Vb, dan wel de onder c vermelde vrijstelling.
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Het buitenlandse kind mag op het tijdstip van binnenkomst in Nederland de leeftijd van zes jaren niet bereikt hebben, behoudens de bevoegdheid van de Staatssecretaris van V&J om in bijzondere gevallen, op schriftelijk verzoek van de aspirant-adoptiefouders, een afwijking van deze leeftijdsgrens toe te staan. Ook mag er niet meer dan 40 jaar leeftijdsverschil zijn tussen het kind en de aspirant-adoptiefouders, behoudens de bevoegdheid van de Staatssecretaris van V&J om in bijzondere gevallen een afwijking van toe te staan, in dat geval kan de Minister eisen stellen aan de leeftijd van het kind.
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Door de aspirant-adoptiefouders dient gebruik te zijn gemaakt van een bemiddelende, vergunninghoudende instantie, bedoeld in [hoofdstuk 5 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=5). Indien niet van een zodanige instantie doch van andere contacten gebruik is gemaakt, dient de daartoe ex [artikel 7a Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=7a) benodigde toestemming van de Staatssecretaris van V&J te zijn verleend; De afstand door ouder(s) en de instemming van de autoriteiten uit het land van herkomst van het kind is verkregen ([artikel 8 onder d en e Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&artikel=8)) Door de aspirant-adoptiefouders dient op bevredigende wijze door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden (zie B2/8) te worden aangetoond dat de afstand door de ouder(s) van het buitenlandse kind naar behoren is geregeld. Op gelijke wijze dienen de aspirant-adoptiefouders aan te tonen dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming, door hen, van het kind.
### 4.3. Voorschrift
Als niet voldaan wordt aan een of meer van bovengenoemde voorwaarden die ontleend zijn aan de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) en het kind verblijft reeds illegaal hier te lande, maakt de IND melding van deze vermoedelijk illegale adoptie bij de Raad van de Kinderbescherming, die, zonodig, aangifte doet bij de politie.
### 2.4. Mvv
Verzoeken om advies in verband met een door het kind in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een mvv worden in beginsel ingediend door de bemiddelende vergunninghoudende instanties, als bedoeld in [hoofdstuk 5 Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447&hoofdstuk=5). Dit staat er niet aan in de weg dat ook aspirant-adoptiefouders een dergelijk verzoek ten behoeve van het kind kunnen indienen.
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Zo nodig wint het Hoofd van de Visadienst dan wel de Minister voor I&A aanvullende gegevens in bij de Raad voor de Kinderbescherming omtrent de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
Het kind dient zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland aan te melden bij het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats heeft (zie [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) juncto [artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)).
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient het kind zich te vervoegen bij de IND. Deze stelt de aspirant-adoptiefouder in de gelegenheid ten behoeve van het kind een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen. De aspirant-adoptiefouder toont de originele beginseltoestemming van de Staatssecretaris van V&J voor opneming bij de burgemeester. Dit lijdt slechts uitzondering indien het originele document door de daarvoor bevoegde autoriteiten in het land van herkomst van het kind is ingenomen. In deze gevallen kan genoegen worden genomen met een kopie van de beginseltoestemming. In geval van twijfel kan contact worden opgenomen met de Centrale Autoriteit interlandelijke adoptie van het Ministerie van V&J. De IND retourneert de beginseltoestemming – voor zover deze in origineel is overgelegd – aan de vreemdeling.
De verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkin wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam pleegouder)’.
De verblijfsvergunning voor verblijf ter adoptie wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam aspirant-adoptiefouder)’.
### 1. Inleiding
Dat is anders indien ten onrechte is geconcludeerd dat het kind door de adoptie de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. In die gevallen is tevens ten onrechte een Nederlands paspoort afgegeven. Deze gevallen leiden dan ook tot weigering van de inschrijving als Nederlander in de GBA. Omdat het kind in kwestie hierdoor vreemdeling is gebleven, moet dus na inreis in Nederland alsnog een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier worden ingediend.
### 4.3. Voorschrift
Indien het een adoptie betreft die zonder meer in Nederland kan worden erkend (zie B2/5.2.1), wordt de aanvraag van het kind getoetst aan de voorwaarden inzake gezinsvorming en gezinshereniging (zie B2/5). Is er bij de adoptie van het buitenlandse kind door in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders nog geen declaratoir van de Nederlandse rechter verkregen over de geldigheid van de in het buitenland uitgesproken adoptie, dan wordt het kind toegelaten voor verblijf ter adoptie volgens de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk.
[Artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) geeft aan wanneer verblijf kan worden toegestaan aan een vreemdeling, die een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), tot vaststelling van zijn Nederlanderschap heeft ingediend.
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge [artikel 3.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) niet tegengeworpen.
### 4. Wedertoelating
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge [artikel 3.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) niet tegengeworpen.
### 3.1. Inleiding
Buitenlandse pleegkinderen zijn diegenen die om andere redenen in hun belang naar Nederland worden overgebracht en in een pleeggezin worden geplaatst en waarbij de pleegouders feitelijk de plaats van de ouders innemen.
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Voor al deze kinderen geldt als voorwaarde dat naar het oordeel van de Minister voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst doordat er ten aanzien van het kind sprake is van zodanige omstandigheden, dat het niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Zulks wordt in het algemeen niet aangenomen van een kind dat bij zijn ouders verblijft in minder welvarende omstandigheden, voorzover die omstandigheden overigens ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Daarom zal het een in Nederland verblijvend gezin van een rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling of Nederlander niet zijn toegestaan om bijvoorbeeld een jonger broertje of zusje van één der ouders, of neefje of nichtje op te nemen uitsluitend op grond van de opvatting dat het kind hier te lande in ruimere materiële welstand kan verkeren.
De aanvraag wordt afgewezen indien uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind niet blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien het kind, niet de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen die zijn vrijgesteld van de verplichting een TBC onderzoek te ondergaan, en uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) afgewezen (zie ook B1/4.5).
### 2.2.3. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder d en f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
Indien de hoofdpersoon (het familielid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt in de zin van [artikel 3.14, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14) met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen. In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74). Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.28, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.28) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde partner. Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsverband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in artikel 3.28, vierde lid, Vb, dan wel de onder c vermelde vrijstelling.
### 2. Oud-Nederlanders
In situaties waarbij sprake is van reeds in Nederland verblijvende illegaal opgenomen (familie-)pleegkinderen die niet voldoen aan het (familie)pleegkinderenbeleid, maakt de IND hiervan melding bij het landelijk Bureau van de Raad voor de Kinderbescherming.
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
De vreemdeling dient in ieder geval gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland te overleggen.
De aspirant-pleegouders verstrekken bij de ten behoeve van het kind in te dienen aanvraag de gegevens en bescheiden behorende bij de voorwaarden als vermeld onder B3/3.1. Het betreft:
De gevraagde officiële buitenlandse bescheiden dienen gelegaliseerd te zijn (zie B2/8).
Na onderzoek zal, met inachtneming van de relevante omstandigheden op de aanvraag worden beslist.
### 2.2.4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
Ingevolge [artikel 5 Pleegkinderenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002084&artikel=5) is het hoofd van het pleeggezin verplicht van de opneming van een pleegkind binnen één week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente van verblijf.
Voor de overige bepalingen inzake verlening en afwijzing van de vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur zie B1/6 en B1/7.
De verblijfsvergunning kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
De verblijfsvergunning voor verblijf ter adoptie wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam aspirant-adoptiefouder)’.
De verblijfsvergunning voor verblijf als buitenlands pleegkin wordt verleend onder de beperking ‘Verblijf bij … (naam pleegouder)’.
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
Ingevolge het bepaalde in [artikel 4.21, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21), wordt op het verblijfsdocument aangegeven of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) een TWV is vereist.
### 2.2.3.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling:
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (de glijdende schaal; zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.
De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren (zie [artikel 3.58 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.58)).
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding wordt dat ingevolge [artikel 3.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.26) niet tegengeworpen.
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
Wat betreft de voorwaarden is het bepaalde in B4/2.2.3.1 en B4/2.3.1 van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) of voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
[Artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) geeft het kader aan waarbinnen aan Oud-Nederlanders verblijf kan worden toegestaan in het kader van wedertoelating. De in het [eerste en tweede lid, onder a, van artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) genoemde groepen oud-Nederlanders zijn niet limitatief. Het tweede lid, onder b, van dit artikel geeft de mogelijkheid in de Vc ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen op te nemen.
De [artikelen 3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54) en [3.55 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55) geven het kader aan waarbinnen de Minister in andere gevallen eveneens de bevoegdheid heeft om verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd in het kader van wedertoelating te verlenen.
[Artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) geeft het kader aan waarbinnen de Minister de bevoegdheid heeft om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating te verlenen.
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Indien aan de voorwaarden van deze artikelen is voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen, doch niet verplicht.
### 2.3. Vergunning regulier onbepaalde tijd
Daarnaast zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. De verblijfsvergunning wordt derhalve niet verleend, indien niet wordt voldaan aan een of meer van die algemene voorwaarden, tenzij hieronder anders is bepaald.
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) worden verleend, indien:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) kan onder de beperking verband houdende met wedertoelating worden verleend aan de vreemdeling:
Er zijn twee soorten regelingen op grond waarvan een vreemdeling na definitief vertrek naar het buitenland wederom naar Nederland kan terugkeren. Het betreft hier de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) (zie B4/3.1 en B4/3.2) en de sedert jaar en dag bestaande (voorheen in B21/5 van de Vc (oud) geregelde) terugkeeroptie voor vreemdelingen die als minderjarige kinderen met hun remigrerende ouders uit Nederland zijn geremigreerd (zie B4/4 en B4/5).
Uit de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) volgt dat het moet gaan om remigratie op grond van die wet. Vreemdelingen die eerder of anders zijn geremigreerd, kunnen aan de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) geen aanspraken op wedertoelating ontlenen.
Ten aanzien van de oud-Nederlanders die in Nederland zijn geboren en getogen, geldt dat, op grond van het feit dat zij in die periode als Nederlander in Nederland hebben verbleven, zij geacht worden zodanig sterke banden met Nederland te hebben opgebouwd en na hun vertrek uit Nederland te hebben behouden, dat zij met voorbijgaan aan een aantal algemene voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor verblijf in Nederland (zie [artikel 3.53, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53)).
### 3.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De meerderjarige vreemdeling die naast de Nederlandse nationaliteit tevens een vreemde nationaliteit bezat, en die met het oog op remigratie op grond van de Remigratiewet, afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend.
De meerderjarige oud-Nederlander die buiten Nederland is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in Nederland, indien er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met Nederland (zie [artikel 3.53, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53)).
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
De verblijfsvergunning kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 2.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
De vreemdeling dient in ieder geval gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland te overleggen.
### 2.2.3. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder d en f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
Bij de berekening van de periode van drie jaren wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) rechtmatig in Nederland verbleef als houder van een vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vw (oud).
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de enkele grond dat:
### 3.2.2. Vergunning regulier onbepaalde tijd
### 2.2.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval:
### 2.2.4. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
In de gevallen, waarbij tevens is voldaan aan het middelenvereiste, wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Indien niet wordt voldaan aan het middelenvereiste wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
### 4. Vergunning regulier bepaalde tijd terugkeeroptie (minderjarigen)
Deze terugkeeroptie moet worden onderscheiden van de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8). Deze regeling ziet op de minderjarige vreemdeling, aan wie in het kader van wedertoelating een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan aan de minderjarige vreemdeling worden verleend indien:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.54, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54)).
Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren omdat hij na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) worden verleend, indien:
### 4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Voor wat betreft de bij de aanvraag over te leggen bescheiden wordt verwezen naar B4/2.2.3. Het gestelde in deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
De procedures die op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar (zie B5/2). Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
De remigratiewet is van toepassing op:
### 3.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De meerderjarige vreemdeling die naast de Nederlandse nationaliteit tevens een vreemde nationaliteit bezat, en die met het oog op remigratie op grond van de Remigratiewet, afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit, kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend.
De verblijfsvergunning kan worden verleend, indien de vreemdeling de volgende bescheiden overlegt:
### 3.2. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
Voor de overige bepalingen inzake verlening en afwijzing van de vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur zie B1/6 en B1/7.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) kan onder de beperking verband houdende met wedertoelating worden verleend aan de vreemdeling:
### 9. Aard van het verblijfsrecht
Uit de [Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424) volgt dat het moet gaan om remigratie op grond van die wet. Vreemdelingen die eerder of anders zijn geremigreerd, kunnen aan de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) geen aanspraken op wedertoelating ontlenen.
Bij de berekening van de periode van drie jaren wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) rechtmatig in Nederland verbleef als houder van een vergunning tot verblijf onder beperking op grond van artikel 9 Vw (oud).
Bij de in B4/3.1 genoemde verblijfsvergunning wordt in aanvulling op het bovenstaande in het paspoort de aantekening geplaatst ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval:
Bij de in B4/3.1 genoemde verblijfsvergunning wordt in aanvulling op het bovenstaande in het paspoort de aantekening geplaatst ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
De vergunning, als bedoeld in B4/3.1, wordt verleend voor de duur van ten hoogste zes maanden of zoveel korter als het daadwerkelijke vertrek uit Nederland.
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
### 11.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling in ieder geval een volledig afschrift van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 11.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.54, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54)).
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
Ten aanzien van de onder c bedoelde categorie vreemdelingen, kan niet voorshands worden aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst. Voor een dergelijk oordeel zijn aanvullende feiten en omstandigheden van belang. In de hierbedoelde gevallen zal van geval tot geval worden beoordeeld of Nederland het meest aangewezen land is voor de desbetreffende vreemdeling. Bij die beoordeling kunnen worden betrokken de reden van de remigratie, de duur van het verblijf in Nederland en in het land van herkomst, de in Nederland en in het buitenland gevolgde schoolopleiding, de in Nederland en in het buitenland opgedane werkervaring en de kennis van de Nederlandse taal. De vreemdeling is de meest gerede partij om over deze factoren zo veel mogelijk gegevens te verstrekken.
Bij de berekening van de perioden van vijf respectievelijk tien jaren wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de inwerkingtreding van de Vw rechtmatig in Nederland verbleef op grond van artikel 9 of 10 Vw (oud).
### 4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling, naast een geldig document voor grensoverschrijding, in ieder geval, gegevens en bescheiden met betrekking tot de duur en de aard van het eerdere verblijf in Nederland.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
Het eerste lid van [artikel 3.92 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92) geeft het kader van een beperkte terugkeeroptie voor vreemdelingen die tijdens de minderjarigheid in Nederland hebben verbleven en naar het land van herkomst zijn teruggekeerd en inmiddels meerderjarig zijn geworden. Deze regeling correspondeert met de verblijfsregeling ten aanzien van de minderjarigen die tijdens hun minderjarigheid vijf jaren of langer in Nederland hebben verbleven en in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met wedertoelating.
Indien die afhankelijke gezinsleden de vreemdeling vergezellen, wordt hun aanvraag om wedertoelating aangemerkt als aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien:
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 21a, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a)) kan worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat (zie [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) en [artikel 3.92, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), en [artikel 3.93, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)):
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.
### 11.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Voor de overige bepalingen inzake verlening en afwijzing van de vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur zie B1/6 en B1/7.
Indien de geldigheidsduur van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) tijdens het verblijf van de houder buiten Nederland in verband met de militaire dienstplicht of detentie is verstreken, wordt de aanvraag om wedertoelating aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie.
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
Indien de geldigheidsduur van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) tijdens het verblijf van de houder buiten Nederland in verband met de militaire dienstplicht of detentie is verstreken, wordt de aanvraag om wedertoelating aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie.
Voor de gevallen genoemd in B4/3.2.1, B4/3.2.2, B4/4 en B4/5 wordt het gevaar voor de openbare orde beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (zie [artikelen 3.54, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.54) en [3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55) en voor de glijdende schaal zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt betrokken de periode waarin de vreemdeling voor de remigratie uit Nederland, op grond van [artikel 8, onder a t/m e dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of voor de inwerkingtreding van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) op grond van artikel 9, 9a of 10 Vw (oud) in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd nadat het rechtmatig verblijf in Nederland is beëindigd.
Indien die afhankelijke gezinsleden de vreemdeling vergezellen, wordt hun aanvraag om wedertoelating aangemerkt als aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien:
De in B4/2.2, B4/3.1, B4/3.2.1 en B4/4 genoemde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking 'wedertoelating'. Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld 'Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist'.
Bij de in B4/3.1 genoemde verblijfsvergunning wordt in aanvulling op het bovenstaande in het paspoort de aantekening geplaatst ‘in afwachting van remigratievoorzieningen’.
Indien aan één of meer verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B1/4) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze Vc.
Voor de regels voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend, wordt verwezen naar het gestelde in B1/3.
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
Bij overschrijding van die termijn is verlenging van de vergunning in principe niet mogelijk, tenzij de remigrant van de overschrijding van die termijn redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
### 9. Aard van het verblijfsrecht
Voor de toepassing van [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [artikel 19, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) is het verblijfsrecht, met uitzondering van het verblijfsrecht genoemd in B4/3.1, niet-tijdelijk van aard.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.
De verantwoordelijkheid voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) berust bij de Minister.
[Artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) verschaft de basis om aan personen die een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
In de behoefte aan arbeidskrachten dient zoveel mogelijk te worden voorzien door inschakeling van het in Nederland aanwezige of redelijkerwijs te verwachten aanbod, of van het arbeidsaanbod uit de EU-lidstaten of de lidstaten van de EER, voor zover daarop het vrije verkeer van werknemers van toepassing is (zie B10). Dit is het zogenaamde prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
Het [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV.
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
De [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) voorziet in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling (zie B5/3.1).
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)’.
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De procedures die op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar (zie B5/2). Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als de rechtbank te ’s-Gravenhage uitspraak zal doen.
In [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) worden de verblijfsvoorwaarden voor het verrichten van arbeid in loondienst gegeven. Het gaat om de volgende voorwaarden:
Voor de toepassing [artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=8) en [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) is het verblijfsrecht tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt mitsdien niet in aanmerking voor naturalisatie.
### 11.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
De werkgever kan ten behoeve van een vreemdeling die in Nederland verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid in loondienst, een verzoek om advies met het oog op afgifte van een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst indienen bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie door middel van het daarvoor bestemde formulier. In dit formulier zijn de documenten en gegevens opgenomen die overgelegd moeten worden ten behoeve van het advies. Dit formulier wordt door hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld. Dit aanvraagformulier dient volledig ingevuld en voorzien van alle gevraagde gegevens en bescheiden te worden geretourneerd naar de IND.
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Indien de geldigheidsduur van verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) tijdens het verblijf van de houder buiten Nederland in verband met de militaire dienstplicht of detentie is verstreken, wordt de aanvraag om wedertoelating aangemerkt als een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien de aanvraag is ontvangen binnen zes maanden na beëindiging van die dienstplicht of detentie.
Indien het verblijfsrecht van de vreemdeling niet wordt beëindigd, wordt het van diens verblijfsrecht afhankelijke verblijfsrecht van de in Nederland achterblijvende gezinsleden evenmin beëindigd om de enkele reden dat zij (tijdelijk) niet beschikken over voldoende zelfstandige middelen van bestaan en (tijdelijk) niet feitelijk met de vreemdeling samenwonen.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
Een en ander geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden van Nederlanders die buiten Nederland zijn gedetineerd of hun dienstplicht vervullen.
### 5. Arbeid
Verzoeken om advies met het oog op de afgifte van een mvv dan wel een aanvraag om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant kunnen eveneens bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie worden ingediend indien:
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
Indien aan één of meer verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, of wanneer een algemene weigeringsgrond (zie [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B1/4) van toepassing is, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze Vc.
Gelet op [artikel 13, aanhef en onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts worden ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
Het [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32) stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die stellen dergelijke arbeid als zelfstandige te verrichten zij verwezen naar B11.
Een vreemdeling, die naar Nederland komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, mag hij derhalve niet uit Nederland worden verwijderd. Hij verblijft dan immers rechtmatig in Nederland in de zin van [artikel 8, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De verantwoordelijkheid voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde bij en krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) berust bij de Minister.
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
In de behoefte aan arbeidskrachten dient zoveel mogelijk te worden voorzien door inschakeling van het in Nederland aanwezige of redelijkerwijs te verwachten aanbod, of van het arbeidsaanbod uit de EU-lidstaten of de lidstaten van de EER, voor zover daarop het vrije verkeer van werknemers van toepassing is (zie B10). Dit is het zogenaamde prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is een werkgever:
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
Het werkgeversbegrip verwijst niet naar een juridische verhouding, gebaseerd op een arbeidsovereenkomst of aanstelling, maar naar de feitelijke situatie, waarbij een vreemdeling feitelijk arbeid verricht in opdracht van of voor een ander. Als gevolg van het brede werkgeversbegrip kunnen zich situaties voordoen dat een vreemdeling voor hetzelfde werk meerdere werkgevers heeft (uitzendarbeid, aanneming van werk). Indien één van de werkgevers al beschikt over een TWV voor het betreffende werk, behoeven andere werkgevers geen TWV aan te vragen.
### 2.5. Voorschrift
Op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt getoetst of aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is voldaan.
### 2.5. Voorschrift
De procedures die op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) moeten worden gevolgd hangen zeer nauw met elkaar samen en de beslissingen op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de aanvraag om verlening van een TWV beïnvloeden elkaar (zie B5/2). Daarom is een nauwe samenwerking tussen de diensten die deze regelingen uitvoeren van belang.
Een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, Vw (oud) wordt ingevolge [artikel 115, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115) aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
In [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) worden de verblijfsvoorwaarden voor het verrichten van arbeid in loondienst gegeven. Het gaat om de volgende voorwaarden:
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
Teneinde de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling te bevorderen als ook een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND en UWV WERKbedrijf te waarborgen (zie B5/1.1), verloopt de aanvraagprocedure van de verblijfsvergunning via het centrale loket voor kennis- en arbeidsmigratie bij de IND en wordt ook de aanvraagprocedure voor de TWV door UWV WERKbedrijf centraal afgehandeld.
De procedure ziet er als volgt uit:
### 3.2. Vreemdelingen met aantekening document ‘arbeid vrij toegestaan’
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien de vreemdeling, conform het bepaalde in B1/1.1.1 zelf de aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt deze aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie.
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
De volgorde waarin op die aanvragen vervolgens dient te worden beslist, is als volgt: Als eerste wordt op de aanvraag om een TWV beslist door UWV WERKbedrijf. Pas daarna wordt op het verzoek om advies met het oog op afgifte van een mvv dan wel de aanvraag om een mvv beslist.
Indien duidelijk is dat de mvv moet worden geweigerd, ongeacht of er al dan niet een TWV zou moeten worden verleend, wordt de mvv meteen geweigerd en wordt niet gewacht op de beslissing op de aanvraag om verlening van een TWV. Hierbij dient met name te worden gedacht aan gevallen waarin de mvv dan wel de verblijfsvergunning moet worden geweigerd op grond van bijvoorbeeld gevaar voor de openbare orde (zie B5/7.6). UWV WERKbedrijf zal hierover direct worden geïnformeerd in verband met de Wav- procedure.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
Verzoeken om advies met het oog op de afgifte van een mvv dan wel een aanvraag om een mvv in het kader van gezinshereniging met een arbeidsmigrant kunnen eveneens bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie worden ingediend indien:
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
Verzoeken verband houdend met adoptie en opname als pleegkind worden derhalve niet door het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie afgehandeld.
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
Een aantal categorieën vreemdelingen komt in aanmerking voor een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ (zie [artikel 2, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=2)).
Voor verblijf in Nederland verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst dient de werkgever van de vreemdeling te beschikken over een TWV en de vreemdeling over een verblijfsvergunning. De beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd enerzijds en de beslissing op de aanvraag om een TWV anderzijds beïnvloeden elkaar. De hoofdregel is dat met de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gewacht wordt totdat op de aanvraag om een TWV is beslist. Wordt de TWV verleend dan zal als regel ook de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend, mits ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Hierbij kunnen zich de volgende situaties voordoen:
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
De TWV wordt geweigerd. Indien de aanvraag om een TWV wordt geweigerd voordat op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is beslist, zal als regel ook een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst worden geweigerd.
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
Een weigering de geldigheidsduur te verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of de intrekking ervan en ook intrekking van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd vormt op grond van [artikel 12, eerste lid, onder b, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=12) een dwingende grond tot intrekking van de TWV. Hiervan kan op grond van [artikel 12, tweede lid, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=12) door de Minister van SZW na overleg met de IND worden afgeweken ten aanzien van een vreemdeling als bedoeld in [artikel 8, onder h, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Het betreft vreemdelingen die in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift rechtmatig verblijf hebben indien ingevolge de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) of een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist.
Indien voor verblijf in Nederland verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, arbeid in loondienst als practicant of arbeid in loondienst als stagiair door UWV WERKbedrijf een TWV is afgegeven geldt voor de toetsing van het middelenvereiste het volgende. Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst of arbeid in loondienst als practicant toetst UWV WERKbedrijf of de vreemdeling zelfstandig beschikt over een bedrag minstens gelijk aan het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, lid 1, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8). Om in aanmerking te komen voor een TWV voor het verrichten van arbeid in loondienst als stagiair toetst UWV WERKbedrijf of de vreemdeling zelfstandig beschikt over een bedrag minstens gelijk aan 50% van het minimumloon, bedoeld in [artikel 8, lid 1, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8).
Indien in de hiervoor genoemde gevallen ten behoeve van de vreemdeling een TWV is afgegeven, is daarmee tevens aangetoond dat is voldaan aan het vereiste om zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74)). De in hoofdstuk B1/4.3.1 genoemde bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst hoeven in deze gevallen derhalve niet overgelegd te worden.
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie [artikelen 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en [3.59 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59)).
### 4.1.5. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
In verband met de regel dat een vreemdeling na drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vrij is op de arbeidsmarkt (zie [artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=4)), is het van belang dat de ingangsdatum van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zo veel mogelijk gelijk is aan de ingangsdatum van de TWV. Komt de duur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd na drie jaar niet overeen met de geldigheidsduur van de TWV dan dient tijdig d.w.z. voor afloop van de TWV waarvan verlening wordt beoogd, contact opgenomen te worden met UWV WERKbedrijf om indien gewenst verlenging van de TWV aan te vragen.
### 2.4. Beperking
Het verblijf als godsdienstleraar en geestelijk voorganger is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard, tenzij het betreft een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80.
### 4.1.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als godsdienstleraar/geestelijk voorganger ten behoeve van ..........’ (in te vullen de met name te noemen groepering).
### 4.1.3. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
[Artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten niet geldt voor:
Indien een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de onderstaande regelingen wordt hij geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben verplaatst enkel omdat hij buiten Nederland arbeid verricht (zie B1/5.3.2).
[Artikel 4 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=4) bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten niet geldt voor een vreemdeling die beschikt over een vergunning welke is voorzien van een aantekening van de Minister waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.
### 4.1.6. Wijziging van de verblijfsrechtelijke beperking
Zo’n aantekening wordt afgegeven aan een vreemdeling:
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
Een toelating krachtens artikel 10, tweede lid, Vw (oud) wordt ingevolge [artikel 115, vijfde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=115) aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
### 4.5.3. Voorschriften
Afgezien van de bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de hier bedoelde gevallen gelden steeds de algemene voorwaarden – en ook weigeringsgronden – voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.5.4. Geldigheidsduur
Deze vreemdeling krijgt op het verblijfsdocument de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Deze wijziging wordt bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning doorgevoerd bij de aanvraag van het verblijfsdocument, dat wil zeggen nadat de vreemdeling drie jaar houder van de voor arbeid geldige vergunning is geweest.
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
Een aantal categorieën vreemdelingen komt in aanmerking voor een arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ (zie [artikel 2, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=2)).
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
[Artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) staat niet de vergunningverlening in de weg aan de vreemdeling die drie jaar arbeid heeft verricht waarvoor na toetsing aan het prioritetsgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een TWV was afgegeven en om die reden vrij is op de arbeidsmarkt, ook indien met zijn werkzaamheden niet (langer) een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd.
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
Onder de Wav geldt voor de werkgever de verplichting te beschikken over een TWV voor de buitenlandse werknemer die werkzaamheden als godsdienstleraar of geestelijk voorganger gaat verrichten.
Vreemdelingen die verblijf als godsdienstleraar of geestelijk voorganger in Nederland beogen, moeten in het bezit zijn van een mvv. Indien zij niet in het bezit zijn van een geldige mvv voor dat doel, wordt de aanvraag afgewezen ingevolge [artikel 3.71, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), tenzij zij op grond van [artikel 17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) zijn vrijgesteld.
De buitenlandse werknemer kan aanspraak maken op verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd overeenkomstig het algemene beleid voor buitenlandse werknemers.
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
De buitenlandse godsdienstleraar of geestelijk voorganger die op verzoek van een bepaalde groepering naar Nederland wil komen, komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in aanmerking, indien hij beschikt over een geldige mvv voor dat doel. Daarvoor is onder meer vereist dat die groepering dan wel de werkgever beschikt over een TWV voor het door de vreemdeling laten verrichten van werkzaamheden in die hoedanigheid. CWI beoordeelt op grond van de Wav of een TWV kan worden afgegeven. Daarnaast stelt de IND een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare rust en de openbare orde bezwaar bestaat tegen het verblijf van de godsdienstleraar dan wel geestelijk voorganger in Nederland en of de betrokken groepering op wier verzoek de godsdienstleraar of geestelijk voorganger zijn werkzaamheden zal gaan uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de godsdienstleraar of geestelijk voorganger handhaaft.
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
De IND onderzoekt voorts of aan de overige voorwaarden is voldaan.
Het verblijf als godsdienstleraar en geestelijk voorganger is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard, tenzij het betreft een vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80.
### 4.1.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als godsdienstleraar/geestelijk voorganger ten behoeve van ..........’ (in te vullen de met name te noemen groepering).
### 4.1.3. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan.’
### 4.1.4. Voorschriften
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 4.1.5. Werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
### 4.4.1. Verlening van een verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (zie B5/7.10).
Indien een vreemdeling reeds in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland onder een andere beperking dan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijke voorganger en vervolgens werkzaamheden als godsdienstleraar of geestelijk voorganger wil gaan verrichten, dient de beoogde nieuwe werkgever een aanvraag om een TWV te doen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (zie B5/7.10).
Gezinsleden van een vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt.
B2 is van toepassing, met uitzondering van het beleid inzake voortgezet verblijf na verblijf in het kader van gezinshereniging (zie B16), aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), en [3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
Een TWV is vereist indien een vreemdeling zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft óf een arbeidsovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever óf arbeid op een binnen Nederland geregistreerd vervoermiddel verricht. In dat geval dient er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning/mvv te worden ingediend. Indien de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder B5/2). Voor de verlening van de TWV moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. De vreemdeling kan zich daartoe melden bij de IND. De IND plaatst vervolgens een Verblijfssticker in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)).
Voor vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en boorplatformen (mijnbouwinstallaties) op het Nederlandse deel van het continentaal plat zijn enkele specifieke verblijfsregelingen opgenomen. De bijzondere voorwaarden hiervoor zijn geregeld in de [artikelen 3.34 tot en met 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34).
### 4.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Indien een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de onderstaande regelingen wordt hij geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben verplaatst enkel omdat hij buiten Nederland arbeid verricht (zie B1/5.3.2).
Ingevolge [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) kunnen werknemers op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat, sneller in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier voor het doorbrengen van verlof in Nederland.
Met bedoelde verblijfsvergunning wordt het voor de werknemer op het continentaal plat mogelijk om binnen de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning de verlofperioden in Nederland door te brengen. Hiermee vervalt het risico van overstay, met negatieve gevolgen voor een volgende afgifte van een visum kort verblijf.
De werkzaamheden van de vreemdeling die in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor het doorbrengen van verlof in Nederland, vinden niet plaats op Nederlands grondgebied. Gelet hierop en gelet op de aard van de beperking die aan de hier bedoelde verblijfsvergunning is verbonden, wordt aan de verblijfsvergunning de arbeidsmarkt aantekening ‘Arbeid niet toegestaan’ verbonden.
Met ingang van 1 juni 2007 is [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) gewijzigd. Gedurende een periode van zes maanden na inwerkingtreding van deze wijziging, wordt een overgangsregeling getroffen: Werknemers op mijnbouwinstallaties op het continentaal plat die daar op of vóór 1 juni 2007 zijn gestationeerd worden, gedurende de werking van de overgangsregeling, vrijgesteld van het mvv-vereiste indien zij, gedurende de geldigheidsduur van hun visum kort verblijf of de duur van hun vrije termijn in Nederland, een aanvraag indienen voor een verblijfsvergunning op grond van [artikel 3.37, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37).
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
Mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat omvatten zowel installaties voor proefboringen als voor exploitatie. Werkzaamheden op bevoorradingsschepen van de hier bedoelde installaties vallen echter niet onder deze regeling.
Het arbeidsverleden betreft de periode dat de vreemdeling werkzaam is geweest direct voorafgaand aan het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.4.2. Beperking
De dienstverrichter die door zijn werkgever bij UWV WERKbedrijf is aangemeld, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: grensoverschrijdende dienstverlening bij (naam inlenend bedrijf). Deze beperking is opgenomen in [artikel 3.4, eerste lid, onder z, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
De buitenlandse werknemer kan aanspraak maken op verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd overeenkomstig het algemene beleid voor buitenlandse werknemers.
### 4.2.2. Gezinshereniging en -vorming
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
Aan gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het doorbrengen van verlof in Nederland, wordt – indien de hoofdpersoon werkzaam is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat – eerst een verblijfsvergunning voor gezinshereniging verleend indien de hoofdpersoon een arbeidsverleden op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat heeft van ten minste zeven jaar (zie [artikel 3.15, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15)).
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van een dergelijke vreemdeling gelden vervolgens de [artikelen 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) (zie B2). Deze gezinsleden worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. Op hen is B16 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
### 4.4.6. Gezinshereniging
Desgewenst kan de vreemdeling, als genoemd onder B5/4.2, voor het doorbrengen van verlof in Nederland in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, indien het verlof de vrije termijn overschrijdt. In dat geval is [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) van toepassing.
De verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof wordt, ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder t, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) aangemerkt als tijdelijk van aard.
### 4.5. Stagiaires en practicanten
Op hen is B16 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), en [3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
### 4.2.3. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
De vreemdeling als genoemd onder B5/4.2 die een uitkering krachtens de [Zorgverzekeringswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0018450) of de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) ontvangt, kan met het oog op het hervatten van werkzaamheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De beperking waaronder deze verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend is afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden en de aard van de uitkering (zie [artikel 3.35 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.35) en [artikel 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.38)).
### 4.2.4. Arbeid als zelfstandige
De vreemdeling als genoemd onder B5/4.2, die beoogt arbeid anders dan in loondienst, buiten de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), in Nederland te verrichten, komt ingevolge [artikel 3.30, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd indien hij beschikt over een arbeidsverleden van ten minste zeven jaar, ook indien het arbeidsverleden van zeven jaar is opgebouwd gedurende arbeid in de internationale binnenscheepvaart aan boord van Nederlandse schepen of daarmee gelijkgestelde inrichtingen of in het internationale wegtransport in dienst van een Nederlandse werkgever, voor zover dat transport vanuit of naar Nederland plaatsvindt.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ (zie B5/7.10).
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
Een TWV is vereist indien een vreemdeling zijn hoofdverblijf binnen Nederland heeft óf een arbeidsovereenkomst met een in Nederland gevestigde werkgever óf arbeid op een binnen Nederland geregistreerd vervoermiddel verricht. In dat geval dient er ook een aanvraag voor een verblijfsvergunning/mvv te worden ingediend. Indien de TWV wordt verleend, kan een verblijfsvergunning worden afgegeven onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ (zie verder B5/2). Voor de verlening van de TWV moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. De vreemdeling kan zich daartoe melden bij de IND. De IND plaatst vervolgens een Verblijfssticker in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)).
### 4.5.3. Voorschriften
Er wordt geen voorschrift tot het stellen van zekerheid verbonden aan de vergunning die wordt verleend aan stagiaires en practicanten.
[Artikel 3.31a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31a) verschaft het verblijfskader voor vreemdelingen die als grensoverschrijdende dienstverrichter in Nederland willen verblijven.
### 4.4.1. Verlening van een verblijfsvergunning
### 4.5.5. Voortzetting van verblijf
Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, blijft een TWV vereist.
### 4.5.5. Voortzetting van verblijf
Met UWV WERKbedrijf is afgestemd dat de IND regelmatig een lijst zal ontvangen met de gegevens van dienstverleners (inclusief bedrijfsgegevens) die hun werknemers (inclusief personalia) bij UWV WERKbedrijf hebben aangemeld. Als de aanvrager zelf heeft aangegeven dat notificatie bij UWV WERKbedrijf heeft plaatsgevonden, maar uit gegevens van UWV WERKbedrijf komt naar voren dat dit niet het geval is, wordt de aanvrager op grond van [artikel 4:7 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:7) schriftelijk in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen.
Indien vooraf geen notificatie bij UWV WERKbedrijf heeft plaatsgevonden, kan de aanvraag worden afgewezen. De aanvraag wordt niet afgewezen:
Bij de aanvraag dient de vreemdeling de volgende bescheiden over te leggen:
Indien de duur van de gastcolleges maximaal één jaar bedraagt, wordt de volgende aantekening vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
De dienstverrichter die door zijn werkgever bij UWV WERKbedrijf is aangemeld, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: grensoverschrijdende dienstverlening bij (naam inlenend bedrijf). Deze beperking is opgenomen in [artikel 3.4, eerste lid, onder z, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is gekoppeld aan de duur van de dienstverrichting, doch maximaal voor de duur van twee jaren (zie [artikel 3.59b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59b)).
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
De verblijfsvergunning kan na twee jaren verblijf als dienstverrichter in Nederland niet worden verlengd. Indien de dienstverrichter korter dan twee jaren als dienstverrichter in Nederland heeft verbleven dan kan de verblijfsvergunning wel worden verlengd, mits het totale verblijf als dienstverrichter niet langer dan twee jaren bedraagt.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.
### 4.6.2.3. Arbeidsmarktaantekening
B2 is van toepassing, met uitzondering van de middeleneis, de TBC-keuring (tenzij het gezinslid niet verblijft in een EU/EER-land danwel Zwitserland) en het beleid inzake voortgezet verblijf na gezinshereniging (zie B16).
### 4.5. Stagiaires en practicanten
[Artikel 3.39 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.39) verschaft het verblijfskader voor vreemdelingen die als stagiair of practicant in Nederland willen verblijven.
### 4.6.3. Wetenschappelijk onderzoekers
Met de regering van Canada is een Memorandum van Overeenstemming gesloten inzake een uitwisselingsprogramma voor werkende jongeren (Young Workers Exchange Program). Ingevolge het Young Workers Exchange Program geldt als vereiste voor stagiairs die:
### 4.6.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene toelatingsvoorwaarden wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Voor onderdanen die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of de Zwitserse Bondsstaat, dient de werkgever in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een TWV niet vereist (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: ‘specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.5.3. Voorschriften
Er wordt geen voorschrift tot het stellen van zekerheid verbonden aan de vergunning die wordt verleend aan stagiaires en practicanten.
### 4.5.4. Geldigheidsduur
Het verblijf als stagiair en practicant is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor stagiaires beloopt maximaal één jaar.
De geldigheid van de verblijfsvergunning voor practicanten beloopt niet langer dan 24 weken.
### 4.5.5. Voortzetting van verblijf
Voor stagiaires geldt dat aanvragen om verlenging van die verblijfsvergunningen voor hetzelfde doel worden afgewezen, indien de betrokken vreemdeling één jaar houder ervan is geweest. Voor practicanten geldt dat aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunning voor hetzelfde doel worden afgewezen indien zij daarvan 24 weken houder zijn geweest.
Voortzetting van verblijf voor het verrichten van arbeid als stagiair of practicant wordt niet toegestaan. Uitzondering geldt in geval van toepasselijkheid van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
De houder van een door een andere (eerste) lidstaat afgegeven status als EG-langdurig ingezetene, kan onder bepaalde voorwaarden voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland (tweede lidstaat) verblijven en in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
Ten aanzien van onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers, gastdocenten, en vreemdelingen die in het kader van een actieprogramma van de EU in Nederland verblijven, geldt op grond van [artikel 1, onder respectievelijk onderdelen j, k en l, Besluit Uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1) dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist.
Ingevolge [artikel 3.31, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) wordt de aanvraag die is ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op gronden dat:
Gastdocenten geven gastcolleges aan een universiteit, hogeschool of instelling voor hoger internationaal onderwijs, of aan een onderzoeksinstelling die gelieerd is aan, of werkzaam is op het terrein van een universiteit, hogeschool of instelling voor hoger internationaal onderwijs.
Geen TWV is vereist, indien de gastcolleges voor de duur van maximaal één jaar worden gegeven. Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar zal bedragen, is voor deze werkzaamheden wel een TWV vereist.
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.6.5.3. Beperking
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’.
### 4.6.5.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.6.2.3. Arbeidsmarktaantekening
Indien de duur van de gastcolleges maximaal één jaar bedraagt, wordt de volgende aantekening vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is.
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
Een TWV is niet vereist, indien tijdelijk betaald werk wordt verricht voor de duur zoals is bepaald in een actieprogramma van de EU.
De volgende wetenschappelijk onderzoekers worden in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) onderscheiden:
Voor deze wetenschappelijk onderzoekers kan UWV WERKbedrijf een TWV afgeven.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene toelatingsvoorwaarden wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, met arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers zijn:
### 4.6.4.1. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsduur is afhankelijk van de duur van de beurs, doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd.
Kunnen zij aannemelijk maken dat zij naar Nederland zijn gekomen voor een tijdvak van maximaal drie maanden, te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst, dan hoeven zij de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar zij verblijven ressorteert, niet te melden dat ze werk gaan zoeken of verrichten.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als onbezoldigde wetenschappelijk onderzoeker’.
### 4.6.4.3. Arbeidsmarktaantekening
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Voor arbeid van langer dan 12 weken kan er pas een TWV worden afgegeven indien er een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldig voor het verrichten van arbeid in loondienst is aangevraagd.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat:
Het volgende heeft betrekking op vreemdelingen die verblijf binnen de zogeheten vrije termijn beogen. Te denken valt aan:
In afwijking van B1/4.3.1 worden de volgende inkomsten in het kader van dit verblijfsdoel tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel:
Het volgende heeft betrekking op vreemdelingen die verblijf binnen de zogeheten vrije termijn beogen. Te denken valt aan:
### 5. Voortzetting van verblijf
### 4.6.5. Arbeid in loondienst bilaterale of multilaterale overeenkomst
Een TWV is niet vereist, indien tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale of multilaterale overeenkomst.
De werkgever dient echter wel in het bezit te zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in 3). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsduur is afhankelijk van de duur zoals is bepaald in de bilaterale- of multilaterale overeenkomst doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd.
Voor arbeid van langer dan 12 weken kan er pas een TWV worden afgegeven indien er een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldig voor het verrichten van arbeid in loondienst is aangevraagd.
### 4.7.2. Grensarbeiders
Het in B5/4.7.1 gestelde is van overeenkomstige toepassing op grensarbeiders, waaronder hier wordt verstaan in Nederland tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in België of in Duitsland waarheen zij in beginsel dagelijks, of ten minste eenmaal per week terugkeren. Het gaat daarbij met name om vreemdelingen die in België verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige Belgische of Luxemburgse identiteitskaart voor vreemdelingen, dan wel van een Belgisch bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’.
Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter in het bezit te zijn van een TWV.
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Ter verkrijging van de verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) is het in dit geval voldoende dat de vreemdeling zich éénmaal, en wel bij de aanvang van zijn werkzaamheden als grensarbeider, bij de IND vervoegt.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald onderzoek wordt verricht in het kader van een bilaterale- of multilaterale overeenkomst waarbij Nederland partij is.
Het gestelde in B5/4.6 is van overeenkomstige toepassing op musici en artiesten. Ook voor hen dient de werkgever in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
Het gaat hier om actieprogramma’s (education and training programs) van de EU, die bekend zijn gemaakt in het publicatieblad van de EU.
Voorts vallen hier de deelnemers aan uitwisselingsprogramma’s van de EU hieronder, bijvoorbeeld Leonardo da Vinci, Socrates of Tempus.
Bij de aanvraag dient de langdurig ingezetene, in aanvulling op het bepaalde in B17, de volgende bescheiden over te leggen:
### 4.9.1. Algemeen
Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt dat voor tewerkstelling op een geregelde basis in de sportsector steeds een TWV is vereist.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend.
De verblijfsduur is afhankelijk van de duur zoals is bepaald in het actieprogramma van de EU, doch niet langer dan vijf jaren. Na ommekomst van de maximale termijn kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd.
### 4.6.6.3. Beperking
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien een TWV is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de TWV onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’, mits aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), nader uitgewerkt in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en hoofdstuk B1/4, is voldaan. Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een TWV kan worden afgegeven.
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2.
Naast de algemene vereiste bescheiden dient een bewijs te worden overgelegd waaruit blijkt dat tijdelijk betaald werk wordt verricht in het kader van een actieprogramma van de EU.
Zie B11.
Derhalve dienen zij indien zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van het salaris zelf kunnen beïnvloeden, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aan te vragen. Indien zij niet aan deze criteria voldoen, is de procedure die geldt voor werknemers van toepassing.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
Voor hen geldt hetgeen in [artikel 4.42](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) en [4.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48) omtrent het voldoen aan een meldingsplicht is bepaald.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
Zij genieten rechtmatig verblijf ingevolge [artikel 12, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) en [artikel 3.3, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3), zodat zij geen verblijfsvergunning behoeven.
De werkgever dient echter wel in het bezit te zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in 3). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf.
### 4.12.2. Verlening van de verblijfsvergunning
Voor arbeid van langer dan 12 weken kan er pas een TWV worden afgegeven indien er een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldig voor het verrichten van arbeid in loondienst is aangevraagd.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
### 5. Voortzetting van verblijf
Voor de tewerkstelling van vreemdelingen die als grensarbeider werkzaamheden in loondienst komen verrichten dient de werkgever echter in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Ter verkrijging van de verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) is het in dit geval voldoende dat de vreemdeling zich éénmaal, en wel bij de aanvang van zijn werkzaamheden als grensarbeider, bij de IND vervoegt.
Als aantekening wordt vermeld: “Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist
Het gestelde in B5/4.6 is van overeenkomstige toepassing op musici en artiesten. Ook voor hen dient de werkgever in het bezit te zijn van een TWV.
### 4.13.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
### 4.8. Vreemdelingen werkzaam geweest als geprivilegieerde vreemdeling
Voor vreemdelingen die hier te lande werkzaam zijn geweest als geprivilegieerde vreemdeling en die na afloop daarvan hun verblijf hier te lande willen voortzetten gelden enkele bijzondere regels (zie B12).
### 4.9. Werknemers in de sportsector
Ten behoeve van vreemdelingen die in het kader van een in opdracht van de Nederlandse overheid uitgevoerde Pilot Circulaire Migratie, >gedurende maximaal twee jaar bij een bedrijf of instelling door het verrichten van vooraf schriftelijk vastgelegde werkzaamheden kennis en ervaring opdoen en die reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd kan worden afgeweken van [artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8).
Ook ten aanzien van werknemers in de sportsector geldt dat voor tewerkstelling op een geregelde basis in de sportsector steeds een TWV is vereist.
Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een TWV niet vereist (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien een TWV is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de TWV onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’, mits aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), nader uitgewerkt in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en hoofdstuk B1/4, is voldaan. Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een TWV kan worden afgegeven.
### 4.9.3. Gezinshereniging en -vorming
### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
Zie B11.
Het verblijf als vreemdeling die verblijf wil in het kader van de pilot circulaire migratie is van tijdelijke aard.
Veelal zijn directeuren-(groot)aandeelhouders materieel te beschouwen als zelfstandigen vanwege de positie die zij binnen de onderneming innemen.
### 4.13.5. Gezinshereniging en – vorming
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming met een in het kader van de Pilot Circulaire Migratie verblijvende vreemdeling worden afgewezen. In het kader van de Pilot Circulaire Migratie is gezinshereniging- en vorming niet toegestaan aangezien het verblijfsrecht van een vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland verblijft van tijdelijke aard is.
### 4.12.1. Algemeen
### 5.1. Algemeen
In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1/4.
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling:
### 5.3. Werkloosheid
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals genoemd in B17 wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van werkloze buitenlandse werknemers wordt niet ingetrokken wegens (onvrijwillige) werkloosheid, behalve in de onder B5/5.3.3 genoemde gevallen. De werkloze buitenlandse werknemers mogen met het oog op het verkrijgen van een nieuwe werkkring hun verblijf voortzetten voor de resterende geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Vindt de vreemdeling die niet vrij is op de arbeidsmarkt werk, dan wordt aan zijn werkgever zonder toets aan [artikel 8, eerste lid onder a, b en d, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) een TWV verleend, doch slechts voor de duur dat zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nog geldig is. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de TWV worden niet verlengd.
Als aantekening wordt vermeld: “Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist
De verplichting om te beschikken over een TWV blijft voor de EG-langdurig ingezetene gedurende de eerste twaalf maanden bestaan.
Verder wordt op het document de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 4.12.6. Geldigheidsduur
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst wordt verleend voor een duur die maximaal gelijk is aan de duur van de TWV (zie [artikelen 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en [3.59 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59) en B5/2.3).
### 4.12.7. Gezinshereniging
Het bepaalde in B17/3 is van overeenkomstige toepassing.
### 4.13. Pilot Circulaire Migratie
Onder een buitenlandse werknemer die arbeidsongeschikt is, wordt hier verstaan de vreemdeling die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. Indien een zodanig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemer met aanspraak op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) arbeid ingevolge de Wsw gaat verrichten blijft het beleid voor arbeidsongeschikten op hem van toepassing.
Een vreemdeling komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ in het kader van de Pilot Circulaire Migratie als aan de voorwaarden van B5 wordt voldaan. Daarnaast moet de vreemdeling, die verblijf voor arbeid in loondienst beoogt in het kader van deze Pilot verder aan de algemene voorwaarden van [art 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voldoen.
Ten behoeve van vreemdelingen die in het kader van een in opdracht van de Nederlandse overheid uitgevoerde Pilot Circulaire Migratie, >gedurende maximaal twee jaar bij een bedrijf of instelling door het verrichten van vooraf schriftelijk vastgelegde werkzaamheden kennis en ervaring opdoen en die reeds een voldoende vakgerichte basisopleiding hebben gevolgd kan worden afgeweken van [artikel 8, eerste lid, onder a en b, van de Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8).
De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend bij de IND door de Stichting Hersteld vertrouwen in de Toekomst (HIT) als gemachtigde namens de vreemdeling en diens werkgever.
### 4.13.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd (zie [artikel 3.89 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89)).
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd (zie [artikel 3.89 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89)).
Het verblijf als vreemdeling die verblijf wil in het kader van de pilot circulaire migratie is van tijdelijke aard.
De verblijfsvergunning voor de vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland wil verblijven wordt niet verleend met een geldigheidsduur van langer dan twee jaar. Na die twee jaar kan de geldigheidsduur niet worden verlengd. Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de circulaire migrant die een verblijfsvergunning heeft voor arbeid in loondienst, bij tussentijdse beëindiging van het arbeidscontract Nederland moet verlaten tenzij in het kader van de pilot een nieuwe werkgever wordt gevonden.
Wel kan deze werknemer, op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108), strafbaar zijn wegens niet-nakoming van de in [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) neergelegde verplichting aan de Korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar hij verblijft, mededeling te doen van het gaan zoeken of gaan verrichten van arbeid.
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of gezinsvorming met een in het kader van de Pilot Circulaire Migratie verblijvende vreemdeling worden afgewezen. In het kader van de Pilot Circulaire Migratie is gezinshereniging- en vorming niet toegestaan aangezien het verblijfsrecht van een vreemdeling die als circulaire migrant in Nederland verblijft van tijdelijke aard is.
Voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent het ontslag van een buitenlands werknemer, diens aanspraken op een uitkering krachtens bovengenoemde wetten en de eventuele arbeidsbemiddeling, kan de IND zich ingevolge [artikel 107 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) wenden tot UWV WERKbedrijf, de bedrijfsvereniging en de Gemeentelijke Sociale Dienst.
### 5.1. Algemeen
In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1/4.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan op grond van het bepaalde in [artikel 19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) in samenhang met [18, eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) worden ingetrokken indien de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) is voldaan.
### 6.1. Strafbepalingen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
De werkgever kan strafbaar zijn op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) wegens het niet nakomen van een hem krachtens [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) door de Korpschef opgelegde verplichting tot het verstrekken van gegevens omtrent vreemdelingen (zie [A3/7.3.5](onbekend)).
De werknemer die, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, werkt, is als zodanig niet strafbaar.
Werkloosheid is niet van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
### 5.3.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Werkloosheid kan wel van invloed zijn op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van werkloze buitenlandse werknemers wordt niet ingetrokken wegens (onvrijwillige) werkloosheid, behalve in de onder B5/5.3.3 genoemde gevallen. De werkloze buitenlandse werknemers mogen met het oog op het verkrijgen van een nieuwe werkkring hun verblijf voortzetten voor de resterende geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Vindt de vreemdeling die niet vrij is op de arbeidsmarkt werk, dan wordt aan zijn werkgever zonder toets aan [artikel 8, eerste lid onder a, b en d, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) een TWV verleend, doch slechts voor de duur dat zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd nog geldig is. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en de TWV worden niet verlengd.
Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor nog ten minste één jaar, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning met één jaar verlengd.
Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor kortere duur, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning verlengd voor de duur van de werkzaamheden.
Slaagt de vreemdeling er niet in werk te vinden, dan wordt de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verlengd.
Hier komen aan de orde de regels ten aanzien van vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen. Het gaat dus niet om het verrichten van werkzaamheden in loondienst.
### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 5.4. Arbeidsongeschiktheid
Onder een buitenlandse werknemer die arbeidsongeschikt is, wordt hier verstaan de vreemdeling die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. Indien een zodanig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemer met aanspraak op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) arbeid ingevolge de Wsw gaat verrichten blijft het beleid voor arbeidsongeschikten op hem van toepassing.
Recht op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat, mits de 65-jarige leeftijd nog niet is bereikt, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 of meer, tijdens de verzekeringsperiode ontstaan, en nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft voortgeduurd.
Gedurende de voorafgaande periode van 52 weken ontvangt de arbeidsongeschikte werknemer doorbetaling van het loon en of een uitkering uit hoofde van de [ZW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001888).
### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
De arbeidsongeschiktheid is niet van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de buitenlandse werknemer die houder is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
Voor de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend ([artikel 3.30, eerste lid aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30), zal in veel gevallen het oordeel van andere ministeries van belang zijn. In geval van een kunstenaar zal het advies van de Minister van OCW moeten worden gevraagd, in geval van een sportleraar het advies van de Minister van VWS. Indien het gaat om het zelfstandig uitoefenen van een beroep of ondernemersactiviteiten zal in de regel advies moeten worden gevraagd aan de Minister vanEL&I. De toenmalige Minister van Economische Zaken heeft een puntensysteem ontwikkeld dat de basis vormt voor het advies dat de Minister van EL&I aan de IND geeft over het wezenlijk Nederlands economisch belang dat met het verblijf van de vreemdeling in Nederland wordt gediend (zie hierna B5/7.3.1). Voor Turkse vreemdelingen die verblijf in Nederland voor het verrichten van arbeid als zelfstandige beogen, geldt het puntensysteem niet (zie hierna B5/7.3.2).
Arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden onderscheiden in de onderstaande categorieën:
Indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen, wordt een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens (voor zover hier van belang) het niet zelfstandig en duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan in dat geval worden verlengd (zie [artikel 3.89 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89)).
In geval de buitenlandse werknemer echter werk in het kader van de Wsw verricht en aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geldt hetzelfde als onder B5/5.4.3 werd vermeld.
Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die niet werken in het kader van de [Wsw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008903) geldt in geval van (eveneens gedeeltelijke) werkloosheid de in B5/5.3 weergegeven regeling.
Uit het ondernemingsplan zelf moet in ieder geval het volgende blijken:
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
Een samenvatting van het ondernemingsplan waarin gegevens worden opgenomen over het bedrijf dat de vreemdeling gaat oprichten en over de branche waarin de vreemdeling gaat opereren. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;
De IND dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een TWV, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring.
### 7.4. Voldoende middelen van bestaan
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
Zie voor de berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer B1/4.3.4.
De werkgever kan strafbaar zijn op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) wegens het niet nakomen van een hem krachtens [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) door de Korpschef opgelegde verplichting tot het verstrekken van gegevens omtrent vreemdelingen (zie [A3/7.3.5](onbekend)).
De werknemer die, zonder dat zijn werkgever over de vereiste TWV beschikt, werkt, is als zodanig niet strafbaar.
Wel kan deze werknemer, op grond van [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108), strafbaar zijn wegens niet-nakoming van de in [artikel 4.42 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.42) neergelegde verplichting aan de Korpschef van het regionale politiekorps van de gemeente waar hij verblijft, mededeling te doen van het gaan zoeken of gaan verrichten van arbeid.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
### 6.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de [Vw](onbekend)
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Hiervoor is onder meer ook, evenals voor andere beroepen in de individuele gezondheidszorg, inschrijving in het BIG-register vereist. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van VWS.
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
[Artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) verleent de Minister de bevoegdheid onder de daar geregelde voorwaarden op aanvraag een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen.
### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
Het [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32) stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Daarom behoeft in die gevallen geen advies te worden gevraagd.
Dit artikel ziet niet op gemeenschapsonderdanen.
Voor onderdanen van landen waarmee Europa-overeenkomsten zijn gesloten en die stellen dergelijke arbeid als zelfstandige te verrichten zie B11.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
### 7.3.2. Toetsing wezenlijk Nederlands belang Turkse zelfstandigen
Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van EL&I te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene voorwaarden onder B5/7.2.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’.
### 7.10.2. Arbeidsmarktaantekening
### 7.9.2. Vreemdeling werkzaam is (geweest) internationale arbeidsmarkt
Een samenvatting van het ondernemingsplan waarin gegevens worden opgenomen over het bedrijf dat de vreemdeling gaat oprichten en over de branche waarin de vreemdeling gaat opereren. Tevens dient informatie te worden verschaft over de startdatum, de vestigingsplaats, enzovoort;
Hierbij dient aandacht te worden besteed aan zaken als de rechtsvorm van de onderneming, de handelsnaam, aanwezigheid van eventuele vestigings- en overige vergunningen, de aansprakelijkheden, de verzekeringen en de leveringsvoorwaarden;
### 5. Het verrichten van arbeid
Hierbij wordt een omschrijving gegeven van de omvang van het benodigde personeel, de wijze van werven en de beoogde organisatie;
Dit bevat onder andere een investeringsbegroting, een financieringsplan en een aflossingsplan (zo mogelijk onderbouwd met bankcontracten), een exploitatiebegroting en een liquiditeitsprognose (incl. berekeningen).
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’.
### 7.10.1. Beperking
Zie voor de berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer B1/4.3.4.
### 7.10.2. Arbeidsmarktaantekening
### 7.10.3. Voorschriften
Voor de arbeidsmarktaantekeningen voor EU/ EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B1/2.3.1, B10/2.7 en B10/3.3.2.
Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 1. Inleiding
Om voor de uitoefening van bepaalde beroepen te worden toegelaten, gelden vaak speciale bevoegdheidsvereisten.
### 1. Inleiding
Voor de uitoefening van een bedrijf is vaak een vergunning vereist. Zo hebben bedrijven in de horeca een vergunning nodig op grond van de [Drank- en Horecawet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002458).
### 2. Voorwaarden voor studie hoger onderwijs
Bevoegd tot het verlenen van ontheffing wat betreft de Drank- en Horecawet is de Minister van EL&I.
Meer informatie over de eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van deze vergunningen kan worden verkregen bij Kamer van Koophandel.
Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden (dat wil zeggen: studie inclusief voorbereidend jaar) beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Indien de studie/opleiding niet binnen de maximale verblijfsduur is afgerond, kan worden geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. In dat geval kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.
### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
Als de vreemdeling binnen de maximale verblijfsduur de studie/opleiding heeft afgerond en een nieuwe studie/opleiding wil beginnen, is de maximale verblijfsduur niet van toepassing. In dat geval kan immers niet worden gesteld dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. Wanneer in deze situatie aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor studie wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning worden verleend en vangt de berekening van de maximale verblijfsduur opnieuw aan.
[Artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) regelt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie kan worden verleend aan de vreemdeling die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling. [Artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) wijst uitsluitend als voltijds hoger onderwijs de volgende onderwijsinstellingen aan:
Ingevolge [artikel 3.30, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) kan de verblijfsvergunning voor het uitoefenen van een zelfstandig beroep of bedrijf in economische zin worden verleend aan een langdurig ingezetene, zonder dat met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.
Daarnaast gelden de bepalingen zoals neergelegd in B17.
Voor het overige zijn de bepalingen van B5/7.1, B5/7.2, B5/7.3, B5/7.4 en B5/7.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ten behoeve van de langdurig ingezetene geen sprake hoeft te zijn van een hooggekwalificeerde vreemdeling die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kan leveren en ook geen advies van het Ministerie van EL&I hoeft te worden ingewonnen.
Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden (dat wil zeggen: studie inclusief voorbereidend jaar) beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Indien de studie/opleiding niet binnen de maximale verblijfsduur is afgerond, kan worden geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. In dat geval kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.
### 7.9.1. Surinaamse onderdanen met verkregen rechten
Bij de vestiging van Surinaamse onderdanen die nog rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst inzake verblijf en vestiging van 1975 blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend achterwege (zie B11). De aanvraag dient derhalve niet ter advisering aan de Minister van EL&I te worden voorgelegd. Er dient wel voldaan te worden aan de overige algemene voorwaarden onder B5/7.2.
Indien tussentijds van studie/opleiding wordt gewisseld, wordt de tijd die reeds is gestudeerd afgetrokken van de maximale looptijd van de nieuwe studie/opleiding.
Voor de vreemdelingen die onafgebroken gedurende zeven jaren werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse schepen of boorplatformen of in het internationale wegtransport en die een aanvraag indienen voor verblijf als zelfstandige in economische zin, blijft een onderzoek naar de vraag of met de vestiging in Nederland een wezenlijk economisch belang is gediend, achterwege.
Zie [artikel 3.30, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) en B5/4.2.4.
### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
Indien een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie, wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
Indien sprake is van een bachelor/masterstructuur wordt de studielast voor de bacheloropleiding en de masteropleiding bij elkaar opgeteld. De maximale verblijfsduur bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Het is niet noodzakelijk dat de master aan dezelfde instelling wordt gevolgd als de bachelor. Als de vreemdeling een schakeljaar volgt tussen HBO bachelor en universitaire master wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 7.10.1. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige......(aanduiding van het beroep of bedrijf)’.
### 7.10.2. Arbeidsmarktaantekening
Op de vergunning wordt de aantekening geplaatst: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’ Nadat de vreemdeling drie jaar houder is geweest van deze verblijfsvergunning, wordt op de vergunning de aantekening geplaatst: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’ Deze wijziging wordt bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning doorgevoerd bij de aanvraag van het verblijfsdocument, dat wil zeggen nadat de vreemdeling drie jaar houder van de voor arbeid geldige vergunning is geweest.
### 2.3. Middelen van bestaan
De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn voor de studie en het levensonderhoud gedurende de beoogde verblijfsperiode.
### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan is van belang of de studie en het verblijf worden bekostigd door:
De studie en het verblijf van de vreemdeling kunnen behalve door de vreemdeling zelf, ook worden bekostigd door een buiten Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie. Er kan dan sprake zijn van een geldelijke bijdrage (bijvoorbeeld een studiebeurs) van een internationale organisatie van het land van herkomst, door of vanwege de Nederlandse regering of van een particulier fonds. Tevens kan sprake zijn van uitzending van de vreemdeling door zijn werkgever.
Het beleid inzake buitenlandse studenten is erop gericht om onder bepaalde voorwaarden vreemdelingen in de gelegenheid te stellen tijdelijk in Nederland te studeren of een opleiding te volgen. De positie van het Nederlandse hoger onderwijs in het buitenland wordt hierdoor bevorderd, terwijl door de toelating voor een opleiding aan het voortgezet of beroepsonderwijs een positieve bijdrage kan worden geleverd aan de ontwikkeling van de landen van herkomst.
De voorwaarden die zien op het verblijf in het kader van een studie aan het hoger onderwijs, een opleiding aan het voortgezet of beroepsonderwijs of ter voorbereiding op het volgen van een studie aan het hoger onderwijs zijn opgenomen in [artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41).
[Artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2. Voorwaarden voor studie hoger onderwijs
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van studie aan het hoger onderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
Middelen van bestaan zijn in het algemeen duurzaam, indien zij voor een periode van één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie B1/4.3). Deze hoofdregel is opgenomen in [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
Bij aanvragen voor studiedoeleinden kunnen de studie en het verblijf van de vreemdeling ook worden gefinancierd door middel van periodieke betalingen. Deze betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen Nederland gevestigde persoon of instelling. Deze middelen kunnen als duurzaam worden aangemerkt, indien voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom (zie [artikel 3.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
[Artikel 3.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) regelt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), onder een beperking verband houdend met het volgen van studie kan worden verleend aan de vreemdeling die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling. [Artikel 3.18a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18a) wijst uitsluitend als voltijds hoger onderwijs de volgende onderwijsinstellingen aan:
### 2.1.2. (Voorlopige) inschrijving aan de onderwijsinstelling
Het moet vaststaan dat de vreemdeling voor een studie/opleiding is of zal worden ingeschreven aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling.
De (voorlopige) inschrijving moet blijken uit een verklaring die is afgegeven door het College van Bestuur of het bevoegd gezag.
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Voor vreemdelingen die hier te lande verblijf voor studiedoeleinden (dat wil zeggen: studie inclusief voorbereidend jaar) beogen, geldt een maximale verblijfsduur. De maximale verblijfsduur is afhankelijk van de studielast van de studie/opleiding die wordt gevolgd en bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Indien de studie/opleiding niet binnen de maximale verblijfsduur is afgerond, kan worden geconcludeerd dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. In dat geval kan de verblijfsvergunning niet worden verlengd en kan de vreemdeling evenmin in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor het volgen van een andere studie/opleiding.
### 1.1. Verblijf algemeen
**Voorbeeld:**
### 5. Het verrichten van arbeid
**Voorbeeld:**
### 7.1. Inleiding
**Voorbeelden:**
Indien sprake is van een bachelor/masterstructuur wordt de studielast voor de bacheloropleiding en de masteropleiding bij elkaar opgeteld. De maximale verblijfsduur bedraagt twee jaar meer dan die studielast. Het is niet noodzakelijk dat de master aan dezelfde instelling wordt gevolgd als de bachelor. Als de vreemdeling een schakeljaar volgt tussen HBO bachelor en universitaire master wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
In het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs (CROHO) van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) kan informatie worden verkregen over de studielast van studies/opleidingen (zie de internetsite van de DUO). Ingeval van verandering van opleiding of onderwijsinstelling is voorts het gestelde onder B6/8 van toepassing.
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
Ingevolge [artikel 3.41, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) wordt de aanvraag voor verblijf voor studie aan het hoger onderwijs ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op grond dat hij het onderwijs niet voltijds wil volgen en evenmin op de grond, bedoeld in [artikel 3.41, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Dit heeft tot gevolg dat langdurig ingezetene geen schriftelijke verklaring van tijdelijk verblijf hoeft te ondertekenen en dat de bepalingen van B6/2.2 niet van toepassing zijn.
De organisatie ondertekent per toe te laten jongere de garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)).
De financiële middelen van de vreemdeling moeten toereikend zijn voor de studie en het levensonderhoud gedurende de beoogde verblijfsperiode.
Het is voorts aan vreemdelingen die hier te lande voor studiedoeleinden zijn toegelaten, toegestaan arbeid van bijkomende aard te verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is wel een TWV vereist.
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De studie en het verblijf van de vreemdeling kunnen behalve door de vreemdeling zelf, ook worden bekostigd door een buiten Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie. Er kan dan sprake zijn van een geldelijke bijdrage (bijvoorbeeld een studiebeurs) van een internationale organisatie van het land van herkomst, door of vanwege de Nederlandse regering of van een particulier fonds. Tevens kan sprake zijn van uitzending van de vreemdeling door zijn werkgever.
In deze gevallen wordt onder voldoende middelen van bestaan verstaan een bedrag dat gelijk is aan het normbedrag voor uitwonende studenten bedoeld in de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) (zie [artikel 3.18 WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453&artikel=3.18) en de website van WSF).
Indien de studie door een in Nederland gevestigde persoon of instelling/organisatie wordt bekostigd, dient de vreemdeling aan te tonen dat de financiële positie van deze (rechts)persoon daartoe toereikend is. Toereikend wil zeggen dat de financier over voldoende middelen van bestaan moet beschikken om in zijn eigen onderhoud (en eventueel in dat van zijn gezin) en dat van de vreemdeling te kunnen voorzien. De financier moet beschikken over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in [artikel 3.19, vierde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19). De financier dient daarnaast een garantverklaring te ondertekenen (zie [bijlage 6C VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)).
Indien de hoofdpersoon (de in Nederland gevestigde persoon die de studie bekostigt) een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel een relatie onderhoudt met een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan wel Nederlander is, kan het duurzame, zelfstandig verworven inkomen van die persoon worden meegeteld bij de berekening van de bestaansmiddelen.
In deze gevallen zijn de middelen van bestaan voldoende, indien het gezamenlijke inkomen ten minste gelijk is aan het normbedrag, bedoeld in [artikel 3.19, vierde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.19).
Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.42, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde (geregistreerde of huwelijks-)partner.
Voor zover in B6/7.1 tot en met B6/7.4 niet anders is bepaald, zijn de bepalingen uit B1 en B2 onverkort van toepassing. Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de buitenlandse student, alsmede zijn minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. De vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor verblijf bij de buitenlandse student is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in B16, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder j en k, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
### 7.2. Middelen van bestaan
### 7. Uitwisseling
### 8. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld (zie [artikel 3.42, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
Indien de buitenlandse student in het bezit is van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur korter dan een jaar, zal het aan te tonen bedrag waarover hij dient te beschikken indien verblijf bij hem wordt beoogd, worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van zijn verblijf.
Het betreft hier de verlening van een verblijfsvergunning voor het volgen van een opleiding aan het voortgezet en beroepsonderwijs, in de zin van de [Wet op het voortgezet onderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002399) alsmede de [Wet educatie- en beroepsonderwijs](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007625).
### 9. Verlenging en voorbereidend jaar
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Indien de studie of opleiding of een soortgelijke studie of opleiding reeds bestaat in het land van herkomst, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning.
Daarnaast moet aan ten minste twee van de volgende voorwaarden worden voldaan:
Indien nodig kan de stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) namens het Ministerie van OCW om advies worden gevraagd over de studiemogelijkheden in de herkomstlanden voor het MBO onderwijs (zie ook de website van de SBB).
Of een positieve bijdrage wordt geleverd aan het eigen land is mede afhankelijk van de fase waarin het ontwikkelingsproces van het desbetreffende land zich bevindt. Als het gaat om een hooggeïndustrialiseerd land, zal niet snel sprake zijn van een positieve bijdrage. Voorts zal de aard van de desbetreffende opleiding van belang zijn. Als de opleiding of studie niet van wezenlijke betekenis is voor de arbeidsmarkt van het herkomstland, wordt namelijk evenmin een positieve bijdrage geleverd aan het eigen land.
In ieder geval wordt aangenomen dat Nederland het meest aangewezen land is en dat een positieve bijdrage geleverd wordt aan de ontwikkeling van het eigen land indien het een opleiding aan het voorgezet onderwijs betreft waarbij:
Aangenomen wordt dat aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.41, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) wordt voldaan als de vreemdeling in het bezit is van een geprivilegieerdendocument verstrekt door BuZa en op het moment van indienen van de aanvraag een opleiding in Nederland volgt en deze hier te lande wil afronden.
Aangezien het volgen van een studie/opleiding primair is gericht op voltooiing ervan, is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale termijn in beginsel mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen de onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ingeval slechts een wijziging van onderwijsinstelling wordt beoogd, wordt aangenomen dat de studie/opleiding op hetzelfde niveau wordt voortgezet. De genoemde verklaring hoeft in dat geval dan ook niet te worden overgelegd.
Ingevolge [artikel 3.41, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41) wordt de aanvraag voor verblijf voor studie aan het beroepsonderwijs, ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op grond dat hij het onderwijs niet voltijds wil volgen en evenmin op de grond, bedoeld in [artikel 3.41, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41). Dit heeft tot gevolg dat de langdurig ingezetene geen schriftelijke verklaring van tijdelijk verblijf hoeft te ondertekenen. Voor het volgen van voortgezet onderwijs dient de langdurig ingezetene onverkort aan alle terzake geldende bepalingen te voldoen.
Daarbij valt te denken aan de situatie dat de vreemdeling gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid of de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding (zie B1/4.2).
In bepaalde gevallen heeft een student een voorbereidingstijd nodig om zich te kwalificeren voor de beoogde studie aan het hoger onderwijs. Hiervoor legt hij aanvullende examens af, zoals bijvoorbeeld een toets beheersing van de Nederlandse taal.
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
In afwijking van het bepaalde in B6/2.1.2 is bij een beoogd verblijf ter voorbereiding op hoger onderwijs voldoende de verklaring van de onderwijsinstelling dat de vreemdeling tot die instelling zal worden toegelaten, indien hij de aanvullende examens met goed gevolg heeft afgelegd.
### 5. Het verrichten van arbeid
Indien de vreemdeling als onderdeel van de opleiding als stagiair wordt tewerkgesteld is geen TWV vereist. Voorwaarde is wel dat de werkgever beschikt over een stageovereenkomst met de desbetreffende student en onderwijsinstelling.
### 1.1. Verblijf algemeen
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Studie aan (naam onderwijsinstelling) te (plaatsnaam)’; de arbeidsmarktaantekening luidt: Arbeid uitsluitend toegestaan mits werkgever beschikt over TWV.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘Aanvullend(e) examen(s) met het oog op studie aan (naam onderwijsinstelling) te (plaatsnaam)’; de arbeidsmarktaantekening luidt: Arbeid uitsluitend toegestaan mits werkgever beschikt over TWV.
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
In daarvoor in aanmerking komende gevallen wordt aan de verblijfsvergunning het voorschrift verbonden dat een hier te lande wonende, solvabele derde zich ten behoeve van de vreemdeling garant dient te stellen door ondertekening van een verklaring (zie [bijlage 6c VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=6c)).
De twee laatstgenoemde van de hierboven opgesomde regels zijn een uitwerking van [artikel 3.43, lid e en f Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) en [artikel 3.44, lid e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.44). Deze regels zijn nadrukkelijk bedoeld om oneigenlijk gebruik van de verblijfsregeling tegen te gaan. En daarnaast om een uitwisselingsjongere te beschermen tegen misbruik. Het betalen van de bedoelde geldbedragen wordt enerzijds uitgelegd als een aanzienlijker tegenprestatie voor het verblijf in een gastgezin dan bedoeld in artikel 3.43, lid e Vb. Anderzijds brengt het vragen van hoge geldbedragen en/of borgsommen de uitwisselingsjongere in een ongewenste afhankelijke positie, waardoor het vertrek uit Nederland mogelijk niet langer gewaarborgd is. Een uitwisselingsjongere zal niet in alle gevallen beschikken over voldoende financiële middelen om de geldbedragen te betalen. Dit kan voor de uitwisselingsjongere aanleiding zijn om na afloop van de verblijfsvergunning in Nederland of Europa te blijven om geld te verdienen om de geldbedragen terug te kunnen betalen.
De au pair verblijft in een (eenouder)gastgezin van minimaal twee personen.
Voor zover in B6/7.1 tot en met B6/7.4 niet anders is bepaald, zijn de bepalingen uit B1 en B2 onverkort van toepassing. Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de buitenlandse student, alsmede zijn minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin. De vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning voor verblijf bij de buitenlandse student is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in B16, aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder j en k, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5)).
Indien het gastgezin de au pair werkzaamheden laat verrichten waarvoor ingevolge de Wav een TWV verplicht is, is het gastgezin strafbaar op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Zie het gestelde in B5/6 (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling).
De buitenlandse student moet duurzaam beschikken over voldoende middelen van bestaan.
De algemene regels met betrekking tot de hoogte van het inkomen (zie B1/4.3) zijn van toepassing. Dit betekent dat de buitenlandse student dient te beschikken over inkomsten ten minste gelijk aan het normbedrag, bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74).
Ook hier geldt dat ingevolge de in [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) opgenomen hoofdregel de middelen van bestaan als duurzaam worden aangemerkt, indien deze voor ten minste één jaar beschikbaar zijn (zie ook B6/2.3.2).
Indien de buitenlandse student in het bezit is van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur korter dan een jaar, zal het aan te tonen bedrag waarover hij dient te beschikken indien verblijf bij hem wordt beoogd, worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van zijn verblijf.
Hier geldt hetzelfde als hetgeen in B6/2.3.2 is neergelegd, echter nu voor het normbedrag dat in de onderhavige paragraaf is genoemd.
Indien een hier te lande wonende solvabele derde zich ter meerdere zekerheid reeds garant heeft gesteld voor de buitenlandse student, dient vast te staan dat deze garantverklaring ook geldt voor het hiervoor onder ‘voldoende’ genoemde normbedrag.
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner/ouder (naam).’ Arbeid niet toegestaan.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De au pair verblijft in een (eenouder)gastgezin van minimaal twee personen.
### 3.1. Inleiding
### 8. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
Voor verandering van onderwijsinstelling moet een wijziging worden gevraagd van de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In dat geval geldt onverkort dat de totale termijn op grond waarvan verblijf in Nederland voor studiedoeleinden is toegestaan, de maximale verblijfsduur niet mag overschrijden. De maximale verblijfsduur mag evenmin worden overschreden indien bij dezelfde onderwijsinstelling van opleiding wordt veranderd terwijl de eerdere opleiding nog niet is afgerond. In dat geval hoeft echter geen wijziging van de beperking te worden gevraagd.
Aangezien het volgen van een studie/opleiding primair is gericht op voltooiing ervan, is een verklaring van de onderwijsinstelling nodig waaruit blijkt dat voltooiing van de studie/opleiding binnen het resterende deel van de maximale termijn in beginsel mogelijk is. De vreemdeling legt deze verklaring over bij de aanvraag om wijziging van de verblijfsvergunning. Wanneer van opleiding wordt veranderd binnen de onderwijsinstelling legt de vreemdeling deze verklaring over bij de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Ingeval slechts een wijziging van onderwijsinstelling wordt beoogd, wordt aangenomen dat de studie/opleiding op hetzelfde niveau wordt voortgezet. De genoemde verklaring hoeft in dat geval dan ook niet te worden overgelegd.
Studenten aan wie een verblijfsvergunning voor het volgen van een voorbereidend jaar is verleend, komen bij wisseling van de studie niet opnieuw in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als au pair bij (naam gastgezin) te (plaatsnaam).’
De verblijfsvergunning onder de beperking ter voorbereiding op een studie wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid niet toegestaan’.
In het geval de au pair onderdaan is van een Lidstaat van de EU of EER, wordt de verblijfsvergunning verleend onder dezelfde beperking, maar wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
### 1. Inleiding
### 3.2. Aard van het verblijf
De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie.
### 3.2. Aard van het verblijf
Het begrip uitwisseling kenmerkt zich door wederkerigheid, in die zin dat de mogelijkheid om de samenleving en cultuur te leren kennen ook in het land van herkomst van de buitenlandse jongeren bestaat voor Nederlandse jongeren.
Verlening van een verblijfsvergunning in het kader van uitwisseling wordt geweigerd in geval een wettelijke weigeringgrond van toepassing is of indien aan een algemene voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning niet is voldaan.
Daarbij valt te denken aan de situatie dat de vreemdeling gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid of de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding (zie B1/4.2).
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
De twee laatstgenoemde van de hierboven opgesomde regels zijn een uitwerking van [artikel 3.43, lid e en f Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) en [artikel 3.44, lid e Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.44). Deze regels zijn nadrukkelijk bedoeld om oneigenlijk gebruik van de verblijfsregeling tegen te gaan. En daarnaast om een uitwisselingsjongere te beschermen tegen misbruik. Het betalen van de bedoelde geldbedragen wordt enerzijds uitgelegd als een aanzienlijker tegenprestatie voor het verblijf in een gastgezin dan bedoeld in artikel 3.43, lid e Vb. Anderzijds brengt het vragen van hoge geldbedragen en/of borgsommen de uitwisselingsjongere in een ongewenste afhankelijke positie, waardoor het vertrek uit Nederland mogelijk niet langer gewaarborgd is. Een uitwisselingsjongere zal niet in alle gevallen beschikken over voldoende financiële middelen om de geldbedragen te betalen. Dit kan voor de uitwisselingsjongere aanleiding zijn om na afloop van de verblijfsvergunning in Nederland of Europa te blijven om geld te verdienen om de geldbedragen terug te kunnen betalen.
### 1.2. Gezinshereniging of -vorming
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor gezinshereniging of -vorming met een in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling worden afgewezen. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling overgaat tot gezinshereniging of gezinsvorming met een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende persoon. De vreemdeling wordt dan in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen tot wijziging van de vergunning.
De particuliere uitwisselingsorganisatie moet kunnen bevestigen dat het programma daadwerkelijk tweezijdig werkt (zie B7/1.1).
### 3.6. Voorschrift
Ingevolge [artikel 3.69 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.69) wordt de geldigheidsduur van de vergunning voor dit doel na een jaar niet verlengd.
De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie.
### 2.1. Inleiding
Het uitgangspunt voor verblijf als au pair is buitenlandse jongeren – in korte tijd en onder bepaalde voorwaarden – de gelegenheid te bieden kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur.
Het gastgezin verleent de au pair kost en inwoning. Een au pair mag als tegenprestatie voor deze faciliteiten alleen lichte huishoudelijke werkzaamheden in het gezin verrichten onder de onder 2.2 omschreven voorwaarden. Een au pair mag dus niet worden ingezet als een nanny of werk(st)er. Ook mag een au pair geen taken verrichten voor mensen die een bijzondere zorg nodig hebben, die een specifieke vaardigheid vereist. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om handelingen waarvoor een (medische) opleiding nodig of vereist is.
### 3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
Dit verblijfskarakter en de noodzaak om oneigenlijk gebruik van het au pair beleid tegen te gaan, rechtvaardigen een restrictieve toepassing van het beleid.
### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden
Het verblijf van een au pair heeft primair een cultureel karakter. De werkzaamheden die een au pair verricht zijn arbeid in de zin van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), maar indien de au pair en het gastgezin zich houden aan de onderstaande cumulatieve voorwaarden geldt geen twv-plicht. Indien het gastgezin en/of de au pair zich hier niet aan houden wordt de Wet arbeid vreemdelingen overtreden. Zie ook het gestelde in B5/6 (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling). Bovendien wordt dan door de au pair niet (langer) voldaan aan de voorwaarden van het verblijf in Nederland, zie onder 2.3 en kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken.
Cumulatieve voorwaarden:
Het verrichten van taken voor mensen die een bijzondere zorg nodig hebben, die een specifieke vaardigheid vereist valt niet onder lichte huishoudelijke werkzaamheden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om handelingen waarvoor een (medische) opleiding nodig of vereist is.
Nederland heeft met Canada (Working Holiday Program), Australië en Nieuw-Zeeland (Working Holiday Scheme) afspraken gemaakt op grond waarvan jongeren die de nationaliteit van één van die landen bezitten via een zogenoemde betaalde werkvakantie kennis kunnen maken met de cultuur van de Nederlandse samenleving.
### 4.1. Inleiding
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als au pair bij (naam gastgezin) te (plaatsnaam).’
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid niet toegestaan’.
In het geval de au pair onderdaan is van een Lidstaat van de EU of EER, wordt de verblijfsvergunning verleend onder dezelfde beperking, maar wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
### 2.6. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 2.7. Verandering van gastgezin
Voor verandering van gastgezin moet wijziging van de vergunning worden gevraagd. Deze aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien ook in de relatie met het nieuwe gastgezin wordt voldaan aan de eerdergenoemde voorwaarden (zie [artikel 3.80 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.80)). In geen geval mag echter de toegestane verblijfstermijn van één jaar daardoor worden overschreden.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van (naam van het relevante uitwisselingsprogramma)’.
Wanneer bij een gastgezin misbruik van het au pairbeleid wordt geconstateerd dan zal dit gezin gedurende een periode van vijf jaar worden uitgesloten van de mogelijkheid tot het verlenen van faciliteiten aan een au pair.
### 4.8. Onverplichte mvv
### 4.6. Voorschriften
Om in de kosten van hun verblijf te voorzien is het deze jongeren toegestaan betaalde arbeid te verrichten. Het mogen werken vormt echter niet het verblijfsdoel, maar is slechts een middel om het verblijf te kunnen financieren. Een arbeidsovereenkomst mag echter wel een langere periode omvatten en ook een open einde hebben.
### 3.1. Inleiding
Buitenlandse jongeren kunnen – onder bepaalde voorwaarden en onder verantwoordelijkheid van een hiertoe aangewezen organisatie – als deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma tijdelijk in Nederland verblijven om kennis te maken met de Nederlandse samenleving en cultuur.
De particuliere uitwisselingsorganisatie moet kunnen bevestigen dat het programma daadwerkelijk tweezijdig werkt (zie B7/1.1).
Instellingen die culturele uitwisselingsprogramma’s organiseren, kunnen onder voorwaarden op hun verzoek op een (centraal bij te houden) lijst van de IND worden geplaatst, waarna aanvragen van de aangewezen organisaties om verblijf ten behoeve van deelnemers aan hun programma’s kunnen worden behandeld zoals hierna omschreven onder B7/3.8. Elke uitwisselingsorganisatie die bij de IND verzoekt op de bedoelde lijst te worden geplaatst, wordt getoetst op overeenstemming van het geboden programma met het hier geschetste beleid. Bovendien kan de organisatie worden getoetst op solvabiliteit. De organisatie ondertekent per toe te laten jongere de garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)). Organisaties die op de hierbovengenoemde lijst van de IND voorkomen, kunnen tussentijds worden gecontroleerd op het nog steeds voldoen aan, respectievelijk het nakomen van alle voorwaarden.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling:
De deelnemer aan een cultureel uitwisselingsprogramma van een aangewezen organisatie wordt geplaatst in een gastgezin van de organisatie onder volledige verantwoordelijkheid van die organisatie.
De deelnemer maakt kennis met de Nederlandse samenleving en cultuur via het verblijf in het gastgezin, deelname aan activiteiten van de organisatie, en via het volgen van onderwijs.
Eventueel te verrichten vrijwilligerswerk is uitsluitend toegestaan indien hiervoor een TWV is verleend. Indien een jongere met de Canadese, Australische of Nieuw-Zeelandse nationaliteit ook voldoet aan alle in B7/3.3 genoemde voorwaarden, dan prevaleert de voor de jongere meest gunstige regeling.
Visa (zoals een onverplichte mvv) worden op grond van [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3), bezien in samenhang met [artikel 3a, tweede lid, onder b en c, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a), kosteloos verleend aan de jongeren die op basis van deze uitwisselingsafspraken naar Nederland komen.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling:
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, tenzij de vreemdeling ten laste komt van de algemene middelen.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van uitwisselingsprogramma van (naam uitwisselingsorganisatie)’.
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid niet toegestaan’.
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)) is overlegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
Om zoveel mogelijk jongeren de gelegenheid te bieden van het programma gebruik te maken (onder wie dus ook de jongeren bij wie pas tijdens een rondreis door Europa de wens hiertoe ontstaat) is de afspraak gemaakt dat aanvragen tot het verlenen van een mvv door jongeren die aan deze uitwisselingsprogramma’s wensen deel te nemen bij iedere Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging kunnen worden ingediend.
### 5.1. Inleiding
### 3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
Indien een uitwisselingsorganisatie voorkomt op de lijst bedoeld in B7/3.1, kan de zogenoemde verkorte mvv-procedure worden gevolgd zoals omschreven in B1/1.5.
De organisatie staat er voor garant dat wordt voldaan aan de overige onder B7/3.3 genoemde voorwaarden.
### 5.6. Voorschrift
Ook ten behoeve van jongeren die wegens hun nationaliteit niet behoeven te beschikken over een geldige mvv, kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, zodat in een eerder stadium duidelijk wordt of de jongere voor het beoogde verblijf in aanmerking komt.
### 5.4. Beperking
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
### 4.1. Inleiding
Nederland heeft met Canada (Working Holiday Program), Australië en Nieuw-Zeeland (Working Holiday Scheme) afspraken gemaakt op grond waarvan jongeren die de nationaliteit van één van die landen bezitten via een zogenoemde betaalde werkvakantie kennis kunnen maken met de cultuur van de Nederlandse samenleving.
### 5.1. Inleiding
Deelnemers aan het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme hoeven geen student te zijn (geweest). Dit betekent dat jongeren die de nationaliteit bezitten van Canada, Australië of Nieuw- Zeeland niet alleen indien zij via een organisatie een uitwisselingsprogramma volgen, maar ook indien zij individueel reizen een beroep op de regeling kunnen doen.
### 5.7. Wijziging van verblijfplaats
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. Met het oog op toezicht op vreemdelingen dient een wijziging van verblijfplaats gemeld te worden bij de IND. De uitnodigende instelling is verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
In het kader van het Working Holiday Program en het Working Holiday Scheme worden verschillende programma’s aangeboden door verschillende organisaties. De jongere is niet verplicht hier gebruik van te maken.
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
De aanvraag wordt afgewezen indien:
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
De aanvraag tot verblijf in het kader van het Working Holiday Program en het Working Holiday Scheme kan worden afgewezen als blijkt dat de vreemdeling voorafgaande aan de aanvraag in Nederland heeft verbleven zonder in het bezit te zijn geweest van verblijfsrecht op grond van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) met de beperking ‘conform beschikking Minister’, voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van deze vergunning wordt na een jaar niet verlengd.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van (naam van het relevante uitwisselingsprogramma)’.
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 5.6. Voorschrift
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring is overgelegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
In het geval van een uitnodigende instelling kan aan dit voorschrift ook worden voldaan door middel van ondertekening van een garantverklaring door die instelling (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)).
Ter beoordeling van de vraag of Nederland conform één van bovengenoemde situaties als het meest aangewezen land wordt aangemerkt, wordt advies ingewonnen van het BMA. De medisch adviseur doet evenwel geen uitspraken omtrent de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling. Daarbij kunnen immers ook niet-medische factoren van belang zijn. Evenmin kan de medisch adviseur uitspraken doen omtrent andere niet- medische (bijvoorbeeld sociaal-psychologische) aangelegenheden.
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie [A2/4.3.3.2](onbekend)) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
Hoewel het bij het Working Holiday Program en het Working Holiday Scheme om nationaliteiten gaat, waar geen verplichting geldt te beschikken over een geldige mvv, is in het belang van de jongeren de afspraak gemaakt dat de jongeren die op basis van deze uitwisselingsafspraken in Nederland willen verblijven een mvv kunnen aanvragen. De jongere heeft aldus eerder duidelijkheid of hem verblijf kan worden verleend.
Om zoveel mogelijk jongeren de gelegenheid te bieden van het programma gebruik te maken (onder wie dus ook de jongeren bij wie pas tijdens een rondreis door Europa de wens hiertoe ontstaat) is de afspraak gemaakt dat aanvragen tot het verlenen van een mvv door jongeren die aan deze uitwisselingsprogramma’s wensen deel te nemen bij iedere Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging kunnen worden ingediend.
Visa (zoals een onverplichte mvv) worden op grond van [artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015918&artikel=3), bezien in samenhang met [artikel 3a, tweede lid, onder b en c, Regeling op de consulaire tarieven](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0016097&artikel=3a), kosteloos verleend aan de jongeren die op basis van deze uitwisselingsafspraken naar Nederland komen.
### 2.1. Voorwaarden voor verblijf medische behandeling
Op grond van artikel 3.46, eerste lid, Vb, moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan alvorens voor dit doel verblijf wordt toegestaan:
In [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a) is de plaats van indiening van de aanvraag, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), nader uitgewerkt.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
Zij kunnen ingevolge het bepaalde in het derde lid van [artikel 3.101 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.101) de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tevens indienen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van Nederland in het land waarvan zij de nationaliteit bezitten.
Indien de Minister van BuZa (het hoofd van de Visadienst) oordeelt dat aan de voorwaarden voor verlening van een mvv is voldaan, geven de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen een mvv af. De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, in dit kader, voorzien van alle relevante stukken en informatie, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging direct doorgezonden naar de IND, ter bespoediging van de procedure in Nederland. De vreemdeling meldt zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland bij de Korpschef van het regionale politiekorps, waarin de gemeente is gelegen waar hij woon- of verblijfplaats wenst te houden (zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) dan wel [artikel 4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49)). Vervolgens vervoegt de vreemdeling zich bij de IND ter voldoening van de verschuldigde leges.
Voor de leges voor de verblijfsvergunning voor betaalde werkvakanties geldt een bijzonder, verlaagd tarief ( zie [artikel 3.34a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34a)).
De IND verschaft de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op de aanvraag het bescheid rechtmatig verblijf, met daarop de aantekening dat het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/4.3.3.2) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
### 5.1. Inleiding
Nederland heeft zich in Europees verband gecommitteerd aan de uitvoering van het uitwisselingsprogramma ‘Youth in Action’, waarvan het Europees Vrijwilligerswerk (EVS) deel uitmaakt. In het kader van het EVS kunnen jongeren - waaronder jongeren afkomstig van buiten de EU – een aantal maanden vrijwilligerswerk doen in Nederland.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
### 5.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
De vreemdeling die in het kader van het EVS programma in Nederland verblijft, is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. De gastorganisatie blijft echter volledig verantwoordelijk voor de deelnemer. In het kader van het actieprogramma van de Europese Unie is hij bovendien vrijgesteld van de eis van een tewerkstellingsvergunning.
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb 2000 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
De aanvraag wordt afgewezen indien:
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
Artikel 16, eerste lid, onder c, Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. De vreemdeling moet beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. Hiertoe moet de vreemdeling aantonen dat de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling niet met openbare middelen worden gefinancierd. De middelen dienen toereikend te zijn voor de gehele periode waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend.
### 10. Afwijzing
Het familielid of een andere relatie dient aantoonbaar te beschikken over voldoende, zelfstandig verworven middelen van bestaan voor zichzelf (en zijn gezin) en voor de kosten van het levensonderhoud van de vreemdeling voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling in Nederland. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een inkomen, dat tenminste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV. Tevens dient het familielid of een andere relatie zich schriftelijk garant te stellen voor de door de vreemdeling te maken kosten.
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
Als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden kan de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.
Omdat door de uitwisselingsorganisatie een ondertekende garantverklaring is overgelegd, wordt geen apart voorschrift tot het sluiten van een ziektekostenverzekering aan de vergunning verbonden.
Het bovenstaande impliceert dat de vreemdeling de aanvraag tijdig moet indienen, anders is namelijk geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voorafgaande aan de aanvraag.
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats. Met het oog op toezicht op vreemdelingen dient een wijziging van verblijfplaats gemeld te worden bij de IND. De uitnodigende instelling is verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
### 8. Medische behandeling
Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) met spoed is opgenomen in een ziekenhuis en dat hij hierdoor niet in staat is om de aanvraag tijdig in persoon in te dienen. In dat geval kan geconcludeerd worden dat het onomstotelijk vaststaat dat de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling te wijten is. Wel dient een bewijs van in dit geval een ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs overgelegd te worden.
De verblijfsvergunning wordt, ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26), verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan vreemdelingen die in Nederland een medische behandeling wensen te ondergaan. [Artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) bepaalt dat het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard.
### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is [artikel 3.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/16 Vc).
### 2.1. Voorwaarden voor verblijf medische behandeling
Op grond van artikel 3.46, eerste lid, Vb, moet aan drie cumulatieve voorwaarden zijn voldaan alvorens voor dit doel verblijf wordt toegestaan:
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
Op grond van artikel 3.46, derde lid, Vb wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw (zie B8/2.1.1).
### 3.1. Aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel
Als de vreemdeling niet behoort tot een van de bovengenoemde categorieën, wordt Nederland niet aangemerkt als het meest aangewezen land, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, waardoor toepassing van deze beleidsregel voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig zijn in verhouding met de met de beleidsregel te dienen doelen. Bij deze bijzondere omstandigheden dient met nadruk niet te worden gedacht aan omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen (zie B8/3.4). Voorts wordt geen betekenis toegekend aan de oorzaak van de medische problematiek, voorzover deze asielgerelateerd is.
Ter beoordeling van de vraag of Nederland conform één van bovengenoemde situaties als het meest aangewezen land wordt aangemerkt, wordt advies ingewonnen van het BMA. De medisch adviseur doet evenwel geen uitspraken omtrent de vraag of Nederland het meest aangewezen land is voor het ondergaan van een bepaalde medische behandeling. Daarbij kunnen immers ook niet-medische factoren van belang zijn. Evenmin kan de medisch adviseur uitspraken doen omtrent andere niet- medische (bijvoorbeeld sociaal-psychologische) aangelegenheden.
De procedure voor het inwinnen van advies bij het BMA wordt beschreven in B8/3).
Vreemdelingen die – tijdens de procedure inzake de verlening van een verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling – een aanvraag indienen tot het verlenen van een terugkeervisum (zie A2/4.3.3.2) voor een bezoek aan het land van herkomst met een langere duur dan één maand, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ in verband met een medische noodsituatie. De vreemdeling geeft immers, met het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum, te kennen dat een (tijdelijke) terugkeer naar het land van herkomst niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. In deze gevallen wordt geen advies ingewonnen bij het BMA.
Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA.
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Overeenkomstig artikel 3.46, derde lid Vb, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
De vreemdeling moet voldoen aan alle algemene toelatingsvoorwaarden van artikel 16 Vw, tenzij in artikel 3.46 Vb en hieronder anders is vermeld.
Voor wat betreft het vereiste in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding is artikel 16, onder b, Vw juncto artikel 3.72 Vb van toepassing. Blijkens de nota van toelichting bij laatstgenoemd artikel, vormt het ondergaan van een medische behandeling in Nederland in het algemeen onvoldoende aanleiding om vrijstelling van het paspoortvereiste te verlenen, aangezien het enkel ondergaan van een medische behandeling de vreemdeling in het algemeen niet belet om zich tot zijn ambassade of consulaat te wenden (Stb 2000 497). De vreemdeling dient genoegzaam aan te tonen dat het voor hem persoonlijk niet mogelijk is in het bezit gesteld te worden van een geldig document voor grensoverschrijding (zie in dit verband tevens B1/4.2 Vc). Gelet hierop kan slechts in geval van zeer bijzondere individuele omstandigheden vrijstelling worden verleend van het hier bedoelde vereiste.
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
Artikel 16, eerste lid, onder a Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling. In de volgende gevallen wordt aan de vreemdeling vrijstelling van het mvv-vereiste verleend:
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
De vreemdeling moet beschikken over het normbedrag als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV. Indien de eigen financiële middelen van de vreemdeling ontoereikend zijn, kan het verblijf slechts worden toegestaan wanneer een familielid of een andere relatie in de kosten van het levensonderhoud voorziet.
### 7. Aard van het verblijfsrecht
Vrijstelling van het middelenvereiste wordt verleend indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
Met een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag, zoals bedoeld in [artikel 3.46, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46), wordt bedoeld dat sprake moet zijn van één aaneengesloten jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voordat de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt ingediend.
### 1. Inleiding
### 4. Mantelzorgnetwerk
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is geëindigd, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. In deze gevallen wordt toepassing gegeven aan [artikel 3.46, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46). De vraag of de te late indiening van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de aanvraag. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid er niet op is gewezen dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw binnenkort eindigt en dat een aanvraag moet worden ingediend, komt in dit verband geen betekenis toe. Evenmin komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich te kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw bij de IND meldt voor het maken van een afspraak voor het in persoon indienen van de aanvraag, waardoor het niet langer mogelijk is om tijdig een afspraak in te plannen. Aan het feit dat de vreemdeling tijd nodig heeft om de voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te vergaren, zoals een paspoort, komt ook geen betekenis toe.
Bij omstandigheden waardoor de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling toe te rekenen zou kunnen zijn, kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat de vreemdeling kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) met spoed is opgenomen in een ziekenhuis en dat hij hierdoor niet in staat is om de aanvraag tijdig in persoon in te dienen. In dat geval kan geconcludeerd worden dat het onomstotelijk vaststaat dat de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling te wijten is. Wel dient een bewijs van in dit geval een ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs overgelegd te worden.
De verblijfsvergunning wordt, ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26), verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
De voorgaande periode van rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8, onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zal, bij onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling, niet meetellen voor de periode van drie jaar die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie in dit verband B16/3.2).
### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Voor de vreemdeling van Surinaamse nationaliteit, die op medische indicatie en in het bezit van een daartoe afgegeven visum naar Nederland is gekomen, is [artikel 3.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) en de Overeenkomst Nederland-Suriname 1981 (Trb 1981, 35) van toepassing (zie B11/16 Vc).
### 3. Medisch advies
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
Als de vreemdeling zich in het kader van een toelatingsprocedure beroept op medische gronden kan de medisch adviseur van het BMA van de IND worden ingeschakeld.
### 3.2.8. Kosten van levensonderhoud
### 4.2.4. Rechtshulp
Er mag niet van de vreemdeling worden gevergd dat hij een verklaring overlegt van zijn behandelaar, waarin deze zich een oordeel vormt over vreemdelingenrechtelijke aanspraken (waaronder tevens wordt begrepen vrijstelling van het wettelijk mvv-vereiste op grond van [artikel 17, eerste lid onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17)). Er mag bijvoorbeeld niet van een vreemdeling worden geëist dat hij een verklaring overlegt waarin uitdrukkelijk is opgenomen dat het voor hem gelet op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
Het bewijs omtrent de medische situatie vreemdeling mag op het moment van overleggen niet ouder zijn dan één maand. Als na overlegging het bewijs door tijdsverloop ouder wordt dan één maand, behoeft geen nieuwe medisch bewijs te worden overgelegd. De vreemdeling moet wel eventuele wijzigingen in zijn medische situatie, die van belang kunnen zijn voor een te nemen beslissing, door middel van een nieuw bewijs melden bij de IND. De vreemdeling hoeft dan niet perse gebruik te maken van het model conform de bijlage bij het aanvraagformulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)). Een brief, die alle bovengenoemde gegevens bevat, volstaat.
Niet in alle gevallen, waarin de vreemdeling zich in een reguliere toelatingsprocedure op medische gronden beroept, wordt het BMA om advies gevraagd. Dat niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de IND zich geen medisch oordeel mogen vormen, laat immers onverlet het bestuursrechtelijke uitgangspunt dat bij het indienen van een aanvraag alle gegevens en bescheiden dienen te worden overgelegd die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Dit betekent dat de IND het BMA in ieder geval niet om een medisch advies vraagt als:
### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, overlegt hij ingevolge [artikel 3.102 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.102), voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval overlegt hij tevens aanvullende gegevens en bescheiden omtrent zijn identiteit en nationaliteit (zie ook B1/4.2 Vc).
Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aantoont, vraagt de IND slechts een gedeeltelijk advies op bij de medisch adviseur, met het oog op de bepaling in [artikel 17, eerste lid, onder c Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) en [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64). De IND stelt aan de medisch adviseur in deze gevallen slechts de vraag of de vreemdeling kan reizen en of er een medische noodsituatie ontstaat. De IND vraagt het BMA niet om de vraag of medische behandeling mogelijk is in het land van herkomst te beantwoorden.
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
### 3.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zoals hier bedoeld dienen zij aan de volgende voorwaarden te voldoen:
De IND vraagt het BMA alleen om medisch advies als:
### 10. Afwijzing
Als de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag geen (volledig) ingevulde of ondertekende toestemmingsverklaring (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) overlegt, stelt de IND hem in de gelegenheid het verzuim aan het loket te herstellen conform [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5). Als de vreemdeling desondanks geen volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring overlegt, wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
In overige gevallen geldt het volgende:
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
Het vóórkomen van onderbrekingen in de medicijnverstrekkingen vanwege logistieke problemen in het land van herkomst of bestendig verblijf, is geen aangelegenheid die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreft, maar de aanwezigheid van de medische zorg. Wel is het de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om de mogelijke gevolgen van een onderbreking in de medicijnverstrekking zo veel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen, door een voorraad medicijnen aan te houden. Indien uit het advies van het BMA blijkt dat in het land van herkomst dan wel het land waarheen de betrokken vreemdeling kan reizen onderbrekingen voorkomen, wordt van geval tot geval een afweging gemaakt, waarbij de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling en de duur en regelmaat van de onderbrekingen worden betrokken.
Als de onderbrekingen blijkens het advies van het BMA een maand of langer duren, vormen deze onderbrekingen grond om te komen tot de conclusie dat de behandeling in feite niet (voldoende continu) aanwezig is.
### 4. Mantelzorgnetwerk
Als de medisch adviseur vaststelt dat de vreemdeling een medische behandeling ondergaat en dat mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van deze medische behandeling:
### 13. Overgangsrecht
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen personen, met name gezins- of familieleden zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen waar de vreemdeling medisch gezien op is aangewezen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 5 b Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1, waaronder B8/2.1 ad a, onder 5 a en c Vc, wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Als de vreemdeling zoals boven vermeld aantoont dat in het land van herkomst geen personen, met name gezins- of familieleden, zijn die in staat moeten worden geacht de mantelzorg te verlenen die noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl aangetoond is dat zonder medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan en dat er gezins- of familieleden hier te lande verblijven op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of Nederlander zijn die de medisch noodzakelijke mantelzorg verlenen, wordt geconcludeerd dat voldaan is aan het vermelde in paragraaf B8/2.1 ad a, onder 3c Vc. Als aan alle andere voorwaarden genoemd in paragraaf B8/2.1 Vc wordt voldaan wordt de verblijfsvergunning verleend.
Met ‘mantelzorg’ wordt bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg zoals bijvoorbeeld thuiszorg is geen mantelzorg.
De uitzettingsbelemmering van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort (zie [A4/7](onbekend)). In het kader van de behandeling van de aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling wordt bij afwijzing van de aanvraag ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege dient te blijven. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege indien:
Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA niet in staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
### 6. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking:
‘Medische behandeling’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid niet toegestaan’.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
### 3.2. Bedenktijdfase
In verband met deze wijziging is de volgende overgangsregeling getroffen:
De verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling is conform [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) van tijdelijke aard. Houders van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van medische behandeling komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
De bedenktijd staat alleen open voor de volgende categorieën vreemdelingen (zie B9/2):
De verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt verleend voor de duur van de behandeling met een maximum van een jaar.
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
### 9. Gezinsleden
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
### 3.2.2. Registratie door de politie
Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning zoals hier bedoeld dienen zij aan de volgende voorwaarden te voldoen:
### 3.2. Bedenktijdfase
Zie voor een nadere uitwerking van bovengenoemde voorwaarden en voor de wijze waarop de vreemdeling moet aantonen aan bovengenoemde voorwaarden te voldoen B1/4 en B2 Vc.
Aan in Nederland verblijvende gezinsleden zoals hier bedoeld, die met de hoofdpersoon zijn meegereisd, kan met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) vrijstelling van het mvv-vereiste worden verleend.
In afwijking van het bepaalde in B1 Vc wordt voorts de aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan indien het een gezinslid betreft van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling die is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
In overige gevallen geldt het volgende:
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
Het verblijfsrecht is in deze gevallen conform [artikel 3.5, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard. Houders van de verblijfsvergunning zoals hier bedoeld komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20).
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 4.2.4. Rechtshulp
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake medische behandeling.
Indien het vermoedelijke slachtoffer tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het vermoedelijke slachtoffer voor de GBA een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van [artikel 67, vierde lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=67). Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regionale politiekorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt.
### 3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
De uitzettingsbelemmering van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) kan worden ingeroepen, wanneer de vreemdeling zich bevindt in de situatie waarin de werking van een besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning niet (langer) is opgeschort (zie [A4/7](onbekend)). In het kader van de behandeling van de aanvragen voor het ondergaan van medische behandeling wordt bij afwijzing van de aanvraag ambtshalve beoordeeld of de uitzetting op grond van artikel 64 Vw achterwege dient te blijven. De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege indien:
In deze gevallen wordt in de beschikking waarmee de verblijfsvergunning wordt geweigerd, dan wel het bezwaarschrift gericht tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, ongegrond wordt verklaard, meteen aan de vreemdeling medegedeeld:
De bij het eerste opsommingsteken bedoelde gespecificeerde periode bedraagt de duur van het reisbeletsel met maximaal een jaar.
De politie meldt het feit dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen en gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel.
Uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking het ondergaan van medische behandeling hebben ingediend kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor (analoge) toepassing van artikel [64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van de beslissing op hun aanvraag – waardoor ingevolge de [Rva](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0017959) – recht op opvang ontstaat. Dit is het geval indien voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning de procedure zoals beschreven in [A4/7.2](onbekend) is gevolgd. In aanvulling dient tevens door de vreemdeling tezamen met de relevante medische gegevens een geldig document voor grensoverschrijding te worden overgelegd (paragraaf B8/3.2 Vc is van overeenkomstige toepassing). Paragrafen [A4/7.2](onbekend) en [A4/7.3 Vc](onbekend) zijn verder van toepassing.
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ wordt afgewezen eindigt de analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) van rechtswege.
Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Tevens dienen voorbereidingen te worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaande aan de acties contact worden opgenomen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers.
Op 7 oktober 2009 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie in een brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangekondigd voornemens te zijn de verscheidenheid aan toelatingsvormen ‘medisch’ te vereenvoudigen (Kamerstukken II 2009/2010, 19637, nr 1305). Naar aanleiding hiervan is het beleid dat geldt voor aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, met ingang 1 juli 2010 aangepast en is de beperking ‘medische noodsituatie’ komen te vervallen.
In verband met deze wijziging is de volgende overgangsregeling getroffen:
De Korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek.
Indien het slachtoffer minderjarig is, dan dient in het gezag te worden voorzien.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de politie het aanvraagformulier voor de Rvb aan het vermoedelijke slachtoffer. De Rvb wordt verstrekt teneinde het vermoedelijke slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
Aanwijzingen van mensenhandel kunnen op verschillende manieren worden verkregen:
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
### 4.2.2. Opvang
Aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel, wordt een periode gegund van maximaal drie maanden, waarbinnen zij een beslissing moeten nemen of zij aangifte willen doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking willen verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, of dat zij hiervan afzien. De vreemdeling wordt geïnformeerd dat dit direct kan of na gebruikmaking van een bedenktijd van maximaal drie maanden, om de beslissing in alle rust te overwegen.
De bedenktijd staat alleen open voor de volgende categorieën vreemdelingen (zie B9/2):
De bedenktijdfase is eenmalig en wordt niet verlengd.
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De politie meldt onverwijld door middel van het [model M55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55) per fax aan de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie dat de vreemdeling gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase. Daarnaast meldt de politie dit eveneens aan de DT&V en aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel (zie B9/3.2.6).
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
Indien een slachtoffer heeft gebruikgemaakt van de bedenktijdfase en een Rvb-verstrekking heeft ontvangen, is het onderstaande van belang.
Indien het vermoedelijke slachtoffer tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het vermoedelijke slachtoffer voor de GBA een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van [artikel 67, vierde lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=67). Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regionale politiekorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt.
De DT&V regelt het vertrek en zorgt voor de benodigde papieren (indien noodzakelijk regelt de DT&V een laissez-passer). De DT&V en de zorgcoördinator kunnen bij vertrek ook bemiddeling vragen aan de IOM.
In het geval het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding brengt de politie daarin de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aan ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op de sticker wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
### 3.2.5. Meldplicht
Gedurende de bedenktijdfase dient het vermoedelijke slachtoffer zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij/zij administratief is ondergebracht.
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan het slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
De politie meldt het feit dat een vermoedelijk slachtoffer is aangetroffen en gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel.
Mede in verband met het landelijk kunnen volgen van de vorderingen op het terrein van de bestrijding van mensenhandel is het belangrijk dat de politie iedere melding omtrent een vermoedelijk slachtoffer ter kennis brengt van het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Het Coördinatiecentrum Mensenhandel is, ten behoeve van de landelijke rapportage aan de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, belast met de landelijke registratie van het aantal aangemelde gevallen.
Ook de gevallen, waarbij het Coördinatiecentrum Mensenhandel niet betrokken is bij de opvang en huisvesting dienen voor registratie bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel te worden aangemeld.
Het verdient aanbeveling dat bij de voorbereiding van politieacties die gericht zijn op illegalen, expliciet aandacht is voor mensenhandel. Tevens dienen voorbereidingen te worden getroffen voor de opvang van mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Daarvoor kan voorafgaande aan de acties contact worden opgenomen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel die de regionale netwerken kan inschakelen en contacten kan leggen met hulporganisaties in herkomstlanden van slachtoffers.
Het COA beëindigt de verstrekking van de uitkering krachtens de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726), indien:
Voor het plaatsen van het vermoedelijke slachtoffer op een opvangadres meldt de politie een vermoedelijk slachtoffer dat gebruik wenst te maken van de bedenktijdfase aan bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Het Coördinatiecentrum dat verantwoordelijk is voor het regelen van de opvang, schakelt de zorgcoördinator vrouwenopvang in de desbetreffende regio in, die er vervolgens voor verantwoordelijk is dat de dagelijkse begeleiding van het vermoedelijke slachtoffer plaatsvindt. In het geval er in de desbetreffende regio nog niet is voorzien in zorgcoördinatie binnen de reguliere hulpverlening blijft het Coördinatiecentrum Mensenhandel verantwoordelijk voor de zorgcoördinatie. Plaatsing van het vermoedelijke slachtoffer wordt door de beschikbare capaciteit bepaald. Als hoofdregel geldt dat in het belang van het onderzoek gedurende de bedenktijdfase opvang wordt gezocht binnen de desbetreffende politieregio.
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
Indien het slachtoffer minderjarig is, dan dient in het gezag te worden voorzien.
Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale Meldpunten Vrouwenopvang. Wordt het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren door de politie geplaatst, dan meldt hij dit, met spoed, eveneens aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens kan het Coördinatiecentrum Mensenhandel dan beoordelen of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd.
Heeft het slachtoffer geen gebruik gemaakt van de bedenktijd maar direct aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan schakelt de politie het Coördinatiecentrum Mensenhandel in voor het regelen van de opvang.
Nadat is vastgesteld dat het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd wenst voor het overwegen tot het doen van aangifte, verstrekt de politie het aanvraagformulier voor de Rvb aan het vermoedelijke slachtoffer. De Rvb wordt verstrekt teneinde het vermoedelijke slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.
### 4.2.3. Medisch onderzoek
Op grond van de Rvb is het vermoedelijke slachtoffer verzekerd tegen ziektekosten.
Het aanvraagformulier wordt eenmalig verstrekt en is geldig gedurende de drie maanden bedenktijd.
De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. Indien juridisch advies noodzakelijk blijkt, kan een rechtshulpverlener worden ingeschakeld. De rechtshulpverlener ontvangt hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte
De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. Indien het noodzakelijk blijkt voor het geven van juridisch advies gedurende de bedenktijdfase een rechtshulpverlener in te schakelen, ontvangt deze hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
De bedenktijdfase eindigt:
### 6.5. Opvang en financiën
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling afziet van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De bedenktijd eindigt op de datum dat betrokkene afziet van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een opsporings- of vervolgingsonderzoek. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
Indien tijdens of na de bedenktijdfase aangifte ter zake van mensenhandel wordt gedaan of medewerking wordt verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, is het beleid als genoemd in B9/4 direct van toepassing.
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
### 6. Procedurele bepalingen getuige-aangever
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de politie aan de IND is gezonden te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, alvorens op de aanvraag kan worden beslist (zie B9/6.1).
Geeft het vermoedelijke slachtoffer gedurende of na de bedenktijdfase aan af te zien van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte, of loopt de bedenktijdfase af zonder dat er aangifte is gedaan of op andere wijze medewerking is verleend, dan wordt daarmee de opschorting van het vertrek opgeheven. De (vreemdelingen)politie informeert de DT&V hierover. De vreemdeling dient Nederland uit eigen beweging te verlaten (zie [artikel 61](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) en [62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62)). Daarbij verdient het aandacht dat in de reis- of identiteitspapieren van de vreemdeling die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn nimmer aantekeningen omtrent de verwijdering mogen worden geplaatst.
De DT&V regelt het vertrek en zorgt voor de benodigde papieren (indien noodzakelijk regelt de DT&V een laissez-passer). De DT&V en de zorgcoördinator kunnen bij vertrek ook bemiddeling vragen aan de IOM.
De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het OM heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen.
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan het slachtoffer van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
### 4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
De politie meldt het feit dat een slachtoffer aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking verleent of heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek terzake mensenhandel aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Dit Coördinatiecentrum draagt de verantwoordelijkheid voor het registreren van het aantal meldingen. De melding dient overigens ook te geschieden indien het Coördinatiecentrum niet betrokken is bij de opvang en huisvesting van de betrokken vreemdeling.
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
Indien een slachtoffer heeft gebruikgemaakt van de bedenktijdfase en een Rvb-verstrekking heeft ontvangen, is het onderstaande van belang.
Het COA beëindigt de verstrekking van de uitkering krachtens de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726), indien:
### 7. De beslissing
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [RvB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) niet eerder dan nadat een verblijfsvergunning is afgegeven. Na afgifte van de verblijfsvergunning maakt het slachtoffer aanspraak op een uitkering ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703).
### 4.2.2. Opvang
Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer zich voor vervolgopvang wenden tot de zorgcoördinator in de regio waar hij of zij reeds verblijft of, in het geval er geen regionale zorgcoördinator beschikbaar is, tot het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgopvang op een andere locatie kan aangewezen zijn, indien de opvanglocatie die in de bedenktijdfase werd geboden niet geschikt is voor een langduriger verblijf.
Heeft het slachtoffer geen gebruik gemaakt van de bedenktijd maar direct aangifte gedaan of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan schakelt de politie het Coördinatiecentrum Mensenhandel in voor het regelen van de opvang.
### 7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 4.2.3. Medisch onderzoek
De zorgcoördinator ziet toe op het regelen van het medische onderzoek. Indien het slachtoffer nog geen TBC-keuring heeft ondergaan, dient een TBC-keuring onderdeel uit te maken van dit medische onderzoek.
Het verblijfsdocument wordt afgegeven door de politie onder wiens administratieve verantwoordelijkheid het slachtoffer of de getuige-aangever valt (zie B9/3.2.2).
De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het slachtoffer goed wordt geïnformeerd over de juridische consequenties van het doen van aangifte of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek. Indien juridisch advies noodzakelijk blijkt, kan een rechtshulpverlener worden ingeschakeld. De rechtshulpverlener ontvangt hiervoor de gebruikelijke financiering van de Raad voor Rechtsbijstand.
Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
Doet het vermoedelijke slachtoffer aangifte of verleent hij op andere wijze medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, maar geeft hij of zij te kennen uit Nederland te willen vertrekken, dan meldt de politie dit aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. Indien het vermoedelijke slachtoffer bereid is te getuigen in het proces tegen de verdachte, neemt de contactpersoon mensenhandel van de IND contact op met het OM. Acht het OM het voor de procesgang tegen de verdachte noodzakelijk dat betrokkene als getuige (ter zitting) kan worden gehoord, dan worden daar in overleg met de aangever nadere afspraken over gemaakt. Het verdient aanbeveling om, indien mogelijk, voorafgaande aan het vertrek contact op te nemen met het Coördinatiecentrum Mensenhandel, zodat er afspraken kunnen worden gemaakt met NGO’s in de landen van herkomst. NGO’s kunnen in dit geval een dubbele functie vervullen. Zij kunnen het vermoedelijke slachtoffer bijstaan bij het reïntegreren na terugkeer en het zorgen voor het in stand houden van de contacten tussen het vermoedelijke slachtoffer en de betreffende Nederlandse instanties.
### 5. Voorwaarden verblijfsvergunning getuige-aangever
### 9.1. Slachtoffer
### 9.2. Getuige-aangever
De aanvraag wordt niet afgewezen:
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de getuige-aangever niet over een paspoort beschikt. Onderwijl dient een paspoort te worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan de getuige-aangever de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/4.2 is vervolgens van toepassing.
De getuige-aangever van mensenhandel is geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag op grond van [artikel 3.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
### 6. Procedurele bepalingen getuige-aangever
### 6.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
De aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, zodra deze is doorgestuurd naar de IND.
De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de IND direct door middel van het model ‘Kennisgeving aangifte mensenhandel en beroep op regeling B9’ (zie [model M-55](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55)) per fax van de aangifte in kennis.
De contactpersoon mensenhandel van de IND neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.
Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag dient de IND bij het OM na te gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.
De aangifte van mensenhandel schort de verwijdering van de getuige-aangever uit Nederland op. De opschorting van de verwijdering geldt totdat het OM heeft beslist of de aangifte aanleiding is om een verblijfsvergunning te verlenen.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht. Indien het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.
Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij of zij administratief is ondergebracht. De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan.
De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van hetzij de slachtoffer-aangever, hetzij de getuige-aangever kan rechtstreeks bij de IND worden ingediend (zie [artikel 3.33b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b)).
### 9.4. Document voor grensoverschrijding, middelen en openbare orde
De aanvraag wordt niet afgewezen:
### 9.2. Getuige-aangever
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
Op grond van [artikel 3.34e, onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34e) is het slachtoffer of de getuige-aangever die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), geen leges verschuldigd.
### 10. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52)
Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag per fax door de politie aan de IND is gezonden te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, alvorens op de aanvraag kan worden beslist (zie B9/6.1).
### 9. Verlenging
Indien een slachtoffer of een getuige-aangever – aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan – van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan hij een beroep doen op [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). In B16 is nader uitgewerkt op welke gronden en in welke situaties een vreemdeling voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) in aanmerking komt.
### 11. Gezinshereniging
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
### 1. Inleiding
Indien het noodzakelijk is, kan de politie het slachtoffer of de getuige-aangever begeleiden bij het ophalen van het verblijfsdocument.
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd. Na een jaar kan het slachtoffer een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (B16/4.9). De vreemdeling kan er ook voor kiezen om tussentijds of na een jaar alsnog aangifte te doen dan wel anderszins medewerking te verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar en op die grond een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen.
### 10. EU-recht
Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.
### 12. Gezinshereniging
Het beroep in cassatie mag in Nederland worden afgewacht, aangezien de Hoge Raad de zaak nog terug kan wijzen naar het Hof. Cassatie in het belang der wet mag niet in Nederland worden afgewacht, aangezien cassatie in het belang der wet geen verandering in de rechten en positie van partijen te weeg kan brengen en derhalve geen rechtsgevolgen voor de betrokken partijen heeft.
Op grond van [artikel 3.34b, onder k en m, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b) zijn het slachtoffer van mensenhandel en de minderjarige kinderen van het slachtoffer van mensenhandel geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht.
Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
In [artikel 1, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:
Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. De geldigheid van de verblijfsvergunning wordt niet verlengd indien er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag dient de IND bij het OM na te gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.
De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11.
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland noodzakelijk acht. Indien het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.
Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).
De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van hetzij de slachtoffer-aangever, hetzij de getuige-aangever kan rechtstreeks bij de IND worden ingediend (zie [artikel 3.33b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33b)).
In dit hoofdstuk zullen de termen ‘Burger van de Unie’, ‘onderdaan van de EER’ en ‘onderdaan van een derde land’ worden gebruikt. ‘Burger van de Unie’ is de term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU. ‘Onderdaan van de EER’ wordt gebruikt voor iedere onderdaan van de EU en van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze termen. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een burger van de Unie, onderdaan van de EER of onderdaan van Zwitserland, en zelf niet de nationaliteit heeft van één van deze lidstaten, wordt dit expliciet vermeld. ‘Onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen burger van de Unie is of onderdaan van een EER- lidstaat of van Zwitserland.
De aanvraag wordt niet afgewezen:
### 1.4. De Overeenkomst EG-Zwitserland
Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
In [artikel 1, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
### 1.6. Terminologie
Indien een slachtoffer of een getuige-aangever – aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan – van oordeel is dat het verblijf dient te worden voortgezet om onaanvaardbare gevolgen bij terugzending te voorkomen, kan hij een beroep doen op [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). In B16 is nader uitgewerkt op welke gronden en in welke situaties een vreemdeling voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) in aanmerking komt.
### 11. Gezinshereniging
Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:
### 2. Algemeen
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer of de getuige-aangever.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
De kring van familieleden die aan de richtlijn het (accessoire) recht op vrij verkeer ontlenen, omvat de volgende personen:
Aan een slachtoffer van mensenhandel kan op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning worden verleend als aangetoond wordt dat het slachtoffer geen aangifte kan of wil doen of anderszins medewerking kan of wil verlenen aan de strafrechtelijke opsporing en vervolging van de mensenhandelaar in verband met:
Het bovenstaande moet worden aangetoond door:
In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen:
Indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding is B9/2 van overeenkomstige toepassing.
Op grond van [artikel 3.34b, onder k en m, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b) zijn het slachtoffer van mensenhandel en de minderjarige kinderen van het slachtoffer van mensenhandel geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag.
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt voor de duur van een jaar een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) met de beperking ‘conform beschikking Minister’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan’.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De verblijfsvergunning is tijdelijk van aard. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd. Na een jaar kan het slachtoffer een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (B16/4.9). De vreemdeling kan er ook voor kiezen om tussentijds of na een jaar alsnog aangifte te doen dan wel anderszins medewerking te verlenen aan de opsporing en vervolging van de mensenhandelaar en op die grond een tijdelijke verblijfsvergunning te verkrijgen.
Voor de regels met betrekking tot toegang van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en hun familieleden of gezinsleden wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, heeft overgelegd noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken.
Dit hoofdstuk heeft betrekking op onderdanen van de staten die partij zijn bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag, de EER-overeenkomst en de Overeenkomst EG-Zwitserland, over het vrije verkeer van personen, alsmede de familieleden van deze onderdanen, ongeacht hun nationaliteit.
Familieleden of gezinsleden van hier te lande verblijvende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, die niet zelf onderdaan van genoemde landen zijn maar afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in [bijlage 2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=2)) en die niet beschikken over een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, kunnen Nederland zonder mvv inreizen indien zij het familielid begeleiden of indien zij zich alhier bij hemzullen voegen. De familieleden of gezinsleden dienen dan wel in het bezit te zijn van een visum kort verblijf. Dit visum zal versneld en kosteloos worden verstrekt. Dus ook indien een visumplichtig familielid of gezinslid voor een verblijf bij de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland van langer dan drie maanden naar Nederland komt, hoeft hij niet in het bezit te zijn van een mvv. Hij hoeft in dat geval slechts in het bezit te zijn van een visum kort verblijf om te kunnen inreizen. Voor de te volgen visumprocedure wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
De bijzondere bepalingen die gelden voor onderdanen van staten waarmee de EU een associatie- of samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten, zijn vermeld in B11.
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).
### 2. Algemeen
Voor het toepassingsgebied van zowel binnen als buiten Europa gelegen grondgebieden van lidstaten wordt verwezen naar [A2/6.2.2](onbekend).
Om met succes beroep te kunnen doen op het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en verder, dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen dan wel op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) hun identiteit en nationaliteit aan te tonen. De identiteitskaart of het paspoort dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Hierop dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van de identiteitskaart of paspoort gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging.
Deze Overeenkomst is gesloten tussen IJsland, Noorwegen, Liechtenstein en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland. Op grond van [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) dient de vreemdeling met inachtneming van [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) worden uitgezet door of namens de Minister (zie B10/7.1).
### 2.5. Rechtmatig verblijf
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER en onderdanen van Zwitserland, alsmede hun gezinsleden ongeacht hun nationaliteit, genieten rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland. Voor andere EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden zijn de overige bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf van toepassing. Burgers van de Unie hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Het vrije verkeer van personen brengt echter geen absoluut verblijfsrecht mee in de zin dat iedere burger van de Unie te allen tijde in Nederland verblijfsgerechtigd is. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben zij, onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden van het EG-Verdrag en de bepalingen die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, het recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Het stelsel van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) kent hierbij verschillende fasen van het verblijf van de burger van de Unie en diens familieleden:
### 2.5.1. Verblijfsrecht van maximaal drie maanden
### 2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).
In dit hoofdstuk zullen de termen ‘Burger van de Unie’, ‘onderdaan van de EER’ en ‘onderdaan van een derde land’ worden gebruikt. ‘Burger van de Unie’ is de term die wordt gebruikt voor iedere onderdaan van een lidstaat van de EU. ‘Onderdaan van de EER’ wordt gebruikt voor iedere onderdaan van de EU en van IJsland, Noorwegen en Liechtenstein. Het gezinslid, dat zelf geen onderdaan is van de EU of EER, valt niet onder deze termen. Voor zover een regel ook betrekking heeft op het gezinslid van een burger van de Unie, onderdaan van de EER of onderdaan van Zwitserland, en zelf niet de nationaliteit heeft van één van deze lidstaten, wordt dit expliciet vermeld. ‘Onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen burger van de Unie is of onderdaan van een EER- lidstaat of van Zwitserland.
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER, Zwitserse onderdanen, alsmede hun gezinsleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, worden allen aangeduid als ‘gemeenschapsonderdanen’. Gemeenschapsonderdanen zijn echter niet in alle gevallen ook burgers van de Unie. Zo zijn de gezinsleden van de burger van de Unie, onderdaan van de EER of Zwitserland die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van deze staten bezitten, wel gemeenschapsonderdaan doch niet burger van de Unie.
Onderdanen van EU/EER-lidstaten en van Zwitserland hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland te verblijven als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student (zie [artikel 8.12 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). Dat recht hebben zij uiteraard ook direct na inreis indien zij op dat moment aan de voorwaarden voldoen. Zij worden in geen geval verwijderd indien de burger van de Unie arbeid als zelfstandige of in loondienst verricht of naar Nederland is gekomen om werk te vinden, nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om dat te vinden. Onder bepaalde voorwaarden gaat het verblijfsrecht niet verloren door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden of vertrek van de persoon bij wie het familielid verbleef, of echtscheiding of beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
### 2.7. [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Ingevolge artikel 17, eerste lid, EG-Verdrag is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie. Artikel 17, tweede lid, EG-Verdrag bepaalt voorts dat de burgers van de Unie de rechten genieten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld. Zij hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld (zie artikel 18 EG-Verdrag). Burgers van de Unie en hun gezinsleden ontlenen hun aanspraak op verblijf rechtstreeks aan het EG-Verdrag en de daaruit voortvloeiende Richtlijnen en Verordeningen. Het verblijfsrecht van burgers van de Unie ontstaat en vervalt van rechtswege. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben aan de burger van de Unie gelijkwaardige rechten. Het verblijfsrecht van burgers van de Unie, onderdanen van de EER en van Zwitserland wordt op voorhand aangenomen, dus zonder tussenkomst van de Nederlandse overheid en zonder dat daadwerkelijk een besluit behoeft te worden genomen. Als regel geldt dat zij hier te lande wel verblijfsrecht hebben, maar niet in het bezit zijn van een verblijfsdocument.
In Richtlijn 2004/38 staat het burgerschap van de Unie centraal. Overwogen wordt dat het burgerschap van de Unie de fundamentele status dient te zijn van onderdanen van de lidstaten die hun recht van vrij verkeer en verblijf uitoefenen. De richtlijn verbindt het primaat van dit burgerschap met het codificeren en herzien van de bestaande Gemeenschapsinstrumenten waarin afzonderlijke regelingen zijn vastgesteld voor werknemers, zelfstandigen, studenten en andere niet-actieven. Richtlijn 2004/38 regelt de voorwaarden voor uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten door burgers van de Unie en hun familieleden, en de beperking daarvan om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Zij is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar, of verblijft in, een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden die hem begeleiden of die zich bij hem voegen.
De kring van familieleden die aan de richtlijn het (accessoire) recht op vrij verkeer ontlenen, omvat de volgende personen:
De richtlijn bepaalt voorts dat binnenkomst en verblijf worden vergemakkelijkt voor de volgende categorieën van personen:
In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.
Blijkens [artikel 8.7, derde en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) is hetgeen is opgenomen in [artikel 8.8 Vb tot en met artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.10) eveneens van toepassing is op de twee hierboven genoemde categorieën van personen.
De vreemdeling die onderdaan is van de EU, EER of Zwitserland, die in het bezit is van een geldig nationaal paspoort of geldige identiteitskaart van een lidstaat toont daarmee aan burger te zijn van de Unie. Deze vreemdeling wordt daarom geacht verblijfsrecht te ontlenen aan het gemeenschapsrecht en daarmee als gemeenschapsonderdaan rechtmatig hier te lande te verblijven in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), zolang en indien onderzoek niet heeft uitgewezen dat zulks niet het geval is. Dergelijk onderzoek is uitsluitend toegestaan indien er redelijke twijfel bestaat of aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn in de situatie waarin een economisch niet-actieve die het bewijs heeft geleverd dat hij aan de voorwaarden van artikel 7, eerste lid, onder b, van de richtlijn voldoet, of een van zijn familieleden, enige tijd na inschrijving niettemin een aanvraag indient voor bijstand. Of de situatie waarin een student die heeft verklaard over voldoende middelen van bestaan te beschikken na inschrijving toch een beroep doet op de bijstand of studiefinanciering voor het levensonderhoud. Ook kan gedacht worden aan een werknemer die door middel van een werkgeversverklaring heeft aangetoond over voltijds werk voor tenminste een jaar te beschikken, maar die binnen dat jaar een beroep doet op volledige bijstand of die zijn werk tijdens of kort na de wettelijke proeftijd, en derhalve ruim binnen het jaar, opgeeft en vervolgens een beroep doet op studiefinanciering voor het levensonderhoud voor een studie die geen verband houdt met zijn voorafgaande beroepsactiviteit. Ook valt te denken aan situaties waarin een familielid, dat niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezit, na vertrek van degene van wie zijn verblijfsrecht afhankelijk was of na diens overlijden, beroep doet op de bijstand. In al deze gevallen kan het verblijf, in geval is vastgesteld dat niet langer aan de relevante voorwaarden voor verblijf is voldaan, per beschikking worden beëindigd. Van een automatische beëindiging van het verblijf kan daarbij echter geen sprake zijn.
### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid
### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
Slechts het duurzame verblijfsrecht van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, blijkt uit een op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’.
Uitgangspunt is dat zolang het merendeel van de inkomsten – hiermee wordt bedoeld meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – wordt verkregen uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit de publieke middelen.
Voor de regels met betrekking tot toegang van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en hun familieleden of gezinsleden wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.
### 3.3.1. Werknemers
### 3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken
Wanneer een visumplichtige ongehuwde partner van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland zich wenst te vestigen bij de in Nederland verblijvende en van zijn recht op vrij verkeer gebruik makende onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, dient beoordeeld te worden of sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie in de zin van [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7). Eerst indien daarvan sprake is kan een visumplichtige ongehuwde partner van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland Nederland inreizen ten behoeve van vestiging bij die partner zonder dat hij in het bezit is van een mvv (maar slechts van een visum kort verblijf). Voor de gevallen waarin wordt aangenomen dat sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie in de zin van [artikel 8.7, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend) of B10/1.7 Vc.
[Richtlijn 2004/38](32004L0038) voorziet, ter voorkoming van misbruik, in de mogelijkheid voor lidstaten van de burgers van de Unie te verlangen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden. In Nederland is voor EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland voorzien in een verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie, waarbij de in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) omschreven bewijzen moeten worden overgelegd. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven. Aan de inschrijving in de vreemdelingenadministratie en afgifte van een verklaring van inschrijving zijn geen leges verbonden. Ingevolge [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) is deze aanmelding tot inschrijving verplicht. Het niet voldoen aan deze verplichting is in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld.
Onderdanen van de EU, EER, en van Zwitserland zijn niet verplicht hun aanwezigheid te melden bij de autoriteiten belast met toezicht. Indien zij verblijf beogen van langer dan drie maanden zijn zij wel verplicht zich aan te melden ter inschrijving bij de IND (zie [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Iedere EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG, 23 maart 1982, Levin; 3 juni 1986, Kempf) blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast.
### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
De vreemdeling, die reeds in Nederland verblijft en stelt rechten te ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, heeft overgelegd noch op andere wijze ondubbelzinnig zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond, wordt alsnog in de gelegenheid gesteld om dit over te leggen. Hiervoor dient een redelijke termijn te worden gegeven van twee weken.
Indien de vreemdeling hieraan geen gevolg geeft, is niet vastgesteld dat hij de nationaliteit heeft van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland. Hij verblijft daarmee niet rechtmatig in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland. Op grond van [artikel 61, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=61) dient de vreemdeling met inachtneming van [artikel 62 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=62) Nederland uit eigen beweging te verlaten. Wanneer hij dat niet doet, kan hij ingevolge [artikel 63 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=63) worden uitgezet door of namens de Minister (zie B10/7.1).
Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.
### 3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
Deze voorwaarden gelden ook voor werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentale plat, met dien verstande dat in plaats van een in Nederland geregistreerd vervoermiddel sprake moet zijn van een installatie op het Nederlands deel van het continentale plat.
### 3.5.2. Onvrijwillige werkloosheid
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan is wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van EU- of EER- lidstaat of onderdaan van Zwitserland. Deze nemen een andere positie in dan de burgers van de Unie en artikel 18 EG-Verdrag is op hen niet van toepassing (zie verder B10/5).
### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving.
Onderdanen van EU/EER-lidstaten en van Zwitserland hebben onder bepaalde voorwaarden het recht om voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland te verblijven als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student (zie [artikel 8.12 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). Dat recht hebben zij uiteraard ook direct na inreis indien zij op dat moment aan de voorwaarden voldoen. Zij worden in geen geval verwijderd indien de burger van de Unie arbeid als zelfstandige of in loondienst verricht of naar Nederland is gekomen om werk te vinden, nog steeds werkzoekende is en een reële kans maakt om dat te vinden. Onder bepaalde voorwaarden gaat het verblijfsrecht niet verloren door werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden of vertrek van de persoon bij wie het familielid verbleef, of echtscheiding of beëindiging van het geregistreerde partnerschap.
### 3.4. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied
Slechts in geval van een zodanig, specifiek geval van redelijke twijfel of aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt de inschrijving en daarmee de afgifte van de verklaring van inschrijving aangehouden tot onderzoek deze twijfel heeft weggenomen. Daarna vindt, indien is komen vast te staan dat aan de voorwaarden is voldaan, alsnog inschrijving plaats en wordt de verklaring van inschrijving afgegeven. Indien na onderzoek is komen vast te staan, dat niet aan de relevante voorwaarden is voldaan, wordt een beschikking gegeven waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor inschrijving. Daarnaast kan de inschrijving dan wel afgifte van de verklaring van inschrijving worden aangehouden, indien het inwinnen van antecedenten bij de lidstaat van oorsprong of andere lidstaten onontbeerlijk wordt geacht voor de beoordeling of de EU- of EER-onderdaan een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. De inschrijving kan uiteraard vervolgens worden geweigerd, indien van een zodanig gevaar sprake blijkt te zijn. Een zodanige weigering geschiedt per beschikking (zie B10/7).
Voor de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve of student wordt verwezen naar B10/3 en B10/4.
De arbeidsverhouding van een werknemer in het internationale transport wordt verondersteld voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied te hebben, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, heeft duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Dit geldt ook voor familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten en die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland bij de burger van de Unie hebben gewoond ([artikel 8.17, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)). Het duurzame verblijfsrecht van de EU- en EER-onderdanen en van onderdanen van Zwitserland en hun familieleden die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten, blijkt uit het op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Terzake van de afdoening van een aanvraag tot afgifte van een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’ dient leges te worden betaald.
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Het duurzame verblijfsrecht komt onder omstandigheden ook toe aan burgers van de Unie en hun familieleden ongeacht hun nationaliteit, die nog geen ononderbroken periode van vijf jaar in Nederland hebben verbleven (zie [artikel 8.17, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17) en B10/3.6).
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
### 3.5.2. Onvrijwillige werkloosheid
Voor familieleden van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland, die niet de nationaliteit bezitten van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland, blijkt het rechtmatig verblijf uit een document of verklaring dat een aanvraag is ingediend (sticker voor verblijfsaantekeningen). Op grond van [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) wordt zo’n document of verklaring dat een aanvraag is ingediend afgegeven door de Minister. Ingevolge [artikel 3.9, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9) is de IND, bevoegd dit document of deze verklaring af te geven.
### 3.6.1. Uitzondering ([artikel 8.17, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
Het rechtmatig verblijf eindigt niet indien betrokkene een beroepsopleiding gaat volgen, die verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Dit verband met de eerdere beroepsactiviteit hoeft er niet te zijn bij onvrijwillige werkloosheid (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
Verplaatsen werkzaamheden, met hoofdverblijf in Nederland ([artikel 8.17, derde lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.3.2. Zelfstandigen
Op het af te geven bewijs van rechtmatig verblijf aan gemeenschapsonderdanen, die geen EU- of EER- onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn, dient de aantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ te worden geplaatst, zodat een werkgever zich daarvan gemakkelijk kan vergewissen.
### 3. Economisch actieven
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid
### 3.6.5. Verblijfskaart
Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de WAO/ WIA, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang
Uitgangspunt is dat zolang het merendeel van de inkomsten – hiermee wordt bedoeld meer dan 50% van de betreffende bijstandsnorm – wordt verkregen uit arbeid, het er niet toe doet of deze inkomsten verder worden aangevuld uit eigen bron of uit de publieke middelen.
Indien de inkomsten uit arbeid voor het merendeel worden aangevuld met andere inkomsten (bijvoorbeeld voor 50% of meer uit de publieke middelen) is er grond voor twijfel aan het serieuze karakter van de economische activiteit en dus aan het reële en daadwerkelijke karakter van de arbeidsverrichting.
Aan de eis van reële en daadwerkelijke arbeid is in beginsel voldaan, indien ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd wordt gewerkt. Wat de volledige arbeidstijd is, is afhankelijk van de in de betreffende branche gebruikelijke volledige arbeidstijd. Dit kan worden afgeleid uit de arbeidsovereenkomst of uit de CAO of het kan worden nagevraagd bij de betreffende bedrijfsvereniging.
Tot slot zijn zowel de duur als de regelmaat van de werkzaamheden factoren die een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid (HvJEG, 26 februari 1992, Raulin). In dit verband kan worden gedacht aan bijvoorbeeld oproepcontracten.
Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortzetting van verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan de regels met betrekking tot de economisch niet-actieven.
Om aan te tonen dat de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland voldoet aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden, bedoeld in [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), dienen de hierna genoemde bewijzen te worden geleverd. In het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) zijn per categorie de vereiste documenten die dit bewijs moeten leveren opgesomd.
### 3.3.1. Werknemers
De werknemer dient een door de werkgever verstrekte verklaring van indienstneming of tewerkstelling over te leggen. Om vast te kunnen stellen of het reële en daadwerkelijke arbeid betreft, zal uit de verklaring moeten blijken voor hoelang de werknemer te werk zal worden gesteld, wat de hoogte van de inkomsten zullen zijn en voor hoeveel uren per week de werknemer arbeid zal verrichten.
Minderjarigen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, dienen een verklaring van de ouders of verzorgers te overleggen. Uit deze verklaring moet blijken dat zij instemmen met de tewerkstelling van de minderjarige in Nederland. Het verrichten van arbeid is eerst toegestaan vanaf het dertiende levensjaar in overeenstemming met de Arbowetgeving.
Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent voortzetting van verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortzetting van verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders.
Het Gemeenschapsrecht is slechts van toepassing op werkzaamheden die buiten Nederlands grondgebied worden verricht, indien er sprake is van een arbeidsverhouding met een voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied.
Een dergelijke situatie kan zich voordoen bij werknemers in het internationale transport (bijvoorbeeld werknemers op zeeschepen en op schepen in de internationale binnenvaart en daarmee gelijkgestelde inrichtingen, baggermolens, zandzuigers).
De arbeidsverhouding van een werknemer in het internationale transport wordt verondersteld voldoende nauwe aanknoping met het Nederlands grondgebied te hebben, indien voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Deze voorwaarden gelden ook voor werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentale plat, met dien verstande dat in plaats van een in Nederland geregistreerd vervoermiddel sprake moet zijn van een installatie op het Nederlands deel van het continentale plat.
### 4. Economisch niet-actieven
Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland.
### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
Economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt (zie [artikel 8.12, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Het rechtmatig verblijf krachtens [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) eindigt niet indien de EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, na werkzaamheden als werknemer of zelfstandige van ten minste één jaar, onvrijwillig werkloos is en als werkzoekende is ingeschreven bij het CWI (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). Dat de gemeenschapsonderdaan volledig ten laste komt van de publieke middelen, doet hieraan niet af.
Het rechtmatig verblijf eindigt niet gedurende een periode van ten minste zes maanden, nadat de onderdaan onvrijwillig werkloos is geworden door afloop van een arbeidsovereenkomst van korter dan één jaar, dan wel nadat hij gedurende de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden is, indien hij als werkzoekende bij de CWI is ingeschreven (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Het rechtmatig verblijf eindigt niet indien betrokkene een beroepsopleiding gaat volgen, die verband houdt met de voorafgaande beroepsactiviteit. Dit verband met de eerdere beroepsactiviteit hoeft er niet te zijn bij onvrijwillige werkloosheid (zie [artikel 8.12, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Er kan ook recht op voortzetting van verblijf ontstaan, voor EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen die hun hoofdverblijf in Nederland hebben, omdat in bepaalde situaties ook eerder dan na vijf jaar al duurzaam verblijf verkregen kan worden. De verblijfscategorieën waar dit op van toepassing is staan vermeld in [artikel 8.17, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17). De categorieën dienstverlener of -ontvanger zijn in de richtlijn niet teruggekomen. De dienstenverlener is hetzij een werknemer, hetzij een zelfstandige. De dienstenontvanger geldt als economisch niet-actieve. Ook de grensarbeider is als zodanig niet teruggekomen in de richtlijn. Deze geldt immers ook als werknemer of zelfstandige, met dien verstande dat de grensarbeider nimmer de vrije termijn van drie maanden zal overschrijden, omdat de grensarbeider dagelijks of wekelijks Nederland verlaat om terug te keren naar zijn woning in een andere lidstaat. Dit geldt enkel voor burgers van de Unie.
De pensioengerechtigde leeftijd ligt op grond van de AOW op 65 jaar. De EU/EER-onderdaan en Zwitserse onderdaan, die op 65-jarige leeftijd zijn werkzaamheden staakt, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij:
Indien een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor zijn 65e levensjaar stopt met het verrichten van arbeid, kan hij in aanmerking komen voor verblijf als economisch niet-actieve.
Het recht op duurzaam verblijf hier te lande geldt ook voor de werknemer die:
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 4.2. Studenten
### 4.3. Beroep op de publieke middelen
Verplaatsen werkzaamheden, met hoofdverblijf in Nederland ([artikel 8.17, derde lid, onder e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die zijn werkzaamheden buiten Nederland verplaatst, maar zijn hoofdverblijf in Nederland behoudt, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij:
Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
Studenten, die verblijfsrecht hebben op grond van [artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453).
### 4.2.4. Beëindiging van de studie
Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden zijn niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen. Afwezigheid van langere tijd, is niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen in de volgende gevallen:
Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan kan (aan de hand van de documenten genoemd in B10/3.3) aantonen dat hij voortdurend reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Perioden van afwezigheid als gevolg van ziekte of ongeval (zie B10/3.5.1) en van onvrijwillige werkloosheid (zie B10/3.5.2) worden aangemerkt als perioden van tewerkstelling.
In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband toe te passen verblijfsbeëindiging moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die verblijfsrecht ontleent aan de regelingen omtrent voortzetting van verblijf, beschikt over een termijn van twee jaar om dit recht uit te oefenen. Kortom, hij heeft een bedenktijd van twee jaar, die ingaat op het moment dat het recht op voortzetting van verblijf ontstaat, waarin hij ook het Nederlandse grondgebied kan verlaten. Dit geldt niet voor de grensarbeiders.
De volgende persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval betrokken bij de belangenafweging in het kader van de evenredigheidstoets:
Aan EU/EER-onderdanen of Zwitserse onderdanen, die aan deze regelingen recht op duurzaam verblijf ontlenen, wordt een document ‘Duurzaam verblijf burger van de Unie’ verstrekt (zie bijlage [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002)).
Het verschil met de (andere) economisch niet-actieven, die als regel langere tijd of permanent in Nederland beogen te verblijven, is dat verblijf voor studiedoeleinden van deze categorie studenten per definitie tijdelijk van aard is, omdat het beperkt is tot de duur van de opleiding (zaak C-424/98).
Indien het verblijfsrecht van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan als economisch actieve van rechtswege is vervallen en hij niet in aanmerking komt voor voortzetting van verblijf op grond van één van bovengenoemde regelingen, dient te worden beoordeeld of de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan verblijfsrecht kan ontlenen aan de regels met betrekking tot de economisch niet-actieven.
### 4. Economisch niet-actieven
Uitgangspunt is dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland.
### 4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
Economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt (zie [artikel 8.12, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland dan wel de (voortzetting van) het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid. Op grond van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) kan het rechtmatige verblijf bovendien worden beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot weigering van verblijf zouden hebben geleid.
### 5.1. Samenwoningvereiste
In geval van een dergelijke partner geldt immers een wettelijke onderhoudsplicht.
Hetzelfde geldt indien sprake is van een geregistreerd partnerschap, aangegaan in en erkend door een andere lidstaat.
### 5.2.1. Familielid zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
In deze gevallen ligt verblijf op grond van de regels voor economisch niet-actieven in de rede.
Voor zover de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan daarover de vrije beschikking heeft, kunnen inkomsten van een partner, niet zijnde huwelijkspartner en ook niet zijnde geregistreerde partner, of van een derde in aanmerking worden genomen, ook als die partner of derde onderdaan is van een derde land.
### 5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
Bij het vorenstaande wordt geen genoegen genomen met inkomsten uit illegale activiteiten. Daarmee wordt met name bedoeld de situatie waarin de echtgenoot, bedoelde geregistreerd partner of derde, zijnde onderdaan van een derde land, niet rechtmatig in de Unie verblijft, waardoor de door deze persoon uit arbeid verworven inkomsten illegaal zijn.
### 4.2. Studenten
EU/EER-studenten of Zwitserse studenten komen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking voor de duur van hun opleiding, indien en zolang zij zijn ingeschreven bij een particuliere dan wel openbare erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut om hier te lande als hoofdbezigheid een studie, waarbij inbegrepen een beroepsopleiding, te volgen (zie [artikel 8.12, eerste lid onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)).
De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.
Het begrip ‘beroepsopleiding’ moet hier ruim geïnterpreteerd worden. Een beroepsopleiding is iedere onderwijsvorm die opleidt voor een speciaal beroep, vak of betrekking of die een bijzondere bekwaamheid verleent om een dergelijk beroep uit te oefenen, ongeacht de leeftijd en het opleidingsniveau van leerling of student, zelfs indien er in het studieprogramma algemene vakken zijn opgenomen (een universitaire studie valt ook onder dit begrip). Ook stage valt hieronder. Wanneer er een lage stagevergoeding tegenover staat en er geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid.
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
Daarbij maakt het in beide gevallen niet uit of de burger van de Unie ten tijde van zijn registratie wel of geen familieleden had.
Studenten, die verblijfsrecht hebben op grond van [artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), hebben geen recht op een studiebeurs op grond van de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453) om in hun levensonderhoud te voorzien. Zij kunnen wel in aanmerking komen voor vergoeding van les- en collegegelden ingevolge de [WSF](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011453).
### 4.2.4. Beëindiging van de studie
Indien een student niet meer is ingeschreven bij een erkende onderwijsinstelling of opleidingsinstituut en geen beroepsopleiding meer volgt, is niet langer voldaan aan de voorwaarden voor verblijf als student en ontleent hij aan de hoedanigheid van student niet langer een verblijfsrecht. Hij kan niettemin zijn verblijf voortzetten als werkzoekende, economisch actieve dan wel als economisch niet-actieve, of als familielid van een dergelijke burger van de Unie, indien hij aan de relevante voorwaarden voldoet. Indien hij echter inmiddels het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen, behoeft hij niet aan die voorwaarden te voldoen. Grond om tot beëindiging van het verblijf over te gaan door middel van een beschikking om reden dat de betrokkene niet langer aan de voorwaarden voldoet, kan tot de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht slechts plaatsvinden op de grond dat hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel, onverminderd eventuele bezwaren uit hoofde van openbare orde en veiligheid (zie B10/7).
### 4.3. Beroep op de publieke middelen
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
In voorkomende gevallen wordt beoordeeld of de betrokkene een onredelijke last vormt voor de publieke middelen van Nederland. De in dit verband toe te passen verblijfsbeëindiging moet voorts worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Het gaat daarbij om evenredigheid tussen het beroep dat op de publieke middelen wordt gedaan, en de middelen die het gastland inzet (verblijfsbeëindiging). Er is, met andere woorden, een belangenafweging vereist.
Tenzij persoonlijke omstandigheden zich hiertegen verzetten, beëindigt de IND in aanvulling op [artikel 8.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.16) het verblijf bij een beroep op de algemene middelen als de burger van de Unie:
De volgende persoonlijke omstandigheden worden in ieder geval betrokken bij de belangenafweging in het kader van de evenredigheidstoets:
### 5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht
Het verschil met de (andere) economisch niet-actieven, die als regel langere tijd of permanent in Nederland beogen te verblijven, is dat verblijf voor studiedoeleinden van deze categorie studenten per definitie tijdelijk van aard is, omdat het beperkt is tot de duur van de opleiding (zaak C-424/98).
De lidstaten zijn niet verplicht om aan studenten die het verblijfsrecht genieten beurzen uit te betalen om in het levensonderhoud te voorzien (studiefinanciering voor het levensonderhoud). Deze regel is bevestigd in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (zaak C-184/99 Grzelczyk).
Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.
Verblijfsbeëindiging kan in deze gevallen echter niet het automatische gevolg zijn. In deze gevallen vindt een evenredigheidstoets plaats. N.B. Indien sprake is van vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf, is het duurzame verblijfsrecht verkregen. Het feit dat de vreemdeling in die periode niet of niet langer aan de voorwaarden voldeed is in dat geval niet langer relevant.
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh en HvJEG, 11 december 2007, Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is richtlijn 2004/38/EG naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand (HvJEG, 11 december 2007, Eind).
Het familie- of gezinslid van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland, dat rechtmatig verblijf heeft in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), wordt eveneens aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het is daarbij voor het verblijfsrecht niet van belang of het familie- of gezinslid zelf onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland is. Het familie- of gezinslid heeft ook rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Het algemene uitgangspunt is dat het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid een afhankelijk recht is. Door dit afhankelijk karakter eindigt het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid in beginsel op het moment dat degene van wie dit familielid afhankelijk is, niet langer rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft. Het verblijfsrecht vervalt eveneens indien het familie- of gezinslid verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland dan wel de (voortzetting van) het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid. Op grond van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) kan het rechtmatige verblijf bovendien worden beëindigd indien onjuiste gegevens zijn verstrekt of gegevens zijn achtergehouden terwijl die gegevens tot weigering van verblijf zouden hebben geleid.
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 11 juli 2002, Carpenter) kan het volgende worden afgeleid. Indien een Nederlander moet worden aangemerkt als dienstenverrichter in de zin van het EG-Verdrag, moet worden bezien of de weigering om een familielid hier te lande verblijf toe te staan een belemmering vormt van het vrij verkeer van diensten door de Nederlander. In het arrest Carpenter was sprake van een belemmering omdat het familielid een dusdanige bijdrage leverde aan de verzorging van de kinderen van de dienstenverrichter dat daarmee een substantiële bijdrage werd geleverd aan het ongehinderd uitoefenen van het vrij verkeer diensten. Vervolgens moet worden getoetst of deze belemmering gerechtvaardigd is. Daarbij is allereerst de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Is dit het geval, dan wordt aangenomen dat de geconstateerde belemmering een inmenging vormt in de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Deze inmenging kan alleen uit oogpunt van openbare orde en nationale veiligheid worden gerechtvaardigd.
Voor ongehuwde partners van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland geldt dat zij in Nederland met hun partner dienen samen te wonen. Voor hetgeen onder samenwonen wordt verstaan wordt verwezen naar B2/4.9. Het is niet vereist dat de overige familieleden, bedoeld in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), permanent met de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland, of diens echtgenoot of geregistreerd partner, samenwonen, mits de juridische familieband niet is verbroken en aan de overige vereisten is voldaan.
Het rechtmatig verblijf van het familielid dat zelf onderdaan is van de EU/EER of van Zwitserland eindigt niet door:
Volgens het Hof van Justitie EG (HvJEG, 23 februari 1994, Scholz) kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.
Het familielid, dat zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, heeft dezelfde verblijfsrechtelijke positie als de burger van de Unie. De eerste periode van verblijf bedraagt drie maanden (zie [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). In deze periode worden geen andere voorwaarden gesteld dan het bezit van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart. De burger van de Unie die door middel van een identiteitskaart zijn identiteit en nationaliteit aantoont, bezit recht op verblijf. Het niet beschikken over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort doet echter niet af aan de rechtmatigheid van het verblijf, indien het bewijs van identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd.
### 5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid
Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in Nederland heeft verbleven, heeft een duurzaam verblijfsrecht in Nederland. Het duurzame verblijfsrecht van de EU- en EER-onderdanen en hun familieleden die niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat bezitten, blijkt uit het op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Zie verder B10/2.5.3, welke van overeenkomstige toepassing is.
In [artikel 8.15, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15) gelezen in samenhang met [artikel 8.15, tweede lid, onder b, en derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15), wordt met betrekking tot voortzetting van verblijf en een beroep op de publieke middelen een uitzondering gemaakt voor studerende kinderen en hun verzorgende ouder.
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt bij een verblijf van langer dan drie maanden na aanvraag in bezit gesteld van een document EU/EER, met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’. De geldigheidsduur van dit document bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte, of is gelijk aan de (voorgenomen) periode van verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is, indien dat voorgenomen verblijf korter dan vijf jaren bedraagt. In overige gevallen wordt de geldigheidsduur van het verblijfsdocument bepaald op vijf jaren.
### 6. Onderdanen van België en Luxemburg
De vorenstaande alinea is in ieder geval niet van toepassing op familieleden van een burger van de Unie die direct voorafgaande aan 1 januari 2011 op grond van het EU-recht in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat verbleven en arbeid verrichtten in Nederland, indien zij deze situatie vanaf 1 januari 2011 hebben gecontinueerd. Deze familieleden mogen tot 1 januari 2012 hun arbeid voortzetten zonder dat hun werkgever hoeft te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Vanaf 1 januari 2012 geldt de tewerkstellingsplicht onverkort.
Bij de registratie van de burger van de Unie als economisch niet-actieve zal hij moeten aantonen dat hij voldoet aan het middelenvereiste. Indien zijn familieleden afkomstig van buiten de Europese Unie zich op een later moment bij hem willen voegen en in dit kader een aanvraag indienen om toetsing aan het gemeenschapsrecht, moet opnieuw worden getoetst aan het middelenvereiste. De burger van de Unie dient dan bewijzen te overleggen waaruit blijkt dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt voor hemzelf én zijn familieleden.
Ditzelfde geldt ook voor familieleden van een economisch actieve burger van de Unie met dien verstande dat bij de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht dient te worden aangetoond dat de burger van de Unie nog steeds reële en daadwerkelijke arbeid verricht.
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
Voor de behandeling van de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument is een legesbedrag verschuldigd. De aanmelding voor het indienen van een aanvraag moet ingevolge [artikel 8.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13), plaatsvinden binnen één maand na afloop van de periode van drie maanden rechtmatig verblijf op grond van [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11).
Voor familieleden die ten laste komen van de burger van de Unie geldt dat bij álle familieleden die stellen ten laste te komen van een burger van de Unie per geval moet worden beoordeeld of zij, gezien hun financiële en sociale toestand, materiële steun nodig hebben om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien in het land van herkomst of het land vanwaar zij kwamen op het ogenblik dat zij verzochten om hereniging met de EU-burger (d.w.z. niet in het gastland waar de EU-burger verblijft). Dit geldt dus zowel voor familieleden die vallen onder [artikel 8.7, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) als de familieleden die vallen onder artikel 8.7, tweede lid, onder c of d, Vb.
Om vast te kunnen stellen dat sprake is van een familie- of gezinslid in de zin van [artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) dient het familie- of gezinslid bij de aanvraag tot afgifte van het verblijfsdocument middels het overleggen van documenten zijn familierechtelijke of duurzame relatie met de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland te kunnen aantonen (zie ook B10/1.7). Voorts volgt uit [artikel 8.13, derde lid, onder a tot en met g, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13) dat bij de aanvraag de volgende documenten worden overgelegd:
Na indiening van deze aanvraag dient onmiddellijk een bewijs van aanvraag te worden verstrekt (verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan).
Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag om het document EU/EER met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, dient het verblijfsdocument te worden verstrekt. [Artikel 25, tweede en derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) is niet van toepassing (zie [artikel 8.13, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.13)). Het rechtmatig verblijf van het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheid van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of een derde land. Het is aan de vreemdeling om zulks met documenten te staven (zie [artikel 8.15 Vb, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15)).
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
Uit de Benelux Overeenkomst, die in 1960 is afgesloten tussen België, Nederland en Luxemburg, vloeien voor onderdanen van België en Luxemburg enige uitzonderingen voort op het verblijfsrecht dat op grond van het gemeenschapsrecht ontstaat.
Het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 27 oktober 1982, Morson en Jhanjan) heeft aanvaard dat Nederlanders, die nooit gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer van werknemers binnen de EU/EER, op het gebied van gezinsherenigingbeleid in eigen land mogen worden achtergesteld bij gemeenschapsonderdanen in Nederland. De verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers en de uitvoeringsregeling hiervan, kunnen volgens het Hof niet worden toegepast op situaties die geen enkel aanknopingspunt hebben met één van de situaties waarvoor het gemeenschapsrecht is geschreven.
Aan een Belg of Luxemburger die geen verblijfsrecht heeft op grond van het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan op grond van [artikel 8.6, eerste en derde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6) direct bij eerste binnenkomst een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) ([document I, bijlage 7a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a)), worden afgegeven, indien hij:
Nederlanders zijn weliswaar burgers van de Unie, maar zij zijn in beginsel geen gemeenschapsonderdaan. Richtlijn 2004/38/EG is namelijk niet van toepassing op een burger van de Unie die verblijft in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit. De richtlijn beoogt derhalve niet het verblijf van een burger van de Unie in zijn eigen lidstaat te regelen. Een en ander blijkt zowel uit de tekst, de doelstelling als de inhoud van de richtlijn.
Nederlanders kunnen daarom in het algemeen geen geslaagd beroep doen op het gemeenschapsrecht voor verblijf van familie- of gezinsleden. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van Nederlanders zijn daarom, behoudens enkele uitzonderingen, ingevolge [artikel 13 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13) de regels voor verlening van een verblijfsvergunning als genoemd in B2 onverkort van toepassing.
Het vorenstaande is slechts anders indien de Nederlander gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer. Het beroep op het gemeenschapsrecht ten behoeve van zijn familieleden kan in dat geval worden gehonoreerd indien en voor zover de aanwezigheid van het familielid noodzakelijk is voor de effectieve uitoefening van het recht op vrij verkeer door de Nederlander. In de zaken Surinder Singh (zie in dit verband B10/5.3.2.1), Eind (zie in dit verband B10/5.3.2.1) en Carpenter (zie in dit verband B10/5.3.2.2) heeft het Hof van Justitie van de EG een dergelijke noodzaak aangenomen.
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 7 juli 1992, Surinder Singh en HvJEG, 11 december 2007, Eind) kan worden afgeleid dat verblijf moet worden toegestaan aan een familielid van een Nederlander indien beiden in een andere lidstaat op grond van het EG-Verdrag hebben verbleven en de Nederlander vervolgens met het familielid terugkeert naar zijn land van herkomst. In dat geval is richtlijn 2004/38/EG naar analogie van toepassing op het familielid waardoor deze de hierin vastgelegde rechten van toegang en verblijf geniet. Daarbij is het niet van belang of de Nederlander bij terugkeer in Nederland een beroep doet op het stelsel van sociale bijstand (HvJEG, 11 december 2007, Eind).
### 5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie [artikel 8.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18)):
Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (HvJEG, 11 juli 2002, Carpenter) kan het volgende worden afgeleid. Indien een Nederlander moet worden aangemerkt als dienstenverrichter in de zin van het EG-Verdrag, moet worden bezien of de weigering om een familielid hier te lande verblijf toe te staan een belemmering vormt van het vrij verkeer van diensten door de Nederlander. In het arrest Carpenter was sprake van een belemmering omdat het familielid een dusdanige bijdrage leverde aan de verzorging van de kinderen van de dienstenverrichter dat daarmee een substantiële bijdrage werd geleverd aan het ongehinderd uitoefenen van het vrij verkeer diensten. Vervolgens moet worden getoetst of deze belemmering gerechtvaardigd is. Daarbij is allereerst de vraag of sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Is dit het geval, dan wordt aangenomen dat de geconstateerde belemmering een inmenging vormt in de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het recht op eerbiediging van het gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Deze inmenging kan alleen uit oogpunt van openbare orde en nationale veiligheid worden gerechtvaardigd.
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.
### 7.2. Uitzetting
Indien een gemeenschapsonderdaan tot het moment van naturalisatie tot Nederlander gebruik heeft gemaakt van het recht op vrij verkeer, blijven de gemeenschapsrechten die zijn familieleden reeds hadden opgebouwd, behouden. Wel moet de familierechtelijke relatie tot stand zijn gekomen op een moment waarop gebruik werd gemaakt van het recht op vrij verkeer – dus voordat de gemeenschapsonderdaan werd genaturaliseerd tot Nederlander. Ook moet het familielid de gemeenschapsonderdaan hebben vergezeld of zich bij hem hebben gevoegd op een moment waarop gebruik werd gemaakt van het recht op vrij verkeer – dus voordat de gemeenschapsonderdaan werd genaturaliseerd tot Nederlander.
Het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, wordt ontzegd of beëindigd om redenen van volksgezondheid in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden genomen (zie [artikel 8.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)). Hierbij kan, naast de in de gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts worden gedacht aan een ziekte als Sars (zie [artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2)). Het rechtmatig verblijf wordt niet om redenen van volksgezondheid beëindigd indien de ziekte later dan drie maanden na inreis is opgetreden (zie [artikel 8.23, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)).
In dit onderdeel wordt nader ingegaan op het recht op voortzetting van verblijf van familie- en gezinsleden van EU/EER-onderdanen en familie- en gezinsleden van Zwitserse onderdanen.
### 5.4.1. Familierelatie of gezinsband blijft bestaan
Zolang de familierelatie of de gezinsband met de hoofdpersoon in stand blijft en de hoofdpersoon als gemeenschapsonderdaan is aan te merken, is het familie- of gezinslid eveneens als zodanig aan te merken.
Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar [A4/3](onbekend).
Het rechtmatig verblijf van het familielid dat zelf onderdaan is van de EU/EER of van Zwitserland eindigt niet door:
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.
In dit onderdeel wordt nader ingegaan op het recht op voortzetting van verblijf van familieleden van EU- EER-onderdanen en familieleden van onderdanen van Zwitserland, die zelf niet de nationaliteit van een EU- of EER-lidstaat of van Zwitserland hebben. [Artikel 8.15 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15) ziet op het (niet-) beëindigen van het verblijfsrecht van deze familieleden. Het verblijfsrecht eindigt niet:
Het verblijfsrecht van familieleden, die geen EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, voordat zij het duurzame verblijfsrecht te verkrijgen, blijft onderworpen aan de voorwaarde dat is aangetoond dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden beschikken over toereikende bestaansmiddelen om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel en om te garanderen dat zij beschikken over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt. Onder toereikende middelen wordt verstaan dat de vreemdeling beschikt over een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld. Het vorenstaande is eveneens van toepassing, indien het familielid gezinslid is van het reeds in Nederland gevormde gezin van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
In [artikel 8.15, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15) gelezen in samenhang met [artikel 8.15, tweede lid, onder b, en derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.15), wordt met betrekking tot voortzetting van verblijf en een beroep op de publieke middelen een uitzondering gemaakt voor studerende kinderen en hun verzorgende ouder.
### 7.2. Uitzetting
Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar [A4/3](onbekend).
### 8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
Wanneer het kind niet meer ten laste komt van de gemeenschapsonderdaan en zelf geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, zijn de regels vermeld in B2 van toepassing.
### 6. Onderdanen van België en Luxemburg
Uit de Benelux Overeenkomst, die in 1960 is afgesloten tussen België, Nederland en Luxemburg, vloeien voor onderdanen van België en Luxemburg enige uitzonderingen voort op het verblijfsrecht dat op grond van het gemeenschapsrecht ontstaat.
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e) niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt (zie ook B5/4.4).
Aan een Belg of Luxemburger kan een verblijfsrecht niet worden geweigerd op de enkele grond dat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid.
Ingevolge artikel IX Richtlijn 2004/38, wordt aan onderdanen van staten, die op 1 mei 2004 zijn toegetreden of daarna toetreden tot de EU alsmede hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, een document rechtmatig verblijf verleend waaruit rechtmatig verblijf blijkt, voor de duur van vijf jaar of tenminste voor de duur van de dienstverlening.
Ten aanzien van Belgen en Luxemburgers dient te worden afgezien van het doen ondertekenen van een antecedentenverklaring. Ingevolge de Beneluxovereenkomst kunnen zij bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning eigener beweging een bewijs van goed zedelijk gedrag overleggen.
Daarbij wordt voorts verwezen naar de [paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav](onbekend), inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (zie D2/2).
Aan een Belg of Luxemburger wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet afgewezen op de enkele grond dat hij het inburgeringsexamen, bedoeld in [artikel 13 Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611&artikel=13), niet heeft behaald (zie [artikel 8.6, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6)).
Daarbij wordt voorts verwezen naar de [paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav](onbekend), inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (zie D2/2).
De weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsdocument, afgegeven aan een Belg of Luxemburger, alsmede de inname daarvan of van intrekking van een afgegeven verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, kan niet geschieden op grond van de omstandigheid dat hij niet meer over voldoende middelen van bestaan beschikt (zie [artikel 8.6, tweede en vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6)). Dit kan slechts geschieden, indien hij een actuele bedreiging van de openbare orde of de openbare veiligheid vormt.
De vreemdeling heeft wel de mogelijkheid zich alsnog op de arbeidsmarkt te begeven, maar een potentiële werkgever is verplicht met het oog op de tewerkstelling van deze vreemdeling over een TWV te beschikken.
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
Op grond van [artikel 8.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.22) wordt het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, ontzegd of beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veilgeheid als het persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, tenzij analoge toepassing van [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) of [3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden.
Het rechtmatig verblijf wordt ook ontzegd of beëindigd op grond van veelvuldig gepleegde lichte feiten, waarbij elk strafbaar feit op zich niet tot ontzegging/beëindiging zou kunnen leiden. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving en wordt als ondergrens gehanteerd de glijdende schaal voor veelplegers, [artikel 3.86 lid 4 en 5, Vb 2000](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86).
### 1. Inleiding
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie [artikel 8.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18)):
Verblijfsbeëindiging om redenen van volksgezondheid is, gezien ook het gestelde in [artikel 8.23, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23), niet mogelijk.
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
De beoordeling of sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving mag uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijke gedrag van de betrokkene. Het enkele feit van een strafrechtelijke veroordeling is een onvoldoende deugdelijke motivering (in de zin van [artikel 3:46 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:46)) bij verblijfsbeëindiging op deze grond. Dit geldt ook voor motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen. Beëindiging van het verblijfsrecht op deze grond zal in de regel plaatsvinden door een ongewenstverklaring (zie [A5/6.1](onbekend) en verder), indien en zolang de betrokkene nog niet het recht van duurzaam verblijf heeft verkregen. In geval hij dat recht wel heeft verkregen zal de beëindiging van het verblijfsrecht plaatsvinden door middel van een beschikking tot intrekking van het duurzame verblijfsrecht, al dan niet in combinatie met ongewenstverklaring.
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
Het evenredigheidsbeginsel is van toepassing (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). In voorkomende gevallen beëindigt de Minister het verblijfsrecht per beschikking.
Van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, mag niet worden verlangd dat zij bewijzen van goed gedrag, uittreksels uit het strafregister en dergelijke overleggen.
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Bij de bevoegde diensten van de Staat van herkomst van de betrokken gemeenschapsonderdaan, zullen door de Minister nadere inlichtingen omtrent zijn antecedenten worden ingewonnen. Indien blijkt van eerder verblijf van de gemeenschapsonderdaan in ons land, dienen omtrent hem tevens inlichtingen te worden ingewonnen bij de Korpschef van zijn vroegere woon- of verblijfplaats.
Met betrekking tot het verrichten van dergelijke arbeid, anders dan in loondienst, gelden de regels van B10/3.3.2.
Voor de toepasselijke regelgeving met betrekking tot uitzetting van EU/EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland wordt verwezen naar [A4/3](onbekend).
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
### 8.1. Werkzoekenden
Het Nederlandse reguliere vreemdelingenrecht is zo ingericht dat een vreemdeling dient aan te geven in verband met welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning wenst te verkrijgen. Ieder opgegeven verblijfsdoel brengt op zijn beurt weer een specifiek toetsingskader van voorwaarden en beperkingen met zich mee. Dit laat onverlet dat ingevolge de directe werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde aan de vreemdeling in bepaalde gevallen een recht op (voortgezette) toelating toekomt. [Artikel 8.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.26) geeft een overzicht van verdragen. De Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen aan de in dit artikel genoemde verdragen kunnen ontlenen.
Turkse werknemers en hun gezinsleden die voldoen aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 ontlenen hun recht op arbeid, en het daarmee samenhangend recht op verblijf, rechtstreeks aan besluit nr. 1/80. Het recht op verblijf is in die gevallen daarom in beginsel onafhankelijk van de afgifte van een verblijfsvergunning, hetgeen het bestaan van dit (rechtstreeks toegekende) recht slechts bevestigt (zie Hof van Justitie van de EG, 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93 en 16 maart 2000, Ergat, C-329/97; zie [artikel 8, aanhef en onder l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)).
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
Als niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, blijft een TWV vereist.
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
Gevraagde bescheiden:
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
Ten aanzien van gezinsleden van werknemers met de nationaliteit van Bulgarije en Roemenië geldt het volgende.
### 8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst
Aan de vreemdeling, die voor een ander doel dan het zoeken of verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft (zelfstandige, dienstenverlener, dienstenontvanger, gepensioneerde, blijvend arbeidsongeschikte, economisch niet-actieve en student), wordt door Nederland geen vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt verleend, zolang Nederland als nationale maatregel de TWV-plicht handhaaft.
De vreemdeling heeft wel de mogelijkheid zich alsnog op de arbeidsmarkt te begeven, maar een potentiële werkgever is verplicht met het oog op de tewerkstelling van deze vreemdeling over een TWV te beschikken.
### 3.3.1. Begrippen
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
Pas indien op enige datum na toetreding van de desbetreffende lidstaat een TWV is verleend ter zake van de door de vreemdeling te verrichten werkzaamheden, wordt vervolgens op aanvraag een nieuw verblijfsdocument EU/EER afgegeven, met toepassing van B10/8.2 onder b, voor zover sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, anders dan marginaal en bijkomstig van aard, en voor zover de TWV is afgegeven met een geldigheidsduur van tenminste 12 maanden.
Voor wat betreft studenten, die in Nederland verblijven op grond van [artikel 8.12, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12), en die geen verblijfsrecht kunnen ontlenen aan één der andere bepalingen van het gemeenschapsrecht, geldt het volgende.
Indien zij arbeid (willen gaan) verrichten in het kader van een stage als verplicht onderdeel van de opleiding, of arbeid van niet meer dan tien uren per week dan wel seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus, is het gestelde in B6/5 van overeenkomstige toepassing.
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
Ook in de daar omschreven gevallen, van door een student te verrichten arbeid, is een TWV vereist, ook al wordt die arbeid aangemerkt als zijnde van bijkomende aard.
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
De in voorgaande subparagrafen bedoelde onderdanen en hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, worden desgewenst in de gelegenheid gesteld een aanvraag te doen om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daarmee corresponderende verblijfsdocument, ter zake waarvan leges zijn verschuldigd.
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
### 3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Ter zake van de afdoening van deze aanvragen leiden de legesbepalingen van de [artikelen 3.34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34), [3.34c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34c) en [3.34d, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34d) tot hogere legesverplichtingen.
Op grond van nationaal beleid geldt dat de Turkse werknemer, nadat hij drie jaar onafgebroken legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht, vrije toegang heeft tot iedere arbeid van zijn keuze (zie B5/3.2.2). Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Associatiebesluit 1/80 reeds na drie jaar legale arbeid van toepassing is.
Terzake van het verrichten van arbeid in loondienst, geheel of ten dele bestaande uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden, geldt ingevolge [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2), in samenhang met [artikel 3 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=3), een verbod op tewerkstelling doordat een TWV wordt geweigerd. Zolang dit geldt, wordt terzake van het door onderdanen van Bulgarije en Roemenië verrichten van zodanige werkzaamheden geen verblijfsdocument EU/EER afgegeven.
Met betrekking tot het verrichten van dergelijke arbeid, anders dan in loondienst, gelden de regels van B10/3.3.2.
Indien betrokkene na het verstrijken van de redelijke termijn en ondanks bemiddeling van het arbeidsbureau geen nieuwe dienstbetrekking heeft gevonden, behoort betrokkene nog slechts tot de legale arbeidsmarkt indien hij een reële en daadwerkelijke kans maakt om binnen een maand tewerkgesteld te worden (zie Hof van Justitie van de EG, 23 januari 1997, Tetik, C-171/95).
Bij de berekening van tijdvakken van legale arbeid moet rekening gehouden worden met tijdvakken waarin betrokkene geen arbeid (heeft) verricht (zie artikel 6, tweede lid, Associatiebesluit 1/80).
### 3.1. Begunstigde
Het Nederlandse reguliere vreemdelingenrecht is zo ingericht dat een vreemdeling dient aan te geven in verband met welk verblijfsdoel hij een verblijfsvergunning wenst te verkrijgen. Ieder opgegeven verblijfsdoel brengt op zijn beurt weer een specifiek toetsingskader van voorwaarden en beperkingen met zich mee. Dit laat onverlet dat ingevolge de directe werking van verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde aan de vreemdeling in bepaalde gevallen een recht op (voortgezette) toelating toekomt. [Artikel 8.26 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.26) geeft een overzicht van verdragen. De Minister kan regels stellen over de rechten die vreemdelingen aan de in dit artikel genoemde verdragen kunnen ontlenen.
Vrijwillige werkloosheid gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid heeft tot gevolg dat reeds opgebouwde rechten verloren gaan. Ook werkloosheid ten gevolge van een detentie heeft gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid tot gevolg dat de reeds opgebouwde rechten verloren gaan. In het geval van hervatting van werkzaamheden, wordt weer van voor af aan begonnen met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid en daarmee de opbouw van rechten.
Voor artikel 8 EVRM wordt verwezen naar B2/10. Voor artikel 3 EVRM wordt verwezen naar [deel C](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012288).
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de EG en Turkije, namens die EG gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732 EG van de Raad van de EG van 23 december 1963 (PB 1964, 217).
### 6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ondertekend en namens de EG gesloten en goedgekeurd en bevestigd bij [verordening 2760/72](31972R2760) van de Raad van de EG van 19 december 1972. Het aanvullend protocol is voor Nederland op 1 januari 1973 in werking getreden. De bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ingestelde Associatieraad heeft op 19 september 1980 Associatiebesluit 1/80 vastgesteld.
### 3.1. Begunstigde
Besluit nr. 1/80 is van toepassing op Turkse werknemers en hun gezinsleden die op grond van nationale wet- en regelgeving in Nederland rechtmatig verblijf hebben verkregen. Besluit nr. 1/80 is derhalve niet van toepassing op de eerste toelating (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya C-467/02 en 21 oktober 2003, Abatay e.a., C-317/01 en 369/01, JV 2004, 2).
De werknemer en zijn gezinsleden hebben op basis van het nationale vreemdelingenrecht echter veelal aanspraak op voortzetting van verblijf. Besluit nr. 1/80 is daarom in de regel slechts van belang voor de Turkse werknemer en zijn gezinsleden indien zij geen recht op voortzetting van verblijf kunnen ontlenen aan het nationale vreemdelingenrecht.
### 3.2. Aard van het verblijf van Turkse werknemers en hun gezinsleden
Turkse werknemers en hun gezinsleden die voldoen aan de voorwaarden van een bepaling van besluit nr. 1/80 ontlenen hun recht op arbeid, en het daarmee samenhangend recht op verblijf, rechtstreeks aan besluit nr. 1/80. Het recht op verblijf is in die gevallen daarom in beginsel onafhankelijk van de afgifte van een verblijfsvergunning, hetgeen het bestaan van dit (rechtstreeks toegekende) recht slechts bevestigt (zie Hof van Justitie van de EG, 6 juni 1995, Bozkurt, C-434/93 en 16 maart 2000, Ergat, C-329/97; zie [artikel 8, aanhef en onder l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)).
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
De omstandigheid dat het gezinslid in Nederland is geboren en daardoor geen toestemming heeft moeten aanvragen om zich in het kader van de gezinshereniging bij de Turkse werknemer in Nederland te voegen is niet van belang (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya, C-467/02).
In B11/3.3 wordt een aantal begrippen gehanteerd. Hieronder wordt aangegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
**Legale arbeidsmarkt**: de werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt als zijn arbeidsverhouding rechtens kan worden gelokaliseerd op het grondgebied van Nederland of voldoende nauwe aanknopingspunten met Nederland heeft. Hierbij moet in aanmerking worden genomen:
Het Europees vestigingsverdrag met Protocol, goedgekeurd bij de wet van 28 oktober 1959 (Stb. 395) en voor Nederland in werking getreden op 21 mei 1969, voorziet in het toekennen van bepaalde voorrechten aan de onderdanen van landen die bij dit Verdrag Partij zijn.
Een Turkse werknemer:
De plicht voor een werkgever om in het bezit te zijn van een TWV geldt niet ten aanzien van Turkse onderdanen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten (Zie B1/2.3.2).
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
De vaststelling of betrokkene aan bovenstaande voorwaarden voldoet, vindt plaats aan de hand van de overgelegde arbeidscontracten, jaarloonopgaven en het registratiebericht Melding Sociale Voorzieningen. Het registratiebericht ontvangt iedere werknemer als bewijs dat de werkgever hem heeft aangemeld bij het UWV.
Indien de Turkse werknemer heeft aangetoond dat hij gedurende de periode van één jaar voor hetzelfde uitzendbureau of dezelfde inlener heeft gewerkt en uitzicht bestaat op voortzetting van de werkzaamheden, worden deze werkzaamheden meegeteld voor het berekenen van de periode waarin werkzaamheden bij dezelfde werkgever zijn verricht. Hetzelfde geldt voor werkzaamheden die via een detacheringbureau worden verricht.
Indien twijfel bestaat of betrokkene voldoet aan bovenstaande drie voorwaarden, dient informatie over de in het verleden afgegeven TWV(en) te worden ingewonnen bij CWI.
### 3.6. Turkse zelfstandige
Op grond van nationaal beleid geldt dat de Turkse werknemer, nadat hij drie jaar onafgebroken legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht, vrije toegang heeft tot iedere arbeid van zijn keuze (zie B5/3.2.2). Dit betekent dat het bepaalde in artikel 6, eerste lid, derde gedachtestreepje, Associatiebesluit 1/80 reeds na drie jaar legale arbeid van toepassing is.
De vaststelling of betrokkene drie jaar legale arbeid in hetzelfde beroep bij dezelfde werkgever heeft verricht vindt plaats op de wijze als vermeld onder a.
### 4.2.2. Tien jaar rechtmatig verblijf
Indien betrokkene na het verstrijken van de redelijke termijn en ondanks bemiddeling van het arbeidsbureau geen nieuwe dienstbetrekking heeft gevonden, behoort betrokkene nog slechts tot de legale arbeidsmarkt indien hij een reële en daadwerkelijke kans maakt om binnen een maand tewerkgesteld te worden (zie Hof van Justitie van de EG, 23 januari 1997, Tetik, C-171/95).
Bij de berekening van tijdvakken van legale arbeid moet rekening gehouden worden met tijdvakken waarin betrokkene geen arbeid (heeft) verricht (zie artikel 6, tweede lid, Associatiebesluit 1/80).
Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid.
Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Op het moment dat de werkzaamheden worden hervat, wordt weer verder gegaan met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid.
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
Wanneer, door toepassing van dit Verdrag, de uitzetting achterwege blijft, dient in het identiteitspapier van de vreemdeling, al naar gelang het geval, één van de aantekeningen voorgeschreven bij [artikel 4.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) en [4.34 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34) te worden gesteld.
Voor zover de aan de vergunning verbonden beperking nog niet luidde: ‘arbeid in loondienst’, wordt de beperking (de vergunning) alsnog in die zin gewijzigd, met als aanvulling: ‘bij (naam werkgever) op grond van het Turkse Associatie Verdrag.’
Indien een tot bovenbedoelde categorie behorende vreemdeling voldoet aan de eis van twee jaren rechtmatig wonen, gelden de volgende afwijkingen van het algemeen geldende vreemdelingenrecht:
### 5.1. Begunstigde
Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. Voorts is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen.
### 5.1. Begunstigde
Verder wordt ingevolge de nationale regelgeving aan het minderjarige gezinslid die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in verband met gezinshereniging bij een persoon met een niet-tijdelijke verblijfsrecht, reeds na een jaar op aanvraag een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verleend (zie [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) en B16).
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
Zulks is niet meer dan al geldt ingevolge de algemene regels inzake verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde (zie B1/4.4).
Gezinsleden hebben vrije toegang tot iedere arbeid van hun keuze indien zij:
In artikel 7, Associatiebesluit 1/80 is bepaald onder welke voorwaarden gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Om rechten te kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 dient de verblijfgever in ieder geval op het moment van toelating van het gezinslid, werknemer in de zin van het Associatiebesluit 1/80 te zijn (geweest).
### 5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
Legaal wonen: dit begrip veronderstelt dat het gezinslid gedurende de periode van drie respectievelijk vijf jaar onafgebroken daadwerkelijk bij de Turkse werknemer moet wonen (zie Hof van Justitie van de EG, 22 juni 2000, Eyüp, C-65/98). Bij de berekening van deze periode moet echter wel rekening worden gehouden met korte onderbrekingen van het samenleven, waarbij niet de bedoeling bestond om het samenleven op te geven. Hierbij kan gedacht worden aan een afwezigheid van de gemeenschappelijke woonplaats gedurende een redelijke periode waarvoor gegronde redenen zijn dan wel aan onvrijwillig verblijf van minder dan zes maanden dat de betrokkene in zijn land van herkomst heeft doorgebracht (zie Hof van Justitie van de EG, 17 april 1997, Kadiman, C-351/95).
### 5.1. Begunstigde
Na de periode van drie jaar legaal wonen worden ingevolge artikel 7 van het Associatiebesluit 1/80 aan het verblijf van het gezinslid geen voorwaarden meer verbonden. De omstandigheid dat de Turkse werknemer na deze periode niet meer behoort tot de legale arbeidsmarkt of dat de gezinsband is verbroken, heeft geen gevolgen voor het verblijfsrecht van het gezinslid (zie voornoemde zaak Cetinkaya). Dit geldt ongeacht of het gezinslid in het bezit is van een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf.
### 3.5. Verlies van opgebouwde rechten
De Turkse werknemers en zijn gezinsleden die vallen onder de reikwijdte van een van de bepalingen van besluit nr. 1/80, verliezen hun opgebouwde rechten in de volgende gevallen.
Gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid heeft vrijwillige werkloosheid tot gevolg dat reeds opgebouwde rechten verloren gaan (zie B11/3.3.2).
### 4.1. Begunstigde
De omstandigheid dat de Turkse werknemer na drie jaar legale arbeid te hebben verricht een gevangenisstraf ondergaat, heeft niet tot gevolg dat de opgebouwde rechten verloren gaan (zie voornoemde zaak Nazli), ook niet indien de werkgever daarin aanleiding heeft gevonden om de werknemer te ontslaan. Immers, de met de gevangenisstraf gepaard gaande periode van tijdelijke afwezigheid op de arbeidsmarkt belet in de regel niet dat betrokkene nadien weer deelneemt aan het beroepsleven. Dit lijdt slechts uitzondering in geval van het gestelde hierboven.
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
De door de Turkse werknemer opgebouwde rechten gaan verloren wanneer hij de Nederlandse arbeidsmarkt definitief heeft verlaten en daardoor geen verband meer bestaat tussen (toekomstige) arbeid in loondienst en het daarmee samenhangende recht op verblijf. Daarvan is sprake indien de Turkse werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of blijvend en volledig arbeidsongeschikt is geworden (zie de zaken Nazli en Bozkurt).
### 3.6. Turkse zelfstandige
Het Associatiebesluit 1/80 heeft geen betrekking op Turkse zelfstandigen en zijn gezinsleden. Een Turkse onderdaan die in Nederland wenst te verblijven in verband met het verrichten van arbeid als zelfstandige dient te voldoen aan de algemene voorwaarden voor zelfstandigen, met uitzondering van de voorwaarde dat de leeftijd van 60 jaar nog niet bereikt is (zie B5/7.7). Voorts is niet het communautaire openbare orde-criterium van toepassing is, maar het nationale openbare orde beleid.
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
Het Europees vestigingsverdrag met Protocol, goedgekeurd bij de wet van 28 oktober 1959 (Stb. 395) en voor Nederland in werking getreden op 21 mei 1969, voorziet in het toekennen van bepaalde voorrechten aan de onderdanen van landen die bij dit Verdrag Partij zijn.
Partij bij voornoemd verdrag zijn: Nederland, België, Denemarken, Duitsland, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Turkije, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.
### 4.1. Begunstigde
Omdat voor gemeenschapsonderdanen de verblijfsrechten die voortvloeien uit het gemeenschapsrecht gunstiger zijn, is dit Verdrag voor onderdanen van de landen die Partij zijn bij het Verdrag slechts van belang voor zover zij niet (langer) een verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het gemeenschapsrecht. Voor onderdanen van Turkije is het verdrag slechts van belang voorzover zij geen aanspraken op voortzetting van verblijf kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 (zie B11/3).
Het Nederlands-Zwitsers Traktaat is slechts van belang voor Zwitserse onderdanen die aan de Overeenkomst EG-Zwitserland, over het vrije verkeer van personen geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen.
Het Europees vestigingsverdrag verschaft de onderdanen van alle bedoelde landen (in de praktijk alleen de Turkse onderdanen) (extra) procedurele waarborgen in geval van voorgenomen verblijfsbeëindiging, bij rechtmatig verblijf (rechtmatig wonen) van ten minste twee (B11/4.2.1) respectievelijk tien jaar (B11/4.2.2). Onder ‘rechtmatig op het grondgebied wonen’ wordt verstaan het hoofdverblijf in Nederland hebben tijdens een rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, of onder l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Verblijf gedurende de vrije termijn ([artikel 8, aanhef en onder i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), in samenhang met [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) en [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)) telt dus voor de berekening van de twee- of tienjarentermijn niet mee.
Het Protocol vermeldt als vereiste onder meer paspoort. Daaronder wordt verstaan een geldig nationaal paspoort.
### 6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Indien een tot bovenbedoelde categorie behorende vreemdeling voldoet aan de eis van twee jaren rechtmatig wonen, gelden de volgende afwijkingen van het algemeen geldende vreemdelingenrecht:
### 7. Europa-overeenkomsten met Bulgarije en Roemenië
De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen, indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B5/7.3 en B5/7.4.
Onderdanen van een Verdragsluitende Partij, die langer dan tien jaar rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij wonen, kunnen slechts worden verwijderd om redenen van nationale veiligheid dan wel openbare orde of goede zeden van bijzonder ernstige aard (zie artikel 3, derde lid, van het Verdrag).
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Bij beantwoording van de vraag of de redenen voor verwijdering van bijzonder ernstige aard in de zin van het Verdrag zijn, dient het gedrag van de betrokken persoon gedurende de hele periode van verblijf in aanmerking te worden genomen. Tevens dient rekening te worden gehouden met familiebanden en de duur van het verblijf van de betrokken persoon op het Nederlands grondgebied.
### 7.1. Verblijf van werknemers
Het gemeenschapsrecht, dat is beschreven in B10 Vc, is met ingang van 1 januari 2007 van toepassing op onderdanen van Bulgarije en Roemenië alsmede hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit.
Wanneer, door toepassing van dit Verdrag, de uitzetting achterwege blijft, dient in het identiteitspapier van de vreemdeling, al naar gelang het geval, één van de aantekeningen voorgeschreven bij [artikel 4.29](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.29) en [4.34 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.34) te worden gesteld.
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
Op 17 december 1904 is het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag in werking getreden. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag voorziet in de mogelijkheid van vrije vestiging van wederzijdse onderdanen in de beide verdragstaten.
Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.
Het Verdrag is slechts van belang voor Duitse onderdanen die aan het gemeenschapsrecht geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen. Voorts is het Verdrag van belang voor Duitse onderdanen die in Duitsland werken, maar in Nederland (willen gaan) wonen.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
Deze Europa-overeenkomsten hadden tot doel een associatie tot stand te brengen om uitbreiding van de handel en economische betrekkingen tussen de verdragspartijen te bevorderen en daarmee de dynamische ontwikkeling en welvaart in Bulgarije en Roemenië te stimuleren, teneinde de toetreding tot de EG te vergemakkelijken. Door de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU op 1 januari 2007 hebben deze overeenkomsten hun betekenis verloren.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
Hier wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) is gevoegd.
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag’ met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
### 6.1. Inleiding
Op 19 augustus 1875 is tussen Nederland en Duitsland in Bern het Nederlands-Zwitsers Traktaat gesloten. Grondslag voor het sluiten van dit Traktaat is gelegen in de wens de vriendschapsbanden tussen Nederland en Zwitserland nauwer aan te halen en de handelsbetrekkingen tussen beide landen te verbeteren en uit te breiden. Op 22 juli 1972 is te Brussel een overeenkomst gesloten tussen de EEG en Zwitserland. Deze overeenkomst vormde aanleiding om het Nederlands-Zwitsers Traktaat aan te passen. Naar aanleiding van een notawisseling tussen de Nederlandse en Zwitserse Regering van respectievelijk 13 juni 1996 en 24 juni 1996 is het Traktaat gewijzigd (Trb. 1996, nr. 217). Het gewijzigd Nederlands-Zwitsers Traktaat is op 10 januari 1997 in werking getreden. Artikel 1 van het Traktaat en het Protocol is daarbij ongewijzigd gebleven en thans nog steeds van kracht.
Op 21 juni 1999 is de Overeenkomst EG-Zwitserland tot stand gekomen. Bij [wet van 14 september 2001](onbekend) heeft Nederland deze Overeenkomst goedgekeurd (Stb. 2001, 432) en op 16 november 2001 geratificeerd. De Overeenkomst is per 1 juni 2002 in werking getreden.
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
Per 1 juni 2002 worden Zwitserse onderdanen, alsmede hun familie- en gezinsleden, die de nationaliteit van een derde staat bezitten, en die op grond van vorenvermelde Overeenkomst in Nederland verblijven, aangemerkt als gemeenschapsonderdanen. Ten aanzien van Zwitserse onderdanen is dit bepaald bij eerder genoemde [wet van 14 september 2001](onbekend) (Stb. 2001, 432). Voor het verblijf als gemeenschapsonderdaan wordt verwezen naar B10.
Het Nederlands-Zwitsers Traktaat is slechts van belang voor Zwitserse onderdanen die aan de Overeenkomst EG-Zwitserland, over het vrije verkeer van personen geen aanspraak op verblijf kunnen ontlenen.
### 6.3. Toegang en verblijf in Nederland
Het Protocol vermeldt als vereiste onder meer paspoort. Daaronder wordt verstaan een geldig nationaal paspoort.
Onder ten laste van de openbare liefdadigheid wordt verstaan ten laste van de publieke middelen. Een uitkering ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703) wordt daarom niet aangemerkt als middelen van bestaan in de zin van dit Verdrag en Protocol.
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
### 8.2. Arbeid in loondienst
Indien een op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag hier te lande verblijvende Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) arbeid in loondienst wenst te verrichten, dient wijziging van de vergunning te worden gevraagd en dient de werkgever te beschikken over een TWV (zie B5 en artikel 11 van het bijbehorende Protocol).
Op een onderdaan van Zwitserland, die zich in Nederland wil vestigen voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het bepaalde in B10/3 van toepassing.
### 6.3.3. Vestiging
Een onderdaan van Zwitserland die geen economische activiteiten verricht en niet op grond van een ander verblijfsdoel in Nederland verblijft, komt op grond van het Nederlands-Zwitsers Traktaat voor verblijf in Nederland in aanmerking indien en zolang hij beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
### 10. Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De EG en hun lidstaten hebben met Bulgarije (PB EG 1994, L 358, bladzijde 1)
en Roemenië (PB EG 1994, L 357, bladzijde 1) Europa-overeenkomsten gesloten.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
Het gemeenschapsrecht, dat is beschreven in B10 Vc, is met ingang van 1 januari 2007 van toepassing op onderdanen van Bulgarije en Roemenië alsmede hun gezins- of familieleden, ongeacht hun nationaliteit.
Ten aanzien van de beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en het voorschrift geldt het volgende:
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
### 7.1.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 7.2. Verblijf van zelfstandigen
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 7.2.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand verplicht de verdragsluitende partijen de wederzijdse onderdanen op gelijke voet als eigen onderdanen recht te geven op sociale en medische bijstand.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
### 16.2. Medische behandeling
De vreemdeling die bijstand geniet, mag voortzetting van verblijf slechts worden ontzegd, indien:
Onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika mogen in Nederland verblijven:
Overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in Nederland onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) inzake toegang en verblijf en inzake de gronden waarop hun verblijf of voortzetting van verblijf kan worden ontzegd (zie artikel II, vierde lid, van het Verdrag).
Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.
Onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ dient mede te worden verstaan een persoon die een Amerikaanse onderneming in Nederland vertegenwoordigt en in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie werkzaam is (zie artikel 2 van het Protocol). De vrije uitoefening van een beroep valt niet onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ (zie artikel 8 van het bijbehorende Protocol).
### 11. ESH
Het dient te gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ dient op peil te worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling dient ter staving van zijn aanvraag recente cijfers over te leggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige.
### 11.1. Begunstigde
Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).
Indien een op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag hier te lande verblijvende Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) arbeid in loondienst wenst te verrichten, dient wijziging van de vergunning te worden gevraagd en dient de werkgever te beschikken over een TWV (zie B5 en artikel 11 van het bijbehorende Protocol).
### 8.3. Gezinshereniging
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste ([artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)). Dit geldt zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden uit het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag.
De op de eerder verleende verblijfsvergunning geplaatste arbeidsmarktaantekening wordt gehandhaafd.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij … (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid toegestaan. TWV vereist’.
In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Het ESH is alleen van belang voor Turkse onderdanen, voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 en voorzover zij geen gezins- of familielid zijn van een onderdaan van de EU/EER of Zwitserland.
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
Dit Handelsverdrag heeft haar werking niet verloren en heeft verblijfsrechtelijke betekenis. Op grond van de meestbegunstigingsclausule worden aanvragen van onderdanen van Japan beoordeeld met in achtneming van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1956, 40), verder te noemen: Vriendschapsverdrag.
Vreemdelingen uit Japan mogen in Nederland verblijven als zij voldoen aan de voorwaarden van het Vriendschapsverdrag, zoals genoemd in hoofdstuk B11, paragraaf 8. Daar waar staat: onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika, Amerikaanse vreemdeling dan wel Amerikaanse onderneming wordt eveneens verstaan onderdanen van Japan dan wel Japanse onderneming.
### 12.3. Gezinshereniging
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking:
De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
Het verdrag lijkt met name van belang te zijn voor onderdanen van Turkije en voor vreemdelingen met de nationaliteit van de overige landen, alleen voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het recht van de EU/EER, niet aan het Europees vestigingsverdrag en evenmin aan het Associatiebesluit 1/80.
### 12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer
De nationale vreemdelingrechtelijke voorwaarden/voorschriften zijn op deze onderdanen van toepassing.
Onder repatriëring wordt verstaan verblijfsbeëindiging inclusief uitzetting. Onder het behoeven van bijstand wordt verstaan het beroep doen op de publieke middelen.
Een Verdragspartij repatrieert een rechtmatig verblijvende onderdaan van een andere Partij niet om de enkele reden dat hij bijstand behoeft (zie artikel 6 van het Verdrag).
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
Onder rechtmatig verblijf wordt hier – in overeenstemming met artikel 11 van het Verdrag – verstaan rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met h, alsmede j en l, Vw.
Voor de berekening van de bedoelde perioden van vijf en tien jaar telt niet mee de tijd waarin de betrokken vreemdeling bijstand heeft genoten uit publieke fondsen (als bedoeld in de Wet van 27 april 1912 tot regeling van het armbestuur, thans Wwb), tenzij het gaat om medische behandeling voor acute ziekten of medische behandeling van korte duur (zie artikel 14 van het Verdrag).
Evenmin telt mee de tijd van verblijf buiten Nederland van zes maanden of meer. Het dienst doen op in Nederland geregistreerde schepen geldt niet als onderbreking van het verblijf (zie artikel 13 van het Verdrag).
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).
In geval van detentie zal tot verblijfsbeëindiging kunnen worden overgegaan op grond van een inbreuk van de openbare orde, het ontbreken van de middelen van bestaan en het niet voldoen aan de beperking.
### 13.1. Belang
In bedoelde overeenkomsten is slechts het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen neergelegd.
### 15.1. Begunstigde
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Op 11 maart 1979 is voor Nederland in werking getreden het BuPo.
### 14.1. Begunstigde en belang
Een vreemdeling die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit verdrag, kan slechts uit die Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing (zie artikel 13 van het Verdrag). Het is hem toegestaan, zijn bezwaren tegen zijn uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door en zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen.
### 15. Het IVRK
Op 8 maart 1995 is voor Nederland het IVRK in werking getreden.
### 15.1. Begunstigde
Het ‘gezin van een migrerende werknemer’ wordt geacht ten minste te omvatten zijn echtgenote, en kinderen te zijnen laste die de leeftijd van 21 jaar nog niet hebben bereikt (zie de Bijlage bij het ESH, deel II).
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
Het eerste lid van artikel 10 is de instructie aan de Partijen om aanvragen van het kind om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, te behandelen met welwillendheid, menselijkheid en spoed en ziet daarom niet op het verlenen van een verblijfsvergunning.
De verblijfsvergunning van de rechtmatig verblijvende werknemer en zijn gezinsleden kan slechts worden ingetrokken, indien zij een gevaar opleveren voor de nationale veiligheid, of inbreuk maken op de openbare orde of goede zeden (zie artikel 19, achtste lid, van het Handvest).
Deze bepalingen laten daarom de mogelijkheid in stand om uit hoofde van nationaal recht eisen te stellen in het kader van verblijf, met name in geval van gezinshereniging.
### 16.2. Medische behandeling
Op grond van [artikel 3.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) kan aan de Surinaamse onderdaan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) worden verleend, indien hij:
### 16.2. Medische behandeling
### 16.1. Binnenkomst en verblijf
Met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf van Surinaamse onderdanen wordt onderscheid gemaakt tussen:
De nationale vreemdelingrechtelijke voorwaarden/voorschriften zijn op deze onderdanen van toepassing.
Hoewel de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975 is verstreken op 24 november 1980, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst nog van toepassing op bepaalde Surinaamse onderdanen (verkregen rechten). In het algemeen kan worden gesteld dat het vreemdelingen van Surinaamse nationaliteit betreft die vóór 25 november 1980 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975.
### 16.2.1. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Er dient vijf maanden verblijf te worden toegestaan voor het zoeken naar ander werk, revalidatie dan wel herscholing, als bedoeld in artikel 25 van het Verdrag, in geval van:
Echter, er hoeft geen verblijf te worden toegestaan over een periode die langer is dan die waarover de werkloosheidsuitkering wordt betaald.
Een en ander houdt in dat in voorkomende gevallen de geldigheid van de verblijfsvergunning moet worden verlengd tot vijf maanden na intreden van ziekte of werkloosheid, voor het zoeken naar werk, voor omscholing of revalidatie, maar niet langer dan de werkloosheidsuitkering duurt.
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
### 17.2. Bewijs staatloosheid
Er zijn ook samenwerkingsovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Algerije en Tunesië die soortgelijke bepalingen bevatten als artikel 40, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko. Bovendien zijn in 1995 associatieovereenkomsten gesloten tussen de EEG en Tunesië, Israël en Jordanië, waarin artikel 64 dezelfde inhoud heeft als artikel 40 van de Samenwerkingsovereenkomst EEG- Marokko. In 1996 is de associatieovereenkomst EEG-Marokko gesloten.
Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.
In bedoelde overeenkomsten is slechts het beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen neergelegd.
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
Bovengenoemde jurisprudentie kan ook van belang zijn voor bepaling van de verblijfspositie van vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van Algerije, Israël, Jordanië of Tunesië. Bedoelde overeenkomsten en jurisprudentie leiden echter niet tot aanspraak op (voortzetting van) verblijf voor onderdanen van genoemde landen.
Gelet op vorenstaande, geldt het volgende:
### 17.1. Begunstigde
Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan een persoon die door geen enkele staat, krachtens de wetgeving ervan, als onderdaan wordt beschouwd.
Een vreemdeling die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit verdrag, kan slechts uit die Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing (zie artikel 13 van het Verdrag). Het is hem toegestaan, zijn bezwaren tegen zijn uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door en zich met dit doel te doen vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde autoriteit zijn aangewezen, tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen.
### 15. Het IVRK
Op 8 maart 1995 is voor Nederland het IVRK in werking getreden.
Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.
Het Verdrag geeft aan een buitenlands kind op zichzelf geen aanspraak op verblijf in Nederland, voorzover de bepalingen van het Verdrag (met name de artikelen 9 en 10) al zijn aan te merken als een ieder verbindende bepalingen die rechtstreekse werking hebben en niet slechts als instructienormen die tot de Staten, die Partij zijn, zijn gericht.
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
Het eerste lid van artikel 10 is de instructie aan de Partijen om aanvragen van het kind om een Staat die partij is, voor gezinshereniging binnen te gaan of te verlaten, te behandelen met welwillendheid, menselijkheid en spoed en ziet daarom niet op het verlenen van een verblijfsvergunning.
### 16.2. Medische behandeling
Deze bepalingen laten daarom de mogelijkheid in stand om uit hoofde van nationaal recht eisen te stellen in het kader van verblijf, met name in geval van gezinshereniging.
Blijkens jurisprudentie (Rechtbank Den Haag, 25 september 1997, Wieczorek en Rechtseenheidskamer, 25 september 1997, Austin) valt noch uit de tekst, noch uit de wordingsgeschiedenis af te leiden dat door artikel 10 voor de Nederlandse Staat verdergaande verplichtingen bestaan dan hetgeen reeds is neergelegd in het Nederlandse recht en beleid ter zake van gezinsvorming en -hereniging. Evenmin blijkt dat is beoogd een uitbreiding te geven aan de verplichtingen die uit artikel 8 EVRM voortvloeien. In de totstandkomingsgeschiedenis van de [Rijkswet tot goedkeuring van het Verdrag](onbekend) is in de Memorie van Toelichting en een Nota naar aanleiding van het Verslag opgenomen dat hieraan reeds uitvoering is gegeven in de Vw (oud), het Vb (oud), het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&wetgeving) (oud) en de Vc (oud). De verdragsverplichtingen neergelegd in artikel 10 laten onverlet dat met betrekking tot inkomen, onderzoek en termijn van indiening van het verzoek eisen kunnen worden gesteld. De Vw, het Vb, het VV en de Vc beogen daarin geen wijziging te brengen.
### 16. Onderdanen van Suriname
### 2.1.1. Algemeen
Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. In dit geval dient de IND, voordat de gemeente tot verstrekking van een reisdocument kan overgaan, de verblijfsgegevens op het aanvraagformulier te verifiëren en dit formulier, voorzien van een advies, retour te zenden naar de gemeente.
Met betrekking tot de binnenkomst en het verblijf van Surinaamse onderdanen wordt onderscheid gemaakt tussen:
### 16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980
Hoewel de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975 is verstreken op 24 november 1980, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst nog van toepassing op bepaalde Surinaamse onderdanen (verkregen rechten). In het algemeen kan worden gesteld dat het vreemdelingen van Surinaamse nationaliteit betreft die vóór 25 november 1980 in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975.
Voor aanvragen door Surinaamse onderdanen (zelfstandigen) met verkregen rechten (zie B5/7.9.1).
Sinds 1 augustus 1987 wordt onderscheid gemaakt tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijvend personeel.
Voor deze categorie vreemdelingen zijn de in het algemeen geldende wettelijke bepalingen en voorschriften van toepassing. Het gaat hierbij om:
Indien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.93, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) juncto artikel 3.93, zesde lid, en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Op grond van [artikel 3.47, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) kan aan de Surinaamse onderdaan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) worden verleend, indien hij:
Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).
Voor een Surinaamse onderdaan die op een toeristenvisum Nederland binnenkomt om hier een medische behandeling te ondergaan, gelden naast de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) de bijzondere voorwaarden van [artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) en B8.
Op grond van [artikel 3.47, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.47) wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van [artikel 16, eerste lid, onder a en c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64).
Het betreft hier:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘Het ondergaan van medische behandeling’ met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid niet toegestaan’.
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 17. Het Staatlozenverdrag
Indien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.93, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) juncto artikel 3.93, zesde lid, en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan een persoon die door geen enkele staat, krachtens de wetgeving ervan, als onderdaan wordt beschouwd.
De voordelen van het Staatlozenverdrag komen niet toe aan staatlozen:
### 17.2. Bewijs staatloosheid
Ten aanzien van de vraag hoe de staatloosheid dient te worden bewezen, bevat het Staatlozenverdrag geen bepalingen. Iedere staat is dus vrij om zelf te bepalen welke bewijzen hij nodig acht om de beweerde staatloosheid van een bepaalde persoon te kunnen aannemen.
### 2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
### 17.3. Belang
In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4), in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13). De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in [artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).
Het Verdrag verbiedt – behoudens om redenen van openbare of nationale veiligheid – de uitzetting van staatlozen die rechtmatig op het grondgebied van partijen verblijven (zie artikel 31 van het Verdrag en B14/3). Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan een rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Gelet op vorenstaande, geldt het volgende:
Afwijzing van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur en het intrekken van een verblijfsvergunning van een staatloze kan slechts geschieden:
Het hierboven in deze paragraaf gestelde is niet van toepassing:
### 17.3.2. Reisdocumenten
### 2.1.1. Algemeen
Nederlandse reisdocumenten voor vreemdelingen worden verstrekt door de burgemeester van de woonplaats van de aanvrager. In dit geval dient de IND, voordat de gemeente tot verstrekking van een reisdocument kan overgaan, de verblijfsgegevens op het aanvraagformulier te verifiëren en dit formulier, voorzien van een advies, retour te zenden naar de gemeente.
Ad b. Lokaal geworven personeel is op een missie werkzaam personeel dat op de lokale (Nederlandse) arbeidsmarkt is geworven en dat werkzaamheden ten behoeve van de missie verricht. Het gaat hier veelal om administratief, technisch en bedienend personeel dat niet door een zendstaat is uitgezonden. De missies kunnen vanaf 1 januari 2000 slechts personen werven op de lokale arbeidsmarkt aan wie het verrichten van arbeid in Nederland vrij is toegestaan en die rechtmatig in Nederland verblijf hebben op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge [artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) niet inhoudingsplichtig zijn.
In dit hoofdstuk wordt de verblijfsstatus van vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten of hebben verricht voor een diplomatieke zending of consulaire post, hun afhankelijke gezinsleden en hun personeel behandeld, alsmede de verblijfsstatus van vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten of hebben verricht voor een internationale organisatie en hun gezinsleden.
Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge [artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) niet inhoudingsplichtig zijn.
### 2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
### 2.1.1. Algemeen
Niet-duurzaam verblijvend personeel bezit een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag en het Consulaire verdrag. Op dit personeel alsmede op hun afhankelijke gezinsleden en particuliere bedienden zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing. Zij zijn in het algemeen niet onderworpen aan de verplichtingen die in het belang van het toezicht op vreemdelingen zijn gesteld. Evenmin kunnen op hen de maatregelen van uitzetting en bewaring krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden toegepast (zie [A2/6.2.3.1](onbekend) en [A2/6.2.3.4](onbekend)). Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.
Als niet-duurzaam verblijvend personeel worden aangemerkt:
Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen (zie verder [A2/6.2.3.2](onbekend)).
Ten aanzien van diplomatieke en consulaire ambtenaren, hun gezinsleden en het administratief, technisch en bedienend personeel die slechts op doorreis in Nederland zijn, zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing voor zover het de doorreis naar of terugkeer van de diplomatieke zending of consulaire post in een derde land betreft.
Het betreft hier:
### 3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties
In dit verband wordt verwezen naar de internationale organisaties die in Nederland gevestigd zijn en wier personeel in aanmerking komt voor een geprivilegieerde verblijfsstatus middels de door de Minister van BuZa verstrekte identiteitskaart. Voor informatie over de internationale organisaties kan contact worden opgenomen met het Ministerie van BuZa.
Na beëindiging van het dienstverband met een ambassade of consulaat komt de uitgezonden status van de categorieën als genoemd onder B12/2.1.1, onder 3, te vervallen. De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
### 2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
Indien is voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.93, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) juncto artikel 3.93, zesde lid, en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan de ex-geprivilegieerde in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
Onder gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden wordt verstaan die personen die door de Minister van BuZa als gezinslid van de hoofdpersoon zijn aangemerkt en die uit dien hoofde door de Minister van BuZa in het bezit werden gesteld van een geprivilegieerdendocument (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81)).
De verblijfsstatus van de geprivilegieerde (hoofdpersoon) is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Zolang de hoofdpersoon de uitgezonden status behoudt, behouden ook de afhankelijke gezinsleden deze status. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden.
Het afhankelijke gezinslid kan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)), indien het gezinslid:
Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet.
### 3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties
In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4), in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13). De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in [artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).
Indien het afhankelijke gezinslid niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) en evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon, dan kan de vreemdeling een aanvraag om eerste toelating op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) indienen. Hierbij gelden de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) onverkort.
Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie of wanneer de betreffende vreemdeling na de periode van tien jaar op zijn verzoek (aanvraag) duurzaam een verblijfsstatus onder de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegewezen heeft gekregen, komt de uitgezonden (geprivilegieerde) status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
Onder duurzaam verblijvend personeel wordt per 1 januari 2000 verstaan: door de zendstaat uitgezonden personeel dat niet, zoals gebruikelijk, na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat, ononderbroken voortzet na tien jaar. Vreemdelingen in deze categorie ontvangen vanaf 1 januari 2000 geen legitimatiebewijs afgegeven door het Ministerie van BuZa meer. Zij dienen zich in te schrijven bij de GBA en de vreemdelingenpolitie.
Als duurzaam verblijvend personeel wordt aangemerkt:
Bij de berekening van de periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden mede in aanmerking genomen de perioden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad. Wel dient de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status te hebben gehad.
Lokaal geworven personeel bestaat uit een tweetal categorieën:
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
Voor ‘zelfstandig’: zie [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) en B1/4.3.1. Voor ‘voldoende’: zie [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en B1/4.3.3. Ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen geldt ingevolge [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) een afwijkende bepaling. De middelen van bestaan zijn duurzaam indien zij op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of waarop de beschikking wordt gegeven, of enig tussenliggend moment nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
Het eerdere verblijfsrecht op grond van de bijzondere geprivilegieerde status telt niet mee bij de bepaling van de totale verblijfsduur zoals genoemd in [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit betekent dat alleen eventueel eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) meetelt bij de bepaling van de totale verblijfsduur.
De bepalingen als genoemd in [artikel 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de twee bovengenoemde categorieën vreemdelingen.
Zie B1/5.3.3.
### 3.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Ad b. Het gaat hier om particulier bedienden die in persoonlijke dienst van een uitgezonden medewerker (de werkgever) zijn en die na afloop van het dienstverband van de uitgezonden diplomatieke medewerker in dienst zijn getreden bij de opvolger van de vertrekkende werkgever. Voorwaarde is wel dat het salaris in de periode tussen het vertrek van de oude werkgever en de aankomst van de nieuwe werkgever wordt betaald door de missie.
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Indien geen van de gronden van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) zich voordoet en wordt voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 3.93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96), artikel 3.93, zesde lid, (zie hieronder zelfstandige middelen) en [artikel 3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a) kan het personeelslid in bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Indien de vreemdeling hieraan niet voldoet, gelden de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17).
### 2. Voorwaarden familiebezoek
Desalniettemin worden de inkomsten uit arbeid in loondienst voor werk bij een ambassade of consulaat van een andere mogendheid – ondanks dat geen premies sociale verzekeringen en belastingen zijn afgedragen – aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan.
### 2.2.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
Het bepaalde in B12/2.1.2.2 is van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) of voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
### 2.2.2.3. Inleveren geprivilegieerdendocument
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
Op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen over hun verblijfsrechtelijke positie, komt aan vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten voor een internationale organisatie en hun gezinsleden – tenzij anders in de Zetelovereenkomst bepaald – de uitgezonden status toe.
Deze personen worden door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument ([model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81); zie [bijlage 3, onder A, derde lid VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3) juncto [artikel 2.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=2.3)). Dit houdt onder meer in dat zij niet behoeven te beschikken over een verblijfsvergunning. Voor wat betreft de grenscontrole en het toezicht wordt verwezen naar [A2/6.2.3.3](onbekend) en [A2/6.2.3.4](onbekend).
### 3.1.1. Categorieën geprivilegieerden internationale organisaties
In dit verband wordt verwezen naar de internationale organisaties die in Nederland gevestigd zijn en wier personeel in aanmerking komt voor een geprivilegieerde verblijfsstatus middels de door de Minister van BuZa verstrekte identiteitskaart. Voor informatie over de internationale organisaties kan contact worden opgenomen met het Ministerie van BuZa.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.2.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 3.2.4. Gezinsleden
Bij de berekening van de periode van tien aaneengesloten jaren van verblijf worden mede in aanmerking genomen de perioden waarin de vreemdeling rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) heeft gehad. Wel dient de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status te hebben gehad.
Het is niet van belang of de bijzondere geprivilegieerde status (de zogenoemde uitgezonden status) al dan niet door eigen toedoen verloren is gegaan.
### 3.3. NAVO
### 2. Amv’s
Voor ‘zelfstandig’: zie [artikel 3.73 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) en B1/4.3.1. Voor ‘voldoende’: zie [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en B1/4.3.3. Ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen geldt ingevolge [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) een afwijkende bepaling. De middelen van bestaan zijn duurzaam indien zij op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of waarop de beschikking wordt gegeven, of enig tussenliggend moment nog gedurende ten minste één jaar beschikbaar zijn.
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Het eerdere verblijfsrecht op grond van de bijzondere geprivilegieerde status telt niet mee bij de bepaling van de totale verblijfsduur zoals genoemd in [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit betekent dat alleen eventueel eerder rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) meetelt bij de bepaling van de totale verblijfsduur.
### 3.3.5. Verblijfsdocument
Zie B1/5.3.3.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden 1 tot en met 5 zoals hierboven vermeld, dan wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) afgewezen. De vreemdeling zal dan, indien hij in aanmerking wil komen voor toelating tot Nederland, een aanvraag om eerste toelating op grond van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) moeten indienen. Hierbij gelden de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) onverkort.
### 3.3.6. Registratie
De commandant van Joint Force Command- headquarters te Brunssum en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa (zie [bijlage 3, onder A, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
### 3.3.3. Gezinsleden
Voor de toelichting op de voorwaarden 1 tot en met 8 wordt verwezen naar de toelichting op deze artikelen zoals vermeld in B12/3.1.3. Verder geldt wat betreft voorwaarde 2 (middelenvereiste) dat het duurzame en zelfstandige inkomen van de hoofdpersoon wordt meegeteld, indien het gezinslid over dit inkomen kan beschikken en, indien het meerderjarig afhankelijk gezinslid als partner bij de hoofdpersoon verblijft, de hoofdpersoon een garantverklaring heeft ondertekend. Dat het gezinslid over het inkomen kan beschikken wordt aangetoond met een schriftelijke verklaring van de hoofdpersoon.
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
De gezinsleden als hier bedoeld komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
### 3.2.1. Verblijfsvoorwaarden
De vreemdeling die betrokken is bij het werk van het Internationaal Strafhof dan wel bij het werk van het Speciale Tribunaal voor Libanon moet een bewijs van het ministerie van Buitenlandse Zaken overleggen waaruit blijkt dat de vreemdeling onder de werking valt van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland dan wel onder de werking valt van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon.
Daarnaast dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4).
Ten aanzien van deze vreemdelingen geldt op grond van [artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist. In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend op grond van [artikel 3.13, tweede lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) met de beperking ‘verblijf bij echtgenot (o)t(e) ….' met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 3.4.2. Registratie
Op grond van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) wordt de hier bedoelde verblijfsvergunning aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.4. Verblijfsvoorwaarden
Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)), indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.
De bepalingen als genoemd in de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [17 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) zijn onverkort van toepassing op de toelating van gezinsleden van de bovengenoemde categorieën vreemdelingen.
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid niet toegestaan’.
### 3.3. NAVO
Op grond van het Verdrag van Ottawa, het Navo-statusverdrag en het Partnership for Peace- statusverdrag zijn een aantal categorieën vreemdelingen geprivilegieerd (B12/3.3.1). Op hen zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing. Daarnaast is er een groep NAVO-vreemdelingen, die niet vallen onder voornoemde verdragen, doch met wiens verblijf wordt geacht dat een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. De categorieën worden genoemd in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40). Voor deze groep niet-geprivilegieerde NAVO-vreemdelingen is een verblijfsregeling opgenomen in B12/3.4.
De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) en hun gezinsleden, bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40). De bedoelde vreemdelingen zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verplicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.
Op grond van het Verdrag van Ottawa zijn twee categorieën vreemdelingen geprivilegieerd:
### 13. Familiebezoek
Dit personeel dat in Nederland geen militaire status heeft, is in het bezit van een geprivilegieerdendocument afgegeven door de Minister van BuZa (zie [model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81) en [bijlage 3, onder A, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
Aan de kinderen en meerderjarige gezinsleden (zie [artikel 3.40, tweede lid, onder b en c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40)) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf bij …’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
Op grond van het NAVO-statusverdrag en het daarbij behorende Hoofdkwartieren Protocol dan wel op grond van het Partnership for Peace-statusverdrag en het daarbij behorende Tweede Aanvullende Protocol, zijn militairen van een krijgsmacht van een lidstaat geprivilegieerd, indien zij verbonden zijn aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command- headquarters) of een daarmee gelijkgestelde organisatie dan wel behoren tot een hier te lande gelegerd of op doortocht zijnd onderdeel van zodanige krijgsmacht.
Deze militairen zijn in het bezit van een persoonlijk militair identiteitsbewijs, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst, en, voorzover niet hier te lande gestationeerd, van een collectieve of individuele reiswijzer, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Staat van herkomst of door het hoofdkwartier dan wel de organisatie waarbij zij zijn te werk gesteld. Deze documenten gelden tevens als document voor grensoverschrijding (zie [bijlage 3, onder E, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
De commandant van Joint Force Command- headquarters te Brunssum en zijn plaatsvervanger zijn in het bezit van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa (zie [bijlage 3, onder A, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3)).
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar. Echter, de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet overschrijden (zie [artikel 3.63 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.63)).
De gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters te Brunssum, komen op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) juncto [artikel 3.13, tweede lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, voor verblijf als gezinslid van een militair die behoort tot een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier en die geprivilegieerd is. Voor wat betreft de invulling van het begrip gezinsleden wordt aangesloten naar [artikel 3.40, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40).
EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland.
De gezinsleden als hier bedoeld komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder f VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt verwezen naar B1/1.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ....... (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’, met de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid niet toegestaan.’
### 2. Voorwaarden familiebezoek
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
In het geval degene die familiebezoek beoogt onderdaan is van een Lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘voor familiebezoek bij ........ (naam familielid) van ten hoogste zes maanden’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters. Zij zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verpicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.
### 3.3.7. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend op grond van [artikel 3.13, tweede lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) met de beperking ‘verblijf bij echtgenot (o)t(e) ….' met de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
De algemene bepalingen inzake de geldigheidsduur zijn van toepassing (zie B1/3). De totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de stationering van het hoofd van het gezin niet overschrijden (zie B1/3.2).
### 3.4. Verblijfsvoorwaarden
Vreemdelingen behorend tot één van de categorieën genoemd in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)), indien aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan (zie B1/4).
### 2. Amv’s
Op de overige hier te lande woonachtige vreemdelingen, die bijvoorbeeld in dienst zijn van vreemdelingen als in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) bedoeld, zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4). Tot deze categorie behoren bijvoorbeeld dienstboden, tuinlieden, kindermeisjes en chauffeurs.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
Voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan vreemdelingen behorend tot een van deze categorieën voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a).
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv gelden de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden (zie [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56)):
### 2.2.1. Minderjarigheid
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Aan vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3.40 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf als NAVO-vreemdeling’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
### 2.2.1. Minderjarigheid
Aan de kinderen en meerderjarige gezinsleden (zie [artikel 3.40, tweede lid, onder b en c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40)) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf bij …’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
### 2.2.2. Alleenstaand
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) te verlenen aan deze vreemdelingen bedraagt maximaal drie jaar. Echter, de totale tijdsduur waarvoor de vergunning geldig is, mag de duur van de tewerkstelling (indien het burgerpersoneel betreft) of de duur van de tewerkstelling dan wel stationering van het hoofd van het gezin (indien het gezins- en familieleden betreft) niet overschrijden (zie [artikel 3.63 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.63)).
### 4. EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden
EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden die een uitgezonden status hebben, worden aangemerkt als gemeenschapsonderdanen en hebben rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland.
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### 13. Familiebezoek
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
[Artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
Ook kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier worden verleend aan de vreemdeling op wiens asielaanvraag na drie jaren nog niet onherroepelijk is beslist. Dit driejarenbeleid is weliswaar per 1 januari 2003 afgeschaft, maar kan op grond van het overgangsrecht nog van toepassing zijn op vreemdelingen die hun asielaanvraag voor 1 januari 2000 hebben ingediend.
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
De mogelijkheid om (ambtshalve) een verblijfsvergunning regulier te verlenen aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de regeling ‘afwikkeling nalatenschap oude vreemdelingenwet’ is met ingang van 1 januari 2009 vervallen.
### 2. Amv’s
Amv’s, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land (zie B14/2.4.4) frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
### 2.4. Procedurele bepalingen
### 2.3.2. Frustreren van het onderzoek naar adequate opvang
Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van [artikel 31, tweede lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert. Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.
Voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv gelden de volgende bijzondere cumulatieve voorwaarden (zie [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56)):
De verblijfsvergunning wordt niet verleend op aanvraag. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen ambtshalve worden verleend op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) (zie [C14/6](onbekend)):
De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Ingevolge het bepaalde in [artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) wordt een persoon als minderjarig beschouwd, indien:
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
Ongehuwd samenwonen (ook als er een samenlevingscontract is) leidt op zichzelf niet tot meerderjarigheid.
Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in [C11/3.4](onbekend) en [C14/6.1](onbekend).
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
Een minderjarige vreemdeling wordt in het kader van dit beleid wél als alleenstaand beschouwd, indien zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn.
Het belang van het herhaald leeftijdsonderzoek is erin gelegen dat zoveel mogelijk dient te worden tegengegaan dat vreemdelingen ten onrechte in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv, of anderszins ten onrechte een behandeling als minderjarige krijgen, terwijl zij feitelijk meerderjarig zijn. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen een minimumleeftijd van twintig jaar wordt gehanteerd. Als deze conclusie bij een herhaald onderzoek wordt getrokken, zal dat vaak betekenen dat de vreemdeling al bij de eerste verlening van de vergunning voor verblijf als Amv meerderjarig was en de vergunning dus ten onrechte heeft verkregen. Het herhaald leeftijdsonderzoek is in dit kader dus een belangrijke aanvulling op het eerste leeftijdsonderzoek.
Indien aannemelijk is dat de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, behoeft voor terugkeer geen adequate opvang in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan aanwezig te zijn.
Bij de vaststelling of de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, worden de volgende omstandigheden in overweging genomen:
Zelfstandigheid wordt niet tegengeworpen indien de Amv ten tijde van de beslissing jonger is dan zestien jaar.
Indien de vreemdeling ten tijde van de beslissing zestien jaar of ouder is, is van belang of uit overige omstandigheden, die in de persoon zelf zijn gelegen, aannemelijk is dat hij zich zelfstandig kan handhaven in het buitenland, gerelateerd aan de ter plaatse geldende normen. Hiervan is sprake indien de betrokkene voor zijn komst naar Nederland voor zichzelf heeft gezorgd. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat de betrokkene in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan werk had en/of op zichzelf woonde en niet aannemelijk is dat dit serieuze problemen heeft opgeleverd, noch dat serieuze problemen te verwachten waren.
Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.
### 2.2.4. Adequate opvang
### 2.2.4. Adequate opvang
Indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.
Onder adequate opvang wordt verstaan iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten.
Het bestaan van adequate opvang wordt in ieder geval aangenomen indien:
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking niet te zijn geregeld.
Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten zorgdragen voor de opvang en dat de opvangvoorzieningen adequaat zijn, behoeft geen onderzoek naar een concrete opvangplaats in een opvanginstelling te worden gedaan.
In al deze gevallen wordt verwacht dat de betrokkenen vertrekken naar het land van herkomst of naar een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan.
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
De afwijzingsgronden van [artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), zijn van toepassing (zie [artikel 3.56, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56), [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79), en B1/4.4 en B1/4.5).
De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
Amv’s, die tijdens de procedure een mogelijk onderzoek naar opvangmogelijkheden in het land van herkomst of een ander land (zie B14/2.4.4) frustreren, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
Hiervan is sprake als de betrokkene – ook los van de context van het totale asielrelaas – ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt omtrent identiteit, nationaliteit of opvang. Bij het beoordelen of van het vorenstaande sprake is, wordt rekening gehouden met druk, traumata, de geestelijke ontwikkeling en de leeftijd van betrokkene. Van een kind kan immers niet altijd dezelfde mate van volledigheid en gedetailleerdheid worden verwacht als van een volwassene.
Ook indien de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen op grond van [artikel 31, tweede lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) en het relaas mede op grond daarvan als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan dit leiden tot de conclusie dat de betrokkene het onderzoek frustreert. Het bovenstaande kan ook worden tegengeworpen als de betrokkene jonger is dan vijftien jaar.
In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.
Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in B14/2.2.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend op aanvraag. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid kan alleen ambtshalve worden verleend op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) (zie [C14/6](onbekend)):
De verlengingsaanvraag wordt conform B1/5.3.4 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.
De toetsing aan het bijzondere beleid inzake Amv is ex nunc. Van belang is dus niet de situatie op het moment van het indienen van de asielaanvraag, maar die op het moment van het ambtshalve beslissen.
### 2.4.3. Leeftijdsonderzoek
Indien getwijfeld wordt aan de leeftijd van de betrokken asielzoeker en deze zijn gestelde leeftijd niet met documenten heeft kunnen aantonen, kan de asielzoeker een leeftijdsonderzoek aanvragen. De procedure en de bepalingen inzake het leeftijdsonderzoek worden nader uitgewerkt in [C11/3.4](onbekend) en [C14/6.1](onbekend).
Het kan hier gaan om de volgende gevallen:
Het is mogelijk dat het leeftijdsonderzoek niet met voldoende zekerheid tot een conclusie omtrent de minderjarigheid kan leiden. In deze gevallen kan de betrokkene na verloop van tijd (dit kan zijn binnen één à twee jaar) opnieuw worden opgeroepen voor een leeftijdsonderzoek om te bezien of de botontwikkeling inmiddels zodanig is, dat een voldoende zekere conclusie (met terugwerkende kracht) mogelijk is over de vraag of de vreemdeling meerder- of minderjarig is.
### 2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
Indien uit het resultaat van het herhaald leeftijdsonderzoek volgt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt teneinde op oneigenlijke gronden in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning, bijvoorbeeld als blijkt dat hij tijdens de oorspronkelijke aanvraagprocedure al meerderjarig moet zijn geweest, kan de vreemdeling op grond van [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) in bewaring worden gesteld.
Zolang in de periode tussen de beide leeftijdsonderzoeken geen uitsluitsel bestaat over de juiste leeftijd, krijgt de vreemdeling op dit punt het voordeel van de twijfel in de verdere procedure en wordt de oorspronkelijk opgegeven geboortedatum aangehouden. Dit is echter niet van toepassing indien de vreemdeling op belangrijke punten vage, summiere, tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen aflegt.
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
Indien uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is dat de Amv zich zelfstandig staande zal kunnen houden, kan onderzoek door het Ministerie van BuZa geïndiceerd zijn indien in het land van herkomst of in een ander land waar de vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan, geen adequate opvang, bijvoorbeeld in de vorm van opvangtehuizen, bekend is. Onderzoek is in beginsel niet noodzakelijk indien de vreemdeling zelf verklaart dat adequate opvang aanwezig is, en daarbij voldoende geloofwaardige informatie geeft waaruit blijkt hoe de adequate opvang bij terugkeer bereikt kan worden, zoals adresgegevens.
Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.
### 2.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als Amv betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 2.5. De verlening van de verblijfsvergunning
Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake Amv’s.
### 2.10. Overgangsrecht
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Het CWI zal alleen een TWV afgeven indien de arbeidsperiode binnen een tijdbestek van 52 weken niet meer dan in totaal 24 weken bedraagt.
### 2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet, maar valt niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 2.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning wordt verleend voor een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Amv’s, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt.
In iedere individuele zaak dient beoordeeld te worden of een herhaald onderzoek in het buitenland naar adequate opvang aangewezen is. Dit is ten eerste afhankelijk van de onderzoeksmogelijkheden in het betreffende land. Een herhaald onderzoek is voorts eerder aangewezen naarmate de vreemdeling jonger is. Een herhaald onderzoek wordt niet aangevraagd indien de vreemdeling bij ontvangst van het onderzoeksresultaat naar verwachting zeventien en een half jaar of ouder is.
Daarnaast is herhaald onderzoek eerder aangewezen bij landen waarvoor weinig aannemelijk is (gegeven de sociale structuur van de samenleving) dat een minderjarige geen opvang heeft bij familie of instellingen. Herhaald onderzoek is in elk geval aangewezen indien:
### 2.6. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.
Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning vindt alleen plaats indien de betrokken vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning zoals omschreven in B14/2.2.
Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.
De verlengingsaanvraag wordt conform B1/5.3.4 in beginsel niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding.
De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van [artikel 44, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=44) niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen. Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning. Teneinde het vorengenoemde ongewenste effect te voorkomen is een voorziening getroffen voor die vreemdelingen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook zij in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16).
De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv kan worden afgewezen, indien:
Het kan hier gaan om de volgende gevallen:
Om dit te ondervangen is op grond van [artikel 3.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) een nieuw [artikel 3.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) gevoegd in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002). Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
### 2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
**Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding**
### 2.10. Overgangsrecht
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de [artikelen 3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52), zijn uitgewerkt in B16/3.3.
De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend.
Indien de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag óf het moment van beslissen op de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij ingevolge het bepaalde in [artikel 21, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn uitgewerkt in B1/6.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).
### 2.10.1. Toepasselijkheid van het beleid
### 3.1. Algemeen
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in B7/13 van de Vc (oud) en de Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1996/1, 2000/6 en 2000/7.
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend in de periode van 4 januari 2001 tot en met 31 maart 2001, is het beleid van toepassing zoals beschreven in Tussentijds bericht vreemdelingencirculaire 2000/30.
### 3.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
### 3.2.1. Inleiding
Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 2.10.3.1. Inleiding
Op 20 juli 2004 is in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer meegedeeld dat het beleid inzake begeleide minderjarige vreemdelingen is gewijzigd. Amv’s, die worden begeleid of verzorgd door een meerderjarige anders dan hun ouder(s) of in het buitenland aangewezen voogd, worden niet langer als ‘begeleid’ aangemerkt.
### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
Voor wat betreft de ambtshalve toets geldt het nieuwe beleid als novum.
### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s
Het hier beschreven bijzonder overgangsbeleid voor begeleide minderjarigen is alleen van toepassing op nog openstaande procedures waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 1 september 2005.
### 2.10.3.2. Uitgeprocedeerde minderjarigen
Indien een nog minderjarige vreemdeling, aan wie eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd omdat hij niet alleenstaand was, een nieuwe asielaanvraag indient, geldt het nieuwe beleid als novum voor wat betreft de ambtshalve toets. In dat geval wordt getoetst aan het huidige geldende beleid.
Indien wordt geconcludeerd dat de vreemdeling als gevolg van de gewijzigde definitie van het begrip ‘alleenstaand’ in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het beleid inzake Amv’s wordt de vergunning verleend.
### 3.2.4. Ontheffing van het paspoortvereiste
Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.
De overgangsregeling van B16 kan niet van toepassing zijn op personen die op het moment van aanvraag inmiddels meerderjarig zijn geworden. Het is immers niet mogelijk een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake Amv’s te verlenen aan een meerderjarige en het is niet mogelijk een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen aan een vreemdeling die niet reeds in het bezit is van een verblijfsvergunning.
Om dit te ondervangen is op grond van [artikel 3.6, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) een nieuw [artikel 3.17a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) gevoegd in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002). Hierdoor is het mogelijk geworden om ambtshalve, in het kader van een asielaanvraag, een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
De verblijfsvergunning onder deze beperking kan worden verleend aan vreemdelingen aan wie in het verleden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het beleid inzake Amv’s is geweigerd op grond van het feit dat zij niet alleenstaand waren en die inmiddels meerderjarig zijn.
Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
Deze categorie is vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldige mvv.
### 3.4.1. Inleiding
### 3.4.1. Inleiding
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’.
### 3.4.2. Ambtshalve verlening
De ingangsdatum is de dag waarop de asielaanvraag in de lopende procedure is ingediend.
### 3.4.3. De aanvraag
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).
### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
### 3.1. Algemeen
Uitgangspunt van het terugkeerbeleid is, dat in beginsel alle vreemdelingen kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Er is op dit moment geen land bekend dat de volkenrechtelijke verplichting, om eigen onderdanen terug te nemen, niet naleeft. Desalniettemin kunnen zich bijzondere situaties voordoen waarin een vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken omdat hij de benodigde reisdocumenten niet kan bemachtigen, terwijl er geen twijfel bestaat omtrent de door hem verstrekte gegevens over zijn identiteit en nationaliteit. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling staatloos is en hij geen wedertoelating kan verkrijgen tot het land waar hij eerder zijn gewone verblijfplaats (‘former habitual residence’) had.
### 3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
Het begrip ‘buiten hun schuld’ dient hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet kunnen aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of van het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad), geen toestemming zullen verlenen aan zijn terugkeer. Veelal gaat het hierbij om het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten waarmee de vreemdeling naar het betreffende land kan reizen en op grond waarvan hij bovendien in beginsel toegang zal krijgen tot het betreffende land. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende) reisdocumenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
### 3.2.2. Categorieën vreemdelingen die onder het beleid vallen
Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.
De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend.
Vereist is dat de vreemdeling om bemiddeling van de DT&V heeft gevraagd. De DT&V zal door middel van een ambtsbericht aangeven aan de IND of al dan niet sprake is van buitenschuld.
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
Een uitgeprocedeerde Amv kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, indien:
### 3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
### 3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt deze aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning, wordt hij vrijgesteld van het vereiste in het bezit te zijn van een geldige mvv.
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf op grond van het hierboven beschreven beleid, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Hij wordt daarbij ontheven van het paspoortvereiste.
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3.1 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake buiten schuld.
De aanvraag kan ingevolge het bepaalde in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) worden afgewezen indien:
Voorts kan de verblijfsvergunning geweigerd worden indien de vreemdeling een afwijzende beschikking op zijn asielaanvraag heeft ontvangen op grond van [artikel 31, tweede lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) wegens het toerekenbaar ontbreken van documenten die betrekking hebben op identiteit en nationaliteit.
Verder komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien hij:
In het Regeerakkoord van 29 oktober 2012 is opgenomen dat langdurig in Nederland verblijvende kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen, onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Daartoe wordt een definitieve regeling getroffen, met als onderdeel daarvan een overgangsregeling. In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels van beide regelingen opgenomen. Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden de bepalingen van hoofdstuk B1 onverkort.
### 2. Definitieve regeling
### 2.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2. Het toetsmoment is het moment van de aanvraag.
Het is aan de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag aan te geven wie er feitelijk tot zijn gezin hoort. Indien blijkt dat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden, dan wel onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, kan dit consequenties hebben voor zijn verblijfsaanspraken en die van zijn gezinsleden.
Ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) geldt dat indien bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s), de IND geen vergunning op grond van deze regeling verleent. Wanneer de betreffende amv inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van deze regeling en blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s) kan dat leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning.
Onder gezinsleden verstaat de IND:
En indien de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. De overige voorwaarden gelden onverkort.
Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/5.3.2 (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:
Indien sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.
Indien de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt ingevolge [artikel 30, eerste lid onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.
Indien de gezinsband is verbroken, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor het betreffende gezinslid.
De vreemdeling en eventuele gezinsleden dienen voorafgaand aan vergunningverlening schriftelijk aan te geven dat lopende procedures onvoorwaardelijk worden ingetrokken bij vergunningverlening op grond van de regeling. De IND zal eventueel al betaalde leges of griffierechten niet restitueren.
### 2.2. Contra-indicaties
De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:
De IND verleent de vergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval indien:
In die gevallen dat sprake is van een lopend onderzoek naar gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, wordt dit onderzoek afgerond alvorens een beoordeling in het kader van de regeling plaats zal vinden.
In geval van een veroordeling tot een taakstraf wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de beoordeling.
Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld. Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde betrokken, doch slechts voor zover het gaat om strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn. Dat geldt ook indien het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar Nederlands recht een misdrijf is. Of het feit naar Nederlands recht een misdrijf is, wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) of de bijzondere Nederlandse strafwetten.
Wanneer er sprake is van openbare orde-aspecten van één van de gezinsleden dan wordt aan het gehele gezin een vergunning onthouden, tenzij de gezinsband is verbroken.
Indien het betreffende gezinslid dat feitelijk tot het gezin behoort en bij wie sprake is van openbare orde-aspecten niet wordt opgenomen bij het indienen van de aanvraag, beoordeelt de IND dit ook als een contra-indicatie en wordt de vergunning niet verleend.
Indien het betreffende gezinslid later in het kader van gezinshereniging dan wel op grond van artikel 8 EVRM een aanvraag indient voor een vergunning, zal de IND bezien of de vergunning van de overige gezinsleden wordt ingetrokken.
Indien bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.
Een eens gepleegd misdrijf wordt – gelijk het staande beleid inzake eerste toelating – niet blijvend tegengeworpen. Hierbij maakt de IND onderscheid tussen drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven enerzijds en overige misdrijven anderzijds.
Ingeval van een veroordeling wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven bedraagt de termijn, gedurende welke de veroordeling een contra-indicatie vormt voor vergunningverlening, tien jaren. Ingeval van een veroordeling wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren.
De termijn vangt aan op de dag van de invrijheidstelling na tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel.
De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren, is niet van toepassing indien sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De IND verleent de verblijfsvergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Indien een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.
Indien de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.
Ingevolge het bepaalde in [artikel 31, tweede lid onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) moet de vreemdeling bij zijn asielaanvraag in beginsel zijn identiteit aantonen met documenten. Indien dat niet kan, dan moet hij consistent en naar waarheid verklaard hebben over zijn identiteit en nationaliteit.
Wanneer de vreemdeling of een gezinslid zich na vergunningverlening in de GBA inschrijft met andere gegevens, dan trekt de IND de vergunning in.
Voor de vaststelling of de vreemdeling al dan niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek toetst de IND of de vreemdeling in redelijkheid de stappen heeft ondernomen om invulling te geven aan de wettelijke vertrekplicht. Hierbij wordt in elk geval van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:
De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
Aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie wordt altijd tegengeworpen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
Uitsluitend in het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.
Indien de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.
### 2.3. Overige vereisten
De IND beoordeelt op grond van de aanvraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf. Voor het indienen van de aanvraag zijn geen leges verschuldigd. De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis.
In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1. merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
### 2.4. Procedureke bepalingen
De verblijfsvergunning op grond van de regeling wordt op aanvraag verleend. De vreemdeling moet eerst telefonisch een afspraak maken met de IND alvorens de aanvraag in persoon, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier, in te dienen bij een IND-loket.
Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan zowel de hoofdpersoon als het gezinslid onder de beperking ‘definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen’.
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.’, wat inhoud dat de betreffende vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt en er geen tewerkstellingsvergunning nodig is.
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: 'verblijf onder beperking cf. beschikking Staatssecretaris. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.'
Ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) verleent de IND de verblijfsvergunning met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
De verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen’ betreft een niet-tijdelijk verblijfsrecht als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 3. Overgangsregeling
### 3.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. De gezinsleden en de gezinsband wordt beoordeeld naar de stand van zaken op 29 oktober 2012 (startdatum peilperiode). De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2.
Het is aan de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag aan te geven wie er feitelijk tot zijn gezin hoort. Indien blijkt dat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden, dan wel onjuiste of onvolledige informatie heeft vertrekt kan dit consequenties hebben voor zijn verblijfsaanspraken en die van zijn gezinsleden.
Ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) geldt dat indien bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s), de IND geen vergunning op grond van deze regeling verleent. Wanneer de betreffende amv inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van deze regeling en blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s) kan dat leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning.
Onder gezinsleden verstaat de IND:
En indien de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:
De IND hanteert als peilperiode 29 oktober 2012 (de datum van het Regeerakkoord) en de datum inwerkingtreding van de overgangsregeling.
Indien de vreemdeling tussen 29 oktober 2012 en de datum van inwerkingtreding van deze regeling 21 jaar wordt, werpt de IND dit niet tegen.
Indien de termijn van vijf jaar verblijf in Nederland eerst wordt bereikt op de datum van inwerkingtreding van deze regeling, werpt de IND dit eveneens niet tegen.
Indien de vreemdeling op startdatum van de peilperiode niet voldoet aan de overige voorwaarden, wijst de IND de aanvraag af.
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.
De overige voorwaarden gelden onverkort.
Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/5.3.2 (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrokken aan het toezicht indien de vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden:
Indien sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.
Indien de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid overneemt voor de vreemdeling of het gezinslid ingevolge [artikel 30, eerste lid onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.
Indien de gezinsband is verbroken, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor het betreffende gezinslid.
Indien de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en dit land een uiteindelijk gehonoreerde claim legt op Nederland om de behandeling over te nemen, geldt dat de claim binnen drie maanden na 27 juli 2010 bekend moet zijn bij de Nederlandse autoriteiten en dient de vreemdeling voor de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012) succesvol te zijn overgedragen aan Nederland.
Wanneer de vreemdeling of een gezinslid op 27 juli 2010 in beeld was en vervolgens naar een andere Europese lidstaat is vertrokken, geldt dat de claim op Nederland binnen drie maanden nadat de vreemdeling of het gezinslid uit beeld is geraakt, bekend moet zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Daarnaast geldt onverkort de algemene voorwaarde dat de vreemdeling of het gezinslid voor de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012) succesvol dient te zijn overgedragen aan Nederland.
De vreemdeling en eventuele gezinsleden dienen voorafgaand aan vergunningverlening schriftelijk aan te geven dat lopende procedures onvoorwaardelijk worden ingetrokken bij vergunningverlening op grond van de regeling. De IND zal eventueel al betaalde leges of griffierechten niet restitueren.
### 3.2. Contra-indicaties
De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:
De IND verleent de vergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval indien
In die gevallen dat sprake is van een lopend onderzoek naar gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, wordt dit onderzoek afgerond alvorens een beoordeling in het kader van de regeling plaats zal vinden.
In geval van een veroordeling tot een taakstraf wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de beoordeling. Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld. Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde betrokken, doch slechts voor zover het gaat om strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn. Dat geldt ook indien het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar Nederlands recht een misdrijf is. Of het feit naar Nederlands recht een misdrijf is, wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) of de bijzondere Nederlandse strafwetten.
Wanneer er sprake is van openbare orde-aspecten van één van de gezinsleden dan wordt aan het gehele gezin een vergunning onthouden, tenzij de gezinsband is verbroken. Indien het betreffende gezinslid dat feitelijk tot het gezin behoort en bij wie sprake is van openbare orde-aspecten niet wordt opgenomen bij het indienen van de aanvraag, beoordeelt de IND dit ook als een contra-indicatie. De IND verleent in dat geval de vergunning niet aan de vreemdeling en de overige gezinsleden.
Indien het betreffende gezinslid later in het kader van gezinshereniging dan wel op grond van artikel 8 EVRM een aanvraag indient voor een vergunning, zal de IND bezien of de vergunning van de overige gezinsleden wordt ingetrokken.
Indien bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.
Een eens gepleegd misdrijf wordt – gelijk het staande beleid inzake eerste toelating – niet blijvend tegengeworpen. Hierbij maakt de IND onderscheid tussen drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven enerzijds en overige misdrijven anderzijds.
Ingeval van een veroordeling wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven bedraagt de termijn, gedurende welke de veroordeling een contra-indicatie vormt voor vergunningverlening, tien jaren. Ingeval van een veroordeling wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren.
De termijn vangt aan op de dag van de invrijheidstelling na tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel.
De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren, is niet van toepassing indien sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Voor de beoordeling of sprake is van verjaring met het oog op deze regeling neemt de IND de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan als het bepalende toetsmoment. Indien na deze datum sprake is van verjaring in het kader van de openbare orde, is er geen aanspraak op een vergunning in het kader van deze regeling.
De IND verleent de verblijfsvergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Indien een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.
Indien de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.
Vreemdelingen die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van deze overgangsregeling. Zij hebben immers al duidelijkheid over hun verblijf.
Een uitzondering wordt gevormd door de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling en die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van een beleid van categoriale bescherming danwel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op medische gronden, B9, alleenstaande minderjarige vreemdeling, vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of het volgen van studie.
Deze vergunningen zijn meestal verleend in het verlengde van een asielaanvraag of hebben specifiek betrekking op de doelgroep jongeren.
De houder van een dergelijke vergunning kan éénmalig een aanvraag indienen tot wijziging van die vergunning in een verblijfsvergunning op grond van deze regeling.
Deze mogelijkheid geldt eveneens voor een eventueel gezinslid van de hoofdpersoon.
De vreemdeling die tijdig een aanvraag op grond van deze regeling heeft ingediend en die niet meer dan één keer een identiteit heeft opgegeven waarover twijfel bestaat, wordt door de IND eenmalig de gelegenheid geboden om alsnog de juiste identiteitsgegevens naar voren te brengen.
Op deze wijze kan op basis van de juiste identiteitsgegevens een vergunning worden verleend. In de overige gevallen is identiteitsherstel niet aan de orde.
Voorwaarde voor identiteitsherstel is dat voorafgaand aan het identiteitsherstel reeds is voldaan aan alle overige voorwaarden van de overgangsregeling. Het is dus niet mogelijk om enkel door het identiteitsherstel alsnog te voldoen aan de voorwaarden van de regeling.
Er is sprake van twijfel indien:
Ten behoeve van het identiteitsherstel dienen primair documenten overgelegd te worden waaruit de identiteit blijkt. Indien de vreemdeling zijn identiteit niet door middel van documenten kan aantonen, stelt de IND hem in de gelegenheid om een verklaring af te leggen en de schriftelijke vastlegging hiervan te ondertekenen.
Indien op enig moment blijkt dat de op deze wijze door de vreemdeling naar voren gebrachte identiteit niet juist is, kan de IND de verblijfsvergunning intrekken of de geldigheidsduur daarvan niet verlengen.
De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
Aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie wordt altijd tegengeworpen, ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
Uitsluitend in het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.
Indien de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.
### 3.3. Overige vereisten
De IND beoordeelt op grond van de aanvraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf. Voor het indienen van de aanvraag zijn geen leges verschuldigd. De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis.
In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1. merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
### 3.4. Procedurele bepalingen
De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de [artikelen 3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52), zijn uitgewerkt in B16/3.1.4.1.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ kan hetzij ambtshalve, hetzij op aanvraag worden verleend.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
Indien tijdens de asielprocedure is gebleken dat een vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel, terwijl hij wel heeft aangetoond dat hij in aanmerking komt voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, wordt, behoudens contra-indicaties, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’ ambtshalve verleend. Zie [C14/6](onbekend) voor het toepassen van de ambtshalve toets tijdens de asielprocedure.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
Indien de vreemdeling is uitgeprocedeerd, bijvoorbeeld omdat hij ten tijde van de asielprocedure niet kon aantonen dat hij in aanmerking kwam voor verblijf op grond van het beleid inzake vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken, maar inmiddels meent dat hij aan de voorwaarden voldoet, kan hij de verblijfsvergunning regulier aanvragen bij de IND (zie [artikel 3.33a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a) en B1).
Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie B14/4.4 over de berekening van de termijn).
### 4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Dit lijdt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de DT&V wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om mee te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.
### 3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
De verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken betreft een tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
Er gelden de volgende contra-indicaties:
Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie. Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie B1/4.4), aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.10). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal (zie B1/5.3.6).
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van BuZa) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.
De verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling voor het eerst heeft voldaan aan de hierboven weergegeven voorwaarden voor verlening, maar niet eerder dan de datum waarop de (asiel)aanvraag is ingediend.
### 3.5.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
Deze grond is bijvoorbeeld van toepassing indien de vreemdeling zich heeft bediend van verschillende personalia (pseudoniemen) en ten aanzien van geen van deze personalia authentieke documenten heeft overgelegd. Ook hier heeft de vreemdeling het zelf in de hand om aan de twijfel een einde te maken, en zolang hij dat niet doet, levert de verstreken tijd in de procedure geen relevante termijn voor het driejarenbeleid op.
De bepalingen van B2 zijn van toepassing.
### 3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
De in Nederland verblijvende huwelijkspartner of geregistreerd partner alsmede het/ de tot het gezin behorende kind(eren) dat/ die afhankelijk is/ zijn van een vreemdeling aan wie in verband met medische gronden een verblijfsvergunning op grond van het buiten schuld beleid is verleend, kunnen in deze situatie met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wanneer zij een verblijfsaanvraag indienen.
In afwijking van het bepaalde in B1 wordt deze aanvraag niet afgewezen om de reden dat de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Gelet op het bepaalde in [artikel 3.13 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) kunnen deze gezinsleden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd omdat van hen in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij terugkeren naar het land van herkomst. Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de periode dat er voor de hoofdpersoon sprake is van een situatie dat hij buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij....(naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.
De arbeidsmarktaantekening luidt, voor zover het geen gemeenschapsonderdaan betreft: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
De bepalingen omtrent het voortgezet verblijf van B16/3.1 zijn op deze gezinsleden niet van toepassing gelet op het bijzondere karakter van het beleid inzake buiten schuld.
### 3.7. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De geldigheidsduur kan tweemaal met een jaar worden verlengd, indien de vreemdeling nog voldoet aan de voorwaarden voor verlening.
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (met name regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit 1/80 de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejarentermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van bovengenoemde uitspraak – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
De voorwaarden voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, als bedoeld in de [artikelen 3.51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) en [3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52), zijn uitgewerkt in B16/3.1.4.1.
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Korpschef dan wel de Visadienst een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:
Met ingang van 1 januari 2003 is het driejarenbeleid afgeschaft, onder handhaving van het bestaande beleid als overgangsrecht voor aanvragen die op dat moment drie jaar oud waren. Een aanspraak op het driejarenbeleid ontstaat pas op het moment dat de driejarentermijn is vol gemaakt. Aanvragen, ontvangen op 1 januari 2000 of latere datum, komen dus niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking voor inwilliging.
Voor aanvragen, ontvangen vóór 1 januari 2000, blijft het driejarenbeleid wel gelden met dien verstande dat na 1 januari 2003 geen relevante tijd meer wordt opgebouwd.
### 4. Driejarenbeleid in de asielprocedure
Toetsing aan het driejarenbeleid komt pas aan de orde als de individuele situatie van de aanvrager geen aanleiding geeft om de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen. De termijn van drie jaar wordt alleen aan de asielaanvraag gekoppeld. De lange duur van de procedure moet voornamelijk of uitsluitend terug te voeren zijn op effecten van bestuurlijk beleid, dat wil zeggen dat de vreemdeling niet of nauwelijks invloed heeft gehad op het verloop van de procedure. In dat verband is van belang dat de vreemdeling geen handelingen heeft verricht die het bestuursorgaan of de rechter noodzaken tot het uitstellen van de beslissing (traineren). Daarbij kan gedacht worden aan het (telkenmale) aandragen van informatie die moet worden onderzocht (zie B14/4.4 over de berekening van de termijn).
Op grond van [artikel 3.61 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) kon de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren. De verblijfsvergunning kon op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) ambtshalve worden verleend. Beide bepaling worden nog toegepast in die gevallen waarin op grond van het overgangsrecht een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt verleend.
Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6), zoals dat luidde vóór 15 mei 2004, kon een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag.
Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
In de toelichting op [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) werd aangegeven dat in het geval de in dit artikel bedoelde vergunning niet ambtshalve wordt verleend en de vreemdeling zich daar niet mee kan verenigen, deze de eventuele gronden tegen de niet-verlening van de hier bedoelde verblijfsvergunning bij voorkeur in beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag aanvoert. Dit is van belang voor de voortgang van de verblijfsrechtelijke procedure en de samenhang met de asielprocedure.
Er gelden de volgende contra-indicaties:
Voor de toepassing van deze grond is het tijdstip van het plegen van het delict van belang. Indien tijdens de driejarentermijn een strafbaar feit is gepleegd, terzake waarvan een serieuze verdenking is ontstaan (het gaat dan om een misdrijf), dan wordt aangenomen dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, tenzij de strafzaak is afgerond zonder veroordeling (sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging). Ook als een transactie heeft plaatsgevonden dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd of als de strafzaak nog niet is afgerond, is er sprake van deze contra-indicatie. Is het delict gepleegd voorafgaand aan de asielaanvraag, of na het verstrijken van de driejarentermijn, dan wordt aansluiting gezocht bij het algemene beleid inzake de weigering van verblijf bij gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid (zie B1/4.4), aangezien het driejarenbeleid ziet op de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie B1/4.10). Is het delict gepleegd op een moment dat er reeds drie jaar en zes maanden (de normale beslistermijn plus de driejarentermijn) verstreken zijn, dan wordt getoetst aan de glijdende schaal (zie B1/5.3.6).
Zie [C4/2.5](onbekend) voor toepassing van deze grond.
Deze contra-indicatie heeft voor het driejarenbeleid geen absoluut karakter in die zin dat altijd een verblijfsvergunning zal worden onthouden. Als de vreemdeling, na confrontatie met de bevindingen van de Minister (bijvoorbeeld op grond van een onderzoek van de Minister van BuZa) toegeeft dat hij op relevante (essentiële) onderdelen van zijn asielrelaas onjuiste gegevens heeft verstrekt, kan hij vanaf dat moment relevant tijdsverloop in de zin van het driejarenbeleid opbouwen. Dat geldt niet voor zaken waarin de vreemdeling de resultaten van het onderzoek betwist en vervolgens (op dit onderdeel van de procedure) in het ongelijk wordt gesteld. In dat geval blijft de vreemdeling in feite onjuiste gegevens verstrekken en staat dit (nog steeds) in de weg aan het opbouwen van relevant tijdsverloop.
Uit het gedrag van de vreemdeling moet blijken dat hij kennelijk geen belang meer hecht aan de beslissing op zijn oorspronkelijke aanvraag door (bijvoorbeeld) zijn adres met onbekende bestemming te verlaten of geen contact meer te houden met de bevoegde autoriteiten. Overigens geldt als voorwaarde voor toepassing van deze afwijzingsgrond niet dat de vreemdeling een meldplicht had. De tijd die verstreken is voordat de vreemdeling met onbekende bestemming vertrok, telt niet mee voor het berekenen van de relevante termijn. Pas op het moment dat de vreemdeling zich weer bij de bevoegde autoriteiten meldt, gaat er een nieuwe termijn lopen.
Gelet op de systematiek van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is het voeren van een procedure in een ander land in het algemeen een afwijzingsgrond voor de asielaanvraag. Zolang de procedure in het andere land nog niet is afgerond, neemt de relevante periode voor het driejarenbeleid nog geen aanvang. De reden hiervoor is dat de vreemdeling het in eigen hand heeft om een van de procedures te beëindigen. Zaken waarin wordt geprocedeerd over de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een ander land voor de asielaanvraag (op grond van [artikel 30, eerste lid, onder a of d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30)) leveren geen relevante periode op voor het driejarenbeleid, omdat dan door het aanwenden van rechtsmiddelen de verantwoordelijkheid automatisch op Nederland zou overgaan, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van de onderliggende procedure. In het geval de rechter heeft vastgesteld dat Nederland wel de asielaanvraag moet behandelen, en dus af moet zien van een overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag, telt de gehele aan die uitspraak voorafgaande procedure mee voor de bepaling van de termijn.
### 5.2. Voorwaarden
B9.2 is van overeenkomstige toepassing.
### 4.4.1. Aanvang termijn
De termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier als bedoeld in [artikel 3.108 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108) (zie [C11/1.1.1](onbekend)).
De dag van ontvangst van de aanvraag telt dus mee bij de berekening van de termijn.
Voor de toepassing van dit beleid wordt een bezwaarschrift of een beroepschrift (indien geen bezwaar mogelijk was) tegen de intrekking van een verblijfsvergunning gelijkgesteld met een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. In deze gevallen gaat de termijn lopen vanaf de datum van ontvangst van het rechtsmiddel. Let wel, deze procedure staat los van de procedure omtrent de aanvraag van de verblijfsvergunning. Het tijdsverloop van de oorspronkelijke procedure mag niet worden opgeteld bij het tijdsverloop van de intrekkingprocedure.
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
Er wordt geen tijdsverloop meer opgebouwd vanaf de datum waarop de beslissing rechtens onaantastbaar wordt. Daarvan zal in beginsel sprake zijn vier weken na de datum waarop de beslissing, met inachtneming van de [artikelen 3:40](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:40) en [3:41 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:41) in werking treedt, als de vreemdeling tenminste binnen de daarvoor gestelde termijn geen beroep heeft ingesteld tegen deze beslissing.
Indien de vreemdeling beroep heeft ingesteld, eindigt de termijn, behoudens een gegrondverklaring van het beroep met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan in het geval de vreemdeling de procedure niet in Nederland mocht afwachten, op de datum van de uitspraak, tenzij binnen de daarvoor gestelde termijn hoger beroep tegen de uitspraak wordt ingesteld.
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
B9.7.2 is van overeenkomstige toepassing.
Bij het berekenen van de termijn worden bepaalde perioden buiten beschouwing gelaten. Het betreft de volgende perioden, waarin:
In onderdeel a is neergelegd dat niet in aanmerking wordt genomen de periode waarin de vreemdeling al rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning, als gemeenschapsonderdaan of als vreemdeling die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Dat betekent dat het verlenen van een verblijfsvergunning, van welke aard ook (met name regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd), of de vaststelling dat de vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht of het Associatiebesluit 1/80 de opbouw van de relevante tijd stopt. De gehele geldigheidsduur van de verblijfsvergunning telt niet mee, ook al wordt de verblijfsvergunning verleend met ingang van een datum die ligt voor de datum waarop de beschikking, strekkende tot verlening, is genomen. Let wel: in zaken waarin het relevante tijdsverloop moet worden beoordeeld naar de stand van zaken vóór 1 april 2001, en dus moet worden vastgesteld of de driejarentermijn is volgelopen vóór 1 april 2001, is dit op grond van een uitspraak van de Rechtseenheidskamer van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 1 november 2000 anders. Indien de vreemdeling in de loop van de procedure reeds in het bezit is gesteld van een andere verblijfstitel ongeacht de vraag of deze verblijfstitel naar zijn aard tijdelijk is of niet, telt die periode niet mee in de opbouw van het relevante tijdsverloop voor de nog openstaande procedure. Buiten beschouwing blijft derhalve de periode vanaf de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de vreemdeling een verblijfstitel wordt toegekend tot en met de datum waarop de vreemdeling of diens gemachtigde kennis neemt van de beslissing waarbij de verblijfstitel wordt ingetrokken dan wel, bij niet verlenging van de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, de expiratiedatum daarvan. Bij verzending per post wordt de dag na de verzending als dag van ontvangst gezien, tenzij deze dag valt op een zondag of een algemeen erkende feestdag. In dit laatste geval wordt de dag van ontvangst geacht te zijn de eerstvolgende dag die niet een zondag of algemeen erkende feestdag is. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in deze gevallen in twee stappen gekeken wordt naar de driejarentermijn. Eerst wordt bepaald aan de hand van de lijn van bovengenoemde uitspraak – het feitelijk bezit van de verblijfsvergunning – op welke datum de vreemdeling drie jaar relevant tijdsverloop heeft opgebouwd. Indien deze termijn volloopt vóór 1 april 2001, dan is in ieder geval voldaan aan één van de voorwaarden van het driejarenbeleid en kan, indien aan de overige voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan, een verblijfsvergunning worden verleend. Indien de termijn, op deze wijze berekend, volloopt op of ná 1 april 2001 dan geldt de hoofdregel dat de gehele periode van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet wordt meegeteld.
De verlening van een verblijfsvergunning asiel houdt in dat de vreemdeling heeft gekregen waarom hij heeft gevraagd, en daarmee komt een einde aan de procedure.
In onderdeel b is bepaald dat bij de berekening van de driejarentermijn buiten beschouwing blijft periode waarin de vreemdeling niet in Nederland verbleef. Daarop wordt een uitzondering gemaakt ingeval de vreemdeling geoorloofd buiten Nederland verbleef. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vreemdeling voorafgaande aan zijn vertrek van de Korpschef dan wel de Visadienst een verklaring heeft gekregen die recht geeft op terugkeer naar Nederland en hij tijdig, dat wil zeggen voor de aangegeven expiratiedatum, naar Nederland is teruggekeerd. Datzelfde geldt, indien de vreemdeling bijvoorbeeld na afwijzing van een verzoek om voorlopige voorziening uit Nederland vertrekt en daarmee voldoet aan de op hem rustende vertrekplicht, maar de rechtbank zijn beroep vervolgens alsnog gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt. Ook dan ligt het niet voor de hand het verblijf buiten Nederland tegen te werpen. In de uitzondering van onderdeel b komt de ratio tot uiting dat met geoorloofd verblijf buiten Nederland de opbouw van de driejarentermijn niet eindigt. Wel zal, aangezien het verblijf buiten Nederland berust op een keuze van de vreemdeling, de periode van het verblijf in het buitenland niet meetellen.
In onderdeel c is bepaald dat buiten beschouwing blijft de periode waarmee de beslistermijn op grond van het besluitmoratorium is verlengd. De duur van het besluitmoratorium telt niet mee als relevant tijdsverloop bij het bepalen van het recht op een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid. Hierbij zijn de volgende situaties te onderkennen:
Het besluitmoratorium kan in een individueel geval nooit langer zijn dan een jaar. Na afloop van de periode van het besluitmoratorium zal de opbouw van de relevante termijn verder gaan.
In onderdeel d is bepaald dat indien de vreemdeling gegevens of bescheiden heeft overgelegd waarnaar onderzoek heeft moeten plaatsvinden, terwijl achteraf blijkt dat die in redelijkheid niet tot inwilliging van de aanvraag zouden hebben kunnen leiden, deze periode niet meetelt voor de opbouw van de driejarentermijn. De noodzaak tot het verrichten van onderzoek wordt dan beschouwd als voort te vloeien uit een handeling van de vreemdeling, waardoor de extra proceduretijd die met het onderzoek gemoeid is voor rekening van de vreemdeling komt.
### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van [artikel 3.61 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) kon de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag, worden verleend voor vijf jaren. De verblijfsvergunning kon op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.61) (zoals dat luidde vóór 15 mei 2004) ambtshalve worden verleend. Beide bepaling worden nog toegepast in die gevallen waarin op grond van het overgangsrecht een verblijfsvergunning op grond van het driejarenbeleid wordt verleend.
Het ontbreken van geldig grensoverschrijdingdocument wordt niet tegengeworpen. De verblijfsvergunning behelst naar zijn aard een niet-tijdelijk doel en kan dan ook uiteindelijk aanspraken op een vergunning voor onbepaalde tijd regulier als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) opleveren.
### 15. Kennismigranten
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (zie B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (zie B15/5.1).
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Voor de definiëring van kennismigranten is in het [Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) gekozen voor een éénduidig en objectief criterium, namelijk het looncriterium (zie B15/5.1).
Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar wordt verwezen naar B15/5.1. Deze categorie blijft ook na hun dertigste jaar kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij een bruto jaarloon verdient, dat tenminste gelijk is aan het geldende looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar.
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 2.6. Voorschriften
### 2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het Vb mogelijk is.
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
Ingevolge [artikel 16, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Als hoofdregel schrijft [artikel 3.71 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) voor dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.
Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.
Het Nederlandse beleid is er op gericht de opsporing en vervolging van hen die zich aan mensenhandel schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. In dat opzicht is van groot belang dat slachtoffers en getuigen van mensenhandel aangifte doen van mensenhandel en dat slachtoffers op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in [artikel 273f van het WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=273f). Met de verblijfsregeling zoals neergelegd n [artikel 3.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.48) wordt beoogd te voorkomen dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel afziet van het doen van aangifte of dat het slachtoffer afziet van het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, uit vrees Nederland te worden uitgezet als illegale vreemdeling. In dat verband wordt er op gewezen dat het slachtoffer of de getuige ingevolge [artikel 8, onder k, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) gedurende een bedenktijd van maximaal drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. In dat geval wordt nog geen verblijfsvergunning verleend.
### 4.3. Middelen van bestaan
De vreemdeling die stelt Somalisch onderdaan te zijn dient daartoe de documenten waarover hij of zij wel de beschikking heeft, waaronder ook niet voor erkenning in aanmerking komende documenten (Somalisch paspoort, identiteitsbewijs, geboortebewijs e.d.), dadelijk bij de aanvraag tot het verlenen van de mvv over te leggen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland, opdat daarvan een kopie kan worden gemaakt met het oog op een eventuele terugkeer. De Nederlandse vertegenwoordiging zendt van bedoelde kopie een exemplaar naar de IND. Bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier dient de vreemdeling de originele documenten te tonen aan de ambtenaar van de IND.
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
Als middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) wordt tevens aangemerkt:
Bij de termijn gedurende welke een gesanctioneerd misdrijf reden blijft vormen om de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning af te wijzen, wordt onderscheid gemaakt naar de aard en de ernst van de misdrijven.
De aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, indien ter zake van een misdrijf jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd, dan wel indien terzake van een misdrijf sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie [artikel 37, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37)) of in een inrichting voor stelselmatige daders (zie [artikel 38m WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=38m)) dan wel in een inrichting voor jeugdigen (zie [artikel 77h, vierde lid, onder a, WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=77h)) alsook de terbeschikkingstelling (zie [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a)) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend. De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn geworden. Ook indien hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, wordt de aanvraag afgewezen.
### 4.7. Inburgeringsvereiste
Indien de vreemdeling wegens een misdrijf, niet zijnde een levensdelict, is veroordeeld, een transactievoorstel heeft aanvaard of indien een strafbeschikking jegens hem is uitgevaardigd, betekent dat niet dat zijn aanvraag nimmer meer kan worden ingewilligd.
Het enkele feit dat de termijn van vijf jaren, onderscheidenlijk tien jaren (zie [artikel 6.6, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=6.6)), verstrijkt voordat de ongewenstverklaring is opgeheven, vormt geen reden om de ongewenstverklaring in afwijking van artikel 6.6 Vb op te heffen.
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de [Wet inburgering](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0020611) kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.
Ingevolge [artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling ten genoegen van de Minister van BZK heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering af te leggen.
Betrokkene toont zelf door middel van een ‘medisch advies inburgeringsexamen’ aan dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. Hiervoor dient de volgende procedure gevolgd te worden.
Het gaat hier om een vreemdeling die:
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op grond van artikel 18, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87).
**NB3:**
Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd, of Nederlander is geweest, en niet tijdig een aanvraag heeft ingediend, zijn de regels van de [artikelen 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87) eveneens van toepassing, indien:
### 7.1.1. De duur van het ononderbroken verblijf in Nederland
[Artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) regelt op hoofdlijnen de afgifte van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd volgens de voorwaarden voor toekenning van de Europese status van langdurig ingezetene, inclusief die betreffende de personele werkingssfeer. [Artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) regelt op hoofdlijnen de afgifte dan wel verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in afwijking van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), op grond van de gunstigere nationale voorwaarden. De aanvraag wordt eerst getoetst aan de vereisten die bij of krachtens [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) zijn gesteld. Indien daaraan volledig wordt voldaan, wordt de gevraagde vergunning verleend met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Deze aantekening wordt geplaatst achter op het reeds bestaande verblijfsdocument voor onbepaalde tijd. Indien niet (volledig) aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt getoetst aan de vereisten die bij of krachtens [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) zijn gesteld. Als aan de voorwaarden als neergelegd van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) wel wordt voldaan, wordt een vergunning voor onbepaalde tijd op nationale gronden verleend.
Bij de beoordeling van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, is van doorslaggevend belang dat het verblijfsrecht van de vreemdeling niet-tijdelijk van aard is. Daarmee wordt voorkomen dat een vreemdeling met een tijdelijk verblijfsrecht bijvoorbeeld op grond van een verblijfsvergunning voor studie aanspraak kan maken op de verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en zo het tijdelijke karakter aan zijn verblijfsrecht kan ontnemen. Indien het doel waarvoor deze vreemdeling verblijf is toegestaan is bereikt of beëindigd, wordt dat verblijf beëindigd en dient de vreemdeling Nederland weer te verlaten. Daarmee is niet te verenigen dat deze vreemdeling in het bezit zou worden gesteld van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en derhalve Nederland niet zou hoeven te verlaten.
Als voorbeeld kan worden genoemd de vreemdeling aan wie in aansluiting op (tijdelijk) verblijf in het kader van studie in het kader van gezinsvorming met een Nederlander niet-tijdelijk verblijf is toegestaan, en die nadien een aanvraag indient tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Zijn verblijfsrecht is op het moment van de aanvraag en de beslissing niet-tijdelijk van aard. Indien de vreemdeling zes jaar verblijfsrecht in het kader van studie heeft gehad telt dit voor de helft mee (drie jaar). Dit betekent dat de na twee jaar niet-tijdelijk verblijf in het kader van gezinsvorming ingediende aanvraag in dat geval kan worden ingewilligd, ondanks het feit dat hij nog niet 5 jaar niet-tijdelijk verblijfsrecht heeft gehad.
Zie voor tijdelijk en niet-tijdelijk verblijfsrecht B1/2.4.
Voor de berekening van het tijdvak van rechtmatig verblijf in Nederland tellen perioden van verblijf op grond van een tijdelijke verblijfsvergunning niet mee.
Bij een voornemen tot verblijfsbeëindiging op grond van een inbreuk op de openbare orde, wordt in ieder individueel geval getoetst of die in het licht van artikel 8 EVRM gerechtvaardigd is (zie ook B2/10). Daarnaast waarborgen de [artikelen 3:2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:2) en [3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4) een zorgvuldige gegevensvergaring en belangenafweging.
Ingevolge [artikel 21, eerste lid, onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een toereikende ziektekostenverzekering voor hemzelf en de te zijnen laste komende gezinsleden.
Gelet hierop is er in het kader van de inherente afwijkingsbevoegdheid geen ruimte om de status van langdurig ingezetene toe te kennen aan burgers van de Unie.
Ingevolge [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) juncto [artikel 3.93, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) wordt de aanvraag niet wegens eerder tijdelijk verblijfsrecht afgewezen indien de vreemdeling op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen niet tijdelijk verblijfsrecht heeft en in de periode van vijf aanééngesloten jaren direct voorafgaande aan dat tijdstip rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) had.
De verblijfsvergunning kan slechts wegens het bestaan van een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan een of meer van de toepasselijke normen, bedoeld in [artikel 3.86, tweede en vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Dit is het principe van de glijdende schaal. Artikel 3.86, Vb is van overeenkomstige toepassing (zie [artikel 3.95, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95)).
Het begrip frauduleuze verkrijging is minder ruim dan het begrip “onjuiste gegevens”, zoals dit als afwijzingsgrond voor de vergunning voor onbepaalde tijd geldt. Voor het aannemen van frauduleuze verkrijging is als regel opzet vereist. Hierbij is niet van belang of de gegevens door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt. Voor de afwijzing op grond van onjuiste gegevens is niet relevant of de gegevens al dan niet opzettelijk zijn verstrekt of achter gehouden en evenmin of die door de aanvrager persoonlijk zijn verstrekt.
De vreemdeling wordt eerst in de gelegenheid gesteld aan de formele vereisten te voldoen. Daartoe zal een termijn worden gesteld, waarbinnen de vreemdeling het verzuim kan herstellen. Doet de vreemdeling dit niet of niet binnen de gestelde termijn, dan kan op grond van [artikel 4:5 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5) de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Als de vreemdeling wel een volgens de vereisten geldige aanvraag indient, dan is hetgeen onder het kopje ‘herhaalde aanvraag’ is opgenomen van toepassing.
De aanvraag tot verlening dan wel verlenging van een verblijfsvergunning regulier wordt schriftelijk ingediend door middel van een formulier, waarvan het model bij ministeriële regeling is vastgesteld. De modellen zijn:
De vreemdeling geeft onder meer aan welke verblijfsvergunning regulier hij wenst te verkrijgen en voor welk verblijfsdoel hij in Nederland wenst te verblijven (zie [artikel 4:2, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:2)).
De IND roept de vreemdeling op voor het in ontvangst nemen van het verblijfsdocument.
Het verblijfsdocument wordt alleen in persoon aan de vreemdeling uitgereikt en tegen inlevering van het oude verblijfsdocument of tegen overlegging van (een kopie van) een proces-verbaal van aangifte van vermissing van het oude verblijfsdocument. De IND ziet er op toe dat de vreemdeling in persoon, en bij minderjarigheid in bijzijn van zijn wettelijk vertegenwoordiger, het verblijfsdocument in ontvangst neemt. Indien de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier wordt afgewezen, wordt het verblijfsdocument door de Korpschef ingenomen zodra deze beslissing in rechte onaantastbaar is geworden.
Indien een ouder, althans wettelijk vertegenwoordiger, één aanvraag indient (mede) ten behoeve van een of meer minderjarige vreemdelingen, wordt het totaal van de per vreemdeling verschuldigde leges ineens geheven.
Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend aan bepaalde gezinsleden van de houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29). Het betreft de vreemdeling:
De wettelijke beslistermijn van zes maanden kan ten hoogste voor zes maanden worden verlengd, indien advies of onderzoek door derden of het OM nodig is (zie [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25)). Van de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen, wordt zo terughoudend mogelijk gebruikgemaakt.
Ingevolge [artikel 25, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) wordt de beschikking binnen vier maanden gegeven indien de aanvraag is ingediend door een EG-langdurig ingezetene of diens gezinslid. Deze termijn kan met ten hoogste drie maanden worden verlengd. Indien de langdurig ingezetene of het gezinslid is uitgenodigd de aanvraag aan te vullen wordt de beschikking gegeven binnen zeven maanden.
De beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Dat houdt in dat, indien de aanvrager twee weken worden gegund om bepaalde gegevens te overleggen en hij de gevraagde gegevens al na een week overlegt, de beslistermijn uiteindelijk maar met een week (en dus niet met twee weken) is opgeschort. De beslistermijn gaat weer lopen op de dag van ontvangst van de aanvullende gegevens.
Indien de vreemdeling hangende de beslissing op een aanvraag vertrekt naar een andere gemeente, maakt hij dit kenbaar aan de IND in verband met de afhandeling van de aanvraag.
Voorts blijft uitzetting niet achterwege (en leidt de indiening van de aanvraag niet tot rechtmatig verblijf) indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), naar het voorlopig oordeel van de Minister kan worden afgewezen wegens gevaar voor of inbreuk op de openbare orde of de nationale veiligheid.
Overigens kan tegen de beschikking, inhoudende dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten, bezwaar worden gemaakt op grond van [hoofdstuk 7, afdeling 2, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&afdeling=2). Zo nodig kan de vreemdeling om een voorlopige voorziening verzoeken op grond van [artikel 8:81 van de Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:81). Indien het de vreemdeling is toegestaan om de beslissing op de aanvraag in Nederland af te wachten, wordt in zijn document voor grensoverschrijding of op een afzonderlijk inlegblad de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) geplaatst.
Betreft het een vreemdeling aan wie het wordt toegestaan na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning in Nederland te verblijven hangende de beslissing op een door hem ingediende aanvraag, dan worden op de sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘verlenging aangevraagd van de geldigheidsduur op’.
Ingevolge [artikel 4:84 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:84) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou kunnen hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Deze situatie moet overigens wel worden onderscheiden van het geval waarin alsnog is aangetoond dat aan de (alle) voorwaarden is voldaan. Het gaat immers om een geval waarin de beleidsregel niet ‘past’.
In andere situaties wordt het verblijfsdocument slechts aan het kind beneden de leeftijd van twaalf jaar verstrekt, voor zover het kind er naar het oordeel van de Minister een redelijk belang bij heeft in het bezit van zulk een document te worden gesteld (zie [artikel 4.21, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)). Bij voorbeeld voor het maken van reizen naar het buitenland (mits op aanvraag of met instemming van de wettelijk vertegenwoordiger van het kind).
De hoofdregel is dat een beschikking in reguliere zaken aan de belanghebbende wordt toegezonden; zulks is in overeenstemming met het gestelde in [artikel 3:41 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:41). Voor de uitzonderingen zie hierna onder 2.
In alle voornoemde gevallen wordt na uitreiking in persoon op dezelfde dag een afschrift van de beschikking door de politie, onder vermelding van de datum van uitreiking, ter informatie aan de gemachtigde of raadsman toegezonden. Van toezending van een afschrift wordt afgezien indien geen raadsman of bijzonder gemachtigde bekend is. In de situatie waarin de aanvraag in eerste aanleg wordt afgewezen (volledige afwijzing) en de beslissing op het in te dienen bezwaarschrift niet in Nederland mag worden afgewacht (bij de beschikking is dan aangegeven dat de betrokken vreemdeling Nederland onmiddellijk dient te verlaten) en er is géén vrijheidsbeperkende of ontnemende maatregel opgelegd, wordt de beschikking niet langer meer in persoon uitgereikt, doch door de IND aangetekend verzonden naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.
Indien de bekendmaking van de beschikking, waarbij de vreemdeling ongewenst wordt verklaard dan wel een inreisverbod wordt uitgevaardigd, geschiedt door toezending, wordt van de beschikking mededeling gedaan in de Stcrt.
Wanneer geen sprake is van uitreiking vangt die termijn aan de dag na verzending van de beschikking aan bedoelde laatst bekende adres. Indien deze beschikking tevens een inreisverbod of een ongewenstverklaring inhoudt, dan vangt deze termijn aan de dag na de publicatie in de Stcrt.
De vreemdeling is op daartoe strekkende vordering verplicht een goed gelijkende pasfoto ter beschikking te stellen (zie [artikel 4.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.45)).
wordt het kind zelf in het bezit gesteld van een verblijfsdocument.
Maakt de vreemdeling bezwaar bij de Minister tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, dan wordt het verblijfsdocument niet ingehouden indien de uitzetting achterwege blijft. In dat geval wordt in het document voor grensoverschrijding een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures’ (zie [bijlage 7i VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7i)) geplaatst. Op deze sticker wordt de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘bezwaar ingediend ...’. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt een ambtenaar van de IND dit verzoek af.
Het koppelingsbureau van de IND fungeert in dergelijke gevallen als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie (zie B17/6).
De werking van het (afwijzende) besluit wordt echter niet opgeschort en de behandeling van het bezwaarschrift mag niet in Nederland worden afgewacht, indien:
Indien de vreemdeling bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden ([artikel 4:6 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:6)), wordt de werking van het afwijzende besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht (zie [artikel 73, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)). Indien het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, wordt de werking van het (afwijzende) besluit niet opgeschort en mag de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland worden afgewacht (zie [artikel 73, derde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73)).
Indien de werking van het besluit wordt opgeschort totdat op het bezwaar of het administratief beroep is beslist, wordt in het identiteitspapier van een vreemdeling een aantekening gesteld, luidende: ‘bezwaar/administratief beroep ingediend ...(datum)’. Deze aantekening wordt doorgehaald indien het bezwaar- of administratief beroepschrift ongegrond is verklaard. Deze doorhaling wordt door de ambtenaar die de doorhaling verricht gedateerd en van zijn paraaf voorzien. Maakt de vreemdeling bezwaar bij de Minister tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, dan wordt het verblijfsdocument niet ingehouden indien de uitzetting achterwege blijft. In dat geval wordt in het document voor grensoverschrijding een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Vervolgprocedures’ ([bijlage 7i VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7i)) geplaatst. Op deze sticker wordt de datum en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘bezwaar ingediend...’. Ter verkrijging van deze sticker dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt een ambtenaar van de IND het verzoek af.
In de bezwaar- en administratief beroepsfase geldt als hoofdregel het horen van belanghebbende(n). Daarvan kan slechts worden afgezien, indien:
Een en ander laat overigens onverlet dat het bestuursorgaan rekening dient te houden met nieuwe feiten en omstandigheden, voorzover het bestuursorgaan daarvan ambtshalve kennis draagt, en ambtshalve geconstateerde misslagen dient te herstellen.
Voor bezwaar- en administratief beroepschriften die vóór 1 oktober 2009 zijn ingediend, zijn de beslistermijnen en verdagingstermijnen van toepassing zoals die golden vóór 1 oktober 2009. Hetgeen hierna in deze paragraaf is vermeld, ziet uitsluitend op de situatie vanaf 1 oktober 2009.
Hoewel de Korpschef niet meer beslist op reguliere aanvragen, valt niet uit te sluiten dat bij de IND nog bezwaarschriften zullen worden ontvangen gericht tegen een beslissing van de Korpschef. Bij bezwaarschriften wordt derhalve onderscheid gemaakt tussen bezwaarschriften tegen beschikkingen van de Korpschef en beschikkingen van de IND. De beslissing op een bezwaarschrift gericht tegen een beschikking die door de IND krachtens mandaat is genomen, moet binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, worden genomen ([artikel 7:10, eerste lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:10)). Indien de ACVZ wordt ingeschakeld, bedraagt de beslistermijn twaalf weken (artikel 7:10, eerste lid, Awb). De beslissing op het bezwaarschrift tegen een beschikking die door de korpschef krachtens mandaat is genomen, moet binnen zestien weken na ontvangst van het bezwaarschrift worden genomen ([artikel 76 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=76)).
Er kan onder meer sprake zijn van een verzuim indien:
NB. Afhankelijk van de situatie in de regio kan de IND in overleg met de rechtshulpverlening en de tolkencentra bepaalde categorieën tolken vaststellen waarvoor geen schriftelijke verklaring wordt geëist. Periodiek wordt dan getoetst of een bepaalde categorie tolken binnen of weer buiten die categorie dient te vallen.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn dient de gezinshereniger te beschikken over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.
De Richtlijn is, gelet op artikel 2, onder d, ervan, zowel van toepassing op situaties van gezinshereniging als gezinsvorming.
Tegen de uitspraak van de rechtbank, staat beperkt hoger beroep open bij de ABRvS. Ook de Staat kan hoger beroep instellen. Er staat geen hoger beroep tegen uitspraak van (de president van) de rechtbank:
Bij inwilliging van de aanvraag om afgifte van een mvv dient de vreemdeling erop te worden gewezen dat hij zich binnen drie dagen na aankomst in Nederland in het kader van het vreemdelingentoezicht dient aan te melden bij de Korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar hij zijn woon- of verblijfplaats heeft (zie [artikel 4.47 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47)). Ter indiening van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdende met gezinshereniging dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND.
Tevens geldt voor deze categorie vreemdelingen dat de aanvraag tot het verlenen van deze verblijfsvergunning niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, voorzover nodig, met toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71). Ook in die gevallen geldt het legesvereiste onverkort.
Dit artikellid draagt de lidstaten voorts op de aard en de regelmaat van de inkomsten te beoordelen en het staat de lidstaten toe om rekening te houden met – voor zover hier van belang – de nationale minimumlonen. Meer bedoeld artikellid draagt de lidstaten niet op om zowel in geval van gezinshereniging als gezinsvorming te kiezen voor hetzij toetsing aan de bijstandsnormen, hetzij het minimumloon, noch ook aan een bepaald percentage van het minimumloon.
Ingevolge [artikel 29, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29) komen de echtgeno(o)t(e) en minderjarige kinderen van vreemdelingen die in het bezit zijn van een asielvergunning voor bepaalde tijd eveneens in aanmerking voor een zodanige vergunning indien zij gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning aan de hoofdpersoon.
Het materiële recht van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) heeft als regel onmiddellijke werking. Zie in dit verband ook [A7](onbekend). Ten aanzien van de aanscherping van het nareiscriterium (van zes naar drie maanden) is geen overgangsregeling in de Vw opgenomen.
[Artikel 15 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=15) bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder een beperking verband houdend met gezinsvorming of gezinshereniging, kan worden verleend aan gezinsleden van Nederlanders en vreemdelingen met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). Ter uitvoering daarvan is in [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) neergelegd in welke gevallen de verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming in ieder geval wordt verleend. De artikelen 3.13 tot en met 3.22 Vb bevatten algemeen verbindende voorschriften. Daarvan kan niet worden afgeweken. Indien is aangetoond dat aan alle in deze artikelen gestelde voorwaarden wordt voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend. Wel worden in B2 enkele nadere regels gegeven over de wijze waarop wordt aangetoond dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Het betreft beleidsregels over de vaststelling van feiten.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien de vreemdeling of de hoofdpersoon de eenentwintigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt, tenzij:
Dit recht luidde vóór 15 februari 2005 als volgt:
De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap verleend indien het huwelijk of het geregistreerde partnerschap niet is aangetoond.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.15, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) niet verleend als de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd:
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Ingevolge [artikel 3.17, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien de vreemdeling en de hoofdpersoon samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.
Dit recht luidde vóór 15 februari 2005 als volgt:
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. In afwijking hiervan wordt de aanvraag, ingediend door de (huwelijks)partner van een Nederlander, van een houder van de verblijfsvergunning (asiel of regulier) voor onbepaalde tijd, slechts afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien de vreemdeling:
Onder langdurig wordt hier verstaan een periode van zes maanden of langer.
Als een beroep wordt gedaan op deze vrijstellingsgrond, worden alle toekenningsbesluiten ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703), dan wel de [Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537) overgelegd, die betrekking hebben op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag, alsook eventuele correspondentie met het college van B&W omtrent ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling, die betrekking heeft op de vijf jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag. Indien aanwezig, dienen bescheiden te worden overgelegd waaruit blijkt dat een arbeidsinschakeling binnen een redelijke termijn niet te verwachten is.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) in ieder geval verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen dat ten minste gelijk is aan het minimumloon voor volwassenen van 23 jaar of ouder, bedoeld in [artikel 8, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=8), en [artikel 14 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=14), met inbegrip van de vakantiebijslag, bedoeld in [artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002638&artikel=15).
Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
Voor zover is komen vast te staan dat de hoofdpersoon eerder als hoofdpersoon heeft opgetreden in een procedure voor gezinshereniging of -vorming met een vreemdeling, waarbij de hoofdpersoon deze laatste vreemdelinge tegen haar wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst heeft achtergelaten, geldt het volgende. In dat geval heeft de alimentatie die moet worden betaald aan de ex-echtgenote of de voormalige geregistreerd partner wel invloed op de hoogte van de middelen van bestaan in de zin van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Het betreft hier zowel de alimentatie voor de huwelijks- of geregistreerde partner, als de alimentatie voor de kinderen. De alimentatie die de hoofdpersoon betaalt wordt in mindering gebracht op diens inkomsten. Of sprake is van achterlating door de hoofdpersoon en of door de hoofdpersoon alimentatie wordt betaald, wordt slechts onderzocht indien daarvoor in het vreemdelingendossier concrete aanwijzingen zijn. In voorkomende gevallen kan worden gevraagd om overlegging van het echtscheidingsconvenant, de echtscheidingsbeschikking of de uitspraak waarbij de alimentatie is opgelegd, of de overeenkomst van ontbinding van het geregistreerde partnerschap waarbij de alimentatie overeen is gekomen. Worden deze niet overgelegd, dan is niet aangetoond dat wordt voldaan aan het middelenvereiste en wordt de aanvraag afgewezen.
Aangezien het merendeel van de achtergelaten vreemdelingen vrouw is, wordt in de voorgaande passage gerept van vreemdelingen. Vanzelfsprekend geldt vorenstaande regel ook voor vrouwen die mannen hebben achtergelaten. Mede gelet op [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) is deze beleidsregel uitsluitend van toepassing op aanvragen ingediend na 1 juli 2005.
Het onder c vermelde is een beleidsregel die is gebaseerd op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13).
De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid aan als de hoofdpersoon een uitkering krachtens de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) ontvangt en als wordt voldaan aan één van de volgende voorwaarden:
De [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat naast de regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten ook uit de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten. Wanneer de hoofdpersoon ingevolge de WIA onder deze regeling valt, is in ieder geval géén sprake van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid.
De vreemdeling legt zelf een verklaring over van de GG&GD dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts waaruit het vorenstaande blijkt. De bedrijfs- of verzekeringsarts dient met een aantekening over het betreffende specialisme te staan ingeschreven in het Beroepen in de individuele Gezondheidszorg-register. Informatie hieromtrent kan telefonisch worden verkregen (0900-8998225) of via de website van het Beroepen in de individuele gezondheidszorg-register.
Alleen in die gevallen waarin de hoofdpersoon een uitkering krachtens de Wwb geniet en het voor de hoofdpersoon blijvend onmogelijk is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen, wordt ontheffing van het middelenvereiste verleend.
Gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling is (behoudens bijzondere omstandigheden) in elk geval binnen een redelijke termijn te voorzien indien de hoofdpersoon is vrijgesteld van de plicht tot arbeidsinschakeling met het oog op de zorg voor een kind (al dan niet jonger dan vijf jaar).
Dit deel bevat gegevens over de verblijfsrechtelijke positie van de aanvrager en van de (aanstaande) echtgenoten of geregistreerde partners, alsmede het advies van de Korpschef.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf bij partner (naam)’.
Het is aan de vreemdeling om aan te tonen of aannemelijk te maken dat het voor hem en zijn partner als gevolg van wettelijke beletselen niet mogelijk is om in het land van herkomst te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan.
De ongehuwde burgerlijke staat wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/7 van toepassing is.
### 6.12.6. Mvv
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon niet duurzaam en zelfstandig beschikt over een netto-inkomen dat ten minste gelijk is aan de bijstandsnorm voor echtparen/gezinnen. In afwijking hiervan wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende middelen van bestaan, indien de hoofdpersoon:
### 6.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning
### 4.9. Duurzame en exclusieve relatie
De aanvraag wordt afgewezen indien aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Dit is een relatie die wordt aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over een verblijfsvergunning beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen. Aanwijzingen dat sprake is van een schijnrelatie zijn onder meer:
Opgemerkt zij nog, dat de omstandigheid dat de hoofdpersoon in gezinsband leeft met een (geregistreerde of huwelijks-)partner, niet afdoet aan de omstandigheid dat de hoofdpersoon mogelijk aanspraak kan maken op de vrijstellingen bedoeld in [artikel 3.22, tweede lid, aanhef en onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), zoals dat luidde tot 1 november 2004.
De vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven moeten feitelijk samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Zij dienen ook naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de werkgever, de Belastingdienst en de zorgverzekeraar, hetzelfde adres te voeren. Daarnaast moeten de vreemdeling en de persoon bij wie deze wil verblijven op hetzelfde adres in de GBA te staan ingeschreven.
Op deze algemene voorwaarden bestaan echter uitzonderingen wat betreft het middelenvereiste (zie B2/5.10). Ook in andere gevallen kan deze vergunning, gelet op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), worden verleend.
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. B1/4.4 en verder zijn van toepassing.
### 4.12. Middelen
Deze inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
Het onder a en b vermelde is gebaseerd op [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22).
Ook het kind van een alleenstaande moeder staat doorgaans van rechtswege onder haar gezag.
Daarnaast zijn situaties denkbaar waarin de partner van de moeder het kind niet erkent, maar wel het gezag over het kind verkrijgt door een rechtshandeling, bijvoorbeeld een verklaring ten overstaan van een autoriteit.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap’.
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5. Minderjarige kinderen
### 5.1. Minderjarige kinderen
In [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) zijn voorwaarden opgenomen voor verblijf in het kader van gezinshereniging met minderjarige biologische of juridische kinderen die zien op:
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4.
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 5.2.1.2. Niet-verdragsadopties
Volgens de Islamitische rechtstraditie houdt de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag over zijn kinderen en krijgt de moeder de “hadânah”, het zorgrecht. Het zorgrecht is een minder sterk recht dan het gezagsrecht. Het zorgrecht wordt in het kader van deze paragraaf behandeld als gezag.
### 6.3. Feitelijke gezinsband
**Adopties**
### 6.5. Achterlating een onevenredige hardheid
De verblijfsvergunning wordt niet in het kader van gezinshereniging verleend, indien het kind naar Nederlands recht meerderjarig is. Dat betekent dat geen verblijf wordt toegestaan aan het kind dat de achttienjarige leeftijd heeft bereikt, gehuwd is (geweest), een geregistreerd partnerschap is aangegaan of door de kantonrechter in het belang van moeder en kind meerderjarig is verklaard met toepassing van [artikel 1:253 ha Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=253ha). Op het vereiste van minderjarigheid zijn twee uitzonderingen.
### 6.10. Middelen
Nederlandse overheidsinstanties zijn in beginsel gehouden een in het buitenland door een beslissing van een daartoe bevoegde rechterlijke autoriteit tot stand gekomen correctie van een geboortedatum in een stuk van de burgerlijke stand te erkennen.
Indien sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het vorenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
### 5.4.1. Ondertekening verklaring door kinderen vanaf vijftien jaar
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
De datum van het ontslag uit militaire dienst wordt aangetoond door middel van officiële, gelegaliseerde bescheiden.
[Artikel 3.20 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.20) luidde voor 15 februari 2005:
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of de gezinsband.
Nederlandse overheidsinstanties zijn in beginsel gehouden een in het buitenland door een beslissing van een daartoe bevoegde rechterlijke autoriteit tot stand gekomen correctie van een geboortedatum in een stuk van de burgerlijke stand te erkennen.
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
Indien hij daarentegen niet overgaat tot deze correctie en er gerede twijfel mogelijk is aan de juistheid van de door de autoriteiten in het land van herkomst gecorrigeerde geboortedatum van de vreemdeling, dan zal dit bij de behandeling door de IND van de aanvraag nader worden onderzocht. Daartoe dient te worden beschikt over een kopie van de door de vreemdeling overgelegde documenten met betrekking tot de correctie van de geboortedatum.
Ingevolge [artikel 3.16 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.16) wordt, zolang de ouder met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een partnerschap is verbonden, de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgenoot of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren minderjarige kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgenote of geregistreerd partner alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
Ingevolge [artikel 3.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.17) wordt de verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind en de hoofdpersoon (gaan) samenwonen.
De [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78) zijn van toepassing (zieB1/4.4).
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 6.12.7. Document voor grensoverschrijding
Onder langdurig wordt hier verstaan een periode van zes maanden of langer.
Kort verblijf wil zeggen een verblijf waardoor het hoofdverblijf niet buiten Nederland wordt verplaatst, bijvoorbeeld vakantie. Om de hiergenoemde groep te onderscheiden van de overige gevallen waarin het verblijf van een minderjarig kind in het kader van gezinshereniging in Nederland wordt beoogd en waarin de algemene voorwaarden voor verblijf in het kader van gezinshereniging van toepassing zijn, is een termijnstelling noodzakelijk. Aangezien het tweede en derde lid van [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) uitsluitend zien op kinderen die tijdens kort verblijf van de moeder (al dan niet met de vader) buiten Nederland worden geboren, is aan de desbetreffende regeling een termijn gesteld van zes maanden, te rekenen vanaf de geboorte van de vreemdeling. Die termijn sluit aan bij de termijn van verblijf buiten Nederland waarna onder omstandigheden verplaatsing van het hoofdverblijf kan worden aangenomen. Indien de aanvraag later dan negen maanden na de geboorte van de vreemdeling is ontvangen, gelden de gebruikelijke voorwaarden voor gezinshereniging. In een dergelijk geval ligt het bovendien in de rede dat bij de beoordeling daarvan wordt onderzocht of de ouder het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 6.12.9. Openbare orde
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
Vorenstaande geldt ook indien de hoofdpersoon (dus de biologische of juridische ouder) inmiddels rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), dan wel Nederlander is.
### 5.11. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders
Bijzondere banden zijn in ieder geval aanwezig indien de vreemdeling de nationaliteit van een dergelijk ander land bezit. Ook zijn bijzondere banden aanwezig indien het gezinslid over een verblijfstitel anders dan voor verblijf van korte duur in dat land bezit. Indien de hoofdpersoon echter niet wordt toegelaten tot dat land, is gezinshereniging daar niet mogelijk en wordt het middelenvereiste in het onderhavige kader niet tegengeworpen.
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of de gezinsband.
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.12.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 8.4. Overige vrijstellingen
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 6.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
De hoofdpersoon wordt als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding van een krachtens de wet of gewoonterecht verantwoordelijke volwassene in Nederland is aangekomen.
De hoofdpersoon wordt eveneens als alleenstaand aangemerkt indien deze zonder begeleiding wordt achtergelaten, nadat hij in Nederland is aangekomen.
### 7.3. Alleenstaand
### 7.4. Kinderen in het land van herkomst
De verblijfsvergunning wordt niet verleend, indien in het land van herkomst een kind woont dat geacht kan worden in de opvang van de vreemdeling te kunnen voorzien. De vreemdeling die zich er op beroept dat het kind dat nog in het land van herkomst woont, niet kan voorzien in zijn opvang, onderbouwt dat met terzake relevante gegevens en bescheiden. De vreemdeling is daartoe de meest aangewezen partij.
### 7.8. Afwijking van het middelenvereiste
Uit de aard van de zaak wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de hoofdpersoon houder is van een verblijfsvergunning die is verleend op grond van [artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29).
Dat betekent dat de aanvraag wordt afgewezen als de alleenstaande minderjarige houder is van een verblijfsvergunning regulier, bijvoorbeeld onder een beperking verband houdende met verblijf als Amv.
### 6.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon op de datum van ontvangst van de aanvraag inmiddels de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, tenzij de hoofdpersoon wegens de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens door de Nederlandse rechter onder curatele is gesteld of er een bewindvoerder is aangesteld dan wel er een mentorschap is ingesteld, bedoeld in respectievelijk de [artikelen 378](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=378), [431](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=431) en [450 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=450).
### 6.5. Alleenstaand
B1/4.1 is van toepassing.
Als beleidsregel geldt dat de staat van personen wordt aangetoond aan de hand van officiële gelegaliseerde bescheiden. Indien niet-gelegaliseerde documenten worden overgelegd, dienen deze alsnog te worden gelegaliseerd. De vreemdeling draagt zorg voor legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich er op beroept aanspraak te ontlenen aan [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) of [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23). Het gaat daarbij om een beleidsregel omtrent de vaststelling van feiten.
### 8.4. Overige vrijstellingen
Indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de IND aan de hand van de ter beschikking staande gegevens of het document wordt doorgeleid naar het ministerie BuZa met het verzoek om een verificatieonderzoek. De termijn van het nemen van een beslissing wordt met een termijn van maximaal zes maanden opgeschort.
In dat geval geldt voor wat betreft de hoogte van het inkomen dat dit ten minste gelijk moet zijn aan het normbedrag als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) voor de gezinssituatie die ontstaat indien de gezinshereniging wordt toegestaan.
Indien gezinshereniging wel mogelijk is in een derde land waarmee de minderjarige hoofdpersoon of de vreemdeling bijzondere banden heeft, wordt de verblijfsvergunning ingevolge [artikel 3.24a, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) pas verleend nadat de minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
Dat de hoofdpersoon tot dat land niet wordt toegelaten, wordt aangetoond door middel van documenten van de bevoegde autoriteiten van dat land.
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan voorts worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen. Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat de registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer er in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.
### 9.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
De beperking wordt aangevuld met de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aangezien de verblijfsvergunning wordt verleend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is het verblijfsrecht tijdelijk van aard, gelet op [artikel 3.5, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 7.1. Inleiding
### 7.2. Hoofdregel
Op de hoofdregel dat buitenlandse bescheiden met betrekking tot de staat van personen moeten worden gelegaliseerd alvorens zij kunnen dienen als basis voor besluitvorming, bestaan de nodige uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn gebaseerd op de circulaire van de mede namens de Minister, de Minister van BuZa en de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, inzake ‘de Legalisatie en verificatie van buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen’ van 12 januari 2000, laatstelijk gewijzigd op 15 mei 2006.
De aanvrager in Nederland neemt in aanwezigheid van een IND-loketmedewerker DNA-materiaal bij zichzelf af. Die medewerker stuurt het DNA-materiaal van de aanvrager samen met het DNA-materiaal van de gezinsleden naar het laboratorium waar het DNA-onderzoek zal worden verricht.
Van het vereiste van legalisatie zijn vrijgesteld:
Het DNA-materiaal wordt na zes maanden na het onderzoek door het laboratorium vernietigd. In geval het DNA-materiaal langer bewaard moet blijven, geeft de IND daartoe een schriftelijke aanwijzing aan het laboratorium.
Van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten kan worden vrijgesteld de persoon die tegen de legalisatie gegronde bedenkingen heeft geuit, voorzover die persoon:
### 7.5. Bewijsnood
### 8.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
Indien dit niet het geval is, wordt de vreemdeling verzocht alsnog zorg te dragen voor de legalisatie van de overgelegde documenten.
### 9.2.1. Begrippen
Betrokkene wordt derhalve slechts op de mogelijkheid van DNA-onderzoek gewezen in het geval er sprake is van uit beide ouders of uit één van beide ouders geboren kinderen en nadat is vastgesteld dat betrokkene aantoonbaar in bewijsnood verkeert met betrekking tot de te overleggen documenten.
### 9.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
De aanvrager dient de gezinsleden in het buitenland te informeren dat zij zich moeten melden bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging. De in het buitenland verblijvende echtgeno(o)t(e) (of partner bij nareisaanvragen) van de referent die om DNA-onderzoek heeft verzocht, wordt door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in kennis gesteld van de door de referent in het aanvraagformulier voor DNA-onderzoek verstrekte gegevens over de relatie tussen de ouders en de kinderen voor wie overkomst naar Nederland wordt gevraagd.
### 8.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
### 8.5. Middelenvereiste
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/8.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn.
### 8.1. Inleiding
### 9.5.1. Inleiding
### 8.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
De verlenging van de verblijfsvergunning wordt alleen afgewezen indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele een beroep doet op de publieke middelen. De verblijfsvergunning wordt eveneens slechts ingetrokken indien een beroep wordt gedaan op de publieke middelen (zie B2/ 8.5).
### 9.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
### 8.5.3. Afwijking van het middelenvereiste
### 9. Artikel 8 EVRM
### 8.4. Verbreking van andere gezinsrelaties
Er kan gesproken worden van vrijwillige werkloosheid indien een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden in de zin van [artikel 24 WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045&artikel=24). Dit is het geval als hij:
### 10.1. Inleiding
### 10.2.2. Inmenging
### 9.2.2. Inmenging
### 2.2. Reikwijdte van het onderhavige hoofdstuk
### 9.1. Inleiding
### 9.2. Toetsingskader
Hieronder wordt aangegeven welke vragen moeten worden beantwoord bij de toetsing aan artikel 8 EVRM.
### 9.2.1. Begrippen
Het begrip familie- of gezinsleven in artikel 8 EVRM heeft een andere betekenis dan (nationale) begrippen als feitelijke gezinsband en familierechtelijke relatie. In veel gevallen waarin de feitelijke gezinsband is verbroken, zal er toch gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM bestaan.
### 10.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
### 9.2.1.1. Einde van het gezinsleven
### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, indien de vreemdeling:
### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
Ook indien geen sprake is van inmenging dient een belangenafweging tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling plaats te vinden. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf zal ten nadele van de vreemdeling worden betrokken bij deze belangenafweging. Bij illegaal verblijf zal slechts in zeer uitzonderlijke situaties sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM (zie de uitspraak van het EHRM inzake Rodrigues da Silva van 31 januari 2006, nr. 50435/99).
### 9.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Het feit dat de afwijzende beslissing (a) is gebaseerd op de regelgeving en (b) in het belang is van een of meer van de gronden genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM, vormt op zichzelf niet zonder meer voldoende rechtvaardiging. De inmenging moet ook noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De beoordeling vergt een belangenafweging en komt neer op een evenredigheidstoetsing. Daarbij is de betreffende (afwijzings)grond slechts een van de meerdere wegingsfactoren. Het enkele beroep op de algemene middelen of de enkele inbreuk op de openbare orde hoeft op zichzelf dus niet doorslaggevend te zijn om de inmenging (met een beroep op het economisch welzijn van Nederland, respectievelijk het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten) te rechtvaardigen. Er zal telkens een op de concrete zaak toegespitste afweging dienen plaats te vinden van de algemene belangen van de samenleving enerzijds en de individuele belangen van de vreemdeling en – indien daarvan sprake is – zijn gezinsleden anderzijds.
### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Tenslotte is van belang dat zowel bij eerste toelating als bij inmenging een volledige belangenafweging dient plaats te vinden, waarbij het gewicht dat aan de verschillende belangen toekomt mede bepaald wordt door de omstandigheid of sprake is van eerste toelating of van inmenging.
### 10.3. Ambtshalve wijziging
Van belang zijn in ieder geval de intensiteit van het gezinsleven of, indien het gaat om privé-leven, het gewicht van de aangegane sociale banden, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond in de individuele zaak kan worden toegekend, en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van die kinderen worden bezien.
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 10.3. Ambtshalve wijziging
Blijkens de uitspraak van het EHRM inzake Üner, van 18 oktober 2006, nr 46410/99 dient, naast deze criteria tevens gekeken te worden naar:
### 3. Adoptiekinderen en pleegkinderen
### 3.3. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
De objectieve belemmering vormt een van de factoren die in de belangenafweging moeten worden betrokken. Indien er, in geval van eerste toelating, geen sprake is van een objectieve belemmering, zal er in beginsel niet snel sprake zijn van een schending van artikel 8 EVRM. Dit laat onverlet dat bij afwezigheid van een objectieve belemmering een volledige belangenafweging dient plaats te vinden.
Van de hoofdpersoon wordt in ieder geval verwacht dat hij actief naar werk zoekt. De hoofdpersoon moet zeer duidelijk en gedocumenteerd kunnen aangeven wat hij allemaal heeft ondernomen om aan de toelatingsvoorwaarden te gaan voldoen.
Dat uitgangspunt lijdt slechts dan uitzondering indien de overheid de hoofdpersoon onevenredig lang heeft afgehouden van de verblijfsvergunning en daarmee van toegang tot de arbeidsmarkt.
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
Om te kunnen bepalen door welke regels – die van B2 inzake gezinsvorming of gezinshereniging óf die van het onderhavige hoofdstuk – de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier van een (buitenlands) kind worden beheerst, is het van belang vast te stellen of de aanvraag betrekking heeft op een adoptiekind of een adoptiefkind.
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
Indien het recht op eerbiediging van het privé-leven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), onder de beperking voor het uitoefenen van privé-leven conform artikel 8 EVRM.
### 3.2. Verblijfsrechtelijke positie na remigratie
Afhankelijk van de aard van het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, wordt bij de verlening van de verblijfsvergunning aangegeven of het verblijfsrecht tijdelijk of niet- tijdelijk van aard is. Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling eveneens tijdelijk van aard. Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling eveneens niet tijdelijk van aard.
### 2.2.3. De bepalingen van B3 zijn van toepassing op de aanvraag
### 10.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van één van de in [artikel 3.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) genoemde verblijfsdoelen (inclusief artikel 8 EVRM), dan wel verblijf op grond van [paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825¶graaf=2), wordt aan hem op aanvraag op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend indien:
Het kind hoeft de vreemdeling niet te volgen en het grondgebied van de Europese Unie niet te verlaten indien er een andere ouder is die rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, aanhef en onder a t/m e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) of de Nederlandse nationaliteit heeft, tenzij de andere ouder feitelijk niet voor het kind kan zorgen. Onder ‘andere ouder’ worden geen andere familieleden of kennissen verstaan – ook niet indien zij feitelijk voor het kind zorgen of hebben gezorgd.
Er is geen sprake van een feitelijke onmogelijkheid voor de andere ouder om voor het kind te zorgen indien verlangd kan worden dat gebruik wordt gemaakt van hulp en ondersteuning bij zorg en opvoeding die van overheidswege en door maatschappelijke instellingen worden geboden. Hieronder wordt ook de verstrekking verstaan van een uitkering uit de openbare kas waar Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak op kunnen maken.
### 2.5.2. Plaats van indiening van de aanvraag
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Als niet voldaan wordt aan een of meer van bovengenoemde voorwaarden die ontleend zijn aan de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) en het kind verblijft reeds illegaal hier te lande, maakt de IND melding van deze vermoedelijk illegale adoptie bij de Raad van de Kinderbescherming, die, zonodig, aangifte doet bij de politie.
Dit hoofdstuk bevat de bijzondere voorwaarden inzake de verlening van een verblijfsvergunning aan buitenlandse adoptiekinderen, alsmede aan buitenlandse kinderen voor wie opname in een pleeggezin in Nederland wordt beoogd. Het gaat om gezinsuitbreiding met kinderen, anders dan door geboorte.
Deze artikelen geven geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
### 2.2. Vergunning regulier bepaalde tijd wedertoelating
Vooropgesteld dient te worden dat de overkomst van de kinderen waarop het onderhavige hoofdstuk betrekking heeft, op verantwoorde wijze dient te zijn geregeld. Het kind dient derhalve in het bezit van een geldige mvv Nederland in te reizen, uiteraard voor zover deze voor Nederland is vereist (zie B1/4.1).
De opneming van buitenlandse kinderen ter adoptie is geregeld in de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447). Deze wet strekt mede tot uitvoering van het per 1 oktober 1998 voor Nederland in werking getreden Haags adoptieverdrag.
Buitenlandse adoptiekinderen in de zin van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) zijn buiten Nederland geboren, de Nederlandse nationaliteit niet bezittende minderjarigen in de zin van de Nederlandse wet, die in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke worden of zullen worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers de plaats van de ouders innemen. De vreemdelingrechtelijke voorschriften en voorwaarden alsook de van toepassing zijnde voorschriften voortvloeiend uit de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) voor deze categorie zijn vermeld onder B3/2.3.
De [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) is van toepassing op alle personen die hun gewone verblijf in Nederland hebben en een buitenlands kind willen adopteren. Al deze personen zijn gehouden de procedures te volgen zoals voorgeschreven door de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447). Aan de procedure van de wet moet derhalve zijn voldaan bij binnenkomst van het kind in Nederland.
Indien het een adoptie betreft die zonder meer in Nederland kan worden erkend (zie B2/5.2.1), wordt de aanvraag van het kind getoetst aan de voorwaarden inzake gezinsvorming en gezinshereniging (zie B2/5). Is er bij de adoptie van het buitenlandse kind door in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders nog geen declaratoir van de Nederlandse rechter verkregen over de geldigheid van de in het buitenland uitgesproken adoptie, dan wordt het kind toegelaten voor verblijf ter adoptie volgens de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk.
Om te kunnen bepalen door welke regels – die van B2 inzake gezinsvorming of gezinshereniging óf die van het onderhavige hoofdstuk – de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier van een (buitenlands) kind worden beheerst, is het van belang vast te stellen of de aanvraag betrekking heeft op een adoptiekind of een adoptiefkind.
In de situatie waarin de adoptie wél in het buitenland is uitgesproken, maar het land niet is aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag, is geen sprake van erkenning van rechtswege. Erkenning dient dan te geschieden door de Nederlandse rechter. In [artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) is vastgelegd onder welke voorwaarden tot erkenning kan worden overgegaan (zie B2/5.2.1.2). Eén van de voorwaarden is dat de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) in acht zijn genomen. B2 is in dit geval alleen van toepassing indien (bij inreis van het kind) de erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter reeds voor handen is.
Voor al deze kinderen geldt als voorwaarde dat naar het oordeel van de Minister voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst doordat er ten aanzien van het kind sprake is van zodanige omstandigheden, dat het niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Zulks wordt in het algemeen niet aangenomen van een kind dat bij zijn ouders verblijft in minder welvarende omstandigheden, voorzover die omstandigheden overigens ter plaatse als normaal zijn te beschouwen. Daarom zal het een in Nederland verblijvend gezin van een rechtmatig hier te lande verblijvende vreemdeling of Nederlander niet zijn toegestaan om bijvoorbeeld een jonger broertje of zusje van één der ouders, of neefje of nichtje op te nemen uitsluitend op grond van de opvatting dat het kind hier te lande in ruimere materiële welstand kan verkeren.
Het is echter mogelijk dat in Nederland (alsnog) in de adoptie moeten worden voorzien middels een adoptie naar Nederland recht. Hiervan kan sprake zijn indien het kind afkomstig is uit een land waarvan het nationale recht niet vereist dat de adoptiebeslissing ter plekke wordt uitgesproken. Er is dan wel voldaan aan de vereisten voor adoptie in het gezin in Nederland, maar er is nog geen adoptiebeslissing genomen. De adoptie vindt pas plaats nadat het kind gedurende een proefperiode (bijvoorbeeld een jaar) in het gezin van de aspirant-adoptiefouders is opgenomen geweest. Indien aan de vereisten voor adoptie is voldaan, neemt de buitenlandse autoriteit een besluit tot opname van het buitenlandse kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouder(s) ter adoptie. Alsdan wordt ten behoeve van het kind een verblijfsvergunning verleend, in afwachting van de adoptie (zie B3/2.3 en verder). Ook in de situatie waarin de in het buitenland uitgesproken adoptie noch op grond van het Haags Adoptieverdrag, noch op grond van [artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0030068&artikel=103) kan worden erkend, wordt de beslissing op de aanvraag beheerst door de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk. De bepalingen van onderhavig hoofdstuk zijn eveneens van toepassing op de aanvraag van een kind ten aanzien waarvan de bepalingen van de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) door de in Nederland woonachtige aspirant-adoptiefouders niet in acht zijn genomen en niet bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing van een Nederlandse rechter is bepaald dat die in het buitenland uitgesproken adoptie rechtsgeldig is.
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van verblijf ter adoptie de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
Door de aspirant-adoptiefouders dient een in het land van herkomst recent afgegeven (niet langer dan zes maanden geleden) medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd, waaruit blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) afgewezen (zie ook B1/4.5). Het vorenstaande is uiteraard niet van toepassing indien het kind op grond van zijn nationaliteit is vrijgesteld van het vereiste van het ondergaan van een onderzoek naar en/of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen.
Ingevolge de [Wobka](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004447) zijn de aspirant-adoptiefouders vanaf het tijdstip van vertrek van het buitenlandse kind naar Nederland verplicht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van dat kind als ware het hun eigen kind. De kosten van een eventuele terugkeer naar het land van herkomst van het kind komen te hunnen laste. In het kader van het onderzoek met het oog op het afgeven van de beginseltoestemming, wordt door de Staatssecretaris van V&J bezien of de aspirant-adoptiefouders duurzaam over voldoende zelfstandige middelen van bestaan beschikken.
Ingevolge [artikel 5 Pleegkinderenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002084&artikel=5) is het hoofd van het pleeggezin verplicht van de opneming van een pleegkind binnen één week schriftelijk kennis te geven aan burgemeester en wethouders van de gemeente van verblijf.
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 2.5.3. De controletaak van de politie ingevolge de [Wobka](onbekend)
Afhankelijk van de vraag of de adoptie in Nederland wordt erkend, moet worden beoordeeld of het kind voor gezinsvorming of gezinshereniging op grond van het bepaalde in B2, of voor verblijf ter adoptie op grond van de in het onderhavige hoofdstuk opgenomen bepalingen in aanmerking komt.
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
### 2.6.1. Ontbreken mvv
In beide bovengenoemde gevallen wordt de aanvraag niet afgewezen omdat niet wordt voldaan aan het vereiste bezit van een geldige mvv. In deze gevallen gaat het namelijk om een minderjarige die door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, en die op grond van dit paspoort Nederland is ingereisd, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort. Nu het hier gaat om een bijzondere groep, bestaat aanleiding om onder toepassing van [artikel 3.71, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) de aanvraag niet af te wijzen wegens het ontbreken van een geldige mvv.
### 2.6.2. Aanvraag vaststelling van het Nederlanderschap
Tevens staat het de adoptie(f)ouders vrij om op grond van [artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) ten behoeve van het adoptie(f)kind een aanvraag verblijfsvergunning regulier van tijdelijke aard in te dienen onder een beperking verband houdend met het afwachten van een bij de rechtbank ingediend verzoek als bedoeld in [artikel 17 RWN](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17) tot vaststelling van het Nederlanderschap. Voor de te volgen procedure wordt verwezen naar B4/11 en verder.
[Artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) geeft het kader aan waarbinnen aan Oud-Nederlanders verblijf kan worden toegestaan in het kader van wedertoelating. De in het [eerste en tweede lid, onder a, van artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) genoemde groepen oud-Nederlanders zijn niet limitatief. Het tweede lid, onder b, van dit artikel geeft de mogelijkheid in de Vc ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen op te nemen.
### 1. Inleiding
[Artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) geeft het kader aan waarbinnen aan Oud-Nederlanders verblijf kan worden toegestaan in het kader van wedertoelating. De in het [eerste en tweede lid, onder a, van artikel 3.53 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.53) genoemde groepen oud-Nederlanders zijn niet limitatief. Het tweede lid, onder b, van dit artikel geeft de mogelijkheid in de Vc ook ten aanzien van andere categorieën oud-Nederlanders verblijfsregelingen op te nemen.
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De inkomensnorm geldt als een referentiebedrag en niet als minimuminkomen waaronder geen gezinshereniging wordt toegestaan zonder enige concrete beoordeling van de situatie van de aanvrager.
Als oud-Nederlanders kunnen in ieder geval worden aangemerkt:
### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
Zo nodig wint het Hoofd van de Visadienst dan wel de Minister voor I&A aanvullende gegevens in bij de Raad voor de Kinderbescherming omtrent de geschiktheid van de aspirant pleegouders voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de enkele grond dat:
### 4.1. Beperking
### 2.2.4.1. Verblijfsvoorwaarden
### 7. Beperking en arbeidsmarkaantekening
Op het verblijfsdocument van het kind wordt dezelfde arbeidsmarktaantekening geplaatst als op het verblijfsdocument van de hoofdpersoon. Indien de hoofdpersoon de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt als arbeidsmarktaantekening geplaatst ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4.3. Voorschrift
### 5. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.2.4.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3. Remigratie en terugkeeroptie (op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8))
[Artikel 3.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.49) geeft aan wanneer verblijf kan worden toegestaan aan een vreemdeling, die een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), tot vaststelling van zijn Nederlanderschap heeft ingediend.
Het eerste deel van dit hoofdstuk zet uiteen wanneer en onder welke voorwaarden de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde en onbepaalde tijd in het kader van wedertoelating kunnen worden verleend. Het tweede deel van het hoofdstuk behandelt de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in afwachting van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 2.1. Algemeen
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
De aanvraag wordt niet afgewezen indien:
### 3.2.1.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Het gevaar voor de openbare orde wordt beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn aangelegd voor verblijfsbeëindiging (de glijdende schaal; zie B1/5.3.6). Bij de vaststelling van de verblijfsduur wordt mede betrokken de periode waarin de vreemdeling als Nederlander in Nederland heeft verbleven. Onder strafmaat wordt verstaan de totale duur van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen, met inbegrip van die welke bij al dan niet onherroepelijk geworden uitspraak zijn opgelegd in de periode waarin de vreemdeling het Nederlanderschap bezat en in de periode na het verlies van het Nederlanderschap.
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
### 3.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Wat betreft de voorwaarden is het bepaalde in B4/2.2.3.1 en B4/2.3.1 van overeenkomstige toepassing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) of voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)).
Indien de betrokkene na verlening of verkrijging van het Nederlanderschap – doch voordat het Nederlanderschap werd ingetrokken – zelf afstand doet van de Nederlandse nationaliteit wordt de termijn van twee jaar berekend vanaf de dag na die waarop de verklaring is afgelegd.
Naast de in paragraaf B4/2.2.3.2 genoemde bescheiden, met uitzondering van een afschrift van het besluit waarbij het Nederlanderschap is ingetrokken, overlegt de vreemdeling bij de aanvraag een uittreksel uit de GBA waaruit de datum blijkt waarop afstand is gedaan van de Nederlandse nationaliteit.
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.
### 3.2.2. Vergunning regulier onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) kan worden verleend aan de vreemdeling:
### 9. Aard van het verblijfsrecht
In de gevallen, waarbij tevens is voldaan aan het middelenvereiste, wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) verleend met de aantekening “EG-langdurig ingezetene”. Indien niet wordt voldaan aan het middelenvereiste wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
### 3.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
Zie het gestelde in B4/3.2.1.2.
### 4. Vergunning regulier bepaalde tijd terugkeeroptie (minderjarigen)
Deze terugkeeroptie moet worden onderscheiden van de terugkeeroptie op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8). Deze regeling ziet op de minderjarige vreemdeling, aan wie in het kader van wedertoelating een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)).
De verblijfsvergunning kan aan de minderjarige vreemdeling worden verleend indien:
### 11.5. Aard van het verblijfsrecht
Ten aanzien van de onder b bedoelde groep wordt, door de jeugdige leeftijd waarop de betrokken vreemdeling Nederland heeft verlaten, aangenomen dat de beslissing om Nederland te verlaten niet bewust en weloverwogen is gemaakt. Tevens wordt a priori aangenomen dat de banden met Nederland sterker zijn dan de banden met het land van herkomst. De betrokken vreemdeling heeft na het vierde levensjaar ten minste tien jaren rechtmatig in Nederland verbleven en in die periode het grootste deel van zijn schoolopleiding in Nederland gevolgd. Overigens behoeft het rechtmatig verblijf op grond van onderdeel a. niet aaneengesloten te zijn. Evenmin is noodzakelijk dat het rechtmatig verblijf is begonnen toen de vreemdeling vier jaar oud was. Voldoende is, dat de vreemdeling tien jaar rechtmatig heeft verbleven tussen het vierde jaar en zijn meerderjarigheid. Het vereiste dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning moet zijn ontvangen voordat de vreemdeling meerderjarig wordt, stelt veilig dat de banden met het land van herkomst – die mettertijd sterker zullen worden naarmate het verblijf van de vreemdeling aldaar duurt – minder sterk zijn dan de banden met Nederland.
### 11.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 5. Vergunning regulier onbepaalde tijd terugkeeroptie (meerderjarigen)
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
### 1. Inleiding
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
Zie het gestelde onder B4/4.2.
### 6. Beoordeling openbare orde
### 7. Beperking en arbeidsmarkaantekening
### 3.2.3. Bij besluit aangewezen categorieën vreemdelingen
De vergunning, als bedoeld in B4/3.1, wordt verleend voor de duur van ten hoogste zes maanden of zoveel korter als het daadwerkelijke vertrek uit Nederland.
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
Voor buitenlandse werknemers vindt de vaststelling daarvan plaats in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) (zie B5/1.2). Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
### 2.1.1. Procedure IND-loket kennis- en arbeidsmigratie voor gezinsleden
### 11. Verblijfsvergunning in afwachting van verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17)
### 11.1. Verblijfsvoorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die op grond van [artikel 86, tweede lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=86), bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek, als bedoeld in [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17), heeft ingediend, indien:
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling in ieder geval een volledig afschrift van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 11.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
Teneinde de doelmatigheid en de snelheid van de afhandeling te bevorderen als ook een goede afstemming van de werkprocessen bij de IND en UWV WERKbedrijf te waarborgen (zie B5/1.1), verloopt de aanvraagprocedure van de verblijfsvergunning via het centrale loket voor kennis- en arbeidsmigratie bij de IND en wordt ook de aanvraagprocedure voor de TWV door UWV WERKbedrijf centraal afgehandeld.
### 2.5. Voorschrift
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
Indien die afhankelijke gezinsleden de vreemdeling vergezellen, wordt hun aanvraag om wedertoelating aangemerkt als aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, indien:
### 4.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties continentaal plat
Het gelijktijdig afdoen van het verzoek van gezinsleden door het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:
Bij [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd moet worden verleend voor arbeid in loondienst, indien er geen afwijzingsgronden van toepassing zijn.
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
### 2.5. Voorschrift
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
De Minister van SZW heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het beleid met betrekking tot de toelating tot de Nederlandse arbeidsmarkt op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Hij heeft de uitvoering van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) gedelegeerd aan UWV WERKbedrijf.
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
### 2.4. Beperking
De [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) voorziet in een aantal uitzonderingen op deze verbodsbepaling (zie B5/3.1).
Op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) wordt getoetst of er gronden zijn om aan de werkgever waarvoor de vreemdeling arbeid wil gaan verrichten een TWV verlenen.
[Artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) bepaalt dat het verbod voor een werkgever om een vreemdeling zonder TWV arbeid te laten verrichten niet geldt voor:
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
De werkgever kan ten behoeve van een vreemdeling die in Nederland verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid in loondienst, een verzoek om advies met het oog op afgifte van een mvv voor het verrichten van arbeid in loondienst indienen bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie door middel van het daarvoor bestemde formulier. In dit formulier zijn de documenten en gegevens opgenomen die overgelegd moeten worden ten behoeve van het advies. Dit formulier wordt door hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld. Dit aanvraagformulier dient volledig ingevuld en voorzien van alle gevraagde gegevens en bescheiden te worden geretourneerd naar de IND.
Ten aanzien van de procedure met betrekking tot de afhandeling van dit verzoek is het bepaalde in B1/1.1.1 en B1/1.1.2 van toepassing.
De werkgever dient een aanvraag om verlening van een TWV in bij UWV WERKbedrijf.
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) krijgen op hun verblijfsdocument de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan.
### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning
Het gelijktijdig afdoen van het verzoek van gezinsleden door het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Voor gezinsleden gelden daarnaast de in B2 neergelegde toepasselijke voorwaarden, waaronder de legalisatie en verificatie van documenten (zie B2/7).
### 2.2. Samenhang beslissing aanvraag TWV en verblijfsvergunning
### 4.6.4.2. Beperking
Een weigeringsgrond of het niet voldoen aan een voorwaarde leidt tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd vormt ingevolge [artikel 8, eerste lid onder c, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=8) een dwingende weigeringsgrond voor een TWV. Door zo mogelijk direct op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te beslissen kan de ongewenste situatie worden voorkomen dat aan een vreemdeling die inmiddels op grond van een aan de werkgever op diens aanvraag verleende TWV arbeid in loondienst is gaan verrichten, nadien het verblijf moet worden ontzegd. Het gaat daarbij om aanvragen die worden afgewezen op grond van weigeringsgronden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), zoals gevaar voor de openbare orde (zie [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78)) en onvoldoende middelen van bestaan. Als voorwaarde voor verlening van de verblijfsvergunning geldt ingevolge [artikel 3.31, tweede lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) de verplichting mee te werken aan onderzoek naar of behandeling van TBC van de ademhalingsorganen, tenzij dat wegens de nationaliteit van de vreemdeling niet is toegestaan. Indien de vereiste medewerking niet wordt gegeven, wordt de vergunning niet verleend (zie B1). In afwachting van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst plaatst de burgemeester (in de praktijk de ambtenaar burgerzaken of de ambtenaar publiekszaken) een verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het paspoort of identiteitsbewijs van de vreemdeling.
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
De buitenlandse godsdienstleraar of geestelijk voorganger die op verzoek van een bepaalde groepering naar Nederland wil komen, komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in aanmerking, indien hij beschikt over een geldige mvv voor dat doel. Daarvoor is onder meer vereist dat die groepering dan wel de werkgever beschikt over een TWV voor het door de vreemdeling laten verrichten van werkzaamheden in die hoedanigheid. CWI beoordeelt op grond van de Wav of een TWV kan worden afgegeven. Daarnaast stelt de IND een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare rust en de openbare orde bezwaar bestaat tegen het verblijf van de godsdienstleraar dan wel geestelijk voorganger in Nederland en of de betrokken groepering op wier verzoek de godsdienstleraar of geestelijk voorganger zijn werkzaamheden zal gaan uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de godsdienstleraar of geestelijk voorganger handhaaft.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
De maximale duur van een TWV is ingevolge [artikel 11, eerste lid, Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=11) drie jaar.
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
De IND onderzoekt voorts of aan de overige voorwaarden is voldaan.
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
Op het verblijfsdocument wordt ingevolge [artikel 4.21, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21) in beginsel de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ geplaatst.
### 3. Buitenlandse werknemers TWV niet vereist
Voor vreemdelingen die werkzaam zijn (geweest) op Nederlandse zeeschepen en boorplatformen (mijnbouwinstallaties) op het Nederlandse deel van het continentaal plat zijn enkele specifieke verblijfsregelingen opgenomen. De bijzondere voorwaarden hiervoor zijn geregeld in de [artikelen 3.34 tot en met 3.38 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34).
### 3.2. Vreemdelingen met aantekening document ‘arbeid vrij toegestaan’
### 4.5.1. Beperkingen
Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
B2 is van toepassing, met uitzondering van het beleid inzake voortgezet verblijf na verblijf in het kader van gezinshereniging (zie B16), aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5), en [3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of [33 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=33) krijgen op hun verblijfsdocument de aantekening dat arbeid vrij is toegestaan.
Ten aanzien van een vreemdeling die drie jaar de beschikking heeft gehad over een voor arbeid geldige verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geldt voor de werkgever niet langer de verplichting te beschikken over een TWV. Het is hierbij niet van belang of sprake is geweest van arbeid in loondienst dan wel arbeid als zelfstandige.
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Indien een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van de onderstaande regelingen wordt hij geacht zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland te hebben verplaatst enkel omdat hij buiten Nederland arbeid verricht (zie B1/5.3.2).
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
Het gaat om de volgende categorieën van vreemdelingen:
De verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’ als hij in ieder geval voldoet aan de voorwaarden genoemd in [artikel 3.31, tweede lid, onder b, c en e, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31).
### 4.6.2. Gastdocenten
Er dient te zijn voldaan aan zowel de vereisten van [artikel 3.31 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) (zie B5/2) als [artikel 3.33 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.33).
Door dit onderzoek wordt voorkomen dat problemen ontstaan, voortvloeiend uit culturele, politieke of religieuze tegenstellingen.
### 4.2.4. Arbeid als zelfstandige
### 4.4.2. Beperking
Desgewenst kan de vreemdeling, als genoemd onder B5/4.2, voor het doorbrengen van verlof in Nederland in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, indien het verlof de vrije termijn overschrijdt. In dat geval is [artikel 3.37 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.37) van toepassing.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
Gezinsleden van de vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof in Nederland worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt.
### 4.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
[Artikel 3.31a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31a) verschaft het verblijfskader voor vreemdelingen die als grensoverschrijdende dienstverrichter in Nederland willen verblijven.
De buitenlandse godsdienstleraar of voorganger is uitgezonderd van de algemene regeling van B5/5.3 inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, omdat zijn verblijfsrecht ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk van aard is. Dit betekent dat het aan de buitenlandse godsdienstleraar of voorganger niet is toegestaan om, nadat hij zijn werkzaamheden als godsdienstleraar of voorganger heeft beëindigd, zijn verblijf hier te lande voort te zetten.
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
Afgezien van de bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in de hier bedoelde gevallen gelden steeds de algemene voorwaarden – en ook weigeringsgronden – voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.4.4. Geldigheidsduur
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
### 4.4.2. Beperking
Het arbeidsverleden van buitenlandse werknemers op Nederlandse zeeschepen wordt bepaald aan de hand van het monsterboekje.
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
De vreemdeling als genoemd onder B5/4.2, die beoogt arbeid hier te lande te verrichten, komt onder bepaalde voorwaarden, vermeld in [artikel 3.35, eerste en tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.35) in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Het gaat hierbij om een verblijfsregeling voor buitenlandse wernemers die werkzaam zijn geweest aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlands deel van het continentaal plat, en die wegens werkloosheid een uitkering krachtens de [WW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004045) ontvangt (zie [artikel 3.35 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.35)).
Met de regering van Canada is een Memorandum van Overeenstemming gesloten inzake een uitwisselingsprogramma voor werkende jongeren (Young Workers Exchange Program). Ingevolge het Young Workers Exchange Program geldt als vereiste voor stagiairs die:
Indien de vreemdeling, als genoemd onder B5/4.2, gezinshereniging of -vorming beoogt in Nederland (een verblijfsvergunning voor zijn gezinsleden op afhankelijke gronden), dient hij allereerst zelf te beschikken over een verblijfsvergunning (op zelfstandige gronden, zie [artikel 3.34 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.34)).
Gezinsleden van de vreemdeling aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met het doorbrengen van verlof in Nederland worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt.
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van de opleiding in het land van herkomst.
Onder practicant wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als practicant’.
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
De verbodsbepaling van de Wav is niet van toepassing op een vreemdeling die zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft én geen arbeidsovereenkomst heeft met een in Nederland gevestigde werkgever én uitsluitend arbeid verricht op buiten Nederland geregistreerde vervoermiddelen in het internationale verkeer (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
Het verblijf als stagiair en practicant is ingevolge [artikel 3.5, tweede lid, onder h, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) tijdelijk.
De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt.
Geen TWV is vereist, indien de gastcolleges voor de duur van maximaal één jaar worden gegeven. Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar zal bedragen, is voor deze werkzaamheden wel een TWV vereist.
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
Gezinsleden van de dienstverrichter aan wie op grond van het vorenstaande een verblijfsvergunning is verleend, zijn niet vrijgesteld van de TWV-plicht. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over TWV’.
### 4.6.5.2. Duurzame middelen van bestaan
Onder stagiair wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om arbeid te verrichten die noodzakelijk is ter voltooiing van de opleiding in het land van herkomst.
Onder practicant wordt verstaan een vreemdeling die naar Nederland komt om werkervaring op te doen die voor diens toekomstig functioneren in het land van herkomst van belang is.
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Indien een TWV is verleend wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van de TWV onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’, met plaatsing van de aantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’, mits aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), nader uitgewerkt in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) en hoofdstuk B1/4, is voldaan. Bij de toets of met de aanwezigheid van de sporter in dat geval een wezenlijk Nederlands belang is gediend worden overeenkomstige criteria gehanteerd als bij de beoordeling of een TWV kan worden afgegeven.
### 4.11. Directeuren-(groot)aandeelhouders
### 4.6.4.6. Duurzame middelen
### 4.6.2. Gastdocenten
### 4.6.5.2. Duurzame middelen van bestaan
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
### 4.6.2.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘arbeid in loondienst’.
Als aantekening wordt vermeld: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 4.6.2.4. Voortzetting van verblijf
Indien tijdig een aanvraag is ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de in dit kader voor één jaar verleende verblijfsvergunning is het de betrokken gastdocent toegestaan de arbeid als gastdocent voort te zetten in afwachting op de beslissing op die aanvraag, zolang op de tevens vereiste aanvraag om een TWV nog niet is beslist. In dat geval is de weigeringsgrond van [artikel 18, eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) niet van toepassing (zie B5/2 en B5/2.2).
### 4.6.3. Wetenschappelijk onderzoekers
### 4.6.6.1. Duurzame middelen
### 4.6.4.2. Beperking
### 4.8. Vreemdelingen werkzaam geweest als geprivilegieerde vreemdeling
De werkgever dient echter wel in het bezit te zijn van een TWV (behoudens uitzonderingen genoemd in 3). Voor de verlening van de TWV voor arbeid voor maximaal 12 weken moet de vreemdeling in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf.
### 4.9. Werknemers in de sportsector
### 4.6.4.5. Middelen van bestaan
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
Kunnen zij aannemelijk maken dat zij naar Nederland zijn gekomen voor een tijdvak van maximaal drie maanden, te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst, dan hoeven zij de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar zij verblijven ressorteert, niet te melden dat ze werk gaan zoeken of verrichten.
### 4.7.2. Grensarbeiders
### 4.12.1. Algemeen
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
Een TWV is niet vereist, indien tijdelijk betaald werk wordt verricht voor de duur zoals is bepaald in een actieprogramma van de EU.
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
Alleen voor het incidenteel in Nederland deelnemen aan een wedstrijd door personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben is een uitzondering gemaakt en is een TWV niet vereist (zie [artikel 1 Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
### 4.10. Sleutelpersoneel bedrijf van land met Europa-overeenkomst
Het volgende heeft betrekking op vreemdelingen die verblijf binnen de zogeheten vrije termijn beogen. Te denken valt aan:
### 4.12.1. Algemeen
Kunnen zij aannemelijk maken dat zij naar Nederland zijn gekomen voor een tijdvak van maximaal drie maanden, te rekenen van het tijdstip van hun binnenkomst, dan hoeven zij de korpschef van het regionale politiekorps waaronder de gemeente waar zij verblijven ressorteert, niet te melden dat ze werk gaan zoeken of verrichten.
Met het oog daarop kan de vreemdeling zich melden bij de IND, die hem daartoe een verblijfssticker (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) verstrekt.
Met het oog op de verlening van een TWV aan hun werkgever is het ook voor grensarbeiders van belang dat zij in het bezit zijn van een bewijs van rechtmatig verblijf. Zie hiervoor het gestelde onder B5/4.7.1.
### 4.7.3. Musici en artiesten
Voor musici en artiesten die incidenteel (binnen een periode van vier weken) optreden, is geen TWV vereist (zie [artikel 1, onder 7°, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
Vreemdelingen die houder zijn van een geldige, door een Schengenland afgegeven verblijfstitel, zijn voor het verrichten van diensten voor een periode van maximaal drie maanden vrijgesteld van de visumplicht. Voor het verrichten van diensten gedurende deze periode hebben zij geen TWV nodig. Houders van een verblijfsvergunning van een EU/EER lidstaat, niet zijnde een Schengenlidstaat, zoals Ierland, het Verenigd Koninkrijk en de op 1 mei 2004 toegetreden lidstaten, dienen wel over een visum kort verblijf te beschikken.
Op de verblijfsvergunning wordt de aantekening geplaatst: “TWV vereist. Andere arbeid niet toegestaan”.
Een vreemdeling komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid in loondienst’ in het kader van de Pilot Circulaire Migratie als aan de voorwaarden van B5 wordt voldaan. Daarnaast moet de vreemdeling, die verblijf voor arbeid in loondienst beoogt in het kader van deze Pilot verder aan de algemene voorwaarden van [art 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voldoen.
### 4.13.5. Gezinshereniging en - vorming
De aanvraag voor een verblijfsvergunning wordt ingediend bij de IND door de Stichting Hersteld vertrouwen in de Toekomst (HIT) als gemachtigde namens de vreemdeling en diens werkgever.
### 4.13.2. Beperking
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking “arbeid in loondienst bij ..... (naam werkgever)”.
Derhalve dienen zij indien zij een belang van 25% of meer hebben in het bedrijf, ondernemingsrisico lopen en de hoogte van het salaris zelf kunnen beïnvloeden, een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als zelfstandige aan te vragen. Indien zij niet aan deze criteria voldoen, is de procedure die geldt voor werknemers van toepassing.
### 4.12. EG-langdurig ingezetenen
In deze paragraaf wordt ingegaan op specifieke factoren die van invloed kunnen zijn op de verblijfsrechtelijke positie van een buitenlandse werknemer aan wie een verblijfsvergunning is verleend voor het verrichten van arbeid in loondienst. Zie voor de overige algemene gronden die kunnen leiden tot verblijfsbeëindiging B1/4.
Ingevolge [artikel 3.31, vijfde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31) wordt de aanvraag die is ingediend door een langdurig ingezetene niet afgewezen op gronden dat:
### 5.3. Werkloosheid
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
Bij de aanvraag dient de langdurig ingezetene, in aanvulling op het bepaalde in B17, de volgende bescheiden over te leggen:
### 4.12.4. Beperking
Recht op een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) bestaat, mits de 65-jarige leeftijd nog niet is bereikt, bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 of meer, tijdens de verzekeringsperiode ontstaan, en nadat de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft voortgeduurd.
### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 5.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 4.13.4. Geldigheidsduur
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 4.13.5. Gezinshereniging en – vorming
### 5.2. Ongeoorloofde tewerkstelling
### 6.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de [Vw](onbekend)
Er is sprake van verwijtbare werkloosheid in de zin van [artikel 3.91, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91) onder andere in de volgende gevallen:
De arbeidsongeschiktheid heeft voor het verblijfsrecht van de buitenlandse werknemer de volgende consequenties.
### 5.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 5.4.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 7.3.2. Toetsing wezenlijk Nederlands belang Turkse zelfstandigen
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
Voor het verkrijgen van inlichtingen omtrent het ontslag van een buitenlands werknemer, diens aanspraken op een uitkering krachtens bovengenoemde wetten en de eventuele arbeidsbemiddeling, kan de IND zich ingevolge [artikel 107 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=107) wenden tot UWV WERKbedrijf, de bedrijfsvereniging en de Gemeentelijke Sociale Dienst.
De [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), de [Wet op de economische delicten](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002063), het [WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) en de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) voorzien in een aantal bepalingen om illegale tewerkstelling tegen te gaan en de tewerkstelling van buitenlandse werknemers te kunnen reguleren.
### 7.4.1. Middelenvereiste
### 7.4.1. Middelenvereiste
De vreemdeling die toegelaten wil worden om arbeid als zelfstandige te verrichten, moet aantonen dat hij aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van het uit te oefenen beroep of aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf voldoet ([artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30)).
Ter controle op werkgevers in Nederland die, zonder in het bezit te zijn van de daartoe vereiste TWV, buitenlandse werknemers in dienst hebben gehad, is bij [artikel 4.41 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) aan werkgevers de verplichting gesteld om onmiddellijk gegevens te verstrekken aan de Korpschef over vreemdelingen die bij hen in dienst zijn. De Korpschef kan daartoe bij een daartoe strekkende vordering een termijn stellen (zie [A3/7.3.5](onbekend)).
### 7. Zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen, inclusief horecabedrijf
Hier komen aan de orde de regels ten aanzien van vreemdelingen die een zelfstandig beroep of bedrijf in Nederland (willen) uitoefenen. Het gaat dus niet om het verrichten van werkzaamheden in loondienst.
Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van B&W van een gemeente. In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen.
### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
Indien niet aan de daar vermelde voorwaarden is voldaan, is de Minister niet bevoegd de gevraagde vergunning te verlenen en moet de aanvraag worden afgewezen, tenzij internationale verplichtingen tot verlening van de gevraagde vergunning nopen (zie [artikel 13 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=13), B10 en B11). Is wel aan de voorwaarden van [artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) voldaan, is de Minister bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen, doch niet verplicht. Hierna wordt aangegeven in welke gevallen van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt.
### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
### 7.8. EG-langdurig ingezetenen
### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
Voor de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend ([artikel 3.30, eerste lid aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30), zal in veel gevallen het oordeel van andere ministeries van belang zijn. In geval van een kunstenaar zal het advies van de Minister van OCW moeten worden gevraagd, in geval van een sportleraar het advies van de Minister van VWS. Indien het gaat om het zelfstandig uitoefenen van een beroep of ondernemersactiviteiten zal in de regel advies moeten worden gevraagd aan de Minister vanEL&I. De toenmalige Minister van Economische Zaken heeft een puntensysteem ontwikkeld dat de basis vormt voor het advies dat de Minister van EL&I aan de IND geeft over het wezenlijk Nederlands economisch belang dat met het verblijf van de vreemdeling in Nederland wordt gediend (zie hierna B5/7.3.1). Voor Turkse vreemdelingen die verblijf in Nederland voor het verrichten van arbeid als zelfstandige beogen, geldt het puntensysteem niet (zie hierna B5/7.3.2).
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
Uit het ondernemingsplan zelf moet in ieder geval het volgende blijken:
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diploma’s) en beroepservaring;
De vreemdeling dient aan te tonen dat hij door de uitoefening van zijn beroep of bedrijf kan beschikken over voldoende middelen van bestaan, gelet op [artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) en B1/4.3.4.
In geval van een aanvraag om een mvv, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur of een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur, ingediend terwijl de vreemdeling nog niet tenminste anderhalf jaar in het bezit is van die verblijfsvergunning, geldt het volgende.
In deze gevallen kunnen de te verwachten bedrijfsresultaten inzichtelijk en aannemelijk worden gemaakt door middel van het indienen van een ondernemingsplan, omschreven in B5/7.3.3 en B5/7.3.4, dat ook kan worden gebruikt bij de beoordeling of met de te vestigen onderneming in Nederland en met het verblijf van de betrokken vreemdeling een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend, als bedoeld in B5/7.1 en B5/7.3. Het ondernemingsplan dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit de bestaansmiddelen van de ondernemer kunnen worden afgeleid, dat wil zeggen uit de daarin mede opgenomen, te verwachten bruto winst.
### 7.4.1. Middelenvereiste
### 7.5. Vereisten voor het uitoefenen van een bepaald beroep of bedrijf
Zo zal een buitenlandse arts de bevoegdheid moeten bezitten om in Nederland zijn vak uit te oefenen. Hiervoor is onder meer ook, evenals voor andere beroepen in de individuele gezondheidszorg, inschrijving in het BIG-register vereist. Meer inlichtingen omtrent de uitoefening van medische en paramedische beroepen worden verstrekt door het Ministerie van VWS.
### 2. Voorwaarden voor studie hoger onderwijs
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in het kader van studie aan het hoger onderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
Verblijf wordt geweigerd indien er sprake is van een algemene weigeringsgrond, zoals gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dan wel indien niet aan een algemene of bijzondere voorwaarde is voldaan (zie [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en [artikel 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) of [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78)).
### 7.9.2. Vreemdeling werkzaam is (geweest) internationale arbeidsmarkt
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
Zie B11.
### 7.10. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
**Voorbeeld:**
Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld (zie [artikel 3.42, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
Voor de arbeidsmarktaantekeningen voor EU/ EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B1/2.3.1, B10/2.7 en B10/3.3.2.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
Als aanvullende voorwaarde geldt dan dat ondertekening van de garantverklaring, bedoeld in [artikel 3.42, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42) geschiedt door de hoofdpersoon en bedoelde (geregistreerde of huwelijks-)partner.
### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
### 2.1.1. De bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling
Indien de student beschikt over een bedrag op een (buitenlandse) bankrekening, dient dit bedrag minimaal gelijk te zijn aan twaalf maal (of zoveel minder als de daadwerkelijke duur van het verblijf) het toepasselijke maandelijkse normbedrag. Het geld dat op de (buitenlandse) bankrekening is gestort, hoeft niet afkomstig te zijn van de student zelf. Voorwaarde is wel dat de bankrekening mede of uitsluitend op naam van de student is gesteld (zie [artikel 3.42, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft voor studiedoeleinden, bij tussentijdse beëindiging van de studie of als de studie niet tijdig is afgerond Nederland dient te verlaten. De vreemdeling ondertekent dan ook een verklaring dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor studiedoeleinden verblijf in Nederland wordt toegestaan.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
Als de vreemdeling binnen de maximale verblijfsduur de studie/opleiding heeft afgerond en een nieuwe studie/opleiding wil beginnen, is de maximale verblijfsduur niet van toepassing. In dat geval kan immers niet worden gesteld dat sprake is van onvoldoende studievoortgang. Wanneer in deze situatie aan alle voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning voor studie wordt voldaan, kan de verblijfsvergunning worden verleend en vangt de berekening van de maximale verblijfsduur opnieuw aan.
### 5. Het verrichten van arbeid
Indien een verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie, wordt de maximale verblijfsduur met één jaar verlengd.
### 7.1. Inleiding
Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan is van belang of de studie en het verblijf worden bekostigd door:
### 7.2. Middelen van bestaan
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
### 7.1. Inleiding
Middelen van bestaan zijn in het algemeen duurzaam, indien zij voor een periode van één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven (zie B1/4.3). Deze hoofdregel is opgenomen in [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75).
Bij aanvragen voor studiedoeleinden kunnen de studie en het verblijf van de vreemdeling ook worden gefinancierd door middel van periodieke betalingen. Deze betalingen kunnen afkomstig zijn van zowel een buiten als binnen Nederland gevestigde persoon of instelling. Deze middelen kunnen als duurzaam worden aangemerkt, indien voldoende zekerheid is verschaft over het ongestoorde verloop van de periodieke geldstroom (zie [artikel 3.42, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)).
In de regel zal de student moeten aantonen dat hij voor ten minste één jaar beschikt over voldoende middelen van bestaan. Bij aanvragen voor studiedoeleinden bestaat hierop evenwel een uitzondering. Indien de student namelijk een verblijf korter dan één jaar beoogt, zal het aan te tonen bedrag worden gerelateerd aan de daadwerkelijke duur van het verblijf (zie [artikel 3.42, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.42)). Als hij dus een verblijf van zes maanden beoogt, zal hij moeten aantonen voor die periode over voldoende middelen van bestaan te beschikken.
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor een opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs de volgende cumulatieve voorwaarden:
Voor een schriftelijke studie of een avondopleiding wordt geen toelating verleend (zie [artikel 3.41, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.41)).
### 7. Uitwisseling
### 1.2. Gezinshereniging of -vorming
### 2. Au pairs
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
Aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor (verruimde) gezinshereniging of -vorming met een in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling worden afgewezen. De verblijfsvergunning wordt ingetrokken indien de in het kader van uitwisseling in Nederland verblijvende vreemdeling overgaat tot gezinshereniging of gezinsvorming met een al dan niet rechtmatig in Nederland verblijvende persoon. De vreemdeling wordt dan in de gelegenheid gesteld een aanvraag in te dienen tot wijziging van de vergunning.
Het is voorts aan vreemdelingen die hier te lande voor studiedoeleinden zijn toegelaten, toegestaan arbeid van bijkomende aard te verrichten. Het gaat hier om arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoenarbeid in de maanden juni, juli en augustus. Voor het verrichten van arbeid van bijkomende aard is wel een TWV vereist.
Als algemene uitgangspunten voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk gelden de volgende regels:
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die zijn verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 2.5. Arbeidsmarktaantekening
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
Deze tegenprestatie mag niet het karakter hebben van werk in de zin van de [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) (Wav) waarvoor een tewerkstellingsvergunning vereist is. Dit betekent onder meer dat de au pair niet alleen (volledig) verantwoordelijk kan zijn voor de licht huishoudelijke werkzaamheden; er moet altijd een alternatief voorhanden zijn. Een au pair mag niet worden ingezet als nanny of werk(st)er. Ook mag een au pair geen taken verrichten voor mensen die een bijzondere zorg nodig hebben, die een specifieke vaardigheid vereist. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om handelingen waarvoor een (medische) opleiding nodig of vereist is.
### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden
Indien het gastgezin de au pair werkzaamheden laat verrichten waarvoor ingevolge de Wav een TWV verplicht is, is het gastgezin strafbaar op grond van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Zie het gestelde in B5/6 (wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling).
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
### 2.4. Beperking
### 2.5. Arbeidsmarktaantekening
[Artikel 3.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.43) geeft het kader waarbinnen aan een vreemdeling verblijf kan worden toegestaan als au pair. De [artikelen 3.44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.44) en [3.45 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.45) geven het kader waarbinnen aan een vreemdeling verblijf kan worden toegestaan in het kader van andere vormen van uitwisseling dan au pair. Indien aan de in die artikelen vermelde voorwaarden is voldaan, is de Minister bevoegd, doch niet verplicht, de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
### 1.1. Verblijf algemeen
Als algemene uitgangspunten voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk gelden de volgende regels:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf in het kader van uitwisselingsprogramma van (naam uitwisselingsorganisatie)’.
De deelnemer maakt kennis met de Nederlandse samenleving en cultuur via het verblijf in het gastgezin, deelname aan activiteiten van de organisatie, en via het volgen van onderwijs.
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
Een belangrijke plaats bij de beoordeling vooraf bij de aanvraag van de verblijfsvergunning en bij het toezicht wordt ingenomen door de bewustverklaring (zie [bijlage 10 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=10)) en de overeenkomst au pair – gastgezin (zie [bijlage 13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13) en 13a VV). In de overeenkomst komen de au pair en het gastgezin overeen dat zij de daarin neergelegde verplichtingen zullen nakomen. Hetgeen wordt vastgelegd in de overeenkomst is direct van toepassing op de desbetreffende au pair en het gastgezin.
De aanvraag wordt afgewezen of het verblijfsrecht beëindigd indien de au pair:
### 2.4. Beperking
### 2.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4.5. Arbeidsmarktaantekening
De authenticiteit van de voor dit verblijfsdoel benodigde buitenlandse documenten wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gecontroleerd alvorens tot afgifte van de mvv kan worden overgegaan.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
De hierboven bedoelde termijn van vijf jaar vangt aan op de datum waarop de intrekkingsbeschikking van de verblijfsvergunning in rechte onaantastbaar is geworden, dan wel op de datum waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Indien de tenuitvoerlegging van de sanctie pas later heeft plaatsgevonden, vangt de termijn aan op de dag waarop de sanctie volledig ten uitvoer is gelegd (zie B1/4.4.1).
In het geval van een uitnodigende instelling kan aan dit voorschrift ook worden voldaan door middel van ondertekening van een garantverklaring door die instelling (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)).
### 4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
### 4.4. Beperking
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
### 4.6. Voorschriften
### 5.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
De authenticiteit van de voor dit verblijfsdoel benodigde buitenlandse documenten wordt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gecontroleerd alvorens tot afgifte van de mvv kan worden overgegaan.
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, volstaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging met de mededeling aan de jongere dat hem wegens het niet voldoen aan de voorwaarden in Nederland geen positieve verklaring zal kunnen worden verstrekt voor het gevraagde doel.
### 4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
De IND verschaft de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op de aanvraag het bescheid rechtmatig verblijf, met daarop de aantekening dat het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.
### 5. Europees Vrijwilligerswerk
Deze mogelijkheid bestaat ingevolge de gemaakte afspraken ook voor Nederlandse jongeren in de genoemde landen.
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
Om in de kosten van hun verblijf te voorzien is het deze jongeren toegestaan betaalde arbeid te verrichten. Het mogen werken vormt echter niet het verblijfsdoel, maar is slechts een middel om het verblijf te kunnen financieren. Een arbeidsovereenkomst mag echter wel een langere periode omvatten en ook een open einde hebben.
### 4.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
### 8. Medische behandeling
Indien niet uitdrukkelijk met een eventuele uitwisselingsorganisatie anders is overeengekomen, is de jongere gedurende zijn verblijf volledig zelf verantwoordelijk en aansprakelijk. Indien de jongere – rekening houdend met de kosten van zijn terugreis – niet meer beschikt over voldoende middelen van bestaan en hij niet binnen zes weken over betaald werk kan beschikken, dient hij Nederland te verlaten.
De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling:
### 4.4. Beperking
### 4.5. Arbeidsmarktaantekening
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 5.7. Wijziging van verblijfplaats
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
De vreemdeling is in beginsel vrij in de keuze van zijn verblijfplaats in Nederland. Met het oog op het toezicht op vreemdelingen dient hij een wijziging te melden bij de Korpschef. In het geval van een uitnodigende instelling is die instelling verantwoordelijk voor de schriftelijke melding.
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Indien ten behoeve van de jongere een mvv in het kader van het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme is afgegeven, meldt deze zich ingevolge [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) dan wel [4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49) binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de Korpschef. Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.33a, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a), dient de jongere vervolgens bij IND een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in. De IND verstrekt in deze situatie het bescheid rechtmatig verblijf aan de jongere (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt vermeld dat het verrichten van arbeid is toegestaan en dat een TWV niet is vereist.
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 5. Europees Vrijwilligerswerk
Ter beoordeling van de vraag of de medische behandeling noodzakelijk is, wordt advies ingewonnen van het BMA.
### 2.2. Voorwaarden als de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit heeft
Het Nationaal Agentschap voor het EVS is ondergebracht bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi).De jongeren doen vrijwilligerswerk in Nederland in lokale organisaties, de zogenaamde gastorganisaties. Deze organisaties worden door het NJi geaccrediteerd. Dit houdt in dat het NJi de organisatie en de inhoud van het geboden vrijwilligerswerk beoordeelt. Ook wordt bij de beoordeling betrokken of de organisatie in staat is de jongeren goed te begeleiden en de praktische zaken te regelen, zoals huisvesting, voeding en vervoer. Het Nederlands Jeugdinstituut is opgenomen in de lijst met uitwisselingsorganisaties.
Overeenkomstig artikel 3.46, derde lid Vb, wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de financiering van de medische behandeling niet deugdelijk is geregeld, indien ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 van de Vw.
### 3. Medisch advies
### 3. Medisch advies
De aanvraag wordt niet afgewezen indien de vreemdeling gehuwd is of de zorg heeft voor kinderen. De aanvraag wordt evenmin afgewezen indien de vreemdeling niet in een gastgezin verblijft.
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) met de beperking ‘conform beschikking Minister’, voor de duur van maximaal één jaar. De geldigheidsduur van deze vergunning wordt na een jaar niet verlengd.
Op de verblijfsvergunning wordt aangetekend: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’.
### 5.6. Voorschrift
Indien de aanvraag wordt ingediend nadat het rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) is geëindigd, is toch sprake van een tijdig ingediende aanvraag als de te late indiening van de aanvraag niet aan de vreemdeling is toe te rekenen. In deze gevallen wordt toepassing gegeven aan [artikel 3.46, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46). De vraag of de te late indiening van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen, wordt van geval tot geval beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de aanvraag. Om die reden zal niet snel sprake zijn van een situatie waardoor te late indiening te wijten is aan omstandigheden die de vreemdeling niet zijn toe te rekenen. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling door de overheid er niet op is gewezen dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw binnenkort eindigt en dat een aanvraag moet worden ingediend, komt in dit verband geen betekenis toe. Evenmin komt in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich te kort voor het eindigen van het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw bij de IND meldt voor het maken van een afspraak voor het in persoon indienen van de aanvraag, waardoor het niet langer mogelijk is om tijdig een afspraak in te plannen. Aan het feit dat de vreemdeling tijd nodig heeft om de voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te vergaren, zoals een paspoort, komt ook geen betekenis toe.
### 1. Medische behandeling en medische noodsituatie algemeen
[Artikel 3.46 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.46) geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien niet wordt voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 3.46 Vb, wordt de verblijfsvergunning niet verleend.
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van artikel 16 Vw van toepassing (zie B1/4).
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
Voor deze beoordeling is slechts van belang of de vreemdeling voldoet aan alle voorwaarden die genoemd worden in één van de onder 1 tot 6 genoemde situaties.
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
De financiering van de medische behandeling dient deugdelijk te zijn geregeld. Hiertoe moet worden aangetoond dat een toereikende ziektekostenverzekering is afgesloten. Een ziektekostenverzekering die uit de publieke middelen wordt betaald of waarvan de premie wordt voldaan uit een uitkering die ten laste komt van de publieke middelen, wordt niet als toereikend aangemerkt.
### 3.3. Inschakeling medisch adviseur slechts met toestemmingsverklaring
In ieder geval is er sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden zoals hier bedoeld als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:
### 3.2.2. Registratie door de politie
Artikel 16, eerste lid, onder c, Vw is van toepassing op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’. De vreemdeling moet beschikken over voldoende middelen van bestaan voor de kosten van het levensonderhoud gedurende het voorgenomen verblijf in Nederland. Hiertoe moet de vreemdeling aantonen dat de kosten die verbonden zijn aan het verblijf van de vreemdeling in Nederland in verband met de medische behandeling niet met openbare middelen worden gefinancierd. De middelen dienen toereikend te zijn voor de gehele periode waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend.
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten in ieder geval van toepassing :
Het bovenstaande impliceert dat de vreemdeling de aanvraag tijdig moet indienen, anders is namelijk geen sprake meer van een jaar uitstel van vertrek op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) direct voorafgaande aan de aanvraag.
In het geval de vreemdeling de aanvraag in persoon bij de IND indient in de periode tussen 28 dagen vóór het eindigen van het jaar rechtmatig verblijf op grond van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) en 28 dagen nadat het jaar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw is geëindigd, wordt de aanvraag als tijdig beschouwd, ook al voldoet de vreemdeling formeel gezien nog niet of niet langer aan de voorwaarde van één jaar uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw direct voorafgaande aan de aanvraag (zie in dit verband ook **ingangsdatum van de verblijfsvergunning**). Een aanvraag zoals hier bedoeld ingediend buiten bovengenoemde periode wordt niet als tijdig aangemerkt.
### 9. Gezinsleden
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Met ‘mantelzorg’ wordt bedoeld dat de aard van de medische aandoening het noodzakelijk maakt dat de vreemdeling wordt verzorgd door derden. Deze derden hoeven voor het verrichten van mantelzorg niet medisch geschoold te zijn. Professionele zorg zoals bijvoorbeeld thuiszorg is geen mantelzorg.
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Als vanwege een ongewisse situatie in het land van herkomst het BMA niet in staat is om te adviseren omtrent de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het herkomstland, wordt aangenomen dat geen behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
De behandelaar kan de gevraagde informatie verstrekken in eenvoudige, voor niet-medici begrijpelijke bewoordingen.
### 7. Aard van het verblijfsrecht
Voorts wordt geen advies ingewonnen bij het BMA indien de vreemdeling niet met een volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) een nader onderzoek naar diens stellingen mogelijk heeft gemaakt. In dat geval is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
Het BMA stelt dan een advies op omtrent de medische situatie van de vreemdeling. Daarbij maakt het BMA onder andere gebruik van algemene informatie uit het Landen Informatiesysteem, vakliteratuur en informatie verkregen van de behandelaars van de vreemdeling. Omdat het BMA derden benadert, verlengt de IND de wettelijke beslistermijn (zie B1/9.7.3).
### 3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
In de volgende situatie wijst de IND de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor het ondergaan van de medische behandeling af, omdat de IND zich geen oordeel kan vormen over de stelling van de vreemdeling dat hij een medische behandeling ondergaat en daarom verblijf in Nederland behoeft:
Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier. Hierbij zijn onderstaande uitgangspunten in ieder geval van toepassing :
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 13. Overgangsrecht
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
### 13. Overgangsrecht
Aan de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden van het sluiten van een voldoende ziektekostenverzekering, met inbegrip van de kosten die verbonden zijn aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 7. Aard van het verblijfsrecht
Indien buiten enige twijfel vaststaat dat de medische behandeling blijvend aan Nederland is gebonden, kan de verblijfsvergunning voor medische behandeling op grond van [artikel 3.60 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.60) worden verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaar. Dit zal in de regel blijken uit het BMA-advies.
Als de hoofdpersoon met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of een geregistreerd partnerschap is verbonden wordt de verblijfsvergunning slechts verleend aan één echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner tegelijkertijd, alsmede aan de uit die vreemdeling geboren (minderjarige) kinderen. Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking.
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
### 3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de medische behandeling van de hoofdpersoon, wordt aan hen een verblijfsvergunning verleend onder de beperking: ‘verblijf bij (naam hoofdpersoon)’ met dezelfde geldigheidsduur als die van de hoofdpersoon.
De arbeidsmarktaantekening luidt ‘arbeid niet toegestaan’.
### 3.2.2. Registratie door de politie
### 3.2.3. Briefadres
Indien de aanvraag om een verblijfsvergunning wordt afgewezen, zijn de normale procedures van toepassing (zie B1).
In het geval het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding brengt de politie daarin de sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen aan ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op de sticker wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
### 3.2.5. Meldplicht
### 7.1. Beslissing op de aanvraag
### 1. Inleiding
Voor het organiseren van eerste opvang buiten kantooruren kan de politie een beroep doen op de regionale Meldpunten Vrouwenopvang. Wordt het vermoedelijke slachtoffer buiten kantooruren door de politie geplaatst, dan meldt hij dit, met spoed, eveneens aan het Coördinatiecentrum Mensenhandel. Vervolgens kan het Coördinatiecentrum Mensenhandel dan beoordelen of de opvangfaciliteit geschikt is voor een langere tijd.
Reeds bij de geringste aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel, dient de politie de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek terzake mensenhandel. Hierbij wordt zonodig gebruik gemaakt van tolken werkzaam in opdracht van de politie. De vreemdeling kan onverwijld aangifte doen. Voor bepaalde categorieën vreemdelingen staat tevens de bedenktijdfase open.
### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
Ook ten aanzien van vreemdelingen op wie een maatregel conform [artikel 59 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=59) van toepassing is, kunnen er aanwijzingen zijn dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn. Indien er tijdens vreemdelingenbewaring aanwijzingen zijn dat de vreemdeling slachtoffer is van mensenhandel, dient de politie de vreemdeling te wijzen op de mogelijkheid van het doen van aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek terzake mensenhandel. Ook dan heeft het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel recht op de bedenktijdfase. Het verlenen van de bedenktijd heeft tot gevolg dat de grondslag aan de bewaring komt te ontvallen en de bewaring derhalve dient te worden opgeheven. In die gevallen zal de bedenktijdfase echter alleen verleend worden indien het OM en de politie hiermee akkoord gaan.
### 3.2. Bedenktijdfase
De bedenktijd wordt gegeven, omdat slachtoffers van mensenhandel vaak pas na wat langere tijd hun ervaringen kunnen uiten.
### 3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
### 4.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
### 3.2.2. Registratie door de politie
De Korpschef onder wiens verantwoordelijkheid het vermoedelijke slachtoffer bedenktijd krijgt, blijft gedurende de gehele verdere procedure administratief verantwoordelijk. De vreemdeling wordt ingeschreven in het registratiesysteem van de politie.
### 3.2.3. Briefadres
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [RvB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) vanaf de datum waarop de vertrektermijn van het slachtoffer eindigt.
De Korpschef wijst aanspreekpersonen aan binnen zijn korps die de contacten met de zorgcoördinator onderhouden en centraal aanspreekbaar zijn binnen het opsporingsonderzoek.
### 3.2.8. Kosten van levensonderhoud
### 4.2.4. Rechtshulp
### 3.2.9. Medische bijstand en rechtshulp
De zorgcoördinator is eindverantwoordelijk voor de opvang van het vermoedelijke slachtoffer gedurende de bedenktijdfase. De zorgcoördinator draagt er zorg voor dat het vermoedelijke slachtoffer in staat wordt gesteld zich medisch te laten onderzoeken en, zich zonodig, te laten behandelen. Met het oog op de mogelijke latere afgifte van een verblijfsvergunning dient een TBC-onderzoek onderdeel uit te maken van dit medisch onderzoek.
### 6.1. Aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als aanvraag
### 6.2. Opschorting van de verwijdering
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
De politie meldt aan de contactpersoon mensenhandel van de IND dat de vreemdeling aangifte van mensenhandel heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte. De IND informeert vervolgens het COA inzake de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte.
Indien de vreemdeling een aanvraag om een verblijfsvergunning (anders dan op grond van dit hoofdstuk) indient of heeft ingediend, is het ter zake geldende beleid van toepassing. De procedures beschreven in dit hoofdstuk zijn niet langer van toepassing op deze vreemdeling.
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
Gedurende de opschorting van de verwijdering dient de getuige-aangever zich maandelijks te melden bij het regionale politiekorps waar hij of zij administratief is ondergebracht. De politie stelt de contactpersoon mensenhandel van de betreffende IND-locatie waar de eerste melding is geregistreerd in kennis of aan de meldingsplicht is voldaan.
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 4.2.4. Rechtshulp
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14), kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, indien:
Ad a Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in Nederland kunnen rechten ontlenen aan de in dit hoofdstuk omschreven procedure. Op hen is de bedenktijd als omschreven in B9/3.2 niet van toepassing omdat de bedenktijd naar zijn aard bedoeld is om een slachtoffer uit de strafbare situatie te halen en de gelegenheid te bieden om op adem te komen en een weloverwogen beslissing tot aangifte te kunnen laten nemen.
Zodra het OM de aanwezigheid van betrokkene in Nederland niet langer noodzakelijk acht, komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND en aan de getuige-aangever. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft, achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
### 9. Verlenging
### 6.3. Meldplicht
### 9.3. Plaats van indienen van de aanvraag
De politie verstrekt het bescheid rechtmatig verblijf ([bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) aan de getuige-aangever van mensenhandel. Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt aangetekend dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan.
Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning kan een getuige-aangever aanspraak maken op de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726). Een getuige-aangever die in verband met de aangifte gevaar loopt, kan daarbij aanspraak maken op opvang. De politie neemt contact op met het Coördinatiecentrum Mensenhandel indien om een veilige locatie wordt verzocht.
### 7. De beslissing
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt de politie per fax in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer of de getuige-aangever is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, onder a en o, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
### 8.1. Slachtoffer
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Betrokkene dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtsplicht om Nederland te verlaten blijft achterwege, indien betrokkene een aanvraag indient om een verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de daaraan gestelde voorwaarden is voldaan.
### 8.2. Getuige-aangever
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
### 9.1. Slachtoffer
### 1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 1.6. Terminologie
### 3.3.1. Werknemers
Op grond van [artikel 3.34e, onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34e) is het slachtoffer of de getuige-aangever die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, bedoeld in [artikel 3.4, eerste lid, onder s, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), geen leges verschuldigd.
Nadat de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in dit hoofdstuk is komen te ontvallen dient betrokkene Nederland te verlaten.
Dat is anders indien betrokkene tijdig een aanvraag doet om wijziging van de verblijfsvergunning voor een ander doel en aan de in dat kader gestelde voorwaarden is voldaan. Betrokkene dient dan een wijziging van de vergunning aan te vragen. Het gaat hier om een aanvraag die niet gerelateerd is aan de B9-procedure.
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER, Zwitserse onderdanen, alsmede hun gezinsleden – ongeacht hun nationaliteit – die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland, worden allen aangeduid als ‘gemeenschapsonderdanen’. Gemeenschapsonderdanen zijn echter niet in alle gevallen ook burgers van de Unie. Zo zijn de gezinsleden van de burger van de Unie, onderdaan van de EER of Zwitserland die verblijfsrecht ontlenen aan het EG-Verdrag of genoemde Overeenkomst, maar die niet de nationaliteit van deze staten bezitten, wel gemeenschapsonderdaan doch niet burger van de Unie.
### 1.7. Aard van het verblijf van een burger van de Unie
Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden als verwoord in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en de algemene bepalingen van B2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen in zake het middelenvereiste.
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 1.4. De Overeenkomst EG-Zwitserland
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Denemarken, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Noord- Ierland, Griekenland, Portugal, Spanje, Finland, Oostenrijk, Zweden, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije, Tsjechië, Bulgarije en Roemenië. Voor het toepasselijke overgangsrecht (zie B10/8).
### 1.3. Partijen bij de Overeenkomst betreffende de EER
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
Deze Overeenkomst is gesloten tussen Zwitserland en de onder B10/1.2 genoemde partijen.
In [artikel 1, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1) wordt een definitie gegeven van het begrip ‘gemeenschapsonderdanen’. Onder gemeenschapsonderdanen wordt het volgende verstaan:
Een Nederlander is in beginsel niet aan te merken als gemeenschapsonderdaan, tenzij wordt vastgesteld dat betrokkene (ook) verblijfsrecht ontleent aan het gemeenschapsrecht. Hierbij kan worden gedacht aan een in Nederland gevestigde Nederlander die vanuit Nederland diensten verricht ten behoeve van dienstenontvangers in een andere lidstaat. Gemeenschapsonderdaan is ook de Nederlander die in een andere lidstaat gevestigd is geweest met het oog op het verrichten van economische activiteiten en zich nadien weer in Nederland heeft gevestigd en zijn economische activiteiten hier te lande voortzet (zie B10/3.4, B10/5.3.1, B10/5.3.2 en B10/5.4.2).
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 1.7. Aard van het verblijf van een burger van de Unie
Het is burgers van de Unie en hun gezinsleden toegestaan om in Nederland te verblijven, tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag, dan wel de toegang of het verblijf is geweigerd op grond van een actuele bedreiging van de openbare orde, openbare veiligheid of de volksgezondheid.
Vanzelfsprekend geldt bij het vorenstaande dat bedoeld onderzoek door de Minister zich richt op de door de betrokken burger daartoe verschafte gegevens en bescheiden, ter onderbouwing van diens stelling dat hij een verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, en voor zover die bescheiden ingevolge de ter zake geldende regels van gemeenschapsrecht mogen worden verlangd (zie B10/5.2).
### 2.1. Toegang tot Nederland
Familieleden of gezinsleden van hier te lande verblijvende onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, die niet zelf onderdaan van genoemde landen zijn maar afkomstig zijn uit een visumplichtig derde land (niet afkomstig uit een land genoemd in [bijlage 2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=2)) en die niet beschikken over een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, kunnen Nederland zonder mvv inreizen indien zij het familielid begeleiden of indien zij zich alhier bij hemzullen voegen. De familieleden of gezinsleden dienen dan wel in het bezit te zijn van een visum kort verblijf. Dit visum zal versneld en kosteloos worden verstrekt. Dus ook indien een visumplichtig familielid of gezinslid voor een verblijf bij de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland van langer dan drie maanden naar Nederland komt, hoeft hij niet in het bezit te zijn van een mvv. Hij hoeft in dat geval slechts in het bezit te zijn van een visum kort verblijf om te kunnen inreizen. Voor de te volgen visumprocedure wordt verwezen naar [A2/6.2.2.2](onbekend).
### 2.3. Meldplicht bij de Korpschef
### 3.2. Reële en daadwerkelijke arbeid
Om met succes beroep te kunnen doen op het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) en verder, dienen EU/EER onderdanen of Zwitserse onderdanen een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen dan wel op andere wijze ondubbelzinnig (zonder enige twijfel) hun identiteit en nationaliteit aan te tonen. De identiteitskaart of het paspoort dient overeenkomstig de wetgeving in de Lidstaat, waarvan zij onderdaan zijn, te zijn verstrekt. Hierop dient de nationaliteit van de onderdaan van de Lidstaat te zijn vermeld. Het enkele verlopen van de identiteitskaart of paspoort gedurende het rechtmatig verblijf in Nederland leidt niet tot verblijfsbeëindiging.
### 3.4. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied
### 2.5. Rechtmatig verblijf
Burgers van de Unie, onderdanen van de EER en onderdanen van Zwitserland, alsmede hun gezinsleden ongeacht hun nationaliteit, genieten rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), tenzij zij verblijf houden in strijd met een beperking op grond van een regeling vastgesteld krachtens het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland. Voor andere EU/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden zijn de overige bepalingen van [artikel 8 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) voor de vaststelling van het rechtmatig verblijf van toepassing. Burgers van de Unie hebben het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onderdanen van de EER en van Zwitserland hebben daaraan gelijkwaardige rechten. Het vrije verkeer van personen brengt echter geen absoluut verblijfsrecht mee in de zin dat iedere burger van de Unie te allen tijde in Nederland verblijfsgerechtigd is. Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben zij, onder voorbehoud van de beperkingen en de voorwaarden van het EG-Verdrag en de bepalingen die ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, het recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Het stelsel van [Richtlijn 2004/38](32004L0038) kent hierbij verschillende fasen van het verblijf van de burger van de Unie en diens familieleden:
De eerste periode van verblijf van de burger van de Unie bedraagt drie maanden. In deze periode worden geen andere voorwaarden gesteld dan het bezit van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart. De burger van de Unie die door middel van een identiteitskaart zijn identiteit en nationaliteit aantoont, bezit recht op verblijf. Het niet beschikken over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort doet echter niet af aan de rechtmatigheid van het verblijf, indien het bewijs van identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen kan worden geleverd (zie [artikel 8.11 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.11)). Ten aanzien van burgers van de Unie wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de zogeheten vrije termijn ([artikel 8, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)) en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan ([artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)). Ingevolge artikel 18, eerste lid, EG-Verdrag hebben burgers van de Unie het recht om in Nederland te verblijven, met dien verstande dat daaraan voorwaarden en beperkingen kunnen worden gesteld. Het uit artikel 18 EG-Verdrag voortvloeiende verblijfsrecht wordt aangenomen, zolang en indien het onderzoek niet heeft uitgewezen dat niet wordt voldaan aan die voorwaarden en beperkingen, zodat de burger van de Unie moet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan (in de zin van [artikel 1, onderdeel e, onder 1, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=1)) met rechtmatig verblijf als bedoeld in [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 3.3.1. Werknemers
Het rechtmatige verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, dat gelet op het bovenstaande vanaf zijn inreis rechtmatig is, kan slechts met een beschikking worden beëindigd. In dat geval wordt in de vreemdelingenadministratie aangetekend dat het rechtmatige verblijf is beëindigd.
### 3.3.2. Zelfstandigen
[Richtlijn 2004/38](32004L0038) voorziet, ter voorkoming van misbruik, in de mogelijkheid voor lidstaten van de burgers van de Unie te verlangen het bewijs te leveren dat zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden. In Nederland is voor EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland voorzien in een verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie, waarbij de in het [VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002) omschreven bewijzen moeten worden overgelegd. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven. Aan de inschrijving in de vreemdelingenadministratie en afgifte van een verklaring van inschrijving zijn geen leges verbonden. Ingevolge [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12) is deze aanmelding tot inschrijving verplicht. Het niet voldoen aan deze verplichting is in [artikel 108 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=108) strafbaar gesteld.
### 5. Familie- en gezinsleden van gemeenschapsonderdanen
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
Het ononderbroken karakter van de periode van vijf jaar legaal verblijf wordt niet onderbroken door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere lidstaat of derde land. Het is aan de vreemdeling om zulks met documenten te staven (zie [artikel 8.17, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)).
### 3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
Op grond van Richtlijn 2004/38 wordt aan EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland geen document of schriftelijke verklaring (sticker voor verblijfsaantekeningen), waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, afgegeven.
Slechts het duurzame verblijfsrecht van EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, blijkt uit een op aanvraag te verstrekken document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’.
Indien het familielid van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, die zelf niet de nationaliteit bezit van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland niet voldoet aan de legesverplichting, wordt de aanvraag om het verkrijgen van het bewijs van rechtmatig verblijf niet behandeld. Dit heeft geen gevolgen voor het rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), omdat dit van rechtswege is ontstaan en vervalt. Het vorenstaande geldt ook indien de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, of zijn familielid, ongeacht diens nationaliteit, niet voldoet aan de legesverplichting verbonden aan de aanvraag tot afgifte van een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’. Indien opnieuw een aanvraag om afgifte van een document wordt ingediend, zullen alsdan opnieuw leges worden geheven.
EU- en EER-onderdanen en onderdanen van Zwitserland mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom mag voor het laten werken van een EU- of EER- onderdaan of Zwitserse onderdaan geen TWV worden verlangd. De bepalingen in de Wav zijn evenmin van toepassing op gemeenschapsonderdanen, die zelf geen EU- of EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan zijn (zie B10/8 inzake het overgangsrecht).
Indien een EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan voor zijn 65e levensjaar stopt met het verrichten van arbeid, kan hij in aanmerking komen voor verblijf als economisch niet-actieve.
De EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan, die blijvend arbeidsongeschikt wordt gedurende zijn werkzaamheden in Nederland, heeft het recht om duurzaam verblijf te houden hier te lande, indien hij ten minste twee jaar, onmiddellijk voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid, voortdurend in Nederland heeft gewoond en rechtmatig verblijf heeft gehad in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
Iedere EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland die reële en daadwerkelijke arbeid al dan niet in loondienst verricht, heeft rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en wordt aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Het begrip reële en daadwerkelijke arbeid moet volgens vaste jurisprudentie ruim uitgelegd worden. De omvang van de arbeid mag niet zo gering zijn dat het om louter marginale en bijkomstige werkzaamheden gaat. Uit verschillende arresten van het Hof van Justitie van de EG (HvJ EG, 23 maart 1982, Levin; 3 juni 1986, Kempf) blijkt echter, dat dit niet inhoudt dat het om een voltijds baan moet gaan, noch dat de inkomsten ten minste ter hoogte zijn van het minimumloon. Een gemeenschapsonderdaan, die werkzaamheden verricht die zijn aan te merken als reële en daadwerkelijke arbeid, kan bovendien naar de mening van het Hof een aanvullend beroep doen op de publieke middelen. Het criterium ‘reële en daadwerkelijke arbeid’ wordt zowel op arbeid in loondienst als op arbeid als zelfstandige toegepast.
### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
### 3.6.1. Uitzondering ([artikel 8.17, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken
Perioden van afwezigheid, die in totaal zes maanden per jaar niet overschrijden zijn niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen. Afwezigheid van langere tijd, is niet van invloed op het bij voortduring in Nederland wonen in de volgende gevallen:
### 3.5.1. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
Na vijf jaren verblijf als gemeenschapsonderdaan kan hij in aanmerking komen voor een document ‘Duurzaam verblijf burgers van de Unie’, na betaling van de ter afdoening van de aanvraag verschuldigde leges.
De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft.
### 4.2.1. Beroepsopleiding
### 4.2.4. Beëindiging van de studie
### 4.3. Beroep op de publieke middelen
Arbeidsongeval of beroepsziekte ([artikel 8.17, derde lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
Het bij voortduring in Nederland wonen kan worden aangetoond aan de hand van een historisch overzicht uit de GBA (zie [artikel 8.17, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)).
### 4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
### 5.1. Samenwoningvereiste
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
Ook voor het verblijfsrecht voor langer dan drie maanden geldt voor deze familieleden, die EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, de verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie als opgenomen in [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12). Zie verder B10/2.5.2, welke van overeenkomstige toepassing is. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven.
Daarbij worden, voor zover van toepassing, de middelen in aanmerking genomen van een huwelijkspartner of persoon met wie de EU/EER-onderdaan dan wel Zwitserse onderdaan een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan.
Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de norm als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en de ander niet.
Tevens is dit van belang voor onderdanen van de EU/EER en Zwitserse onderdanen, die met een Nederlander zijn gehuwd of een in Nederland dan wel andere lidstaat geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, waarbij slechts de Nederlandse partner over bedoelde middelen beschikt.
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
De betrokken EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen. Er kan in geval van een partner bijvoorbeeld genoegen worden genomen met een recent bankafschrift van een gezamenlijke bankrekening. Indien de toezegging van een partner of derde blijkens de tekst ervan onder zodanige voorwaarden is gesteld dat onzeker is of de betrokkene over bedoelde middelen kan beschikken, wordt aangenomen dat de betrokkene niet de vrije beschikking over de middelen heeft.
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
Na indiening van deze aanvraag dient onmiddellijk een bewijs van aanvraag te worden verstrekt (verblijfsaantekening gemeenschapsonderdaan).
Indien de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan een (aanvullend) beroep doet op de publieke middelen, kan dat tot gevolg hebben dat zijn rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) vervalt, tenzij de betrokkene inmiddels het duurzame verblijfsrecht heeft verkregen (na vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf en soms ook eerder). Onder een beroep op de publieke middelen wordt eveneens begrepen een beroep op de maatschappelijke opvang,
### 5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid
### 5. Familie- en gezinsleden van gemeenschapsonderdanen
### 5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters
### 5.2.1. Familielid zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
Ook voor het verblijfsrecht voor langer dan drie maanden geldt voor deze familieleden, die EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, de verplichting tot aanmelding ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie als opgenomen in [artikel 8.12, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12). Zie verder B10/2.5.2, welke van overeenkomstige toepassing is. Als het bewijs dat aan de voorwaarden voor verblijf van langer dan drie maanden wordt voldaan is geleverd, wordt de burger van de Unie ingeschreven in de vreemdelingenadministratie en wordt onmiddellijk een verklaring van inschrijving afgegeven.
### 4.2. Waarborgen
### 5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
Het onderscheid tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijft wel gehandhaafd ten aanzien van de familieleden die geen onderdaan zijn van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland. Het rechtmatig verblijf (in de zin van [artikel 8, onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8)) van het familielid dat niet de nationaliteit heeft van een EU- of EER-lidstaat of Zwitserland, blijkt in de eerste periode van drie maanden uit diens geldige paspoort met een op grond van [artikel 9 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=9) gestelde aantekening omtrent rechtmatig verblijf. Het rechtmatige verblijf kan voorts blijken uit het geldige paspoort, voorzien van het eventueel voor inreis benodigde visum of een recente aantekening omtrent inreis (inreisstempel, zie [artikel 4.21 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.21)) dan wel uit het geldige paspoort en een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart.
Op grond van artikel 23 van richtlijn 2004/38 hebben de familieleden van een burger van de Unie die in een lidstaat (duurzaam) verblijfsrecht genieten ongeacht hun nationaliteit het recht aldaar een activiteit als werknemer of zelfstandige uit te oefenen. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht in Nederland verblijven zijn in Nederland dus vrij op de arbeidsmarkt. Hun werkgever hoeft niet te beschikken over een geldige tewerkstellingsvergunning. Op het verblijfsdocument wordt de volgende aantekening geplaatst: ‘arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. Dit houdt in dat het familie- of gezinslid, ongeacht de nationaliteit, het recht heeft om arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten. Familieleden van een burger van de Unie die op grond van het EU-recht verblijven in een andere (al dan niet aan Nederland grenzende) lidstaat, mogen gelet op artikel 23 van de Richtlijn, in Nederland alleen arbeid verrichten indien de werkgever beschikt over een geldige tewerkstellingsvergunning, tenzij de [Wet arbeid Vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) anders bepaalt.
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
Daarbij maakt het in beide gevallen niet uit of de burger van de Unie ten tijde van zijn registratie wel of geen familieleden had.
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
Op 23 november 1970 is een Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ondertekend en namens de EG gesloten en goedgekeurd en bevestigd bij [verordening 2760/72](31972R2760) van de Raad van de EG van 19 december 1972. Het aanvullend protocol is voor Nederland op 1 januari 1973 in werking getreden. De bij de Associatieovereenkomst EG-Turkije ingestelde Associatieraad heeft op 19 september 1980 Associatiebesluit 1/80 vastgesteld.
### 5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
Indien sprake is van een ongerechtvaardigde inmenging, wordt het familielid verblijf toegestaan dat voortvloeit uit het EG-Verdrag.
Volgens het Hof van Justitie EG (HvJEG, 23 februari 1994, Scholz) kan verwerving van de nationaliteit van het verblijfsland, vooral als die verwerving het verlies van de oorspronkelijke nationaliteit tot gevolg heeft, niet tot verlies van op grond van het vrij verkeer van werknemers verkregen rechten leiden. Naturalisatie leidt niet tot verlies van de rechten die de gemeenschapsonderdaan op dat moment aan het gemeenschapsrecht kon ontlenen.
Duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden beëindigd in de volgende situaties (zie [artikel 8.18 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.18)):
### 8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
### 8.2. Werknemers
Indien het familielid reeds duurzaam verblijf heeft (zie [artikel 8.17 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17)) dan blijft dit recht behouden. Indien er nog geen sprake is van duurzaam verblijf kan betrokkene het verblijf voortzetten als economisch actieve of economisch niet-actieve, mits er geen onevenredig beroep op de publieke middelen wordt gedaan.
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Het rechtmatig verblijf van burgers van de Unie en hun gezinsleden eindigt niet, zolang zij voldoen aan de voorwaarden voor verblijf (zie [artikelen 8.12 tot en met 8.15 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.12)). In specifieke gevallen van redelijke twijfel over de vraag of een burger van de Unie of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden, kan daartoe een onderzoek ter verificatie worden ingesteld. De verificatie geschiedt evenwel niet stelselmatig. Een beroep van de burger van de Unie of zijn familieleden op het sociale bijstandsstelsel leidt niet automatisch tot beëindiging van het rechtmatige verblijf. Het verblijf van een burger van de Unie of zijn familieleden kan, buiten de aanwezigheid van een actuele en (voldoende) ernstige bedreiging van de openbare orde of openbare veiligheid, in geen geval worden beëindigd indien de burger van de Unie werknemer of zelfstandige is, of indien hij Nederland is binnengekomen om werk te zoeken. In dat laatste geval kunnen de burger van de Unie en zijn gezinsleden niet worden verwijderd zolang de burger van de Unie kan bewijzen dat hij nog immer werk zoekt en een reële kans maakt te worden aangesteld.
In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid wel toegestaan; TWV wel vereist’.
### 6.1. Verblijfsdocument
Aan een Belg of Luxemburger die geen verblijfsrecht heeft op grond van het gestelde in [artikel 8.7 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7), kan op grond van [artikel 8.6, eerste en derde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.6) direct bij eerste binnenkomst een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20) of een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) ([document I, bijlage 7a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a)), worden afgegeven, indien hij:
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
### 6.2. Weigering verlenging of intrekking verblijfsdocument
In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid wel toegestaan; TWV wel vereist’.
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
Het rechtmatig verblijf kan voorts worden beëindigd indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt, dan wel gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf (zie [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25)). Het gaat hier om maatregelen die getroffen kunnen worden tegen misbruik van recht of fraude, zoals schijnhuwelijk. Deze maatregelen moeten evenredig zijn (zie [artikel 3:4 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:4)). Toepassing van [artikel 8.25 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.25) leidt tot een beschikking waartegen rechtsmiddelen mogelijk zijn.
### 11. Verdragen
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
Indien dit onontbeerlijk wordt geacht ter beoordeling of sprake is van een gevaar voor de openbare orde of openbare veiligheid kan bij de lidstaat van oorsprong of eventuele andere lidstaten worden verzocht om mededeling van gerechtelijke antecedenten betreffende de vreemdeling. Deze raadpleging kan plaatsvinden bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of de afgifte van de verblijfskaart waarmee het verblijfsrecht van het familielid dat niet de nationaliteit van een lidstaat bezit wordt aangetoond.
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
### 8. Overgangsrecht onderdanen van Bulgarije en Roemenië
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
### 8.2. Werknemers
Ingevolge artikel IX Richtlijn 2004/38, wordt aan onderdanen van staten, die op 1 mei 2004 zijn toegetreden of daarna toetreden tot de EU alsmede hun gezinsleden, ongeacht hun nationaliteit, een document rechtmatig verblijf verleend waaruit rechtmatig verblijf blijkt, voor de duur van vijf jaar of tenminste voor de duur van de dienstverlening.
### 3.1. Begunstigde
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
### 3.3. Recht op voortzetting van verblijf voor Turkse werknemers
In verband daarmee wordt op de sticker verblijfsaantekeningen voor gemeenschapsonderdanen, dan wel het verblijfsdocument, af te geven aan de vreemdeling die voor een ander doel dan het verrichten van arbeid in loondienst in Nederland verblijft, de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘arbeid wel toegestaan; TWV wel vereist’.
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
Daarbij wordt voorts verwezen naar de [paragrafen 24 en 26 van de Uitvoeringsregels bij het Delegatie- en uitvoeringsbesluit Wav](onbekend), inzake stagiaires, respectievelijk arbeid van bijkomende aard (zie D2/2).
### 6. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat
Indien de Turkse werknemer heeft aangetoond dat hij gedurende de periode van één jaar voor hetzelfde uitzendbureau of dezelfde inlener heeft gewerkt en uitzicht bestaat op voortzetting van de werkzaamheden, worden deze werkzaamheden meegeteld voor het berekenen van de periode waarin werkzaamheden bij dezelfde werkgever zijn verricht. Hetzelfde geldt voor werkzaamheden die via een detacheringbureau worden verricht.
Indien de in B10/8.5 bedoelde onderdanen dan wel gezinsleden niet voor afgifte van een verblijfsdocument in aanmerking komen in het kader van B10/8.2 tot en met B10/8.4, noch in het kader van een der voorafgaande paragrafen van dit hoofdstuk, omdat zij geen verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontlenen, staat het hen vanzelfsprekend vrij om een aanvraag in te dienen tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen, verband houdende met een door hen aan te geven verblijfsdoel. Zij dienen daarbij in beginsel een keuze te maken uit de verblijfsdoelen, omschreven in [artikel 3.4, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Daarbij is het gestelde in B1/2.1 van toepassing, alsmede het gestelde in de desbetreffende materiehoofdstukken, afhankelijk van het aangegeven verblijfsdoel.
### 6.3. Toegang en verblijf in Nederland
### 11. Verdragen
### 3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Voor zover de aan de vergunning verbonden beperking nog niet luidde: ‘arbeid in loondienst’, wordt de beperking (de vergunning) alsnog in die zin gewijzigd, met als aanvulling: ‘bij (naam werkgever) op grond van het Turkse Associatie Verdrag.’
### 3.4. Recht op voortzetting van verblijf gezinsleden Turkse werknemers
De Associatieovereenkomst EG-Turkije heeft ten doel de voortdurende en evenwichtige versterking van de commerciële en economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen te bevorderen, teneinde de levensstandaard van het Turkse volk te verbeteren en in een later stadium de toetreding van Turkije tot de EG te vergemakkelijken. Dit geschiedt door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen en door de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten op te heffen.
De nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming (zie B2) bieden de gezinsleden in de regel al meteen het recht om te werken en gaan derhalve verder dan waartoe het Associatiebesluit nr. 1/80 verplicht.
In artikel 7, Associatiebesluit 1/80 is bepaald onder welke voorwaarden gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, toegang hebben tot de arbeidsmarkt. Om rechten te kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 dient de verblijfgever in ieder geval op het moment van toelating van het gezinslid, werknemer in de zin van het Associatiebesluit 1/80 te zijn (geweest).
### 3.6. Turkse zelfstandige
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
Bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf wordt gecontroleerd of:
### 4.2. Waarborgen
### 12.1. Begunstigde
Turkse werknemers die werkzaam zijn in het internationaal verkeer als chauffeur, zijn doorgaans in het bezit van een visum (een zogenoemde ‘multiple entry visum’) en niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Dat betekent niet dat daardoor geen sprake is van legale arbeid (zie hierbovengenoemde zaak Bozkurt). Immers, het bezit van een verblijfsvergunning is slechts een bevestiging van een rechtstreeks door het Associatiebesluit 1/80 toegekend recht en is derhalve geen voorwaarde voor ‘legale arbeid’. De door de Turkse chauffeur verrichte werkzaamheden moeten wel verricht zijn op grond van een TWV.
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
### 4.2. Waarborgen
Vrijwillige werkloosheid gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid heeft tot gevolg dat reeds opgebouwde rechten verloren gaan. Ook werkloosheid ten gevolge van een detentie heeft gedurende de opbouw van de eerste drie jaar legale arbeid tot gevolg dat de reeds opgebouwde rechten verloren gaan. In het geval van hervatting van werkzaamheden, wordt weer van voor af aan begonnen met de opbouw van tijdvakken van legale arbeid en daarmee de opbouw van rechten.
### 3.3.3. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 3.4. Recht op voortzetting van verblijf gezinsleden Turkse werknemers
De nationale regels inzake gezinshereniging en -vorming (zie B2) bieden de gezinsleden in de regel al meteen het recht om te werken en gaan derhalve verder dan waartoe het Associatiebesluit nr. 1/80 verplicht.
Daarnaast kunnen bovenstaande gezinsleden reeds na drie jaar rechtmatig verblijf hier te lande aanspraak maken op een zelfstandige verblijfsvergunning onder de beperking ’voortgezet verblijf’ (zie B16/3.1.1). Op grond van deze verblijfsvergunning hebben zij ook de vrije toegang tot iedere arbeid van keuze.
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
De omstandigheid dat het gezinslid in Nederland is geboren en daardoor geen toestemming heeft moeten aanvragen om zich in het kader van de gezinshereniging bij de Turkse werknemer in Nederland te voegen is niet van belang (zie Hof van Justitie van de EG, 11 november 2004, Cetinkaya, C-467/02).
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
Vorenstaande betekent dat de vrije toegang tot de arbeidsmarkt als bepaald in artikel 7, eerste lid, onder b, besluit nr. 1/80 (waarin is bepaald dat de gezinsleden vrije toegang tot de arbeidsmarkt hebben wanneer zij ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen) reeds na drie jaar legaal wonen van toepassing is. Met deze voor de gezinsleden van een Turkse werknemer gunstigere regel wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, onder a, Associatiebesluit 1/80. Deze gunstigere regel moet altijd worden toegepast.
Het verblijfsrecht wordt beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid indien het persoonlijk gedrag van betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (zie artikel 14, eerste lid, besluit nr. 1/80; zie Hof van Justitie van de EG, 10 februari 2000, Nazli, C-340/97en zie B10/7.1.1).
Het verblijfsrecht gaat verloren indien het grondgebied van Nederland voor zes maanden of langer is verlaten, tenzij deze afwezigheid is gelegen in het vervullen van de militaire dienstplicht (zie bovengenoemde zaak Ergat en B10/7.1).
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
Een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond, wordt niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot, en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij, een bevoegde autoriteit of persoon of één of meer speciaal door de bevoegde autoriteiten aangewezen personen.
### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
De vorenvermelde speciale waarborgen gelden niet, indien dwingende overwegingen van nationale veiligheid de uitzetting van de vreemdeling rechtvaardigen. Het begrip dwingende overwegingen van nationale veiligheid dient te worden onderscheiden van het begrip ‘bezwaren uit hoofde van de openbare orde’, zoals bedoeld in B1/4.4.
### 4.2.2. Tien jaar rechtmatig verblijf
Deze bepaling is niet vertaald in het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825), maar de algemene regeling van [artikel 3.86](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) en [3.87 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.87) geeft – materieel inhoudelijk bekeken – een rechtsbescherming die ten minste even sterk is als de rechtsbescherming die voortvloeit uit het Verdrag.
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 7.1. Verblijf van werknemers
Verwezen wordt naar [artikel 21 tot en met 27 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), [hoofdstuk 3, afdeling 3, van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&afdeling=3) en naar B1/6.
### 7.2. Verblijf van zelfstandigen
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 6. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat
De onderneming dient te zijn ingeschreven in het handelsregister met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend.
### 8. Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag
### 6.2. Begunstigde
Het laat onverlet om maatregelen toe te passen welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voorzover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823), zoals weigering van de toegang, van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, weigering verlenging van een dergelijke vergunning, alsmede intrekking ervan, weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan en ongewenstverklaring. Voor wat betreft de maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid wordt aangesloten bij de lijst van besmettelijke ziekten die als bijlage bij het Vb is gevoegd.
### 13.1. Belang
### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
De aanvraag om een verblijfsvergunning wordt echter afgewezen, indien niet is voldaan aan een of meer van de algemene voorwaarden als genoemd in [artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en B5/7.3 en B5/7.4.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf op grond van het Nederlands-Zwitserse Traktaat’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
Tevens wordt de verblijfsvergunning voorzien van de aantekening: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
### 10.1. Begunstigde
### 7. Europa-overeenkomsten met Bulgarije en Roemenië
Deze Europa-overeenkomsten hadden tot doel een associatie tot stand te brengen om uitbreiding van de handel en economische betrekkingen tussen de verdragspartijen te bevorderen en daarmee de dynamische ontwikkeling en welvaart in Bulgarije en Roemenië te stimuleren, teneinde de toetreding tot de EG te vergemakkelijken. Door de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de EU op 1 januari 2007 hebben deze overeenkomsten hun betekenis verloren.
### 10.2. Repatriëring en bijstand
In alle gevallen wordt tevens toegevoegd: ‘Een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.’
Er mag tot verblijfsbeëindiging worden overgegaan in geval van verplaatsing hoofdverblijf, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet voldoen aan de beperking of een voorschrift, alsmede wegens de openbare orde (zie artikel 16 Vw, in samenhang met hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 4 en 5, alsmede afdeling 3, paragraaf 2 en 3, Vb en B1).
Het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.
### 8.1. Verblijfsvoorwaarden
### 11. ESH
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
De onderneming dient te zijn ingeschreven in het handelsregister met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend.
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
De vreemdeling die bijstand geniet, mag voortzetting van verblijf slechts worden ontzegd, indien:
Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan (Stb. 1913, 389) beoogt de handel tussen de beide partijen te vergemakkelijken.
Ten aanzien van de beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en het voorschrift geldt het volgende:
### 11.3. Intrekking verblijfsvergunning
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 10. Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand
Het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand verplicht de verdragsluitende partijen de wederzijdse onderdanen op gelijke voet als eigen onderdanen recht te geven op sociale en medische bijstand.
### 10.1. Begunstigde
Er kan wel tot repatriëring worden overgegaan, indien:
### 15. Het IVRK
### 14.1. Begunstigde en belang
Als bewijsstuk, erkend voor het verblijf, geldt onder meer het uittreksel uit de GBA. Tegenbewijs door de vreemdeling is toegestaan.
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
De vreemdeling die bijstand geniet, mag voortzetting van verblijf slechts worden ontzegd, indien:
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Als regel zal aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de betrokkene steeds een beperking zijn verbonden. Indien ingevolge het Verdrag niet tot verblijfsbeëindiging kan worden overgegaan, wordt de beperking waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd laatstelijk is verleend, gehandhaafd.
De op de eerder verleende verblijfsvergunning geplaatste arbeidsmarktaantekening wordt gehandhaafd.
### 11. ESH
Nederland, Turkije en de landen van de EU/EER (zie B10), behoudens Estland, Litouwen en Slovenië, hebben het ESH geratificeerd.
Nederland heeft zich ingevolge artikel 19, zesde lid, van het ESH verbonden te waarborgen dat zoveel mogelijk de hereniging van het gezin van een migrerende werknemer, die toestemming heeft gekregen om zich op het grondgebied te vestigen, wordt vergemakkelijkt. Deze bepaling heeft geen rechtstreekse werking (zie ABRvS, 16 april 1984, RV 1984/ 117).
Dat laat echter onverlet dat voor gezinshereniging, met hier te lande rechtmatig verblijvende Turkse werknemers, aanvullende eisen kunnen worden gesteld indien het gaat om (verruimde) gezinshereniging. Dat betekent dat, voorzover hier van belang, op ‘kinderen’ tussen de 18 en 21 jaar, die ten laste van de werknemer komen, niet dezelfde regeling behoeft te worden toegepast zoals die geldt voor EU/EER- onderdanen en onderdanen van Zwitserland.
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
Partij bij het Verdrag zijn: Nederland, Frankrijk, Italië, Noorwegen, Portugal, Spanje, Turkije en Zweden.
Het Europees Verdrag migrerende werknemers heeft betrekking op onderdanen van een Verdragsluitende Partij die in Nederland werkzaam zijn en rechtmatig verblijf hebben.
Het verdrag lijkt met name van belang te zijn voor onderdanen van Turkije en voor vreemdelingen met de nationaliteit van de overige landen, alleen voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het recht van de EU/EER, niet aan het Europees vestigingsverdrag en evenmin aan het Associatiebesluit 1/80.
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
### 16.2. Medische behandeling
Over de vraag of de medische behandeling in Nederland noodzakelijk is, adviseert het BMA (zie B8).
Op 27 april 1976 is te Rabat de samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko ondertekend, die namens de EG is goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1).
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
### 13.1. Belang
### 14. Het BuPo
Op 11 maart 1979 is voor Nederland in werking getreden het BuPo.
### 14.1. Begunstigde en belang
Indien de vreemdeling een staatloze is in de zin van het Staatlozenverdrag en hij in de vreemdelingenadministratie expliciet als staatloze staat ingeschreven (en dus niet als vreemdeling met ‘onbekende’ nationaliteit), kan hij op grond van het Staatlozenverdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen (zie [C21/3](onbekend)).
Het tweede lid van dit artikel, vermeldt weliswaar dat een kind van wie de ouders in verschillende staten verblijven het recht heeft op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten te onderhouden met beide ouders, doch dit artikellid draagt de Partijen slechts op daartoe het recht van het kind en de ouders te eerbiedigen om welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten en het eigen land binnen te gaan.
### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel
### 16.1.2. Binnenkomst na 24 november 1980
### 16.2. Medische behandeling
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
### 3.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
In beide gevallen geldt dat moet worden voldaan aan de voorwaarden als genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) (zie B1/4), in samenhang met [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13). De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van deze afhankelijke gezinsleden kan in behandeling worden genomen met vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het gestelde in [artikel 3.71, tweede lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71), dan wel met toepassing van artikel 3.71, vierde lid, Vb (zie in dit verband B1/4.1.1).
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
Het afhankelijke gezinslid kan dan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) onder de beperking verband houdend met gezinshereniging bij de hoofdpersoon, indien het gezinslid:
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest
Ad a. Het betreft door de zendstaat na 1 augustus 1987 uitgezonden administratief, technisch en bedienend personeel, dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet. Dit geldt mede voor lokaal geworven personen die niet onder de eerdere definitie van ‘duurzaam verblijf houdend’ vielen en daarom als ‘uitgezonden personeel’ zijn aangemerkt.
Indien de vreemdeling een staatloze is in de zin van het Staatlozenverdrag en hij in de vreemdelingenadministratie expliciet als staatloze staat ingeschreven (en dus niet als vreemdeling met ‘onbekende’ nationaliteit), kan hij op grond van het Staatlozenverdrag een reisdocument voor vreemdelingen krijgen (zie [C21/3](onbekend)).
### 12. Diplomaten
### 3.2.4. Gezinsleden
### 2. Personeel van ambassades en consulaten, alsmede de gezinsleden
Sinds 1 augustus 1987 wordt onderscheid gemaakt tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijvend personeel.
Het betreft de volgende categorieën:
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Van de bovenstaande drie categorieën wordt alleen de derde categorie door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van een geprivilegieerdendocument ([model M81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M81); zie [bijlage 3, onder A, derde lid VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=3) juncto [artikel 2.3 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=2.3)). Dit houdt onder meer in dat deze categorie niet behoeft te beschikken over een verblijfsvergunning, maar wel over bovengenoemd geprivilegieerdendocument, vervangend document of visum.
### 2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status
Indien familie- of gezinsleden zich eerst bij de hoofdpersoon in Nederland willen vervoegen wanneer de hoofdpersoon reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8, onder b, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8), dan zijn de bepalingen van B2 op deze familie- of gezinsleden van toepassing.
Het afhankelijke gezinslid kan dan in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) onder de beperking verband houdend met gezinshereniging bij de hoofdpersoon, indien het gezinslid:
### 2.2. Duurzaam verblijvend personeel
### 3.1.3. Verblijfsvoorwaarden (ex-)geprivilegieerden
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
Ad a. Voor 1 januari 2000 konden diplomatieke zendingen of consulaire posten vreemdelingen lokaal werven die reeds een jaar of meer op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) rechtmatig in Nederland verbleven en gerechtigd waren arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten.
Ad b. Lokaal geworven personeel is op een missie werkzaam personeel dat op de lokale (Nederlandse) arbeidsmarkt is geworven en dat werkzaamheden ten behoeve van de missie verricht. Het gaat hier veelal om administratief, technisch en bedienend personeel dat niet door een zendstaat is uitgezonden. De missies kunnen vanaf 1 januari 2000 slechts personen werven op de lokale arbeidsmarkt aan wie het verrichten van arbeid in Nederland vrij is toegestaan en die rechtmatig in Nederland verblijf hebben op grond van [artikel 8, onder a tot en met e, of l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) zijn en blijven onverkort van toepassing op de twee bovengenoemde categorieën.
### 2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
### 2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest
Het betreft de volgende categorieën:
Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan op aanvraag (net als de (ex-)geprivilegieerde) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a)). Dit is ook mogelijk indien de geprivilegieerde hoofdpersoon in dienst blijft van een internationale organisatie of uit Nederland vertrekt. Dit is in tegenstelling tot de afhankelijke gezinsleden van personeelsleden van ambassades en consulaten, hun verblijfsrecht is afhankelijk van dat van de geprivilegieerde hoofdpersoon (zie B12/2.1.2.2). Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, indien het gezinslid:
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Ten aanzien van deze vreemdelingen geldt op grond van [artikel 3 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=3) dat voor hun werkzaamheden geen TWV is vereist. In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
Na beëindiging van het dienstverband met een internationale organisatie of wanneer de betreffende vreemdeling na de periode van tien jaar op zijn verzoek (aanvraag) duurzaam een verblijfsstatus onder de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) toegewezen heeft gekregen, komt de uitgezonden (geprivilegieerde) status op basis van de Zetelovereenkomst van de betreffende vreemdeling te vervallen. De bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden alsdan onverkort van toepassing op deze vreemdelingen.
### 3.1.3. Verblijfsvoorwaarden (ex-)geprivilegieerden
De verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20)) kan op aanvraag worden verleend aan de meerderjarige vreemdeling die:
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
Zie B1/7.1.3.
### 3.3.1. Verdrag van Ottawa
Ten aanzien van deze voorwaarde wordt aangesloten bij [artikel 3.95 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.95). Dit betekent dat de aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf, een taakstraf of de maatregel, bedoeld in [artikel 37a WvSr](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854&artikel=37a), dan wel het buitenlandse equivalent daarvan, is opgelegd, en de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de norm, bedoeld in [artikel 3.86, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86). Verder is [artikel 3.86 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.86) van overeenkomstige toepassing (zie B1/4.4 en B1/5.3.6).
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
Zie B1/4.4.
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan op aanvraag (net als de (ex-)geprivilegieerde) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), de [artikelen 3.93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93) en [3.96a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.96a)). Dit is ook mogelijk indien de geprivilegieerde hoofdpersoon in dienst blijft van een internationale organisatie of uit Nederland vertrekt. Dit is in tegenstelling tot de afhankelijke gezinsleden van personeelsleden van ambassades en consulaten, hun verblijfsrecht is afhankelijk van dat van de geprivilegieerde hoofdpersoon (zie B12/2.1.2.2). Het meerderjarige afhankelijke gezinslid kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, indien het gezinslid:
Het bepaalde in B12/2.1.2.2 met betrekking tot de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) is van overeenkomstige toepassing.
Op grond van de Zetelovereenkomst tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland en de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties behorend bij het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon, komen journalisten, medewerkers van NGO’s en vertegenwoordigers van juridische verenigingen die betrokken zijn bij het werk van het Internationaal Strafhof en/of het Speciale Tribunaal voor Libanon in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Aan deze personen komt niet de uitgezonden status toe als bedoeld in B12/3.1.
Aan vreemdelingen als hier bedoeld wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) onder de beperking ‘verblijf in het kader van de Zetelovereenkomst’.
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst ‘een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.
### 3.2.3. Geldigheidsduur
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan niettegenstaande het voorgaande een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, namelijk indien geen van de beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
Voor zover zij de leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, wordt aan de gezinsleden van de militairen van de Joint Force Command- headquarters voor hun verblijf een document uitgereikt als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a).
### 1. Inleiding
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
### 2.1. Algemeen
Zij zijn vrijgesteld van het legesvereiste (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder a, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)). Voor de behandeling van aanvragen om een mvv wordt verwezen naar B1/1.
### 2.1. Algemeen
Amv’s van wie de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) in een regeling voorzien, inhoudende dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de Amv in beginsel moet terugkeren.
### 2. Amv’s
De minderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht. Ingevolge het bepaalde in [artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002656&artikel=233) wordt een persoon als minderjarig beschouwd, indien:
Aan de echtgeno(o)t(e) (zie [artikel 3.40 tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40)) wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend met de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)….’, met de arbeidsmarktaantekening: ‘andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV.’
Aan vreemdelingen als bedoeld in [artikel 3.40, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) die onderdaan zijn van een lidstaat van de EU/EER of van Zwitserland, wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (zie [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14)) verleend onder de beperking: ‘verblijf als NAVO-vreemdeling.’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.’
Een minderjarige vreemdeling wordt in het kader van dit beleid wél als alleenstaand beschouwd, indien zijn ouder(s) in de bovengenoemde situaties minderjarig is/zijn.
De verblijfsregeling, zoals genoemd in B12/3.4.2, geldt niet voor die vreemdelingen die als EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) in Nederland hebben (zie B10).
Het moet voorts gaan om werkzaamheden waarvan in redelijkheid mag worden verwacht dat een minderjarige die weer oppakt. Van minderjarigen die werkzaam waren in de prostitutie, als soldaat of strijder, of ten aanzien van wie sprake was van kinderarbeid, wordt niet verwacht dat zij deze werkzaamheden weer oppakken.
Indien aan de hand van B14/2.2.3 wordt geconstateerd dat de Amv opvang behoeft, is van belang of voor hem adequate opvang voorhanden is in het land van herkomst of in een ander land waar hij redelijkerwijze naar toe kan gaan.
Het bestaan van adequate opvang wordt in ieder geval aangenomen indien:
### 1. Inleiding
In dit hoofdstuk worden de bepalingen inzake de ambtshalve verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als Amv, voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken,en voor verblijf op grond van het driejarenbeleid en voor verblijf verband houdend met de vervolging van mensenhandel uitgewerkt.
### 2.3. Afwijzingsgronden
Een andere categorie vreemdelingen aan wie ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend, betreft die vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Indien een vreemdeling, van wie de aanvraag om toelating is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, komt hij onder voorwaarden in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’.
### 2.3. Afwijzingsgronden
Verder kan een verblijfsvergunning regulier verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in hoofdstuk B9 ambtshalve worden verleend in de asielprocedure, als blijkt dat de asielzoeker (tevens) slachtoffer is van mensenhandel en voorafgaand aan of tijdens de asielprocedure terzake aangifte heeft gedaan of op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek gedurende de asielprocedure. De voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend worden in dit hoofdstuk uiteengezet.
De afwijzingsgronden van [artikel 16, eerste lid, onder d en e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16), zijn van toepassing (zie [artikel 3.56, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56), [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79), en B1/4.4 en B1/4.5).
Amv’s van wie de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, moeten terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven en dat daar evenmin adequate opvang aanwezig is. Voor die gevallen is in [artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) in een regeling voorzien, inhoudende dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de Amv in beginsel moet terugkeren.
### 2.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
Voor de vaststelling of een vreemdeling als gevolg van een in het buitenland gesloten huwelijk als meerderjarig dient te worden beschouwd, is van belang of het huwelijk naar regels van Nederlands internationaal privaatrecht wordt erkend. Op grond van [artikel 5 Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619&artikel=5) wordt een huwelijk alleen erkend indien het rechtsgeldig is ingevolge het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond. Een minderjarige wordt dus niet meerderjarig door een niet-erkend traditioneel huwelijk. Op grond van [artikel 6 Wet conflictenrecht huwelijk](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004619&artikel=6) wordt een huwelijk evenmin erkend als dit onverenigbaar zou zijn met de openbare orde. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij gedwongen huwelijken of huwelijken tussen jonge kinderen.
### 2.4.3. Leeftijdsonderzoek
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
Indien wordt geconstateerd dat aannemelijk is dat de Amv van zestien jaar of ouder zich zelfstandig kan handhaven en dus geen opvang behoeft, komt hij niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
Indien de informatie niet voldoende geloofwaardig is, gezien de leeftijd of de ontwikkeling van de minderjarige, kan onderzoek wel geïndiceerd zijn ter aanvulling of verificatie van de overgelegde gegevens.
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 2.3.2. Frustreren van het onderzoek naar adequate opvang
### 2.5.4. Herhaald onderzoek naar adequate opvang
### 2.6. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
De aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv kan worden afgewezen, indien:
### 2.4.2. Toetsing ex nunc
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
Indien de vreemdeling niet vooraf toestemming heeft gegeven voor een herhaald leeftijdsonderzoek (door middel van een toestemmingsverklaring in het verzoek om een leeftijdsonderzoek of anderszins), kan hij in het kader van een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning voor verblijf als amv, dan wel om verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, opnieuw in de gelegenheid worden gesteld om een verzoek in te dienen voor een leeftijdsonderzoek.
Indien de vreemdeling op het moment van het indienen van de aanvraag óf het moment van beslissen op de aanvraag in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als Amv, zijnde een verblijfsrecht van tijdelijke aard, dan komt hij ingevolge het bepaalde in [artikel 21, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21), niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd zijn uitgewerkt in B1/6.
In de gevallen waarin de aanvraag om toelating als vluchteling is ingediend vóór 4 januari 2001, is het beleid van toepassing zoals dat gold vóór 4 januari 2001. Dit beleid is beschreven in B7/13 van de Vc (oud) en de Tussentijdse berichten vreemdelingencirculaire 1996/1, 2000/6 en 2000/7.
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
In de gevallen waarin op of na 1 april 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vc.
In [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake Amv’s en die inmiddels achttien jaar oud zijn. Deze vreemdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16/3.3.3).
### 2.10.3.1. Inleiding
Op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier onder een beperking die verband houdt met verblijf als Amv worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform [bijlage 7f2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7f2) (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
Op grond van [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de vergunning worden ingetrokken om redenen genoemd in B14/2.6.3 (gronden voor afwijzing van de verlenging).
### 2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). De geldigheidsduur is dan vijf jaar (zie B16).
In de gevallen waarin op of na 1 april 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend, is het beleid van toepassing zoals beschreven in de Vc.
In [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) is een overgangsregeling getroffen voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder het oude beleid inzake Amv’s en die inmiddels achttien jaar oud zijn. Deze vreemdelingen kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16/3.3.3).
### 2.10.3. Overgangsrecht voor begeleide minderjarigen
Er zijn drie categorieën vreemdelingen die in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken. Deze categorieën worden hierna uitgewerkt.
### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
Vreemdelingen aan wie eerder een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv is geweigerd omdat zij begeleid werden, kunnen conform bovengenoemde brief een nieuwe asielaanvraag indienen. [C10/2.5](onbekend) is hierbij van toepassing. Deze aanvraag geeft recht op opvang gedurende de asielprocedure.
Op grond van het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) moet in de afhandeling onderscheid worden gemaakt naar vreemdelingen die nog minderjarig zijn en vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden. In de volgende subparagrafen wordt de toetsing beschreven.
Voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken komen tevens in aanmerking vreemdelingen op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, maar bij wie door het BMA is vastgesteld dat zij vanwege hun gezondheidstoestand blijvend niet kunnen reizen. Hieronder vallen tevens vreemdelingen bij wie door het BMA voorgeschreven fysieke overdracht aan een medische instelling dan wel behandelaar in het land van herkomst in aansluiting op de reis blijvend niet kan plaatsvinden, zodat zij vanwege hun gezondheidstoestand niet kunnen reizen.
**Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding**
In afwijking van B1/4.2 wordt de aanvraag niet afgewezen op de enkele grond dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Dit lijdt echter uitzondering indien de vreemdeling door middel van een begeleidende brief door de Minister is uitgenodigd een verblijfsvergunning op grond van dit beleid aan te vragen. Dit kan zich voordoen in die gevallen waarin gedurende het terugkeertraject door de DT&V wordt geconstateerd dat, ondanks de bereidwilligheid van de vreemdeling om mee te werken aan de eigen terugkeer, het niet lukt om de benodigde reisdocumenten ten behoeve van de terugkeer te verkrijgen.
In deze gevallen kan de vreemdeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van dit beleid.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien de werkgever beschikt over een TWV’.
De bepalingen van B2 zijn van toepassing.
Voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid ten aanzien van vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken komen tevens in aanmerking vreemdelingen op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, maar bij wie door het BMA is vastgesteld dat zij vanwege hun gezondheidstoestand blijvend niet kunnen reizen. Hieronder vallen tevens vreemdelingen bij wie door het BMA voorgeschreven fysieke overdracht aan een medische instelling dan wel behandelaar in het land van herkomst in aansluiting op de reis blijvend niet kan plaatsvinden, zodat zij vanwege hun gezondheidstoestand niet kunnen reizen.
### 3.2.4. Ontheffing van het paspoortvereiste
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
Voorschriften tot het stellen van zekerheid worden niet verbonden aan verstrekking van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, in geval van vreemdelingen die behoren tot een van de in [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) genoemde categorie verblijfsgerechtigden (zie B10).
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.7.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
Het positieve resultaat van het basisexamen inburgering dat is behaald vóór 1 april 2011 kan ook bij mvv-aanvragen ingediend ná 1 april 2011 worden overgelegd. Daarbij is van belang dat de mvv-aanvraag binnen een jaar nadat het basisexamen is behaald, wordt ingediend.
### 5.3.3. Onjuiste gegevens
Als een van de in [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) genoemde gronden tot afwijzing kan leiden, wordt de verblijfsvergunning voor onbepaalde duur als EG-langdurig ingezetene niet verleend.
De beoordeling of de vreemdeling zijn hoofdverblijf heeft verplaatst vindt plaats aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval waarbij met de wil van de vreemdeling slechts rekening wordt gehouden voor zover die blijkt uit diens gedragingen.
### 7.2.1. De duur van het verblijf in Nederland
### 9.7.6. Bevoegdheid
### 9.7.5. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming
Nadat het CJIB aan de IND heeft bericht dat voor de betreffende aanvraag de volledige leges zijn ontvangen, wordt de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier of tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ter hand genomen, mits aan de overige voorwaarden voor het in behandeling nemen van de aanvraag wordt voldaan.
Deze aanvragen tot het verlenen van die verblijfsvergunning asiel kunnen bij één van de Aanmeldcentra in Nederland worden ingediend. Voor de afdoening van deze aanvragen zijn geen leges verschuldigd. Voor de afgifte van het verblijfsdocument zijn evenmin leges verschuldigd (zie [C9/2.1.6](onbekend)).
Op grond van [artikel 73, vijfde lid VW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=73) wordt echter gedurende die termijn niet de werking van het terugkeerbesluit opgeschort.
Het enkele feit dat de werking van de afwijzende beschikking niet wordt opgeschort en de vreemdeling de behandeling van het bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten, betekent nog niet dat de hoorplicht in de bezwaarfase ([artikel 7:2 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:2)) niet langer geldt. Voor de regels inzake de hoorplicht is [artikel 7:3 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) van toepassing (zie ook B1/10.7).
De mogelijke gronden zijn vermeld in [artikel 7:3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:3) voor bezwaar en [artikel 7:17 Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:17) voor administratief beroep.
Opdat later schriftelijk bewijs voorhanden is, is het van belang dat het opvragen van gegevens en het opschorten van de beslistermijn schriftelijk gebeurt en dat van het geschrift kopie wordt bewaard. Tevens is het van belang dat in de brief duidelijk de datum wordt aangegeven en de termijn die wordt gegeven om het ontbrekende te overleggen (einddatum). Omdat de termijn waarmee de beslissing wordt opgeschort, eindigt op de datum waarop het ontbrekende wordt ontvangen (dus niet noodzakelijkerwijs op het moment waarop de gegunde termijn eindigt), is het tevens van belang dat nauwgezet wordt bijgehouden op welke datum brieven worden ontvangen.
In overige gevallen wordt een verzoek om uitstel wegens vakantie gehonoreerd, indien uit het dossier blijkt dat de betrokken rechtshulpverlener reeds in een eerdere fase van de procedure als gemachtigde is opgetreden.
Beroep bij de rechtbank staat open tegen de beschikking op een bezwaarschrift of op een administratief beroepschrift en tegen het niet-tijdig beslissen op een aanvraag, een bezwaarschrift of een administratief beroepschrift. Het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is een besluit te nemen en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan schriftelijk door een belanghebbende in gebreke is gesteld (zie [artikel 6:12, derde lid, Awb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=6:12)). Op reeds vóór 1 oktober 2009 ingediende bezwaar- en beroepschriften tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft het recht van toepassing zoals dit gold vóór 1 oktober 2009.
Hoger beroep op de ABRvS kan worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde of een raadsman indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Hoger beroep bij de ABRvS dient binnen een termijn van vier weken te worden ingesteld, gerekend met ingang van de dag na die waarop de uitspraak van de rechtbank is verzonden. De grieven moeten worden ingediend bij de ABRvS. Daarbij moet een afschrift van de bestreden uitspraak in beroep worden overgelegd.
Van de daardoor aan de lidstaten gelaten ruimte is door Nederland gebruik gemaakt bij [artikel 3.74 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) (zie B1/4.3) en [artikel 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) (zie ook B2/2.10 en B2/4.11).
De Richtlijn is, gelet op artikel 2, onder d, ervan, zowel van toepassing op situaties van gezinshereniging als gezinsvorming.
In dit hoofdstuk wordt onder hoofdpersoon verstaan de persoon bij wie de vreemdeling als gezinslid (bijvoorbeeld als echtgenoot, geregistreerde partner, kind of ouder) in Nederland wil verblijven, waarmee wordt aangesloten bij de definitie van gezinshereniger, bedoeld in artikel 2, onder c, van de richtlijn.
Dit hoofdstuk ziet niet op gezinshereniging tussen of met gemeenschapsonderdanen. Daarop is B10 van toepassing.
Als de Nederlandse hoofdpersoon gebruik maakt of heeft gemaakt van het vrij verkeer van werknemers of zelfstandigen, dat wil zeggen situaties waarin de Nederlandse hoofdpersoon als gevolg daarvan (nog steeds) is aan te merken als gemeenschapsonderdaan, is B10 eveneens van toepassing.
Het onder a en b vermelde is gebaseerd op [artikel 3.22, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22).
Blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangetoond aan de hand van een beschikking van de uitvoeringsinstantie die de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt. Indien de hoofdpersoon een uitkering krachtens de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of de [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) ontvangt, wordt blijvendheid aangenomen, indien:
Dat het blijvend onmogelijk is om aan deze verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen wordt – behoudens bijzondere omstandigheden – slechts aangenomen als (op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven) de hoofdpersoon:
De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van 6 maanden. Verlenging van de geldigheidsduur is niet mogelijk ([artikel 3.70 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.70)).
Ook indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de buitenlandse partner en eventuele gezinsleden niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking. Indien de polygame situatie is beëindigd, bijvoorbeeld door overlijden of door een echtscheiding die naar Nederlands internationaal privaatrecht is erkend, staat de vroegere polygame situatie niet aan verlening van de verblijfsvergunning in de weg.
### 6.12.6. Mvv
Ten aanzien van deze vrijstellingsgrond wordt verwezen naar B2/2.10 onder ad b.
### 6.5. Achterlating een onevenredige hardheid
### 6.7. Polygamie
Op deze algemene voorwaarden bestaan echter uitzonderingen wat betreft het middelenvereiste (zie B2/5.10). Ook in andere gevallen kan deze vergunning, gelet op [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13), worden verleend.
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
Adoptiefkinderen en adoptiekinderen worden aangemerkt als juridische kinderen in de zin van [artikel 3.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14).
In deze gevallen wordt ter zake van het gezag over het kind geen nader bewijs verlangd, tenzij er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij beide echtgenoten berust dan wel niet of niet langer bij de alleenstaande moeder.
### 6.2. Familielid
Er zijn rechtsstelsels die, ingeval er gezamenlijk gezag van de ouders over kinderen bestaat, het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stellen van de toestemming van de andere ouder. In die gevallen wordt bij de aanvraag de verklaring, waaruit de toestemming van die andere ouder blijkt, overgelegd, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van die andere ouder, ter verificatie van de handtekening.
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 5.2.1. Adoptiefkinderen en adoptiekinderen
### 6.4. Gelegaliseerde akten
### 6.12. Gezinshereniging bij minderjarige houder asielvergunning
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
Indien sprake is van één of meer van de volgende genoemde omstandigheden wordt, in uitzondering op het vorenstaande, aangenomen dat een kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s):
### 6.12.5. Alleenstaand
Let op: Nederland heeft bezwaar gemaakt tegen de toetreding tot het Haags Adoptieverdrag door Armenië, Cambodja en Guatemala. Adoptiebeslissingen, gegeven in één van deze verdragslanden, worden niet erkend door Nederland.
### 6.6. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 5.5.2. Bepaling van de geboortedatum
### 5.3. Gelegaliseerde akten
### 6.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 6.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 5.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 6.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding
Het kind van vijftien jaar of ouder toont aan dat het niet de zorg heeft voor (buitenhuwelijkse) kinderen door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring. Dat vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien naderhand blijkt dat de verklaring ten onrechte is ondertekend, worden daaraan verblijfsrechtelijke gevolgen verbonden. Het kind dat de verklaring niet naar waarheid kan ondertekenen, verstrekt daarover gegevens die bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband worden betrokken.
### 5.9. Openbare orde beleid
Op grond van [artikel 3.15 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.15) wordt de verblijfsvergunning verleend, indien de hoofdpersoon in Nederland verblijft als:
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
De voorwaarde dat de hoofdpersoon ten minste een jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven alvorens een verblijfsvergunning kan worden verleend, is verder niet van toepassing op het minderjarig meereizend voorkind. Deze situatie doet zich voor als de biologische of juridische ouder van het kind in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en deze echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner niet de biologische ouder is van het kind. In dat geval is immers de ouder de hoofdpersoon en niet de in Nederland verblijvende echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner.
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
[Artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23) bevat een bijzondere regeling voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd dan wel een vreemdeling is die verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80. Een onderscheid wordt gemaakt naar de plaats waar het kind wordt geboren.
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.12.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](onbekend)
### 6.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6.5. Alleenstaand
De afwijzing van de aanvraag wordt echter niet louter gebaseerd op het ontbreken van zodanige bewijsstukken met betrekking tot de bloedverwantschap of de gezinsband.
### 7.7. Gelegaliseerde akten
### 6.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 6.10. Middelenvereiste
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 8. Gelegaliseerde bescheiden
### 6.9. Openbare orde
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.24a, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) verleend indien de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, als bedoeld in de [artikelen 3.77](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) en [3.78 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.78).
Het middelenvereiste geldt ook niet indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de minderjarige hoofdpersoon of de vreemdeling bijzondere banden heeft.
### 8.6. Toepassing DNA-onderzoek
### 8.1. Inleiding
### 9.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
De IND stelt op grond van de door het ministerie van BuZa verstrekte informatie vast of de door betrokkene overgelegde documenten alsnog kunnen worden gelegaliseerd. Indien dit niet het geval is, wordt door de IND beoordeeld of er sprake is van bewijsnood, alvorens zij beslist op de aanvraag.
### 9.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
### 8.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
### 7.6. Toepassing DNA-onderzoek
Als de afstammingsrelatie door het DNA-onderzoek wordt bevestigd en aan alle overige voorwaarden wordt voldaan, wordt de aanvraag ingewilligd, tenzij overigens bekend geworden gegevens zich tegen inwilliging verzetten.
### 8.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
### 9.5. Middelenvereiste
### 2.4. Mvv
### 9.5. Middelenvereiste
### 9.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
### 9.5.3. Afwijking van het middelenvereiste
### 10. Artikel 8 EVRM
### 8.3.1. Aanvraag voor het verrichten van arbeid
Van verbreking van de gezinsrelatie is sprake indien de vreemdeling als hierbedoeld:
### 10. Artikel 8 EVRM
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De aanvraag om verlenging wordt op deze grond alleen afgewezen als een beroep wordt gedaan op de publieke middelen (zie B2/8.2).
### 10. Artikel 8 EVRM
### 8.5.2. Belangenafweging en vrijwillige werkloosheid
Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning wordt afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft geheel of ten dele een beroep doet op de publieke middelen, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen worden hieronder algemene regels gesteld.
### 10.2.2. Inmenging
### 9.2.1.1. Einde van het gezinsleven
### 9. Artikel 8 EVRM
### 10.2.2.2. Aanvragen om voortzetting van verblijf
Artikel 8 EVRM bepaalt:
Het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.
### 10.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
Om onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen dient sprake te zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Dit betekent dat voor het aannemen van schending van het privé-leven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur (circa dertig jaar, zie de uitspraken van het EHRM inzake Sisojeva van 16 juni 2005, nr 14492/03, Shevanova van 15 juni 2006, nr 58822/00 en Slivenko van 9 oktober 2003, nr 48321/99) eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus (zie uitspraak van het EHRM inzake Mendizabal van 17 januari 2006, nr 51431/99).
De belangenafweging valt, indien sprake is van een objectieve belemmering, alleen dan op voorhand al in het voordeel van de vreemdeling uit, indien er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te gaan voldoen, zinloos is. Dat wordt slechts aangenomen indien:
### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Bij gezinshereniging dan wel -vorming zal in ieder geval in de belangenafweging betrokken dienen te worden of:
Bij de beoordeling van het familie- of gezinsleven van meerderjarige kinderen en hun ouders dient in ieder geval in de belangenafweging betrokken te worden of sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding. Indien de banden zodanig bijzonder zijn dat aangenomen moet worden dat van een de normale emotionele banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgende, bijzondere afhankelijkheid sprake is, leidt dit op zichzelf nog niet tot de conclusie dat tevens sprake is van een verplichting om de vreemdeling verblijf toe te staan. Die omstandigheid vormt één van de aspecten die in de belangenafweging betrokken dient te worden. Hieraan komt op zichzelf geen doorslaggevende betekenis toe.
### 9.2.3.2. Het bestaan van een objectieve belemmering
De belangenafweging valt, indien sprake is van een objectieve belemmering, alleen dan op voorhand al in het voordeel van de vreemdeling uit, indien er sprake is van een uitzichtloze situatie waarin van tevoren al volstrekt duidelijk is dat nimmer aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning zal kunnen worden voldaan en waarin het vragen van inspanningen om alsnog aan de voorwaarden te gaan voldoen, zinloos is. Dat wordt slechts aangenomen indien:
### 9.3. Ambtshalve wijziging
[Artikel 14, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) geeft de bevoegdheid om op aanvraag van de houder of ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen. Deze bevoegdheid zal worden gebruikt in alle gevallen waarin de verblijfsbeëindiging van de reguliere verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 EVRM. Als gevolg van de systematiek van de Vw, waarmee een strikte scheiding tussen de verblijfsvergunning regulier en de verblijfsvergunning asiel is beoogd, dient in een asielprocedure, indien verblijf op grond van artikel 8 EVRM wordt beoogd, een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier te worden ingediend.
### 2.2.1. Inleiding
### 10. Gezinshereniging van verzorgende ouder met Nederlands minderjarig kind
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
### 2.1. Inleiding
### 2.6.1. Ontbreken mvv
### 2.2.1. Inleiding
Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing kan van rechtswege geschieden of door tussenkomst van de Nederlandse rechter. In de drie hieronder beschreven situaties zijn de bepalingen van B2 op de aanvraag van toepassing in plaats van de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk, uiteraard voor zover het kind ten gevolge van de in het buitenland uitgesproken adoptie niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
### 3.1. Inleiding
De aspirant-pleegouders verstrekken bij de ten behoeve van het kind in te dienen aanvraag de gegevens en bescheiden behorende bij de voorwaarden als vermeld onder B3/3.1. Het betreft:
Na onderzoek zal, met inachtneming van de relevante omstandigheden op de aanvraag worden beslist.
### 2.6. Het kind wordt niet als Nederlander in de GBA opgenomen
Het komt veelvuldig voor dat een kind als direct gevolg van een in het buitenland uitgesproken adoptie de Nederlandse nationaliteit verkrijgt en dus als Nederlander met een Nederlands paspoort Nederland inreist en als Nederlander wordt opgenomen in de GBA. In een dergelijk geval is het toelatingsbeleid vanzelfsprekend niet van toepassing.
De aanvraag wordt afgewezen indien niet door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden wordt aangetoond (zie B2/8), dat de ouder(s) of wettelijke vertegenwoordiger(s) of (indien zij zijn overleden of een onbekende verblijfplaats hebben) de autoriteiten in het land van herkomst instemmen met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders. Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is naast instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger ook instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist. Daarnaast moet het gezag van de aspirant-pleegouders over het kind (bij voorkeur) in het land van herkomst zijn geregeld door het bevoegd gezag, blijkens officiële gelegaliseerde bescheiden.
### 2.1. Algemeen
De hierboven in B3/2.5 vermelde voorschriften inzake aanmelding (zie B3/2.5.1) en de plaats van indiening van de aanvraag (zie B3/2.5.2) van buitenlandse kinderen ter adoptie zijn voor wat de buitenlandse pleegkinderen betreft van overeenkomstige toepassing. Voorafgaande aan de aanmelding dient de wettelijke vertegenwoordiging van het kind te zijn geregeld. Het gestelde in B1/9.1.1 is van overeenkomstige toepassing.
### 3.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.2.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.2.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.3.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 2.3.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.2.3.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.3.1. Oud-Nederlanders ([artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, d of f, Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=15))
### 3. Remigratie en terugkeeroptie (op grond van [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8))
Er zijn twee soorten regelingen op grond waarvan een vreemdeling na definitief vertrek naar het buitenland wederom naar Nederland kan terugkeren. Het betreft hier de terugkeeroptie op grond van het bepaalde bij en krachtens [artikel 8 Remigratiewet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0010424&artikel=8) (zie B4/3.1 en B4/3.2) en de sedert jaar en dag bestaande (voorheen in B21/5 van de Vc (oud) geregelde) terugkeeroptie voor vreemdelingen die als minderjarige kinderen met hun remigrerende ouders uit Nederland zijn geremigreerd (zie B4/4 en B4/5).
### 3.1. Verblijfsrechtelijke positie vóór remigratie
In dit geval wordt een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met toepassing van [artikel 21a Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21a) verleend op nationale gronden.
### 5.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55)).
### 6. Beoordeling openbare orde
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Bij de aanvraag overlegt de vreemdeling in ieder geval een volledig afschrift van het verzoek ex [artikel 17 Rwn](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003738&artikel=17).
### 5.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
### 5. Arbeid
De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.
### 1.1. Samenhang tussen de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Voor buitenlandse werknemers vindt de vaststelling daarvan plaats in de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) (zie B5/1.2). Onder een buitenlandse werknemer wordt verstaan: een vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of wil (gaan) verrichten.
### 2.4. Beperking
### 1.1. Samenhang tussen de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning
Een vreemdeling, die naar Nederland komt om arbeid in loondienst te verrichten, vraagt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst aan bij de IND. In de periode, gelegen tussen verlening van een TWV en de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, is het de vreemdeling toegestaan de arbeid te verrichten waarvoor de TWV is afgegeven. Zolang geen beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is genomen, mag hij derhalve niet uit Nederland worden verwijderd. Hij verblijft dan immers rechtmatig in Nederland in de zin van [artikel 8, aanhef en onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8).
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentale plat omvatten zowel installaties voor proefboringen als voor exploitatie. Werkzaamheden op bevoorradingsschepen van de hier bedoelde installaties vallen echter niet onder deze regeling.
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van een dergelijke vreemdeling gelden vervolgens de [artikelen 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) (zie B2). Deze gezinsleden worden niet toegelaten tot de arbeidsmarkt. Op hen is B16 inzake voortgezet verblijf niet van toepassing, aangezien hun verblijfsrecht tijdelijk van aard is (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51)).
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
### 4.1.7. Gezinshereniging
### 4.6.4.2. Beperking
### 4.4.3. Arbeidsmarktaantekening
### 4.5.3. Voorschriften
### 4.6.6. Arbeid in loondienst in kader actieprogramma van de EU
### 4.5.1. Beperkingen
Het algemene vreemdelingenbeleid is niet van toepassing op buitenlandse werknemers in enkele specifieke sectoren (internationale luchtvaart, het internationale wegtransport en de internationale binnenscheepvaart) van de internationale arbeidsmarkt, omdat zij niet dan wel het grootste deel van de tijd niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen daarom in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.
### 4.5.4. Geldigheidsduur
### 4.6.2.4. Voortzetting van verblijf
Geen TWV is vereist, indien de gastcolleges voor de duur van maximaal één jaar worden gegeven. Indien de duur van de gastcolleges langer dan één jaar zal bedragen, is voor deze werkzaamheden wel een TWV vereist.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking ‘voor arbeid in loondienst als stagiair’ c.q. ‘voor arbeid in loondienst als practicant’.
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2.
### 4.6.1. Algemeen
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend.
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 4.6.4.4. Gevraagde bescheiden
### 4.7.1. Inleiding
### 4.7.1. Inleiding
### 4.6.5.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.7.3. Musici en artiesten
### 4.6.6.1. Duurzame middelen
### 4.6.6.2. Geldigheidsduur
### 4.9.1. Algemeen
### 4.9.3. Gezinshereniging en -vorming
Het in B5/4.7.1 gestelde is van overeenkomstige toepassing op grensarbeiders, waaronder hier wordt verstaan in Nederland tewerkgestelde vreemdelingen die hun woonplaats hebben in België of in Duitsland waarheen zij in beginsel dagelijks, of ten minste eenmaal per week terugkeren. Het gaat daarbij met name om vreemdelingen die in België verblijf houden en in het bezit zijn van een geldige Belgische of Luxemburgse identiteitskaart voor vreemdelingen, dan wel van een Belgisch bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister.
### 4.12.6. Geldigheidsduur
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan gezinsleden van vreemdelingen aan wie op grond van werkzaamheden of activiteiten in de sportsector verblijf is toegestaan gelden de voorwaarden inzake gezinshereniging en -vorming zoals vermeld in B2.
### 4.11. Directeuren-(groot)aandeelhouders
### 5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
De houder van een door een andere (eerste) lidstaat afgegeven status als EG-langdurig ingezetene, kan onder bepaalde voorwaarden voor een periode van langer dan drie maanden in Nederland (tweede lidstaat) verblijven en in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid in loondienst.
### 4.12.2. Verlening van de verblijfsvergunning
### 7.4.1. Middelenvereiste
### 2.3. Middelen van bestaan
### 5.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
Vindt de vreemdeling die vrij is op de arbeidsmarkt werk voor kortere duur, dan wordt de geldigheidsduur van zijn vergunning verlengd voor de duur van de werkzaamheden.
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 5. Voortzetting van verblijf
### 5.3. Werkloosheid
Het [artikel 3.32 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.32) stelt buiten twijfel dat geen verblijfsvergunning wordt verleend voor het verrichten van arbeid, hetzij in loondienst, hetzij als zelfstandige, die geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van seksuele handelingen, omdat daarmee a priori geen wezenlijk Nederlands belang is gediend. Daarom behoeft in die gevallen geen advies te worden gevraagd.
### 2.1. (Voorlopige) inschrijving aan een onderwijsinstelling
### 7.3.1. Puntensysteem
Hieronder vallen de personalia van de vreemdeling, maar ook zijn gezins- en inkomenssituatie, financiële verplichtingen, opleidingen (onderbouwd met behaalde diploma’s) en beroepservaring;
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 6.3.1. Vordering aan werkgevers tot het verstrekken van gegevens
### 7.7. Geen gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
Hierbij dient een omschrijving te worden gegeven van het type product of dienst, van de markt waarop de vreemdeling actief wil worden, wat de doelgroep is van de beoogde ondernemingsactiviteit (de afnemers), welke concurrenten er zijn, wat hun sterke en zwakke punten zijn en wat de bijzondere kenmerken van de vreemdeling dan wel van diens producten of diensten zijn. Tevens dient te worden ingegaan op de wijze waarop de vreemdeling de markt gaat bewerken (presentatie naar buiten, promotiemiddelen, wijze van adverteren, enzovoort). Eén en ander wordt zo mogelijk onderbouwd met contracten of referenties van afnemers, afzetprognoses en dergelijke);
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
De vreemdeling die toegelaten wil worden om arbeid als zelfstandige te verrichten, moet aantonen dat hij aan de bevoegdheidsvereisten voor de uitoefening van het uit te oefenen beroep of aan de vereisten voor het uitoefenen van het desbetreffende bedrijf voldoet ([artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30)).
### 6. Studie
Bevoegd tot het verlenen van vergunningen op grond van de Drank- en Horecawet is het College van B&W van een gemeente. In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting om met een vergunning een bedrijf of detailhandel uit te oefenen.
### 7.6. Vereisten voor het uitoefenen van een bedrijf
### 2.2. Tijdelijk verblijf
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
Onverminderd [artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) geldt het vereiste dat de betrokkene een goede conduitestaat heeft (lijst die onder andere in de scheepvaart wordt gebruikt en waarin gegevens over gedrag en geschiktheid zijn opgenomen).
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 3.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 3.1. EG-Langdurig ingezetenen
**Voorbeeld:**
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor de voorbereiding op de studie de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 7. Gezinshereniging en -vorming
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 9. Verlenging en voorbereidend jaar
### 1.3. Geldigheidsduur
### 2. Au pairs
### 7. Gezinshereniging en -vorming
### 2. Au pairs
### 2.1. Inleiding
### 2.6. Voorschrift
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Om te verzekeren dat de gezinsleden slechts verblijf krijgen gedurende de periode van studie van de buitenlandse student (de hoofdpersoon), krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de buitenlandse student.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
### 9. Verlenging en voorbereidend jaar
Instellingen die culturele uitwisselingsprogramma’s organiseren, kunnen onder voorwaarden op hun verzoek op een (centraal bij te houden) lijst van de IND worden geplaatst, waarna aanvragen van de aangewezen organisaties om verblijf ten behoeve van deelnemers aan hun programma’s kunnen worden behandeld zoals hierna omschreven onder B7/3.8. Elke uitwisselingsorganisatie die bij de IND verzoekt op de bedoelde lijst te worden geplaatst, wordt getoetst op overeenstemming van het geboden programma met het hier geschetste beleid. Bovendien kan de organisatie worden getoetst op solvabiliteit. De organisatie ondertekent per toe te laten jongere de garantverklaring (zie [bijlage 11 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=11)). Organisaties die op de hierbovengenoemde lijst van de IND voorkomen, kunnen tussentijds worden gecontroleerd op het nog steeds voldoen aan, respectievelijk het nakomen van alle voorwaarden.
### 2.8. Uitsluiting van gastgezin bij misbruik
### 3.6. Voorschrift
### 3.8. Verplichte en onverplichte mvv en verkorte aanvraagprocedure
### 3.5. Arbeidsmarktaantekening
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
### 4.4. Beperking
Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, volstaat de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging met de mededeling aan de jongere dat hem wegens het niet voldoen aan de voorwaarden in Nederland geen positieve verklaring zal kunnen worden verstrekt voor het gevraagde doel.
### 4.5. Arbeidsmarktaantekening
Er is sprake van misbruik als de au pair en het gastgezin doelbewust handelen in strijd met de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) of de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149). Het gaat dan bijvoorbeeld om het achterhouden van informatie, het laten verrichten van werkzaamheden gedurende meer dan 30 uur per week of het laten verrichten van werkzaamheden die niet onder het au pairbeleid vallen. Ook ander misbruik waarbij de au pair is betrokken, zoals bijvoorbeeld een misdrijf in de zin van het [WvSv](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903), kan tot uitsluiting van het beleid leiden. Sanctionering van het gastgezin vindt echter alleen plaats indien aan het misbruik van de au pair door het gastgezin een intrekking van de verblijfsvergunning, een geldboete of (onherroepelijke) veroordeling ten grondslag ligt.
### 4.7. Wijziging van verblijfplaats
### 3.2. Aard van het verblijf
### 3.6. Voorschrift
Indien ten behoeve van de jongere een mvv in het kader van het Working Holiday Program of het Working Holiday Scheme is afgegeven, meldt deze zich ingevolge [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) dan wel [4.49 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.49) binnen drie dagen na binnenkomst in Nederland bij de Korpschef. Ingevolge het bepaalde in [artikel 3.33a, eerste lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.33a), dient de jongere vervolgens bij IND een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in. De IND verstrekt in deze situatie het bescheid rechtmatig verblijf aan de jongere (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)). Op het bescheid rechtmatig verblijf wordt vermeld dat het verrichten van arbeid is toegestaan en dat een TWV niet is vereist.
### 4.6. Voorschriften
### 4.8. Onverplichte mvv
Voor Australische, Canadese en Nieuw-Zeelandse jongeren is een uitzondering gemaakt op de hoofdregel dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd moet worden ingediend op een bij ministeriële regeling aan te wijzen plaats.
### 3.2. Bedenktijdfase
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
### 5.7. Wijziging van verblijfplaats
### 1.1. Inleiding
Indien de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in onvoldoende mate is komen vast te staan, is de conclusie gerechtvaardigd dat niet is gebleken van een medische behandeling waaraan betrokkene verblijfsrechten zou kunnen ontlenen.
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
Bij onvoldoende financiële zekerheid wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning afgewezen.
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
Het familielid of een andere relatie dient aantoonbaar te beschikken over voldoende, zelfstandig verworven middelen van bestaan voor zichzelf (en zijn gezin) en voor de kosten van het levensonderhoud van de vreemdeling voor de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling in Nederland. Onder voldoende middelen van bestaan wordt verstaan een inkomen, dat tenminste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, VV. Tevens dient het familielid of een andere relatie zich schriftelijk garant te stellen voor de door de vreemdeling te maken kosten.
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 9. Gezinsleden
### 9. Gezinsleden
Het beroep op medische gronden moet de vreemdeling onderbouwen met:
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
### 3.2.9. Medische bijstand en rechtshulp
In overige gevallen geldt het volgende:
### 10. Afwijzing
### 10. Afwijzing
### 3.3.1. Procedure toestemmingsverklaring
De IND kent geen betekenis toe aan niet (in voldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent en is evenmin verplicht om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen.De enkele onwil van de hier bedoelde personen, met name gezins- of familieleden, de benodigde mantelzorg te verlenen dan wel de eventuele onwil van de vreemdeling om een beroep op hen te doen is onvoldoende voor het oordeel dat de vreemdeling de nodige zorg in het land van herkomst zal ontberen.
De bij het eerste opsommingsteken bedoelde gespecificeerde periode bedraagt de duur van het reisbeletsel met maximaal een jaar.
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer-aangever
Gedurende de bedenktijdfase wordt de verwijdering van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland opgeschort en houden zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van [artikel 8, onder k, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). In deze periode kunnen zij op grond van [artikel 11, tweede lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
In het geval dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend aan een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling die is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) wordt laatstgenoemde aantekening niet op het verblijfsdocument geplaatst.
### 10. Afwijzing
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 3.2.7. Opvang en huisvesting
### 9. Mensenhandel
De politie meldt dit per direct onder opgave van de datum van constatering aan de contactpersoon mensenhandel van de IND. De bedenktijd eindigt op het moment dat de politie heeft vastgesteld dat het slachtoffer is vertrokken. De IND informeert vervolgens het COA en de DT&V.
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
Gedurende de bedenktijdfase wordt de verwijdering van het vermoedelijke slachtoffer van mensenhandel uit Nederland opgeschort en houden zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van [artikel 8, onder k, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8). In deze periode kunnen zij op grond van [artikel 11, tweede lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=11) aanspraak maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend.
### 4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
### 4.2.2. Opvang
Gedurende de bedenktijd is het verrichten van arbeid niet toegestaan. De verklaring op de tweede bladzijde van het aanvraagformulier wordt voor de verzending ingevuld door de politie. Het aanvraagformulier wordt door de politie voorzien van een stempel. De vreemdeling die gebruik wenst te maken van de regeling stuurt het formulier na ontvangst zo spoedig mogelijk toe aan het COA.
### 7. De beslissing
### 7. De beslissing
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
### 8.1. Slachtoffer
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
Na afgifte van de verblijfsvergunning kan het slachtoffer gedurende het verblijf op grond van de in dit hoofdstuk beschreven procedure gebruik maken van de mogelijkheden voor het volgen van een opleiding en voor vrije tijdsbesteding. De zorgcoördinator beschikt over de informatie van het aanbod in de regio.
### 9.2. Getuige-aangever
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.
### 8.2. Getuige-aangever
### 6.2. Opschorting van de verwijdering
De contactpersoon mensenhandel van de IND stelt het OM in kennis van de beslissing.
### 9. Verlenging
Indien het slachtoffer of de getuige-aangever van mensenhandel niet over een paspoort beschikt, dient hij een paspoort aan te vragen bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Het bepaalde in B1/4.2 is vervolgens van toepassing.
### 2. Algemeen
### 2.1. Toegang tot Nederland
### 2. Algemeen
### 1. Inleiding
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
### 1.6. Terminologie
### 2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht
Voor de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan en zijn familie- of gezinsleden, die geen verblijfsrecht aan de bepalingen van het EG-Verdrag of de Overeenkomst EG-Zwitserland kunnen ontlenen, gelden onverkort de overige bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en het (restrictieve) beleid. De rechtsbescherming die onderdanen van de EU/EER en van Zwitserland genieten, ontlenen zij op grond van hun nationaliteit aan Richtlijn 2004/38 (zie B10/7).
### 2. Algemeen
### 2.2. Mvv-vereiste
Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland zijn vrijgesteld van de plicht te beschikken over een geldige mvv. De vrijstelling van het mvv-vereiste geldt eveneens indien een familielid van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’ toont.
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
### 3.6.5. Verblijfskaart
### 3.7. Overige categorieën
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 3.5. Verblijfsrecht bij onderbreking of beëindiging werkzaamheden
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
### 3.5.3. Verwijtbaar werkloos
Dit is met name van belang voor echtparen, dan wel een paar van geregistreerde partners, waarvan beide partners onderdaan van de EU/EER zijn dan wel Zwitsers onderdaan, of een combinatie daarvan, waarbij één partner over toereikende middelen beschikt naar de norm als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74) en de ander niet.
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
### 7.1.1. Actuele bedreiging van de openbare orde en openbare veiligheid
Indien hij blijvend arbeidsongeschikt wordt door een arbeidsongeval of door een beroepsziekte, op grond waarvan hij in aanmerking komt voor een ZW-uitkering of een uitkering op grond van de WAO/ WIA, is bovengenoemde termijn van twee jaar niet van belang
### 4.2.1. Beroepsopleiding
### 3.6.1. Uitzondering ([artikel 8.17, zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
De bovengenoemde termijnen van wonen en tewerkstelling gelden niet, indien de echtgeno(o)t(e) of partner met wie een geregistreerd partnerschap is aangegaan van de EU/EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan:
### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen
Het familielid, dat niet zelf EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland is, wordt bij een verblijf van langer dan drie maanden na aanvraag in bezit gesteld van een document EU/EER, met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’. De geldigheidsduur van dit document bedraagt vijf jaar vanaf de datum van afgifte, of is gelijk aan de (voorgenomen) periode van verblijf van de EU- of EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland van wie het rechtmatig verblijf afhankelijk is, indien dat voorgenomen verblijf korter dan vijf jaren bedraagt. In overige gevallen wordt de geldigheidsduur van het verblijfsdocument bepaald op vijf jaren.
### 4.2.1. Beroepsopleiding
Voor familieleden die ten laste komen van de burger van de Unie geldt dat bij álle familieleden die stellen ten laste te komen van een burger van de Unie per geval moet worden beoordeeld of zij, gezien hun financiële en sociale toestand, materiële steun nodig hebben om in hun basisbehoeften te kunnen voorzien in het land van herkomst of het land vanwaar zij kwamen op het ogenblik dat zij verzochten om hereniging met de EU-burger (d.w.z. niet in het gastland waar de EU-burger verblijft). Dit geldt dus zowel voor familieleden die vallen onder [artikel 8.7, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.7) als de familieleden die vallen onder artikel 8.7, tweede lid, onder c of d, Vb.
### 8.4. Andere verblijfsdoelen dan arbeid in loondienst
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
### 5.1. Samenwoningvereiste
### 5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
Ten aanzien van Belgen en Luxemburgers dient te worden afgezien van het doen ondertekenen van een antecedentenverklaring. Ingevolge de Beneluxovereenkomst kunnen zij bij het indienen van een aanvraag om een verblijfsvergunning eigener beweging een bewijs van goed zedelijk gedrag overleggen.
Over de reikwijdte van het behoud van rechten krachtens het gemeenschapsrecht van de eigen onderdaan na terugkeer in het eigen land, heeft het Hof bepaald dat deze strekt zolang er een directe relatie bestaat tussen het gezinsleven en het vrij verkeer van werknemers. Het gaat dus om rechten krachtens het gemeenschapsrecht, waaraan reeds uitvoering is gegeven. Voor de verlening van een verblijfsvergunning aan familie- of gezinsleden van de eigen onderdaan, die niet in de andere lidstaat bij hem hebben verbleven op grond van het EG-Verdrag, zijn daarom de regels als genoemd in B2 onverkort van toepassing.
### 6. Onderdanen van België en Luxemburg
### 8.3. Gezinsleden van werknemers
Het afhankelijke verblijfsrecht eindigt in beginsel van rechtswege bij het bereiken van de leeftijd van 21 jaar, behalve indien het kind feitelijk ten laste blijft komen van de ouder van wie zijn verblijfsrecht afhankelijk was, bijvoorbeeld omdat het kind in Nederland studeert. Het kind behoudt in dat geval als bloedverwant in neerdalende lijn zijn afhankelijk verblijfsrecht.
### 8.1. Werkzoekenden
### 6.1.2. Antecedentenverklaring
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 8.6. Reguliere verblijfsaanvraag
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 7.2. Uitzetting
### 8.3. Gezinsleden van werknemers
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.4.1. Nationaal recht
### 1. Inleiding
Er zijn diverse verdragen relevant voor het Nederlandse vreemdelingenrecht. Het internationale recht, waaronder Verdragen, gaat vóór het Nederlandse recht en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de Nederlandse rechtsorde doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht; dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht.
### 3.4.2. Voorwaarden Associatiebesluit 1/80
Het verblijfsrecht wordt beëindigd om redenen van openbare orde of openbare veiligheid indien het persoonlijk gedrag van betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (zie artikel 14, eerste lid, besluit nr. 1/80; zie Hof van Justitie van de EG, 10 februari 2000, Nazli, C-340/97en zie B10/7.1.1).
**Werknemer**: de persoon die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij slechts marginaal en bijkomstig van aard zijn. Het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding is, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een (geldelijke) vergoeding ontvangt. Dit is niet anders indien de arbeidsverhouding voortkomt uit sociale wetgeving, de productiviteit van betrokkene gering is, de beloning niet ten minste ter hoogte is van het minimumloon, de vergoeding voor de arbeid geschiedt vanuit publieke middelen als bijvoorbeeld gesubsidieerde banen (zie Hof van Justitie van de EG, 19 november 2002, Kurz, C-188/00 en 26 november 1998, Birden, C-1/97; zie B10/3.2 en B10/3.2.1).
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
### 3.4.1. Nationaal recht
### 5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
Onder gezinsleden wordt verstaan, de echtgenoot van de Turkse werknemer, hun bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn en de bloedverwanten in opgaande lijn van deze werknemer en van zijn echtgenoot, die te hunnen laste zijn (zie Hof van Justitie van de EG, 30 september 2004, Ayaz, C-275/02; zie B10). Gelet op de gelijkstelling in Nederland tussen echtgenoten en geregistreerd partners is hetgeen is bepaald met betrekking tot de echtgeno(o)t(e) ook van toepassing op de geregistreerde partner van een Turkse werknemer.
### 6.1. Inleiding
Overigens heeft verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag niet tot gevolg dat betrokkene rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) verkrijgt.
### 10.2. Repatriëring en bijstand
Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is [artikel 3.30, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) niet van toepassing. Dit betekent dat hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/7.5 en B5/7.7. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van EL&I te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang.
Op een onderdaan van Zwitserland, die zich in Nederland wil vestigen voor het verrichten van arbeid in loondienst, is het bepaalde in B10/3 van toepassing.
### 4.2. Waarborgen
### 6.3. Toegang en verblijf in Nederland
### 6.3.2. Arbeid in loondienst
### 7.1.2. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Overigens heeft verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in [artikel 14 van de Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) op grond van het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag niet tot gevolg dat betrokkene rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in de zin van [artikel 8, aanhef en onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) verkrijgt.
Ingevolge het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag wordt in geval van een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet tegengeworpen dat niet aan de beperking wordt voldaan, mits betrokkene beschikt over voldoende middelen van bestaan. Met andere woorden, (voortzetting van) verblijf wordt toegestaan indien:
### 6.3.3. Vestiging
### 8.3. Gezinshereniging
### 8.3. Gezinshereniging
Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen.
### 15. Het IVRK
### 10.1. Begunstigde
### 7.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De afhankelijke verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij (naam hoofdpersoon).’ De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
### 7.2.1. Verblijfsvoorwaarden
Evenmin telt mee de tijd van verblijf buiten Nederland van zes maanden of meer. Het dienst doen op in Nederland geregistreerde schepen geldt niet als onderbreking van het verblijf (zie artikel 13 van het Verdrag).
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
Hieronder volgt een uitleg van het begrip ‘aanzienlijk kapitaal’ ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen (zie circulaire van de Minister van EL&I van 4 november 1992, DMO/DCM/ AM92081647):
### 8.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
De bepalingen van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand zijn in het kader van de uitvoering van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) slechts van belang voor houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14). De [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) verleent aan houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, als bedoeld in [artikel 20 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=20), een rechtspositie die ten minste even sterk is als die welke zij krachtens het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand hebben.
### 11.1. Begunstigde
Het ESH is alleen van belang voor Turkse onderdanen, voorzover zij geen aanspraken kunnen ontlenen aan het Associatiebesluit 1/80 en voorzover zij geen gezins- of familielid zijn van een onderdaan van de EU/EER of Zwitserland.
### 11.2. Verblijf gezinsleden migrerende werknemer
### 16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980
### 12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer
### 12.3. Gezinshereniging
Gezinshereniging met onderdanen die reeds rechtmatig verblijf hebben, is toegestaan volgens nationale procedures.
### 17. Het Staatlozenverdrag
### 17. Het Staatlozenverdrag
### 15.1. Begunstigde
Niet-duurzaam verblijvend personeel bezit een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag en het Consulaire verdrag. Op dit personeel alsmede op hun afhankelijke gezinsleden en particuliere bedienden zijn de bepalingen van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) niet van toepassing. Zij zijn in het algemeen niet onderworpen aan de verplichtingen die in het belang van het toezicht op vreemdelingen zijn gesteld. Evenmin kunnen op hen de maatregelen van uitzetting en bewaring krachtens de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) worden toegepast (zie [A2/6.2.3.1](onbekend) en [A2/6.2.3.4](onbekend)). Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.
Op 24 november 1980 eindigde de geldigheidsduur van de Overeenkomst Nederland-Suriname 1975. Er is geen nieuwe overeenkomst inzake het verblijf en de vestiging van wederzijdse onderdanen gesloten, maar bij overeenkomst van 25 februari 1981 is een overlegstructuur met betrekking tot het door beide landen gevoerde vreemdelingenbeleid in het leven geroepen.
### 12. Diplomaten
Het betreft hier:
### 2. Personeel van ambassades en consulaten, alsmede de gezinsleden
### 16.2.1. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 17.1. Begunstigde
De verblijfsstatus van de geprivilegieerde (hoofdpersoon) is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Zolang de hoofdpersoon de uitgezonden status behoudt, behouden ook de afhankelijke gezinsleden deze status. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden.
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
### 2.2.2.3. Inleveren geprivilegieerdendocument
### 3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 2.2.1. Lokaal geworven personeel
Ad a. Het betreft door de zendstaat na 1 augustus 1987 uitgezonden administratief, technisch en bedienend personeel, dat niet zoals gebruikelijk na enkele jaren de ontvangststaat weer verlaat, maar in Nederland zijn werkzaamheden voor ambassades of consulaten van dezelfde zendstaat ononderbroken voortzet. Dit geldt mede voor lokaal geworven personen die niet onder de eerdere definitie van ‘duurzaam verblijf houdend’ vielen en daarom als ‘uitgezonden personeel’ zijn aangemerkt.
### 3.1.4. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden van (ex-)geprivilegieerden
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Voor wat betreft de zelfstandige middelen van bestaan geldt een uitzondering. Middelen van bestaan worden in ieder geval als zelfstandige middelen geaccepteerd, indien daarover door de werkgever premies sociale verzekeringen en belastingen worden afgedragen. Voor personeel dat in dienst is van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid vindt er géén inhouding plaats van de premies sociale verzekeringen en belastingen, omdat ambassades en consulaten ingevolge [artikel 6, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002471&artikel=6) niet inhoudingsplichtig zijn.
### 3.2.4. Gezinsleden
Daarnaast dient te worden voldaan aan de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4).
### 3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
### 3.3.5. Verblijfsdocument
Zie B1/7.1.11.
### 3.1.5. Inleveren identiteitsbewijs geprivilegieerden
Bij de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dient de vreemdeling het door het Ministerie van BuZa afgegeven identiteitsbewijs geprivilegieerden in te leveren bij de IND.
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, indien geen van beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
### 3.4.1. Verblijfsdocument
### 3.3.8. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
### 3.4.1. Verblijfsdocument
### 1. Inleiding
### 13. Familiebezoek
Aan vreemdelingen jonger dan twaalf jaar kan een document als bedoeld in [bijlage 7a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7a) worden verleend, indien geen van beide ouders van de vreemdeling in het bezit hoeft te worden gesteld van een dergelijk document.
[Artikel 3.56 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56) houdt in dat onder bepaalde voorwaarden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan een Amv. Dit artikel geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels. Naast de beleidsregels die in dit hoofdstuk zijn opgenomen, zijn tevens de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing, tenzij anders is aangegeven.
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
Bij de vaststelling of de vreemdeling zich zelfstandig kan handhaven, worden de volgende omstandigheden in overweging genomen:
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
### 2.3.1. De bepalingen van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16)
De uitgangspunten van het in B14/2 neergelegde beleid zijn alleen van toepassing op Amv’s die een asielaanvraag hebben ingediend. De verblijfsvergunning op grond van dit beleid wordt alleen ambtshalve verleend, dus niet op aanvraag (zie B14/2.4.1).
Het in B14/2 neergelegde beleid is niet van toepassing op de minderjarige asielzoeker of vreemdeling
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
### 2.4.4. Onderzoek in het buitenland naar adequate opvang
Het verbod is niet van toepassing ten aanzien van vreemdelingen die behoren tot:
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.6. Voorschriften
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.5. Medisch onderzoek
Het inburgeringsvereiste in het kader van de mvv-procedure bestaat uit het met goed gevolg afleggen van het basisexamen inburgering binnen één jaar voorafgaand aan de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf ([artikel 3.71a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71a)) op een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging (zie B1/4.7.1).
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 9.7.6. Bevoegdheid
Aanvragen van vreemdelingen die onder deze regeling vallen, worden getoetst aan de voorwaarden zoals omschreven in [C2/6.1](onbekend) en [C14/6.2](onbekend), afgezien van de nareistermijn van drie maanden.
Indien de hoofdpersoon geen uitkering krachtens de [WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057), [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524), [WAZ](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008656) of [Wajong](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0008657) ontvangt, wordt de blijvendheid van de arbeidsongeschiktheid aangenomen indien:
Het is aan de vreemdeling om aan te tonen of aannemelijk te maken dat het voor hem en zijn partner als gevolg van wettelijke beletselen niet mogelijk is om in het land van herkomst te trouwen of een geregistreerd partnerschap aan te gaan.
### 4.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 5.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 7.7. Gelegaliseerde akten
### 6.12.10. Middelenvereiste
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 5.13. Onderzoek op grond van de Wobka
### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
Adoptiefkinderen en adoptiekinderen worden aangemerkt als juridische kinderen in de zin van [artikel 3.14 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.14).
### 6.4. Gelegaliseerde akten
### 6.8. Samenwoning
### 6.11. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.12.2. Bloedverwantschap en gezinsband
### 5.6. Verblijfsstatus en verblijfsduur van de hoofdpersoon
### 5.9. Openbare orde beleid
### 6.12.7. Document voor grensoverschrijding
### 7.5. Kinderen in Nederland
### 7.5. Kinderen in Nederland
De bloedverwantschap c.q. de gezinsband tussen de vreemdeling en de hoofdpersoon wordt met officiële bewijsstukken aangetoond, waarop in beginsel B2/8 van toepassing is, maar andere bewijsstukken worden ook in aanmerking genomen.
### 8.3. Vrijgestelde bescheiden
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien er gerede aanwijzingen bestaan dat het gelegaliseerde document inhoudelijk onjuist is, beslist de IND aan de hand van de ter beschikking staande gegevens of het document wordt doorgeleid naar het ministerie BuZa met het verzoek om een verificatieonderzoek. De termijn van het nemen van een beslissing wordt met een termijn van maximaal zes maanden opgeschort.
### 4.1. Beperking
### 9.5.1. Inleiding
### 8.2. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 2.1. Inleiding
### 10.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
In het algemeen vormt de afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning van een vreemdeling die niet eerder een verblijfsvergunning in Nederland had, geen inmenging in het recht op respect voor het gezinsleven of privé-leven, ook niet indien de vreemdeling feitelijk al enige tijd in Nederland verblijft en hier feitelijk gezins- dan wel privé-leven onderhoudt. Indien de vreemdeling tijdens de vrije termijn of in afwachting van een beslissing, gezinsleven is gaan uitoefenen, doet hij dat als het ware op eigen risico en in de wetenschap dat hij Nederland na de vrije termijn, dan wel een negatieve beslissing op de lopende aanvraag, weer zal dienen te verlaten. In dergelijke gevallen heeft de Nederlandse overheid niet door de verlening van een verblijfsvergunning nadrukkelijk ingestemd met het bestendige verblijf van die vreemdeling in Nederland en hem in de gelegenheid gesteld dat gezinsleven uit te oefenen. Evenmin is sprake van inmenging in het geval een verblijfsvergunning is verleend op grond van door de vreemdeling verstrekte onjuiste gegevens of door de vreemdeling achtergehouden gegevens die tot afwijzing van de verblijfsvergunning zouden hebben geleid.
In de volgende gevallen is in ieder geval sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM:
### 10.2.2.1. Aanvragen om eerste verblijfsaanvaarding
### 1. Inleiding
### 9.2.3.1. De af te wegen belangen in specifieke situaties
### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
Om onder de reikwijdte van artikel 8 EVRM te vallen dient sprake te zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Dit betekent dat voor het aannemen van schending van het privé-leven sprake dient te zijn van een zeer langdurige verblijfsduur (circa dertig jaar, zie de uitspraken van het EHRM inzake Sisojeva van 16 juni 2005, nr 14492/03, Shevanova van 15 juni 2006, nr 58822/00 en Slivenko van 9 oktober 2003, nr 48321/99) eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus (zie uitspraak van het EHRM inzake Mendizabal van 17 januari 2006, nr 51431/99).
### 10.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
In veel zaken waarin sprake is van een Nederlands kind, wordt een beroep gedaan op artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Dat artikel ziet niet op het verlenen van een verblijfstitel aan een niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind, maar op aanspraken die een onderdaan van een betreffende staat jegens die staat geldend kan maken in het kader van feitelijke toelating tot het grondgebied van de staat en het bestendig verblijf aldaar. Nu uitzetting van een Nederlands kind in verblijfsprocedures van zijn ouders strikt genomen niet aan de orde is, komt aan artikel 3 van het Vierde Protocol van het EVRM in dit verband geen beslissende betekenis toe. Dit neemt niet weg dat, zoals hiervoor in deze paragraaf reeds is aangegeven, de belangen van het kind in de belangenafweging binnen artikel 8 EVRM worden betrokken.
Door de aspirant-adoptiefouders dient een in het land van herkomst recent afgegeven (niet langer dan zes maanden geleden) medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse kind te worden overgelegd, waaruit blijkt dat in redelijkheid niet valt aan te nemen dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind niet zou kunnen worden opgenomen. Indien uit de medische verklaring niet blijkt dat op TBC is getest, dient het kind (hier te lande) alsnog een onderzoek ter zake te ondergaan. Indien daaraan of aan de behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen niet wordt meegewerkt, wordt de aanvraag met toepassing van [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) afgewezen (zie ook B1/4.5). Het vorenstaande is uiteraard niet van toepassing indien het kind op grond van zijn nationaliteit is vrijgesteld van het vereiste van het ondergaan van een onderzoek naar en/of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen.
### 1. Inleiding
Onder adoptiefkind wordt uitsluitend verstaan een kind dat – als gevolg van een erkende buitenlandse adoptiebeslissing – naar de regels van Nederlands internationaal privaatrecht geldt als kind van de adoptanten. De beslissing op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning van een adoptiefkind wordt beheerst door de bepalingen van B2, uiteraard voor zover het kind ten gevolge van de erkende buitenlandse adoptiebeslissing niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
### 3.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3. Buitenlandse pleegkinderen
### 2.2.2. Buiten Nederland geboren meerderjarige oud-Nederlanders
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 1. Inleiding
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55)).
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan (zie [artikel 3.55, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.55)).
### 6. Beoordeling openbare orde
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
### 2.2.4.1. Verblijfsvoorwaarden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning wordt niet afgewezen indien:
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 8. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 10. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 4.1.2. Beperking
### 11.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 11.5. Aard van het verblijfsrecht
### 12. Buiten Nederland wegens detentie of militaire dienst
Het verblijf van de vreemdeling die tijdelijk buiten Nederland heeft verbleven voor het vervullen van de militaire dienstplicht of wegens detentie, wordt niet beëindigd wegens de verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, indien:
### 4.1.7. Gezinshereniging
Het [artikel 2 Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149&artikel=2) bepaalt dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV.
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 4.1. Godsdienstleraren en geestelijk voorgangers
### 2.5. Voorschrift
### 4. Bijzondere categorieën vreemdelingen
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties continentaal plat
### 4.4.2. Beperking
### 4.4.1. Verlening van een verblijfsvergunning
Als Nederlands zeeschip wordt aangemerkt een schip dat onder Nederlandse vlag vaart en in Nederland is geregistreerd.
### 4.5.3. Voorschriften
### 4.5. Stagiaires en practicanten
### 4.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e) niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.4.6. Gezinshereniging
Voor musici en artiesten die incidenteel (binnen een periode van vier weken) optreden, is geen TWV vereist (zie [artikel 1, onder 7°, Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1)).
### 4.5.1. Beperkingen
### 4.10. Sleutelpersoneel bedrijf van land met Europa-overeenkomst
Veelal zijn directeuren-(groot)aandeelhouders materieel te beschouwen als zelfstandigen vanwege de positie die zij binnen de onderneming innemen.
### 5.4.4. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 4.6.5.5. Gevraagde bescheiden
### 4.6.6.1. Duurzame middelen
### 4.6.5.5. Gevraagde bescheiden
### 4.9.2. Verlening van een verblijfsvergunning
Door het feit dat zij grensarbeid verrichten komen zij niet toe aan het tijdstip waarop zij, ingevolge het bepaalde in [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3), een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zouden moeten hebben. Ook is het gestelde in [artikel 4.47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.47) en [4.48 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.48) over de aanmeldingsplicht niet van toepassing.
### 4.12.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4.13.4. Geldigheidsduur
### 4.12.5. Arbeidsmarktaantekening
### 5.4.2. Houders van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
Arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden onderscheiden in de onderstaande categorieën:
### 5.4.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
De IND dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een TWV, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring.
### 6.3. Bijzondere maatregelen van toezicht krachtens de [Vw](onbekend)
### 7.1. Inleiding
[Artikel 3.30 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) verleent de Minister de bevoegdheid onder de daar geregelde voorwaarden op aanvraag een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van arbeid als zelfstandige te verlenen.
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
### 5.5. Samenwerking met UWV WERKbedrijf en de Gemeentelijke Sociale Dienst
### 7.1. Inleiding
Voor het overige zijn de bepalingen van B5/7.1, B5/7.2, B5/7.3, B5/7.4 en B5/7.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat ten behoeve van de langdurig ingezetene geen sprake hoeft te zijn van een hooggekwalificeerde vreemdeling die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kan leveren en ook geen advies van het Ministerie van EL&I hoeft te worden ingewonnen.
### 1. Inleiding
### 7.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 7.8. EG-langdurig ingezetenen
Het tijdelijke karakter van het verblijf brengt met zich mee dat de vreemdeling die een verblijfsvergunning heeft voor studiedoeleinden, bij tussentijdse beëindiging van de studie of als de studie niet tijdig is afgerond Nederland dient te verlaten. De vreemdeling ondertekent dan ook een verklaring dat hij ermee bekend is dat hem uitsluitend voor studiedoeleinden verblijf in Nederland wordt toegestaan.
### 2.3. Middelen van bestaan
### 2.3. Middelen van bestaan
### 2.4. Beperking
Indien tussentijds van studie/opleiding wordt gewisseld, wordt de tijd die reeds is gestudeerd afgetrokken van de maximale looptijd van de nieuwe studie/opleiding.
### 7.2. Middelen van bestaan
### 2.3.1. Voldoende middelen van bestaan
### 2.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
### 3.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 2.1. Inleiding
In aanvulling op de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor de voorbereiding op de studie de volgende cumulatieve voorwaarden:
### 7. Uitwisseling
### 2.2. Aard van het verblijf en werkzaamheden
### 2.3. Voorwaarden voor verblijf als au pair
### 1.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt ingevolge [artikel 3.65](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.65) dan wel [3.66 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.66) verleend voor een periode van ten hoogste één jaar met ingang van de dag na de datum van inreis in Nederland.
### 3.2. Aard van het verblijf
### 4.1. Inleiding
Ook ten behoeve van jongeren die wegens hun nationaliteit niet behoeven te beschikken over een geldige mvv, kan van deze mogelijkheid gebruik worden gemaakt, zodat in een eerder stadium duidelijk wordt of de jongere voor het beoogde verblijf in aanmerking komt.
### 4.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
### 3. Programma’s van particuliere organisaties
### 4.8. Onverplichte mvv
### 3. Medisch advies
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
### 5.1. Inleiding
Omdat niet het gastgezin maar de organisatie gedurende het verblijf voor de jongere garant staat, wordt aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning wordt verleend geen met name genoemd gastgezin gekoppeld en is wijziging van gastgezin derhalve mogelijk zolang daarmee het verblijfsdoel niet verandert. Wel dient de verantwoordelijke uitwisselingsorganisatie de wijziging per – vormvrije – brief te melden bij de betreffende Korpschef alsmede aan de IND, en daarbij te bevestigen dat de jongere nog steeds onder volledige verantwoordelijkheid van de organisatie aan het uitwisselingsprogramma deelneemt.
### 5.3. Voorwaarden voor deelname
### 5.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4.7. Wijziging van verblijfplaats
### 4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 3.2. Inschakeling medisch adviseur bij ongedocumenteerde
### 4. Mantelzorgnetwerk
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
Als de hoofdpersoon een minderjarig kind is, kunnen de volgende gezinsleden in aanmerking komen voor verblijf als hier bedoeld:
### 3.2.5. Meldplicht
### 3.2.8. Kosten van levensonderhoud
### 3.3. Einde van de bedenktijdfase
### 13. Overgangsrecht
### 3.3. Einde van de bedenktijdfase
### 3.2.4. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 4.2.3. Medisch onderzoek
### 4.2.4. Rechtshulp
### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte
### 13. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging
### 3.6. Recht op duurzaam verblijf voor voormalig economisch actieven
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [RvB](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) vanaf de datum waarop de vertrektermijn van het slachtoffer eindigt.
### 7.1. Beslissing op de aanvraag
### 2.2. Mvv-vereiste
Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de contactpersoon mensenhandel van de IND, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.
### 9.1. Slachtoffer
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 6.4. Bescheid rechtmatig verblijf
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de volgende beperking: ‘onder de beperking als genoemd in de Vreemdelingencirculaire, B9, arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
Het verblijfsdocument wordt afgegeven door de politie onder wiens administratieve verantwoordelijkheid het slachtoffer of de getuige-aangever valt (zie B9/3.2.2).
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 9.3. Plaats van indienen van de aanvraag
### 2. Algemeen
### 2.3. Meldplicht bij de Korpschef
### 2.3. Meldplicht bij de Korpschef
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 2.5. Rechtmatig verblijf
### 3. Economisch actieven
### 3.2.1. Kwantificeren van het begrip reële en daadwerkelijke arbeid
### 3. Economisch actieven
### 2.5.3. Duurzaam verblijfsrecht
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 2.7. [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.1.1. Voldoende middelen van bestaan
### 3.6.2. Bij voortduring in Nederland wonen
### 3.6.3. Voortdurend in Nederland werken ([artikel 8.17, vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.6.5. Verblijfskaart
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
Een beroep op studiefinanciering, of bijstand, voor het levensonderhoud kan - ook al wordt dat beroep niet gehonoreerd - betekenen dat niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die aan het verblijfsrecht als student zijn verbonden, in welk geval het verblijf kan worden beëindigd.
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
Ditzelfde geldt ook voor familieleden van een economisch actieve burger van de Unie met dien verstande dat bij de aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht dient te worden aangetoond dat de burger van de Unie nog steeds reële en daadwerkelijke arbeid verricht.
### 5.3.2.1. Terugkeer naar Nederland
### 5.3. Familieleden van Nederlanders
### 5.3.1. Discriminatie eigen onderdanen
### 5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 5.4. Recht op voortzetting van verblijf van het familie- of gezinslid
### 5.4.3. Familielid onderdaan derde land
### 6.2. Weigering verlenging of intrekking verblijfsdocument
### 5.4.4. Kinderen die 21 jaar worden
### 6.1.1. Gevaar voor de volksgezondheid
### 8.5. Leges
### 7.1.1. Actuele bedreiging van de openbare orde en openbare veiligheid
De vaststelling van een actuele bedreiging van de openbare orde of van de openbare veiligheid behoeft niet op het bestaan van een strafbaar feit te berusten. Een zodanige actuele bedreiging kan in voorkomend geval ook worden afgeleid uit het lidmaatschap van, of de deelneming aan activiteiten van een organisatie, waarvan de activiteiten door een Lidstaat van de EU, EER of Zwitserland als een gevaar voor de maatschappij zijn aangemerkt.
### 4.1. Begunstigde
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1e van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1e) niet van toepassing op werkzaamheden in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
### 3.3.1. Begrippen
### 8.5. Leges
Op het verblijfsdocument van de gezins- of familieleden wordt in beginsel dezelfde arbeidsmarktaantekening geplaatst als op het document van de vreemdeling van wie hun verblijfsrecht afhankelijk is. Dat geldt ook voor wat betreft de aantekeningen inzake beroep op de publieke middelen.
### 8.5. Leges
### 1. Inleiding
### 8.7. Seksuele dienstverlening
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
De Turkse werknemer die drie jaar legale arbeid heeft verricht, heeft daarmee het recht om zijn dienstbetrekking vrijwillig te beëindigen, onder voorwaarde dat hij binnen een redelijke termijn een nieuwe dienstbetrekking vindt en gedurende deze periode blijft behoren tot de legale arbeidsmarkt en geen beroep doet op de publieke middelen. Er is sprake van het blijven behoren tot de legale arbeidsmarkt als betrokkene zich na de vrijwillige beëindiging van zijn dienstbetrekking onmiddellijk inschrijft bij een arbeidsbureau en zich volledig beschikbaar stelt voor het verrichten van werkzaamheden.
### 3.4.1. Nationaal recht
### 5.2. Verblijfsvoorwaarden
### 6.3.2. Arbeid in loondienst
### 7.3. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid
### 5.2. Verblijfsvoorwaarden
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
### 8.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
Op een Zwitsers onderdaan, die zich in Nederland wil vestigen om alhier economische activiteiten als zelfstandige te gaan verrichten, is [artikel 3.30, eerste lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30) niet van toepassing. Dit betekent dat hij niet behoeft te voldoen aan de voorwaarden als genoemd in B5/7.5 en B5/7.7. De aanvraag hoeft dus niet aan het Ministerie van EL&I te worden voorgelegd voor een toetsing aan het wezenlijk Nederlands economisch belang.
### 8.2. Arbeid in loondienst
### 11. ESH
### 17.3.1. Uitzetting, afwijzing en intrekking van de aanvraag
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
### 14. Het BuPo
### 16.1.2. Binnenkomst na 24 november 1980
### 17.3.2. Reisdocumenten
### 16.1. Binnenkomst en verblijf
### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel
### 2.1.2. Positie na verlies van de bijzondere status
### 2.2.1. Lokaal geworven personeel
Het bewijs van de staatloosheid is niet aan bepaalde middelen gebonden en de beoordeling daarvan niet voorbehouden aan een speciaal daarvoor aangewezen rechterlijke of administratieve instantie.
### 2.2.1.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden
### 2.1. Niet-duurzaam verblijvend personeel
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.1.2. Positie na verlies van de bijzondere verblijfsstatus
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden lokaal geworven personeel
### 3.2.3. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het Internationaal Strafhof of ten behoeve van het Speciale Tribunaal voor Libanon wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
### 4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Op grond van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) wordt de hier bedoelde verblijfsvergunning aangemerkt als een tijdelijk verblijfsrecht.
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
Het verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status dient te worden aangetoond aan de hand van een originele verklaring van BuZa waaruit het verblijfsrecht als geprivilegieerde vreemdeling blijkt.
### 2.2.2. Alleenstaand
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
### 3.4.2. Registratie
Het betreft hier het personeel van het NATO AEW&C Programme Management Agency, gevestigd in Brunssum en het NATO C3 Agentschap in Den Haag.
### 3.3.3. Gezinsleden
### 3.3.6. Registratie
### 3.3.8. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
De burgemeester van de gemeente waar de vreemdeling woon- of verblijfplaats heeft, is belast met de administratie van de vreemdelingen bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40) en hun gezinsleden, bedoeld in [artikel 3.40, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.40). De bedoelde vreemdelingen zijn, ingevolge de wet- en regelgeving van de GBA, niet verplicht voor de duur van hun verblijf te worden opgenomen in de persoonsregisters.
### 2.1. Algemeen
### 2.2.1. Minderjarigheid
### 2.2.2. Alleenstaand
### 2.4.3.1. Herhaald leeftijdsonderzoek
### 2.4.5. Aard van het verblijfsrecht
Hiervan is onder meer sprake als de meerderjarige de minderjarige al eerder begeleidde of verzorgde op meer dan incidentele basis.
### 2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 2.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 2.6.1. Gronden voor verlenging
### 2.4.1. Ambtshalve toets
### 2.6.2. Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding
### 2.6.3. Gronden voor afwijzing van de aanvraag tot verlenging
### 2.6.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Het belang van het herhaald leeftijdsonderzoek is erin gelegen dat zoveel mogelijk dient te worden tegengegaan dat vreemdelingen ten onrechte in het bezit zijn of worden gesteld van een verblijfsvergunning voor verblijf als Amv, of anderszins ten onrechte een behandeling als minderjarige krijgen, terwijl zij feitelijk meerderjarig zijn. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat bij een volledig uitgerijpt sleutelbeen een minimumleeftijd van twintig jaar wordt gehanteerd. Als deze conclusie bij een herhaald onderzoek wordt getrokken, zal dat vaak betekenen dat de vreemdeling al bij de eerste verlening van de vergunning voor verblijf als Amv meerderjarig was en de vergunning dus ten onrechte heeft verkregen. Het herhaald leeftijdsonderzoek is in dit kader dus een belangrijke aanvulling op het eerste leeftijdsonderzoek.
Op grond van [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de vergunning worden ingetrokken om redenen genoemd in B14/2.6.3 (gronden voor afwijzing van de verlenging).
### 2.8. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 2.9. De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.
### 2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 2.10.3.2. Uitgeprocedeerde minderjarigen
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
Op 4 januari 2001 heeft een wijziging plaatsgehad van het beleid inzake Amv’s.
### 3.1. Algemeen
### 3.2.3. Vrijstelling mvv
De ingangsdatum van deze vergunning kan op grond van [artikel 44, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=44) niet liggen vóór datum van de (nieuwe) aanvraag. Dit kan leiden tot ongewenste gevolgen. Zo kan het voorkomen dat de vreemdeling, indien hij in de eerste procedure in het bezit zou zijn gesteld van deze verblijfsvergunning, in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’, terwijl die mogelijkheid er naar aanleiding van de tweede aanvraag niet meer is, omdat betrokkene op zijn achttiende verjaardag nog geen drie jaar in het bezit zal zijn van bedoelde vergunning. Teneinde het vorengenoemde ongewenste effect te voorkomen is een voorziening getroffen voor die vreemdelingen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen. Onder bepaalde voorwaarden kunnen ook zij in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ (zie B16).
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
De verblijfsvergunning wordt verleend voor één jaar.
Voor de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.
### 3.4.5. Aard van het verblijfsrecht
### 3.2.1. Inleiding
### 3.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 3.6. Gezinshereniging en -vorming
### 3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
### 4. Driejarenbeleid in de asielprocedure
### 4.1. Inleiding
### 3.4.4. Leges
Voor de behandeling van de aanvraag is de vreemdeling leges verschuldigd.
### 4.3. Contra-indicaties
### 4.3. Contra-indicaties
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Gelet op de systematiek van de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) is het voeren van een procedure in een ander land in het algemeen een afwijzingsgrond voor de asielaanvraag. Zolang de procedure in het andere land nog niet is afgerond, neemt de relevante periode voor het driejarenbeleid nog geen aanvang. De reden hiervoor is dat de vreemdeling het in eigen hand heeft om een van de procedures te beëindigen. Zaken waarin wordt geprocedeerd over de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een ander land voor de asielaanvraag (op grond van [artikel 30, eerste lid, onder a of d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30)) leveren geen relevante periode op voor het driejarenbeleid, omdat dan door het aanwenden van rechtsmiddelen de verantwoordelijkheid automatisch op Nederland zou overgaan, hetgeen niet in overeenstemming is met het karakter van de onderliggende procedure. In het geval de rechter heeft vastgesteld dat Nederland wel de asielaanvraag moet behandelen, en dus af moet zien van een overdracht van de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag, telt de gehele aan die uitspraak voorafgaande procedure mee voor de bepaling van de termijn.
### 4.4.1. Aanvang termijn
### 3.6. Gezinshereniging en -vorming
### 4.4.1. Aanvang termijn
De termijn gaat lopen vanaf de datum van ontvangst van de asielaanvraag door middel van het formulier als bedoeld in [artikel 3.108 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.108) (zie [C11/1.1.1](onbekend)).
### 4.4. Berekening termijn
### 4.4.1. Aanvang termijn
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
Indien de vreemdeling verzet doet tegen de uitspraak in (hoger) beroep wordt geen tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzetschrift ontvangen is, tenzij het verzet gegrond wordt verklaard en het (hoger) beroep vervolgens alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
### 3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
Indien de vreemdeling herziening vraagt van de uitspraak in (hoger) beroep wordt evenmin tijdsverloop opgebouwd vanaf de datum waarop het verzoekschrift wordt ontvangen, tenzij het verzoek om herziening wordt toegewezen en het (hoger) beroep alsnog gegrond wordt verklaard met een (partiële) vernietiging van de beslissing zonder instandhouding van de rechtsgevolgen ervan.
### 3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 4.1. Inleiding
### 4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen
### 4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen
### 5. Vervolging van mensenhandel
Deze grond is bijvoorbeeld van toepassing indien de vreemdeling zich heeft bediend van verschillende personalia (pseudoniemen) en ten aanzien van geen van deze personalia authentieke documenten heeft overgelegd. Ook hier heeft de vreemdeling het zelf in de hand om aan de twijfel een einde te maken, en zolang hij dat niet doet, levert de verstreken tijd in de procedure geen relevante termijn voor het driejarenbeleid op.
### 7.1.3. Afwezigheid van het grondgebied
### 7.1.10. Geprivilegieerde status
### 9.4. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 10.3. Kring der beroepsgerechtigden
Gezinsvorming is bij [artikel 1.1, onder r, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=1.1) gedefinieerd als: ‘gezinshereniging van de echtgenoot of geregistreerd partner, voor zover de gezinsband tot stand is gekomen op een tijdstip waarop de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had.’
### 4.14. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.12.8. TBC-onderzoek
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6. Verruimde gezinshereniging
### 5.5.1. Minderjarigheid en militaire dienst
### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 6.12.4. Leeftijd van de hoofdpersoon
### 5.7. Polygamie
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 8.2. Hoofdregel
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 10.2.3.4. Objectieve belemmering
### 7.6. Toepassing DNA-onderzoek
Daarnaast waarborgen officiële en gelegaliseerde bescheiden dat de gegevens die bij de IND, de vreemdelingenpolitie, de GBA en de verschillende andere overheidsdiensten bekend zijn, juist en eensluidend zijn. Derhalve wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning niet ingewilligd, indien de vreemdeling de daarvoor benodigde gelegaliseerde documenten betreffende de staat van personen niet heeft overgelegd.
Als beleidsregel geldt dat de staat van personen wordt aangetoond aan de hand van officiële gelegaliseerde bescheiden. Indien niet-gelegaliseerde documenten worden overgelegd, dienen deze alsnog te worden gelegaliseerd. De vreemdeling draagt zorg voor legalisatie van buitenlandse stukken betreffende de staat van personen. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich er op beroept aanspraak te ontlenen aan [artikel 3.13 tot en met 3.22 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) of [artikel 3.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23). Het gaat daarbij om een beleidsregel omtrent de vaststelling van feiten.
### 10. Artikel 8 EVRM
### 10.2.5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 1. Inleiding
### 1. Inleiding
De redelijke termijn vangt in beginsel aan op de datum van dagtekening van de beschikking, waarbij de hoofdpersoon is toegelaten en waarmee hij toegang tot de arbeidsmarkt heeft verkregen. Dat is dus niet de (eerdere) ingangsdatum van het verblijfsrecht dat met terugwerkende kracht wordt verleend.
### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
### 2.2.2. Erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing
### 3.3.1. Aanmelding en plaats van indiening van de aanvraag
### 3.3.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 1. Inleiding
### 3.3.3. Kennisgeving aan de gemeente
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
### 2.2.1. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn in Nederland
### 4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 2.2. Vergunning regulier bepaalde tijd wedertoelating
### 2.2.4.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 4.1. Verblijfsvoorwaarden
### 11.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
### 11.5. Aard van het verblijfsrecht
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
### 4.2.1. Werk binnen de werkingssfeer van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.6.5.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.1.6. Wijziging van de verblijfsrechtelijke beperking
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
### 4.6.4.5. Middelen van bestaan
Voor het doorbrengen van verlof in Nederland dat plaatsvindt in de vrije termijn, dat wil zeggen de termijn gedurende welke het aan vreemdelingen krachtens [artikel 12 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=12) is toegestaan in Nederland te verblijven, is geen verblijfsvergunning vereist. In die gevallen is immers sprake van rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, aanhef en onder i, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (zie [artikel 3.3 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3)).
### 4.6.2.1. Duurzame middelen
### 4.8. Vreemdelingen werkzaam geweest als geprivilegieerde vreemdeling
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
### 4.12.2. Verlening van de verblijfsvergunning
### 4.6.6.5. Gevraagde bescheiden
### 4.6.4.6. Duurzame middelen
### 4.7.3. Musici en artiesten
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van [artikel 14 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=14) wordt verleend onder de beperking: ‘arbeid in loondienst’.
### 4.7.1. Inleiding
### 4.12.1. Algemeen
### 4.7.2. Grensarbeiders
### 4.13.1. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 4.10. Sleutelpersoneel bedrijf van land met Europa-overeenkomst
### 6.1. Strafbepalingen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 5.5. Samenwerking met UWV WERKbedrijf en de Gemeentelijke Sociale Dienst
De IND dient zich er ook bij verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van te vergewissen, of de houder van de vergunning nog werkzaam is. Dit kan niet alleen worden vastgesteld door het overleggen van een TWV, maar dient te worden aangevuld met een werkgeversverklaring.
### 4.13.3. Arbeidsmarktaantekening
### 7.1. Inleiding
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de vreemdeling:
### 5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd
### 6.3.1. Vordering aan werkgevers tot het verstrekken van gegevens
### 5.3.3. Werkloze buitenlandse werknemers en beëindiging verblijf
### 7.3. Wezenlijk Nederlands belang
### 6. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling
### 6.1. Strafbepalingen in de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 7.3.1. Puntensysteem
### 7.3.3. Te overleggen stukken
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
### 7.7.1. EG-langdurig ingezetenen
### 7.9.3. Onderdanen landen met Europa-overeenkomst
### 7.10.3. Voorschriften
### 2.2. Tijdelijk verblijf
### 6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 1.3. Geldigheidsduur
### 10. Overgangsregeling studie hoger onderwijs
Voorts valt in dit verband te denken aan het weigeren van medewerking aan een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen, voor zover die medewerking, gelet op de nationaliteit, mag worden verlangd (zie [artikel 3.79 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.79) en B1/4.5).
### 4.2. Aard van het verblijf en de werkzaamheden
### 4.6. Voorschriften
### 5.4. Beperking
### 2.1.1. **Een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag**
### 2. Medische behandeling
### 4. Mantelzorgnetwerk
### 10. Afwijzing
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
### 3.2. Bedenktijdfase
### 3.2.5. Meldplicht
### 3.3. Einde van de bedenktijdfase
### 3.4. Einde van de opschorting van het vertrek
### 5. Voorwaarden verblijfsvergunning getuige-aangever
### 4.1.1. Bescheid rechtmatig verblijf
### 9.4. Document voor grensoverschrijding, middelen en openbare orde
### 9.5. Leges
### 10. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52)
### 10. EU-recht
### 1.4. De Overeenkomst EG-Zwitserland
### 2.6.1. Niet betalen van leges
### 2.4. Aantonen identiteit en nationaliteit van een lidstaat
### 3.3.2. Zelfstandigen
### 4. Economisch niet-actieven
### 3.6.4. Bedenktijd
### 3.7. Overige categorieën
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
Het is aan de betrokken burger van de Unie, als daartoe meest gerede partij en gegeven zijn beroep op een uitkering ten behoeve van het levensonderhoud, om relevante gegevens en bescheiden ter zake te verstrekken.
### 5.2.2. Familielid niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan
### 5.4.4. Kinderen die 21 jaar worden
### 7. Verblijfsbeëindiging en uitzetting
### 5.3.2.2. Nederlandse dienstverrichters
### 5.3.2.3. Voortzetting van verblijf bij naturalisatie
### 5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 1. Inleiding
### 11. Verdragen
De notificatie geldt voor alle buitenlandse dienstverleners voor wie het vrij verkeer van diensten geldt, die een dienst in Nederland willen verlenen met eigen werknemers voor wie op enig moment geen vrij verkeer van werknemers met ons land geldt (zie ook B5/4.4).
### 3.5. Verlies van opgebouwde rechten
### 3.6. Turkse zelfstandige
### 4.1. Begunstigde
### 6.2. Begunstigde
### 6.2. Begunstigde
### 6.3.3. Vestiging
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
### 5.1. Begunstigde
### 13. Overeenkomst EEG-Algerije, Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 10.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 12.1. Begunstigde
### 12.3. Gezinshereniging
### 15. Het IVRK
### 11.3. Intrekking verblijfsvergunning
### 16.1.1. Binnenkomst vóór 25 november 1980
### 17.3. Belang
Het Hof van Justitie van de EG (2 maart 1999, El-Yassini, C-416/96) heeft geoordeeld dat het in artikel 40, eerste alinea, van de Overeenkomst EEG-Marokko neergelegde beginsel van gelijke behandeling inzake de arbeidsvoorwaarden en de lonen, op zich niet tot gevolg heeft dat het de autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verboden is de verlenging van de verblijfstitel van een op het grondgebied van die lidstaat werkzame Marokkaanse migrerende werknemer te weigeren, ook al kan die maatregel naar haar aard niet worden genomen jegens de onderdanen van de betrokken lidstaat.
### 17.3. Belang
### 17.3.2. Reisdocumenten
### 17.3. Belang
### 2.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden lokaal geworven personeel
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 3.3.6. Registratie
### 3.4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 1. Inleiding
### 3.4.4. Geldigheidsduur verblijfsvergunning
### 4. EU- en EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en hun gezinsleden
### 2.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 2.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 2.4. Procedurele bepalingen
### 2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 2.6.3. Gronden voor afwijzing van de aanvraag tot verlenging
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 3.4. Procedurele bepalingen
### 3.4.4. Leges
### 3.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
### 3.2.2.1. Vreemdelingen die vruchteloos gepoogd hebben te vertrekken
### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s
### 3.6.1. Gezinshereniging en -vorming in geval van medische aspecten
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 3.7. Verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3.4.3. De aanvraag
### 4.1. Inleiding
### 4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
Indien de asielaanvraag is ontvangen vóór 1 januari 2000 kan de verblijfsvergunning nog op grond van deze bepaling worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
### 3.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
### 5.1. Verblijfsvoorwaarden
### 3.2.1.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
De aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet afgewezen op de grond dat (zie [artikel 21 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=21) en [artikel 3.92, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.92), en [artikel 3.93, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.93)):
### 3.2.1.1. Verblijfsvoorwaarden
### 10. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning
### 11.3. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.6. Arbeidsmarktaantekening
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 3.1. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen
### 4.1.1. Verlening van een verblijfsvergunning
### 4.2. Nederlandse zeeschepen en mijnbouwinstallaties continentaal plat
### 3.2.2. Drie jaar bezit van een voor arbeid geldige verblijfsvergunning
### 4.2.3. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
### 4.6.1. Algemeen
### 4.7.1. Inleiding
### 4.6.6.2. Geldigheidsduur
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75) duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 6. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling
### 6. Wettelijke maatregelen tegen illegale tewerkstelling
### 7.2. Algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 7.1. Inleiding
### 2.1.1. De bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling
### 7.9. Aanvragen waarbij eis wezenlijk Nederlands belang niet geldt
### 6. Studie
### 2.3. Middelen van bestaan
### 4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
### 7.1. Inleiding
### 7. Uitwisseling
### 3.3. Voorwaarden voor deelname
### 3.4. Beperking
### 3.7. Verandering van gastgezin
### 4.3. Verblijf voor Working Holiday Program en Working Holiday Scheme
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
### 4.2. De situatie na de aangifte of verlenen medewerking
### 4.2.1. Beëindiging Rvb
### 3.2.7. Opvang en huisvesting
### 4. Aangifte door een slachtoffer van mensenhandel
### 6.3. Meldplicht
### 6.5. Opvang en financiën
### 8.1. Slachtoffer
### 8.1. Slachtoffer
### 7.2. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
### 9.2. Getuige-aangever
### 2.1. Toegang tot Nederland
### 1.2. Partijen bij het EG-Verdrag en het EU-Verdrag
### 3.3.2. Zelfstandigen
### 3.6.2. Bij voortduring in Nederland wonen
### 3.6.3. Voortdurend in Nederland werken ([artikel 8.17, vierde lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.17))
### 3.6.5. Verblijfskaart
### 4.2.2. Voldoende middelen van bestaan
### 4.1. Verblijfsrecht economisch niet-actieven algemeen, gepensioneerden
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
### 4.2.3. Recht op studiefinanciering
### 5.4.2. Familielid onderdaan van EU/EER of Zwitserland
### 6.1.3. Het inburgeringsexamen
### 6.1. Verblijfsdocument
### 8.7. Seksuele dienstverlening
Het verblijfsrecht van een burger van de Unie en zijn familieleden, ongeacht hun nationaliteit, wordt ontzegd of beëindigd om redenen van volksgezondheid in het geval van potentieel epidemische ziekten als gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel in geval van andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden genomen (zie [artikel 8.23 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)). Hierbij kan, naast de in de gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts worden gedacht aan een ziekte als Sars (zie [artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009684&artikel=2)). Het rechtmatig verblijf wordt niet om redenen van volksgezondheid beëindigd indien de ziekte later dan drie maanden na inreis is opgetreden (zie [artikel 8.23, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=8.23)).
### 8.2.1. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 5.3. Beperking en (arbeidsmarkt)aantekeningen
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
### 4. Het Europees vestigingsverdrag
### 4.1. Begunstigde
### 5.2. Verblijfsvoorwaarden
### 6.3.1. Arbeid als zelfstandige
### 5. Het Nederlands-Duits Vestigingsverdrag
### 7.3. Actuele bedreiging van de openbare orde en nationale veiligheid
### 12. Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers
### 2.1.1. Algemeen
### 2.1.2.1. Verblijfsvoorwaarden ex-geprivilegieerden
### 2.2.2.1. Verblijfsvoorwaarden
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
### 3. Beperking, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 2. Voorwaarden familiebezoek
### 3.3.4. Verblijfsvoorwaarden
### 4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.4.1. Ambtshalve toets
### 2.3. Afwijzingsgronden
### 2.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
De geldigheidsduur kan twee maal worden verlengd met een jaar, maar ten hoogste tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
### 2.6.5. Het bescheid rechtmatig verblijf
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.8. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 3.4.3. De aanvraag
Indien gedurende de looptijd van in totaal drie jaar nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit blijkt dat de vreemdeling zich redelijkerwijs alsnog kan begeven naar zijn land van herkomst of een ander land, dient tot intrekking of niet-verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te worden overgegaan.
### 3.4.1. Inleiding
### 3.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 4.4.2. Einde termijn
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
Het driejarenbeleid is een bijzonder beleid binnen het vreemdelingenbeleid. Het enkele tijdsverloop in een procedure omtrent een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 Vw is geen reden om tot verblijfsaanvaarding over te gaan. Het driejarenbeleid heeft zich gevormd vanuit de volgende overweging: als gevolg van het tijdsverloop in een verblijfsrechtelijke procedure kan, onder omstandigheden, enerzijds bij de vreemdeling de gedachte opkomen dat de Minister in zijn verblijf in Nederland zal berusten en kan anderzijds de Minister in redelijkheid niet meer gebruikmaken van zijn bevoegdheid de vreemdeling verblijf te weigeren.
### 4.3. Contra-indicaties
### 2.2. Voorwaarden voor de verblijfsvergunning
### 2.2.2. Alleenstaand
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.5.4. Herhaald onderzoek naar adequate opvang
### 2.6.1. Gronden voor verlenging
### 2.6.2. Ontbreken geldig document voor grensoverschrijding
### 2.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 2.10. Overgangsrecht
### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
### 3.2.2.3. Vreemdelingen die om medische redenen niet kunnen vertrekken
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 3.2.3. Vrijstelling mvv
### 3.9. De zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf
### 4.2. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
### 5.1. Algemeen
### 5.4.1. Ambtshalve toets
### 5.4.2. Toetsing ex nunc
### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
Indien het onderzoek redelijkerwijs tot inwilliging van de aanvraag kan leiden, bestaat er geen aanleiding om de termijn van het onderzoek aan de vreemdeling toe te rekenen. In die gevallen zal de gevraagde vergunning in het algemeen worden verleend en is reeds daarom het driejarenbeleid niet van toepassing.
### 1. Inleiding
### 3. Kennismigranten
### 5. Vervolging van mensenhandel
### 3. Kennismigranten
### 5.2. Voorwaarden
B9.2 is van overeenkomstige toepassing.
Aan vreemdelingen die voldoen aan het looncriterium dan wel aan de kwalificatie van wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan mits de werkgever bij wie zij in dienst treden op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)), is toegelaten tot de kennismigrantenregeling. Zie voor deze verklaring B15/4.1.
### 4. De procedurele aspecten
De asielzoeker die stelt slachtoffer van mensenhandel te zijn, maar terzake (nog) geen aangifte heeft gedaan noch op andere wijze medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, komt niet in aanmerking voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel. De beslissing op de asielaanvraag wordt in beginsel niet aangehouden in afwachting van het al dan niet doen van de aangifte. Indien de vreemdeling na afloop van de asielprocedure aangifte doet, vindt verlening plaats op de wijze zoals beschreven in hoofdstuk B9.
### 5.4. Procedurele bepalingen
Slechts werkgevers die in Nederland gevestigd zijn, kunnen een beroep op de kennismigrantenregeling doen. De regeling is niet van toepassing op werkgevers die in het buitenland gevestigd zijn, tenzij tevens sprake is van een vestiging in Nederland. De verklaring dient steeds door de in Nederland gevestigde werkgever te worden ondertekend.
Om in aanmerking te komen voor de versnelde procedure voor toelating van kennismigranten, dient de werkgever een volledig ingevulde en ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) in te dienen bij de IND. Het gaat hier om de verklaring, bedoeld in [artikel 1d Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d).
### 4.1. De verklaring van de werkgever ([bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a))
Nu de IND zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de IND van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring (zie [artikel 3.25a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.25a)) aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen:
Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De – alsnog – overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken.
### 5.4.1. Ambtshalve toets
Van startende ondernemingen kan niet worden verwacht dat zij een verklaring omtrent betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst, overleggen, aangezien het bedrijf nog geen (belasting) verleden in Nederland heeft. Verblijf als kennismigrant bij startende ondernemingen is evenwel mogelijk in de navolgende situaties en onder de daarbij genoemde voorwaarden. Verblijf als kennismigrant kan worden toegestaan bij:
De ingangsdatum is de dag waarop de vreemdeling voor het eerst aan de voorwaarden voldoet. In de praktijk is dat veelal de datum waarop de vreemdeling aangifte heeft gedaan. De ingangsdatum valt echter niet voor de datum waarop de asielaanvraag is ingediend en ondertekend.
### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
De verklaring kan worden verkregen via de website van de IND, onder de kennismigrantenmodule.
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
B9.9 is van overeenkomstige toepassing.
De toelatingsprocedure met betrekking tot kennismigranten is bij uitstek een referentprocedure.
### 1. Inleiding
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ wordt door het hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND (en wel op de kennismigrantenmodule) ter beschikking gesteld.
### 1. Inleiding
Dit hoofdstuk regelt het verblijf van vreemdelingen die als kennismigrant een bijdrage leveren aan de Nederlandse kenniseconomie. Het betreft dus vreemdelingen die verblijf als kennismigrant beogen dan wel in het bezit zijn van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Vreemdelingen die arbeid in loondienst, anders dan als kennismigrant, of arbeid als zelfstandige verrichten, vallen onder het bepaalde in B5.
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het overleggen van een verklaring door de werkgever (zie B15/4.1) en het voldoen aan het looncriterium (zie B15/5.1).
De werkgever kan namens de gezinsleden te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de kennismigrant en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de kennismigrant beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. In het geval de gezinsleden tegelijkertijd met de kennismigrant een verzoek om advies doen, dient gebruik gemaakt te worden van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’. In het geval voor de gezinsleden niet gelijktijdig met de kennismigrant een verzoek om advies wordt ingediend, dient gebruik gemaakt te worden van de formulieren voor nareizende gezinsleden. De werkgever kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van B1/4 en B2/2. B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
Het verbod om vreemdelingen zonder TWV te werk te stellen is op grond van [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) niet van toepassing op de tewerkstelling van kennismigranten. De kennismigranten wier werkgevers ingevolge [artikel 1d van het Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) niet langer hoeven te beschikken over een TWV, kunnen voor de duur van maximaal vijf achtereenvolgende jaren in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als kennismigrant. Deze beperking is opgenomen in [artikel 3.4, eerste lid, onder y, van het Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4).
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als kennismigrant wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al of niet door tussenkomst van de werkgever, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
### 1. Inleiding
Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar wordt verwezen naar B15/5.1. Deze categorie blijft ook na hun dertigste jaar kennismigrant, zolang de kennismigrant in dienst is van dezelfde werkgever en hij een bruto jaarloon verdient, dat tenminste gelijk is aan het geldende looncriterium voor kennismigranten jonger dan dertig jaar.
### 6.2. Familielid
### 6.10.2. Middelen: overgangsrecht ex [artikel 116 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=116)
### 5.8. Samenwoning
### 6.12.6. Mvv
In [artikel 3.22, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22) is neergelegd dat de verblijfsvergunning wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over een inkomen als bedoeld in [artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.74). In het [Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825) is derhalve geen verplichting neergelegd om de inkomsten van anderen dan de hoofdpersoon mee te tellen bij de berekening van de bestaansmiddelen.
### 6.12.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 7.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.6. Mvv
B1/4.4 is van toepassing.
Het middelenvereiste is niet van toepassing indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, dan wel nadat die beslissing is bekend gemaakt. Indien de aanvraag niet is ontvangen binnen drie maanden nadat aan de alleenstaande minderjarige de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend of bekend gemaakt, wordt de verblijfsvergunning ingevolge [artikel 3.24a, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.24a) pas verleend, nadat de minderjarige heeft aangetoond duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan.
### 9.5.1. Inleiding
Ingevolge [artikel 18, eerste lid, onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) kan de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning worden afgewezen, indien de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de verblijfsvergunning om die reden worden ingetrokken (Zie B2/8.2). Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat de vreemdeling of de persoon bij wie deze verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen zijn in B2/8.5.2 algemene regels gesteld, die ook hier van toepassing zijn.
### 8.5.1. Inleiding
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 2.5.1. Aanmelding
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
### 4. Vergunning regulier bepaalde tijd terugkeeroptie (minderjarigen)
### 2.2.2.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 4.2. Arbeidsmarktaantekening
### 2. Oud-Nederlanders
### 2.3. Vergunning regulier onbepaalde tijd
### 4.2.3. Werkloosheid en tijdelijke arbeidsongeschiktheid
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
### 4.7.4. Grensoverschrijdende dienstverrichters
### 4.6.4.4. Gevraagde bescheiden
### 4.7.3. Musici en artiesten
### 4.6.5.2. Duurzame middelen van bestaan
### 4.6.5.3. Beperking
### 4.13.2. Beperking
### 5.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 7. Zelfstandig beroep of bedrijf uitoefenen, inclusief horecabedrijf
### 7.3.3. Te overleggen stukken
### 5.4.3. Volledig arbeidsongeschikte buitenlandse werknemers
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 2. Au pairs
### 3.5. Arbeidsmarktaantekening
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
### 2. Medische behandeling
### 6. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 7. Aard van het verblijfsrecht
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 3.4. Feitelijke toegankelijkheid
### 3.2.6. Aanmelding bij het Coördinatiecentrum Mensenhandel
### 6. Procedurele bepalingen getuige-aangever
### 7.1. Beslissing op de aanvraag
### 1.5. Definitie gemeenschapsonderdanen
### 1.1. Associatie- en samenwerkingsovereenkomsten
### 2.5.2. Verblijfsrecht voor langer dan drie maanden
### 2.7. [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 2.6. Bewijs van rechtmatig verblijf
### 3.7. Overige categorieën
### 4.1.1. Voldoende middelen van bestaan
### 5.3.2.3. Voortzetting van verblijf bij naturalisatie
### 7.1. Verblijfsbeëindiging
### 7.2. Uitzetting
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
### 4.2.1. Twee jaar rechtmatig verblijf
### 4.3. Aantekening in de identiteitspapieren
### 6.3.2. Arbeid in loondienst
### 9. Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan
### 7.1. Verblijf van werknemers
### 11.1. Begunstigde
### 9. Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan
### 12.4. Tijdelijke arbeidsongeschiktheid en werkloosheid
Artikel 9 houdt onder meer in dat een kind niet wordt gescheiden van zijn ouders tegen hun wil en schept procedurele waarborgen.
### 2. Personeel van ambassades en consulaten, alsmede de gezinsleden
### 3.2. Werkzaam zonder een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 3.3.7. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift
### 14. Ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier
### 2.6.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3. Vreemdelingen die buiten hun schuld niet kunnen vertrekken
### 3.2.3. Vrijstelling mvv
### 3.4. Procedurele bepalingen
### 3.8. Intrekking en niet-verlenging van de verblijfsvergunning
### 4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
B9/2 is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen indien zich een situatie voordoet als genoemd in B9/2 onder c. Voorts geldt dat als op het moment van ambtshalve beslissen de strafzaak door het OM is geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld danwel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, de verblijfsvergunning niet wordt verleend.
### 5.4. Procedurele bepalingen
### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
Tevens worden aangemerkt als kennismigrant vreemdelingen die in Nederland worden tewerkgesteld in het kader van het doen van wetenschappelijk onderzoek in dienst van een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling, of als arts in opleiding tot specialist bij een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut. Voor hen geldt geen looncriterium.
### 5.3. Afwijzingsgronden
B9/2 is van overeenkomstige toepassing. In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen indien zich een situatie voordoet als genoemd in B9/2 onder c. Voorts geldt dat als op het moment van ambtshalve beslissen de strafzaak door het OM is geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld danwel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan, de verblijfsvergunning niet wordt verleend.
### 5.4.1. Ambtshalve toets
De toetsing is ex nunc. Van belang is niet de situatie op het moment van indienen van de aanvraag, noch die op het moment waarop aangifte is gedaan, maar die op het moment van het ambtshalve beslissen.
### 5.5. De verlening van de verblijfsvergunning
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 5.5.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.2. Verzoek om advies
B9.8 is van overeenkomstige toepassing.
### 15. Kennismigranten
De werkgever vult het formulier elektronisch in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Voor de definiëring van kennismigranten is in het [Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523) gekozen voor een éénduidig en objectief criterium, namelijk het looncriterium (zie B15/5.1).
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Voorts worden aangemerkt als kennismigrant vreemdelingen die niet langer dan één jaar na het afronden van een hogere beroepsopleiding of een wetenschappelijke studie in Nederland worden tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling en een bruto jaarloon verdienen dat ten minste gelijk is aan het geldende looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten. Voor bijzondere bepalingen met betrekking tot het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten wordt verwezen naar B15/5.1.
Tevens worden aangemerkt als kennismigrant vreemdelingen die in Nederland worden tewerkgesteld in het kader van het doen van wetenschappelijk onderzoek in dienst van een bekostigde of aangewezen onderwijsinstelling of een van overheidswege direct of indirect, geheel of gedeeltelijk bekostigde of gesubsidieerde onderzoeksinstelling, of als arts in opleiding tot specialist bij een door de Medisch Specialisten Registratie Commissie, de Sociaal-Geneeskundigen registratie Commissie of de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratie Commissie aangewezen opleidingsinstituut. Voor hen geldt geen looncriterium.
### 4. De procedurele aspecten
Aan vreemdelingen die voldoen aan het looncriterium dan wel aan de kwalificatie van wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan mits de werkgever bij wie zij in dienst treden op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)), is toegelaten tot de kennismigrantenregeling. Zie voor deze verklaring B15/4.1.
Als de gezinsleden nareizen nadat de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een aanvraag heeft ingediend, doen deze gezinsleden, zijnde de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner en de minderjarige kinderen, met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden, een aanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van kennismigranten geldt een streeftermijn van twee weken. Daarbij is de IND afhankelijk van buiten de IND gelegen procedures, zoals de verplichte inschrijving van het huwelijk in de GBA, die moeten zijn afgerond voordat de IND een beslissing kan nemen op de aanvraag.
### 4.3.2. TBC-verklaring
Als de gezinsleden nareizen nadat de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een aanvraag heeft ingediend, doen deze gezinsleden, zijnde de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner en de minderjarige kinderen, met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden, een aanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van kennismigranten geldt een streeftermijn van twee weken. Daarbij is de IND afhankelijk van buiten de IND gelegen procedures, zoals de verplichte inschrijving van het huwelijk in de GBA, die moeten zijn afgerond voordat de IND een beslissing kan nemen op de aanvraag.
Slechts werkgevers die in Nederland gevestigd zijn, kunnen een beroep op de kennismigrantenregeling doen. De regeling is niet van toepassing op werkgevers die in het buitenland gevestigd zijn, tenzij tevens sprake is van een vestiging in Nederland. De verklaring dient steeds door de in Nederland gevestigde werkgever te worden ondertekend.
### 4.3.2. TBC-verklaring
In deze verklaring geeft de werkgever garanties met betrekking tot onder meer de volledigheid van het verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of de aanvraag om een verblijfsvergunning die hij ten behoeve van of namens de kennismigrant indient, het voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant door de vreemdeling en het niet ten koste komen van de Nederlandse Staat van het verblijf van kennismigranten. Daarnaast neemt de werkgever de verplichting op zich de IND te informeren zodra de situatie van de werknemer zich wijzigt. Doordat de werkgever een aantal verplichtingen op zich neemt, wordt de IND in staat gesteld de aanvragen om verblijf als kennismigrant via een versnelde procedure af te doen.
### 4.3.2. TBC-verklaring
Als de werkgever verzuimt deze stukken samen met de verklaring te overleggen, worden deze ten behoeve van een versnelde behandeling van verzoeken om advies of aanvragen van kennismigranten die de werkgever in dienst wil nemen, alsnog overgelegd bij het eerste verzoek om advies in verband met de afgifte van een mvv of bij de eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning. De – alsnog – overgelegde stukken worden bij de beoordeling van het verzoek om advies of de verblijfsaanvraag betrokken.
Als de stukken niet of niet volledig zijn overgelegd dan wel de inhoud van de stukken daartoe aanleiding geeft, kan de IND nader onderzoek (laten) doen naar de werkgever. De gebruikelijke behandeltermijn van twee weken is in het geval van nader onderzoek niet van toepassing.
Van startende ondernemingen kan niet worden verwacht dat zij een verklaring omtrent betalingsgedrag, afgegeven door de Belastingdienst, overleggen, aangezien het bedrijf nog geen (belasting) verleden in Nederland heeft. Verblijf als kennismigrant bij startende ondernemingen is evenwel mogelijk in de navolgende situaties en onder de daarbij genoemde voorwaarden. Verblijf als kennismigrant kan worden toegestaan bij:
Bij vreemdelingen die een bedrijf uitoefenen op grond van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan. In het geval het bedrijf van deze vreemdeling een startende onderneming is, gelden voor wat betreft verblijf van vreemdelingen als kennismigrant bij dat bedrijf, de hierboven genoemde voorwaarden die van toepassing zijn op startende ondernemingen.
De IND verstrekt een negatief advies aan de werkgever dan wel wijst de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning af als niet aannemelijk is dat de werkgever de in de overgelegde verklaring neergelegde verplichtingen zal (kunnen) nakomen.
### 5.1. Het looncriterium
De verklaring dient elektronisch door de werkgever te worden ingevuld. De door de werkgever ingevulde en ondertekende verklaring (de printversie) dient, met de hierboven vermelde stukken, door de werkgever per post te worden verzonden naar het op de verklaring vermelde adres van de IND.
### 1. Inleiding
### 3.2.1.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 4.3. Internationale luchtvaart, wegtransport en binnenscheepvaart
### 4.4.5. Verlenging geldigheidsduur
### 4.4.2. Beperking
### 4.9.3. Gezinshereniging en -vorming
### 4.9.1. Algemeen
### 7.10.1. Beperking
### 7.2. Middelen van bestaan
### 2.1.2. (Voorlopige) inschrijving aan de onderwijsinstelling
### 2.2.1. EG-Langdurig ingezetenen
### 4. Voorwaarden voor de voorbereiding op een studie hoger onderwijs
### 7. Gezinshereniging en -vorming
### 8. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling
### 2.1. Inleiding
### 4.1. Inleiding
### 4.9. Indiening aanvraag verblijfsvergunning in land van herkomst
### 3.2.1. Opschorting van de verwijdering
### 5.4. Beperking
### 3.1. Bewijslast medische omstandigheden
De in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd voor het ondergaan van medische behandeling kunnen op grond van [artikel 3.13, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij de hoofdpersoon tijdens diens medische behandeling. Dit beleid heeft betrekking op de volgende gezinsleden:
### 12. Analoge toepassing van [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64) in afwachting van definitieve besluitvorming
### 11. [Artikel 64](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64)
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer
### 6.3. Meldplicht
### 4.3. Wens tot vertrek na aangifte
### 1.3. Partijen bij de Overeenkomst betreffende de EER
### 2.5.1. Verblijfsrecht van maximaal drie maanden
### 4. Economisch niet-actieven
### 5.2. Het verblijfsrecht van het familie- of gezinslid
### 5.4.3. Familielid onderdaan derde land
### 3.5. Verlies van opgebouwde rechten
### 3. Associatieovereenkomst EG en Turkije, besluit nr. 1/80
### 3.4.1. Nationaal recht
Zulks is niet meer dan al geldt ingevolge de algemene regels inzake verblijfsbeëindiging op grond van openbare orde (zie B1/4.4).
### 12.2. Verblijfsvoorwaarden migrerende werknemer
### 13.1. Belang
### 1. Inleiding
### 3.1. Werkzaam met een geprivilegieerde verblijfsstatus
### 3.2.2. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.4.2. Registratie
### 2.2.2. Alleenstaand
### 2. Voorwaarden familiebezoek
### 2.10.3.3. Uitgeprocedeerde meerderjarigen
### 2.10.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 3.2.2.2. Uitgeprocedeerde Amv’s
### 3.4.2. Ambtshalve verlening
### 3.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
In de toelichting op [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) werd aangegeven dat in het geval de in dit artikel bedoelde vergunning niet ambtshalve wordt verleend en de vreemdeling zich daar niet mee kan verenigen, deze de eventuele gronden tegen de niet-verlening van de hier bedoelde verblijfsvergunning bij voorkeur in beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag aanvoert. Dit is van belang voor de voortgang van de verblijfsrechtelijke procedure en de samenhang met de asielprocedure.
### 4.6. Beperking en arbeidsmarktaantekeningen
Asielzoekers kunnen aangifte doen van mensenhandel of op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek hangende de asielprocedure. In hoofdstuk B9 is uitgewerkt onder welke voorwaarden in dat geval een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel kan worden verleend. De asielzoeker kan bij het doen van de aangifte terzake mensenhandel of het op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolginsonderzoek echter ook aangeven eerst de inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag te wensen (zie [Model M55a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M55-A)). In geval van een afwijzing van de asielaanvraag kan de vreemdeling ambtshalve (alsnog) in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder genoemde beperking, mits op dat moment (nog steeds) wordt voldaan aan de voorwaarden.
### 5.4.2. Toetsing ex nunc
B9.7.2 is van overeenkomstige toepassing.
### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
Indien de verlening plaatsvindt naar aanleiding van het intrekken van een verblijfsvergunning asiel, ligt de ingangsdatum niet voor de datum van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel.
### 4.2. Verzoek om advies
Als het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND de volledig ingevulde en ondertekende verklaring, vergezeld van de hierboven genoemde stukken heeft ontvangen, stuurt het loket de werkgever een ontvangstbevestiging. Als de te overleggen stukken geheel of gedeeltelijk ontbreken, wordt de werkgever erop gewezen dat de ontbrekende stukken alsnog in het kader van het eerste verzoek om advies in verband van de afgifte van een mvv dan wel de eerste verblijfsaanvraag dienen te worden overgelegd. Bij de ontvangstbevestiging krijgt de werkgever een toegangscode waarmee hij op de website van de IND toegang krijgt tot:
### 5.7. Intrekken van de verblijfsvergunning
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 3. Kennismigranten
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
Uitgezonderd van verblijf als kennismigrant zijn beroepssporters in het betaalde voetbal, geestelijke voorgangers en godsdienstleraren, en vreemdelingen die werkzaamheden verrichten die geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van seksuele handelingen met derden of voor derden.
### 4.3.1. Leges
De toelatingsprocedure met betrekking tot de kennismigranten behelst een versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
### 4.1. De verklaring van de werkgever ([bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a))
Om in aanmerking te komen voor de versnelde procedure voor toelating van kennismigranten, dient de werkgever een volledig ingevulde en ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) in te dienen bij de IND. Het gaat hier om de verklaring, bedoeld in [artikel 1d Besluit uitvoering Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d).
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Nu de IND zich verplicht tot een versnelde procedure, is het voor de IND van belang om vast te stellen of het aannemelijk is dat de werkgever de verplichtingen die hij in de verklaring (zie [artikel 3.25a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.25a)) aangaat, ook daadwerkelijk zal (kunnen) nakomen. Daarom dient de werkgever bij de verklaring steeds de volgende stukken te overleggen:
### 5. Looncriterium
### 5. Looncriterium
De verklaring kan worden verkregen via de website van de IND, onder de kennismigrantenmodule.
### 5.1. Het looncriterium
Indien voor een vreemdeling bij de eerste verlening de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten geldt, blijft bij wijziging van werkgever en bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning dit looncriterium van toepassing.
### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon
Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland dient de werkgever in Nederland door middel van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ te verzoeken om een advies in verband met het voornemen van de kennismigrant om een mvv aan te vragen in het buitenland.
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ wordt door het hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND (en wel op de kennismigrantenmodule) ter beschikking gesteld.
De werkgever vult het formulier elektronisch in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Indien naar aanleiding van een verzoek van de werkgever door de IND een positief advies is verstrekt en de verschuldigde leges zijn betaald, kan aan de vreemdeling in diens land van herkomst of bestendig verblijf door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging een mvv worden afgegeven. Het doen van een mvv-aanvraag zonder dat daar een verzoek om adviesprocedure aan vooraf is gegaan, ligt, gelet op het feit dat de toelatingsprocedure bij beoogd verblijf als kennismigrant bij uitstek een referentprocedure is, niet in de rede. Vreemdelingen die zonder voorafgaande referentprocedure een mvv-aanvraag voor verblijf als kennismigrant willen indienen op een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland, worden er door de vertegenwoordiging op gewezen dat het de voorkeur verdient dat de werkgever bij wie zij verblijf als kennismigrant beogen, een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan de vreemdeling indient. Dat leidt slechts uitzondering wanneer in het kader van een door de werkgever gestart verzoek om adviesprocedure negatief door de IND is geadviseerd. De streeftermijn van twee weken is niet van toepassing op deze aanvragen.
De werkgever kan namens de gezinsleden, te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, en hun minderjarige kinderen, verzoeken om afgifte van een mvv aan de gezinsleden. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van de hoofdstukken B1 en B2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Als de IND indicaties heeft dat het loon niet marktconform is, wordt een advies gevraagd aan het UWV WERKbedrijf of een bepaalde beloning wel of niet marktconform is.
### 4.1. Mvv-vereiste
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.7.3. Herkansing en geldigheidsduur
### 4.10. Tijdsverloop in reguliere zaken
### 9.6.4. Restitutie van leges
In bezwaar, doch niet in administratief beroep, kan voorts van het horen worden afgezien indien aan de bezwaren volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
### 4.2. Wettelijke beletselen
### 5.10.1. Middelen: overgangsrecht per 1 november 2004
Als de hoofdpersoon voldoet aan de bepalingen van [artikel 3.22, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.22), behoeft geen garantverklaring te worden ondertekend.
### 5.7. Polygamie
### 5.5. Minderjarigheid
### 7. Vreemdelingen van 65 jaar en ouder
### 7.9. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 7. Gelegaliseerde bescheiden
### 8.3. Verbreking van de (huwelijks)relatie
### 2.3. Voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning
### 3.1. Verblijfsrechtelijke positie vóór remigratie
### 2.1. Procedure bij het IND-loket voor kennis- en arbeidsmigratie
### 11.2. Bij de aanvraag over te leggen bescheiden
### 2.3. Geldigheidsduur: relatie met de TWV
### 2.4. Beperking
### 7.4. Voldoende middelen van bestaan
### 3. Programma’s van particuliere organisaties
### 4. Programma’s met Canada, Australië en Nieuw-Zeeland
### 4.3. Verblijf voor Working Holiday Program en Working Holiday Scheme
### 5. Europees Vrijwilligerswerk
### 5. Ongewisse situatie in land van herkomst
### 3.1. Aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel
### 3.1. Aanwijzing dat er sprake is van mensenhandel
### 12. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging
### 3.3. Voor verblijf van langer dan drie maanden over te leggen stukken
### 2.6.1. Niet betalen van leges
### 3.4. Werkzaamheden buiten Nederlands grondgebied
### 5.3.2. Nederlanders die rechten kunnen ontlenen aan gemeenschapsrecht
### 14. Het BuPo
### 2.1.2.2. Verblijfsvoorwaarden gezinsleden ex-geprivilegieerden
### 2.2.1. Lokaal geworven personeel
### 2.2.3. Zelfstandig handhaven in land van herkomst of een ander land
### 2.10.3.1. Inleiding
### 2.10.3. Overgangsrecht voor begeleide minderjarigen
### 3.4.2. Ambtshalve verlening
### 5.1. Algemeen
### 4.4. Berekening termijn
### 4.4.2. Einde termijn
### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 4. De procedurele aspecten
### 4. De procedurele aspecten
De toelatingsprocedure met betrekking tot de kennismigranten behelst een versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
### 7.1.7. Ziektekosten
### 4.8. Verwantschap
### 6. Verruimde gezinshereniging
### 5.2.1.1. Verdragsadopties
### 6.12.3. Verblijfsstatus van de hoofdpersoon
### 8.1. Inleiding
### 10.2.1. Begrippen
### 10.2.3. Belangenafweging
### 2. Buitenlandse adoptiekinderen
### 4.5.3. Voorschriften
### 4.6. Gastdocent, wetenschappelijk onderzoeker, EU-actieprogramma
### 4.7. Verblijf in de vrije termijn
### 7.3.4. Het ondernemingsplan
### 3.5. Arbeidsmarktaantekening
### 5.5. Arbeidsmarktaantekening
### 4. Mantelzorgnetwerk
### 9. Gezinsleden
### 9. Mensenhandel
### 7.3. Afgifte van het verblijfsdocument
### 5.4.3. Familielid onderdaan derde land
### 3.4.1. Nationaal recht
### 11.1. Begunstigde
### 10.2. Repatriëring en bijstand
### 3.2.4. Gezinsleden
### 3.3.2. NAVO-statusverdrag en Partnership for Peace-statusverdrag
### 4.5. Aard van de verblijfsvergunning
### 5.2. Voorwaarden
### 5.4.1. Ambtshalve toets
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘tijdsverloop in de asielprocedure’.
### 4. De procedurele aspecten
### 9.7.7.1. Algemene regels
### 5.12. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift
### 6.2. Familielid
### 6.9. Openbare orde beleid
### 6.7. Document voor grensoverschrijding
### 3.2.1. Vergunning regulier bepaalde tijd voor wedertoelating
### 3.2.1. Verblijf voor onbepaalde tijd
### 4.5.1. Beperkingen
### 4.5.2. Arbeidsmarktaantekening
### 4.6.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers
### 3. Voorwaarden voor opleiding aan voortgezet en beroepsonderwijs
### 7.2. Middelen van bestaan
### 9.2. Getuige-aangever
### 12. Slachtoffers van mensenhandel die geen medewerking verlenen aan opsporing en vervolging
### 6.4. Beperking, (arbeidsmarkt)aantekeningen en voorschrift
### 12.1. Begunstigde
### 3. Vreemdelingen werkzaam bij een internationale organisatie
### 3.3.5. Verblijfsdocument
### 2.10. Overgangsrecht
### 5.1. Algemeen
### 5.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 6.1.3. Bijzondere categorieën
### 7.2.5. Openbare orde
### 5.11.2. Buiten Nederland geboren kinderen
### 4. Wedertoelating
### 2. Buitenlandse werknemers TWV vereist
### 4.6.2.2. Beperking
### 4.6.4. Onbezoldigde wetenschappelijk onderzoekers
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
### 7.2. Middelen van bestaan
### 2.2. Mvv-vereiste
### 3.7. Overige categorieën
### 3.3.1. Begrippen
### 2.2.2. Personeel dat uitgezonden status per 1 januari 2000 verliest
### 10.9. Beslistermijnen
### 6.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.12.1. Eerste verblijfsaanvaarding
### 6.8. Samenwoning
### 9. Verlenging en intrekking verblijf (verruimde) gezinshereniging
### 8.1. Inleiding
### 6.8. TBC-onderzoek
### 2.5. Procedure betreffende de verlening van de verblijfsvergunning
### 4.6.5.1. Geldigheidsduur
### 3.1. Verblijfstermijn voor werkzoekenden
### 3.5.2. Onvrijwillige werkloosheid
### 1. Inleiding
### 2. EVRM
### 3.4.2. Voorwaarden Associatiebesluit 1/80
### 6.3.3. Vestiging
### 1. Inleiding
### 5.6. De verlenging van de verblijfsvergunning
### 5.1. Algemeen
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 7.1.6. Nationale veiligheid
### 5.5. Minderjarigheid
### 1.5.5. Gezinshereniging
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 2.6. Voorschriften
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.4. Openbare orde en nationale veiligheid
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 4.6. Niet voldoen aan de beperking
### 4.5. Medisch onderzoek
### 5.1. Voortzetting van verblijf en mvv-vereiste
### 7. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd
### 9.7.2. Inwinnen zienswijze
### 4.6.6.4. Arbeidsmarktaantekening
### 4.6.6.5. Gevraagde bescheiden
### 4.12.4. Beperking
### 1. Inleiding
### 7.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3.3.1. Verdrag van Ottawa
### 3.5.3. Geldigheidsduur
### 3.5.2. Ingangsdatum van de verblijfsvergunning
### 4.4.2. Einde termijn
### 4. Driejarenbeleid in de asielprocedure
### 4.12.3. Gevraagde bescheiden
### 6.5. Opvang en financiën
### 2. Samenhang [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823) en de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 5. Looncriterium
De toelatingsprocedure met betrekking tot kennismigranten is bij uitstek een referentprocedure.
De werkgever kan namens de gezinsleden te weten de echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner van de kennismigrant en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de kennismigrant beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. In het geval de gezinsleden tegelijkertijd met de kennismigrant een verzoek om advies doen, dient gebruik gemaakt te worden van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’. In het geval voor de gezinsleden niet gelijktijdig met de kennismigrant een verzoek om advies wordt ingediend, dient gebruik gemaakt te worden van de formulieren voor nareizende gezinsleden. De werkgever kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerde) partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen, uitgezonderd de middelen van bestaan, van B1/4 en B2/2. B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
### 4.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als kennismigrant wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al of niet door tussenkomst van de werkgever, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
Het aanvraagformulier kan worden verkregen via de website van de IND, en wel op de kennismigrantenmodule. Het aanvraagformulier dient elektronisch te worden ingevuld.
### 10.4. Verlenging en zoekperiode
Als de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, maakt hij daartoe een afspraak met het loket.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
Als de gezinsleden nareizen nadat de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een aanvraag heeft ingediend, doen deze gezinsleden, zijnde de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen, met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden, een aanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van kennismigranten geldt een streeftermijn van twee weken. Daarbij is de IND afhankelijk van buiten de IND gelegen procedures, zoals de verplichte inschrijving van het huwelijk in de GBA, die moeten zijn afgerond voordat de IND een beslissing kan nemen op de aanvraag.
De beslistermijn van twee weken is tevens van toepassing op aanvragen om wijziging van de beperking waaronder eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend in de beperking ‘verblijf als kennismigrant’. Hierbij kan worden gedacht aan het geval dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, deze beperking wil wijzigen in de beperking ‘verblijf als kennismigrant’.
Indien een vreemdeling voldoet aan het looncriterium wordt zondermeer aangenomen dat hij voldoet aan het vereiste om duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
Betaling van de door de betrokken vreemdeling(en) verschuldigde leges vindt plaats door de werkgever door middel van een machtiging tot automatische incasso. Deze machtiging wordt door de werkgever bij elke individuele aanvraag afgegeven. Ten behoeve van de automatische incasso geeft de werkgever een Nederlands bankrekeningnummer op. Als de werkgever geen machtiging tot automatische incasso afgeeft bij de aanvraag ontvangt de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt een factuur met een acceptgiro van het CJIB ter betaling van de verschuldigde leges. De beslistermijn van twee weken is dan niet van toepassing.
### 4.3.2. TBC-verklaring
De verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst tot een maximum van vijf jaar.
De werkgever neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’(zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de kennismigrant(en) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de werkgever zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Indien de kennismigrant niet over een mvv beschikt wordt de volgende arbeidsmarktaantekening geplaatst: ‘Arbeid niet toegestaan; TWV vereist’. Dit geldt ook voor diens echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner.
### 3.3.2. Recht voortzetting verblijf
### 3.3. Afwijzingsgronden
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Als het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND de volledig ingevulde en ondertekende verklaring, vergezeld van de hierboven genoemde stukken heeft ontvangen, stuurt het loket de werkgever een ontvangstbevestiging. Als de te overleggen stukken geheel of gedeeltelijk ontbreken, wordt de werkgever erop gewezen dat de ontbrekende stukken alsnog in het kader van het eerste verzoek om advies in verband van de afgifte van een mvv dan wel de eerste verblijfsaanvraag dienen te worden overgelegd. Bij de ontvangstbevestiging krijgt de werkgever een toegangscode waarmee hij op de website van de IND toegang krijgt tot:
### 4.2. Verzoek om advies
### 4.3.3. Voldoende middelen van bestaan
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.9. Vertrektermijn
### 4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)
### 4.7.1.2. Ontheffing
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 4.4.3. Onderbrekingen van de termijn
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.3. Middelen van bestaan
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2.5.3. De controletaak van de politie ingevolge de [Wobka](onbekend)
### 2.6. Voorschrift
### 6. Het Nederlands-Zwitserse Traktaat
### 5.5.1. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 5.1. Het looncriterium
### 5.1.3. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
De werkgever dient het ingevulde en door de kennismigrant ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld met de vereiste stukken, per post te verzenden naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
De werkgever of de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt, kan met een aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning voor een kennismigrant, tevens tegelijkertijd een aanvraag doen voor de meegereisde echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen. Het aanvraagformulier wordt zowel door de vreemdeling die verblijf als kennismigrant beoogt als door de gezinsleden ondertekend.
### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen
Voor beroepen in de individuele gezondheidszorg is registratie in het beroepen in de individuele gezondheidszorg register verplicht. Indien een kennismigrant in Nederland een beroep wil uitoefenen waarvoor beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is, maar niet in het register geregistreerd staat wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning of verzoek om advies voor verblijf als kennismigrant afgewezen omdat er geen sprake is van wettelijk toegestane arbeid (zie B15/5.1). Indien aan de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie voorwaarden zijn verbonden betreffende de inhoud van de uitoefening van het beroep, bijvoorbeeld dat bepaalde handelingen slechts onder supervisie verricht mogen worden, wordt de vergunning verleend. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever dat aan de voorwaarden voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie wordt voldaan.
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Indien de kennismigrant in het bezit is van een mvv wordt op de sticker aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor diens echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner.
### 11.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de GBA. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de IND na de inwilliging van de aanvraag.
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
### 4.3.1. Leges
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Voor de kennismigrant die op grond van [artikel 17, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) is vrijgesteld van het mvv-vereiste, staat de mogelijkheid open om bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen teneinde zijn verblijfsaanspraak vooraf te laten toetsen (zie B1/4.1.1). De werkgever in Nederland kan voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv middels het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ verzoeken om een advies omtrent de afgifte van een mvv (zie B15/4.2).
Echtgenoten en partners van kennismigranten krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van kennismigranten wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5.
De vreemdeling die in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning als kennismigrant hoeft geen wijziging van de beperking aan te vragen als hij van werkgever verandert mits nog steeds aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant wordt voldaan.
### 3.2. Na medische behandeling
Voor de vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant gelden looncriteria, te weten een looncriterium voor vreemdelingen die ouder zijn dan dertig jaar, een looncriterium voor vreemdelingen die jonger zijn dan dertig jaar en een looncriterium voor in Nederland afgestudeerde vreemdelingen die in aansluiting op hun studie dan wel gedurende het zoekjaar, werk als kennismigrant vinden. Het looncriterium houdt in dat uit wettelijk toegestane arbeid in loondienst voor één en dezelfde werkgever, een bruto jaarloon dient te worden ontvangen ten minste ter hoogte van een bedrag dat jaarlijks door de Minister van SZW wordt vastgesteld. Het looncriterium voor kennismigranten wordt conform het gestelde in [artikel 1d, derde lid, van het Besluit tot uitvoering van de Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1d) (zie paragraaf 21, onderdeel f, inkomenscriterium kennismigranten), jaarlijks met ingang van 1 januari van elk kalenderjaar herzien met de procentuele wijziging van het meest recente indexcijfer van de CAO-lonen, gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het inkomenscriterium wordt gepubliceerd in paragraaf 21, onderdeel f, inkomenscriterium kennismigranten van de Uitvoeringsregels Wav.
De vereiste premies en belastingen moeten worden afgedragen.
Op het moment dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant de leeftijd van dertig jaar bereikt, blijft de vreemdeling, ongeacht de functie die hij vervult, gelet op het gestelde in de toelichting van het Besluit van 28 september 2004 tot wijziging van het Besluit uitvoering Wav voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, mits hij nog steeds voldoet aan de jaarloonbepalingen die voor hem golden bij de eerste verlening van de verblijfsvergunning als kennismigrant en hij niet van werkgever is veranderd. Indien de vreemdeling na het bereiken van het dertigste levensjaar van werkgever verandert en hij verblijf als kennismigrant blijft beogen, dient hij te voldoen aan het jaarloonvereiste voor vreemdelingen van dertig jaar en ouder zoals door de Minister van SZW vastgesteld.
Indien voor een vreemdeling bij de eerste verlening de verblijfsvergunning als kennismigrant het looncriterium voor afgestudeerde buitenlandse studenten geldt, blijft bij wijziging van werkgever en bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning dit looncriterium van toepassing.
Er kan verblijf als kennismigrant worden toegestaan zonder dat hoeft te zijn voldaan aan het looncriterium zoals dat door de Minister van SZW is vastgesteld voor verblijf als kennismigrant, aan wetenschappelijk onderzoekers en aan artsen in opleiding tot specialist. Alsdan geldt het algemene middelenvereiste onverkort (Zie B1/4.3).
### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon
In tegenstelling tot het middelenvereiste wordt bij de beoordeling van het looncriterium uitsluitend betekenis toegekend aan het loon in geld. Het gaat daarbij om het vaste contractueel overeengekomen en in geld vastgestelde bruto loon. De waarde van niet in geld uitgekeerd loon en de waarde van onzekere loonbestanddelen als overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen uit fondsen worden derhalve niet meegeteld. Vaste toeslagen zoals de vakantietoeslag en een dertiende maand kunnen bij dit bruto loon wel worden meegerekend.
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt in het kader van dit beleidsonderdeel aangetoond door het overleggen van:
### 5.1.3. Loon niet marktconform
De IND wijst een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf of een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ af of trekt deze in als sprake is van een loon dat naar het oordeel van de minister van SZW niet marktconform is.
Als de IND indicaties heeft dat het loon niet marktconform is, wordt een advies gevraagd aan het UWV WERKbedrijf of een bepaalde beloning wel of niet marktconform is.
De IND stelt de werkgever eerst in de gelegenheid om het volgende met (aanvullende) stukken inzichtelijk te maken:
Als geen sprake is van een CAO moet de werkgever informatie verstrekken dat het loon en andere arbeidsvoorwaarden overeenkomen met vergelijkbare functies.
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
De nieuwe voorwaarde geldt, ingevolge [artikel 3.103 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103), voor alle aanvragen om een verblijfsvergunning of machtiging tot voorlopig verblijf met als doel: ‘verblijf als kennismigrant’, die zijn ingediend op of na 19 juni 2011.
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als kennismigrant.
### 9.2. Ziekte en arbeidsongeschiktheid
Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten. Bij ziekte blijft de kennismigrant aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een dienstverband met een werkgever die een verklaring heeft afgelegd in het kader van het kennismigrantenbeleid en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, aan het loonvereiste blijft voldoen.
Indien een vreemdeling voldoet aan het looncriterium wordt zondermeer aangenomen dat hij voldoet aan het vereiste om duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
### 5.3. Beroepen in de individuele gezondheidszorg
Voor beroepen in de individuele gezondheidszorg is registratie in het beroepen in de individuele gezondheidszorg register verplicht. Indien een kennismigrant in Nederland een beroep wil uitoefenen waarvoor beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie verplicht is, maar niet in het register geregistreerd staat wordt de aanvraag om een verblijfsvergunning of verzoek om advies voor verblijf als kennismigrant afgewezen omdat er geen sprake is van wettelijk toegestane arbeid (zie B15/5.1). Indien aan de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie voorwaarden zijn verbonden betreffende de inhoud van de uitoefening van het beroep, bijvoorbeeld dat bepaalde handelingen slechts onder supervisie verricht mogen worden, wordt de vergunning verleend. Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever dat aan de voorwaarden voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg registratie wordt voldaan.
Indien een kennismigrant na een periode van ziekte arbeidsongeschikt wordt verklaard, geldt het volgende.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
Als de kennismigrant als arts in opleiding tot specialist staat ingeschreven in een opleidingsregister wordt de verblijfsvergunning verleend voor ten hoogste de duur van de opleiding.
Indien de vreemdeling voor een beperkte periode in het beroepen in de individuele gezondheidszorg register staat geregistreerd wordt de verblijfsvergunning verleend voor de duur van de registratie.
### 10.1. Zoekjaar
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
Als de vreemdeling gedurende het zoekjaar een beroep doet op de algemene middelen kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, eerste lid, onder y, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
De arbeidsmarktaantekening ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ houdt in dat een vreemdeling, die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant, arbeid als kennismigrant mag verrichten. Voor andere arbeid is een TWV vereist.
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’. Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Indien de kennismigrant van werkgever verandert, moet hij nog steeds voldoen aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant. Op de nieuwe werkgever rust de verplichting aan het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND te melden dat betrokken kennismigrant in dienst is getreden en daarbij de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2 te overleggen.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
Indien de arbeidsovereenkomst van de kennismigrant gedurende de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning door de werkgever voortijdig wordt ontbonden, zonder dat de kennismigrant daarvan een verwijt kan worden gemaakt, wordt hem een zoektermijn van drie maanden gegund. De werkgever maakt schriftelijk melding van de beëindiging van het dienstverband bij het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND. Vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd geldt een zoekperiode van drie maanden voor de vreemdeling om een nieuwe functie als kennismigrant te verwerven. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant doet de (nieuwe) werkgever daarvan schriftelijk mededeling aan het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND onder overlegging van de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2 . In het geval dat de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, dient deze toegelaten te zijn tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) en dient de vreemdeling te voldoen aan het looncriterium, respectievelijk dient hij een functie als wetenschappelijk onderzoeker dan wel arts in opleiding tot specialist te vervullen. Slaagt de vreemdeling er niet in binnen drie maanden een dergelijke functie te vinden dan wordt zijn verblijfsvergunning ingetrokken.
Indien de zoekperiode van drie maanden zich uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de kennismigrant, dient de kennismigrant om verlenging van zijn verblijfsvergunning als kennismigrant te vragen. Bij de behandeling van de aanvraag zal rekening gehouden worden met de (resterende) zoekperiode die de vreemdeling wordt gegund om een functie als kennismigrant te verwerven. Voor deze aanvraag is de gangbare behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant dient de kennismigrant, dan wel diens (nieuwe) werkgever, daarvan schriftelijk melding te doen onder overlegging van de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2. In het geval de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, deze is toegelaten tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) en de vreemdeling voldoet aan het looncriterium, respectievelijk een functie als wetenschappelijk onderzoeker dan wel arts in opleiding tot specialist vervult, kan de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant worden verlengd. Vindt de vreemdeling geen baan als kennismigrant dan zal de aanvraag tot verlenging worden afgewezen.
Voor de vreemdeling die als arts in opleiding tot specialist een verblijfsvergunning als kennismigrant aanvraagt geldt dat deze zal worden verleend voor de duur van zijn opleiding. Na beëindiging van zijn opleiding is verlenging van de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant slechts mogelijk indien de arts in opleiding tot specialist een andere functie als kennismigrant verwerft. In dat geval dient hij verlenging van de vergunning voor verblijf als kennismigrant aan te vragen.
### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking
Op de vreemdeling rust de verplichting om onmiddellijk aan de Korpschef melding te maken van het feit dat hij niet meer aan de beperking voldoet. Op de werkgever rust de verplichting om de IND schriftelijk in kennis te stellen van het feit dat de kennismigrant niet langer bij deze werkgever werkzaam is, niet langer aan het looncriterium voldoet, of niet langer werkzaamheden als wetenschappelijk onderzoeker of arts in opleiding tot specialist vervult (zie daarvoor ook [artikelen 4.41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.41) en [4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43) en [A3/7.3.5](onbekend) en [A3/7.3.7](onbekend)).
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als kennismigrant’ kan op grond van het bepaalde in [artikel 19, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19), juncto [artikel 18 eerste lid, aanhef en onder g, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18), worden ingetrokken als betrokkene niet meer voldoet aan de voorwaarden van de beperking ‘verblijf als kennismigrant’.
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Deze regeling wijkt op de volgende punten af van het beleid inzake het zoekjaar afgestudeerden (zie B15/10):
### 11.2. Voorwaarden
De verblijfsvergunning kan op aanvraag worden verleend, indien:
Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten. Bij ziekte blijft de kennismigrant aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een dienstverband met een werkgever die een verklaring heeft afgelegd in het kader van het kennismigrantenbeleid en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, aan het loonvereiste blijft voldoen.
Indien een kennismigrant na een periode van ziekte arbeidsongeschikt wordt verklaard, geldt het volgende.
Onder een kennismigrant die arbeidsongeschikt is wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant en die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. De verblijfsvergunning van de kennismigrant wordt ingetrokken bij volledige arbeidsongeschiktheid. Indien sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (percentage minder dan 80%) en de kennismigrant in dienst blijft bij de werkgever dient hij, op grond van de uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) en zijn inkomen uit het dienstverband met de werkgever, nog steeds te voldoen aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant. Als de kennismigrant gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en zijn dienstverband bij de werkgever is beëindigd zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, kan hij gebruik maken van de zoekperiode van drie maanden na de datum waarop het dienstverband (voortijdig) is beëindigd. Indien betrokken vreemdeling er niet in slaagt om in die periode werk te vinden waarmee hij voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant ingetrokken. Bij de beoordeling of de gedeeltelijk arbeidsongeschikte vreemdeling voldoet aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant wordt een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) meegerekend als bestanddeel van het brutoloon.
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
Omdat nog niet alle studenten een geaccrediteerde opleiding met een Master-graad afronden, maar er ook nog studenten afstuderen aan een ongedeelde opleiding, wordt een getuigschrift van een geaccrediteerde ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 18:15 WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), gelijkgesteld met een Master-graad als hierbedoeld.
Vreemdelingen die met goed gevolg een hogere beroepsopleiding of wetenschappelijke studie in Nederland hebben afgerond, krijgen de mogelijkheid om binnen maximaal één jaar (zoekperiode) na de datum van voltooiing van de studie of opleiding een functie als kennismigrant te vinden. Het gaat hier om vreemdelingen die op basis van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘studie’ in Nederland hun studie hebben afgerond. Indien de vreemdeling gebruik wil maken van het zoekjaar, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de beperking in (zie B15/10.2 en B15/10.3).
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
Het zoekjaar geldt niet voor vreemdelingen die verblijf hebben voor studie aan voortgezet of beroepsonderwijs. Aan hen is verblijf toegestaan onder meer om een positieve bijdrage aan de ontwikkeling in het land van herkomst te kunnen leveren. Het bieden van een mogelijkheid om zich na beëindiging van de studie aan voortgezet en beroepsonderwijs op een functie als kennismigrant te oriënteren, is niet in overeenstemming met de intentie van het toestaan van verblijf voor studie aan voortgezet of beroepsonderwijs.
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling
### 5.1.3. Loon niet marktconform
### 5.1.3. Loon niet marktconform
### 5.3. Beroepen in de individuele gezondheidszorg
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 5.1. Het looncriterium
Het looncriterium is een bijzondere voorwaarde voor verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant en wordt derhalve onderscheiden van het vereiste duurzaam te beschikken over voldoende zelfstandig verworven middelen van bestaan.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 5.1. Het looncriterium
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd)partner/ouder (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 8.1. Wijziging van werkgever
Indien de zoekperiode van drie maanden zich uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de kennismigrant, dient de kennismigrant om verlenging van zijn verblijfsvergunning als kennismigrant te vragen. Bij de behandeling van de aanvraag zal rekening gehouden worden met de (resterende) zoekperiode die de vreemdeling wordt gegund om een functie als kennismigrant te verwerven. Voor deze aanvraag is de gangbare behandeltermijn van twee weken niet van toepassing. Indien de vreemdeling erin slaagt opnieuw werk te vinden als kennismigrant dient de kennismigrant, dan wel diens (nieuwe) werkgever, daarvan schriftelijk melding te doen onder overlegging van de van toepassing zijnde bewijsmiddelen zoals genoemd in B15/5.1.2. In het geval de kennismigrant een nieuwe werkgever vindt, deze is toegelaten tot de kennismigrantenregeling op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) en de vreemdeling voldoet aan het looncriterium, respectievelijk een functie als wetenschappelijk onderzoeker dan wel arts in opleiding tot specialist vervult, kan de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant worden verlengd. Vindt de vreemdeling geen baan als kennismigrant dan zal de aanvraag tot verlenging worden afgewezen.
### 8.2. Zoekperiode
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands of zijn vertaald door een vertaler die door de Nederlandse rechtbank is beëdigd.
### 5.1.4. Kortlopende arbeidsovereenkomsten
Indien de vreemdeling beschikt over een arbeidsovereenkomst voor een kortere duur dan één jaar, dient de vreemdeling gedurende de duur van de arbeidsovereenkomst naar rato te voldoen aan het criterium van het bruto jaarloon. De vreemdeling dient derhalve een loon in geld te genieten dat de uitkomst is van de rekensom: geldend looncriterium, gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal maanden van de arbeidsovereenkomst.
### 9. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Onder een kennismigrant die arbeidsongeschikt is wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant en die een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) geniet. De verblijfsvergunning van de kennismigrant wordt ingetrokken bij volledige arbeidsongeschiktheid. Indien sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (percentage minder dan 80%) en de kennismigrant in dienst blijft bij de werkgever dient hij, op grond van de uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) en zijn inkomen uit het dienstverband met de werkgever, nog steeds te voldoen aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant. Als de kennismigrant gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en zijn dienstverband bij de werkgever is beëindigd zonder dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, kan hij gebruik maken van de zoekperiode van drie maanden na de datum waarop het dienstverband (voortijdig) is beëindigd. Indien betrokken vreemdeling er niet in slaagt om in die periode werk te vinden waarmee hij voldoet aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant ingetrokken. Bij de beoordeling of de gedeeltelijk arbeidsongeschikte vreemdeling voldoet aan het looncriterium dat geldt voor verblijf als kennismigrant wordt een uitkering uit hoofde van de [WAO](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002524)/[WIA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0019057) meegerekend als bestanddeel van het brutoloon.
### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst tot een maximum van vijf jaar.
De verblijfsvergunning kan voor vijf jaar worden verleend als de vreemdeling, die verblijf als kennismigrant beoogt, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overlegt. Als de vreemdeling, die verblijf als kennismigrant beoogt, een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft, wordt de verblijfsvergunning voor verblijf als kennismigrant voor ten hoogste de duur van de arbeidsovereenkomst afgegeven (zie [artikelen 3.57](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) en [3.59a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59a)).
### 10.1. Zoekjaar
Echtgenoten en partners van kennismigranten krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van kennismigranten wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking
### 8.1. Wijziging van werkgever
### 3.3. Na verblijf als Amv
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode, af- en aanmelding en intrekking
Voor de mvv-aanvraag in het kader van de regeling hoogopgeleiden wordt gestreefd naar afhandeling van de aanvraag binnen een termijn van vier weken na voldoening van de leges. Voor de aanvraag om een verblijfsvergunning zal afhandeling binnen zes weken worden na gestreefd.
Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van één jaar na voltooiing van zijn opleiding of studie een baan als kennismigrant te vinden, de werkgever op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) is toegelaten tot de kennismigrantenregeling en de vreemdeling aan het looncriterium voldoet, kan de vreemdeling een aanvraag om wijziging van de beperking in ‘verblijf als kennismigrant’ indienen (zie B15/3 en verder).
### 10.2. Voorwaarden
De verblijfsvergunning kan op aanvraag worden verleend, indien:
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
Als de vreemdeling gedurende het zoekjaar een beroep doet op de algemene middelen kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
### 1. Inleiding
De algemene bepalingen van B1/4, B2/2, B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
### 1. Inleiding
Bij de in 1999 ondertekende Bologna-verklaring hebben de aangesloten Europese landen zich gecommitteerd te komen tot een Europa-breed vergelijkbaar en uitwisselbaar onderwijssysteem. De aangesloten landen hebben hierin vast gelegd dat zij vóór 2010 het Bachelor-Master stelsel invoeren. De achterliggende gedachte is dat het hoger onderwijs op deze manier flexibeler, opener en aantrekkelijker wordt. Gelet hierop zal een vreemdeling die een opleiding heeft voltooid aan een hoger onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring gemakkelijker aansluiting vinden met de Nederlandse arbeidsmarkt.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen drie jaar
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist. Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’. Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ kan, tenzij hierna anders aangegeven, alleen op aanvraag worden verleend.
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
Tenzij:
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
Vreemdelingen die in Nederland zijn afgestudeerd aan een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs met een Master-graad alsmede vreemdelingen die in Nederland gepromoveerd zijn, krijgen binnen de regeling hoogopgeleiden de mogelijkheid om binnen maximaal één jaar (zoekjaar) een functie als kennismigrant te vinden of een innovatief bedrijf te starten.
Hetzelfde geldt voor vreemdelingen die zijn afgestudeerd met een Master-graad of gepromoveerd aan een opleiding die is opgenomen in de top-200 van de meest recent gepubliceerde lijsten van de ‘Times Higher Education World University Rankings’, ‘de QS World University Rankings’ of de ‘Academic Ranking of World Universities’ (ook wel genoemd de Shanghai Jiao Tong ranking).
Daarnaast wordt de vreemdeling die om toelating vraagt in het kader van de regeling hoogopgeleiden getoetst aan de hand van een puntensysteem. Er wordt getoetst op opleiding, op leeftijd en op indicatoren voor het welslagen in Nederland. De vreemdeling dient minimaal 35 punten te halen in het puntensysteem om voor toelating in aanmerking te komen.
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
Deze regeling wijkt op de volgende punten af van het beleid inzake het zoekjaar afgestudeerden (zie B15/10):
### 11.2. Voorwaarden
De verblijfsvergunning kan op aanvraag worden verleend, indien:
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Als de vreemdeling gedurende het zoekjaar hoogopgeleide een beroep doet op de algemene middelen kan dit gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.
De vreemdeling die reeds een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar afgestudeerde’ heeft gehad, kan geen verblijfsvergunning meer krijgen onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
De in Nederland afgestudeerde vreemdeling dient een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs te hebben afgerond met een Master-graad of een Doctor-graad te hebben behaald.
Omdat nog niet alle studenten een geaccrediteerde opleiding met een Master-graad afronden, maar er ook nog studenten afstuderen aan een ongedeelde opleiding, wordt een getuigschrift van een geaccrediteerde ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in [artikel 18:15 WHW](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005682&artikel=18.15), gelijkgesteld met een Master-graad als hier bedoeld.
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
De vreemdeling dient zelf zorg te dragen voor waardering van zijn diploma door de Nuffic. Hiertoe dient hij een gewaarmerkt kopie van zijn diploma en de bijbehorende cijferlijst, zonodig voorzien van een vertaling door een beëdigde vertaler voor waardering aan de Nuffic voor te leggen. De aanvraag dient te worden ingediend bij het Informatiecentrum Diplomawaardering. De Nuffic zal aan de hand van de gewaarmerkte kopieën zomogelijk de authenticiteit van het diploma beoordelen. Betrokkene toont dit aan door overlegging van de schriftelijke diplomawaardering van Nuffic bij de aanvraag bij de IND.
De vreemdeling heeft tot drie jaar na datum afstuderen of promoveren de mogelijkheid van de regeling hoogopgeleiden gebruik te maken.
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
In het puntensysteem kan de vreemdeling maximaal 40 punten behalen.
De vreemdeling heeft minimaal 35 punten nodig om voor verblijf in aanmerking te komen. De onderdelen waarvoor punten kunnen worden toegekend zijn:
### 16. Voortgezet verblijf
Hoe jonger een vreemdeling binnenkomt, hoe langer hij/zij een positieve bijdrage kan leveren aan de welvaartstaat. Een jongere leeftijd betekent doorgaans ook dat de vreemdeling zich snel aan Nederland zal kunnen aanpassen en gemakkelijker een baan zal kunnen vinden. De vreemdeling die tussen de 21 en 40 jaar is, scoort 5 extra punten.
Hieronder wordt verstaan eerder verblijf in Nederland voor arbeid of studie, de Nederlandse of Engelse taal sprekend of opleiding voltooid aan een hoger onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring.
### 16. Voortgezet verblijf
### 3.3. Na verblijf als Amv
Puntensysteem hoogopgeleiden:
Om mogelijke excessieve gebruikmaking van de regeling hoogopgeleiden te kunnen bestrijden kan, na besluitvorming daarover onder verantwoordelijkheid van onze Minister en de Minister van SZW en OCW, besloten worden voor toelating in het kader van de regeling hoogopgeleiden een quotum in te stellen.
### 3.3.1. Algemeen
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Indien sprake is van eerste toelating geldt het algemene middelenvereiste (zie B1/4.3, B2/2.9, B2/4.12 en B2/5.10). Indien sprake is van voortgezet verblijf geldt het volgende. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Voor die afweging van belangen wordt verwezen naar B2/8.5.2.
Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform [bijlage 7f2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7f2) (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
De verblijfsvergunning zoekjaar hoogopgeleide wordt verleend met ingang van de datum aanvraag van de verblijfsvergunning en wordt altijd, ongeacht de datum van afstuderen of promoveren, verleend voor de duur van één jaar.
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ wordt in de hierboven genoemde gevallen ten hoogste verlengd tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
‘Beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner/ouder (naam). Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De vreemdeling hoeft niet direct voorafgaand aan (dat wil zeggen aansluitend op) de aanvraag om wijziging van de beperking in het bezit geweest te zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. Wel dient de aanvraag tijdig ingediend te zijn (zie B1/5.1). Daarnaast is van belang dat de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ altijd volgt op eerder bezit van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. De vreemdeling komt derhalve niet voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1) in aanmerking indien hij na verbreking van de relatie in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder een andere beperking.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode hoogopgeleide’ is van tijdelijke aard en wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
De geldigheidsduur van een TWV verleend in samenhang met een verblijfsvergunning in het kader van de regeling hoogopgeleiden zal gelet hierop in beginsel maximaal een jaar zijn. Aan een langere geldigheidsduur van de TWV kunnen geen verblijfsrechten worden ontleend.
Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van één jaar, na verlening van de verblijfsvergunning, een baan als kennismigrant te vinden bij een werkgever die op grond van een ondertekende verklaring (zie [bijlage 12a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=12a)) is toegelaten tot de kennismigrantenregeling en de vreemdeling aan het looncriterium voldoet, kan de vreemdeling een aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning in ‘verblijf als kennismigrant’ indienen (zie B15/3 en verder). Voor de hoogopgeleiden wordt aangesloten bij het looncriterium voor in Nederland afgestudeerde vreemdelingen die in aansluiting op hun studie dan wel gedurende het zoekjaar, werk als kennismigrant vinden.
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
Voor de verlening van deze verblijfsvergunning is niet noodzakelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken.
Zie voor het beleid inzake de uitgeprocedeerde begeleide vreemdeling die nog minderjarig is B14/2.10.3.2.
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
Ingevolge [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan, onder bepaalde voorwaarden, aan de volgende categorieën vreemdelingen een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend:
### 3.5. Verblijf als gezinslid bij een houder van een Europese blauwe kaart
Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van [artikel 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) of [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), wordt de verblijfsvergunning niet verleend. Artikel 3.51 Vb geeft geen verplichting, maar een bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. In B16 wordt uiteengezet onder welke voorwaarden van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt en de verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf kan worden verleend. Deze voorwaarden hebben het karakter van beleidsregels.
Indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, is [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) van belang (zie B16/7) Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) of [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. In B16/4 wordt het beleid voor de volgende gevallen nader uitgewerkt:
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ kan, tenzij hierna anders aangegeven, alleen op aanvraag worden verleend.
Naast de beleidsregels in B16 zijn, tenzij hieronder anders is aangegeven, ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing. Verwezen wordt naar B1/4. Voor wat betreft de aanvraag zijn tevens de algemene bepalingen van B1/5 en B1/9 van toepassing.
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
Voorts bevat [artikel 3.51, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) een bijzondere regeling voor het voortgezet verblijf van de Turkse onderdaan wiens huwelijk na drie jaar is ontbonden of ontwricht en die op grond van dit huwelijk één jaar rechtmatig verblijf heeft gehad.
Indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen drie jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen drie jaar
Tenzij:
### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen
### 5. Looncriterium
### 1. Inleiding
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
### 9.1. Werkloosheid
### 5.2. Zelfstandige, voldoende en duurzame middelen
### 10. Studenten die hun opleiding in Nederland hebben voltooid
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.2. Na medische behandeling
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam)’. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 8.2. Zoekperiode
### 11. Regeling hoogopgeleiden
### 11.1. Zoekjaar
### 11.1. Zoekjaar
In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan.
Indien de vreemdeling gebruik wil maken van het zoekjaar, dient hij een aanvraag tot wijziging van de beperking in door middel van een aanvraagformulier (zie [bijlage 13 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=13)) dat te verkrijgen is bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Deze aanvraag dient bij één van de loketten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst te worden ingediend.
### 16. Voortgezet verblijf
Indien sprake is van eerste toelating geldt het algemene middelenvereiste (zie B1/4.3, B2/2.10, B2/4.11 en B2/5.10). Indien sprake is van voortgezet verblijf geldt het volgende. Als de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan worden afgewezen, omdat het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijft niet meer duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, wordt bezien of de gevolgen voor de vreemdeling niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het middelenvereiste te dienen doelen. Omtrent die afweging van belangen wordt verwezen naar B2/9.5.2.
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar afgestudeerde’.
### 2. Na verblijf als minderjarige
### 10.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Voor de mvv-aanvraag in het kader van de regeling hoogopgeleiden wordt gestreefd naar afhandeling van de aanvraag binnen een termijn van vier weken na voldoening van de leges. Voor de aanvraag om een verblijfsvergunning zal afhandeling binnen zes weken worden na gestreefd.
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode hoogopgeleide’ is van tijdelijke aard en wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende duurzame middelen van bestaan, mits geen beroep wordt gedaan op de publieke middelen.
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 1. Inleiding
Onze Minister beoordeelt door middel van het puntensysteem of de vreemdeling in aanmerking komt voor het zoekjaar hoogopgeleiden.
### 3.2. Na medische behandeling
De afgestudeerde of gepromoveerde aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling of een buitenlandse topuniversiteit krijgt maximaal 30 punten.
### 2. Na verblijf als minderjarige
Een eerdere ervaring met Nederland of het spreken van de Nederlandse taal (Nederlands als tweede taal op niveau A2) of in elk geval de Engelse taal (op International English Language Testing System niveau 6) of een Bachelor-, Master-graad of een Doctor-graad, behaald aan een onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring kan rekenen op extra punten.
Bij de in 1999 ondertekende Bologna-verklaring hebben de aangesloten Europese landen zich gecommitteerd te komen tot een Europa-breed vergelijkbaar en uitwisselbaar onderwijssysteem. De aangesloten landen hebben hierin vast gelegd dat zij vóór 2010 het Bachelor-Master stelsel invoeren. De achterliggende gedachte is dat het hoger onderwijs op deze manier flexibeler, opener en aantrekkelijker wordt. Gelet hierop zal een vreemdeling die een opleiding heeft voltooid aan een hoger onderwijsinstelling in een land aangesloten bij de Bologna-verklaring gemakkelijker aansluiting vinden met de Nederlandse arbeidsmarkt.
### 3.3.1. Algemeen
De opsomming van de genoemde bewijsstukken is indicatief en niet uitputtend bedoeld. Vreemdelingen die zijn afgestudeerd aan een hoger onderwijsinstelling gevestigd in een Engelstalig land, zullen geen verklaring van een taalinstituut hoeven te overleggen.
### 2. Na verblijf als minderjarige
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
Indien de vreemdeling erin slaagt binnen de periode van één jaar een innovatief bedrijf te starten en daarmee voldoet aan de toelatingsvoorwaarden voor verblijf als zelfstandige (zie B5/7), kan de vreemdeling een aanvraag om wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning in ‘verblijf voor arbeid als zelfstandige’ indienen.
[Artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) bevat een bijzondere regeling voor het voortgezet verblijf van de vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging met een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Artikel 3.50 Vb bevat algemeen verbindende voorschriften. Indien aan de voorwaarden van artikel 3.50 Vb wordt voldaan, moet de verblijfsvergunning worden verleend (zie B16/2).
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
Ingevolge [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) wordt de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Reden hiervoor is dat het kind van de houder van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel, dat niet zelf in aanmerking is gekomen voor een verblijfsvergunning asiel, maar wel voor een verblijfsvergunning regulier, niet reeds na een jaar in een betere positie komt te verkeren dan de houder van de verblijfsvergunning asiel bij wie het verblijft. Ook komt dit kind niet in een betere positie te verkeren dan waarin het zou hebben verkeerd, indien wel zou zijn voldaan aan de voorwaarden (van [artikel 29, eerste lid, onder e, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29)) voor de verlening van de asielvergunning.
Ingevolge [artikel 3.50, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) wordt de verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf aan de minderjarige vreemdeling verleend indien een van de ouders in Nederland is gevestigd en de Nederlandse nationaliteit heeft, tenzij de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen zouden hebben geleid, of de vreemdeling het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
Voor de verlening van de verblijfsvergunning is het niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken. Ook indien het kind nog feitelijk bij de ouder(s) woont, kan de zelfstandige verblijfsvergunning worden verleend, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Wel moet daartoe een aanvraag worden ingediend.
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 3.2.3. Briefadres
De verblijfsvergunning aan echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd)partner/ouder (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’. De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De vreemdeling die in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning als kennismigrant hoeft geen wijziging van de beperking aan te vragen als hij van werkgever verandert mits nog steeds aan de voorwaarden voor verblijf als kennismigrant wordt voldaan.
Vreemdelingen die in Nederland zijn afgestudeerd aan een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs met een Master-graad alsmede vreemdelingen die in Nederland gepromoveerd zijn, krijgen binnen de regeling hoogopgeleiden de mogelijkheid om binnen maximaal één jaar (zoekjaar) een functie als kennismigrant te vinden of een innovatief bedrijf te starten.
### 11. Regeling hoogopgeleiden
### 9.1. Werkloosheid
### 3.3. Arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekperiode afgestudeerde’ is van tijdelijke aard en wordt verleend voor ten hoogste één jaar. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan derhalve niet worden verlengd.
### 11. Regeling hoogopgeleiden
### 10.4. Verlenging en zoekperiode
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 3.3. Na verblijf als Amv
De algemene bepalingen van B1/4, B2/2, B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Indien aan de voorwaarden van het bepaalde in dit hoofdstuk wordt voldaan, wordt aan de vreemdeling op grond van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf gedurende zoekjaar hoogopgeleide’.
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
### 16. Voortgezet verblijf
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
[Artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) geeft het kader waarbinnen aan deze vreemdeling een verblijfsvergunning kan worden verleend. Dit artikel bevat algemeen verbindende voorschriften.
### 4.1. Inleiding
Voor Turkse onderdanen die toegang hebben tot de Nederlandse arbeidsmarkt en diens gezinsleden geldt dat de in [artikel 3.51, eerste lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) genoemde periode van vijf jaar niet van toepassing is. Voor hen geldt dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf indien:
### 3.3.1. Algemeen
Onder persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht wordt in dit kader niet verstaan de houder van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, bedoeld in [artikel 28 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=28).
Ook de vreemdeling die in het jaar na zijn verblijfsaanvaarding meerderjarig is geworden, komt in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning.
### 8. Geldigheid en rechtspositie
Daarnaast kan als uitwerking van de onder d en f genoemde factoren gedacht worden aan:
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
Indien betrokkene vóór 4 januari 2001 (ingangsdatum huidige beleid) achttien jaar oud is geworden, en hij op grond van het toenmalig geldende beleid inzake Amv’s in aanmerking komt voor verblijf, dient voor de periode tot en met 3 januari 2001 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ te worden verleend. Vanaf 4 januari 2001 komt betrokkene op grond van [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
### 1. Inleiding
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
### 3.3.3. Begeleide minderjarige vreemdelingen
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien de hoofdpersoon zelf verblijfsrecht van tijdelijk aard heeft. Dat is bijvoorbeeld het geval indien deze een verblijfsvergunning voor studie of medische behandeling heeft. Zie [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5). De verblijfsvergunning wordt evenmin verleend indien de hoofdpersoon houder is van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daarmee wordt voorkomen dat de vreemdeling met een verblijfsrecht dat afhankelijk is van een andere vreemdeling die zelf verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft, na ommekomst van vijf jaren een sterker verblijfsrecht kan verkrijgen dan degene bij wie verblijf was toegestaan.
Indien de vreemdeling aanvankelijk houder was van een verblijfsvergunning op grond van een relatie, en aansluitend houder was van een verblijfsvergunning op grond van een huwelijk of geregistreerd partnerschap met dezelfde hoofdpersoon, wordt de duur van deze perioden opgeteld.
De vreemdeling hoeft niet direct voorafgaand aan (dat wil zeggen aansluitend op) de aanvraag om wijziging van de beperking in het bezit geweest te zijn van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. Wel dient de aanvraag tijdig ingediend te zijn (zie B1/5.1). Daarnaast is van belang dat de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ altijd volgt op eerder bezit van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of -vorming. De vreemdeling komt derhalve niet voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1) in aanmerking indien hij na verbreking van de relatie in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder een andere beperking.
Zie B1/4.7.2 en verder voor de uitwerking van dit vereiste.
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
De verblijfsvergunning wordt op aanvraag verleend, indien:
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
Voor de verlening van deze verblijfsvergunning is niet noodzakelijk dat de feitelijke gezinsband is verbroken.
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
### 2.2. Middelen van bestaan
De verblijfsvergunning wordt niet verleend indien:
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling:
Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de familierelatie, wordt aangetoond door:
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de medische behandeling naar het oordeel van de Minister nog voor ten minste één jaar noodzakelijk zal zijn. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
Voorts moet de vreemdeling, op het moment waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt ingediend, nog steeds aan alle voorwaarden genoemd in B8/2.1 Vc voldoen.
### 3.6.2. Na het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst
Indien de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’ is verleend nadat ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in [artikel 64 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=64), of nadat de vreemdeling ten minste een jaar direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ telt deze laatst genoemde periode van ten minste een jaar mee voor de periode van drie jaar die nodig is om aanspraak te maken op een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. In deze situatie kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) onder meetelling van de periode als hiervoor beschreven na drie jaar een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voorgezet verblijf’, indien de vreemdeling nog steeds aan de voorwaarden voldoet op grond waarvan de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verlengd.
### 3.3. Na verblijf als Amv
Indien de Amv niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. Hierin voorziet [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
### 4.6. Amv
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan aan een Amv op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend, indien:
De peildatum voor de vraag of de vreemdeling aan deze voorwaarden voldoet, ligt, gezien de bewoordingen van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), op de laatste dag van geldigheid van de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als Amv’.
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
Amv’s die in afwachting zijn van een beslissing op de aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden in het bezit gesteld van het verblijfsdocument conform [bijlage 7f2 VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7f2) (W2-document), voor zover zij niet reeds in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.
### 4.6. Amv
De verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ wordt in de hierboven genoemde gevallen ten hoogste verlengd tot de dag waarop de vreemdeling meerderjarig wordt.
Als uitwerking van de onder a, b en c genoemde factoren kan gedacht worden aan:
### 4.9. Slachtoffer van geweld
Indien betrokkene vóór 4 januari 2001 (ingangsdatum huidige beleid) achttien jaar oud is geworden, en hij op grond van het toenmalig geldende beleid inzake Amv’s in aanmerking komt voor verblijf, dient voor de periode tot en met 3 januari 2001 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ te worden verleend. Vanaf 4 januari 2001 komt betrokkene op grond van [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4) in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
Indien betrokkene op of na 4 januari 2001 achttien jaar oud is geworden, wordt aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ verleend tot de datum waarop hij achttien jaar oud wordt. Vanaf de datum waarop betrokkene achttien jaar oud wordt, komt hij in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 9.4 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=9.4).
### 5.1. Inleiding
Aan deze factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (genoemd onder a tot en met d en f) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van:
De ABRvS heeft in haar uitspraak van 14 mei 2003 (20031352/1) geoordeeld dat de beslissing van destijds, om aan een minderjarige vreemdeling de verblijfsvergunning te weigeren omdat hij begeleid was, niet in overeenstemming is met de [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823). Daarom is de volgende voorziening getroffen voor hen die voor hun achttiende verjaardag een tweede aanvraag indienen.
### 4.9. Slachtoffer van geweld
### 1. Inleiding
Zie voor het beleid inzake de uitgeprocedeerde begeleide vreemdeling die nog minderjarig is B14/2.10.3.2.
Zie voor het beleid inzake uitgeprocedeerde vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden B14/2.10.3.3 en B16/4.7.
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
Hierbij zijn de bepalingen ten aanzien van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie (zie B16/4.2) van overeenkomstige toepassing. In verband met de leeftijd van de vreemdeling is hiervoor niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
Op grond van [artikel 3.51, zesde lid, onder a en b, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) komen de gezinsleden van de houder van de Europese blauwe kaart in aanmerking voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf als:
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van verruimde gezinshereniging of het ouderenbeleid, zoals dat gold voor 1 oktober 2012, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
### 5. Geldigheid en rechtspositie
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie heeft geleid tot verbreking van de familierelatie, wordt hieraan in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de familierelatie heeft besloten. Dit betekent dat, indien het ondervonden geweld binnen de familie is aangetoond, de vreemdeling in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
Ingevolge [artikel 3.31b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.31b) wordt de verblijfsvergunning op aanvraag verleend aan de vreemdeling:
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard (zie B2/10).
Ingevolge [artikel 3.51, zevende lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan de verblijfsvergunning onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst’ worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf, indien de vreemdeling uiterlijk op het moment waarop de geldigheidsduur verstrijkt, voor nog een jaar beschikt over een arbeidsplaats waarmee hij zelfstandig en duurzaam voldoende middelen van bestaan zoals bedoeld in de [artikelen 3.73 tot en met 3.75 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.73) verwerft.
Hetgeen onder paragraaf B16/3.2 , ‘**Meetellen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j van de Vw**’ is opgenomen is hier ook van toepassing.
Indien de eerdere verblijfsvergunning was verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Deze arbeidsmarktaantekening geldt ook voor het gezinslid aan wie eerder een verblijfsvergunning was verleend voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. In de overige gevallen luidt de arbeidsmarktaantekening: arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Indien de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.50](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) of [3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) (zie B16/2 tot en met B16/6), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan (zie [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52)). In individuele gevallen, waarin niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf wordt voldaan, wordt altijd bezien of het voortgezet verblijf moet worden aanvaard op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen vijf jaar
Indien de (huwelijks)relatie op grond waarvan het verblijf was toegestaan binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding en anders dan door overlijden, is verbroken, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
Klemmende redenen van humanitaire aard kunnen zijn gelegen in:
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met ter zake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met ter zake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
Als uitwerking van de onder a, b en c genoemde factoren kan gedacht worden aan:
Aan de hand van de door de vreemdeling overgelegde informatie omtrent factoren a, b en c kan de IND zonodig een individueel ambtsbericht opvragen bij het Ministerie van BuZa.
Van belang is de mate van worteling in de Nederlandse samenleving en de mogelijkheid om het familie- en gezinsleven elders voort te zetten.
Daarnaast kan als uitwerking van de onder d en f genoemde factoren gedacht worden aan:
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
Aan deze factor wordt in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Dit betekent dat naast deze factor niet aan één van de andere factoren (genoemd onder a tot en met d en f) dient te worden getoetst. Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie, wordt aangetoond aan de hand van:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van huiselijk geweld, dat geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
### 2.1.1. Erkenning van de onderzoeksinstelling
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van huiselijk geweld, dat geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
### 1.2. Afgifte mvv
### 1.2. Afgifte mvv
### 1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
### 1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
Het verzoek om als convenanthouder te worden toegelaten tot de verkorte mvv-procedure en alle verzoeken om advies die via de verkorte mvv-procedure worden ingediend, moeten worden gericht aan de IND.
### 1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven
### 1.5.2.1. Toelating
### 1.5.1.4. Voorwaarden voor au-pairbureaus
### 1.5.2.1. Toelating
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
In afwijking van het vorenstaande is voor een au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin het convenant geldig gedurende zes maanden vanaf de datum waarop het convenant door beide partijen is ondertekend.
Wanneer andere sectoren dan hiervoor onder b. genoemd worden aangewezen, zal dit per Wijzigingsbesluit Vc worden bekendgemaakt. Bij twijfel of een bepaalde functie binnen één van de genoemde categorieën valt, dient contact te worden opgenomen met de Afdeling Juridische Zaken van Arbeidsbureau Nederland.
### 1.5.3.1. Beslissing
Gelet op hetgeen in B1/2.1 is vermeld (er moet op de aanvraag worden beslist zoals deze is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan waarom is gevraagd), is in gevallen waarin de vreemdeling een ander verblijfsdoel nastreeft dan waarvoor hij verblijf heeft gevraagd, geen ruimte om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen voor een ander doel dan waarom is gevraagd. Een uitzondering hierop geldt voor de verblijfsvergunningen als bedoeld in [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) en [artikel 3.17a VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a), die zonder daartoe strekkende aanvraag kunnen worden verleend.
### 1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning
### 2.1. Beperking
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.6.1. Tot het stellen van zekerheid
### 5.1.2. Bewijsmiddelen looncriterium
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van kennismigranten die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als kennismigrant.
### 9.2. Ziekte en arbeidsongeschiktheid
### 11.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De in Nederland afgestudeerde vreemdeling dient een geaccrediteerde opleiding, als opgenomen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs te hebben afgerond met een Master-graad of een Doctor-graad te hebben behaald.
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 10.4. Verlenging en zoekperiode
### 16. Voortgezet verblijf
### 3.1.2. Verruimde gezinshereniging of ouderenbeleid
### 3.2. Na medische behandeling
### 3.3. Na verblijf als Amv
### 3.3. Na verblijf als Amv
### 3.3.3. Begeleide minderjarige vreemdelingen
Zie voor het beleid inzake uitgeprocedeerde vreemdelingen die inmiddels meerderjarig zijn geworden B14/2.10.3.3 en B16/4.7.
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
Ingevolge [artikel 3.51, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan de zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf na (verruimde) gezinshereniging of gezinsvorming eveneens worden verleend indien de hoofdpersoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht is overleden en de gezinsband om die reden is verbroken. In deze gevallen wordt in beginsel altijd gebruikgemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen. Als regel levert het overlijden een zodanig schrijnende situatie op dat het voortgezet verblijf van de vreemdeling in Nederland behoort te worden aanvaard (zie artikel 3.51, derde lid, Vb). Daarbij hoeft de aanwezigheid van (andere) klemmende redenen van humanitaire aard niet te worden gesteld of onderzocht. Het vorengaande geldt echter niet indien verblijf is verleend in het kader van het ouderenbeleid (B2/7).
### 4.5. Slachtoffer/getuige-aangever van mensenhandel
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 3.2. Beperking
Indien er sprake is van een te late indiening van de aanvraag om verlenging of de aanvraag om wijziging van de beperking, is het gestelde in B1/5.1 van toepassing.
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
Indien er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag waarbij ambtshalve een vergunning op grond van het beleid inzake Amv’s wordt verleend, geldt het volgende.
### 5. Gezinshereniging
Als er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag en de vreemdeling is inmiddels achttien, dan wordt in deze gevallen de asielaanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. De vreemdeling hoeft deze vergunning dus niet apart aan te vragen.
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
Een Amv, aan wie een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als Amv’ wordt verleend, kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52):
Hierbij gelden de volgende (cumulatieve) voorwaarden:
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
Indien er een beroep wordt gedaan op (seksueel) geweld, zonder dat dit op de voorgaande wijze kan worden aangetoond, kan dit betrokken worden bij de beoordeling of sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die aanleiding geven voortgezet verblijf toe te staan.
Op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) kan aan een vreemdeling aan wie verblijf is verleend omdat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend, indien:
### 4.10. Medische noodsituatie
### 3.5. Verblijf als gezinslid bij een houder van een Europese blauwe kaart
Naar aanleiding van de uitspraak van 9 december 2010 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken Toprak en Oguz (C-300/09 en C-301/09) is het beleid dat tussen 1982 en 2001 gold met betrekking tot voortzetting van het verblijf na verbreking van het huwelijk voor Turkse onderdanen weer ingevoerd. Deze regeling is vastgelegd in [artikel 7.2b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=7.2b).
### 5.1. Overgangsrecht
Indien de eerdere verblijfsvergunning was verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Deze arbeidsmarktaantekening geldt ook voor het gezinslid aan wie eerder een verblijfsvergunning was verleend voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’. In de overige gevallen luidt de arbeidsmarktaantekening: arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 10. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De hiervoor gegeven opsomming is richtinggevend en uitdrukkelijk niet limitatief bedoeld.
### 1. Inleiding
Indien sprake is van in Nederland geboren kinderen, dan wel kinderen met (tevens) de Nederlandse nationaliteit en aannemelijk wordt gemaakt dat deze kinderen niet eenvoudig op te lossen problemen ondervinden bij toegang tot een schoolopleiding wordt aan deze factor in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend.
### 2. Algemene voorwaarden
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist:
### 4.6. Amv
Deze regeling treedt met terugwerkende kracht in werking op 17 oktober 2003. Dit is de datum waarop de brief van de Minister, waarin deze regeling wordt aangekondigd, aan de Tweede Kamer is aangeboden.
### 1.5.2. Toelating tot de verkorte mvv-procedure
Indien aan de in B1/1.5.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, ontvangt het bedrijf/de instelling schriftelijk toestemming om voor de duur van een jaar gebruik te maken van de verkorte mvv- procedure. In afwijking hiervan geldt voor het au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin dat schriftelijke toestemming wordt verleend om voor de duur van zes maanden gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure.
### 1.5.2.1. Toelating
### 1.5.2.2. Geldigheidsduur
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht
### 3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 4.1.1. Vrijstellingen
### 5.3. Gronden intrekking/weigering verlenging
### 6.2. Toezicht op de naleving van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149)
### 2.10.1. Toepasselijkheid van het beleid
### 5.1.3. Loon niet marktconform
### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking
### 8.3. Af- en aanmelding, intrekking
Onze Minister beoordeelt door middel van het puntensysteem of de vreemdeling in aanmerking komt voor het zoekjaar hoogopgeleiden.
### 1. Inleiding
### 16. Voortgezet verblijf
### 11.1. Zoekjaar
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
### 11.2. Voorwaarden
### 3.2. Na medische behandeling
### 3.1. Na verblijf in het kader van gezinshereniging of -vorming
### 2. Na verblijf als minderjarige
De verblijfsvergunning wordt op aanvraag verleend indien:
Voor de verlening van deze verblijfsvergunning is niet noodzakelijk dat de (huwelijks)relatie is ontwricht of ontbonden.
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 3.4. Na verblijf op grond van het buitenschuldcriterium
### 3.6. Turkse onderdanen
### 3.2. Na medische behandeling
### 4.4. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling
### 4.1. Inleiding
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met verblijf als Amv kan op aanvraag worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdend met voortgezet verblijf.
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
### 3.6.1. Na verbreking van het huwelijk
### 3.6.2. Na het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst
### 4.1. Inleiding
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
Bij de beoordeling wordt in voorkomende gevallen rekening gehouden met de situatie van vreemdelingen en hun eventuele kinderen, die tegen hun wil en zonder identiteits- en verblijfsdocumenten in het land van herkomst zijn achtergelaten (zie ten aanzien hiervan tevens B1/5.1, B1/5.3.2, en B16/7).
### 2. Algemene voorwaarden
Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten.
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld of van een medische of psychische beperking, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces, geen sprake meer, dan kan de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend als er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2 en B16/4.5).
Onder de in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50) (zie B16/2) genoemde voorwaarden komt een als minderjarige in het kader van gezinshereniging toegelaten vreemdeling, ook indien de gezinsband niet is verbroken, na een jaar in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voorgezet verblijf. Echter, indien de minderjarige of diens wettelijk vertegenwoordiger, een aanvraag om voortgezet verblijf indient en op grond van artikel 3.50 Vb niet in aanmerking komt voor verlening van een zelfstandige verblijfsvergunning, dient beoordeeld te worden of betrokkene op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
### 4.10. Medische noodsituatie
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'voorgezet verblijf', indien de medische noodsituatie naar het oordeel van de Minister nog ten minste één jaar zal duren. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
### 4.9. Slachtoffer van geweld
De vreemdeling die zich hierop beroept, geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot aanvaarding van zijn voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt zijn beroep met terzake relevante gegevens en bescheiden. Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven dat er sprake is van een dergelijke combinatie van factoren, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Indien het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de staat.
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie heeft geleid tot verbreking van de familierelatie, wordt hieraan in de belangenafweging een zwaar gewicht toegekend. Hierbij is niet van belang wie tot verbreking van de familierelatie heeft besloten. Dit betekent dat, indien het ondervonden geweld binnen de familie is aangetoond, de vreemdeling in aanmerking komt voor voortgezet verblijf.
Geweld, waaronder seksueel geweld, dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de familierelatie, wordt aangetoond door:
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat betrokkene aangifte van (seksueel) geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een verklaring van het OM dan wel van de politie. Ook in dat geval is een verklaring van een (vertrouwens)arts of andere hulpverlener vereist.
### 4.4. Gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning onder de beperking voor het ondergaan van medische behandeling
Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij een houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘medische behandeling’ kunnen op grond van [artikel 3.51, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Dit is slechts van toepassing als aan alle onderstaande genoemde voorwaarden wordt voldaan:
Hetgeen onder paragraaf B16/3.2 , ‘**Meetellen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder j van de Vw**’ is opgenomen is hier ook van toepassing.
### 4.5. Slachtoffer/getuige-aangever van mensenhandel
Het slachtoffer dat drie jaar op basis van een verblijfsvergunning op grond van B9 in Nederland verblijft, kan ook indien er nog een strafzaak loopt voortgezet verblijf aanvragen. In die gevallen kan de aanvraag, mits zich verder geen algemene weigeringsgrond voordoet, in ieder geval worden ingewilligd.
Een verzoek tot het verlenen van een mvv in de verkorte procedure zal bij inwilliging leiden tot afgifte van een D-visum. Met dit D-visum mag de vreemdeling in een periode van drie maanden binnen zes maanden op het grondgebied van de lidstaten circuleren.
### 1.5.1.4. Voorwaarden voor au-pairbureaus
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 2.1. Beperking
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.3. Arbeidsmarktaantekening
### 2.6. Voorschriften
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 4.3.3. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
### 10.1. Zoekjaar
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
### 11.5. Verlenging en zoekperiode
### 3.3.2. Bijzonder overgangsrecht voor achttienjarigen
### 3.6. Turkse onderdanen
### 3. Na drie jaar verblijf onder bepaalde beperkingen
Indien er sprake is van een eerste beslissing op de asielaanvraag waarbij ambtshalve een vergunning op grond van het beleid inzake Amv’s wordt verleend, geldt het volgende.
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 1.1. Procedureel
### 2.2. Middelen van bestaan
Indien er een beroep wordt gedaan op (seksueel) geweld, zonder dat dit op de voorgaande wijze kan worden aangetoond, kan dit betrokken worden bij de beoordeling of sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die aanleiding geven voortgezet verblijf toe te staan.
### 2. Algemene voorwaarden
Hierbij zijn de bepalingen ten aanzien van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie (zie B16/4.2) van overeenkomstige toepassing. In verband met de leeftijd van de vreemdeling is hiervoor niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
### 5.1.1. Bestanddelen bruto jaarloon
De in het buitenland afgestudeerde vreemdeling dient een opleiding te hebben afgerond met een Master-graad of een Doctor of Philosophy-graad of equivalent daarvan aan een onderwijsinstelling die voorkomt in de top-200 van de meest recent gepubliceerde lijsten van de ‘Times Higher Education World University Rankings’, ‘de QS World University Rankings’ of de ‘Academic Ranking of World Universities’ (ook wel genoemd de Shanghai Jiao Tong ranking).
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
### 1. Inleiding
### 3.3.1. Algemeen
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
### 3.1.3. Overlijden van de hoofdpersoon
### 3.3.3. Begeleide minderjarige vreemdelingen
### 9. Internationale verplichtingen
### 4.9. Slachtoffer van geweld
### 4.2.1. Minderjarigen en ondervonden (seksueel) geweld
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard (zie B2/10).
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
Indien de Amv niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51), kan op grond van klemmende redenen van humanitaire aard voortgezet verblijf worden toegestaan. Hierin voorziet [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
Bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) kunnen indien het om een Amv gaat worden aangenomen, indien:
Van de bevoegdheid om de vergunning in een dergelijk geval aldus te wijzigen zal geen gebruik worden gemaakt indien er een of meer van de algemene gronden voor weigering van toepassing zijn.
### 8. Geldigheid en rechtspositie
Het betreft hier met name vreemdelingen van wie de verblijfsvergunning asiel is ingetrokken, dan wel niet is verlengd, en aan wie vervolgens een verblijfsvergunning is verleend op grond van het bijzondere beleid inzake Amv’s. Indien deze vreemdelingen op het moment dat zij meerderjarig worden meer dan drie jaar op grond van een verblijfsvergunning in Nederland verblijven, maar nog geen drie jaar in het bezit zijn van laatstgenoemde verblijfsvergunning, kunnen zij niet op grond van [artikel 3.51 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.51) in aanmerking komen voor voortgezet verblijf. Van deze vreemdelingen kan, in de geest van het bijzondere beleid inzake Amv’s, echter niet gevergd worden dat zij na meer dan drie jaar verblijf in Nederland op grond van een verblijfsvergunning Nederland alsnog verlaten. Daarom kan in deze zaken [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) worden toegepast.
De verblijfsvergunning wordt niet verleend aan de ongehuwde partner of het kind van die partner, indien de relatie van die partner met de langdurig ingezetene niet duurzaam is of niet naar behoren is geattesteerd.
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
Een bijzondere categorie verblijfsvergunningen in verband met voortgezet verblijf wordt gevormd door de vergunningen die worden verleend op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823).
Op grond van [artikel 3.6 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) en [artikel 17a, onder b, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a) wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘afwikkeling nalatenschap oude [Vreemdelingenwet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)’ ambtshalve verleend (zie B14/5.4).
In verband met het bijzondere karakter van de regeling is besloten dat aan de houder van een verblijfsvergunning onder deze beperking ten tijde van de eerste verlenging een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt verleend op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52). Dit houdt in dat de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ – behoudens contra-indicaties – na één jaar ambtshalve wordt gewijzigd in een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf na verblijf op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ op grond van de [artikelen 3.6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.6) en 3.52 Vb en [artikel 3.17a, onder c, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.17a).
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling:
### 4.9. Slachtoffer van geweld
Een vreemdeling kan een aanvraag indienen om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52):
In bovengenoemde gevallen wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ verleend als aangetoond wordt dat de dreiging op grond waarvan de vergunning is verleend voortduurt.
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
Is van een voortduring van (de dreiging van) het geweld of van een medische of psychische beperking, waardoor het slachtoffer geen medewerking kan verlenen aan het strafproces, geen sprake meer, dan kan de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ worden verleend als er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2 en B16/4.5).
### 11.3. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 4.3. Verruimde gezinshereniging en ouderenbeleid
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan
### 5. Looncriterium
### 10.2. Voorwaarden
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 11.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 4.6. Amv
### 4.8. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude [Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823)
### 4.4.2. Procedurele aspecten
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 4. Bijzondere individuele omstandigheden
### 3.1.1. Na (huwelijks)relatie
### 8.2. Zoekperiode
### 10.2. Voorwaarden
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 1.5.3.2. Onvolledig verzoek om advies
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 2.6. Voorschriften
### 3.3.1. Algemeen
### 3.6. Turkse onderdanen
### 1. Inleiding
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Indien binnen vijf jaar na verblijfsaanvaarding niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden van verruimde gezinshereniging of het ouderenbeleid, zoals dat gold voor 1 oktober 2012, wordt voortgezet verblijf toegestaan, indien er sprake is van een combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard die daartoe aanleiding geven. De beoordeling of in het concrete geval op grond van een dergelijke combinatie van klemmende redenen van humanitaire aard in het voortgezet verblijf van de vreemdeling behoort te worden berust, is aan de Minister.
### 5. Geldigheid en rechtspositie
### 3.1. Middelen van bestaan
Voor wat betreft de geldigheidsduur zie [artikel 3.64 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.64) en B1/3.
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de aanvraag niet afgewezen op grond van het feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.
In deze paragraaf worden de algemene voorwaarden behandeld voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de houder van een, door een andere lidstaat afgegeven, EG-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene.
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
De vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en diens gezinslid zoals genoemd in B17/5 komt een vrije termijn toe van drie maanden (zie [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) en [A2/4.4.7](onbekend)).
In afwijking van B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning ook verleend indien de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
### 4.10. Medische noodsituatie
Na drie jaar verblijf als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf vanwege medische noodsituatie' kan de vreemdeling op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52) een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'voorgezet verblijf', indien de medische noodsituatie naar het oordeel van de Minister nog ten minste één jaar zal duren. De vreemdeling moet gedurende de gehele periode hebben voldaan aan de voorwaarden voor verlenging van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning.
### 4.3. Middelen van bestaan
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
### 6. Internationale verplichtingen
### 4.7. Meerderjarige ex-bama’s
De verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama’ kan ten tijde van de eerste verlenging, indien de houder hiertoe een aanvraag indient, worden gewijzigd in een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ op grond van [artikel 3.52 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.52).
### 8. Geldigheid en rechtspositie
### 2. Algemene voorwaarden
In geval van de slachtoffers van mensenhandel wordt de vergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ ook verleend als uit de medische informatie blijkt dat een fysieke of psychische aandoening het slachtoffer in de weg staat om medewerking te verlenen aan het strafproces. De medische informatie moet afkomstig zijn van een behandelaar die hetzij in het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg hetzij in het register van het Nederlands Instituut van Psychologen is ingeschreven.
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
### 6. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 3. Specifieke voorwaarde en bepalingen economisch niet-actieve
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 1. Inleiding
### 1.1. Procedureel
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
### 6. In kennis stellen eerste lidstaat
Voorts moet de vreemdeling, op het moment waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ wordt ingediend, nog steeds aan alle voorwaarden voldoen op grond waarvan de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verlengd.
### 4.2. (Huwelijks)relatie verbroken binnen vijf jaar
### 4.2. Voorschrift
### 9. Internationale verplichtingen
In afwijking van B1/4.2 en B1/4.3 wordt de verblijfsvergunning niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling niet (meer) beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.
De aard van de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ brengt verder met zich dat de verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken, en de aanvraag tot verlenging niet wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet langer voldoet aan de voorwaarden van het bijzonder beleid op grond waarvan eerder verblijf was toegestaan.
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
### 6. In kennis stellen eerste lidstaat
Indien de houder van EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven, na vijf jaar de status van langdurig ingezetene in Nederland heeft verkregen (zie B1/6) dient de eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) en B1/9.7.7.4);
### 6. Internationale verplichtingen
Een aantal internationale verdragen, waarbij Nederland is aangesloten, kan gevolgen hebben voor het voortgezet verblijf van een vreemdeling in Nederland. Zie hiervoor B10 en B11. Indien de inmenging in het privé- en gezinsleven niet op grond van het tweede lid van artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd, is verblijfsbeëindiging niet aan de orde en kan voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM worden aanvaard (zie B2/10).
De economisch niet-actieve langdurig ingezetene dient duurzaam en zelfstandig over de middelen van bestaan te beschikken. De bron waaruit deze middelen komen (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, etcetera) is niet van belang, mits de langdurig ingezetene de vrije beschikking heeft over vaste en regelmatige inkomsten, of het recht op (periodieke) uitkering ervan, die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste zoals dat reeds bij aanvragen om gezinshereniging, niet zijnde gezinsvorming wordt gehanteerd. Voor wat betreft de wijze waarop de inkomsten dienen te worden aangetoond wordt verwezen naar B1/4.3.1.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.
Indien de eerdere verblijfsvergunning was verleend onder de beperking ‘medische behandeling’ of ‘verblijf vanwege medische noodsituatie’ luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. In de overige gevallen luidt de arbeidsmarktaantekening: arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
### 3.3. Arbeidsmarktaantekening
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
De toelatingsaanvragen kunnen worden ingediend door de onderzoekers, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstellingen (zie artikel 14 Richtlijn 2005/71). Erkende onderzoeksinstellingen kunnen gebruik maken van een versnelde toelatingsprocedure.
### 9. Internationale verplichtingen
Erkende onderzoeksinstellingen komen in aanmerking voor de versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 1. Inleiding
In deze paragraaf worden de algemene voorwaarden behandeld voor de verlening van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan de houder van een, door een andere lidstaat afgegeven, EG-verblijfsvergunning als langdurig ingezetene.
De houder van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen (zie B1/6.1) die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven heeft het recht om onder bepaalde voorwaarden, gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in Nederland (de tweede lidstaat) als werknemer of als zelfstandige, om een studie of beroepsopleiding te volgen, of om andere redenen, bijvoorbeeld als economisch niet-actieve.Hij kan hiertoe een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aanvragen.
### 4. Overige algemene bepalingen
De in de andere (eerste) lidstaat verkregen status wordt derhalve niet direct omgezet in een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarvoor is vereist dat de langdurig ingezetene uit een andere lidstaat vijf jaar op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland (tweede lidstaat) heeft verbleven en ook aan de overige voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voldoet (zie B1/6).
### 1.1. Procedureel
De vreemdeling die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en diens gezinslid zoals genoemd in B17/5 komt een vrije termijn toe van drie maanden (zie [artikel 3.3, eerste lid, onderdeel d, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.3) en [A2/4.4.7](onbekend)).
### 2.2. Verzoek om advies
Verblijf onder deze beperking wordt slechts verleend aan bovenstaande gezinsleden die reeds in de eerste lidstaat bij de langdurig ingezetene verbleven. Op andere aanvragen, bijvoorbeeld om gezinsvorming, zijn de algemene regels (zie [artikelen 3.13 tot en met 3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) en B2) van toepassing. Ook indien het gezin in de andere lidstaat nog niet was gevormd zijn de algemene regels van B2 van toepassing.
De algemene voorwaarden waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder daarmee verband houdende beperkingen wordt verleend hebben betrekking op:
De onderzoeksinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
### 2.4. Leges
Indien het een minderjarig kind betreft, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf bij ....(naam ouder(s))’.
De langdurig ingezetene dient bewijzen over te leggen waaruit blijkt dat hij beschikt over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste. (zie B1/4.3).
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
Ingevolge [artikel 3.77, vijfde en zesde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) wordt bij de toepassing van [artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.77) mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk die door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of diens gezinslid uitgaat.
### 5.7. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning van de echtgeno(o)t(e) van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en het minderjarige kind van de echtgeno(o)t(e) of de langdurig ingezetene, wordt op grond van [artikel 3.67, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57), verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de vergunning van de langdurig ingezetene.
De langdurig ingezetene dient een afschrift over te leggen van de aan hem door de andere lidstaat afgeven EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
### 5.8. overige algemene bepalingen
De overige algemene bepalingen van B17/4 zijn van overeenkomstige toepassing
De onderzoeksinstelling neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de onderzoeker(s) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de onderzoeksinstelling zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
Voor de verblijfsvergunning als economisch niet-actieve geldt, in afwijking van het gestelde onder B17/2.2 het volgende.
### 5.7. Geldigheidsduur
Indien de houder van EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven, na vijf jaar de status van langdurig ingezetene in Nederland heeft verkregen (zie B1/6) dient de eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) en B1/9.7.7.4);
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene’.
Indien de autoriteiten van de tweede lidstaat bereid zijn de betrokken vreemdeling tot hun grondgebied toe te laten, kan Nederland volstaan met de minder ingrijpende maatregel van intrekking van de (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met toepassing van de waarborgen van artikel 17 van richtlijn 2003/109 en met verwijdering van de vreemdeling naar die (eerste) lidstaat in plaats van het land van herkomst. Vorenstaande laat onverlet dat de eerste lidstaat, ook na terugname, kan besluiten de vreemdeling alsnog te verwijderen naar het land van herkomst (na de status van langdurig ingezetene te hebben ingetrokken).
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
### 6. Internationale verplichtingen
### 5.1. Overgangsrecht
### 5.4. Middelen van bestaan
Dit laat echter onverlet dat onder toepassing van [artikel 18, eerste lid, onder c, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning kan worden afgewezen als blijkt dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt of gegevens heeft achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag zouden hebben geleid. Op grond van [artikel 19 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=19) kan de vergunning om dezelfde reden worden ingetrokken.
Voor wat betreft de geldigheidsduur zie [artikel 3.64 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.64) en B1/3.
De Minister kan (als tweede lidstaat) om ernstige redenen in verband met de openbare orde of de nationale veiligheid besluiten om de vreemdeling die houder is van een EG-status als langdurig ingezetene, die is afgegeven door een andere EU-lidstaat, uit te zetten naar een staat buiten het grondgebied van de EU. Van zodanige redenen is sprake indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt (zie [artikel 22 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) en B1/8.3). Hiertoe moet de Minister ingevolge [artikel 3.103a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) de autoriteiten van de eerste lidstaat raadplegen. Indien de Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, wordt alle noodzakelijke informatie met betrekking tot de uitzetting aan de betreffende lidstaat verstrekt zodat de eerste lidstaat de status van langdurig ingezetene kan intrekken of de vreemdeling terugneemt.
### 3.2. Beperking
De verblijfsvergunning bedoeld in paragraaf B16/3.5.1 wordt verleend onder de beperking ‘het zoeken en verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst’. De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
Toelating in het kader van onderzoek kan ingevolge de richtlijn alleen plaatsvinden bij vooraf erkende onderzoeksinstellingen. Dit vereiste wordt gesteld om de kwaliteit van de ontvangende onderzoeksinstellingen te waarborgen. Een onderzoeksinstelling in de zin van de richtlijn kan zowel publiek als particulier zijn.
Erkende onderzoeksinstellingen komen in aanmerking voor de versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
### 2.1.1. Erkenning van de onderzoeksinstelling
Voor de behandeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid zoals genoemd in B17/3, geldt een afwijkende beslistermijn van vier maanden (zie [artikel 25, vierde lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) en B1/9.7.3)
### 2.1. Geldig document voor grensoverschrijding
Indien de aanvraag plaatsvindt terwijl de langdurig ingezetene zich nog in een andere lidstaat bevindt (onverplichte aanvraag mvv), kan worden volstaan met overlegging van een afschrift van het geldige reisdocument, opdat nog in het bezit van het originele reisdocument kan worden gereisd. Er wordt daarbij niet verlangd dat de over te leggen afschriften gewaarmerkt zijn. De verificatie van het reisdocument vindt immers plaats bij gelegenheid van de indiening van de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning (zie B1/4.2).
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
### 3.1. Middelen van bestaan
### 6.1. Contactpunt IND
In de in deze paragraaf genoemde gevallen zal het koppelingsbureau van de IND fungeren als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
Het onderzoeksproject dient door de instelling te worden goedgekeurd, waarbij getoetst wordt aan het doel en de duur van het onderzoek inclusief de benodigde financiële middelen.
### 4.2. Voorschrift
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 5. Gezinshereniging
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
Ingevolge [3.23a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23a) wordt, aan de echtgenoot of de geregistreerde partner van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en het minderjarige kind van die echtgenoot, geregistreerd partner of langdurig ingezetene (zie artikel 3.23a, eerste lid, Vb) onder bepaalde voorwaarden verblijf verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging. Deze voorwaarden houden verband met:
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
In afwijking van B1/4.3.1 worden inkomsten uit arbeid, waarbij de vreemdelingen de arbeid (gewoonlijk) buiten Nederland verricht, eveneens meegeteld, voor zover de op grond van de toepasselijke wetgeving vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Inkomsten uit arbeid in loondienst worden in geval van buitenlandse dienstbetrekkingen aangetoond met een verklaring van de werkgever waaruit de duur van de dienstbetrekking en de hoogte van het salaris blijkt. Een afschrift van de door de uitvoeringstelling gewaarmerkte aanmelding van de arbeidsovereenkomst hoeft in een dergelijk geval niet te worden overgelegd. In alle andere gevallen van arbeid in loondienst worden de inkomsten aangetoond overeenkomstig B1/4.3.1 (onder ‘bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst’).
De algemene voorwaarden en bepalingen voor zover deze afwijken van de in B17/2 genoemde bepalingen hebben betrekking op:
Bij [artikel 3.18b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18b) zijn als erkende onderzoeksinstellingen aangewezen:
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
Verblijf onder deze beperking wordt slechts verleend aan bovenstaande gezinsleden die reeds in de eerste lidstaat bij de langdurig ingezetene verbleven. Op andere aanvragen, bijvoorbeeld om gezinsvorming, zijn de algemene regels (zie [artikelen 3.13 tot en met 3.28 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.13) en B2) van toepassing. Ook indien het gezin in de andere lidstaat nog niet was gevormd zijn de algemene regels van B2 van toepassing.
Ingevolge [artikel 3.68 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.68) kan, in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn worden verleend voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst met een maximum van vijf jaren.
De toelatingsprocedure met betrekking tot onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 is bij uitstek een referentprocedure.
De verblijfsvergunning wordt, indien het de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner betreft, verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij echtgeno(o)t(e)/geregistreerd partner (naam).’
### 2.3. Openbare orde en nationale veiligheid
### 18. Verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 5.2. Algemene voorwaarden
De algemene voorwaarden en bepalingen voor zover deze afwijken van de in B17/2 genoemde bepalingen hebben betrekking op:
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst.
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
Voor een overzicht waarop de equivalenten in alle EU-talen van de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’ zijn vermeld wordt verwezen naar de website van de IND.
### 3. Specifieke voorwaarde en bepalingen economisch niet-actieve
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
De economisch niet-actieve langdurig ingezetene dient duurzaam en zelfstandig over de middelen van bestaan te beschikken. De bron waaruit deze middelen komen (erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen, etcetera) is niet van belang, mits de langdurig ingezetene de vrije beschikking heeft over vaste en regelmatige inkomsten, of het recht op (periodieke) uitkering ervan, die voldoende zijn om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand. Hierbij wordt aangesloten bij de bestaande invulling van het middelenvereiste zoals dat reeds bij aanvragen om gezinshereniging, niet zijnde gezinsvorming wordt gehanteerd. Voor wat betreft de wijze waarop de inkomsten dienen te worden aangetoond wordt verwezen naar B1/4.3.1.
### 3.2. Beperking
### 4. Overige algemene bepalingen
Er dient een door een notaris of gemeente gewaarmerkte kopie van het vereiste diploma te worden toegevoegd. Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over een passend diploma wordt aangesloten bij het oordeel van de onderzoeksinstelling.
### 2. Procedureel
De toelatingsaanvragen kunnen worden ingediend door de onderzoekers, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstellingen (zie artikel 14 Richtlijn 2005/71). Erkende onderzoeksinstellingen kunnen gebruik maken van een versnelde toelatingsprocedure.
### 5.1. Inleiding
Indien aan één of meer verblijfsvoorwaarden niet is voldaan, is de Minister niet verplicht doch wel bevoegd de verblijfsvergunning te verlenen. De gevallen waarin van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlenen gebruik wordt gemaakt worden aangegeven in deze Vc.
### 5.2. Algemene voorwaarden
Het betreft hier het gezinslid dat in een andere staat die partij is bij het EG-verdrag is toegelaten als gezinslid van de langdurig ingezetene.
### 4. Geldigheidsduur
Indien het een minderjarig kind betreft, wordt de verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf bij ....(naam ouder(s))’.
### 5.8. overige algemene bepalingen
### 5. Geldigheid en rechtspositie
### 5.1. Overgangsrecht
### 8. Geldigheid en rechtspositie
### 17. Verblijf als (economisch niet-actieve) langdurig ingezetene
### 5.1. Inleiding
De specifieke voorwaarden per verblijfsdoel worden per materiehoofdstuk behandeld (voor arbeid zie B5/4.12 en B5/7.7.1, voor studie zie B6/2.1.1 en B6/3.1 en voor economisch niet-actieve zie B17). Voor zover in de materiehoofdstukken niets is opgenomen over langdurig ingezetenen, geldt dat zij aan alle terzake geldende specifieke voorwaarden dienen te voldoen, met uitzondering van het mvv-vereiste en het vereiste een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen te ondergaan.
### 3.3. Arbeidsmarktaantekening
### 3.1. Middelen van bestaan
### 1. Inleiding
### 5.5. Beperking
### 5. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De onderzoeksinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Op het document wordt aangetekend ‘Arbeid toegestaan, TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist’.
Verder wordt op het document de aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ gesteld.
### 5.7. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning van de echtgeno(o)t(e) van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van [artikel 8, onder a, b dan wel l, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) en het minderjarige kind van de echtgeno(o)t(e) of de langdurig ingezetene, wordt op grond van [artikel 3.67, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67), in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57), verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de vergunning van de langdurig ingezetene.
De geregistreerde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).
### 5.8. overige algemene bepalingen
De overige algemene bepalingen van B17/4 zijn van overeenkomstige toepassing
### 6. In kennis stellen eerste lidstaat
In de volgende gevallen dient Nederland als tweede lidstaat, de (eerste) lidstaat, die de EG-status langdurig ingezetene aan de vreemdeling heeft verleend, te informeren:
Indien Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleent, (niet) verlengt of intrekt van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene in een andere (eerste) lidstaat heeft verkregen, dient deze eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste en tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103) en B1/9.4). In het geval Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verlengt of intrekt, dient aan de eerste lidstaat tevens informatie te worden verstrekt betreffende het verwijderingsbesluit. De eerste lidstaat is verplicht de langdurig ingezetene terug te nemen.
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
De Minister kan (als tweede lidstaat) om ernstige redenen in verband met de openbare orde of de nationale veiligheid besluiten om de vreemdeling die houder is van een EG-status als langdurig ingezetene, die is afgegeven door een andere EU-lidstaat, uit te zetten naar een staat buiten het grondgebied van de EU. Van zodanige redenen is sprake indien de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt (zie [artikel 22 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=22) en B1/8.3). Hiertoe moet de Minister ingevolge [artikel 3.103a, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) de autoriteiten van de eerste lidstaat raadplegen. Indien de Minister dienovereenkomstig besluit uit te zetten, wordt alle noodzakelijke informatie met betrekking tot de uitzetting aan de betreffende lidstaat verstrekt zodat de eerste lidstaat de status van langdurig ingezetene kan intrekken of de vreemdeling terugneemt.
Indien de autoriteiten van de tweede lidstaat bereid zijn de betrokken vreemdeling tot hun grondgebied toe te laten, kan Nederland volstaan met de minder ingrijpende maatregel van intrekking van de (Nederlandse) verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met toepassing van de waarborgen van artikel 17 van richtlijn 2003/109 en met verwijdering van de vreemdeling naar die (eerste) lidstaat in plaats van het land van herkomst. Vorenstaande laat onverlet dat de eerste lidstaat, ook na terugname, kan besluiten de vreemdeling alsnog te verwijderen naar het land van herkomst (na de status van langdurig ingezetene te hebben ingetrokken).
Omdat in het geval van verblijf bij organisaties waarbij niet eerder verblijf is toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, in het verleden geen uitspraak is gedaan over een wezenlijk Nederlands belang, en pas in het kader van een definitieve regeling voor verblijf op religieuze doeleinden een oordeel kan worden uitgesproken over het wezenlijk Nederlands belang dat wordt gediend met (de aard van) het verblijf van een vreemdeling bij deze organisaties, staat de onderhavige regeling niet open voor religieuze of levensbeschouwelijke organisaties bij wie niet in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend. Zoals hierboven gesteld geldt zulks niet voor bovengenoemde categorie kloosters. Onderhavige regeling is evenmin van toepassing op religieuze of levensbeschouwelijke organisaties waarbij tot dusverre uitsluitend verblijf is toegestaan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
De onderzoeksinstelling neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de onderzoeker(s) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de onderzoeksinstelling zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
Op de sticker wordt aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor de sticker verblijfsaantekening van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen van de onderzoeker.
Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de GBA. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de IND na de inwilliging van de aanvraag.
De toelatingsaanvragen kunnen worden ingediend door de onderzoekers, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstellingen (zie artikel 14 Richtlijn 2005/71). Erkende onderzoeksinstellingen kunnen gebruik maken van een versnelde toelatingsprocedure.
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
### 7. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2. Algemene voorwaarden
### 2.2. Middelen van bestaan
### 5.6. Arbeidsmarktaantekening
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
De onderzoeksinstelling dient het ingevulde en door de onderzoeker ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post te verzenden naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
De echtgeno(o)te of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen die verblijf bij de onderzoeker beogen, doen met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleden van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71, een verblijfsaanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van een onderzoeker geldt een streeftermijn van twee weken.
### 2.4. Leges
Indien de houder van EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene die door een andere lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven, na vijf jaar de status van langdurig ingezetene in Nederland heeft verkregen (zie B1/6) dient de eerste lidstaat hiervan in kennis te worden gesteld (zie [artikel 3.103a, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a) en B1/9.7.7.4);
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 18. Verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 2. Procedureel
### 2.5. mvv-vereiste
Bij de inwerkingtreding van deze regeling op 8 januari 2004 zijn bijzondere regelingen met een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie vervallen. De afspraken over het maximaal per jaar toe te laten vreemdelingen bij een organisatie blijven echter onverkort gehandhaafd.
Erkende onderzoeksinstellingen komen in aanmerking voor de versnelde procedure. Dit betekent dat de IND in de regel binnen twee weken na ontvangst van een verzoek om advies of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning zal beslissen, mits het verzoek of de aanvraag op de voorgeschreven wijze is ingediend, is voorzien van alle vereiste stukken en geen nader onderzoek is vereist. In enkele hierna te noemen gevallen is de behandeltermijn van twee weken niet van toepassing.
Nadat het Loket kennis- en arbeidsmigratie het registratieformulier heeft ontvangen en – indien noodzakelijk – de onderzoeksinstelling heeft erkend, wordt hiervan bericht gestuurd aan de onderzoeksinstelling en worden de aanvraagformulieren beschikbaar gesteld.
### 2.1.1. Erkenning van de onderzoeksinstelling
Toelating in het kader van onderzoek kan ingevolge de richtlijn alleen plaatsvinden bij vooraf erkende onderzoeksinstellingen. Dit vereiste wordt gesteld om de kwaliteit van de ontvangende onderzoeksinstellingen te waarborgen. Een onderzoeksinstelling in de zin van de richtlijn kan zowel publiek als particulier zijn.
Bij [artikel 3.18b VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.18b) zijn als erkende onderzoeksinstellingen aangewezen:
De Nederlandse Onderzoek Databank is een openbare online databank met informatie over wetenschappelijk onderzoek, onderzoekers en onderzoekinstituten. De Nederlandse Onderzoek Databank bestrijkt alle wetenschappelijke disciplines en beoordeelt of een project daadwerkelijk valt onder de term wetenschappelijk onderzoek. Bij deze beoordeling wordt door de IND aangesloten.
Op basis van deze wet hoeft voor werknemers die wetenschappelijk onderzoek doen of nieuwe producten, processen of programmatuur ontwikkelen, minder loonbelasting te worden afgedragen. Teneinde erkend te worden als private onderzoeksinstelling dient de instelling een Speur en Ontwikkelingswerk verklaring te overleggen waaruit blijkt dat met succes een beroep is gedaan op de hier bedoelde regeling.
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
### 3.1. Middelen van bestaan
Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland dient de onderzoeksinstelling in Nederland door middel van het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71’ te verzoeken om een advies in verband met het voornemen van de onderzoeker om een mvv aan te vragen in het buitenland.
### 4. Beperking
De onderzoeksinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Indien naar aanleiding van een verzoek om advies van de onderzoeksinstelling door de IND een positief advies is verstrekt en de verschuldigde leges zijn betaald, kan aan de vreemdeling in diens land van herkomst of bestendig verblijf door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging een mvv worden afgegeven. Het indienen van een mvv-aanvraag zonder dat daar een adviesprocedure aan vooraf is gegaan, ligt, gelet op het feit dat de toelatingsprocedure bij beoogd verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 bij uitstek een referentprocedure is, niet in de rede. Vreemdelingen die zonder voorafgaande referentprocedure een mvv-aanvraag voor verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 willen indienen op een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland, worden er door de vertegenwoordiging op gewezen dat het de voorkeur verdient dat de onderzoeksinstelling bij wie zij verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 beogen, een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan de vreemdeling indient. Dat leidt slechts uitzondering wanneer in het kader van een door de onderzoeksinstelling gestart verzoek om adviesprocedure negatief door de IND is geadviseerd. De streeftermijn van twee weken is niet van toepassing op deze aanvragen.
### 7.5. Voorschriften
Daarnaast worden in aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/4.3.1, ten aanzien van onderzoekers, tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel de inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
### 4. Beperking
De onderzoeksinstelling dient het ingevulde en door de onderzoeker ondertekende aanvraagformulier (de printversie), vergezeld van de vereiste stukken, per post te verzenden naar het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND.
Als de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, maakt hij daartoe een afspraak met het loket.
De echtgeno(o)te of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen die verblijf bij de onderzoeker beogen, doen met het daarvoor bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleden van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71, een verblijfsaanvraag. Voor de behandeling van alle aanvragen van gezinsleden van een onderzoeker geldt een streeftermijn van twee weken.
De beslistermijn van twee weken is tevens van toepassing op aanvragen om wijziging van de beperking waaronder eerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend in de beperking ‘verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG’. Hierbij kan worden gedacht aan het geval dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’, deze beperking wil wijzigen in de beperking ‘verblijf als onderzoeker’.
Echtgenoten en geregistreerd partners van onderzoekers krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van onderzoekers wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de gezinsleden kan echter de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de onderzoeker niet overschrijden.
Betaling van de door de betrokken vreemdeling(en) verschuldigde leges vindt plaats door de onderzoeksinstelling door middel van een machtiging tot automatische incasso. Deze machtiging wordt door de onderzoeksinstelling bij elke individuele aanvraag afgegeven. Ten behoeve van de automatische incasso geeft de onderzoeksinstelling een Nederlands bankrekeningnummer op. Als de onderzoeksinstelling geen machtiging tot automatische incasso afgeeft bij de aanvraag ontvangt de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt een factuur met een acceptgiro van het CJIB ter betaling van de verschuldigde leges. De beslistermijn van twee weken is dan niet van toepassing.
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG’.
Ingevolge [artikel 3.71, tweede lid, onder i, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) is de houder van een verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 afgegeven door een andere staat die partij is bij het EG-Verdrag dan wel de echtgenoot, geregistreerd partner of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat, vrijgesteld van het mvv-vereiste (zie B1/4.1.1).
Aan de gezinsleden van de onderzoeker wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij (naam onderzoeker)’. Bij de verlening aan de gezinsleden wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
Op de sticker wordt aangetekend: ‘Arbeid toegestaan; TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor de sticker verblijfsaantekening van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner en de minderjarige kinderen van de onderzoeker.
Daarna dient de vreemdeling zich bij de gemeente, waarin hij woonachtig is, te vervoegen met het oog op inschrijving in de GBA. Afgifte van het verblijfsdocument geschiedt door de IND na de inwilliging van de aanvraag.
Voor de onderzoeker die op grond van [artikel 17, eerste lid, onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=17) is vrijgesteld van het mvv-vereiste, staat de mogelijkheid open om bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen teneinde zijn verblijfsaanspraak vooraf te laten toetsen (zie B1/4.1.1). De onderzoeksinstelling in Nederland kan voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv middels het formulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv kennismigrant’ verzoeken om een advies omtrent de afgifte van een mvv aan of bij de onderzoeker in zin van Richtlijn 2005/71.
Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken of niet verlengd indien er sprake is geweest van fraude bij de verkrijging, indien de houder niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging (artikel 6 en 7 Richtlijn 2005/71) of indien hij in de EU verblijft voor een ander doel dan waarvoor hij is toegelaten. Intrekking of niet-verlenging is ook mogelijk op gronden die verband houden met openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.
Ingevolge [artikel 3.56a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56a) kan een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn worden verleend aan de vreemdeling:
Een vooraf erkende instelling die een onderzoeker wil uitnodigen dient met die onderzoeker een gastovereenkomst te sluiten (zie [artikel 3.56a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.56a), artikel 5 Richtlijn 2005/71 en artikel 6 Richtlijn 2005/71). Hierin verbindt de onderzoeker zich ertoe het onderzoeksproject uit te voeren, terwijl de instelling zich ertoe verplicht de onderzoeker voor dat doel als gast te ontvangen. Gelet op de Richtlijn 2005/71 is de gastovereenkomst vormvrij. Desgewenst kan bij de IND een voorbeeld gastovereenkomst verkregen worden.
Uit de gastovereenkomst dient in elk geval het volgende te blijken:
Het onderzoeksproject dient door de instelling te worden goedgekeurd, waarbij getoetst wordt aan het doel en de duur van het onderzoek inclusief de benodigde financiële middelen.
Er dient een door een notaris of gemeente gewaarmerkte kopie van het vereiste diploma te worden toegevoegd. Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over een passend diploma wordt aangesloten bij het oordeel van de onderzoeksinstelling.
### 1. Inleiding
### 7.3. Procedure
Naast de beleidsregels in deze paragraaf zijn ook de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4).
### 3.1. Middelen van bestaan
Voor de beoordeling of de vreemdeling beschikt over voldoende middelen van bestaan wordt in beginsel aangesloten bij het oordeel van de onderzoeksinstelling. De onderzoeksinstelling kan gelet op artikel 6, onder c, Richtlijn 2005/71, immers alleen een gastovereenkomst sluiten indien de onderzoeker gedurende zijn verblijf beschikt over voldoende middelen, uitgaande van het minimumbedrag dat daartoe door de lidstaat is vastgesteld.
Wel dienen schriftelijke bewijsstukken van de inkomsten te worden overgelegd.
De hierna genoemde bepalingen inzake middelen van bestaan zijn ook van toepassing op de echtgeno(o)te of geregistreerd partner van de onderzoeker en de minderjarige kinderen.
De in B1/4.3 genoemde bepalingen ten aanzien van het middelenvereiste zijn ook hier van toepassing.
### 20. Eergerelateerd geweld
Daarnaast worden in aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/4.3.1, ten aanzien van onderzoekers, tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel de inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht.
In afwijking van B1/4.3.1 worden inkomsten uit arbeid, waarbij de vreemdelingen de arbeid (gewoonlijk) buiten Nederland verricht, eveneens meegeteld, voor zover de op grond van de toepasselijke wetgeving vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Inkomsten uit arbeid in loondienst worden in geval van buitenlandse dienstbetrekkingen aangetoond met een verklaring van de werkgever waaruit de duur van de dienstbetrekking en de hoogte van het salaris blijkt. Een afschrift van de door de uitvoeringstelling gewaarmerkte aanmelding van de arbeidsovereenkomst hoeft in een dergelijk geval niet te worden overgelegd. In alle andere gevallen van arbeid in loondienst worden de inkomsten aangetoond overeenkomstig B1/4.3.1 (onder ‘bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst’).
### 1. Inleiding
Zie B19/2.1.
De middelen van bestaan zijn overeenkomstig [artikel 3.75, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.75)duurzaam, indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven. Indien de werkzaamheden korter dan één jaar duren, wordt de aanvraag niet afgewezen als wordt aangetoond dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de duur van het beoogde verblijf.
### 4. Geldigheidsduur
Ingevolge [artikel 3.68 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.68) kan, in afwijking van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) de verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als onderzoeker in de zin van de richtlijn worden verleend voor de duur van het onderzoek als omschreven in de gastovereenkomst met een maximum van vijf jaren.
Echtgenoten en geregistreerd partners van onderzoekers krijgen op grond van [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) een verblijfsvergunning voor de duur van maximaal één jaar. Na één jaar kan op grond van [artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.67) de verblijfsvergunning worden verlengd voor de duur van vijf jaren (zie B2/9). Voor minderjarige kinderen van onderzoekers wordt tevens verwezen naar het bepaalde in B2/5. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de gezinsleden kan echter de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de onderzoeker niet overschrijden.
### 5. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, mits ook aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning wordt voldaan, verleend onder de beperking ‘verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71/EG’.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Aan de gezinsleden van de onderzoeker wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘verblijf bij (naam onderzoeker)’. Bij de verlening aan de gezinsleden wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.
### 3. Procedure
Voor zover op de vreemdeling de plicht berust om te beschikken over een mvv, dient de procedure ter verkrijgen van de mvv bij voorkeur in Nederland te worden gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling verblijf beoogt. Daartoe dient de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan betrokken vreemdeling te richten aan de IND. Bij het verzoek om advies dienen de in B19/2.2 genoemde bescheiden te worden meegezonden. Tevens dient bij het verzoek om advies een aanvullende brief te worden meegezonden waarin uiteengezet wordt dat de vreemdeling verblijf beoogt voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde verblijf voor arbeid of studie. Indien door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op het verzoek om advies een verblijfsdoel is aangekruist terwijl uit de overgelegde bescheiden nadrukkelijk blijkt dat verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden wordt beoogd, dient de aanvraag getoetst te worden aan de voorwaarden, verbonden aan de onderhavige regeling.
Ingevolge [artikel 3.89a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89a) juncto [artikel 3.91a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91a) wordt, indien de erkenning van de onderzoeksinstelling niet wordt verlengd of wordt ingetrokken vanwege fraude, eerst aan de vreemdeling – mits die te goeder trouw is – een zoektermijn van drie maanden gegund. Eerst daarna wordt overgegaan tot intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning van de onderzoeker op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18).
Voor zover mogelijk zal hij zijn onderzoek zoals voorzien afronden bij de instelling. Als dat niet mogelijk blijkt wordt de onderzoeker de mogelijkheid geboden om een nieuwe gastovereenkomst te sluiten met een andere instelling. Hij krijgt daarvoor drie maanden de tijd. Als binnen drie maanden geen nieuwe gastovereenkomst wordt overgelegd wordt overgegaan tot intrekking van de verblijfsvergunning.
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken of niet verlengd indien er sprake is geweest van fraude bij de verkrijging, indien de houder niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor verkrijging (artikel 6 en 7 Richtlijn 2005/71) of indien hij in de EU verblijft voor een ander doel dan waarvoor hij is toegelaten. Intrekking of niet-verlenging is ook mogelijk op gronden die verband houden met openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.
Als uitgangspunt wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend of aan een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden of indien een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6). De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning was verleend, kan uiteraard een aanvraag indienen tot wijziging van de verblijfsvergunning. De tijdig ingediende aanvraag komt voor inwilliging in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor de eerste verblijfsaanvaarding voor het nieuw beoogde verblijfsdoel.
### 7.1. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van onderzoekers in loondienst, die houder zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71.
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Er kan een verblijfsvergunning worden verleend:
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 7. Pilot religieus verblijf
Omdat in het geval van verblijf bij organisaties waarbij niet eerder verblijf is toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, in het verleden geen uitspraak is gedaan over een wezenlijk Nederlands belang, en pas in het kader van een definitieve regeling voor verblijf op religieuze doeleinden een oordeel kan worden uitgesproken over het wezenlijk Nederlands belang dat wordt gediend met (de aard van) het verblijf van een vreemdeling bij deze organisaties, staat de onderhavige regeling niet open voor religieuze of levensbeschouwelijke organisaties bij wie niet in de afgelopen vijf jaar verblijf is verleend. Zoals hierboven gesteld geldt zulks niet voor bovengenoemde categorie kloosters. Onderhavige regeling is evenmin van toepassing op religieuze of levensbeschouwelijke organisaties waarbij tot dusverre uitsluitend verblijf is toegestaan voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
Vooruitlopend op de invoering van het Modern Migratiebeleid wordt een pilot religieus verblijf ingericht om, in nauwe samenwerking met het UWV WERKbedrijf, toe te werken naar deze toekomstige situatie. De pilot biedt de mogelijkheid om nader kennis te maken met de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties in hun rol als referent. Tevens biedt de pilot de mogelijkheid om nadere invulling te kunnen geven aan de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) uitvoeringsregels ten aanzien van religieuzen, in het bijzonder in welke gevallen toetsing op betaling van tenminste het wettelijk minimumloon bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning achterwege kan blijven en in welke gevallen kan worden afgezien van de verplichte vacaturemelding en de arbeidsmarkttoets.
De vreemdeling kan aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland dient ook in het land van herkomst dreiging aanwezig te zijn. De vreemdeling dient in dit kader aannemelijk te maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat.
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
Sommige van de hierboven genoemde organisaties waarbij verblijf kan worden toegestaan, hebben meerdere vestigingen in Nederland. Indien een dergelijke vestiging aantoont onderdeel te vormen van één van de in bovenstaand overzicht genoemde organisaties, kan ook bij die vestiging verblijf worden toegestaan. Indien een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die niet in bovenstaand overzicht wordt genoemd, kan aantonen dat in de laatste vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling, aan een vreemdeling verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden is verleend bij de desbetreffende organisatie, zal worden beoordeeld of deze organisatie onder de werking van de onderhavige regeling valt. Zulks is niet van toepassing als verblijf is verleend voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of voor studie.
Géén verblijf zal worden toegestaan bij organisaties waarbij op enig moment is of wordt vastgesteld dat het verblijf op oneigenlijke gronden is verleend dan wel dat verblijfsvergunningen van vreemdelingen die verblijf bij de desbetreffende organisatie hadden, zijn ingetrokken. In het geval sprake is van beoogd verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie ten behoeve van het verrichten van arbeid in de zin van de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149), dan wel ten behoeve van studie, zijn de voorwaarden ten aanzien van arbeid in loondienst (zie B5), respectievelijk studie (zie B6) onverkort van toepassing. Indien sprake is van een aanvraag voor verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, zal aan de hand van de door betrokken vreemdeling, respectievelijk de betrokken religieuze of levensbeschouwelijke organisatie te verschaffen informatie, allereerst worden getoetst of er sprake is van verblijf op grond van arbeid of studie. Bij twijfel of betrokkene verblijf beoogt voor het verrichten van arbeid zal advies worden gevraagd aan UWV WERKbedrijf. Van arbeid in loondienst is in elk geval sprake als er een arbeidsovereenkomst is tussen de vreemdeling en de organisatie. In het geval uit de door betrokken vreemdeling dan wel door de desbetreffende organisatie bij het doen van de aanvraag te verschaffen informatie valt op te maken dat primair verblijf wordt beoogd in het kader van studie, zal worden getoetst aan de voorwaarden voor verblijf voor studie (zie B6).
Bij de inwerkingtreding van deze regeling op 8 januari 2004 zijn bijzondere regelingen met een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie vervallen. De afspraken over het maximaal per jaar toe te laten vreemdelingen bij een organisatie blijven echter onverkort gehandhaafd.
Het slachtoffer van huiselijk geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder l, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
### 4.6. Amv
### 2.4. Aantonen verblijfstatus eerste lidstaat
### 1. Inleiding
### 7.1. Voortgezet Verblijf op grond van de Regeling nalatenschap oude Vw
### 5.2. Algemene voorwaarden
### 3. Voorwaarden toelating onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 5.3. Verblijfstatus in eerste lidstaat
Ingevolge [artikel 3.89a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89a) juncto [artikel 3.91a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91a) wordt, indien de erkenning van de onderzoeksinstelling niet wordt verlengd of wordt ingetrokken vanwege fraude, eerst aan de vreemdeling – mits die te goeder trouw is – een zoektermijn van drie maanden gegund. Eerst daarna wordt overgegaan tot intrekking of niet verlenging van de verblijfsvergunning van de onderzoeker op grond van [artikel 18, eerste lid, onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18).
In de in deze paragraaf genoemde gevallen zal het koppelingsbureau van de IND fungeren als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
### 2.6. TBC-verklaring
### 2.3. Algemene voorwaarden:
### 3. Voorwaarden toelating onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
De toelatingsprocedure met betrekking tot onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 is bij uitstek een referentprocedure.
De onderzoeksinstelling kan namens de gezinsleden, te weten de echtgeno(o)te of geregistreerd partner van de onderzoeker en hun minderjarige kinderen, die verblijf in Nederland bij de onderzoeker beogen, verzoeken om afgifte van een mvv. Ten behoeve van deze gezinsleden dient gebruik te worden gemaakt van de formulieren ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv gezinsleden van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71’. De onderzoeksinstelling kan alleen ten behoeve van de echtgeno(o)t(e) of geregistreerde partner, alsmede ten behoeve van de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin, een verzoek om advies indienen. De algemene bepalingen van B1/4 en B2/2, B2/4 en B2/5 zijn van toepassing, tenzij navolgend anders is bepaald.
De aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 wordt door de vreemdeling in persoon dan wel schriftelijk, al dan niet door tussenkomst van de onderzoeksinstelling, ingediend bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND, en wel door middel van een aanvraagformulier:
### 6. Voorschriften
### 2.4. Leges
### 2.5. mvv-vereiste
### 7. Pilot religieus verblijf
De onderzoeksinstelling neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND voor een afspraak om ter plaatse van voornoemd loket de sticker ‘verblijfsaantekening algemeen’ (zie [bijlage 7g VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&bijlage=7g)) in het reisdocument van de onderzoeker(s) en eventuele gezinsleden te laten plaatsen. Daartoe meldt de vreemdeling dan wel de onderzoeksinstelling zich met het paspoort van de vreemdeling die verblijf als onderzoeker beoogt, en eventuele gezinsleden, bij het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND (zie [artikel 3.9, derde lid, VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.9)).
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
Het begrip arbeidsvoorwaarden ziet in dit geval niet noodzakelijkerwijs op een dienstverband maar ook op de aard van de rechtsbetrekking waarin is vastgelegd wat de onderzoeksinstelling de onderzoeker aan faciliteiten biedt en wat van de onderzoeker verwacht wordt.
Hierbij is van belang dat lesgeven wordt gezien als een onlosmakelijk deel van de werkzaamheden van een onderzoeker, en het verrichten van onderzoek niet van bijkomende aard is, maar het hoofddoel.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
Ten aanzien van verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij een klooster of een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie gelden de navolgende voorwaarden:
### 1. Inleiding
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie op grond van onderhavige regeling verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, dienen te voldoen aan de voorwaarden genoemd in B2.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 4. Beperking
Naast levensbedreigende delicten kunnen ook andere uitingsvormen van eergerelateerd geweld, waarbij sprake is van een strafbaar feit gericht tegen het slachtoffer zoals verminking, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, tot vergunningverlening leiden.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
Ziekte en arbeidsongeschiktheid zijn van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71 indien zij in loondienst zijn. Bij ziekte blijft de onderzoeker aan de voorwaarden voldoen zolang er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor het verrichten van onderzoek op basis van een met de onderzoeksinstelling gesloten gastovereenkomst en hij, hetzij vanwege het ontvangen loon, hetzij op grond van een uitkering, hetzij op grond van een combinatie van beide, hetzij vanwege eigen inkomsten uit arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige, gewoonlijk buiten Nederland verricht, over voldoende middelen van bestaan in de hier bedoelde zin blijft beschikken.
### 2.1. Bekende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties
Verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op religieuze of levensbeschouwelijke gronden kan worden toegestaan bij de navolgende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties:
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
De verblijfsvergunning kan worden verleend aan:
De ondergrens van 18 jaar wordt gesteld omdat het niet wenselijk wordt geacht om jongeren in de (gedeeltelijk) leerplichtige leeftijd verblijf in Nederland toe te staan met het oog op verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, anders dan voor studiedoeleinden waarop het reguliere beleid van toepassing is.
Zie B19/2.1.
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
Ten aanzien van verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij een klooster of een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie gelden de navolgende voorwaarden:
Het klooster of de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verschaft ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, de volgende gegevens en bescheiden:
Indien verblijf wordt gevraagd bij een klooster, waarbij niet eerder verblijf is toegestaan, dient dat klooster in aanvulling op bovenvermelde bescheiden met schriftelijke bewijsstukken aan te tonen dat eerder verblijf is toegestaan bij (een) ander(e) klooster(s) behorende tot dezelfde orde, congregatie of organisatie.
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie op grond van onderhavige regeling verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, dienen te voldoen aan de voorwaarden genoemd in B2.
### 4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan
### 4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige
### 4.5. Medisch onderzoek
### 2.4. Leges
### 4.1. Vrijstellingen
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 6.1. Contactpunt IND
### 1. Inleiding
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Uit de gastovereenkomst dient in elk geval het volgende te blijken:
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
### 2.2. Verzoek om advies
### 3. Procedure
### 2.3. Aanvraag om een verblijfsvergunning
### 4. Geldigheidsduur
### 7. Pilot religieus verblijf
### 5. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschriften
### 5.4. Middelen van bestaan
Het aanvraagformulier ‘Verzoek om advies in verband met afgifte mvv onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71’ dat gebruikt dient te worden voor de aanvragen in het kader van verblijf bij/als onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71, wordt door het Hoofd IND vastgesteld en wordt alleen elektronisch door de IND ter beschikking gesteld.
### 2.3. Algemene voorwaarden:
Het aanvraagformulier kan uitsluitend elektronisch worden verkregen van de IND.
### 3.1.1. Duurzame middelen
### 2.7. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
### 7.2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 10. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 5.4. Middelen van bestaan
### 2.6. TBC-verklaring
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 3. Voorwaarden toelating onderzoeker in de zin van Richtlijn 2005/71
### 2.1. Bekende religieuze of levensbeschouwelijke organisaties
### 7.5. Voorschriften
In aanvulling op de inkomstenbronnen genoemd in B1/4.3.1 worden ten aanzien van alle onderzoekers de volgende inkomsten tevens aangemerkt als zelfstandig verworven bestaansmiddel:
### 3.1.1. Duurzame middelen
Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Aan vreemdelingen kan verblijf bij religieuze of levensbeschouwelijke organisaties worden toegestaan indien bij die organisaties de afgelopen vijf jaar aan vreemdelingen verblijf is toegestaan voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger, of studie. Het betreft hier een overgangsregeling in afwachting van een definitief beleidskader.
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
Vreemdelingen die verblijf beogen bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij niet gedurende de laatste vijf jaar aan vreemdelingen verblijf is verleend op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, dienen te voldoen aan één van bestaande beperkingen zoals genoemd in artikel 3.4 Vb of een beperking als genoemd in de Vc.
### 2.6. In kennis stellen eerste lidstaat bij afwijzing
De verblijfsvergunning wordt met toepassing van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), verleend in verband met de pilot religieus verblijf. Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’. De verblijfsvergunning voor verblijf in het kader van de pilot religieus verblijf wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Omdat deze pilot een tijdelijke regeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) biedt om een beperking, anders dan de in artikel 3.5, tweede lid, Vb, genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. Hoofdstuk B5/5 is niet van toepassing.
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
Vreemdelingen aan wie verblijf wordt toegestaan op religieuze of levensbeschouwelijke gronden, dienen tijdens hun verblijf in Nederland in hun onderhoud te kunnen voorzien. Derhalve dient te kunnen worden beoordeeld of de vreemdeling gedurende zijn verblijf in Nederland bij de levensbeschouwelijke of religieuze organisatie over voldoende middelen van bestaan beschikt. Uit de aard van het verblijf vloeit voort dat in de kosten van levensonderhoud wordt voorzien door derden, in de regel de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie. De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling gaat verblijven dient door middel van een opgave van de aan de vreemdeling te verstrekken voorzieningen gedurende zijn verblijf en een bewijs dat de organisatie over voldoende financiële middelen voor dat doel beschikt, aan te tonen dat deze voorzieningen ook daadwerkelijk (kunnen) worden verstrekt. De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie dient zich schriftelijk garant te stellen voor de kosten die voor de Staat en andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien alsmede voor de kosten van diens reis naar een plaats buiten Nederland waar diens toegang gewaarborgd is door middel van een [model M48-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M48-B). De organisatie verklaart in [model M48-B](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M48-B) tevens zich bewust te zijn van de in dat model genoemde verplichtingen die uit hoofde van de toelating van een vreemdeling voor verblijf bij de desbetreffende organisatie op de organisatie rusten.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 20. Eergerelateerd geweld
De contactpersoon gender van de IND vraagt een analyse aan het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie over de aanwezigheid van dreiging van eergerelateerd geweld.
De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden bij (naam religieuze of levensbeschouwelijke groepering)’.
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
De verblijfsvergunning voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt conform [artikel 3.57 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.57) voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste één jaar worden verlengd.
Omdat het een overgangsregeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) biedt om een beperking, anders dan de in [artikel 3.5, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. In de beschikking op een aanvraag voor verblijf voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden wordt bepaald dat het verblijfsrecht tijdelijk is. Daartoe dient de vreemdeling een verklaring [M45-A](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012287&bijlage=M45-A) te tekenen.
### 5. Arbeidsmarktaantekening
Vreemdelingen die in dit kader verblijf beogen hebben geen TWV nodig voor zover en aangezien het werkzaamheden betreft met een overwegend religieus of levensbeschouwelijk karakter zoals die van kloosterling of uitvoerder van activiteiten ten bate van de organisatie zelf. Dientengevolge geldt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid niet toegestaan’ Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst ‘een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor verblijfsrecht’.
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
Is er slechts sprake van gevaar in het land van herkomst, maar is er in Nederland geen dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld, dan is de asielprocedure de aangewezen weg.
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
In het kader van de aanpak van eergerelateerd en huiselijk geweld is de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) gewijzigd zodat slachtoffers van eergerelateerd of huiselijk geweld zonder een verblijfstitel, mits een aanvraag om een verblijfsvergunning vanwege dreigend eergerelateerd geweld is ingediend bij de IND, gebruik kunnen maken van de voorzieningen van de Rvb. Deze regeling maakt niet alleen toegang tot opvang door een instelling voor vrouwenopvang mogelijk, maar ook financiering van hulpverlening en een ziektekostenverzekering.
### 7.1. Inleiding
Vooruitlopend op de invoering van het Modern Migratiebeleid wordt een pilot religieus verblijf ingericht om, in nauwe samenwerking met het UWV WERKbedrijf, toe te werken naar deze toekomstige situatie. De pilot biedt de mogelijkheid om nader kennis te maken met de religieuze en levensbeschouwelijke organisaties in hun rol als referent. Tevens biedt de pilot de mogelijkheid om nadere invulling te kunnen geven aan de [Wav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) uitvoeringsregels ten aanzien van religieuzen, in het bijzonder in welke gevallen toetsing op betaling van tenminste het wettelijk minimumloon bij aanvragen om een tewerkstellingsvergunning achterwege kan blijven en in welke gevallen kan worden afgezien van de verplichte vacaturemelding en de arbeidsmarkttoets.
Indien de dreiging in de zeer nabije toekomst kan worden weggenomen doordat een bevredigende oplossing voor het conflict kan worden bereikt, zal er in principe geen noodzaak zijn verblijf in Nederland toe te staan. In de rapportage van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie zal worden opgenomen wat de verwachte duur is van het conflict. Een verblijfsvergunning zal echter niet alleen worden verleend indien sprake is van een blijvende dreiging, maar daarnaast is het ook mogelijk om in acute situaties een vergunning te verlenen. De verblijfsvergunning zal een tijdelijk karakter hebben.
### 7.2.1. Algemene voorwaarden
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
### 12. Gezinshereniging
### 12. Gezinshereniging
Onder levensbedreigende delicten wordt ook verstaan het aanzetten tot zelfmoord, waartegen het slachtoffer geen verweer kan bieden.
De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie, die aan deze pilot meedoet, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
Bij het indienen van een aanvraag geldt dat de organisatie:
Gezinsleden, die verblijf beogen bij een vreemdeling aan wie verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden in het kader van de pilot is verleend, moeten voldoen aan de voorwaarden als genoemd in hoofdstuk B2.
### 4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 2.5. mvv-vereiste
### 7.1. Werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
De inkomsten uit arbeid als zelfstandige worden aangetoond overeenkomstig B1/4.3.4 (onder ‘Berekening van het inkomen van een gevestigde ondernemer’). Voor zover de bewijsstukken zijn overgelegd in een vreemde taal, wordt verwezen naar B1/9.3.
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 2.3. Algemene voorwaarden:
### 4. Beperking
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 7.1. Inleiding
### 7.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 7.5. Voorschriften
Voor zover op de vreemdeling de plicht berust om te beschikken over een mvv, dient de procedure ter verkrijgen van de mvv bij voorkeur in Nederland te worden gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie waarbij de vreemdeling verblijf beoogt. Daartoe dient de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies ter verlening van een mvv aan betrokken vreemdeling te richten aan de IND. Bij het verzoek om advies dienen de in B19/2.2 genoemde bescheiden te worden meegezonden. Tevens dient bij het verzoek om advies een aanvullende brief te worden meegezonden waarin uiteengezet wordt dat de vreemdeling verblijf beoogt voor religieuze of levensbeschouwelijke doeleinden, niet zijnde verblijf voor arbeid of studie. Indien door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie op het verzoek om advies een verblijfsdoel is aangekruist terwijl uit de overgelegde bescheiden nadrukkelijk blijkt dat verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden wordt beoogd, dient de aanvraag getoetst te worden aan de voorwaarden, verbonden aan de onderhavige regeling.
Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’.
Al enige jaren is er - onder andere in de media en de politiek - aandacht voor eergerelateerd en huiselijk geweld en de bestrijding ervan. Het merendeel van de slachtoffers is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit of is in het bezit van een zelfstandige verblijfsvergunning. Het komt ook voor dat een slachtoffer een afhankelijke verblijfsvergunning heeft, of in het geheel niet of niet meer in het bezit is van een verblijfsvergunning. Voor deze laatste groep ontbreekt daarmee veelal de grond voor financiering van opvang en hulpverlening.
In het geval betrokken vreemdeling onderdaan is van een lidstaat van de EU, de EER of Zwitserland is de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
In het kader van de pilot religieus verblijf kan, in aanvulling op B5/4.1 en B19/1.2, verblijf worden toegestaan aan de vreemdeling die een geestelijk, godsdienstig of levensbeschouwelijk ambt bekleedt en ten behoeve van een kerkgenootschap of een ander genootschap op geestelijke of levensbeschouwelijke grondslag werkzaamheden van overwegend godsdienstige, geestelijke of levensbeschouwelijke aard verricht of anderszins met een religieuze of levensbeschouwelijke boodschap naar buiten treedt. Tevens kan verblijf worden toegestaan aan de vreemdeling, die activiteiten voor een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie verricht als interne functionaris of als contemplatieve. Daarvoor is vereist dat het UWV WERKbedrijf een positief advies heeft afgegeven aan de IND betreffende de vreemdeling. Indien geen positief advies wordt afgegeven door het UWV WERKbedrijf wordt de aanvraag afgewezen. Indien door het UWV WERKbedrijf een positief advies is afgegeven, wordt zonodig vrijstelling van het middelenvereiste verleend, mits wordt voldaan aan de onder paragraaf 7.2.2 genoemde bijzondere voorwaarden. De vreemdeling moet beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding. Het mvv-vereiste is onverkort van toepassing.
De IND stelt een onderzoek in of er uit het oogpunt van de openbare orde en nationale veiligheid bezwaar bestaat tegen het verblijf van de vreemdeling.
Indien sprake is van beoogd verblijf bij een religieuze of levensbeschouwelijke organisatie ten behoeve van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger/godsdienstleraar, ten behoeve van studie of ten behoeve van uitwisseling, zijn de voorwaarden ten aanzien van respectievelijk arbeid in loondienst (B5), studie (zie B6) of uitwisseling (zie B7) van toepassing. De [Wet arbeid vreemdelingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007149) blijft onverkort van toepassing.
De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie legt ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan de volgende gegevens en bescheiden ten aanzien van de organisatie over:
De religieuze of levensbeschouwelijke organisatie legt ter beoordeling of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan de volgende gegevens en bescheiden met betrekking tot de individuele aanvraag over:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die heeft geleid tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
Voor zover op de vreemdeling de plicht rust om te beschikken over een mvv, wordt de procedure ter verkrijging van de mvv in Nederland gestart door de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie die de overkomst van de vreemdeling wenst. Daartoe richt de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie een verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv aan betrokken vreemdeling aan de IND, onder vermelding van ‘pilot religieus verblijf’. Bij het verzoek zendt de organisatie de in B19/7.2.2 genoemde bescheiden mee.
Hierbij is het niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten. Alleen bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
De verblijfsvergunning wordt met toepassing van [artikel 3.4, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4), verleend in verband met de pilot religieus verblijf. Op het verblijfsdocument dat aan de vreemdeling wordt verstrekt, wordt de beperking vermeld ‘verblijf conform beschikking Minister’. De verblijfsvergunning voor verblijf in het kader van de pilot religieus verblijf wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Omdat deze pilot een tijdelijke regeling betreft in afwachting van een definitief beleidskader, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) biedt om een beperking, anders dan de in artikel 3.5, tweede lid, Vb, genoemde beperkingen, aan te merken als een tijdelijk verblijfsrecht. Hoofdstuk B5/5 is niet van toepassing.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
### 7.5. Voorschriften
Aan de verblijfsvergunning wordt als voorschrift verbonden het aantonen van voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten van opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 20. Eergerelateerd geweld
Als een gezinslid niet gelijktijdig een verzoek om advies wordt indient moet hij maken van het formulier voor nareizende gezinsleden.
In dit hoofdstuk wordt het rechtmatig verblijf van slachtoffers van eergerelateerd geweld geregeld. Daarnaast biedt dit hoofdstuk richtlijnen voor het bieden van opvang en bescherming van slachtoffers van eergerelateerd geweld.
Tevens wordt in dit hoofdstuk het rechtmatig verblijf van slachtoffers van huiselijk geweld geregeld die niet in aanmerking kunnen komen voor voortgezet verblijf op grond van huiselijk geweld (B16), omdat zij niet eerder in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning. Daarnaast biedt dit hoofdstuk ook richtlijnen voor het bieden van opvang en bescherming van slachtoffers van huiselijk geweld.
Onder eergerelateerd geweld wordt verstaan elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld gepleegd vanuit een collectieve mentaliteit in een reactie op een (dreiging van) schending van de eer van een man of vrouw en daarmee van zijn of haar familie, waarvan de buitenwereld op de hoogte dreigt te raken. Dit type geweld vindt plaats in een specifieke culturele en sociale context en heeft geen religieuze basis. Eergerelateerd geweld kan verschillende vormen aannemen en in het uiterste geval tot moord of doodslag leiden.
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Al enige jaren is er - onder andere in de media en de politiek - aandacht voor eergerelateerd en huiselijk geweld en de bestrijding ervan. Het merendeel van de slachtoffers is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit of is in het bezit van een zelfstandige verblijfsvergunning. Het komt ook voor dat een slachtoffer een afhankelijke verblijfsvergunning heeft, of in het geheel niet of niet meer in het bezit is van een verblijfsvergunning. Voor deze laatste groep ontbreekt daarmee veelal de grond voor financiering van opvang en hulpverlening.
Dit hoofdstuk voorziet alleen in beleid voor het verlenen van een verblijfsvergunning indien de vreemdeling niet in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning of indien de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning twee jaar of langer is verlopen en de vreemdeling, gelet op het bepaalde in paragraaf B1/5.1 Vc, niet tijdig danwel binnen de redelijke termijn een aanvraag om verlenging of wijziging beperking heeft ingediend. Dit hoofdstuk is niet bedoeld voor slachtoffers van huiselijk geweld of eergerelateerd geweld die hun verblijfsrecht dreigen te verliezen maar hun verblijf kunnen voortzetten op grond van een van de beperkingen als genoemd in [artikel 3.4 eerste lid Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4). Zij dienen een aanvraag wijziging beperking in te dienen en komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van dit hoofdstuk.
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
Is er slechts sprake van gevaar in het land van herkomst, maar is er in Nederland geen dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld, dan is de asielprocedure de aangewezen weg.
Indien er in Nederland sprake is van een dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld dan is de reguliere procedure de meest aangewezen weg. Voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van dit hoofdstuk dient echter wel, naast dreiging in Nederland, ook dreiging in het land van herkomst aanwezig te zijn. In dat geval kan betrokkene zich immers niet aan het gevaar onttrekken door zich in het land van herkomst te vestigen.
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
In het kader van vergroting van de veiligheid van het slachtoffer van eergerelateerd geweld kan de aanvraag, eventueel door tussenkomst van de vrouwenopvang, schriftelijk worden ingediend (zie B1/9.1.1).
Om te beoordelen of sprake is van dreiging van eergerelateerd geweld vraagt de IND, ten behoeve van de beoordeling of dit verstrekking van een verblijfsvergunning rechtvaardigt, een analyse bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie. Uit de analyse moet in ieder geval blijken of er sprake is van dreiging van eergerelateerd geweld die de verstrekking van een verblijfsvergunning rechtvaardigt. Wanneer het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie mogelijkheden ziet waardoor de dreiging in die periode op de een of andere wijze afgewend kan worden, moet dit in de analyse worden meegenomen.
### 4. De beslissing
De contactpersoon gender van de IND vraagt een analyse aan het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie over de aanwezigheid van dreiging van eergerelateerd geweld.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Indien de dreiging in de zeer nabije toekomst kan worden weggenomen doordat een bevredigende oplossing voor het conflict kan worden bereikt, zal er in principe geen noodzaak zijn verblijf in Nederland toe te staan. In de rapportage van het Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie zal worden opgenomen wat de verwachte duur is van het conflict.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Onder levensbedreigende delicten wordt ook verstaan het aanzetten tot zelfmoord, waartegen het slachtoffer geen verweer kan bieden.
### 8. Verlenging
Eergerelateerd geweld kan zich ook uiten in de vorm van verstoting. Hierbij gaat het om een sociale doodverklaring van het slachtoffer door de familie. Bij de beoordeling van de verblijfsaanvraag wordt de vraag betrokken of het slachtoffer zich door vestiging elders aan de gevolgen van de verstoting zou kunnen onttrekken en of betrokkene zich vervolgens zelfstandig zou kunnen handhaven.
Naast deze voorwaarden zijn de algemene voorwaarden van [artikel 16, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) van toepassing (zie B1/4), behoudens de voorwaarden die hieronder worden genoemd.
### 8. Verlenging
### 10. Leges
### 4. Voorwaarden
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
Hierbij is het niet van belang wie tot verbreking van de (huwelijks)relatie heeft besloten. Alleen bij minderjarige slachtoffers is het in verband met de leeftijd niet noodzakelijk dat de gezinsband is verbroken.
De vreemdeling kan aannemelijk maken dat hij zich niet aan het geweld kan onttrekken als hij zich zou vestigen in het land van herkomst. Naast geweld of dreiging van geweld in Nederland dient ook in het land van herkomst dreiging aanwezig te zijn. De vreemdeling dient in dit kader aannemelijk te maken dat van de kant van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging voor betrokkene uitgaat.
In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) wordt de aanvraag niet afgewezen:
Het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie de [artikel 3.34b, eerste lid, onder j, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
Indien het slachtoffer van dreigend eergerelateerd of huiselijk geweld tijdens de verdere procedure feitelijk verblijft op een opvangadres, kan het slachtoffer voor de GBA een zogenoemd briefadres kiezen. Daarvoor is een aanwijzing van het betreffende gemeentebestuur nodig op grond van [artikel 67, vierde lid, Wet GBA](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006723&artikel=67). Het briefadres hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gehouden in de gemeente waar het slachtoffer op een opvangadres verblijft. Dat kan bijvoorbeeld ook het adres van het regionale politiekorps of van een zorginstelling zijn of van een particulier adres, mits de houder van dat adres daarmee instemt.
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
Ter beoordeling van de vraag of sprake is van dreigend eergerelateerd geweld in Nederland, wordt advies ingewonnen bij het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie.
### 4.3. Werkgever
Uit de analyse moet in ieder geval blijken of er sprake is van langdurige dreiging van eergerelateerd geweld die de verstrekking van een verblijfsvergunning rechtvaardigt. Wanneer het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld mogelijkheden ziet waardoor de dreiging in die periode op de een of andere manier afgewend kan worden, moet dit in de analyse worden meegenomen.
De inhoud van de analyse van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld vormt de basis van de beslissing omtrent de aanvraag om een verblijfsvergunning. De IND zal opnieuw om een analyse verzoeken indien daaraan zodanige gebreken kleven dat dit niet als basis kan dienen voor een zorgvuldig besluit omtrent de verlening van een verblijfsvergunning.
Bij de aanvraag moet altijd de originele diplomawaardering van het Nuffic worden meegestuurd. Betrokkene zelf of de werkgever draagt zelf zorg voor de diplomawaardering door een aanvraag hiertoe in te dienen bij het Informatiecentrum Diplomawaardering van het Nuffic. Bij deze aanvraag moet een gewaarmerkte kopie van het diploma en de bijbehorende cijferlijst worden overgelegd zonodig voorzien van een vertaling door een beëdigde vertaler.
Indien de vreemdeling, in verband met dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld, in een instelling voor vrouwenopvang is opgenomen, dient de vreemdeling, indien gewenst met behulp van de instelling voor vrouwenopvang, het aanvraagformulier voor de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) via het COA aan te vragen. De Rvb wordt verstrekt teneinde het slachtoffer in staat te stellen in haar of zijn kosten van levensonderhoud te voorzien.
Aan verstrekking op grond van de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) wordt de voorwaarde verbonden dat er een aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van dreigend eergerelateerd geweld is ingediend en dat er sprake is van verblijf bij een instelling voor vrouwenopvang. Het COA gaat bij de IND en bij de instelling voor vrouwenopvang na of aan deze voorwaarde is voldaan.
De werkgever kan voor de vreemdeling, die in Nederland verblijf beoogt als houder van een Europese blauwe kaart het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen. Het bepaalde in B1/1.1.1 en B1/1.1.2 is van toepassing. Als de vreemdeling, conform het bepaalde in B1/1.1.1 zonder voorafgaand verzoek om een advies van de werkgever een aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt de aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie.
Zolang er nog geen beslissing is op het verzoek om de verblijfsvergunning kan een slachtoffer van dreigend eergerelateerd of huiselijk geweld aanspraak maken op de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726).
Het COA beëindigt de verstrekking krachtens de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) niet eerder dan nadat een verblijfsvergunning is afgegeven of de aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van dreigend eergerelateerd geweld is afgewezen en hiertegen geen bezwaar of beroep is ingesteld dat de vreemdeling hier te lande mag afwachten. Na afgifte van de verblijfsvergunning maakt het slachtoffer eergerelateerd geweld aanspraak op een uitkering ingevolge de [Wwb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0015703).
### 4. De beslissing
De contactpersoon gender van de IND vraagt een analyse aan het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie over de aanwezigheid van dreiging van eergerelateerd geweld.
Gelet hierop zal de wettelijke beslistermijn, op grond van [artikel 25, tweede lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=25) met ten hoogste zes maanden kunnen worden verlengd.
De werkgever kan voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’ het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post aan het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen.
Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten, met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.
De Hoofddirecteur van de IND stelt het aanvraagformulier vast en het aanvraagformulier kan alleen elektronisch worden verkregen van de IND (zie website).
Het verblijfsdocument van een slachtoffer van eergerelateerd geweld wordt afgegeven door de korpschef onder wiens verantwoordelijkheid het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld valt.
Als de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij de IND, maakt hij een afspraak via de afsprakenlijn.
De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend.
### 8. Verlenging
De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van het slachtoffer kan niet worden verlengd.
### 2.4. TBC-verklaring
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV. Een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
### 10. Leges
De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Het bepaalde in B1/4.5 is van toepassing.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
Op deze aanvraag zijn de algemene toelatingsvoorwaarden als verwoord in [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16) en de algemene bepalingen van B2 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen in zake het middelenvereiste.
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer.
De vreemdeling aan wie ingevolge de bepalingen van B2 een verblijfsvergunning voor verblijf bij het slachtoffer is verleend, komt niet in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf, zoals bedoeld in [artikel 3.50 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.50), aangezien het hier gaat om een verblijfsrecht van tijdelijke aard (zie [artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder a Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) en B16).
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
Het koppelingsbureau van de IND fungeert in dergelijke gevallen als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
### 9.1. Wijziging werkgever
In aanvulling op de algemene voorwaarden voor de verlening van een verblijfsvergunning (regulier) voor bepaalde tijd genoemd in B1/4, gelden voor de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’ de in dit hoofdstuk neergelegde bijzondere voorwaarden, zoals het voldoen aan het looncriterium (zie B21/3.2) en het voldoen aan de opleidingseis (zie B21/3.4).
### 2. Procedureel
De volgende categorieën vreemdelingen komen in aanmerking voor verblijf op grond van Richtlijn 2009/50:
Op grond van [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) wordt de verblijfsvergunning verleend als:
### 4.1. Vrijstelling mvv
De Hoofddirecteur van de IND stelt het aanvraagformulier vast en het aanvraagformulier kan alleen elektronisch worden verkregen via de website van de IND.
De werkgever kan voor de vreemdeling, die in Nederland verblijf beoogt als houder van een Europese blauwe kaart het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen. Het bepaalde in B1/1.1.1 en B1/1.1.2 is van toepassing. Als de vreemdeling, conform het bepaalde in B1/1.1.1 zonder voorafgaand verzoek om een advies van de werkgever een aanvraag om een mvv indient bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf, wordt de aanvraag ter afhandeling doorgezonden naar het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie.
De echtgeno(o)te of (geregistreerd) partner en de minderjarige kinderen die verblijf bij de houder van een Europese blauwe kaart willen, moeten een aanvraag indienen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleden van de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50.
De werkgever kan een verzoek om advies met het oog op de afgifte van een mvv in het kader van gezinshereniging bij de houder van een Europese blauwe kaart ook bij het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie indienen als:
Als de gezinsleden tegelijkertijd met de hoofdpersoon een verzoek om advies indienen, moeten zij gebruik maken van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv als gezinslid bij de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
Als een gezinslid niet gelijktijdig een verzoek om advies wordt indient moet hij maken van het formulier voor nareizende gezinsleden.
### 4.3. Werkgever
De aanvrager legt een kopie van de arbeidsovereenkomst over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het looncriterium. Daarnaast wordt voor de bewijsmiddelen aangesloten bij B15/5.1.2.
Betrokkene dient de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning als houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50 schriftelijk in bij de IND. Betrokkene kan dit zelf doen, of door tussenkomst van de werkgever. Betrokkene maakt gebruik van het aanvraagformulier ‘aanvraag verblijfsvergunning zonder mvv of wijziging verblijfsdoel als houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’ of ‘aanvraag verblijfsvergunning houder van een Europese blauwe kaart met mvv’.
De Hoofddirecteur van de IND stelt het aanvraagformulier vast en het aanvraagformulier kan alleen elektronisch worden verkregen van de IND (zie website).
### 4.4. Diploma
Als de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’, de aanvraag persoonlijk wil indienen bij de IND, maakt hij een afspraak via de afsprakenlijn.
Met het aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning voor de houder van een Europese blauwe kaart kunnen de gezinsleden gelijktijdig een aanvraag voor een verblijfsvergunning indienen.
Als de gezinsleden naar Nederland reizen nadat de vreemdeling, die in Nederland wil verblijven als houder van een Europese blauwe kaart een aanvraag heeft ingediend, moeten deze gezinsleden een aanvraag indienen. Hiervoor moeten zij gebruik maken van het daartoe bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden.
De vreemdeling, die direct voorafgaande aan de indiening van de aanvraag houder was van een blauwe kaart uit een andere lidstaat, mag de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland afwachten. De uitzetting blijft dan achterwege. Ook de leden van het reeds in de eerste lidstaat bestaande gezin – er mag dus geen sprake zijn van gezinsvorming – mogen de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland afwachten (zie [artikel 3.1b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.1b)).
Ingevolge richtlijn 2009/50 neemt de IND binnen een termijn van 90 dagen een beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als houder van een Europese blauwe kaart’.
### 2.3. Leges
Betaling van de verschuldigde leges vindt plaats door tussenkomst van de werkgever door een machtiging tot automatische incasso. Als de werkgever dit niet bij de aanvraag doet dan vindt betaling van de verschuldigde leges plaats door een acceptgiro van het CJIB.
### 2.4. TBC-verklaring
### 5.1. Inleiding
Voor verlening van een verblijfsvergunning verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging komen in aanmerking de echtgeno(o)te of geregistreerd partner, alsmede de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 5.2. Voorwaarden in het kader van gezinshereniging
Daarna moet de vreemdeling naar de gemeente gaan waar hij woont om zich te laten inschrijven in de GBA.
Het gezinslid legt bescheiden over waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag blijkt.
Als Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verleent, verlengt of intrekt, stelt de IND de eerste lidstaat, die de status als houder van een Europese blauwe kaart aan de vreemdeling heeft verleend, in kennis en verstrekt de IND informatie betreffende het verwijderingsbesluit. De eerste lidstaat is verplicht de vreemdeling en zijn gezinsleden terug te nemen (zie [artikel 3.103a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a)).
### 6. Geldigheidsduur
De toegang wordt niet geweigerd als de vreemdeling of zijn gezinsleden uit een andere staat die partij is bij het EU-Verdrag naar Nederland terugkeert als ‘houder’ of voormalig houder van een door Onze Minister afgegeven Europese blauwe kaart. Dit geldt ook als de geldigheid van de door de Nederlandse autoriteiten afgegeven verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf als houder van een Europese blauwe kaart’ is verstreken of de verblijfsvergunning tijdens behandeling van de aanvraag is ingetrokken (zie [artikel 2.1a, tweede lid, onder a, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=2.1a)).
De verblijfsvergunning van de gezinsleden wordt op grond van [artikel 3.59c, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c) verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, eerste lid onder cc, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’. Het verblijfsrecht wordt met toepassing van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) aangemerkt als een niet-tijdelijk verblijfsrecht.
Op grond van [artikel 3.30b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) wordt de verblijfsvergunning verleend als:
De verblijfsvergunning voor de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/(geregistreerd)partner/ (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De vreemdeling moet beschikken over een geldige mvv afgegeven onder een beperking verband houdend met verblijf als houder van een Europese blauwe kaart. Het mvv-vereiste geldt niet als:
Het is aan de vreemdeling om bescheiden over te leggen waaruit dit blijkt. Richtlijn 2009/50 is niet bindend voor de lidstaten Ierland, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.
### 4.2. Looncriterium
Het looncriterium is een bijzondere voorwaarde voor de verlening van een verblijfsvergunning voor verblijf als ‘houder van een Europese blauwe kaart’. Uit de arbeidsovereenkomst, aangegaan voor ten minste één jaar, moet blijken dat de vreemdeling een salaris ontvangt dat in ieder geval gelijk is aan het looncriterium. De wettelijk toegestane arbeid moet verricht worden voor één en dezelfde werkgever en de vereiste premies en belastingen moeten worden afgedragen.
Voor het looncriterium wordt verwezen naar [artikel 1i van het Buwav](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0007523&artikel=1i). De Minister van SZW zal dit bedrag jaarlijks herzien.
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
De IND telt niet in geld uitgekeerd loon en onzekere loonbestanddelen (overwerkvergoedingen, fooien en uitkeringen) niet mee. Vaste toeslagen (zoals vakantietoeslag en een dertiende maand) rekent de IND bij het brutoloon mee.
De aanvrager legt een kopie van de arbeidsovereenkomst over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het looncriterium. Daarnaast wordt voor de bewijsmiddelen aangesloten bij B15/5.1.2.
### 9.1. Wijziging werkgever
Als de houder van een Europese blauwe kaart niet langer voldoet aan de beperking waaronder aan hem verblijf is toegestaan kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met toepassing van [artikel 18, eerste lid, sub f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18). Relevante wijzigingen, zoals wijziging van werkgever, moeten aan de IND worden gemeld (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). De houder van een Europese blauwe kaart heeft na drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
### 4.4. Diploma
Onder benodigde getuigschriften van het hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, Richtlijn 2009/50 wordt verstaan:
Bij de aanvraag moet altijd de originele diplomawaardering van het Nuffic worden meegestuurd. Betrokkene zelf of de werkgever draagt zelf zorg voor de diplomawaardering door een aanvraag hiertoe in te dienen bij het Informatiecentrum Diplomawaardering van het Nuffic. Bij deze aanvraag moet een gewaarmerkte kopie van het diploma en de bijbehorende cijferlijst worden overgelegd zonodig voorzien van een vertaling door een beëdigde vertaler.
Volgens [artikel 3.30b, eerste lid onder c, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b) moet een ‘gereglementeerd’ beroep (bijvoorbeeld een chirurg, notaris, boswachter en brandweerofficier) erkend zijn. De werkgever en de vreemdeling dragen de verantwoordelijkheid om bij een bezoek van een inspectie aan te tonen dat de vreemdeling beschikt over de vereiste beroepskwalificaties voor het betreffende gereglementeerde beroep.
Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt door de vreemdeling ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De vreemdeling wacht de uitkomst van de aanvraag tot het verlenen van een mvv af in het land van herkomst of bestendig verblijf, met inachtneming van hetgeen bovenstaand is bepaald ten aanzien van verblijf in de vrije termijn.
De vreemdeling kan een aanvraagformulier opvragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.
### 1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student
### 1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student
### 1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure
### 1.3. Samenloop aanvraagprocedures
### 1.5.1.3. Voorwaarden voor culturele uitwisselingsorganisaties
### 1.5.3.2. Onvolledig verzoek om advies
### 1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.2. Ingangsdatum
### 2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen
### 7.2. Afwijzingsgrond verblijfsvergunning op nationale gronden
### 7. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 7.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 20. Eergerelateerd geweld
### 4. Beperking
### 1. Inleiding
### 2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
### 2.3. Algemene voorwaarden:
Naast voornoemde bijzondere voorwaarden voor toelating, moet worden voldaan aan de algemene toelatingsvoorwaarden van [artikel 16 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16). Daarbij geldt ten aanzien van middelen van bestaan het navolgende.
### 3. Procedure
### 4. Beperking
### 4. De beslissing
In het kader van vergroting van de veiligheid van het slachtoffer van eergerelateerd geweld kan de aanvraag, eventueel door tussenkomst van de vrouwenopvang, schriftelijk worden ingediend (zie B1/9.1.1).
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Twv niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan’. Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘een beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’. In het geval de vreemdeling onderdaan is van een lidstaat van de EU, de EER of Zwitserland luidt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. Twv niet vereist’.
Het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie de [artikel 3.34b, eerste lid, onder j, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
Als de gezinsleden tegelijkertijd met de hoofdpersoon een verzoek om advies indienen, moeten zij gebruik maken van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv als gezinslid bij de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
### 1. Inleiding
### 3.1. Briefadres
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd. Met ‘de huiselijke kring’ worden (ex-)partners, gezins- en familieleden en huisvrienden bedoeld. De term ‘huiselijk’ verwijst dus niet naar de plaats waar het geweld zich voordoet, maar naar de relatie tussen pleger en slachtoffer. Huiselijk geweld kan de vorm aannemen van kindermishandeling, (ex-)partnergeweld in alle denkbare verschijningsvormen, en mishandeling, uitbuiting en/of verwaarlozing van ouderen. Het gaat bij huiselijk geweld om lichamelijke, seksuele maar ook psychische vormen van geweld zoals belaging en bedreiging (**‘stalking’**).
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dreiging van eergerelateerd of huiselijk geweld waarvoor een verblijfsvergunning af moet worden gegeven is van belang waar de vreemdeling gevaar loopt.
### 9.1. Wijziging werkgever
In het kader van de aanpak van eergerelateerd en huiselijk geweld is de [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726) gewijzigd zodat slachtoffers van eergerelateerd of huiselijk geweld zonder een verblijfstitel, mits een aanvraag om een verblijfsvergunning vanwege dreigend eergerelateerd geweld is ingediend bij de IND, gebruik kunnen maken van de voorzieningen van de Rvb. Deze regeling maakt niet alleen toegang tot opvang door een instelling voor vrouwenopvang mogelijk, maar ook financiering van hulpverlening en een ziektekostenverzekering.
### 2.3. Leges
Indien de dreiging in de zeer nabije toekomst kan worden weggenomen doordat een bevredigende oplossing voor het conflict kan worden bereikt, zal er in principe geen noodzaak zijn verblijf in Nederland toe te staan. In de rapportage van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de Nederlandse Politie zal worden opgenomen wat de verwachte duur is van het conflict. Een verblijfsvergunning zal echter niet alleen worden verleend indien sprake is van een blijvende dreiging, maar daarnaast is het ook mogelijk om in acute situaties een vergunning te verlenen. De verblijfsvergunning zal een tijdelijk karakter hebben.
### 2. Voorwaarden verblijfsvergunning slachtoffer eergerelateerd geweld en slachtoffer huiselijk geweld
Indien er sprake is van een dreiging met eergerelateerd geweld die alleen in het land van herkomst bestaat, is er aanleiding om het slachtoffer een asielaanvraag in te laten dienen wegens asielgerelateerde gronden. Er zal derhalve voor verlening van een reguliere verblijfsvergunning in ieder geval sprake moeten zijn van een dreiging in Nederland. Naast dreiging in Nederland, dient ook in het land van herkomst dreiging aanwezig te zijn. De vreemdeling dient in dit kader aannemelijk te maken dat er familieleden in het land van herkomst wonen, welke familieleden dat zijn en waar zij woonachtig zijn.
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Er kan een verblijfsvergunning worden verleend:
Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die heeft geleid tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
In gevallen waarin het OM ambtshalve vervolging tegen de dader heeft ingesteld, dus zonder dat de betrokkene aangifte van geweld heeft gedaan, kan geweld worden aangetoond door middel van een recente verklaring van het OM dan wel van de politie. Tevens is vereist: recente informatie van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener; de vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of recente gegevens over verblijf in de opvang; of andere recente gegevens, voorzover het gaat objectieve gegevens uit betrouwbare bron. Uit de inhoud van de overgelegde stukken moet blijken dat er sprake is van (een reële dreiging van) huiselijk geweld, die geleid heeft tot het feitelijk verbreken van de relatie met de (huwelijks)partner.
### 10. Leges
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
### 12. Gezinshereniging
### 4.2. Looncriterium
Het slachtoffer van huiselijk geweld en de minderjarige kinderen van het slachtoffer zijn geen leges verschuldigd voor het indienen van een aanvraag (zie [artikel 3.34b, eerste lid, onder l, en m VV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0012002&artikel=3.34b)).
Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van het slachtoffer van dreigend eergerelateerd geweld, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van het slachtoffer.
### 1. Inleiding
Het is niet de bedoeling dat niet terzake gespecialiseerde ambtenaren van de IND zich een eigenstandig oordeel vormen over de mogelijke dreiging van eergerelateerd geweld.
### 4.3. Werkgever
### 2.1. Verzoek om advies mvv
Als de gezinsleden tegelijkertijd met de hoofdpersoon een verzoek om advies indienen, moeten zij gebruik maken van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv als gezinslid bij de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Als de gezinsleden naar Nederland reizen nadat de vreemdeling, die in Nederland wil verblijven als houder van een Europese blauwe kaart een aanvraag heeft ingediend, moeten deze gezinsleden een aanvraag indienen. Hiervoor moeten zij gebruik maken van het daartoe bestemde aanvraagformulier ter verlening van een verblijfsvergunning regulier voor nareizende gezinsleden.
Bij voortduring van de dreiging in verband waarmee de verblijfsvergunning is verleend of indien er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard kan na 1 jaar een aanvraag worden ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Zie paragraaf B16/14.9.
### 12. Gezinshereniging
Voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komen in aanmerking:
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen die in Nederland willen verblijven in het kader van Richtlijn 2009/50, onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’. De richtlijn regelt de voorwaarden van toegang en verblijf voor langer dan drie maanden op het grondgebied van de lidstaten van derdelanders die als houder van een Europese blauwe kaart hooggekwalificeerde werkzaamheden vervullen en van hun gezinsleden.
### 2.1. Verzoek om advies mvv
De vreemdeling dient het verzoek om advies schriftelijk in bij de IND. Betrokkene kan dit zelf doen, of door tussenkomst van de werkgever. De vreemdeling maakt gebruik van het aanvraagformulier ‘verzoek om advies in verband met afgifte mvv houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50’.
### 4.1. Vrijstelling mvv
### 4.1. Vrijstelling mvv
Ten aanzien van de beslistermijnen wordt aangesloten bij de algemene bepalingen hieromtrent als opgenomen in paragraaf B1/1.
### 4.4. Diploma
De IND controleert bij de Belastingdienst of de loonbelasting of premies voor de werknemers- of volksverzekeringen zijn afgedragen.
Onder benodigde getuigschriften van het hoger onderwijs in de zin van artikel 2, onder h, Richtlijn 2009/50 wordt verstaan:
Het bepaalde in B1/4.5 is van toepassing.
### 2.5. Sticker verblijfsaantekeningen algemeen
De werkgever neemt contact op met het Loket kennis- en arbeidsmigratie van de IND. Vervolgens moet betrokkene of de werkgever met het paspoort van de betrokkene zich melden bij dit loket. Als de vreemdeling in het bezit is van een mvv wordt op de sticker aangetekend: ‘Arbeid wel toegestaan. TWV niet vereist’. Dit geldt ook voor zijn gezinsleden. Als de vreemdeling niet over een mvv beschikt wordt de volgende arbeidsmarktaantekening geplaatst: ‘Arbeid niet toegestaan. TWV wel vereist’. Dit geldt ook voor de afhankelijke gezinsleden.
### 5. Gezinsleden
### 2.6. In kennis stellen eerste lidstaat bij afwijzing
Uitgesloten van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’ is (zie [artikel 3.30b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b)):
### 4. Voorwaarden
### 6. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning van de gezinsleden wordt op grond van [artikel 3.59c, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c) verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van de houder van een Europese blauwe kaart.
Bij het beoordelen van het looncriterium kent de IND uitsluitend betekenis toe aan loon in geld. Het gaat daarbij om het vaste contractueel overeengekomen en in geld vastgestelde brutoloon.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode
Bij de beoordeling van aanvragen om een mvv of een eerste verblijfsvergunning zal in de regel geen rekening kunnen worden gehouden met een eventuele toekenning van de 30% regeling, omdat de Belastingdienst in dat stadium nog geen beschikking heeft afgegeven.
### 4.3. Werkgever
De houder van een Europese blauwe kaart heeft als hij werkloos is geworden, binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, drie maanden de tijd om een nieuwe baan te zoeken. De vreemdeling en zijn (voormalige) werkgever moeten de IND direct informeren als de vreemdeling werkloos is geworden.
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 9.2. Werkloosheid
De werkgever en/of de vreemdeling moet bij de aanvraag de bewijsmiddelen overleggen waaruit blijkt dat de vreemdeling aan de vereisten voldoet om een bepaald beroep uit te oefenen.
Als de houder van een Europese blauwe kaart niet langer voldoet aan de beperking waaronder aan hem verblijf is toegestaan kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met toepassing van [artikel 18, eerste lid, sub f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18). Relevante wijzigingen, zoals wijziging van werkgever, moeten aan de IND worden gemeld (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). De houder van een Europese blauwe kaart heeft na drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
Een vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding komt niet in aanmerking voor een Europese blauwe kaart. In afwijking van B1/4.2 wordt de vreemdeling niet vrijgesteld van dit vereiste ook als de vreemdeling kan aantonen dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.
### 1.1.2. Verzoek om advies
### 2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 2.1. Versnelde toelatingsprocedure
### 2.3. Algemene voorwaarden:
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
### 2.2. Bijzondere voorwaarden
### 3. Procedurele bepalingen slachtoffer eergerelateerd geweld
### 20. Eergerelateerd geweld
### 6. Afgifte van het verblijfsdocument
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
Naast levensbedreigende delicten kunnen ook andere uitingsvormen van eergerelateerd geweld, waarbij sprake is van een strafbaar feit gericht tegen het slachtoffer zoals verminking, mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, tot vergunningverlening leiden.
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
De vreemdeling toontde (reële dreiging van) huiselijk geweld aan met:
### 3.1. Briefadres
De aanvrager legt een kopie van de arbeidsovereenkomst over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het looncriterium. Daarnaast wordt voor de bewijsmiddelen aangesloten bij B15/5.1.2.
### 2. Procedureel
### 5. Gezinsleden
### 4.5. Geldig document voor grensoverschrijding
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
Betaling van de verschuldigde leges vindt plaats door tussenkomst van de werkgever door een machtiging tot automatische incasso. Als de werkgever dit niet bij de aanvraag doet dan vindt betaling van de verschuldigde leges plaats door een acceptgiro van het CJIB.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode
### 3. Uitsluitingen
Uitgesloten van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’ is (zie [artikel 3.30b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.30b)):
### 4. Voorwaarden
De werkgever kan voor de vreemdeling die in Nederland wil verblijven als ‘houder van een Europese blauwe kaart’ het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, per post aan het IND-loket kennis- en arbeidsmigratie sturen.
### 4.3. Werkgever
### 4.4. Diploma
### 5.1. Inleiding
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
Voor beroepen in de individuele gezondheidszorg is registratie in het ‘beroepen in de individuele gezondheidszorg’-register verplicht. Als een vreemdeling in Nederland een beroep wil uitoefenen waarvoor registratie in het BIG (dit register) verplicht is, maar deze registratie niet blijkt wijst de IND de aanvraag af omdat er geen sprake is van wettelijk toegestane arbeid.
### 9.1. Wijziging werkgever
### 9.2. Werkloosheid
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen (zie [artikel 3.89b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b) en [artikel 18, eerste lid, sub d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18)) en de verblijfsvergunning wordt ingetrokken (zie [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91c)) als:
De houder van een Europese blauwe kaart moet in alle gevallen melding maken van zijn werkloosheid (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben op het verblijfsrecht.
Voor verlening van een verblijfsvergunning verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging komen in aanmerking de echtgeno(o)te of geregistreerd partner, alsmede de minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 1.1.2. Verzoek om advies
### 1.2. Afgifte mvv
### 1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd
### 2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen
### 2.3.2. Voortzetting van het verblijf
### 4.2. Geldig document voor grensoverschrijding
### 4.1. Vrijstellingen
### 7.2.2. Bijzondere voorwaarden
### 7.5. Voorschriften
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
### 7. Pilot religieus verblijf
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 2.1. Verzoek om advies mvv
### 3.2. Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
### 6. Wijziging werkgever, zoekperiode
### 19. Verblijf op religieuze of levensbeschouwelijke gronden
### 7.3. Procedure
### 6. Voorschriften
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
### 2.4. TBC-verklaring
Er zijn verschillende vormen van eergerelateerd geweld, van verstoting door familieleden tot levensdelicten. Niet in alle gevallen zal het noodzakelijk zijn verblijf in Nederland toe te staan. Indien sprake is van levensbedreigende delicten of kinderontvoering of indien het geweld leidt tot schrijnende omstandigheden als gedwongen scheiding tussen ouder en kind of een dreigende gedwongen uithuwelijking, ligt vergunningverlening voor de hand.
### 6. Afgifte van het verblijfsdocument
### 21. Verblijf als houder van een Europese blauwe kaart
### 3.3. Kosten van levensonderhoud
### 3.4. Beëindiging [Rvb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0009726)
### 5.2. Voorwaarden in het kader van gezinshereniging
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
### 9. Plaats van indienen van de aanvraag
### 7. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
### 7.2. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
### 1. Inleiding
### 2.1. Verzoek om advies mvv
### 5. Gezinsleden
### 6. Afgifte van het verblijfsdocument
Als Nederland als tweede lidstaat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet verleent, verlengt of intrekt, stelt de IND de eerste lidstaat, die de status als houder van een Europese blauwe kaart aan de vreemdeling heeft verleend, in kennis en verstrekt de IND informatie betreffende het verwijderingsbesluit. De eerste lidstaat is verplicht de vreemdeling en zijn gezinsleden terug te nemen (zie [artikel 3.103a, vierde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.103a)).
### 1. Inleiding
### 4. Beperking
### 10. Leges
### 1. Inleiding
### 2. Procedureel
### 5.1. Inleiding
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
### 2.6. In kennis stellen eerste lidstaat bij afwijzing
### 7.1.11.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is
### 5. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 11. Wijziging beperking en voortgezet verblijf ex [artikel 3.52 Vb](onbekend)
### 4. Voorwaarden
### 4.2. Looncriterium
### 4.3. Werkgever
### 7.3. Procedure
### 7.4. Beperking en arbeidsmarktaantekening
### 2.2. Aanvraag om een verblijfsvergunning
Het koppelingsbureau van de IND fungeert in dergelijke gevallen als contactpunt voor het verstrekken en ontvangen van informatie.
### 3. Uitsluitingen
### 4.1. Vrijstelling mvv
### 4.5. Geldig document voor grensoverschrijding
### 5. Gezinsleden
### 5.1. Inleiding
### 5.2. Voorwaarden in het kader van gezinshereniging
Op grond van [artikel 3.23b Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.23b) wordt de verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging verleend als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan. Het is niet nodig om te beschikken over een geldige mvv:
Het gezinslid legt bescheiden over waaruit de duur en aard van het eerdere verblijf als gezinslid in de andere staat die partij is bij het EU-verdrag blijkt.
Als de gezinsleden niet aan de bovengenoemde voorwaarden voldoen dan zijn de algemene regels van B2 van toepassing. Dit is ook het geval indien het gezin in de andere lidstaat nog niet was gevormd.
### 6. Geldigheidsduur
De verblijfsvergunning wordt verleend voor ten minste één jaar en ten hoogste vier jaren (zie [artikel 3.59c, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c)). Een verblijfsvergunning als houder van een Europese blauwe kaart wordt verleend voor de duur van de arbeidsovereenkomst aangevuld met drie maanden.
De verblijfsvergunning van de gezinsleden wordt op grond van [artikel 3.59c, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.59c) verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de verblijfsvergunning van de houder van een Europese blauwe kaart.
### 7. Beperkingen, arbeidsmarktaantekening en voorschriften
De verblijfsvergunning wordt verleend op grond van [artikel 3.4, eerste lid onder cc, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.4) onder de beperking ‘houder van een Europese blauwe kaart’. Het verblijfsrecht wordt met toepassing van [artikel 3.5, derde lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5) aangemerkt als een niet-tijdelijk verblijfsrecht.
Op het verblijfsdocument wordt de aantekening geplaatst: ‘Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV. Een beroep op publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.
De verblijfsvergunning voor de echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner wordt verleend onder de beperking ‘verblijf bij echtgeno(o)t(e)/(geregistreerd)partner/ (naam). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
De verblijfsvergunning aan minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s)). Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.
Aan de afgifte van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting.
### 8. Wijziging van werkgever, zoekperiode
De houder van een Europese blauwe kaart heeft als hij werkloos is geworden, binnen de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, drie maanden de tijd om een nieuwe baan te zoeken. De vreemdeling en zijn (voormalige) werkgever moeten de IND direct informeren als de vreemdeling werkloos is geworden.
Als de vreemdeling geen baan vindt binnen de termijn van drie maanden, moeten de werkgever en de vreemdeling dit melden bij de IND. De verblijfsvergunning wordt dan ingetrokken. Als er een nieuwe werkgever is gevonden moet deze dit schriftelijk doorgeven aan de IND. De IND zal dan controleren of bij deze werkgever nog wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de Europese blauwe kaart. Als niet meer wordt voldaan aan deze voorwaarden trekt de IND de verblijfsvergunning in. Als de vreemdeling een wijziging wil aanvragen naar een ander verblijfsdoel dient hij daartoe een aanvraag in bij de IND.
### 9. Gronden voor intrekking en niet-verlenging
Een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken of niet verlengd als sprake is geweest van fraude bij de verkrijging ervan of als het verblijfsdocument is vervalst of veranderd (zie [artikel 3.84, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.84)).
De IND wijst de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning af en trekt de verblijfsvergunning in als de vreemdeling niet langer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend (zie [artikel 3.89b, eerste lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b)). Intrekking (zie [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91)) of niet-verlenging is ook mogelijk op gronden die verband houden met openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, een voorschrift dat aan de verblijfsvergunning is verbonden of als een van de andere in [artikel 18 Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18) genoemde afwijzingsgronden van toepassing is (zie B1/5.3.1 t/m B1/5.3.6).
### 9.1. Wijziging werkgever
Als de houder van een Europese blauwe kaart niet langer voldoet aan de beperking waaronder aan hem verblijf is toegestaan kan de verblijfsvergunning worden ingetrokken met toepassing van [artikel 18, eerste lid, sub f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18). Relevante wijzigingen, zoals wijziging van werkgever, moeten aan de IND worden gemeld (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). De houder van een Europese blauwe kaart heeft na drie jaar vrije toegang tot de arbeidsmarkt.
### 9.2. Werkloosheid
Werkloosheid is van invloed op de verblijfsrechtelijke positie van de houder van een Europese blauwe kaart in de zin van Richtlijn 2009/50. De aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen (zie [artikel 3.89b, tweede lid, Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.89b) en [artikel 18, eerste lid, sub d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=18)) en de verblijfsvergunning wordt ingetrokken (zie [artikel 3.91c Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.91c)) als:
De houder van een Europese blauwe kaart moet in alle gevallen melding maken van zijn werkloosheid (zie [artikel 4.43 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=4.43)). Een beroep op de algemene middelen kan gevolgen hebben op het verblijfsrecht.
De vreemdeling die niet meer voldoet aan de beperking verband houdend met het doel waarvoor de oorspronkelijke verblijfsvergunning is verleend, kan een aanvraag indienen tot wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning.
### 22. Langdurig verblijvende kinderen
### 1. Inleiding
In het Regeerakkoord van 29 oktober 2012 is opgenomen dat langdurig in Nederland verblijvende kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen, onder voorwaarden in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning. Daartoe wordt een definitieve regeling getroffen, met als onderdeel daarvan een overgangsregeling. In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels van beide regelingen opgenomen. Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, gelden de bepalingen van hoofdstuk B1 onverkort.
### 2. Definitieve regeling
### 2.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die op het moment van de beoordeling deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2. Het toetsmoment is het moment van de aanvraag.
Het is aan de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag aan te geven wie er feitelijk tot zijn gezin hoort. Indien blijkt dat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden, dan wel onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, kan dit consequenties hebben voor zijn verblijfsaanspraken en die van zijn gezinsleden.
Ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) geldt dat indien bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s), de IND geen vergunning op grond van deze regeling verleent. Wanneer de betreffende amv inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van deze regeling en blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s) kan dat leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning.
Onder gezinsleden verstaat de IND:
En indien de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren. De overige voorwaarden gelden onverkort.
Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling sinds dat moment tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/5.3.2 (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:
Indien sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.
Indien de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling of het gezinslid overneemt ingevolge [artikel 30, eerste lid onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.
Indien de gezinsband is verbroken, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor het betreffende gezinslid.
De vreemdeling en eventuele gezinsleden dienen voorafgaand aan vergunningverlening schriftelijk aan te geven dat lopende procedures onvoorwaardelijk worden ingetrokken bij vergunningverlening op grond van de regeling. De IND zal eventueel al betaalde leges of griffierechten niet restitueren.
### 2.2. Contra-indicaties
De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:
De IND verleent de vergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval indien:
In die gevallen dat sprake is van een lopend onderzoek naar gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, wordt dit onderzoek afgerond alvorens een beoordeling in het kader van de regeling plaats zal vinden.
In geval van een veroordeling tot een taakstraf wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de beoordeling.
Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld. Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde betrokken, doch slechts voor zover het gaat om strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn. Dat geldt ook indien het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar Nederlands recht een misdrijf is. Of het feit naar Nederlands recht een misdrijf is, wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) of de bijzondere Nederlandse strafwetten.
Wanneer er sprake is van openbare orde-aspecten van één van de gezinsleden dan wordt aan het gehele gezin een vergunning onthouden, tenzij de gezinsband is verbroken.
Indien het betreffende gezinslid dat feitelijk tot het gezin behoort en bij wie sprake is van openbare orde-aspecten niet wordt opgenomen bij het indienen van de aanvraag, beoordeelt de IND dit ook als een contra-indicatie en wordt de vergunning niet verleend.
Indien het betreffende gezinslid later in het kader van gezinshereniging dan wel op grond van artikel 8 EVRM een aanvraag indient voor een vergunning, zal de IND bezien of de vergunning van de overige gezinsleden wordt ingetrokken.
Indien bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.
Een eens gepleegd misdrijf wordt – gelijk het staande beleid inzake eerste toelating – niet blijvend tegengeworpen. Hierbij maakt de IND onderscheid tussen drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven enerzijds en overige misdrijven anderzijds.
Ingeval van een veroordeling wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven bedraagt de termijn, gedurende welke de veroordeling een contra-indicatie vormt voor vergunningverlening, tien jaren. Ingeval van een veroordeling wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren.
De termijn vangt aan op de dag van de invrijheidstelling na tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel.
De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren, is niet van toepassing indien sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De IND verleent de verblijfsvergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Indien een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.
Indien de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.
Ingevolge het bepaalde in [artikel 31, tweede lid onder f, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=31) moet de vreemdeling bij zijn asielaanvraag in beginsel zijn identiteit aantonen met documenten. Indien dat niet kan, dan moet hij consistent en naar waarheid verklaard hebben over zijn identiteit en nationaliteit.
Wanneer de vreemdeling of een gezinslid zich na vergunningverlening in de GBA inschrijft met andere gegevens, dan trekt de IND de vergunning in.
Voor de vaststelling of de vreemdeling al dan niet heeft meegewerkt aan zijn vertrek toetst de IND of de vreemdeling in redelijkheid de stappen heeft ondernomen om invulling te geven aan de wettelijke vertrekplicht. Hierbij wordt in elk geval van de vreemdeling verlangd dat hij aannemelijk maakt dat hij zich, met het oog op zijn vertrek, heeft gewend tot:
De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
Aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie wordt altijd tegengeworpen ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
Uitsluitend in het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.
Indien de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.
### 2.3. Overige vereisten
De IND beoordeelt op grond van de aanvraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf. Voor het indienen van de aanvraag zijn geen leges verschuldigd. De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis.
In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1. merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
### 2.4. Procedureke bepalingen
De verblijfsvergunning op grond van de regeling wordt op aanvraag verleend. De vreemdeling moet eerst telefonisch een afspraak maken met de IND alvorens de aanvraag in persoon, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier, in te dienen bij een IND-loket.
De verblijfsvergunning op grond van de regeling wordt op aanvraag verleend.
De vreemdeling moet eerst telefonisch een afspraak maken met de IND alvorens de aanvraag in persoon, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier, in te dienen bij een IND-loket.
De aanvraag moet uiterlijk drie maanden na inwerkingtreding van deze overgangsregeling zijn ingediend bij de IND. De IND neemt aan dat een aanvraag tijdig is ingediend, als de vreemdeling binnen deze termijn telefonisch een afspraak heeft gemaakt.
Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan zowel de hoofdpersoon als het gezinslid onder de beperking ‘definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen’.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan zowel de hoofdpersoon als het gezinslid onder de beperking ‘overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen’.
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.’, wat inhoud dat de betreffende vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt en er geen tewerkstellingsvergunning nodig is.
@@ -17404,142 +17542,18 @@
Ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) verleent de IND de verblijfsvergunning met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
De verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘definitieve regeling langdurig verblijvende kinderen’ betreft een niet-tijdelijk verblijfsrecht als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 3. Overgangsregeling
### 3.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning
De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:
De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. De gezinsleden en de gezinsband wordt beoordeeld naar de stand van zaken op 29 oktober 2012 (startdatum peilperiode). De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2.
Het is aan de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag aan te geven wie er feitelijk tot zijn gezin hoort. Indien blijkt dat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden, dan wel onjuiste of onvolledige informatie heeft vertrekt kan dit consequenties hebben voor zijn verblijfsaanspraken en die van zijn gezinsleden.
Ten aanzien van een alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) geldt dat indien bij de beoordeling van de aanvraag blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s), de IND geen vergunning op grond van deze regeling verleent. Wanneer de betreffende amv inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen op grond van deze regeling en blijkt dat door de amv onjuiste gegevens zijn verstrekt met betrekking tot zijn ouder(s) kan dat leiden tot intrekking van zijn verblijfsvergunning.
Onder gezinsleden verstaat de IND:
En indien de feitelijke gezinsband met bovenstaande perso(o)n(en) is verbroken:
De IND hanteert als peilperiode 29 oktober 2012 (de datum van het Regeerakkoord) en de datum inwerkingtreding van de overgangsregeling.
Indien de vreemdeling tussen 29 oktober 2012 en de datum van inwerkingtreding van deze regeling 21 jaar wordt, werpt de IND dit niet tegen.
Indien de termijn van vijf jaar verblijf in Nederland eerst wordt bereikt op de datum van inwerkingtreding van deze regeling, werpt de IND dit eveneens niet tegen.
Indien de vreemdeling op startdatum van de peilperiode niet voldoet aan de overige voorwaarden, wijst de IND de aanvraag af.
De IND werpt niet tegen dat door of namens de vreemdeling geen asielaanvraag is ingediend indien een ouder van de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend en de vreemdeling na de start van de asielprocedure is geboren.
De overige voorwaarden gelden onverkort.
Indien de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde genoemd in onderdeel c (niet langdurig onttrekken aan toezicht) én hij ten minste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend, neemt de IND aan dat de vreemdeling vijf jaar in Nederland heeft verbleven tenzij één van de omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/5.3.2 (verplaatsing hoofdverblijf) zich voordoet.
De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrokken aan het toezicht indien de vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden:
Indien sprake is van meerdere perioden, alle korter dan drie maanden, waarbij de vreemdeling uit beeld is geweest, werpt de IND dit niet tegen ook al is het totaal aantal drie of meer maanden.
Indien de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en deze lidstaat de verantwoordelijkheid overneemt voor de vreemdeling of het gezinslid ingevolge [artikel 30, eerste lid onder d, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=30), dan neemt de IND aan dat sprake is van langdurig onttrekken aan het toezicht ongeacht de termijn van drie maanden.
Indien de gezinsband is verbroken, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor het betreffende gezinslid.
Indien de vreemdeling of een gezinslid naar een andere Europese lidstaat is vertrokken en dit land een uiteindelijk gehonoreerde claim legt op Nederland om de behandeling over te nemen, geldt dat de claim binnen drie maanden na 27 juli 2010 bekend moet zijn bij de Nederlandse autoriteiten en dient de vreemdeling voor de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012) succesvol te zijn overgedragen aan Nederland.
Wanneer de vreemdeling of een gezinslid op 27 juli 2010 in beeld was en vervolgens naar een andere Europese lidstaat is vertrokken, geldt dat de claim op Nederland binnen drie maanden nadat de vreemdeling of het gezinslid uit beeld is geraakt, bekend moet zijn bij de Nederlandse autoriteiten. Daarnaast geldt onverkort de algemene voorwaarde dat de vreemdeling of het gezinslid voor de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012) succesvol dient te zijn overgedragen aan Nederland.
De vreemdeling en eventuele gezinsleden dienen voorafgaand aan vergunningverlening schriftelijk aan te geven dat lopende procedures onvoorwaardelijk worden ingetrokken bij vergunningverlening op grond van de regeling. De IND zal eventueel al betaalde leges of griffierechten niet restitueren.
### 3.2. Contra-indicaties
De IND verleent de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:
De IND verleent de vergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit is het geval indien
In die gevallen dat sprake is van een lopend onderzoek naar gedragingen als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, wordt dit onderzoek afgerond alvorens een beoordeling in het kader van de regeling plaats zal vinden.
In geval van een veroordeling tot een taakstraf wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen bij de beoordeling. Bij de berekening of er sprake is van een straf of maatregel van ten minste één maand, worden meerdere veroordelingen bij elkaar opgeteld. Het is niet vereist dat de uitspraak waarbij de vreemdeling is veroordeeld wegens een misdrijf onherroepelijk is geworden.
Strafbare feiten die in het buitenland zijn gepleegd of bestraft, worden eveneens bij de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde betrokken, doch slechts voor zover het gaat om strafbare feiten die naar Nederlands recht misdrijven zijn. Dat geldt ook indien het strafbare feit naar buitenlands recht een overtreding, maar naar Nederlands recht een misdrijf is. Of het feit naar Nederlands recht een misdrijf is, wordt beoordeeld aan de hand van de strafbepalingen in het [Wetboek van Strafrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001854) of de bijzondere Nederlandse strafwetten.
Wanneer er sprake is van openbare orde-aspecten van één van de gezinsleden dan wordt aan het gehele gezin een vergunning onthouden, tenzij de gezinsband is verbroken. Indien het betreffende gezinslid dat feitelijk tot het gezin behoort en bij wie sprake is van openbare orde-aspecten niet wordt opgenomen bij het indienen van de aanvraag, beoordeelt de IND dit ook als een contra-indicatie. De IND verleent in dat geval de vergunning niet aan de vreemdeling en de overige gezinsleden.
Indien het betreffende gezinslid later in het kader van gezinshereniging dan wel op grond van artikel 8 EVRM een aanvraag indient voor een vergunning, zal de IND bezien of de vergunning van de overige gezinsleden wordt ingetrokken.
Indien bij beschikking van de IND artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, geldt geen verjaringstermijn.
Een eens gepleegd misdrijf wordt – gelijk het staande beleid inzake eerste toelating – niet blijvend tegengeworpen. Hierbij maakt de IND onderscheid tussen drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven enerzijds en overige misdrijven anderzijds.
Ingeval van een veroordeling wegens drugs-, zeden- dan wel geweldsmisdrijven bedraagt de termijn, gedurende welke de veroordeling een contra-indicatie vormt voor vergunningverlening, tien jaren. Ingeval van een veroordeling wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren.
De termijn vangt aan op de dag van de invrijheidstelling na tenuitvoerlegging van de vrijheidsbenemende straf of maatregel.
De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren, is niet van toepassing indien sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
Voor de beoordeling of sprake is van verjaring met het oog op deze regeling neemt de IND de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan als het bepalende toetsmoment. Indien na deze datum sprake is van verjaring in het kader van de openbare orde, is er geen aanspraak op een vergunning in het kader van deze regeling.
De IND verleent de verblijfsvergunning niet indien de vreemdeling of een gezinslid mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hiervoor is geen strafrechtelijke veroordeling vereist. Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling mogelijk een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.
Indien een gezinslid al houder is van een verblijfsvergunning, geldt deze contra-indicatie uitsluitend voor dat gezinslid.
Indien de vreemdeling of een gezinslid rechtmatig verblijf heeft op grond van [artikel 8 onder j, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=8) (uitstel van vertrek wegens medische redenen) dan werpt de IND dit niet tegen.
Vreemdelingen die al in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van deze overgangsregeling. Zij hebben immers al duidelijkheid over hun verblijf.
Een uitzondering wordt gevormd door de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van de overgangsregeling en die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van een beleid van categoriale bescherming danwel een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op medische gronden, B9, alleenstaande minderjarige vreemdeling, vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken of het volgen van studie.
Deze vergunningen zijn meestal verleend in het verlengde van een asielaanvraag of hebben specifiek betrekking op de doelgroep jongeren.
De houder van een dergelijke vergunning kan éénmalig een aanvraag indienen tot wijziging van die vergunning in een verblijfsvergunning op grond van deze regeling.
Deze mogelijkheid geldt eveneens voor een eventueel gezinslid van de hoofdpersoon.
De vreemdeling die tijdig een aanvraag op grond van deze regeling heeft ingediend en die niet meer dan één keer een identiteit heeft opgegeven waarover twijfel bestaat, wordt door de IND eenmalig de gelegenheid geboden om alsnog de juiste identiteitsgegevens naar voren te brengen.
Op deze wijze kan op basis van de juiste identiteitsgegevens een vergunning worden verleend. In de overige gevallen is identiteitsherstel niet aan de orde.
Voorwaarde voor identiteitsherstel is dat voorafgaand aan het identiteitsherstel reeds is voldaan aan alle overige voorwaarden van de overgangsregeling. Het is dus niet mogelijk om enkel door het identiteitsherstel alsnog te voldoen aan de voorwaarden van de regeling.
Er is sprake van twijfel indien:
Ten behoeve van het identiteitsherstel dienen primair documenten overgelegd te worden waaruit de identiteit blijkt. Indien de vreemdeling zijn identiteit niet door middel van documenten kan aantonen, stelt de IND hem in de gelegenheid om een verklaring af te leggen en de schriftelijke vastlegging hiervan te ondertekenen.
Indien op enig moment blijkt dat de op deze wijze door de vreemdeling naar voren gebrachte identiteit niet juist is, kan de IND de verblijfsvergunning intrekken of de geldigheidsduur daarvan niet verlengen.
De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.
Aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie wordt altijd tegengeworpen, ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang.
Uitsluitend in het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.
Indien de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van de overige gezinsleden.
### 3.3. Overige vereisten
De IND beoordeelt op grond van de aanvraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor verblijf. Voor het indienen van de aanvraag zijn geen leges verschuldigd. De IND verleent vrijstelling van het paspoortvereiste en de inkomenseis.
In aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1. merkt de IND de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de regeling aan als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in [artikel 3.71, vierde lid, Vreemdelingenbesluit](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.71) vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.
Indien de vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de regeling en ook overigens niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in paragraaf B1/4.1.1, wijst de IND de aanvraag af wegens het ontbreken van een mvv met toepassing van het bepaalde in [artikel 16, eerste lid onder a, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=16).
### 3.4. Procedurele bepalingen
De verblijfsvergunning op grond van de regeling wordt op aanvraag verleend.
De vreemdeling moet eerst telefonisch een afspraak maken met de IND alvorens de aanvraag in persoon, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier, in te dienen bij een IND-loket.
De aanvraag moet uiterlijk drie maanden na inwerkingtreding van deze overgangsregeling zijn ingediend bij de IND. De IND neemt aan dat een aanvraag tijdig is ingediend, als de vreemdeling binnen deze termijn telefonisch een afspraak heeft gemaakt.
Het kind, dat in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd, kan bij zijn aanvraag tevens verblijf aanvragen voor zijn gezinsleden, tenzij de gezinsband inmiddels is verbroken.
De IND verleent de verblijfsvergunning aan zowel de hoofdpersoon als het gezinslid onder de beperking ‘overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen’.
De arbeidsmarktaantekening luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist.’, wat inhoud dat de betreffende vreemdeling vrij is op de arbeidsmarkt en er geen tewerkstellingsvergunning nodig is.
Op het verblijfsdocument wordt vermeld: 'verblijf onder beperking cf. beschikking Staatssecretaris. Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist.'
Ingevolge [artikel 26, eerste lid, Vw](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=26) verleent de IND de verblijfsvergunning met ingang van de datum waarop de aanvraag is ontvangen. De verblijfsvergunning wordt verleend voor de duur van een jaar.
De verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen' betreft een niet-tijdelijk verblijfsrecht, als bedoeld in [artikel 3.5 Vb](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011825&artikel=3.5).
### 3.2.5.3. Ingangsdatum ambtshalve verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 3.3. Overige aanvraagprocedures voor een verblijfsvergunning regulier
### 4.3.3.2. Inkomen uit arbeid als zelfstandige
### 6.2. Gronden voor het niet-verlengen en intrekken van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
### 8.1.1. Gelegaliseerde bescheiden
### 8.3. Bewijsmiddelen aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier
### 8.3.2. Bewijsmiddelen vrijstelling leges op grond van artikel 8 EVRM
2013-02-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 29, 1, 31 y 8 más
2013-01-01
Vreemdelingencirculaire 2000 (B) — arts. 24, 5, 3 y 544 más
original version
Tekst op deze datum