← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 7 september 2001, houdende regels in verband met de verstrekking van reisdocumenten door de Minister van Buitenlandse Zaken en de hoofden van de door hem aangewezen consulaire posten in het buitenland

Geldende tekst a fecha 2004-05-01

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, onder g, tweede en derde lid, 3, eerste, derde, vierde en zevende lid, 16, tweede lid, 26, eerste lid, onder d en derde lid, 27, eerste lid, 30, eerste lid, 31, derde lid, 40, eerste lid, onder d en zesde lid, 43, 57 en 59 van de Paspoortwet;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

§ 1. Definities en reikwijdte

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de wet: de Paspoortwet; b. aanvraag, weigering, verstrekking, uitreiking, houder, wijziging, inhouding, vervallen of vervallenverklaring en vermissing: hetgeen ingevolge artikel 1, eerste lid, van de wet daaronder wordt verstaan; c. aanvrager: degene die een aanvraag als bedoeld in artikel 1, onder a, van de wet indient; d. register paspoortsignaleringen: het register, bedoeld in artikel 25, derde lid, van de wet; e. signalerende autoriteit: de autoriteit, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24 van de wet, die op grond van artikel 25 van de wet een verzoek tot weigering of vervallenverklaring heeft ingediend; f. basisadministratie: een gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, onderscheidenlijk een bij eilandelijke verordening in de Nederlandse Antillen of bij Landsverordening in Aruba ingestelde basisadministratie persoonsgegevens; g. basisregister reisdocumenten: het register, bedoeld in artikel 4a van de wet; h. aanvraagsysteem reisdocumenten: het geheel van apparatuur, programmatuur, opslagmedia en overige materialen, waarvan door de bevoegde autoriteit gebruik wordt gemaakt bij de aanvraag, verstrekking, uitreiking en registratie van reisdocumenten; i. reisdocumentenstation: de door de leverancier beschikbaar gestelde apparatuur en programmatuur, waarin gegevens met betrekking tot aangevraagde en uitgereikte reisdocumenten worden verwerkt en gearchiveerd en waarmee de gegevensuitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de leverancier plaatsvindt (reisdocumentenaanvraag- en archiefstation); j. reisdocumentenadministratie: de in het reisdocumentenstation en op andere wijze bij de bevoegde autoriteit opgeslagen gegevens met betrekking tot aangevraagde en uitgereikte reisdocumenten; k. reisdocumentenmodule: de apparatuur en programmatuur, waarmee de bevoegde autoriteit bij de aanvraag en uitreiking gegevens uitwisselt met het reisdocumentenstation en de basisadministratie; l. standaardclausule: een clausule, waarvan de tekst in bijlage A van deze regeling is opgenomen en die door de leverancier dan wel de bevoegde autoriteit in het reisdocument wordt aangebracht; m. standaardformulier: een voorbedrukt formulier, opgenomen in bijlage B van deze regeling; n. modelformulier: een model voor een formulier, opgenomen in bijlage C van deze regeling; o. aanvraag-informatieformulier: een door de Minister van Buitenlandse Zaken voorgeschreven formulier, dat bestemd is voor het opmaken van een aanvraag voor een reisdocument; p. aanvraagformulier: het in bijlage B van deze regeling opgenomen standaardformulier B1 dat bestemd is voor het op schrift stellen van de aanvraaggegevens, bedoeld in artikel 51; q. aanvraagnummer: het nummer dat voorgedrukt is op het aanvraagformulier; r. administratienummer: het administratienummer, bedoeld in artikel 50 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens; s. sofi-nummer: het sociaal-fiscaalnummer, bedoeld in artikel 47b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; t. bijschrijving: bijschrijving van kinderen als bedoeld in artikel 17 van de wet; u. bijschrijvingssticker: sticker waarop de gegevens van een bij te schrijven kind zijn vermeld; v. agentschap BPR: het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; w. identificatiekaart: een document als bedoeld in artikel 88, waarmee op elektronische wijze toegang kan worden verkregen tot het reisdocumentenstation en de daarin opgeslagen programmatuur en gegevens; x. leverancier: het bedrijf dat in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties belast is met het verrichten van diensten in verband met de verstrekking van reisdocumenten, waaronder de vervaardiging en levering van reisdocumenten, bijschrijvingsstickers en identificatiekaarten; y. distributeur: het bedrijf dat zorg draagt voor de distributie van reisdocumenten, bijschrijvingsstickers, identificatiekaarten en overige materialen die door de leverancier worden geleverd; z. uitgiftelocatie: de locatie bij een bevoegde autoriteit waar de aanvragen aan de leverancier worden verzonden en de documenten en overige materialen door de distributeur worden afgeleverd;

aa. de korpschef: de korpschef, bedoeld in artikel 24 van de Politiewet 1993; bb. verblijfsdocument: een document waaruit het verblijfsrecht van de vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000, dan wel de Landsverordening Toelating en Uitzetting van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba, blijkt.

2.

Deze regeling is van toepassing op de verstrekking van reisdocumenten door de Minister van Buitenlandse Zaken en de hoofden van door hem aangewezen consulaire posten in het buitenland.

§ 2. Andere reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden

Artikel 2

Andere reisdocumenten van het Koninkrijk der Nederlanden ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van de wet zijn:

§ 3. Modellen van de reisdocumenten

Artikel 3
1.

Met betrekking tot de in artikel 2, eerste lid, onder a tot en met e, van de wet bedoelde reisdocumenten bestaan de navolgende modellen:

2.

Met betrekking tot het in artikel 2, eerste lid, onder f, van de wet bedoelde nooddocument bestaan de navolgende modellen:

3.

Met betrekking tot de ingevolge artikel 2, eerste lid, onder g, van de wet vastgestelde reisdocumenten bestaan de navolgende modellen:

4.

Met betrekking tot de ingevolge artikel 2, tweede lid, van de wet genoemde Nederlandse identiteitskaart bestaat het navolgende model: model Nederlandse identiteitskaart.

§ 4. Register paspoortsignaleringen

Artikel 4. Vestigingsplaats van het register

Het register paspoortsignaleringen is ondergebracht bij het agentschap BPR.

Artikel 5. Administratie van kennisgevingen uit het register
1.

De tot verstrekking dan wel inhouding bevoegde autoriteiten dragen er zorg voor dat de administratie, bedoeld in artikel 25, vierde en vijfde lid, van de wet, te allen tijde de naam, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats bevat van de personen ten aanzien van wie zij op grond van de wet bevoegd zijn tot verstrekking dan wel inhouding.

2.

De in het eerste lid bedoelde administratie is op naam toegankelijk en kan desgewenst worden gevoerd door het bewaren en raadplegen van de regelmatig toegezonden signaleringslijst en de tussentijdse aanvullingen daarop.

§ 5. Aangewezen autoriteiten

Artikel 6. De Minister van Buitenlandse Zaken

De Minister van Buitenlandse Zaken neemt naast de in de wet genoemde gevallen tevens aanvragen in ontvangst voor en gaat over tot:

Artikel 7. Het hoofd van de post
1.

De hoofden van alle posten zijn bevoegd tot:

2.

De hoofden van de in bijlage G genoemde posten zijn, ten aanzien van de aanvrager die verblijf heeft in het ressort van de post waar de aanvraag wordt ingediend, bevoegd tot verstrekking van:

3.

De hoofden van de in bijlage G genoemde posten zijn voorts bevoegd tot verstrekking van noodpaspoorten.

4.

De hoofden van de in bijlage H genoemde posten zijn bevoegd tot verstrekking van Nederlandse identiteitskaarten.

Artikel 8. Heffing en kwijtschelding van rechten

Het hoofd van de post die een aanvraag in ontvangst neemt, is bevoegd tot heffing van rechten, dan wel het verlenen van gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rechten als bedoeld in het Besluit paspoortgelden.

Hoofdstuk II. Vaststelling aanspraken op reisdocumenten en geldigheid

§ 1. Nationale paspoorten en Nederlandse identiteitskaarten

Artikel 9. Vaststelling van het Nederlanderschap
1.

Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

2.

Indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument over te leggen, worden de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een nooddocument, geraadpleegd.

3.

Berusten de in het tweede lid bedoelde gegevens bij een andere autoriteit, dan wordt deze verzocht om kosteloze verstrekking van een afschrift van de gevraagde gegevens uit de reisdocumentenadministratie. In de aanvraag wordt vermeld bij welke autoriteit de gegevens zijn opgevraagd.

4.

Indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

Artikel 10. Geldigheid
1.

Het nationaal paspoort is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

2.

De Nederlandse identiteitskaart is geldig voor vijf jaren en voor de volgende landen: Andorra, België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Ierland, IJsland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Monaco, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal, San Marino, Spanje, Turkije, Zweden en Zwitserland.

§ 2. Reisdocumenten voor niet-Nederlanders

§ 2.1. Reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor vreemdelingen ten behoeve van personen die in Nederland rechtmatig verblijf hebben

Artikel 11. Gebruik van het modelformulier
1.

Bij de aanvraag van een reisdocument voor vluchtelingen, dan wel een reisdocument voor vreemdelingen wordt gebruik gemaakt van modelformulier C1.

2.

Een in het eerste lid bedoeld formulier kan worden verstrekt nadat daartoe een verzoek is gedaan door het hoofd van de post, onder vermelding van de personalia van de aanvrager en de reden van de aanvraag.

3.

In het formulier worden naast de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum en geboorteplaats van de aanvrager de navolgende gegevens vermeld:

4.

De daartoe aangewezen ambtenaar voorziet het formulier op de bestemde plaats van zijn handtekening.

5.

Het hoofd van de post waar de aanvraag is ingediend zendt het formulier, vergezeld van (foto)kopieën van de in het bezit van de aanvrager zijnde reisdocumenten, dan wel van de reisdocumenten waarin hij staat bijschreven (met alle bestempelde visumbladzijden), alsmede van het verblijfsdocument aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel 12. Opmerkingen van de korpschef
1.

Het formulier en de eventuele overgelegde bewijsstukken worden door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken doorgezonden aan de korpschef in wiens vreemdelingenadministratie de aanvrager ten tijde van de aanvraag is opgenomen.

2.

In het formulier worden de navolgende gegevens die over de aanvrager in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen, vermeld:

3.

In het formulier wordt tevens vermeld of en zo ja, op welke punten de ingevolge artikel 11 vermelde gegevens afwijken van de gegevens die omtrent de aanvrager in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen.

4.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 14 van de wet en tegen het verlenen daarvan op verblijfsrechtelijke gronden bedenkingen bestaan, vermeldt de korpschef als bedenkingen:

5.

De daartoe aangewezen ambtenaar voorziet het formulier op de bestemde plaats van zijn handtekening.

6.

De korpschef zendt het formulier terug aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel 13. Vaststelling aanspraken op reisdocumenten als bedoeld in artikel 11 en 13 van de wet
1.

De vaststelling van de aanspraak op een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 11 van de wet geschiedt aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens verblijfsrecht ingevolge artikel 28 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000 en diens nationaliteit blijkt, alsmede op grond van de gegevens die in het formulier zijn opgenomen.

2.

De vaststelling van de aanspraak op een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 13 van de wet geschiedt aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens verblijfsrecht ingevolge artikel 14 of 20 van de Vreemdelingenwet 2000 en het gegeven van zijn staatloosheid blijkt, alsmede op grond van de gegevens die in het formulier zijn opgenomen.

Artikel 14. Vaststelling aanspraken op reisdocumenten als bedoeld in artikel 14 van de wet
1.

Indien de aanvrager geen aanspraak heeft op een reisdocument als bedoeld in artikel 11 of 13 van de wet worden in het formulier naast de gegevens, bedoeld in artikel 11, nog de navolgende gegevens vermeld:

2.

De vaststelling van de aanspraak op een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 14 van de wet geschiedt aan de hand van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument, waaruit diens verblijfsrecht ingevolge artikel 14 of 20 van de Vreemdelingenwet 2000 en diens nationaliteit blijkt, alsmede op grond van de gegevens die in het formulier zijn opgenomen.

Artikel 15. Beslissing inzake de aanspraak op een reisdocument als bedoeld in de artikelen 11, 13 of 14 van de wet
1.

Indien de in de basisadministratie opgenomen gegevens afwijken van de gegevens die omtrent de aanvrager in zijn verblijfsdocument of in de vreemdelingenadministratie zijn opgenomen dan wel anderszins onzekerheid bestaat over deze gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld.

2.

De Minister van Buitenlandse Zaken vermeldt in het formulier zijn beslissing met betrekking tot de aanspraak van de aanvrager op het aangevraagde reisdocument.

3.

De Minister van Buitenlandse Zaken zendt het formulier terug aan het hoofd van de post waar de aanvraag is ingediend.

Artikel 16. Reisdocumenten voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet
1.

Indien de aanvrager geen aanspraak heeft op een reisdocument als bedoeld in artikel 11, 13 of 14 van de wet worden in het formulier naast de gegevens, bedoeld in artikel 11, derde liden 14, eerste lid, de navolgende gegevens vermeld:

2.

De artikelen 11, vierde en vijfde lid, 12 en 15 zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2.2. Reisdocumenten voor vluchtelingen en reisdocumenten voor vreemdelingen ten behoeve van personen die in de Nederlandse Antillen dan wel Aruba rechtmatig verblijf hebben

Artikel 17. Gebruik van een informatieformulier
1.

Bij de aanvraag van een reisdocument voor vluchtelingen, dan wel een reisdocument voor vreemdelingen wordt gebruik gemaakt van een daartoe bestemd informatieformulier. Dit kan een aanvraag-informatieformulier zijn als bedoeld in artikel 35.

2.

Het invullen van het formulier, bedoeld in het eerste lid, geschiedt zoveel mogelijk overeenkomstig de artikelen 11, derde lid, 14, eerste lid en 16, eerste lid.

3.

Artikel 11, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18. Vaststelling aanspraken op een reisdocument
1.

Het informatieformulier en de eventuele overgelegde bewijsstukken worden door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken doorgezonden aan de Gouverneur van de Nederlandse Antillen of Aruba.

2.

De Gouverneur vermeldt in het formulier of, en zo ja welke bedenkingen bestaan tegen verstrekking van het aangevraagde reisdocument.

3.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een reisdocument als bedoeld in artikel 12 of 14 van de wet gaat de Gouverneur niet over tot de in het tweede lid bedoelde vermelding in het formulier alvorens hij het advies van de Minister van Buitenlandse Zaken over de desbetreffende aanvraag heeft ingewonnen.

4.

Behoudens het bepaalde in het vijfde lid zendt de Gouverneur het formulier aan het hoofd van de post waar de aanvraag is ingediend.

5.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet zendt de Gouverneur het formulier aan de Minister van Buitenlandse Zaken die daarin vermeldt of en zo ja, welke bedenkingen hij heeft tegen de verstrekking van het aangevraagde reisdocument en het formulier doorstuurt aan het hoofd van de post waar de aanvraag is ingediend.

§ 2.3. Nooddocumenten voor niet-Nederlanders als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet

Artikel 19. Laissez-passer voor vreemdelingen
1.

De vaststelling van een aanspraak op verstrekking van een laissez-passer ingevolge artikel 15, tweede lid, van de wet geschiedt met gebruikmaking van het door de aanvrager overgelegde verblijfsdocument waaruit diens rechtmatig verblijf in een der landen van het Koninkrijk en diens nationaliteit blijkt, alsmede aan de hand van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

2.

In geval van twijfel aan de gegevens die in het verblijfsdocument zijn vermeld dan wel door de aanvrager zijn verstrekt, vindt verificatie daarvan plaats in de vreemdelingenadministratie waarin de aanvrager is opgenomen.

3.

De verstrekking van een laissez-passer ten behoeve van een in het eerste lid bedoelde persoon door het hoofd van de post vindt slechts plaats na machtiging van de Minister van Buitenlandse Zaken.

§ 2.4. Geldigheid

Artikel 20
1.

Een reisdocument voor vluchtelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel over een toelating als vluchteling in de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

2.

Een reisdocument voor vluchtelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel over een overeenkomstige verblijfsvergunning in de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba, is geldig:

3.

Een reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel over een overeenkomstige verblijfsvergunning in de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen, met uitzondering van het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

4.

Een reisdocument voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 14 van de wet, verstrekt aan een persoon die beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, dan wel over een overeenkomstige verblijfsvergunning in de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk Aruba, is geldig:

5.

Een reisdocument voor vreemdelingen, verstrekt aan een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld, is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

6.

Een reisdocument voor vreemdelingen dan wel een nooddocument als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet, is geldig:

§ 3. Faciliteitenpaspoorten

Artikel 21. Aanspraken
1.

Aan een staatloze persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld, wordt op zijn verzoek binnen de grenzen bij de wet bepaald een faciliteitenpaspoort verstrekt.

2.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Geldigheid

Een faciliteitenpaspoort is geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

§ 4. Tweede paspoorten

Artikel 23. Aanspraken
1.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de wet kan een tweede paspoort worden verstrekt op verzoek van houders van een nationaal paspoort, die aantonen dat zij voor zakelijke of beroepsmatige redenen:

2.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt na overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken een overzicht op van de in het eerste lid, onder a, bedoelde landen.

3.

Bij de aanvraag dient het oorspronkelijke paspoort en het eventueel eerder uitgereikte tweede paspoort te worden overgelegd.

4.

In afwijking van het derde lid kan bij de aanvraag worden volstaan met afschriften van de houderpagina en van alle bestempelde visumbladzijden van het oorspronkelijke paspoort en het eventueel eerder uitgereikte tweede paspoort, indien de aanvrager met een door een buitenlandse vertegenwoordiging verstrekte verklaring of ander schriftelijk bewijs kan aantonen, dat het over te leggen reisdocument zich op dat moment in verband met visering bij de desbetreffende buitenlandse vertegenwoordiging bevindt.

5.

Indien bij de aanvraag blijkt dat de geldigheidsduur van het oorspronkelijke paspoort binnen zes maanden zal verstrijken, wordt de beslissing op de aanvraag pas genomen nadat het oorspronkelijke paspoort is vervangen door een nieuw nationaal paspoort.

Artikel 24. Geldigheid

Een tweede paspoort is geldig voor twee jaren en voor alle landen.

§ 5. Nooddocumenten en noodverlengingen

Artikel 25. Nooddocumenten voor Nederlanders als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet
1.

Op het vaststellen van de aanspraak van een Nederlander dan wel een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld, op een nooddocument zijn de artikelen 9 en 21 zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

2.

Aan een in het eerste lid bedoelde persoon, die aanspraak heeft op verstrekking van een nooddocument, wordt een noodpaspoort verstrekt.

3.

In afwijking van het tweede lid wordt aan een in het eerste lid bedoelde persoon een laissez-passer verstrekt, indien bij de verstrekking geen gebruik kan worden gemaakt van het reisdocumentenstation en de reis van de betrokken aanvrager geen uitstel gedoogt.

Artikel 26. Nooddocumenten voor niet-Nederlanders als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet
1.

Op het vaststellen van de aanspraak van een vreemdeling op een nooddocument zijn de artikelen 13 en 14, tweede lid, zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. De verstrekking vindt slechts plaats na machtiging van de Minister van Buitenlandse Zaken, die de in de aanvraag vermelde verblijfsrechtelijke gegevens verifieert bij:

2.

Aan een in het eerste lid bedoelde persoon, die aanspraak heeft op verstrekking van een nooddocument, wordt een laissez-passer verstrekt.

Artikel 27. Geldigheid
1.

Een nooddocument is maximaal een jaar geldig.

2.

Bij het vaststellen van de geldigheidsduur wordt rekening gehouden met de duur van de reis, alsmede de door het land van bestemming en de landen van doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na binnenkomst, dan wel vertrek van de houder.

3.

De territoriale geldigheid van een noodpaspoort omvat alle landen en die van een laissez-passer, behoudens het bepaalde in het vierde lid, het land van bestemming en de landen waarvan de houder op zijn doorreis de grens passeert.

4.

Indien de verstrekking van het laissez-passer geschiedt ten behoeve van een niet-Nederlander, omvat de territoriale geldigheid nimmer het land waarvan de houder de nationaliteit bezit.

Artikel 28. In nooddocumenten te vermelden tijdstip en autoriteit van inlevering
1.

In een nooddocument wordt de datum waarop het reisdocument uiterlijk moet worden ingeleverd en de autoriteit bij wie de inlevering dient plaats te vinden, vermeld.

2.

De ingevolge het eerste lid te vermelden datum is de datum waarop de geldigheidsduur van het nooddocument eindigt.

3.

De ingevolge het eerste lid te vermelden autoriteit is:

Artikel 29. Aanspraken noodverlengingen
1.

Het hoofd van de post gaat uitsluitend over tot het aanbrengen van een noodverlenging ten behoeve van een persoon die voldoet aan de in artikel 25 of 26 gestelde voorwaarden en houder is van een nog geldig Nederlands reisdocument, niet zijnde een Nederlandse identiteitskaart of een nooddocument.

2.

Het aanbrengen van een noodverlenging in een reisdocument waarin reeds eerder een noodverlenging werd aangebracht, is niet toegestaan.

Artikel 30. Geldigheid noodverlengingen
1.

Een noodverlenging is maximaal een jaar geldig.

2.

Bij het vaststellen van de geldigheidsduur wordt rekening gehouden met de duur van de reis, alsmede de door het land van bestemming en de landen van doorreis vereiste minimale geldigheid van het reisdocument na binnenkomst, dan wel vertrek van de houder.

§ 6. Diplomatieke paspoorten en dienstpaspoorten

Artikel 31. Aanspraken en geldigheid
1.

De vaststelling van een aanspraak op verstrekking van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort geschiedt door de Minister van Buitenlandse Zaken, met gebruikmaking van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt.

2.

Het hoofd van de post of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar, die namens de Minister van Buitenlandse Zaken een aanvraag in ontvangst neemt voor de verstrekking van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort, zendt een daartoe bestemd aanvraag-informatieformulier met de gegevens van de aanvrager, vergezeld van een foto die voldoet aan de in artikel 42 gestelde eisen, alsmede het aanvraagformulier, voorzien van de handtekening van de aanvrager dan wel de persoon ten behoeve van wie de aanvraag wordt gedaan, aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

3.

Bij de aanvraag als bedoeld in het tweede lid worden (foto)kopieën van het te vervangen diplomatiek paspoort of dienstpaspoort meegezonden.

4.

De geldigheid van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort wordt bij elke verstrekking afzonderlijk vastgesteld door de Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel 32. Oplegging reisdocumenten
1.

Tot de uitreiking van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort aan een aanvrager die ingevolge artikel 30 van de wet heeft verzocht om houder te blijven van zijn geldige Nederlandse reisdocument, wordt slechts overgegaan na inlevering van het laatstgenoemde reisdocument bij de Minister van Buitenlandse Zaken, waar het tijdelijk wordt opgelegd.

2.

Bij inlevering van het in het eerste lid bedoelde diplomatieke paspoort of dienstpaspoort wordt het opgelegde reisdocument aan de houder teruggegeven, tenzij de geldigheidsduur daarvan inmiddels is verstreken.

3.

Indien de geldigheidsduur van het opgelegde reisdocument verstrijkt, wordt het reisdocument namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties definitief aan het verkeer onttrokken op de in artikel 78 vermelde wijze.

4.

Van de definitieve onttrekking aan het verkeer van het opgelegde reisdocument, wordt op de in artikel 80 vermelde wijze kennisgegeven.

Artikel 33. Dienstpaspoortclausule
1.

De vaststelling van een aanspraak op plaatsing van een dienstpaspoortclausule in een nationaal paspoort, waardoor dat paspoort tijdelijk de status van een dienstpaspoort verkrijgt, geschiedt door de Minister van Buitenlandse Zaken, met gebruikmaking van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt.

2.

De plaatsing van de dienstpaspoortclausule geschiedt met behulp van standaardclausule IX. In de clausule worden de datum waarop deze is aangebracht, de datum waarop de geldigheidsduur ervan eindigt en het bijbehorende administratienummer ingevuld.

2.

De clausule wordt ondertekend door de Minister van Buitenlandse Zaken of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar en gewaarmerkt met het in artikel 102, eerste lid, bedoelde dienststempel.

3.

De clausule wordt aangebracht op de bladzijde bestemd voor ambtelijke aantekeningen of op een visumbladzijde.

4.

De geldigheidsduur van een dienstpaspoortclausule mag de geldigheidsduur van het nationaal paspoort waarin deze wordt aangebracht, niet overschrijden.

Artikel 34. Noodverlenging diplomatiek paspoort of dienstpaspoort
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken dan wel namens deze, het hoofd van de post gaat uitsluitend over tot het aanbrengen van een noodverlenging ten behoeve van een persoon die voldoet aan de in artikel 31 gestelde voorwaarden en houder is van een nog geldig diplomatiek paspoort of dienstpaspoort.

2.

Artikel 27, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Het aanbrengen van een noodverlenging in een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort geschiedt overeenkomstig artikel 54.

4.

Het hoofd van de post of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar die een noodverlenging als bedoeld in het eerste lid aanbrengt, geeft daarvan terstond kennis aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

Hoofdstuk III. Aanvraagprocedure

§ 1. Algemeen

Artikel 35. Het opmaken van de aanvraag voor een reisdocument
1.

Bij het opmaken van een aanvraag voor een reisdocument kan, in nader door de Minister van Buitenlandse Zaken te bepalen gevallen, gebruik worden gemaakt van een daartoe bestemd aanvraag-informatieformulier.

2.

In de aanvraag wordt de in artikel 91 bedoelde locatiecode, behorende bij de uitgiftelocatie, vermeld.

3.

In de aanvraag wordt aangegeven op welk model reisdocument deze betrekking heeft.

4.

In de aanvraag wordt het aantal gelijktijdig in het reisdocument bij te schrijven kinderen vermeld.

5.

In de aanvraag wordt het aanvraagnummer vermeld.

Artikel 36. Vaststelling van de identiteit van de aanvrager
1.

Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van de aanvrager wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt.

2.

Indien de aanvrager niet in staat is een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument over te leggen, de in het overgelegde reisdocument vermelde gegevens afwijken van de gegevens die door de aanvrager bij de aanvraag zijn verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van de aanvrager, worden de in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens behorende bij het eerder aan betrokkene uitgereikte reisdocument, niet zijnde een nooddocument, geraadpleegd. Tevens worden in dat geval nadere identificerende vragen gesteld.

3.

Berusten de in het tweede lid bedoelde gegevens bij een andere autoriteit, dan wordt deze verzocht om kosteloze verstrekking van een afschrift van de gevraagde gegevens uit de reisdocumentenadministratie. In de aanvraag wordt vermeld bij welke autoriteit de gegevens zijn opgevraagd.

4.

In afwijking van het tweede en het derde lid kan bij vermissing van een eerder uitgereikt reisdocument het raadplegen van de gegevens uit de reisdocumentenadministratie achterwege blijven, indien de identiteit van de aanvrager met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld aan de hand van een ander op grond van artikel 30 van de wet aan de aanvrager uitgereikt geldig reisdocument.

5.

De aanvrager aan wie niet eerder een Nederlands reisdocument is verstrekt, dient bij zijn aanvraag andere identiteitsdocumenten die voorzien zijn van zijn foto en handtekening over te leggen. Indien hij dergelijke documenten niet kan overleggen of ondanks overlegging van deze documenten twijfel blijft bestaan over zijn identiteit, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

6.

In de aanvraag wordt vermeld dat de identiteit van de aanvrager is vastgesteld en met welke documenten of andere bewijsstukken de identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden.

Artikel 37. Persoonsgegevens van de aanvrager
1.

In de aanvraag voor een reisdocument worden de volgende persoonsgegevens van de aanvrager vermeld:

2.

De geslachtsnaam omvat tevens de voorvoegsels en adellijke titels, de voornaam omvat tevens de adellijke predikaten. Op verzoek van de aanvrager kan de vermelding van adellijke titels en predikaten achterwege blijven.

3.

Indien alleen een naam, voornaam of een roepnaam bekend is, wordt deze als geslachtsnaam beschouwd.

4.

Indien de naam van de geboorteplaats niet kan worden ontleend aan de basisadministratie waarin de aanvrager als ingezetene is ingeschreven, dient de naam te worden vermeld zoals deze is opgenomen in zijn geboorteakte. In alle andere gevallen wordt de naam gevolgd zoals deze luidde ten tijde van de geboorte van de aanvrager, waarbij zoveel mogelijk de Nederlandse schrijfwijze wordt gebruikt. Indien de geboorteplaats niet kan worden vastgesteld, blijft de vermelding daarvan in de aanvraag achterwege. Het vermelden van het land achter de geboorteplaats is slechts toegestaan op verzoek van de aanvrager die aantoont daarbij een zwaarwegend belang te hebben en voorzover het reisdocument daartoe voldoende ruimte bevat.

5.

De geboortedatum omvat de dag, de maand en het jaar. Van vermelding van de dag en de maand kan worden afgezien, voor zover deze niet bekend zijn.

6.

In de aanvraag voor een nationaal paspoort, een zakenpaspoort, een tweede paspoort, een faciliteitenpaspoort of een Nederlandse identiteitskaart wordt tevens het sofi-nummer van de aanvrager, die als ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven, vermeld.

7.

In de aanvraag voor een noodverlenging worden de in het eerste lid, onder a tot en met e, genoemde gegevens vermeld.

Artikel 38. Vermelding pseudoniem aanvrager

In de aanvraag voor een reisdocument, niet zijnde een Nederlandse identiteitskaart of een nooddocument, kan op verzoek van de aanvrager die door middel van schriftelijke bewijsstukken aantoont in het maatschappelijk verkeer zakelijk of beroepshalve bekend te staan onder een andere naam, tevens deze andere naam worden vermeld ter opneming van dit gegeven in het reisdocument.

Artikel 39. Gegevens van de (gewezen) echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner
1.

In de aanvraag voor een reisdocument, niet zijnde een nooddocument, worden tevens de geslachtsnaam van de huidige echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner, dan wel van de laatste gewezen echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner, alsmede de burgerlijke staat op het moment van de aanvraag vermeld, indien de aanvrager om opneming van deze gegevens in het aangevraagde reisdocument verzoekt.

2.

Indien de aanvraag betrekking heeft op de Nederlandse identiteitskaart wordt aan het in het eerste lid bedoelde verzoek slechts gevolg gegeven voorzover het reisdocument voldoende ruimte bevat voor vermelding van deze gegevens.

Artikel 40. Bezit van of vermelding in andere reisdocumenten
1.

Van de door de aanvrager overgelegde Nederlandse of buitenlandse reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel van de reisdocumenten waarin hij staat bijgeschreven, worden het soort reisdocument, het documentnummer, de datum waarop de geldigheid van het document eindigt en de autoriteit die het document heeft verstrekt, in de aanvraag vermeld.

2.

Indien het overgelegde Nederlandse reisdocument bladzijden met een nog geldig visum of een geldige verblijfstitel bevat, wordt op verzoek van de aanvrager in de aanvraag vermeld, dat in het aangevraagde reisdocument standaardclausule XII met het documentnummer van het in te leveren reisdocument wordt opgenomen.

Artikel 41. Vermist of ingenomen reisdocument bij aanvraag
1.

Indien een eerder uitgereikt Nederlands reisdocument is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, wordt dit gegeven, alsmede het nummer van het desbetreffende reisdocument en de autoriteit die het heeft verstrekt, in de aanvraag vermeld. Indien deze gegevens op het moment van de aanvraag niet voorhanden zijn, wordt hiernaar een gericht onderzoek ingesteld.

2.

De ingevolge artikel 31, eerste lid, van de wet door de aanvrager af te leggen schriftelijke verklaring omtrent de vermissing geschiedt ten overstaan van de daartoe aangewezen ambtenaar overeenkomstig modelformulier C2. Indien een proces-verbaal van de plaatselijke politie wordt overgelegd, wordt daarvan een kopie gemaakt die aan de schriftelijke verklaring omtrent de vermissing wordt toegevoegd.

3.

De daartoe aangewezen ambtenaar maakt een kopie van de door de aanvrager over te leggen schriftelijke verklaring omtrent de inname van zijn reisdocument als bedoeld in artikel 31, vierde lid, van de wet.

4.

De schriftelijke verklaring omtrent de vermissing en de eventueel bijgevoegde kopie van het proces-verbaal van de politie dan wel de kopie van de schriftelijke verklaring omtrent de inname worden bewaard in de reisdocumentenadministratie.

5.

De datum waarop de schriftelijke verklaring omtrent de vermissing wordt afgelegd dan wel de schriftelijke verklaring omtrent de inname wordt overgelegd, wordt in de aanvraag vermeld.

Artikel 42. Het overleggen van een pasfoto
1.

Bij het indienen van de aanvraag voor een reisdocument wordt een pasfoto in kleur of zwart-wit overgelegd, die van recente datum is en een duidelijk en goedgelijkend beeld van de aanvrager geeft. Het gebruik van een reproductie of van een eerder gebruikte foto is niet toegestaan.

2.

De grootte van de pasfoto is 35 bij 45 mm. Het gezicht van de aanvrager dient recht van voren, tegen een lichte, egale achtergrond te zijn gefotografeerd en in de breedte ongeveer 2 cm van de afbeelding in beslag te nemen.

3.

Beide ogen van de aanvrager dienen zichtbaar te zijn, eventueel achter een bril met doorschijnende glazen. Het dragen van een donkere bril op de foto is niet toegestaan, tenzij de aanvrager heeft aangetoond dat zulks om medische redenen noodzakelijk is. Het hoofd dient onbedekt te zijn, tenzij de aanvrager heeft aangetoond dat godsdienstige, levensbeschouwelijke of medische redenen zich hiertegen verzetten. Indien in dat geval het hoofd wordt bedekt, moet het gezicht wel zichtbaar blijven.

4.

Bij het indienen van een aanvraag voor een laissez-passer op een post waar geen reisdocumentenstation aanwezig is, dan wel waar de opneming van de in de aanvraag vermelde gegevens in het reisdocumentenstation plaatsvindt na de uitreiking van het laissez-passer, worden in afwijking van het eerste lid twee gelijke pasfoto's overgelegd.

5.

In afwijking van het eerste tot en met vierde lid kan in noodgevallen, indien de aanvrager niet over een pasfoto beschikt en er redelijkerwijs voor hem geen mogelijkheid bestaat om pasfoto's te laten maken, bij de verstrekking van een laissez-passer worden afgezien van de overlegging van een pasfoto. Indien de houder beschikt over een ander reis- of identiteitsdocument, voorzien van een foto, wordt uitsluitend een laissez-passer verstrekt dat uitsluitend tezamen met het andere reis- of identiteitsdocument kan worden gebruikt. In het laissez-passer en het aanvraag-informatieformulier wordt aangetekend tezamen met welk ander reis- of identiteitsdocument het laissez-passer aldus bruikbaar is. Indien de houder niet beschikt over een ander reisdocument of identiteitsdocument, kan van deze verplichting worden afgezien.

Artikel 43. Onbekwaamheid tot het plaatsen van een handtekening

Indien de persoon aan wie het aangevraagde reisdocument moet worden verstrekt door leeftijd of een handicap niet in staat is zijn handtekening te plaatsen, wordt daarvan in de aanvraag melding gemaakt.

Artikel 44. Verschijning van de aanvrager in persoon

Indien de aanvrager ingevolge artikel 28, derde lid, van de wet niet persoonlijk bij het indienen van de aanvraag is verschenen, wordt dit gegeven met de reden daarvan in de aanvraag vermeld.

§ 2. Aanvraag ten behoeve van een handelingsonbekwame

Artikel 45. Overleggen verklaring van toestemming
1.

De verklaring van toestemming als bedoeld in de artikelen 34 tot en met 37 van de wet dient schriftelijk te worden overgelegd.

2.

In de verklaring van toestemming worden tevens de naam en de handtekening vermeld van degene die de aanvraag ten behoeve van een handelingsonbekwame indient.

3.

Indien gebruik wordt gemaakt van het aanvraag-informatieformulier, bedoeld in artikel 35, kan voor het overleggen van de verklaring van toestemming worden volstaan met het (mede) ondertekenen van dat formulier door de degenen die het gezag over de minderjarige uitoefenen.

4.

In de aanvraag wordt melding gemaakt van de overlegging van de betreffende verklaring van toestemming.

Artikel 46. Vaststelling identiteit en bevoegdheid van gezaghebber of curator
1.

Op de procedure voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent of van de curator is artikel 36 van overeenkomstige toepassing.

2.

Indien degene die een verklaring van toestemming moet afgeven niet in persoon verschijnt, kan de aanvraag slechts in behandeling worden genomen indien uit de overgelegde schriftelijke verklaring van toestemming en eventuele andere overgelegde stukken met de nodige zekerheid kan worden afgeleid dat de verklaring van toestemming van de betreffende persoon afkomstig is.

3.

Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de bevoegdheid tot het afgeven van de verklaring van toestemming van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent of van de curator wordt gebruik gemaakt van de door de betreffende persoon overgelegde stukken.

4.

Indien onzekerheid bestaat over de bevoegdheid van degene die het gezag over de minderjarige uitoefent of van de curator wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld.

§ 3. Aanvraag voor een bijschrijving

Artikel 47. Algemeen
1.

Bijschrijving van kinderen is toegestaan in ieder geldig Nederlands reisdocument met uitzondering van de Nederlandse identiteitskaart, het diplomatiek paspoort, het dienstpaspoort, het tweede paspoort, het noodpaspoort, het laissez-passer en het reisdocument waarin een noodverlenging is aangebracht.

2.

Voor elke bijschrijving van een kind in een reisdocument dient een afzonderlijke aanvraag te worden opgemaakt. Artikel 35, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

In de aanvraag wordt aangegeven of deze betrekking heeft op een bijschrijving in een gelijktijdig aangevraagd reisdocument dan wel op een bijschrijving in een reeds uitgereikt geldig reisdocument.

4.

Indien om bijschrijving wordt verzocht in een gelijktijdig aangevraagd reisdocument, wordt in de aanvraag het aanvraagnummer, behorende bij de aanvraag voor het desbetreffende reisdocument, vermeld.

5.

Indien om bijschrijving wordt verzocht in een reeds uitgereikt geldig reisdocument, wordt in de aanvraag voor de bijschrijving het documentnummer van het desbetreffende reisdocument vermeld.

Artikel 48. Vaststelling van de identiteit en de nationaliteit van het bij to schrijven kind
1.

Voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over de identiteit van het bij te schrijven kind en over het gegeven of deze, evenals de houder van het reisdocument waarin de bijschrijving wordt verzocht, Nederlander dan wel vreemdeling is, wordt gebruik gemaakt van het door de aanvrager overgelegde reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

2.

Indien onzekerheid bestaat over de juistheid van de in het eerste lid bedoelde gegevens, wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder de geboorteakte van het bij te schrijven kind, en eventuele andere bewijsstukken. Tevens worden in dat geval nadere identificerende vragen gesteld.

3.

In de aanvraag wordt vermeld of de identiteit van het bij te schrijven kind is vastgesteld en met welke documenten of andere bewijsstukken de identiteitsvaststelling heeft plaatsgevonden.

Artikel 49. Aanvraaggegevens van het bij te schrijven kind
1.

In de aanvraag voor een bijschrijving worden de volgende persoonsgegevens van het bij te schrijven kind vermeld:

2.

In de aanvraag wordt de datum vermeld waarop de geldigheidsduur eindigt van het reisdocument waarin de bijschrijving zal plaatsvinden.

3.

Artikel 37, tweede tot en met vijfde lid en de artikelen 40, 42 en 44 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 50. Overleggen verklaring van toestemming
1.

De verklaring van toestemming als bedoeld in de artikelen 17 en 34 tot en met 37 van de wet dient schriftelijk te worden overgelegd.

2.

Artikel 45, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Artikel 46 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de identiteit en de bevoegdheid van degene die het gezag over het bij te schrijven kind uitoefent.

§ 4. Het aanmaken van het aanvraagformulier

Artikel 51
1.

De in bijlage F genoemde aanvraaggegevens worden rechtstreeks dan wel door overname van deze gegevens uit het aanvraag-informatieformulier, opgenomen in het reisdocumentenstation en vervolgens met een daartoe bestemde printer vermeld in het aanvraagformulier.

2.

De daartoe aangewezen ambtenaar vergelijkt, behoudens in het in artikel 44 bedoelde geval, nauwkeurig de overgelegde foto van de aanvrager dan wel van degene ten behoeve van wie de aanvraag wordt ingediend met de persoon die voor hem staat en brengt deze foto vervolgens op de bestemde plaats in het aanvraagformulier aan.

3.

Indien de aanvrager akkoord is met de in de aanvraag vermelde gegevens, ziet de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, behoudens in het in artikel 43 bedoelde geval, er op toe dat in het aanvraagformulier voor een reisdocument op de bestemde plaats de duidelijk leesbare handtekening wordt geplaatst van de aanvrager dan wel van de persoon ten behoeve van wie de aanvraag van het reisdocument wordt gedaan. In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van een aanvraag-informatieformulier, wordt tevens dit formulier door de aanvrager ondertekend.

4.

Het aanvraagformulier voor een bijschrijving wordt ondertekend door de aanvrager, die het verzoek tot bijschrijving heeft gedaan.

§ 5. Beslissing op de aanvraag en vastlegging van de gegevens in het reisdocumentenstation

Artikel 52
1.

Een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 wordt niet in behandeling genomen.

2.

De daartoe aangewezen ambtenaar die, met inachtneming van het bij of krachtens de wet bepaalde, heeft beslist dat het aangevraagde reisdocument kan worden uitgereikt dan wel de aangevraagde bijschrijving of noodverlenging kan plaatsvinden, vermeldt in de aanvraag, het gegeven dat deze verstrekking heeft plaatsgevonden, de datum van deze verstrekking en de datum waarop de geldigheidsduur van het uit te reiken reisdocument of de aan te brengen noodverlenging eindigt.

3.

In de aanvraag voor een reisdocument waarbij sprake is van een weigering of vervallenverklaring wordt, afhankelijk van de genomen beslissing, vermeld voor welke landen het reisdocument geldig is.

4.

In de aanvraag voor een reisdocument voor vluchtelingen dan wel een reisdocument voor vreemdelingen wordt, afhankelijk van de nationaliteit van de persoon aan wie het reisdocument wordt uitgereikt, aangegeven welk land van de territoriale geldigheid is uitgesloten.

5.

In de aanvraag voor een reisdocument voor vreemdelingen, uit te reiken aan een staatloze, wordt aangegeven dat diens status van staatloze in het reisdocument moet worden vermeld.

6.

De daartoe aangewezen ambtenaar vermeldt in de aanvraag de verstrekkende autoriteit en parafeert, ten bewijze van verstrekking, op de bestemde plaats het aanvraagformulier.

Artikel 53
1.

De daartoe aangewezen ambtenaar draagt zorg dat de aanvraaggegevens, genoemd in de artikelen 35 tot en met 52, in het reisdocumentenstation worden vastgelegd.

2.

Indien de aanvraaggegevens zijn opgenomen in het reisdocumentenstation, maar de beslissing op de aanvraag is aangehouden, worden de in artikel 52, tweede en derde lid, genoemde gegevens in het reisdocumentenstation vastgelegd, nadat de verstrekking heeft plaatsgevonden.

§ 6. Personaliseren van nooddocumenten en aanbrengen van noodverlengingen

Artikel 54
1.

Op een post waar een reisdocumentenstation aanwezig is wordt het aanvraagformulier met betrekking tot een nooddocument of een noodverlenging op de in artikel 55 bedoelde wijze gescand, zodat de foto en de handtekening van de aanvrager en de paraaf van de bevoegde ambtenaar die akkoord is met de verstrekking worden gedigitaliseerd en met de aanvraaggegevens, bedoeld in artikel 53, worden samengevoegd tot een aanvraagbestand in het reisdocumentenstation.

2.

Bij de aanvraag van een nooddocument wordt tevens, overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het reisdocumentenstation, bedoeld in artikel 101, en met inachtneming van het bepaalde in artikel 28, de datum waarop het desbetreffende reisdocument uiterlijk moet worden ingeleverd en de autoriteit bij wie de inlevering dient plaats te vinden, in het aanvraagbestand opgenomen.

3.

De daartoe aangewezen ambtenaar controleert het aanvraagbestand in het reisdocumentenstation op volledigheid en autoriseert het gebruik van dit bestand voor het personaliseren van het nooddocument of de noodverlenging.

4.

Het personaliseren van een nooddocument dan wel het aanbrengen van een noodverlenging geschiedt met behulp van het in het reisdocumentenstation opgenomen aanvraagbestand en met gebruikmaking van de daartoe bestemde reisdocumentenprinter, overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het reisdocumentenstation, bedoeld in artikel 101.

5.

Na het personaliseren van het nooddocument wordt het bijbehorende laminaat over de houderpagina aangebracht.

6.

Indien de noodverlenging niet op de juiste wijze blijkt te zijn geprint, wordt deze met behulp van de in artikel 102, tweede lid, bedoelde clausulestempel doorgehaald en met gebruikmaking van standaardclausule II verwezen naar de visumbladzijde waar de noodverlenging opnieuw wordt aangebracht.

7.

Het personaliseren van een laissez-passer geschiedt door de gegevens met de pen op onuitwisbare wijze in de daartoe bestemde rubrieken van het reisdocument in te vullen, overeenkomstig de in bijlage J opgenomen invulinstructie laissez-passer. Vervolgens wordt op de in de invulinstructie aangegeven wijze de autoriteit vermeld, die het document heeft verstrekt en het laissez-passer gewaarmerkt met het in artikel 104, eerste lid, bedoelde dienststempel. Het scannen van het aanvraagformulier en de opneming van de gegevens in het reisdocumentenstation, bedoeld in het eerste en tweede lid, kan in afwijking van het derde lid ook na uitreiking van het laissez-passer plaatsvinden.

8.

Het aanbrengen van een noodverlenging geschiedt op een post waar geen reisdocumentenstation aanwezig is met gebruikmaking van standaardclausule III, waarin de datum waarop de verlengde geldigheidsduur van het reisdocument eindigt, wordt ingevuld. De standaardclausule wordt aangebracht met behulp van het in artikel 102, derde lid, bedoelde clausulestempel op de bladzijde bestemd voor ambtelijke aantekeningen dan wel, indien dit niet mogelijk is, op een visumbladzijde. De standaardclausule wordt ondertekend door het hoofd van de post of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar en gewaarmerkt met het in artikel 102, eerste lid, bedoelde dienststempel.

Hoofdstuk IV. Verzending van het aanvraagbestand en levering van gepersonaliseerde documenten

Artikel 55. Het scannen van het aanvraagformulier

Het aanvraagformulier wordt door de daartoe aangewezen ambtenaar met gebruikmaking van de daartoe bestemde apparatuur gescand, zodat de foto en de handtekening van de aanvrager en de paraaf van de bevoegde ambtenaar die akkoord is met de verstrekking worden gedigitaliseerd en met de aanvraaggegevens, bedoeld in artikel 53, worden samengevoegd tot een aanvraagbestand in het reisdocumentenstation.

Artikel 56. Het verzenden van het aanvraagbestand
1.

De daartoe aangewezen ambtenaar controleert het aanvraagbestand in het reisdocumentenstation op volledigheid en autoriseert het verzenden daarvan. Het aanvraagbestand wordt voorzien van een digitale handtekening van deze ambtenaar en, met gebruikmaking van het reisdocumentenstation, elektronisch verzonden naar de leverancier.

2.

Het uit het reisdocumentenstation verwijderen van een aanvraagbestand dat niet is verzonden, kan slechts plaatsvinden na bekrachtiging van deze handeling door de in artikel 87 bedoelde autorisatiebevoegde reisdocumenten.

Artikel 57. In ontvangstneming van de geleverde documenten bij het ministerie
1.

De gepersonaliseerde reisdocumenten, bijschrijvingsstickers en identificatiekaarten worden bij het ministerie van Buitenlandse Zaken in ontvangst genomen door een daartoe aangewezen ambtenaar als bedoeld inartikel 89, eerste lid.

2.

De in het eerste lid genoemde ambtenaar toont de in artikel 89, tweede lid, bedoelde machtiging van de distributeur en legitimeert zich, op verzoek van de distributeur, met een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of met een Nederlands rijbewijs.

3.

De aflevering van de zending bij het ministerie van Buitenlandse Zaken vindt plaats op de afgesproken tijdstippen.

4.

Indien de persoon die de zending in ontvangst neemt zich desgevraagd niet of niet voldoende kan legitimeren dan wel onvoldoende zekerheid bestaat met betrekking tot zijn bevoegdheid om de zending in ontvangst te nemen, dan wel om enige andere reden door een handelen of nalaten van de bevoegde autoriteit een veilige aflevering op de uitgiftelocatie niet mogelijk is, draagt de distributeur de zending niet over.

Artikel 58. Controle zending bij het ministerie en verdere distributie van de documenten
1.

De tot ontvangst bevoegde ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken controleert, aan de hand van de voormelding van de leverancier, in het bijzijn van de distributeur of de zending voor het ministerie onderscheidenlijk de uitgiftelocaties in het buitenland bestemd is. Indien dit het geval is en het pakket is onbeschadigd, tekent de tot ontvangst bevoegde ambtenaar de door de distributeur overgelegde distributielijst voor ontvangst.

2.

Indien de zending niet voor het ministerie van Buitenlandse Zaken bestemd is, afwijkingen vertoont, beschadigd is dan wel documenten ontbreken, wordt gehandeld overeenkomstig bijlage D. Het in kennis stellen van de leverancier geschiedt met gebruikmaking van modelformulier C9.

3.

De documenten die voor een andere autoriteit blijken te zijn bestemd, worden op de in artikel 93 aangegeven wijze opgeslagen tot ze worden opgehaald door de leverancier. Het overdragen van de verkeerd geleverde documenten aan de leverancier geschiedt met gebruikmaking van standaardformulier B4.

4.

Bij de constatering dat het pakket beschadigd is, wordt het pakket in het bijzijn van de distributeur in een voor het publiek afgesloten ruimte gecontroleerd. Ook in geval van beschadiging wordt het pakket in ontvangst genomen.

5.

Indien de tot ontvangst bevoegde ambtenaar vaststelt dat er documenten zijn beschadigd of ontbreken, wordt hiervan door de distributeur een proces-verbaal opgemaakt.

6.

Het afschrift van het proces-verbaal wordt door de autoriteit bewaard.

7.

De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het op beveiligde wijze beschikbaar stellen van de zendingen gepersonaliseerde reisdocumenten, bijschrijvingsstickers en identificatiekaarten aan de tot uitreiking daarvan bevoegde ambtenaren op het ministerie en de posten.

Artikel 59. Nabezorgen niet ontvangen documenten
1.

Indien documenten niet op het verwachte tijdstip bij het ministerie van Buitenlandse Zaken worden ontvangen, wordt op een speciaal daarvoor bestemd telefoonnummer bij de leverancier informatie ingewonnen over de te verwachten levertijd.

2.

In het geval de zending zich nog onder de distributeur bevindt, draagt deze er zorg voor dat de zending alsnog de volgende dag wordt afgeleverd.

3.

In het geval documenten op een verkeerde uitgiftelocatie in Nederland zijn afgeleverd, draagt de leverancier er zorg voor dat de desbetreffende documenten, zo mogelijk nog dezelfde dag, bij het ministerie van Buitenlandse Zaken worden aangeboden.

4.

Het in ontvangst nemen van documenten als bedoeld in het derde lid geschiedt overeenkomstig bijlage D, met gebruikmaking van standaardformulier B4.

Artikel 60. Controle zending in het reisdocumentenstation
1.

De daartoe aangewezen ambtenaar op het ministerie of de tot uitreiking bevoegde post gaat na of de in de zending aanwezige documenten overeenkomen met de aanvraagnummers in het op de zending betrekking hebbende elektronische bericht in het reisdocumentenstation, dat door de leverancier is verzonden.

2.

In het reisdocumentenstation wordt geregistreerd of een document overeenkomstig de opgave in het elektronisch bericht, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen, al dan niet is beschadigd en op de juiste wijze is geproduceerd of gepersonaliseerd.

3.

Indien de zending niet voor de uitgiftelocatie bestemd is, afwijkingen vertoont, beschadigd is dan wel documenten ontbreken wordt gehandeld overeenkomstig bijlage D. Het in kennis stellen van de leverancier geschiedt met gebruikmaking van modelformulier C9.

Artikel 61. Terugzenden en vernietigen van verkeerd geleverde documenten
1.

De documenten die na de controle van de zending op de post als bedoeld in artikel 60 voor een andere post of voor het ministerie blijken te zijn bestemd, worden op de door de Minister van Buitenlandse Zaken voorgeschreven wijze teruggezonden naar het ministerie en alsnog overeenkomstig artikel 58, zesde lid, beschikbaar gesteld aan de tot uitreiking daarvan bevoegde ambtenaren op de post of het ministerie.

2.

De documenten die na de in het eerste lid bedoelde controle voor een andere uitgiftelocatie dan een post of het ministerie blijken te zijn bestemd, worden bij de post vernietigd op de in artikel 78, tweede lid, aangegeven wijze.

Artikel 62. Herzending van de aanvraag

Indien een reisdocument of een bijschrijvingssticker is beschadigd, onjuist is geproduceerd of gepersonaliseerd, dan wel niet is ontvangen en niet alsnog ingevolge artikel 61, eerste lid, zal worden bezorgd, wordt het op het reisdocument, op de daarin opgenomen bijschrijving of op de bijschrijvingssticker betrekking hebbende aanvraagbestand opnieuw verzonden aan de leverancier.

Artikel 63. Terugzending onjuist geproduceerde, gepersonaliseerde of beschadigde documenten

Reisdocumenten en bijschrijvingsstickers die bij de controle van de zending in het reisdocumentenstation dan wel bij de uitreiking onjuist blijken te zijn geproduceerd of gepersonaliseerd, dan wel blijken te zijn beschadigd, worden overeenkomstig bijlage D, met gebruikmaking van modelformulier C10, teruggestuurd aan de leverancier.

Hoofdstuk V. Uitreiking van het reisdocument en bijschrijvingssticker

Artikel 64. Algemeen
1.

Tot uitreiking van het aangevraagde reisdocument of het reisdocument waarin de noodverlenging is aangebracht dan wel tot plaatsing van een bijschrijvingssticker wordt slechts overgegaan, nadat de identiteit van de aanvrager in zijn aanwezigheid is vastgesteld, tenzij artikel 28, derde lid, van de wet van toepassing is.

2.

De plaatsing van een bijschrijvingssticker vindt plaats door dezelfde autoriteit die de aanvraag daartoe in ontvangst heeft genomen.

Artikel 65. Vermist of ingenomen reisdocument bij de uitreiking
1.

Indien het bij de uitreiking van het aangevraagde reisdocument in te leveren reisdocument is vermist of op andere gronden dan ingevolge de wet door een daartoe bevoegde autoriteit is ingenomen, wordt dit gegeven, alsmede het nummer van het desbetreffende reisdocument en de autoriteit die het heeft verstrekt, alsnog in de aanvraag met betrekking tot het uit te reiken reisdocument opgenomen. Indien deze gegevens op het moment van de uitreiking niet voorhanden zijn, wordt hiernaar een gericht onderzoek ingesteld.

2.

Artikel 41, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 66. Bijschrijving door middel van een sticker

De ten behoeve van de bijschrijving in een bestaand reisdocument vervaardigde bijschrijvingssticker wordt door de daartoe aangewezen ambtenaar op de daarvoor bestemde pagina in het reisdocument aangebracht.

Artikel 67. Verzenden per aangetekende post

Indien de aanvrager bij de aanvraag aannemelijk heeft gemaakt dat van hem redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij in persoon verschijnt bij de uitreiking, wordt het reisdocument per aangetekende post aan hem toegezonden.

Artikel 68. Registratie in het reisdocumentenstation
1.

De daartoe aangewezen ambtenaar registreert de uitreiking van of de bijschrijving in een reisdocument, alsmede de inlevering van het vorige reisdocument, in het reisdocumentenstation.

2.

Indien bij de uitreiking blijkt dat het reisdocument of de bijschrijvingssticker is beschadigd, onjuist is geproduceerd of gepersonaliseerd dan wel uit de opslag is verdwenen, wordt dit in het reisdocumentenstation geregistreerd.

3.

Indien binnen drie maanden na ontvangst bij de uitgiftelocatie geen uitreiking van een geleverd reisdocument of plaatsing van een geleverde bijschrijvingssticker heeft plaatsgevonden, wordt dit geregistreerd in het reisdocumentenstation.

Hoofdstuk VI. Procedures inzake weigering en vervallenverklaring

Artikel 69. Uitsluiting Nederlandse identiteitskaart

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op Nederlandse identiteitskaarten.

Artikel 70. Informatie over de gesignaleerde persoon
1.

Het hoofd van een post die een aanvraag in behandeling neemt dan wel een ingehouden reisdocument ontvangt betreffende een persoon die, blijkens de in artikel 5 bedoelde administratie, in het register paspoortsignaleringen is opgenomen, doet hiervan terstond mededeling aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

2.

De Minister van Buitenlandse Zaken verzoekt, hetzij na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling, hetzij indien hij zelf een aanvraag in behandeling neemt dan wel een ingehouden reisdocument ontvangt betreffende een in het eerste lid bedoelde persoon, terstond bij brief of per faxbericht aan het agentschap BPR hem mede te delen of de desbetreffende persoon nog steeds in het register paspoortsignaleringen is opgenomen.

3.

In afwijking van het tweede lid kan in spoedgevallen het verzoek ook met gebruikmaking van andere communicatiemiddelen worden gedaan, mits het daarna bij brief of per faxbericht wordt bevestigd.

4.

Indien de Minister van Buitenlandse Zaken ingevolge artikel 44, derde lid, van de wet de in het register paspoortsignaleringen opgenomen gegevens van een persoon wenst te ontvangen, doet hij daartoe op de in het tweede en derde lid voorgeschreven wijze een verzoek aan het agentschap BPR. Dit verzoek kan ook tegelijkertijd met het in het tweede lid bedoelde verzoek worden gedaan.

Artikel 71. Kennisgeving van de beslissing op grond van artikel 45, tweede lid, van de wet

De Minister van Buitenlandse Zaken geeft het agentschap BPR met gebruikmaking van modelformulier C6 kennis van zijn beslissing, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de wet.

Hoofdstuk VII. Procedures inzake vermiste of ingenomen, ingehouden, ingeleverde en gevonden reisdocumenten

§ 1. Vermiste of ingenomen reisdocumenten

Artikel 72. Vermist of ingenomen reisdocument anders dan bij aanvraag of uitreiking
1.

Indien de houder van een uitgereikt reisdocument aan de Minister van Buitenlandse Zaken of het hoofd van een post buiten de gevallen, bedoeld in de artikelen 41 en 65, mededeling doet van de vermissing of de inname van het desbetreffende reisdocument, wordt de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de wet af te leggen schriftelijke verklaring omtrent de vermissing door de houder gedaan ten overstaan van de daartoe aangewezen ambtenaar, die de mededeling omtrent de vermissing in ontvangst neemt, overeenkomstig modelformulier C2. Indien een proces-verbaal van de plaatselijke politie wordt overgelegd, wordt daarvan een kopie gemaakt die aan de schriftelijke verklaring omtrent de vermissing wordt toegevoegd.

2.

De schriftelijke verklaring omtrent de vermissing en de eventueel bijgevoegde kopie van het proces-verbaal van de politie dan wel de overgelegde kopie van de schriftelijke verklaring die omtrent de inname is overgelegd, worden bewaard in de reisdocumentenadministratie van de autoriteit waar de in het eerste lid bedoelde mededeling is gedaan.

Artikel 73. Melding van de vermissing of inname van een reisdocument

Van de vermissing of de inname van een Nederlands reisdocument als bedoeld in de artikelen 41, 65 en 72 wordt terstond melding gemaakt aan de Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten met gebruikmaking van modelformulier C7.

§ 2. Doorzending ingehouden reisdocumenten

Artikel 74. Reisdocumenten van gesignaleerde personen
1.

Het hoofd van de post die een reisdocument heeft ingehouden, dan wel bij wie een reisdocument is ingeleverd van een houder die, in verband met het bepaalde in de artikelen 18 tot en met 24 van de wet, in het register paspoortsignaleringen is opgenomen, houdt dit reisdocument voor de Minister van Buitenlandse Zaken onder zich totdat deze heeft beslist over de vervallenverklaring daarvan.

2.

Zodra is beslist dat het reisdocument niet vervallen moet worden verklaard, wordt dit aan de houder teruggegeven, dan wel op de meest beveiligde wijze naar het door de houder opgegeven adres gezonden.

3.

Indien het reisdocument vervallen wordt verklaard, wordt dit hetzij ingevolge artikel 75 doorgezonden, hetzij op de in artikel 78 bepaalde wijze definitief aan het verkeer onttrokken.

Artikel 75. Definitief aan het verkeer te onttrekken reisdocumenten
1.

Het hoofd van de post waar een reisdocument is ingehouden of ingeleverd, dan wel waar een gevonden reisdocument is ontvangen dat blijkens artikel 78 definitief aan het verkeer moet worden onttrokken, zendt indien hij daartoe niet bevoegd is het desbetreffende reisdocument, per aangetekende post dan wel op een andere verantwoorde wijze, met vermelding van de reden terstond door aan het hoofd van de post die daartoe wel bevoegd is.

2.

Een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet verstrekt laissez-passer, wordt doorgezonden aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

3.

De Minister van Buitenlandse Zaken zendt indien hij niet bevoegd is een door hem ingehouden, bij hem ingeleverd, door hem ontvangen of aan hem toegezonden reisdocument definitief aan het verkeer te onttrekken, het desbetreffende reisdocument terstond door aan de autoriteit die daartoe wel bevoegd is.

§ 3. Vermelding in te leveren reisdocumenten in het register paspoortsignaleringen

Artikel 76. Mededelingen inzake vermelding en verwijdering van de vermelding
1.

Het hoofd van de post onderscheidenlijk de Minister van Buitenlandse Zaken deelt met het oog op een vermelding in het register paspoortsignaleringen op grond van artikel 47, vierde lid, van de wet het agentschap BPR de gegevens mede van de houder van een reisdocument dat van rechtswege is vervallen of waarin een bijschrijving is opgenomen die van rechtswege is vervallen, indien de houder weigert het reisdocument in te leveren dan wel de woon- of verblijfplaats van de houder niet kan worden achterhaald.

2.

Het hoofd van de post onderscheidenlijk de Minister van Buitenlandse Zaken deelt, met het oog op de verwijdering van de in het eerste lid bedoelde vermelding uit het register paspoortsignaleringen, het agentschap BPR terstond mede dat hij het in het eerste lid bedoelde reisdocument heeft ingehouden, dan wel het desbetreffende reisdocument bij hem is ingeleverd.

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde mededeling wordt schriftelijk gedaan en bevat de navolgende gegevens:

§ 4. Melding inzake gevonden reisdocumenten

Artikel 77

De Minister van Buitenlandse Zaken geeft van een gevonden reisdocument, niet zijnde een nooddocument, met gebruikmaking van modelformulier C4 terstond kennis aan de Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten.

Hoofdstuk VIII. Definitieve onttrekking van reisdocumenten en ongedaan maken van bijschrijvingen

§ 1. Definitieve onttrekking van een reisdocument aan het verkeer

Artikel 78. Redenen en wijze van onttrekking
1.

Het hoofd van de post onttrekt een nationaal paspoort, een Nederlandse identiteitskaart, een faciliteitenpaspoort, een tweede paspoort, een reisdocument voor vluchtelingen, een reisdocument voor vreemdelingen of een op grond van artikel 16, eerste lid, van de wet verstrekt nooddocument en de Minister van Buitenlandse Zaken onttrekt een diplomatiek paspoort, een dienstpaspoort of een op grond van artikel 15, tweede lid, van de wet verstrekt laissez-passer, terstond definitief aan het verkeer, indien:

2.

Het reisdocument wordt definitief aan het verkeer onttrokken door het deugdelijk te vernietigen, dan wel het geheel of gedeeltelijk onbruikbaar gemaakt aan de houder terug te geven ingevolge het derde lid. De vernietiging geschiedt door het reisdocument op gecontroleerde wijze te verbranden of te versnipperen, zodat reconstructie van het reisdocument niet meer mogelijk is.

3.

Op verzoek van de houder wordt diens nationaal paspoort, Nederlandse identiteitskaart, faciliteitenpaspoort, tweede paspoort, reisdocument voor vluchtelingen, reisdocument voor vreemdelingen, diplomatiek paspoort of dienstpaspoort na inlevering, onbruikbaar gemaakt aan hem teruggegeven.

4.

Het onbruikbaar maken geschiedt door het aanbrengen van drie ponsgaten (elk van tenminste 12 mm middellijn) door het gehele reisdocument of het knippen van een driehoek (met zijden van tenminste 40 mm) uit de rechterzijde van het gehele reisdocument. Daarbij dient het in het reisdocument aangebrachte kinegram gedeeltelijk onbruikbaar te worden gemaakt.

5.

Indien het ingeleverde reisdocument bladzijden met een nog geldig visum of een geldige verblijfstitel bevat en in verband daarmee het verzoek is gedaan, bedoeld in artikel 40, tweede lid, worden de desbetreffende bladzijden en het documentnummer intact gelaten.

6.

In afwijking van het tweede lid wordt een reisdocument, dat ingevolge het eerste lid, onder d, tengevolge van misdruk of verkeerde personalisatie is ingehouden of ingeleverd, definitief aan het verkeer onttrokken door het, met gebruikmaking van modelformulier C10, terug te sturen aan de leverancier.

7.

De in het eerste lid, onder e, en in het derde lid bedoelde teruggave van een reisdocument vindt niet plaats, indien het reisdocument op grond van artikel 47, eerste lid, onder a, b, c, g of h, van de wet van rechtswege is vervallen, dan wel artikel 110, tweede lid, van toepassing is.

8.

Een bijschrijvingssticker die niet binnen drie maanden na ontvangst bij de uitgiftelocatie in het daartoe bestemde reisdocument is aangebracht, wordt op de in het tweede lid aangegeven wijze deugdelijk vernietigd.

§ 2. Ongedaan maken van een bijschrijving

Artikel 79. Wijze van ongedaan maken bijschrijving

Het ongedaan maken van een bijschrijving vindt plaats:

§ 3. Kennisgevingen

Artikel 80
1.

Van de definitieve onttrekking aan het verkeer van een reisdocument, niet zijnde een nooddocument of een gevonden reisdocument, alsmede de uitreiking van een vervangend reisdocument, niet zijnde een nooddocument, wordt met gebruikmaking van modelformulier C3 kennis gegeven aan:

2.

Van de ongedaanmaking van een bijschrijving als bedoeld in artikel 79 wordt met gebruikmaking van modelformulier C3 kennis gegeven aan de autoriteit, bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, die de bijschrijving heeft geplaatst, dan wel aan de burgemeester van de gemeente waar het bijgeschreven kind voor het laatst als ingezetene in de basisadministratie was ingeschreven, indien de bijschrijving niet door een in het eerste lid onder b of c genoemde autoriteit is geplaatst.

§ 4. Registratie definitief aan het verkeer onttrokken reisdocumenten

Artikel 81

De Minister van Buitenlandse Zaken of het hoofd van de post die:

Hoofdstuk IX. Reisdocumentenadministratie

Artikel 82. Opgenomen gegevens, raadpleegbaarheid, bewaartermijn
1.

Van elk verstrekt reisdocument respectievelijk van elke daarin opgenomen bijschrijving of noodverlenging wordt een administratie bijgehouden.

2.

De in het eerste lid bedoelde reisdocumentenadministratie wordt bijgehouden in het reisdocumentenstation, voor zover het de daarin overeenkomstig de artikelen 53, 54 en 68 opgenomen gegevens betreft.

3.

De overige gegevens met betrekking tot de aanvraag, verstrekking en uitreiking worden als afzonderlijke documenten in de reisdocumentenadministratie opgenomen op een wijze die raadpleging in samenhang met de in het tweede lid bedoelde gegevens mogelijk maakt.

4.

De in de reisdocumentenadministratie opgenomen gegevens worden gedurende elf jaren na de datum van verstrekking van het betreffende reisdocument dan wel de opneming van de bijschrijving in een reisdocument bewaard.

Artikel 83. Administratie laissez-passer buiten het reisdocumentenstation
1.

In afwijking van het bepaalde in artikel 82 wordt op een post waar geen reisdocumentenstation aanwezig is van elk verstrekt laissez-passer het originele aanvraag-informatieformulier, voorzien van de foto van de houder, met de bij de aanvraag overgelegde bewijsstukken en verklaringen als bijlagen in een administratie opgeborgen, die jaarlijks wordt afgesloten. De formulieren worden daarbij alfabetisch op de naam van de houder gerangschikt.

2.

Van elk verstrekt laissez-passer wordt een kopie van het aanvraag-informatieformulier in de in artikel 98 bedoelde nummeradministratie opgeborgen. De kopie-formulieren worden daarbij op het documentnummer van het verstrekte laissez-passer gerangschikt.

3.

De administratie, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende twee jaren na afloop van het kalenderjaar waarin het laissez-passer is verstrekt, raadpleegbaar.

Artikel 84. Administratie noodverlenging buiten het reisdocumentenstation
1.

Met betrekking tot elke aangebrachte noodverlenging wordt op een post waar geen reisdocumentenstation aanwezig is het aanvraag-informatieformulier, met de bij de aanvraag overgelegde bewijsstukken en verklaringen als bijlagen in een administratie opgeborgen, die jaarlijks wordt afgesloten. De formulieren worden daarbij alfabetisch op naam van de houder van het reisdocument waarin de noodverlenging is aangebracht, gerangschikt.

2.

De administratie, bedoeld in het eerste lid, blijft gedurende twee jaren na afloop van het kalenderjaar waarin de betreffende noodverlenging is aangebracht, raadpleegbaar.

Artikel 85. Verstrekking van gegevens

De verstrekking van gegevens uit de in de artikelen 82, 83 en 84 bedoelde reisdocumentenadministratie wordt uitsluitend toegestaan aan:

Hoofdstuk XI. Organisatie en beheer van het aanvraagsysteem reisdocumenten

§ 1. Aanwijzing en registratie bevoegde personen

Artikel 86. Aanwijzing en registratie algemeen
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar wijst de personen aan die bevoegd zijn tot het verrichten van de handelingen die bij of krachtens de wet zijn voorgeschreven.

2.

De in het eerste lid bedoelde aanwijzing van personen, alsmede de registratie van hun bevoegdheden geschiedt met inachtneming van de functionele beschrijvingen met betrekking tot het aanvraagsysteem reisdocumenten en overeenkomstig de beveiligingsprocedure, bedoeld in artikel 107.

Artikel 87. De autorisatiebevoegden reisdocumenten
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post wijst per uitgiftelocatie tenminste twee ambtenaren aan die binnen het aanvraagsysteem reisdocumenten zullen functioneren als de autorisatiebevoegde reisdocumenten overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het reisdocumentenstation, bedoeld in artikel 101.

2.

Van de aanwijzing of de vervanging van een autorisatiebevoegde reisdocumenten wordt terstond met gebruikmaking van standaardformulier B3 melding gedaan aan het agentschap BPR, die een registratie bijhoudt van de autorisatiebevoegden reisdocumenten en deze gegevens doorgeeft aan de leverancier.

3.

De in het eerste lid bedoelde autoriteit draagt er zorg voor, dat een autorisatiebevoegde reisdocumenten in staat wordt gesteld alle handelingen te verrichten die uit zijn taak voortvloeien.

4.

De autorisatiebevoegden reisdocumenten zijn rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post.

Artikel 88. De identificatiekaart
1.

Een autorisatiebevoegde reisdocumenten krijgt van de leverancier de beschikking over een identificatiekaart, waarmee op elektronische wijze toegang kan worden verkregen tot het reisdocumentenstation en de daarin opgeslagen programmatuur en gegevens.

2.

De autorisatiebevoegde reisdocumenten is verantwoordelijk voor het aanvragen, de bewaring, de uitgifte, de intrekking en het (autorisatie)beheer van de identificatiekaarten van andere personen die bevoegd zijn tot het verrichten van handelingen waarvoor toegang tot het reisdocumentenstation is vereist. Hij geeft wijzigingen terstond door aan de leverancier.

3.

Het aanvragen van identificatiekaarten bij de leverancier en het doorgeven van wijzigingen, alsmede het uitgeven, intrekken en beheren van de geleverde identificatiekaarten geschiedt overeenkomstig de gebruikershandleiding bij het reisdocumentenstation, bedoeld in artikel 101.

4.

De identificatiekaarten worden op naam uitgegeven.

5.

De leverancier houdt een registratie bij van de uitgegeven en ingetrokken identificatiekaarten.

Artikel 89. De tot ontvangst van gepersonaliseerde documenten bevoegde ambtenaren
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar wijst op zijn ministerie ten minste drie ambtenaren aan om zendingen van gepersonaliseerde documenten in ontvangst te nemen.

2.

De aanmelding, registratie en vervanging van de tot ontvangst bevoegde ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats bij de distributeur met gebruikmaking van de door de distributeur daartoe kosteloos beschikbaar gestelde machtiging.

3.

De machtiging wordt gewaarmerkt met een afdruk van een dienststempel als bedoeld in artikel 102, eerste lid, en de handtekening van de Minister van Buitenlandse Zaken of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar.

4.

Een kopie van het in het derde lid genoemde formulier wordt op het ministerie bewaard.

Artikel 90. Registratie parafen
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post houdt een administratie bij van de parafen van de personen die tot parafering van aanvraagformulieren bevoegd zijn.

2.

Een paraaf als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval net zo lang bewaard als de aanvragen waarin een paraaf van de desbetreffende persoon is opgenomen.

§ 2. Aflevering van zendingen

Artikel 91. Aanmelding en registratie van uitgiftelocaties
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar meldt met gebruikmaking van standaardformulier B2 aan het agentschap BPR de locaties waar de verzending van de aanvragen naar de leverancier geschiedt, alsmede de locatie in Nederland waar de aflevering van de zendingen door de distributeur plaatsvindt.

2.

Wijzigingen met betrekking tot uitgiftelocaties worden, met gebruikmaking van standaardformulier B2, tijdig gemeld aan het agentschap BPR.

3.

Het agentschap BPR houdt een registratie bij van de ingevolge het eerste en tweede lid aangemelde uitgiftelocaties en geeft deze gegevens door aan de leverancier.

4.

De leverancier wijst aan elke uitgiftelocatie een unieke locatiecode toe en meldt deze terug aan het agentschap BPR en aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

Artikel 92. Vastlegging tijdstip van aflevering

De vastlegging van de tijdstippen waarop een zending wordt afgeleverd, geschiedt in overleg met de distributeur.

§ 3. Beheer van ontvangen gepersonaliseerde reisdocumenten en bijschrijvingsstickers

Artikel 93. Bewaring gepersonaliseerde reisdocumenten en bijschrijvingsstickers
1.

De geleverde gepersonaliseerde reisdocumenten en bijschrijvingsstickers worden bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, in een daartoe bestemde ruimte, bewaard op de in artikel 105 voorgeschreven wijze tot het tijdstip, dat zij door de bevoegde afdeling beschikbaar worden gesteld aan de bij het ministerie tot uitreiking bevoegde ambtenaren of doorgezonden aan de tot uitreiking bevoegde posten, dan wel worden opgehaald door de leverancier ingevolge artikel 60.

2.

De ingevolge het eerste lid beschikbaar gestelde of doorgezonden reisdocumenten en bijschrijvingsstickers worden, bij de desbetreffende afdeling op het ministerie of bij de desbetreffende post, bewaard op de in artikel 105 voorgeschreven wijze tot het tijdstip, dat zij door de daartoe bevoegde ambtenaar worden uitgereikt, dan wel worden geretourneerd aan de in het eerste lid bedoelde afdeling om te worden teruggestuurd aan de leverancier ingevolge artikel 63.

3.

Aan de hand van de gegevens in het reisdocumentenstation wordt bij de desbetreffende afdeling op het ministerie of bij de desbetreffende post nagegaan welke gepersonaliseerde reisdocumenten en bijschrijvingsstickers binnen drie maanden na de datum van ontvangst nog niet zijn uitgereikt, teneinde deze ingevolge artikel 78 definitief aan het verkeer te onttrekken.

Artikel 94. Ontbrekende gepersonaliseerde reisdocumenten en bijschrijvingsstickers
1.

Indien op enig moment een gepersonaliseerd reisdocument of bijschrijvingssticker na aflevering en registratie daarvan in het reisdocumentenstation blijkt te ontbreken, wordt terstond een inventarisatie opgemaakt van de nog aanwezige reisdocumenten of bijschrijvingsstickers aan de hand van de gegevens in het reisdocumentenstation.

2.

De ontbrekende reisdocumenten en bijschrijvingsstickers worden geregistreerd in het reisdocumentenstation.

3.

Artikel 62 is van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Bestelling, aflevering en beheer van nooddocumenten

Artikel 95. De tot bestelling en ontvangst van blanco documenten bevoegde ambtenaren
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken of de door hem daartoe aangewezen ambtenaar wijst op zijn ministerie ten minste drie ambtenaren aan om namens hem bestellingen te doen van blanco noodpaspoorten en laissez-passer's bij de leverancier en tevens drie ambtenaren om leveringen daarvan in ontvangst te nemen.

2.

De aanmelding van de tot bestelling en van de tot ontvangst bevoegde ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, alsmede wijzigingen in deze gegevens, vindt plaats bij het agentschap BPR, met gebruikmaking van de standaardformulieren B6 en B7.

3.

Het ingevulde registratieformulier wordt gewaarmerkt met een afdruk van een dienststempel als bedoeld in artikel 102, eerste lid.

4.

Het agentschap BPR houdt een registratie bij van de ingevolge het eerste lid aangemelde personen en geeft deze gegevens door aan de leverancier.

Artikel 96. Bestelling en aflevering nooddocumenten
1.

De nooddocumenten worden met gebruikmaking van modelformulier C11 door de daartoe aangewezen ambtenaar maximaal vier maal binnen een jaar bij de leverancier besteld. De bestelopdracht wordt gesteld op briefpapier van het ministerie van Buitenlandse Zaken en, na ondertekening van de daartoe aangewezen ambtenaar, gewaarmerkt met een afdruk van het in artikel 102, eerste lid, bedoelde dienststempel.

2.

Het aantal blanco noodpaspoorten en laissez-passer's dat binnen een jaar kan worden besteld, wordt bepaald door de leverancier en is gebaseerd op het jaarlijkse aantal verstrekte documenten, in de periode tussen 1 oktober en 30 september, vermeerderd met vijf procent. De leverancier maakt jaarlijks voor 1 november het aantal te bestellen nooddocumenten voor het daaropvolgende jaar bekend aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

3.

Indien tussen twee bestellingen blijkt dat de voorraad noodpaspoorten dan wel laissez-passer's ontoereikend zal zijn, kan een opdracht voor een spoedbestelling worden geplaatst. De opdracht voor een spoedbestelling kan slechts worden gedaan, nadat in overleg met de leverancier is vastgesteld dat het aflevertijdstip van de eerstvolgende bestelopdracht niet kan worden vervroegd. De omvang van de spoedbestelling is niet groter dan noodzakelijk om de periode tot de levering van de eerstvolgende bestelling te overbruggen.

4.

Alvorens een bestelopdracht te plaatsen, wordt nagegaan of de in artikel 95 bedoelde gegevens nog juist zijn.

5.

Indien gegevens zijn gewijzigd, dient het nieuwe registratieformulier minstens vijf werkdagen voor het plaatsen van een nieuwe bestelopdracht in het bezit van het agentschap BPR te zijn.

6.

De bestelling wordt door de leverancier bevestigd door toezending van een leveringsbevestiging aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

7.

De daadwerkelijke aflevering vindt gemiddeld maximaal vijf werkdagen na de op de leveringsbevestigingen vermelde dagtekening plaats door een waardetransporteur.

8.

Bij aflevering door de leverancier ondertekent de tot ontvangst bevoegde persoon, bedoeld in artikel 95, eerste lid, de strook die aan de leveringsbevestiging is gehecht.

9.

De tot ontvangst bevoegde persoon legitimeert zich, op verzoek van de waardetransporteur, met een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of met een Nederlands rijbewijs.

10.

De aflevering van de zending vindt plaats in de kluisruimte. Indien aflevering in de kluisruimte niet mogelijk of niet doelmatig is, vindt aflevering plaats in een voor het publiek afgesloten ruimte zo dicht mogelijk bij de kluis.

11.

De tot ontvangst bevoegde persoon controleert in het bijzijn van de waardetransporteur aan de hand van de leveringsbevestiging het aantal pakketten alsmede de verzegeling. Indien de zending niet voor het ministerie van Buitenlandse Zaken bestemd is, afwijkingen vertoont, beschadigd is dan wel documenten ontbreken, wordt hiervan aantekening gemaakt op de aan de leveringsbevestiging gehechte strook en het agentschap BPR hiervan terstond in kennis gesteld.

12.

De ingevulde en ondertekende strook wordt aan de waardetransporteur overhandigd.

13.

Indien de persoon die de zending in ontvangst neemt zich desgevraagd niet of niet voldoende kan legitimeren dan wel onvoldoende zekerheid bestaat met betrekking tot zijn bevoegdheid om de zending in ontvangst te nemen, dan wel om enige andere reden door een handelen of nalaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken een veilige aflevering niet mogelijk is, draagt de waardetransporteur de zending niet over.

Artikel 97. Ontvangst en verdere verspreiding van de nooddocumenten door het ministerie
1.

Na ontvangst van de zending wordt deze terstond veilig gesteld. Indien de aflevering niet aan de kluis geschiedt, ziet de ambtenaar die de zending in ontvangst heeft genomen erop toe, dat de zending terstond in de kluis wordt opgeslagen.

2.

De bij de zending gevoegde ontvangstbevestiging wordt na vergelijking van de verpakkingseenheden van de zending met de opgave in de leveringsbevestiging binnen vijf werkdagen na aflevering van de zending, aan de leverancier geretourneerd.

3.

De controle van de inhoud van de verpakkingseenheden als bedoeld in het tweede lid geschiedt door de tot ontvangst bevoegde persoon, en tenminste één andere persoon. Van de controle wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat bij de in het vijfde lid bedoelde nummeradministratie wordt gearchiveerd.

4.

Bij constatering van afwijkingen tussen de inhoud van de zending en de opgave in de leveringsbevestiging wordt terstond contact opgenomen met de leverancier. De geconstateerde afwijkingen worden schriftelijk medegedeeld aan het agentschap BPR.

5.

De Minister van Buitenlandse Zaken houdt van de door hem ontvangen blanco nooddocumenten, uitgesplitst naar soort, een serienummeradministratie bij, waaruit aan de hand van de documentnummers te allen tijde dient te blijken welke documenten:

6.

De Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt per kwartaal een opgave aan de leverancier van het voorraadverloop van de noodpaspoorten en laissez-passer's. Uit deze opgave blijkt tevens op welk tijdstip welke blanco nooddocumenten, uitgesplitst naar soort en onder vermelding van de documentnummers, aan welke autoriteit beschikbaar zijn gesteld.

7.

De Minister van Buitenlandse Zaken draagt zorg voor het op beveiligde wijze beschikbaar stellen van de blanco nooddocumenten aan de tot uitreiking daarvan bevoegde ambtenaren op het ministerie en de posten.

Artikel 98. Voorraadadministratie nooddocumenten bij de verstrekkende autoriteiten
1.

Van de beschikbaar gestelde nooddocumenten wordt, uitgesplitst naar soort, door de tot verstrekking bevoegde autoriteiten, een voorraadadministratie bijgehouden.

2.

Eén maal per jaar wordt het aantal in voorraad zijnde blanco nooddocumenten met vermelding van soort en documentnummer vastgesteld.

3.

Uit de voorraadadministratie dient te allen tijde te blijken hoeveel nooddocumenten:

4.

Met betrekking tot de uitgereikte nooddocumenten wordt per opeenvolgend documentnummer apart geregistreerd aan wie uitreiking van het desbetreffende nooddocument heeft plaatsgevonden.

5.

De tot verstrekking bevoegde autoriteit die beschikt over een reisdocumentenstation houdt de in het derde en vierde lid bedoelde voorraadadministratie bij in het desbetreffende reisdocumentenstation.

6.

Indien door de in het vijfde lid bedoelde autoriteit laissez-passer's beschikbaar worden gesteld aan een andere autoriteit, wordt het aantal laissez-passer's en de autoriteit aan wie deze beschikbaar zijn gesteld in het reisdocumentenstation vermeld.

Artikel 99. Inventarisatie van de voorraad
1.

Indien op enig moment een omissie in de voorraad of in de administratie wordt geconstateerd, maakt de desbetreffende autoriteit terstond een inventarisatie op van de aanwezige nooddocumenten.

2.

De inventarisatie wordt opgesteld door tenminste twee personen.

3.

Van de inventarisatie wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat naar het agentschap BPR en in afschrift aan de Minister van Buitenlandse Zaken wordt gezonden.

Artikel 100. Verbruik van nooddocumenten
1.

De blanco nooddocumenten worden in volgorde van de nummers verbruikt.

2.

Het is een tot verstrekking bevoegde autoriteit niet toegestaan nooddocumenten te verbruiken die aan een andere autoriteit daartoe ter beschikking zijn gesteld.

§ 5. Te gebruiken apparatuur, programmatuur en overige materialen

Artikel 101. Reisdocumentenstation en reisdocumentenprinter

De Minister van Buitenlandse Zaken en de hoofden van de daartoe aangewezen posten maken binnen het aanvraagsysteem reisdocumenten gebruik van het reisdocumentenstation, de scanapparatuur, de reisdocumentenprinter en overige apparatuur, alsmede van de bijbehorende programmatuur, opslagmedia en overige materialen die door de leverancier zijn geleverd, overeenkomstig het bepaalde in deze regeling en met inachtneming van de bijgeleverde gebruikershandleiding.

Artikel 102. Dienststempel en clausulestempels
1.

Het dienststempel is een inktstempel van een rond formaat met een diameter van 15 mm, dat voorzien is van het Rijkswapen dan wel het wapen van de tot verstrekking bevoegde autoriteit.

2.

Voor het ongedaan maken van een bijschrijving wordt een door de leverancier beschikbaar gesteld clausulestempel gebruikt, dat in drie talen de tekst “vervallen” bevat.

3.

Voor het aanbrengen van een noodverlenging op een post waar geen reisdocumentenstation aanwezig is, wordt gebruik gemaakt van een door de leverancier beschikbaar gesteld clausulestempel.

Artikel 103. Aanvraagformulieren en andere standaardformulieren
1.

De in artikel 51 bedoelde aanvraagformulieren worden vier maal binnen een jaar door de leverancier beschikbaar gesteld.

2.

Het aantal aanvraagformulieren dat jaarlijks beschikbaar wordt gesteld, wordt bepaald en bekendgemaakt door de leverancier op de in artikel 96, tweede lid, aangegeven wijze.

3.

Indien tussen twee aflevertijdstippen blijkt dat de voorraad aanvraagformulieren ontoereikend zal zijn, kan een spoedbestelling worden gedaan. De opdracht voor een spoedbestelling kan echter slechts worden gedaan, nadat in overleg met de leverancier is vastgesteld dat het reguliere aflevertijdstip niet kan worden vervroegd. De omvang van de spoedbestelling is niet groter dan noodzakelijk om de periode tot het eerstvolgende aflevertijdstip te overbruggen.

4.

De aanvraagformulieren worden door de leverancier binnen tien werkdagen na de spoedbestelling geleverd op de uitgiftelocatie waarvoor de bestelling is gedaan.

5.

De overige standaardformulieren worden eenmalig door de leverancier ter beschikking gesteld en kunnen desgewenst worden nabesteld.

6.

De aanvraagformulieren en andere standaardformulieren worden kosteloos verstrekt.

Hoofdstuk XII. Beveiliging

Artikel 104. Algemeen

De met de uitvoering van de wet belaste autoriteiten treffen maatregelen om de onder hen berustende reisdocumenten, bijschrijvingsstickers, apparatuur, programmatuur, opslagmedia, documentatie en overige materialen te beveiligen tegen ontvreemding dan wel vernietiging ten gevolge van inbraak, diefstal, verduistering, overvallen, brand of anderszins.

Artikel 105. Fysieke beveiliging
1.

Buiten de werkuren worden de van de leverancier ontvangen reisdocumenten, de ingehouden reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers, de opslagmedia, de documentatie en de overige materialen opgeslagen in een inbraakvertragende en brandwerende voorziening, zoals een gesloten inbraakwerende waardekast of kluis, met een waardebergingsindicatie van € 1.000,-. Deze voorziening is in een af te sluiten ruimte geplaatst.

2.

De plaatsen waar de reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers, de documentatie en de overige materialen zijn opgeslagen, alsmede de ruimte waarin de apparatuur en de programmatuur zich bevinden, zijn uitgerust met een inbraakalarmeringssysteem.

3.

De apparatuur en programmatuur, alsmede de tijdens de werkuren uit te reiken of ingehouden reisdocumenten, de bijschrijvingsstickers en de te gebruiken documentatie en overige materialen bevinden zich, onder voortdurend toezicht, op een voor onbevoegden onbereikbare en afsluitbare plaats.

Artikel 106. Back-up en herstel van gegevens in het aanvraagsysteem reisdocumenten
1.

Van de in de reisdocumentenmodule en de in het reisdocumentenstation opgeslagen gegevens wordt dagelijks een back-up gemaakt.

2.

De bewaring van de back-ups geschiedt zodanig, dat afwisselend een exemplaar op de uitgiftelocatie wordt bewaard in de voorziening, bedoeld in artikel 105, eerste lid, terwijl een ander exemplaar elders wordt bewaard, in een vergelijkbare voorziening als bedoeld in artikel 105, eerste lid, zodat tegelijkertijd twee opeenvolgende back-ups op verschillende plaatsen voorhanden zijn.

3.

De verstrekkende autoriteit beschikt over een op schrift gestelde procedure inzake back-up en herstel, die er in voorziet dat reconstructie van de gegevens mogelijk is.

Artikel 107. Beveiligingsprocedure en beveiligingsfunctionaris
1.

De verstrekkende autoriteit beschikt over een op schrift gestelde beveiligingsprocedure. In deze beveiligingsprocedure worden in ieder geval maatregelen vastgelegd inzake:

2.

De in het eerste lid bedoelde beveiligingsprocedure bevat zoveel mogelijk tevens een regeling voor functiescheiding tussen het in behandeling nemen van de aanvraag en de verstrekking van de reisdocumenten.

3.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post wijst een beveiligingsfunctionaris aan die belast is met het beheer van en het toezicht op de naleving van de beveiligingsprocedure.

4.

Van de aanwijzing of de vervanging van de beveiligingsfunctionaris wordt door het hoofd van de post terstond melding gedaan aan de Minister van Buitenlandse Zaken.

5.

De functie van beveiligingsfunctionaris is niet verenigbaar met het verrichten van andere handelingen ter uitvoering van de wet.

6.

De taken en verantwoordelijkheden van de beveiligingsfunctionaris worden vastgelegd in een functieomschrijving.

7.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post draagt er zorg voor dat de beveiligingsfunctionaris in staat wordt gesteld alle handelingen te verrichten die uit zijn taak voortvloeien.

8.

De beveiligingsfunctionaris is rechtstreeks verantwoording verschuldigd aan de Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post.

9.

De maatregelen bedoeld in het eerste tot en met het achtste lid maken deel uit van de reguliere accountantscontrole.

10.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post draagt er zorg voor, dat de bij de uitvoering van de wet betrokken ambtenaren regelmatig worden geïnformeerd over ontvreemdingsrisico's en ten minste één maal per jaar worden geïnstrueerd met betrekking tot risicobeperkende afspraken en maatregelen terzake.

Artikel 108. Controle op de toepassing van de beveiligingsmaatregelen
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken onderscheidenlijk het hoofd van de post voert een keer per jaar een controle uit op de toepassing van de beveiligingsmaatregelen, genoemd in de artikelen 104 tot en met 107.

2.

Indien de in het eerste lid bedoelde controle daartoe aanleiding geeft, wordt de beveiligingsprocedure aangepast.

Artikel 109. Ontvreemding of vernietiging
1.

In het geval van ontvreemding dan wel vernietiging van reisdocumenten, bijschrijvingsstickers, apparatuur, programmatuur, opslagmedia, documentatie en overige materialen ten gevolge van inbraak, diefstal, verduistering, overvallen, brand of anderszins dient de met de uitvoering van de wet belaste autoriteit daarvan terstond aangifte te doen bij de plaatselijke politie en tevens terstond het agentschap BPR daarvan in kennis te stellen.

2.

De Minister van Buitenlandse Zaken zendt het agentschap BPR vervolgens binnen één werkdag, eventueel per fax, een schriftelijke kennisgeving waarin de navolgende gegevens zijn opgenomen:

3.

Zodra het door de plaatselijke politie opgemaakte proces-verbaal beschikbaar is, wordt daarvan een afschrift gezonden aan het agentschap BPR.

Hoofdstuk XIII. Voorkoming en bestrijding van misbruik met reisdocumenten

Artikel 110. Onderzoek op onregelmatigheden en melding
1.

De autoriteit die in verband met een handeling op grond van deze regeling enig Nederlands reis- of identiteitsdocument krijgt overgelegd, gaat aan de hand van de door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verstrekte lijst van toetsingspunten na of met het desbetreffende reisdocument enige onregelmatigheid is gepleegd.

2.

Indien het vermoeden bestaat dat met een overgelegd reisdocument enige onregelmatigheid is gepleegd, wordt daarvan met gebruikmaking van modelformulier C5 melding gemaakt aan de Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten.

Artikel 111. Aangifte bij de politie en definitieve onttrekking aan het verkeer
1.

Indien het vermoeden bestaat dat de met het reisdocument gepleegde onregelmatigheden strafbare feiten opleveren en de vermoedelijke dader bekend is, wordt het desbetreffende reisdocument met gebruikmaking van modelformulier C5 aan de Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten gezonden.

2.

De autoriteit die van mening is dat met het reisdocument onregelmatigheden zijn gepleegd die geen strafbare feiten opleveren, onttrekt dit document op de in artikel 78 bedoelde wijze definitief aan het verkeer. Een reisdocument waarmee enige onregelmatigheid is gepleegd, wordt niet aan de houder teruggegeven.

Hoofdstuk XIV. Verantwoording nooddocumenten

Artikel 112
1.

De Minister van Buitenlandse Zaken verstrekt, met gebruikmaking van modelformulier C12, per kwartaal een schriftelijke verantwoording van het totale voorraadverloop met betrekking tot nooddocumenten over het voorgaande kwartaal.

2.

Deze verantwoording bevat, uitgesplitst naar noodpaspoorten en laissez-passer's:

3.

Nooddocumenten die onjuist blijken te zijn geproduceerd of beschadigd worden met het in het eerste lid bedoelde verantwoordingsformulier meegezonden aan de leverancier.

4.

Nooddocumenten die als gevolg van verschrijvingen of anderszins onbruikbaar zijn geworden, worden definitief aan het verkeer onttrokken door ze deugdelijk te vernietigen op de in artikel 78, tweede lid, aangegeven wijze.

5.

Het in het eerste lid bedoelde verantwoordingsformulier wordt ondertekend door of namens de Minister van Buitenlandse Zaken.

Hoofdstuk XV. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 113. Geldigheid van reisdocumenten verstrekt voor de inwerkingtreding van deze regeling

De reisdocumenten die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn verstrekt, behouden de geldigheid die daarin is vermeld.

Artikel 114. Raadpleging originele aanvraagformulieren
1.

Indien ingevolge artikel 9 of 36 raadpleging moet plaatsvinden van gegevens, behorende bij een reisdocument dat is uitgereikt voor de inwerkingtreding van deze regeling, verstrekt de autoriteit bij wie de gegevens in de reisdocumentenadministratie berusten op verzoek van de autoriteit die de aanvraag in ontvangst neemt kosteloos het originele aanvraagformulier, behorende bij het desbetreffende reisdocument. Alvorens tot verstrekking van het originele aanvraagformulier wordt overgegaan, maakt de desbetreffende autoriteit daarvan een kopie die in zijn reisdocumentenadministratie wordt bewaard, waarop wordt aangetekend aan welke autoriteit het originele aanvraagformulier is verstrekt.

2.

Na vergelijking wordt het originele aanvraagformulier bewaard als onderdeel van de reisdocumentenadministratie, behorende bij het uitgereikte nieuwe reisdocument. Indien geen nieuw reisdocument wordt uitgereikt, zendt de autoriteit die de aanvraag in behandeling heeft genomen het originele aanvraagformulier terug naar de autoriteit die het heeft verstrekt.

Artikel 115. Ongedaan maken bijschrijving in reisdocumenten verstrekt voor de inwerkingtreding van deze regeling

In afwijking van artikel 79, onder a, vindt het ongedaan maken van een bijschrijving in een reisdocument dat voor de inwerkingtreding van deze regeling is verstrekt, plaats door deze bijschrijving met de pen op onuitwisbare wijze door te halen, het plaatsen van de clausule “Wijziging/doorhaling goedgekeurd d.d. en waarmerking van de doorhaling met het in artikel 102, eerste lid, bedoelde dienststempel, voorzien van de paraaf van de bevoegde autoriteit of de daartoe aangewezen ambtenaar.”

Artikel 116. Tijdelijke verlenging bewaartermijn reisdocumentenadministratie

In afwijking van artikel 82, vierde lid, worden de in artikel 82, eerste lid, bedoelde gegevens, voor zover zij betrekking hebben op reisdocumenten die zijn verstrekt tussen 1 januari 1990 en 1 januari 1994, bewaard tot 1 januari 2005.

Artikel 117. Overgangsbepaling in verband met de invoering van de euro

Wijzigt deze regeling.

Artikel 118. Intrekking Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 1995

De Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 1995 wordt ingetrokken.

Artikel 119. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2001.

Artikel 120. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als “Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001”.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlagen. Paspoortuitvoeringsregelingen

Bijlage A. Standaardclausules

Burgerlijke Staat Standaardclausule I (uitgeschreven)* afkorting *
H – gehuwd
(geslacht houder = ‘V’) echtgenote van/Wife of/Epouse de e/v
(geslacht houder = ‘M’) echtgenoot van/Husband of/ Epoux de e/v
W - weduwe/weduwnaar gehuwd geweest met/ formerly married to/ anciennement marié(e) à w/v
S - gescheiden gehuwd geweest met/ formerly married to/ anciennement marié(e) à g/v
P - geregistreerde partner geregistreerde partner van/registered partner of/partenaire enregistré(e) de p/v
B - gescheiden geregistreerde partner geregistreerd partner geweest van/ former registered partner of/ancien partenaire enregistré(e) de b/v
A - achtergebleven geregistreerde partner geregistreerd partner geweest van/ former registered partner of/ancien partenaire enregistré(e) de a/v

Bijlage B. Standaardformulieren

Bijlage C. Modelformulieren

Bijlage D. Foutafhandelingsprocedures

In deze bijlage zijn de procedures weergegeven die moeten worden gevolgd indien een aangekondigde zending gepersonaliseerde reisdocumenten niet op het afgesproken tijdstip arriveert, de ontvangen zending beschadigd is, afwijkingen vertoont of indien bij controle van de zending documenten ontbreken.

De foutafhandelingsprocedures zijn beschreven voor:

Hoewel de beschreven problemen naar verwachting zelden zullen optreden, is er toch voor gekozen om in deze bijlage alle denkbare problemen die zich bij de aflevering zouden kunnen voordoen, in detail te beschrijven.

Voor uitgevende instanties is vooral van belang de volgende zaken in het oog te houden:

Voor de Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland zijn de procedures op een aantal punten afwijkend, zie de detailbeschrijving.

1. Foutafhandelingsprocedures Nederland

In deze bijlage zijn de procedures weergegeven die moeten worden gevolgd indien een aangekondigde zending niet op het afgesproken tijdstip arriveert, de ontvangen zending beschadigd is, afwijkingen vertoont of indien bij controle van de zending documenten ontbreken. Er worden vijf hoofdfouten onderscheiden, waarvan er een tweetal nog nader onderverdeeld zijn. De foutsituaties worden onderstaand beschreven. Per foutsituatie wordt vervolgens per pagina schematisch aangegeven hoe gehandeld dient te worden.

I. De aangekondigde zending wordt niet op het afgesproken tijdstip ontvangen

Hiervan is sprake indien een uitgiftelocatie een aangekondigde zending niet op het met de distributeur afgesproken tijdstip ontvangt. De procedure die gevolgd dient te worden, is weergegeven in schema I.

II. De ontvangen zending bevat een andere inhoud dan aangekondigd

Dit is het geval indien de inhoud van de zending niet overeenkomt met de op de verzendbrief vermelde inhoud of met hetgeen in de elektronische vooraankondiging van de producent staat vermeld. De volgende situaties worden onderscheiden:

III. De ontvangen zending is beschadigd

Hiervan is sprake indien bij ontvangst van het pakket geconstateerd wordt dat de verpakking van het pakket beschadigingen vertoont. Er worden verschillende situaties onderscheiden:

IV. De inhoud van de zending is goed, maar niet op de afgesproken wijze verpakt

Hiervan is sprake indien de inhoud van de zending wel overeenkomt met hetgeen door de producent is aangekondigd, maar de inhoud is niet op de juiste wijze is verpakt. Het pakket bevat bijvoorbeeld colli met verschillende documenten (er zitten bijvoorbeeld zakenpaspoorten tussen de nationale paspoorten) of de zending bevat geen of een onjuiste verzendbrief. In dit geval dient de procedure, beschreven in schema IV te worden gevolgd.

V. Overige calamiteiten

Voor het geval er zich een situatie voordoet, die niet in een van de voornoemde categorieën is onder te brengen, dient de in schema V beschreven procedure te worden gevolgd.

I. De aangekondigde zending wordt niet ontvangen op het afgesproken tijdstip

II. De ontvangen zending bevat een andere inhoud dan aangekondigd:

II. De ontvangen zending bevat een andere inhoud:

III. De ontvangen zending is beschadigd:

III. De ontvangen zending is beschadigd:

III. De ontvangen zending is beschadigd:

IV. De inhoud van de zending is goed, maar niet op de juiste wijze verpakt

V. Overige calamiteiten

2. Foutafhandelingsprocedures Buitenland (Nederlandse Posten)

In deze paragraaf zijn de procedures weergegeven die moeten worden gevolgd indien een aangekondigde zending niet op het afgesproken tijdstip arriveert, de ontvangen zending beschadigd is, afwijkingen vertoont of indien bij controle van de zending documenten ontbreken. Er worden vijf hoofdfouten onderscheiden, waarvan er een tweetal nog nader onderverdeeld zijn. De foutsituaties worden onderstaand beschreven. Per foutsituatie wordt vervolgens per pagina schematisch aangegeven hoe gehandeld dient te worden.

I. De ontvangen zending bevat een andere inhoud dan aangekondigd

Dit is het geval indien de inhoud van de zending niet overeenkomt met de op de verzendbrief vermelde inhoud of met hetgeen in de elektronische vooraankondiging van de producent staat vermeld. De volgende situaties worden onderscheiden:

II. De ontvangen zending is beschadigd

Hiervan is sprake indien bij ontvangst van het pakket geconstateerd wordt dat de verpakking van het pakket beschadigingen vertoont. Er worden verschillende situaties onderscheiden:

III. De inhoud van de zending is goed, maar niet op de afgesproken wijze verpakt

Hiervan is sprake indien de inhoud van de zending wel overeenkomt met hetgeen door de producent is aangekondigd, maar de inhoud is niet op de juiste wijze is verpakt. Het pakket bevat bijvoorbeeld colli met verschillende documenten (er zitten bijvoorbeeld zakenpaspoorten tussen de nationale paspoorten) of de zending bevat geen of een onjuiste verzendbrief. In dit geval dient de procedure, beschreven in schema III te worden gevolgd.

IV. Overige calamiteiten

Voor het geval er zich een situatie voordoet, die niet in een van de voornoemde categorieën is onder te brengen, dient de in schema IV beschreven procedure te worden gevolgd.

I. De ontvangen zending bevat een andere inhoud dan aangekondigd:

I. De ontvangen zending bevat een andere inhoud:

II. De ontvangen zending is beschadigd:

II. De ontvangen zending is beschadigd:

II. De ontvangen zending is beschadigd:

III. De inhoud van de zending is goed, maar niet op de juiste wijze verpakt

IV. Overige calamiteiten

3. Foutafhandelingsprocedures Nederlandse Antillen en Aruba

In deze paragraaf zijn de procedures weergegeven die moeten worden gevolgd indien een aangekondigde zending niet op het afgesproken tijdstip arriveert, de ontvangen zending beschadigd is, afwijkingen vertoont of indien bij controle van de zending documenten ontbreken. Er worden vijf hoofdfouten onderscheiden, waarvan er een tweetal nog nader onderverdeeld zijn. De foutsituaties worden onderstaand beschreven. Per foutsituatie wordt vervolgens per pagina schematisch aangegeven hoe gehandeld dient te worden.

I. De aangekondigde zending wordt niet op het afgesproken tijdstip ontvangen

Hiervan is sprake indien een uitgiftelocatie een aangekondigde zending niet op het met de distributeur afgesproken tijdstip ontvangt. De procedure die gevolgd dient te worden, is weergegeven in schema I.

II. De ontvangen zending bevat een andere inhoud dan aangekondigd

Dit is het geval indien de inhoud van de zending niet overeenkomt met de op de verzendbrief vermelde inhoud of met hetgeen in de elektronische vooraankondiging van de producent staat vermeld. De volgende situaties worden onderscheiden:

III. De ontvangen zending is beschadigd

Hiervan is sprake indien bij ontvangst van het pakket geconstateerd wordt dat de verpakking van het pakket beschadigingen vertoont. Er worden verschillende situaties onderscheiden:

IV. De inhoud van de zending is goed, maar niet op de afgesproken wijze verpakt

Hiervan is sprake indien de inhoud van de zending wel overeenkomt met hetgeen door de producent is aangekondigd, maar de inhoud is niet op de juiste wijze is verpakt. Het pakket bevat bijvoorbeeld colli met verschillende documenten (er zitten bijvoorbeeld zakenpaspoorten tussen de nationale paspoorten) of de zending bevat geen of een onjuiste verzendbrief. In dit geval dient de procedure, beschreven in schema IV te worden gevolgd.

V. Overige calamiteiten

Voor het geval er zich een situatie voordoet, die niet in een van de voornoemde categorieën is onder te brengen, dient de in schema V beschreven procedure te worden gevolgd.

I. De aangekondigde zending wordt niet ontvangen op het afgesproken tijdstip:

II. De ontvangen zending bevat een andere inhoud dan aangekondigd:

II. De ontvangen zending bevat een andere inhoud:

III. De ontvangen zending is beschadigd

III. De ontvangen zending is beschadigd

III. De ontvangen zending is beschadigd

IV. De inhoud van de zending is goed, maar niet op de juiste wijze verpakt

V. Overige calamiteiten

Bijlage E. BeveiligingsNet

QC822/2001V0167/HK/mh

16 augustus 2001

Versie 1.0

VERANTWOORDING

Het BeveiligingsNet 2001 is ontwikkeld door Stavoor Circon in opdracht van het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten (BPR). De ontwikkeling is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met een begeleidingscommissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Burgerzaken, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, verschillende gemeenten, de Binnenlandse Veiligheidsdienst, de Accountantsdienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en het agentschap BPR.

Voor vragen of opmerkingen over dit instrument kunt u contact opnemen met de Infodesk van het agentschap BPR, telefoonnummer: 070 - 36 22 435 of per e-mail: agentschap@bprbzk.nl.

INLEIDING

Het BeveiligingsNet is een hulpmiddel waarmee u kunt nagaan hoe veilig de opslag, uitgifte en administratie van reisdocumenten verloopt in uw gemeente. Naast het toetsen van de kwaliteit van de feitelijke beveiligingsmaatregelen kunt u het BeveiligingsNet gebruiken bij het opzetten, invoeren of beoordelen van het beveiligingsplan. Het resultaat geeft aan in hoeverre en op welke gebieden aanvullende maatregelen of voorzieningen nodig zijn.

Deze tweede uitgave van het BeveiligingsNet (versie 2001) is een aangepaste en geactualiseerde versie van het in 2000 geïntroduceerde BeveiligingsNet. Het instrument is aangepast aan de situatie waarin de reisdocumenten centraal gepersonaliseerd worden (NGR), alsmede aan de ontwikkelingen op het terrein van met reisdocumenten samenhangende fraude en misbruik.

Het BeveiligingsNet wil het procesmatige karakter van de beveiligingsproblematiek benadrukken (bewustwording, continuïteit, optimalisering). Relevante regelgeving wordt beschreven in korte inleidingen op de betreffende onderdelen. Specifieke maatregelen of voorzieningen worden, waar nodig, toegelicht. Aansluitend op de resultaatbepaling is een model voor een rapportage opgenomen waarin u wordt uitgedaagd een actieplan met concrete verbeterpunten op te stellen. Tot slot zijn enkele bijlagen opgenomen met onder meer enkele voorbeeldprocedures en een checklist voor het opstellen van een beveiligingsplan.

VOOR WIE?

Het BeveiligingsNet is bestemd voor:

DOEL

Het BeveiligingsNet is leidraad bij het in de PUN verplicht gestelde jaarlijkse onderzoek naar de staat van de beveiliging rondom de reisdocumenten. De gemeente kan met het BeveiligingsNet toetsen hoe veilig de opslag, verstrekking, uitreiking en administratie van reisdocumenten verloopt. Daarnaast kan het BeveiligingsNet worden gebruikt bij het opzetten, verder vormgeven of aanpassen van het beveiligingsplan.

MAATREGELEN EN AANBEVELINGEN

In het BeveiligingsNet wordt onderscheid gemaakt tussen krachtens wetDe wettelijke eisen zijn gebaseerd op de Paspoortwet en de Paspoortuitvoeringsregeling Nederland 2001 (PUN), inclusief toelichtingen en aanvullende ministeriële circulaires. voorgeschreven maatregelen en aanbevelingen. De maatregelen zijn voorschriften, procedures of voorzieningen die deel uitmaken van het verplichte minimum beveiligingsniveau. De aanbevelingen zijn procedures of voorzieningen die niet verplicht zijn, maar waarmee de beveiliging kan worden geoptimaliseerd.

Als alle maatregelen zijn doorgevoerd, beschikt de gemeente over een voldoende beveiligingsniveau. Als daarboven alle aanbevelingen zijn doorgevoerd, beschikt de gemeente over een optimaal beveiligingsniveau.

RESULTAATBEPALING

De maatregelen en aanbevelingen zijn in het BeveiligingsNet in de vorm van vragen geformuleerd waarop met ‘ja’ of ‘nee’ kan worden geantwoord. De vragen zijn verdeeld over negen hoofdstukken die samen de bouwstenen vormen van het beveiligingssysteem.

Het ontbreken van of niet voldoen aan een maatregel in uw gemeente levert een zogenoemde ‘lacune’ (hiaat, tekort) op. Het totaal aantal lacunes geeft per hoofdstuk een indicatie van de beveiligingsachterstand, d.w.z. hoeveel maatregelen moeten nog worden ingevoerd om te komen tot een beveiligingsniveau dat zowel wettelijk als beveiligingstechnisch voldoende is.

U ontvangt punten voor de maatregelen en aanbevelingen die in uw gemeente zijn ingevoerd. De procentuele verhouding tussen de behaalde en maximaal te behalen punten geeft per hoofdstuk een indicatie van de gerealiseerde beveiligingsinspanning, d.w.z. de inzet die uw gemeente nu pleegt om de reisdocumenten te beveiligen.

Na het invullen van alle subtotalen op de resultaatpagina ziet u per beveiligingsaspect:

INVULINSTRUCTIE

De vragen zijn verdeeld over zeven hoofdstukken. Elk hoofdstuk bevat een aantal thema's. Onder deze thema's staat soms een samenvatting van het relevante PUN-artikel, een verwijzing naar een bijlage of een korte beveiligingstechnische uitleg. Daarna volgen de vragen die met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord kunnen worden.

Een voorbeeld van enkele vragen uit de paragraaf over het jaarlijkse onderzoek naar en actualisering van de beveiligingsmaatregelen (paragraaf 2.4):

BEVEILIGINGSBELEID, BEVEILIGINGSPLAN, COMMUNICATIE EN ONDERZOEK

AANDACHTSPUNTEN BIJ DE WAARDERING VAN HET RESULTAAT

Het BeveiligingsNet levert een beeld op van de mate waarin uw beveiligingssysteem voldoet aan de wettelijke verplichtingen en aan actuele beveiligingstechnische inzichten. Het aantal lacunes in uw beveiliging heeft een grote invloed op de hoogte van de risico's die u loopt bij de opslag, verstrekking en uitreiking van reisdocumenten. Het bestaan van dergelijke tekortkomingen kan daarom niet worden gecompenseerd door een relatief hoge score op de beveiligingsinspanning. Zonder goede fundering blijft een huis kwetsbaar, hoe goed en gedetailleerd de rest ook is gebouwd en ingericht.

Het beoordelen van een beveiligingssysteem is een complexe aangelegenheid die veel aandacht vraagt. U kunt bijvoorbeeld bij het gebruik van het BeveiligingsNet bepaalde zaken over het hoofd zien. Ook betekent een goede uitkomst (nul lacunes en een hoge beveiligingsinspanning) niet automatisch dat u geen risico meer loopt. We geven enkele voorbeelden:

Periodieke observatie van de feitelijke uitvoering van procedures is dus nodig. En zelfs dán valt te verwachten dat de geobserveerde uitvoering wordt beïnvloed door sociaal wenselijk gedrag (bijvoorbeeld iedereen doet vandaag extra zijn best) of door andere specifieke factoren (bijvoorbeeld tijdelijk personeelstekort). Daarom is het raadzaam om regelmatig de naleving van procedures te controleren aan de hand van registraties, tellingen, parafen, etc. Ook periodieke instructiebijeenkomsten dragen bij aan het scherp houden van het veiligheidsbewustzijn van alle medewerkers.

De inventarisatie met het BeveiligingsNet vormt een momentopname. De feitelijke gang van zaken rond de beveiliging kan – bijvoorbeeld een week later – daarvan min of meer afwijken. U wordt daarom geadviseerd niet blind te varen op het verkregen resultaat, maar dit te gebruiken als hulpmiddel bij het doorlopend proces van opbouwen, bewaken en bijstellen van uw beveiligingssysteem en bij het optimaal op elkaar afstemmen van de verschillende elementen van dat systeem.

Wij wensen u veel succes bij het meten en zo nodig optimaliseren van uw beveiliging!

1. TAKEN, VERANTWOORDELIJKHEDEN EN BEVOEGDHEDEN

2. BEVEILIGINGSBELEID, BEVEILIGINGSPLAN, COMMUNICATIE EN ONDERZOEK

3. ORGANISATORISCHE MAATREGELEN EN AUTORISATIES

4. BOUWKUNDIGE EN ELEKTROTECHNISCHE VOORZIENINGEN

5. ICT BEVEILIGING

6. IDENTITEITSVERIFICATIE

7. DE BESLISSING OP DE AANVRAAG

8. ONTVANGST, UITREIKEN EN ONTTREKKING VAN REISDOCUMENTEN

9. BEHEER EN ADMINISTRATIE VAN REISDOCUMENTEN, FORMULIEREN EN MATERIALEN

Resultaat BeveiligingsNet

Het BeveiligingsNet levert twee soorten resultaten op. Ten eerste noteert u de aantallen lacunes en de beveiligingsinspanning per hoofdstuk in het onderstaande schema. Ten tweede neemt u de lacunes op in het actieplan. Dit actieplan vult u verder in op basis van afspraken in uw gemeente.

Actieplan De elektronische versie van het BeveiligingsNet print het resultatenschema en het actieplan. Tevens wordt het actieplan als Word-document opgeslagen. U kunt zelf in dit document verder werken. De PUN (art. 94) schrijft voor dat de beveiliging rondom de reisdocumenten jaarlijks wordt geëvalueerd aan de hand van het BeveiligingsNet. De geconstateerde afwijkingen moeten schriftelijk worden vastgelegd en tenminste vijf jaar naast het beveiligingsplan worden bewaard. Het resultatenschema en een ingevuld actieplan kunnen dienen als basis voor deze jaarlijkse rapportage.

Het actieplan bestaat uit een lijst met specifieke tekortkomingen (de lacunes). De lijst beschrijft dus wat nog moet gebeuren om het beveiligingssysteem in overeenstemming te brengen met de wettelijke vereisten. Per punt dient u aan te geven wie actie moet ondernemen en op welk moment e.e.a. gereed moet zijn, dan wel op welk moment er over deze actie gerapporteerd zal worden.

BIJLAGE 1. RISICO'S EN MAATREGELEN

Beveiligingsmaatregelen zijn bedoeld om risico's af te dekken. Het beveiligingssysteem bestaat uit een samenhangend stelsel van bouwkundige en electrotechnische voorzieningen en organisatorische maatregelen (procedures, werkafspraken).

De risico's die spelen rondom het proces van aanvraag, verstrekking, beheer, opslag, uitreiking en administratie van documenten zijn de volgende:

BIJLAGE 2. ASPECTEN VAN BEVEILIGINGSBELEID

Het gemeentebestuur is eindverantwoordelijk voor de ontwikkeling van het beveiligingsbeleid. In dit beleid wordt de verbinding gelegd tussen de totale visie op de beveiliging, de inschatting van risico's die de gemeente loopt (risico-inventarisatie), de verdeling van verantwoordelijkheden m.b.t. de noodzakelijke beveiligingsmaatregelen en de instandhouding van een goede beveiligingsattitude (kennis en houding). Vanuit dit beveiligingsbeleid wordt door de verschillende afdelingen een beveiligingsplan geschreven. In zo'n beveiligingsplan worden de bouwkundige/fysieke maatregelen beschreven en relevante werkprocessen vastgelegd. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de beveiligingsorganisatie en aan de manier waarop wordt gewerkt aan het instandhouden van een goede beveiligingsattitude.

De volgende elementen maken deel uit van het beveiligingsbeleid:

BIJLAGE 3. FUNCTIEBESCHRIJVING BEVEILIGINGSFUNCTIONARIS

Rechtstreekse verantwoordelijkheid naar de burgemeester zonder tussenkomst van leidinggevenden in de lijn.

De beveiligingsfunctionaris wordt conform de PUN2001 door de burgemeester in deze taak benoemd. Daarbij dient in ieder geval sprake te zijn van functiescheiding tussen de beveiligingsfunctie en uitvoerende taken bij reisdocumenten (in overeenstemming met PUN art. 93 lid 10).

De beveiligingsfunctionaris is verantwoordelijk voor:

De werkzaamheden omvatten tenminste de volgende onderdelen:

BIJLAGE 4. AANDACHTSPUNTEN BIJ HET SCHRIJVEN VAN PROCEDURES

Procedures in het beveiligingsplan reisdocumenten hebben tot doel de voor de beveiliging relevante processen rondom de aanvraag, verstrekking, beheer, opslag en administratie van reisdocumenten vast te leggen. Procedures zijn een gestructureerde weerslag van de dagelijkse werkzaamheden en worden gebruikt voor instructie van medewerkers en als kader voor de (op beveiligingsaspecten gerichte) controle van de dagelijkse werkzaamheden door de leidinggevende of een (externe) onderzoeker. In de procedures staat hoe het is afgesproken en met behulp van de schriftelijke procedures kan worden nagegaan of wordt gewerkt zoals afgesproken.

Om aan deze tweeledige doelstelling (instructie en controle) te kunnen voldoen, is het van belang dat procedures de dagelijkse werkzaamheden zo precies mogelijk beschrijven en dat er elementen in zijn opgenomen, die maken dat achteraf kan worden nagegaan of werkelijk is gewerkt zoals afgesproken.

Procedures worden opgebouwd volgens de volgende aandachtspunten:

BIJLAGE 5. FUNCTIESCHEIDING

Functiescheiding heeft als doel misbruik of oneigenlijk gebruik van bevoegdheden te voorkomen. Functiescheiding maakt dat collega's elkaar (direct of achteraf) onderling kunnen controleren. Daarmee wordt de kans verkleind dat zij door ‘kwaadwillenden’ worden misleid (externe fraude) of dat zij, al dan niet onder druk van chantage, bedreiging of omkoping, misbruik maken van hun bevoegdheden (interne fraude).

De taken/verantwoordelijkheden in het proces van aanvraag tot uitreiking van reisdocumenten zijn de volgende:

De taken zijn uiteraard op verschillende manieren te groeperen. Daarbij dienen de verplichtingen uit de PUN als uitgangspunt te worden gehanteerd. De PUN schrijft functiescheiding voor:

Een mogelijke groepering van taken over de medewerkers is:

De implicaties van de verplichtingen op het vlak van de functiescheiding voor de verdeling van deze taken zijn de volgende:

BIJLAGE 6. AANDACHTSPUNTEN LOGISCHE EN FYSIEKE TOEGANGSBEVEILIGING

Voor de controle op de logische en fysieke toegangsbeveiliging maken we gebruik van sleutels, key-cards, persoonsgebonden identificatiekaarten (Identificatiekaarten Aanvraagsysteem Reisdocumenten - IAR) en codes (PIN-codes van het RAAS en codes van het toegangssysteem). Een procedure voor de uitgifte en het beheer van deze middelen dient niet alleen om de afdeling Burgerzaken en de opslagvoorzieningen te vrijwaren tegen bezoekers die daar niets te zoeken hebben, maar is ook een instrument in het kader van zorgvuldige autorisatie. Een goede procedure bevat in elk geval de volgende elementen:

BIJLAGE 7A. VOORBEELDPROCEDURE IDENTIFICERENDE VRAGEN

Inleiding

In situaties waarin geen oud document kan worden overgelegd, of wanneer om enigerlei reden getwijfeld wordt aan de identiteit van de aanvrager geschiedt de identiteitsverificatie onder meer op basis van identificerende vragen. Kwaadwillende aanvragers kunnen zich hierop voorbereiden. Daarom worden zoveel mogelijk moeilijke en gevarieerde vragen gesteld en wordt een norm gehanteerd omtrent het aantal foute antwoorden dat wordt toegestaan. Het vragenformulier wordt ondertekend door de ambtenaar.

Opmerking:

identificerende vragen stellen aan kinderen en zeker aan jonge kinderen die geen of nauwelijks Nederlands spreken, is in de praktijk slecht toepasbaar. Helaas zijn de mogelijkheden voor nadere verificatie van de identiteit beperkt. Ook bij allochtone aanvragers is het verifiëren van de identiteit op basis van identificerende vragen gecompliceerd. In andere culturen hebben verjaardagen en geboortedata een andere status dan in de West-Europese, hetgeen maakt dat aanvragers minder bekend zijn met deze gegevens. Dit vraagt extra aandacht en een manier van identiteitsvaststelling die recht doet aan deze cultuurverschillen zonder de identiteitsbepaling te versoepelen.

BIJLAGE 8. TIPS VOOR FOTO-FOTO EN FOTO-PERSOON VERGELIJKING

De pasfoto voor een nieuw reisdocument moet aan de volgende eisen voldoen (PUN art. 28):

Bij de controle op overeenkomsten tussen de persoon van de aanvrager en de foto die hij inlevert of de foto in het oude document dat hij overlegt, moet worden gelet op typische bij voorkeur onveranderbare kenmerken:

Probeer, zeker bij twijfel, de persoon te bekijken vanuit het perspectief van de foto, dus met het hoofd in dezelfde houding. Vergelijk:

Bij vergelijking van verschillende pasfoto's gelden dezelfde aandachtspunten als bij foto-persoon vergelijking. Extra tips zijn:

Tip: Bekijk de foto's op de kop. Omdat de invloed van het gehele gezicht dan minder dominant wordt, wordt het makkelijker de foto's objectief/wetenschappelijk te bekijken en onderlinge afstanden, verhoudingen en vormen te vergelijken.

BIJLAGE 9. CHECKLIST BEVEILIGINGSPLAN

Het beveiligingsplan is een ‘levend document’ dat jaarlijks wordt bijgesteld naar aanleiding van het periodieke onderzoek naar de effectiviteit en doelmatigheid van de beveiliging of na tussentijdse wijzigingen van procedures of voorzieningen. Het beveiligingsplan dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten:

Bijlage F. Overzicht aanvraaggegevens

Bijlage G. Tot verstrekking van paspoorten bevoegde buitenlandse posten

Abidjan Karachi Seoul
Abu Dhabi Khartoem Shanghai
Accra Kiev Singapore
Addis Abeba Kigali Skopje
Algiers Kingston St. Petersburg
Almaty Kinshasa Sofia
Amman Kobe Stockholm
Ankara Koeweit Sydney
Antwerpen Kopenhagen Teheran
Athene Kuala Lumpur Tel Aviv
Bagdad La Paz Tokyo
Bamako Lagos Toronto
Bangkok Lima Tripoli
Barcelona Lissabon Tunis
Beiroet Londen Vancouver
Belgrado Los Angeles Warschau
Berlijn Luanda Washington
Bern Lusaka Wellington
Boedapest Luxemburg Wenen
Boekarest Madrid Windhoek
Bombay Managua Zagreb
Brasilia Manilla
Bratislava Maputo
Brussel Mexico
Buenos Aires Milaan
Cairo Montevideo
Canberra Montreal
Caracas Moskou
Chicago München
Colombo Muscat
Cotonou Nairobi
Dakar New Delhi
Damascus New York
Dar es Salaam Oslo
Dhaka Ottawa
Djedda Ouagadougou
Dubai Paramaribo
Dublin Parijs
Düsseldorf Peking
Frankfurt a/d Main Port of Spain
Guangzhou Praag
Guatemala Pretoria
Hamburg Quito
Hanoi Rabat
Harare Riga
Havanna Rio de Janeiro
Helsinki Riyadh
Ho Chi Minh stad Rome
Hongkong Sana'a
Houston San José
Islamabad Sante Fé de Bogota
Istanbul Santiago de Chile
Jakarta Santo Domingo
Kaapstad Sao Paulo
Kampala Sarajevo

Bijlage H. Tot verstrekking van Nederlandse identiteitskaarten bevoegde buitenlandse posten

Ankara

Antwerpen

Athene

Barcelona

Berlijn

Bern

Brussel

Dublin

Düsseldorf

Frankfurt

Hamburg

Helsinki

Istanbul

Kopenhagen

Lissabon

Londen

Luxemburg

Madrid

Milaan

München

Oslo

Parijs

Rome

Stockholm

Wenen

Bijlage I. Normering IAR-kaarten

Het Ministerie van BZK heeft de norm voor het aantal IAR-kaarten vastgesteld op 5 IAR-kaarten per door BZK beschikbaar gesteld RAAS (2 voor Autorisatiebevoegden en 3 voor Medewerkers Backoffice). Deze worden kosteloos aan de uitgevende instantie ter beschikking gesteld. In de gevallen waar door BZK aanvullend nog een werkstation beschikbaar is gesteld, geldt dat voor dit werkstation aanvullend 3 IAR-kaarten kosteloos beschikbaar worden gesteld.

Desgewenst kan een uitgiftelocatie extra kaarten aanvragen. Het totaal aantal kaarten van een uitgiftelocatie mag echter nooit groter zijn dan het aantal vaste medewerkers op deze uitgiftelocatie. Hierbij wordt een bovengrens gehanteerd van maximaal 20 kaarten per uitgiftelocatie. Deze begrenzing is vastgesteld uit oogpunt van beveiliging. De kosten van extra kaarten komen ten laste van de uitgevende instantie.

Als gevolg van verloop van personeel kan een uitgiftelocatie vervangende kaarten aanvragen. De norm voor het aantal vervangende kaarten per jaar is vastgesteld op maximaal 2 kaarten per RAAS. Deze worden kosteloos aan de uitgevende instantie ter beschikking gesteld.

Indien een uitgiftelocatie meer dan 2 vervangende kaarten per jaar nodig heeft, komen de kosten van deze extra vervangende kaarten ten laste van de uitgevende instantie.

Indien een uitgiftelocatie vervangende kaarten moet bestellen als gevolg van diefstal, verlies of onzorgvuldig gebruik, dan komen de kosten hiervan ten laste van de uitgevende instantie.

Kaarten die defect raken bij initiële uitlevering of wegens technische mankementen worden kosteloos vervangen.

De kosten van extra IAR-kaarten bedragen fl. 116,- / € 52,64 per kaart.

Indien een extra IAR-kaart met spoed moet worden geleverd bedragen de kosten, in afwijking van het voornoemde bedrag, fl. 176,- / € 79,87 per kaart. Spoedaanvragen gaan vergezeld van een fax aan Enschedé/Sdu (Ordermanagement, faxnummer 023-5184305). De leveringstermijn bedraagt circa twee weken bij een gewone aanvraag en is in geval van spoed gelijk aan de standaard leveringstermijn van reisdocumenten.

Na levering van de extra IAR-kaart bij de uitgiftelocatie ontvangt de gemeente via het agentschap BPR een factuur.

Bijlage J. Invulinstructie laissez-passer

Algemene opmerkingen
Het laissez passer wordt handmatig ingevuld op de hierna weergegeven wijze.
Invulinstructie per rubriek
Type LP
Code NLD
Document- nummer Het documentnummer dat in het document geperforeerd is, overnemen.
Naam De naam van de houder in volgorde:
– Adellijke titel voluit
– Voorvoegsel voor de achternaam voluit
– Achternaam geslachtsnaam houder
Voornamen Voornamen van de houder in volgorde:
– Adellijke predikaat voluit (facultatief)
– Voornamen voluit
Indien geen voornamen worden ingevuld wordt dit aangegeven met drie liggende streepjes, ---.
Algemene opmerking: Indien de naam niet past in de hiervoor bestemde ruimte m.b.v. standaardclausule II verwijzen naar pagina 3.
Nationaliteit Alleen in te vullen bij Nederlanders. In andere gevallen drie liggende streepjes, ---.
Geslacht M: man V/F: vrouw
Lengte Voorbeeld: 1,82m (Cijfermatig in meters en centimeters vermelden gevolgd door afkorting m).
Geboortedatum Vermelden iVermelden in volgorde: n formaat dd XXX eejj – Twee posities dagaanduiding in cijfers. – Spatie – Eerste drie posities voor maandaanduiding (zie lijst hierna vermeld) – Spatie – Laatste vier posities eeuw- en jaartalaanduiding
Lijst maandafkortingen: JAN FEB MAA APR MEI JUN JUL AUG SEP OKT NOV DEC
Voorbeelden: 00 --- 1956 00 JAN 1984 19 JAN 1984 Bij de toekenning van een reisdocument wordt altijd een eeuw- en jaartal aanduiding opgenomen.
Afgiftedatum Zie geboortedatum
Geboorteplaats Geboorteplaatsnaam vermelden
Geldig tot Datum tot wanneer het document geldig is. Datum weergeven zoals aangegeven bij geboortedatum.
Autoriteit Gouverneur van Minister van Buitenlandse Zaken Ambassadeur te Consul-Generaal te Consul te Hfd. cons. afd. te
Waarmerking Stempel autoriteit moet over de foto vallen.
Handtekening De houder plaatst zijn handtekening op de bestemde plaats onder de foto.
Opmerkingen Pagina 3 is te gebruiken voor opmerkingen van bevoegde instanties. Op deze pagina worden de datum waarop het reisdocument uiterlijk moet worden ingeleverd en de autoriteit bij wie de inlevering dient plaats te vinden ingevuld.
Lamineren Het document wordt na invulling van de houderpagina gelamineerd. Dit gebeurt niet met een laminator maar door middel van koud laminaat dat als een sticker wordt geplakt. Door de beschermlaag op de achterzijde van de folie te verwijderen kan de folie, zonder gebruik van hulpmiddelen, over de houderpagina worden geplakt.