Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald onder welke omstandigheden de houder van een vervolgvergunning aardwarmte verplicht is medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen hem en degene die een winningsvergunning heeft voor de meekomende delfstoffen. Een overeenkomst strekt ertoe dat degene die een vergunning heeft voor de winning van de meekomende delfstoffen een redelijke vergoeding ontvangt voor de met de bij de winning van aardwarmte meekomende delfstoffen. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de overeenkomst.
Artikel 43
Vervallen
Artikel 44
De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25, van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte meldt binnen vier weken nadat een mijnbouwwerk buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden het mijnbouwwerk buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens artikel 49, vierde lid, is aangewezen.
De houder van een vergunning verwijdert een mijnbouwwerk dat buiten werking is, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval als bedoeld in het eerste lid.
De houder van een vergunning overlegt binnen een jaar nadat een mijnbouwwerk buiten werking is, aan Onze Minister een verwijderingsplan, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval als bedoeld in het eerste lid.
De verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn mede van toepassing op het verwijderen van verontreinigde grond, verontreinigd grondwater, verontreinigingen op of in oppervlaktewater, afval, waaronder schroot, en andere materialen, die in het gebied of in de naaste omgeving van het mijnbouwwerk zijn terechtgekomen bij het aanleggen of exploiteren van het mijnbouwwerk.
Het eerste, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een gedeelte van een mijnbouwwerk, waaronder een boorgat, dat buiten werking is in de gevallen, die krachtens artikel 49, vierde lid, zijn aangewezen.
Artikel 45
De beheerder van een kabel of pijpleiding meldt binnen vier weken nadat een kabel of pijpleiding buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden de kabel of pijpleiding buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen tenzij de kabel of pijpleiding tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens artikel 49, vierde lid, is aangewezen.
Onze Minister kan binnen zes maanden na de melding met overeenkomstige toepassing van artikel 44 bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding die buiten werking is, verplicht is om de kabel of pijpleiding te verwijderen overeenkomstig een door de beheerder te overleggen verwijderingsplan, tenzij de kabel of pijpleiding:
- a. in gemeentelijk ingedeeld gebied is gelegen en
- b. met de eigenaar van de grond is overeengekomen dat de kabel of de pijpleiding niet wordt verwijderd.
Als Onze Minister bepaalt dat de beheerder verplicht is een kabel of pijpleiding te verwijderen, kan de beheerder een aanvraag om ontheffing indienen. Artikel 44b is van overeenkomstige toepassing.
De artikelen 44a en 44c zijn van overeenkomstige toepassing op een verwijderingsplan, respectievelijk de verwijdering, van kabels en pijpleidingen.
Als Onze Minister de beheerder niet heeft verplicht een kabel of pijpleiding te verwijderen en de beheerder niet verplicht is om de kabel of pijpleiding krachtens een overeenkomst met de eigenaar van de grond te verwijderen, is de beheerder verplicht om de kabel, respectievelijk pijpleiding, schoon en veilig achter te laten.
Als niemand als beheerder van een kabel of pijpleiding kan worden aangemerkt, rusten de verplichtingen op de laatste beheerder van de kabel of pijpleiding.
§ 4.2. Financiële zekerheid
Artikel 46
Onze Minister kan bepalen dat zekerheid gesteld dient te worden ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade die naar redelijke schatting ontstaat door beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen van delfstoffen.
Op verzoek van Onze Minister wordt aan hem een goed onderbouwd rapport overgelegd, waaruit blijkt welke schade naar redelijke schatting zal ontstaan.
Het bedrag en de termijn waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop de zekerheid wordt gesteld, dienen ten genoegen van Onze Minister te zijn.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op het opsporen en winnen van aardwarmte en het opslaan van stoffen.
Dit artikel geldt, tenzij in de desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking tot het winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee, voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
Artikel 41, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een vergunning wordt overgedragen na het bekend worden van schade, de verplichtingen van dit artikel wat betreft die schade blijven rusten op degene die ten tijde van dat bekend worden de houder van de vergunning of de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon was.
Artikel 47
Onze Minister kan bepalen dat de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25, van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte, binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het verwijderen van een mijnbouwwerk.
De zekerheid wordt gesteld vanaf een tijdstip, voor een bedrag, met een termijn en op een wijze die Onze Minister voldoende acht.
Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen voor de handhaving van het eerste lid.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 44b, eerste lid.
Artikel 48
Onze Minister kan bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding als bedoeld in artikel 45 binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het schoon en veilig achterlaten of het verwijderen van een kabel of pijpleiding.
De zekerheid wordt gesteld vanaf een tijdstip, voor een bedrag, met een termijn en op een wijze die Onze Minister voldoende acht.
Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen voor de handhaving van het eerste lid.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing voor het verwijderen van een kabel of pijpleiding als bedoeld in artikel 45, derde lid, in samenhang met artikel 44b, eerste lid.
§ 4.3. Verdere regels
Artikel 49
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:
- a. het opsporen van delfstoffen of aardwarmte;
- b. het winnen van delfstoffen of aardwarmte;
- c. het opslaan van stoffen;
- d. het instellen van een verkenningsonderzoek;
- e. boorgaten dieper dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem;
- f. pijpleidingen en kabels die worden gebruikt ten behoeve van het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel ten behoeve van het opslaan van stoffen;
- g. de stoffen die samen met CO2, worden getransporteerd en opgeslagen;
- h. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof of aardwarmte of het opslaan van stoffen,
- i. de diepte waarop een activiteit plaatsvindt,
- j. de soort activiteit, en
- k. de soort delfstof of de soort stof die wordt opgeslagen.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen worden gesteld ten behoeve van:
- a. een gebruik van ondergrond of planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen;
- b. de bescherming van de veiligheid voor omwonenden;
- c. de bescherming van het milieu;
- d. het voorkomen van schade aan gebouwen en infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen voorts worden gesteld, voorzover de in het eerste lid bedoelde activiteiten plaatsvinden op of in het continentaal plat of de territoriale zee, ten behoeve van:
- a. de scheepvaart, de landsverdediging, de visserij, de opwekking van elektriciteit, het instandhouden van de levende rijkdommen van de zee, het zuiver wetenschappelijk onderzoek en het leggen en onderhouden van onderzeese kabels en pijpleidingen;
- b. de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen, voorzover die gesteld worden, inhouden het doen van een melding, het achterwege laten daarvan, het weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning, een ontheffing of een instemming, het stellen van beperkingen of het verbinden van voorschriften aan een vergunning, een ontheffing of een instemming, het aanwijzen van gevallen van tijdelijk buiten werking zijn van mijnbouwwerken en het aanwijzen van gevallen waarin een gedeelte van een mijnbouwwerk buiten werking is.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen mede betrekking hebben op het buiten gebruik stellen van een boorgat dan wel het buiten werking stellen, het verwijderen, het achterlaten of het hergebruiken van mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen, waaronder regels over:
- a. meldingen en het overleggen van gegevens en bescheiden;
- b. het stellen van zekerheden voor de nakoming van verplichtingen tot verwijderen, tot achterlaten of tot het na hergebruik verwijderen van mijnbouwwerken, kabels en pijpleidingen die buiten werking zijn.
De in het derde lid bedoelde regels, voorzover die gesteld worden ten behoeve van de scheepvaart, de opwekking van elektriciteit, de bescherming van historische, oudheidkundige en andere wetenschappelijke vondsten of de landsverdediging, kunnen beperkingen inhouden ten aanzien van de locaties waar de in het eerste lid bedoelde activiteiten plaats kunnen vinden.
Artikel 50
Onze Minister kan, in gevallen waarin ernstige aantasting van de in artikel 49, tweede of derde lid, genoemde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in artikel 49, eerste en vijfde lid, bedoelde activiteiten.
Artikel 51
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de veiligheid met het oog op instorting regels worden gesteld omtrent het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken aan de ondergrond van:
- a. delfstoffen, voorzover deze op een diepte van minder dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn;
- b. andere vaste stoffen dan kalksteen of delfstoffen.
De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan bepalen dat:
- a. de onttrekking van stoffen, bedoeld in het eerste lid, zonder vergunning van Onze Minister verboden is;
- b. Onze Minister bij de maatregel omschreven bevoegdheden heeft ter uitvoering van daarbij aangewezen regels.
Onze Minister kan, in gevallen waarin ernstige aantasting van de veiligheid met het oog op instorting ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde activiteiten.
Artikel 52
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bescherming van de veiligheid met het oog op instorting regels worden gesteld omtrent het met gebruikmaking van een boorgat, tunnel, schacht of ander ondergronds werk onttrekken aan de ondergrond van kalksteen alsmede omtrent het gebruik van een vorenbedoeld ondergronds werk voor andere doeleinden dan het onttrekken van kalksteen.
De in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan bepalen dat:
- a. het verrichten van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is gelegen, verboden is;
- b. indien het betreft het gebruik van een ondergronds werk voor andere doeleinden dan het onttrekken van kalksteen, voor het verrichten van deze activiteiten geen vergunning maar een voorafgaande schriftelijke melding hiervan aan gedeputeerde staten van de provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is gelegen, is vereist;
- c. gedeputeerde staten van de provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is gelegen bij de maatregel omschreven bevoegdheden hebben ter uitvoering van daarbij aangewezen regels.
Provinciale staten van de provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is gelegen, kunnen in geval van een meldingsplicht regels stellen voor het gebruik van een ondergronds werk voor andere doeleinden dan het onttrekken van kalksteen.
Gedeputeerde staten van de provincie waarin het werk geheel of voor het grootste deel is gelegen, kunnen, in gevallen waarin ernstige aantasting van de veiligheid met het oog op instorting ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde activiteiten.
Hoofdstuk 3a. Gebiedsverkleining
Afdeling 5.1.1. Afdrachten in verband met het opsporen en winnen van koolwaterstoffen
§ 5.1.1.1. Algemeen
Artikel 53
Deze afdeling is van toepassing op de heffing en invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel van de houder of medehouder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen.
Artikel 54
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. medehouderschap: geval waarin de vergunning wordt gehouden door meer dan één natuurlijke persoon of rechtspersoon;
- b. medehouder: ieder van de in onderdeel a bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen;
- c. de aangewezen medehouder: de in artikel 22 bedoelde aangewezen persoon;
- d. de landzijde: het deel van het Nederlands territoir dat ligt aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;
- e. de zeezijde: het continentaal plat en het deel van het Nederlands territoir dat ligt aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;
- f. de inspecteur: de door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen functionaris van de rijksbelastingdienst;
- g. de ontvanger: de door Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling aangewezen functionaris van de rijksbelastingdienst.
Artikel 55
Een wijziging in paragraaf 5.1.1.2., met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van toepassing van artikel 58, derde lid, is niet van toepassing op de houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende opsporingsvergunning, tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragraaf verzoekt.
Een wijziging in paragraaf 5.1.1.2., met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van toepassing van artikel 58, derde lid, in paragraaf 5.1.1.3., met uitzondering van artikel 63, zesde en zevende lid, of in paragraaf 5.1.1.4., met uitzondering van artikel 68, eerste lid, is niet van toepassing op de houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende winningsvergunning, tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragrafen verzoekt.
Een verzoek, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt schriftelijk bij Onze Minister ingediend binnen drie maanden na de dag waarop die wijziging in werking is getreden.
Onze Minister geeft aan een verzoek, als bedoeld in het eerste en tweede lid, gevolg, tenzij naar zijn oordeel het algemeen belang zich daartegen verzet.
§ 4.1. Algemene verplichtingen
Artikel 56
Oppervlakterecht wordt geheven van degene die op 1 januari van het kalenderjaar waarover wordt geheven houder is van een opsporingsvergunning voor de zeezijde alsmede van degene die op 1 januari van het kalenderjaar waarover wordt geheven houder is van een winningsvergunning.
Ingeval van medehouderschap wordt het oppervlakterecht geheven van de aangewezen medehouder.
Artikel 57
De heffingsmaatstaf is de oppervlakte van het gebied waarvoor een in artikel 56, eerste lid, bedoelde opsporings- of winningsvergunning op 1 januari van kracht is.
Het tijdvak waarover het oppervlakterecht wordt geheven is het kalenderjaar.
Artikel 58
Het tarief over 2003 voor het houden van een opsporingsvergunning is een bedrag per vierkante kilometer overeenkomstig de onderstaande tabel. Het eerste tijdvak is het eerste kalenderjaar waarin de vergunning op 1 januari van kracht is. De volgende tijdvakken zijn de op dat kalenderjaar volgende jaren.
Tarief over 2003
| Tijdvak | Bedrag per km2 |
|---|---|
| 1e tot en met 6e tijdvak | € 200 per 27 maart 2026 € 355. |
| 7e tot en met 9e tijdvak | € 400 per 27 maart 2026 € 713. |
| Volgende tijdvakken | € 600 per 27 maart 2026 € 1.068. |
Het tarief over 2003 voor het houden van een winningsvergunning bedraagt € 600 per 27 maart 2026 € 1.068 per vierkante kilometer.
Bij het begin van ieder kalenderjaar worden de voor dat jaar geldende tarieven, bedoeld in het eerste en tweede lid, bij ministeriële regeling vastgesteld. Deze tarieven worden berekend aan de hand van het indexcijfer, bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1992, houdende begripsomschrijving van het indexcijfer der lonen (Stb. 507), zoals dat gold op 31 december van het voorgaande jaar.
Artikel 59
Oppervlakterecht wordt op aangifte voldaan.
De houder, of, ingeval van medehouderschap, de aangewezen medehouder, doet uiterlijk 1 april van het kalenderjaar waarover wordt geheven aangifte door de inlevering van een aangiftebiljet.
§ 5.1.1.3. Cijns
Artikel 60
Cijns wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.
Artikel 61
Indien in het vergunningsgebied zowel aardgas als aardolie zijn gewonnen, wordt over aardgas en aardolie afzonderlijk cijns geheven.
Artikel 62
De heffingsmaatstaf is de omzet die de houder, of, ingeval van medehouderschap, ieder van de medehouders, heeft behaald in het kalenderjaar waarover de cijns wordt geheven.
De omzet is het aantal in het kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen eenheden aardolie of aardgas dat aan de houder, of, ingeval van medehouderschap, aan ieder van de medehouders toekomt, vermenigvuldigd met de prijs per eenheid waarvoor die eenheden zijn verkocht. Indien ter zake van die verkoop voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de in het eerste lid bedoelde omzet bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen. Indien eenheden anders dan door verkoop aan het winningsbedrijf zijn onttrokken, wordt de in het eerste lid bedoelde omzet bepaald alsof deze eenheden zijn verkocht onder voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.
Bij de bepaling van het aantal gewonnen eenheden blijven buiten beschouwing de eenheden aardolie of aardgas welke zijn aangewend ten behoeve van:
- a. het opsporen of het winnen in het vergunningsgebied waar ze zijn gewonnen;
- b. het voor de aflevering bewerken van die eenheden en het transport naar de plaats waar die bewerking plaatsvindt.
Onder de omzet, bedoeld in het tweede lid, wordt mede verstaan het resultaat uit een rechtshandeling die strekt tot het afdekken van een prijsrisico dat ter zake van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, tot ten hoogste het aantal in het kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen eenheden aardolie of aardgas dat daadwerkelijk is verkocht. De eerste zin is niet van toepassing op rechtshandelingen die zijn aangegaan met een aan de houder of medehouder verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Eenheden aardolie of aardgas welke overeenkomstig artikel 94, tweede lid, onderdeel a, aan de in dat artikel bedoelde vennootschap toekomen, blijven bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing.
Artikel 63
Het tarief is een percentage dat wordt bepaald op basis van het in totaal in het kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen aantal eenheden. Het aantal eenheden aardolie wordt bepaald bij een druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 15 °C. Onder aardolie wordt condensaat mede begrepen. Het aantal eenheden aardgas wordt bepaald bij een druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 °C en omgerekend naar eenheden met een calorische waarde van 35,1692 MJ/m3 bovenwaarde.
Bij de bepaling van het aantal eenheden, bedoeld in het eerste lid, is artikel 62, derde lid, van toepassing.
Het percentage wordt opgebouwd door middel van een schijvensysteem overeenkomstig de navolgende tabellen en wordt berekend door:
- a. bij iedere schijf de hoeveelheid te bepalen die binnen die schijf valt en deze hoeveelheid te vermenigvuldigen met het percentage dat behoort bij die schijf;
- b. deze producten te sommeren, en
- c. deze som te delen door het totaal van het in het vergunningsgebied gewonnen aantal eenheden.
Aardolie
| Door houder of medehouders gezamenlijk gewonnen hoeveelheden in duizenden m3 | Opbouw over deze schijf | Opbouw over deze schijf |
|---|---|---|
| Door houder of medehouders gezamenlijk gewonnen hoeveelheden in duizenden m3 | Landzijde | Zeezijde |
| schijf 1: 0 tot 200 | 0% | 0% |
| schijf 2: 200 tot 600 | 2% | 0% |
| schijf 3: 600 tot 1200 | 3% | 0% |
| schijf 4: 1200 tot 2000 | 4% | 0% |
| schijf 5: 2000 tot 4000 | 5% | 0% |
| schijf 6: 4000 tot 8000 | 6% | 0% |
| schijf 7: 8000 en meer | 7% | 0% |
Aardgas
| Door houder of medehouders gezamenlijkgewonnen hoeveelheden in miljoenen m3 | Opbouw over deze schijf | Opbouw over deze schijf |
|---|---|---|
| Door houder of medehouders gezamenlijkgewonnen hoeveelheden in miljoenen m3 | Landzijde | Zeezijde |
| schijf 1: 0 tot 200 | 0% | 0% |
| schijf 2: 200 tot 600 | 2% | 0% |
| schijf 3: 600 tot 1200 | 3% | 0% |
| schijf 4: 1200 tot 2000 | 4% | 0% |
| schijf 5: 2000 tot 4000 | 5% | 0% |
| schijf 6: 4000 tot 8000 | 6% | 0% |
| schijf 7: 8000 en meer | 7% | 0% |
Het tarief over enig kalenderjaar wordt verhoogd met 25%, indien over dat jaar het gewogen gemiddelde van de waarde van in Nederland ingevoerde ruwe olie hoger is dan € 25 per vat. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop het in de eerste volzin bedoelde gewogen gemiddelde wordt bepaald.
Het tarief wordt, onverminderd de verhoging op grond van het vierde lid, verhoogd met 100%, indien de houder geen overeenkomst als bedoeld in artikel 93 heeft gesloten ten aanzien van de winningsvergunning. Deze verhoging vindt niet plaats met betrekking tot de eenheden die zijn gewonnen uit een voorkomen ten aanzien waarvan een overeenkomst als bedoeld in artikel 97b is gesloten.
Voor zover de gemiddelde prijs van aardgas in het kalenderjaar 2023 of 2024 meer bedraagt dan € 0,50 per m3 wordt, in afwijking van het eerste lid, eerste zin, derde, vierde en vijfde lid, het tarief over die kalenderjaren gesteld op 65% voor de omzet ten aanzien van dit meerdere.
De gemiddelde prijs, bedoeld in het zesde lid, wordt bepaald door de omzet in het kalenderjaar te delen door het totaal in dat kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen aantal eenheden aardgas, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 64
Cijns wordt op aangifte voldaan.
De houder, of, ingeval van medehouderschap, ieder van de medehouders, doet uiterlijk op 1 april volgend op het kalenderjaar waarover wordt geheven aangifte door de inlevering van een aangiftebiljet.
§ 5.1.1.3. Cijns
Artikel 65
Winstaandeel wordt geheven van de houder, of, ingeval van medehouderschap, van ieder van de medehouders, van een winningsvergunning.
Artikel 66
De heffingsmaatstaf is het resultaat van een met inachtneming van de artikelen 67 en 68 door de houder, of, ingeval van medehouderschap, door ieder van de medehouders, van een winningsvergunning, over een boekjaar op te maken winst- en verliesrekening, verminderd met de op de voet van het derde lid te verrekenen verliezen en de in artikel 68a bedoelde investeringsaftrek. De winst- en verliesrekening omvat de aan dat jaar en aan die vergunning toe te rekenen kosten en opbrengsten van het winningsbedrijf.
Indien de houder of de medehouder tevens houder of medehouder is van één of meer andere winningsvergunningen, kan een geconsolideerde winst- en verliesrekening worden opgemaakt.
Indien het resultaat, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de in artikel 68a bedoelde investeringsaftrek, negatief is, is sprake van een verlies. Dit verlies wordt onder toepassing van hoofdstuk IV, met uitzondering van artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verrekend met de positieve resultaten van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
Artikel 67
Tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
- a. de waarde in het economische verkeer van de anders dan door verkoop aan het winningsbedrijf onttrokken koolwaterstoffen;
- b. de verschillen tussen de volgens goed koopmansgebruik gewaardeerde begin- en eindvoorraden;
- c. het resultaat dat is behaald met de verkoop van de winningsvergunning.
Tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
- a. de niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten van verkennings- en opsporingsonderzoeken die zijn verricht krachtens een opsporingsvergunning;
- b. afschrijving op de niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, welke zijn gemaakt voordat de winningsvergunning is verleend.
Tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat worden niet gerekend:
- a. afschrijving op de koopsom ter zake van de overname van een opsporingsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat;
- b. de waarde van de in het winningsbedrijf gewonnen en verbruikte koolwaterstoffen.
Indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een prijs- of koersrisico dat ter zake van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, behoort het resultaat uit de desbetreffende rechtshandeling tot het in artikel 66, eerste lid, bedoelde resultaat.
Artikel 68
De winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt opgemaakt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3.8, 3.14, eerste lid, onderdelen b tot en met i, en derde tot en met vijfde lid, 3.25 tot en met 3.39,3.52, 3.53, 3.54, 3.54aa, 3.56 en 3.57 van de Wet inkomstenbelasting 2001, alsmede de artikelen 7, vierde en vijfde lid, 8, vierde lid, 8b tot en met 8bd, 9 tot en met 10b, 14 tot en met 14b, 15d en 35 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, behoudens voorzover bij of krachtens deze wet anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen tussen de houder dan wel de medehouder enerzijds en een natuurlijk persoon in de zin van de inkomstenbelasting respectievelijk een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting anderzijds, het tegendeel voortvloeit.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de genoemde artikelen van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 voor «onderneming» gelezen: winningsbedrijf.
Bij het opmaken van de winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, eerste lid, wordt een verhoging van 10% toegepast op de kosten met uitzondering van:
- a. door de houder van de winningsvergunning aan de staat verschuldigde belastingen en andere Nederlandse publiekrechtelijke lasten met uitzondering van een heffing als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Tijdelijke wet Groningen;
- b. afschrijving op de koopsom ter zake van de overname van een winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat;
- c. dotaties aan de voorziening ter zake van de uit een overgenomen winningsvergunning voortvloeiende ontmantelingsverplichting, voorzover reeds door de overdrager van die vergunning dotaties zijn gepleegd.
Voorzover bij of krachtens de Wet inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 de bevoegdheid is verleend om bij algemene maatregel van bestuur onderscheidenlijk bij ministeriële regeling regels te stellen en het voor een goede afstemming van het eerste lid, op die regels nodig is om dit artikel aan te passen, kan bij algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk bij ministeriële regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, deze aanpassing worden geregeld.
Artikel 69
Het tarief bedraagt 50%.
Het door de houder of de medehouder verschuldigde bedrag aan winstaandeel over een boekjaar wordt, voorzover mogelijk, verminderd met het op dat boekjaar betrekking hebbende verrekenbare bedrag dat wordt berekend op de in het derde lid aangegeven wijze. Indien niet het gehele verrekenbare bedrag in mindering kan worden gebracht, wordt het overschot opgeteld bij het verrekenbare bedrag over het volgende boekjaar. Indien het verrekenbare bedrag negatief is, wordt dit in mindering gebracht op het verrekenbare bedrag over het volgende boekjaar.
Onder het verrekenbare bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan het bedrag dat wordt verkregen door:
- a. het resultaat van de winst- en verliesrekening over het boekjaar te bepalen, met dien verstande dat daarbij artikel 68, derde lid, buiten beschouwing wordt gelaten;
- b. dit resultaat te verminderen met het over het boekjaar na toepassing van dit artikel te betalen bedrag aan winstaandeel;
- c. op dit verschil het voor het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te passen.
Het tweede lid is niet van toepassing indien de houder of de medehouder ter zake van het met het winningsbedrijf behaalde resultaat niet is onderworpen aan de Nederlandse belastingheffing.
Artikel 70
Winstaandeel wordt geheven bij wege van aanslag.
De houder, of, ingeval van medehouderschap, ieder van de medehouders, zendt gelijktijdig met de aangifte voor de vennootschapsbelasting over een boekjaar aan de inspecteur een over dat boekjaar opgemaakte winst- en verliesrekening als bedoeld in artikel 66, eerste lid, en een berekening van het op dat boekjaar betrekking hebbende verrekenbare bedrag, bedoeld in artikel 69, tweede lid, alsmede een balans, vermeldende de aan het eind van het boekjaar tot het winningsbedrijf behorende activa en passiva.
§ 4.1a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen
Artikel 71
De afdrachten, bedoeld in deze afdeling, worden geheven door de inspecteur en ingevorderd door de ontvanger.
Artikel 72
Onverminderd het overigens bij of krachtens deze paragraaf bepaalde geschieden de heffing en de invordering van oppervlakterecht, cijns en winstaandeel met overeenkomstige toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de op die wetten berustende bepalingen.
Artikel 73
De artikelen 30f, 30fa, 30fb, 30fc, 30fd, 30fe en 30hb, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van de belastingrente met betrekking tot het winstaandeel.
De artikelen 30h en 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van de belastingrente met betrekking tot de cijns en het oppervlakterecht.
Artikel 74
De inspecteur en de ontvanger verstrekken desgevraagd aan Onze Minister kosteloos de voor de uitvoering van deze wet benodigde inlichtingen en gegevens.
De inspecteur en de ontvanger verlenen aan de door Onze Minister aangewezen personen toegang tot en inzage in alle gegevens die Onze Minister nodig heeft voor de uitvoering van deze wet.
Afdeling 5.1.2. Afdrachten aan de provincie
Artikel 75
Op deze afdeling zijn de onderdelen a tot en met e van artikel 54 van toepassing.
Artikel 76
De houder van een winningsvergunning die een terrein binnen een provincie in gebruik neemt voor het winnen van koolwaterstoffen, waarbij binnen het terrein voor het winnen benodigde mijnbouwwerken aanwezig zijn, is een eenmalige afdracht verschuldigd aan de provincie.
Bij medehouderschap is de afdracht verschuldigd door de aangewezen medehouder.
Artikel 77
De heffingsmaatstaf van de afdracht, bedoeld in artikel 76, is de oppervlakte van het in artikel 76, eerste lid, bedoelde terrein.
Het tarief over 2003 bedraagt € 4,50 per vierkante meter. Artikel 58, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 78
Gedeputeerde staten stellen de afdracht vast en maken het verschuldigde bedrag aan de houder of de aangewezen medehouder bekend.
Artikel 79
Onverminderd het bij of krachtens deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van de afdracht aan de provincie met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 28, eerste en tweede lid, en 29 van de Invorderingswet 1990 met dien verstande dat gedeputeerde staten in de plaats treden van de ontvanger.
Artikel 80
Indien een afdracht aan de provincie op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de provincie uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht, waarvan het percentage gelijk is aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Afdeling 5.2. Deelneming in opsporing en winning van koolwaterstoffen en andere taken en activiteiten van de aangewezen vennootschap
Artikel 81
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. de vennootschap: de vennootschap, bedoeld in artikel 82, eerste lid;
- b. opsporingswerkzaamheden: werkzaamheden die op grond van een opsporingsvergunning worden of kunnen worden verricht of werkzaamheden die voortvloeien uit het doen van verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen binnen het vergunningsgebied, dan wel naar nadere gegevens omtrent die koolwaterstoffen;
- c. mijnbouwwerkzaamheden: winnings- en opsporingswerkzaamheden die op grond van een winningsvergunning worden of kunnen worden verricht of werkzaamheden die voortvloeien uit het doen van verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen binnen het vergunningsgebied, dan wel naar nadere gegevens omtrent die koolwaterstoffen;
- d. opsporingsovereenkomst: een overeenkomst van samenwerking tussen de houder van een opsporingsvergunning en de vennootschap inzake het verrichten van opsporingswerkzaamheden;
- e. mijnbouwovereenkomst: een overeenkomst van samenwerking tussen de houder van een winningsvergunning en de vennootschap inzake het verrichten van mijnbouwwerkzaamheden.
Artikel 82
In het belang van een doelmatige opsporing en winning, een planmatig beheer en een optimale afzet van koolwaterstoffen, wijst Onze Minister een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, aan, die tot taak heeft:
- a. het deelnemen in opsporingswerkzaamheden op grond van opsporingsovereenkomsten, overeenkomstig paragraaf 5.2.2. van deze afdeling;
- b. het deelnemen in mijnbouwwerkzaamheden op grond van mijnbouwovereenkomsten, overeenkomstig paragraaf 5.2.3. van deze afdeling, met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder in ieder geval worden begrepen behandeling, transport en verkoop van de gewonnen koolwaterstoffen;
- c. het sluiten van overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste en derde lid, met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder het begeleiden, bewaken en monitoren van het systeem van overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste, tweede en derde lid;
- d. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister over de vaststelling, toepassing en uitvoering van de overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste, tweede en derde lid, alsmede over de aard en omvang van de door een houder van een vergunning gestelde of te stellen financiële zekerheden;
- e. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister, indien informatie over financiële zekerheden, informatie over zeggenschap dan wel andere informatie daartoe aanleiding geeft;
- f. het uitvoeren van de taken, het uitoefenen van de rechten en het voldoen aan de verplichtingen die voor de vennootschap voortvloeien uit de overeenkomst van samenwerking, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 mei 1963, nummer 39 (Stcrt. 126) en de daarmee verband houdende regelingen en overeenkomsten;
- g. Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen energiebeleid, in het bijzonder ten aanzien van opsporing, winning, beëindiging van opsporing en winning, alsmede het beheer en afzet van koolwaterstoffen.
In het belang van kennisdeling en -borging wijst Onze Minister een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, aan, die tot taak heeft het deelnemen in werkzaamheden voor opsporing en winning van aardwarmte op grond van overeenkomsten, overeenkomstig artikel 86a.
Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen de vennootschap bij besluit van Onze Minister andere taken dan de taken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden opgedragen in het algemeen belang van het klimaat- en energiebeleid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de algemene belangen omschreven ten behoeve waarvan en de gevallen waarin Onze Minister de vennootschap een opdracht als bedoeld in de eerste volzin kan geven. Onze Minister kan aan een besluit tot het geven van een opdracht voorschriften en beperkingen verbinden.
De vennootschap verricht middellijk of onmiddellijk geen andere activiteiten dan activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, tenzij Onze Minister daarmee heeft ingestemd. Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan zijn instemming. De instemming wordt slechts verleend indien die activiteiten en de uitvoering daarvan:
- a. nauw verwant zijn aan de activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid,
- b. een goede uitvoering van die taken niet belemmeren of anderszins bemoeilijken, en
- c. mede het algemeen belang van het klimaat- en energiebeleid dienen.
Onze Minister kan een besluit tot het geven van een opdracht als bedoeld in het derde lid onderscheidenlijk een besluit tot instemming als bedoeld in het vierde lid intrekken of wijzigen indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor het geven van die opdracht onderscheidenlijk het verlenen van die instemming als bedoeld in het derde onderscheidenlijk het vierde lid.
Artikel 83
Indien de vennootschap activiteiten als bedoeld in artikel 82, vierde lid, verricht, is zij verplicht, al dan niet op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding te voeren voor die activiteiten enerzijds en de activiteiten ter uitvoering van haar taken, bedoeld in artikel 82, eerste, tweede en derde lid, anderzijds.
De afzonderlijke boekhouding is zodanig ingericht dat:
- a. de registratie van de lasten en baten van de verschillende activiteiten gescheiden zijn;
- b. alle lasten en baten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend;
- c. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de boekhouding wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.
De baten die de vennootschap behaalt met de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 82, eerste, tweede of derde lid, worden niet gebruikt voor financiering van de activiteiten, bedoeld in artikel 82, vierde lid.
De vennootschap verricht activiteiten als bedoeld in artikel 82, vierde lid, tegen marktconforme tarieven en voorwaarden en op basis van een integrale doorberekening van alle kosten.
Artikel 84
De statuten van de vennootschap en elke wijziging van die statuten behoeven goedkeuring van Onze Minister. Hij onthoudt zijn goedkeuring slechts als door de statuten naar zijn oordeel een behoorlijke vervulling van de taken, genoemd in artikel 82, eerste, tweede en derde lid, onvoldoende is gewaarborgd.
Artikel 85
Onze Minister kan de vennootschap aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in artikel 82, eerste, tweede en derde lid, bedoelde taken.
Artikel 86
De vennootschap verschaft Onze Minister alle gegevens en inlichtingen die hij nodig heeft voor de uitvoering van deze wet.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de te verstrekken gegevens en inlichtingen en omtrent de wijze en het tijdstip waarop de gegevens en inlichtingen moeten worden verschaft.
Artikel 87
De vennootschap verleent op verzoek van de houder van een opsporingsvergunning medewerking aan de totstandkoming van een opsporingsovereenkomst.
De opsporingsovereenkomst komt binnen een periode van zes maanden tot stand, ingaande op het tijdstip waarop de vergunninghouder een verzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan. Onze Minister kan de termijn van zes maanden eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen. De opsporingsovereenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
De opsporingsovereenkomst kan niet worden gewijzigd of ontbonden dan na instemming van Onze Minister.
Artikel 88
In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
- a. de vergunninghouder voor 60% en de vennootschap voor 40% belang neemt;
- b. de werken die door het doen van de in artikel 90, eerste lid, onderdeel a, bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen voor 60% toebehoren aan de vergunninghouder en voor 40% aan de vennootschap;
- c. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in artikel 90, eerste lid, onderdeel a;
- d. op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.
Afdeling 5.2.2. Staatsdeelneming in winningsvergunningen voor koolwaterstoffen
Artikel 89
In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
- a. de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met inachtneming van artikel 91 zijn genomen door de vergunninghouder en de vennootschap;
- b. het door hem aangaan, wijzigen of beëindigen van duurzame samenwerking met derden ter zake van verkenning en opsporing te onderwerpen aan goedkeuring door de vergunninghouder en de vennootschap gezamenlijk;
- c. aan de samenwerking ten goede te doen komen zijn kennis en ervaring op het gebied van verkenning, opsporing, winning en afzet van koolwaterstoffen en daarmee samenhangende gebieden zoals het transport, de opslag en de behandeling daarvan.
Artikel 90
In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die de vennootschap ertoe verplichten:
- a. aan de vergunninghouder te vergoeden 40% van de uitgaven van de vergunninghouder die in overeenstemming met artikel 91 zijn goedgekeurd of in overeenstemming zijn met een goedgekeurd jaarlijks investerings- en financieringsplan;
- b. niet te beletten dat besluiten van de vergunninghouder gebaseerd worden op normale commerciële overwegingen;
- c. zijn stem bij de besluitvorming volgens artikel 91 uit te brengen op grond van transparante, objectieve en niet-discriminerende beginselen.
In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat ten aanzien van besluiten, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor de uitvoering van werken en voor het verrichten van diensten:
- a. de vergunninghouder niet verplicht is vooraf aan de vennootschap informatie te geven over het te nemen besluit;
- b. de vennootschap geen stem uitbrengt bij het nemen van het besluit.
Artikel 91
In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat:
- a. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap wordt genomen in een vergadering, waarin de vergunninghouder en de vennootschap worden vertegenwoordigd door een aantal gevolmachtigde personen, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking;
- b. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, in afwijking van onderdeel a, buiten vergadering kan worden genomen, mits dit gebeurt bij een gezamenlijke schriftelijke verklaring of bij een gelijkluidende schriftelijke verklaring van de vergunninghouder en de vennootschap, door deze of hun gevolmachtigde vertegenwoordigers ondertekend;
- c. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
- 1°. het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;
- 2°. niet in het jaarlijkse investerings- en financieringsplan opgenomen activiteiten en aanschaffingen, die een bedrag van € 500 000 te boven gaan;
- 3°. de meerjarenplanning ten aanzien van opsporingswerkzaamheden binnen het vergunningsgebied.
Artikel 92
De vergunninghouder neemt geen besluit, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor het uitvoeren van werken of voor het verrichten van diensten, indien aannemelijk is dat dit besluit leidt tot:
- a. financieel nadeel voor de staat, voorzover het betreft hetgeen ingevolge dit hoofdstuk is verschuldigd, of
- b. financieel nadeel voor de vennootschap.
Artikel 93
De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen en de vennootschap brengen een mijnbouwovereenkomst tot stand, tenzij Onze Minister bij de vergunningverlening heeft bepaald dat deze verplichting niet geldt. Onze Minister bepaalt uitsluitend dat de verplichting, bedoeld in de vorige volzin, niet geldt als de staat door de overeenkomst naar redelijke schatting financieel nadeel zal lijden.
De overeenkomst komt binnen een jaar na de verlening van de vergunning tot stand. Onze Minister kan de termijn van een jaar eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. De overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in artikel 97, tweede lid, de instemming van de vennootschap.
Artikel 87, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 94
Artikel 88 is van overeenkomstige toepassing.
Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de mijnbouwwerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
- a. de vergunninghouder en de vennootschap de verdeling van de uit de voorkomens gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen vaststellen op 60% voor de vergunninghouder, respectievelijk 40% voor de vennootschap;
- b. zowel de vergunninghouder als de vennootschap gerechtigd is het eigen aandeel in de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen in natura op te nemen, met dien verstande dat zij ernaar streven zoveel mogelijk samen te werken bij de verkoop van de gewonnen en beschikbare hoeveelheden koolwaterstoffen uit de voorkomens;
- c. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de afzet regelmatig overleg plegen.
In de overeenkomst wordt het bedrag vastgesteld van de door de vergunninghouder reeds gemaakte kosten:
- a. die naar redelijkheid kunnen worden toegeschreven aan de activiteiten die tot het aantreffen van het voorkomen hebben geleid;
- b. van de verdere evaluatie van dat voorkomen;
- c. van investeringen ten behoeve van de mijnbouwwerkzaamheden.
Artikel 95
Artikel 89 is van overeenkomstige toepassing.
Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
- a. zorg te dragen dat de werken die voor de totstandkoming van de overeenkomst tot stand zijn gekomen binnen het vergunningsgebied, voor 60% gaan toebehoren aan de vergunninghouder en voor 40% gaan toebehoren aan de vennootschap;
- b. de vennootschap tijdig in te lichten en in staat te stellen om een belang tot een percentage van 40 te nemen in te treffen regelingen die verband houden met de winning en de afzet van de gewonnen koolwaterstoffen, zoals het transport, de opslag en de behandeling daarvan.
Artikel 96
Artikel 90 is van overeenkomstige toepassing.
Voorts wordt in de overeenkomst een bepaling opgenomen die de vennootschap ertoe verplicht aan de vergunninghouder terstond te vergoeden 40% van het bedrag, bedoeld in artikel 94, derde lid, vermeerderd met een enkelvoudige rente, waarvan het percentage gelijk is aan dat van de wettelijke rente, over een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende kosten zijn gemaakt.
Het tweede lid blijft buiten toepassing, voorzover de vennootschap in het kader van een opsporingsovereenkomst de in artikel 94, derde lid, bedoelde kosten reeds heeft voldaan.
Artikel 97
Artikel 91, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing.
Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in artikel 22, vijfde lid, elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
- 1°. het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;
- 2°. niet in het jaarlijkse investerings- en financieringsplan opgenomen activiteiten en aanschaffingen, die een bedrag van € 500 000 te boven gaan;
- 3°. de meerjarenplanning ten aanzien van mijnbouwwerkzaamheden binnen het vergunningsgebied;
- 4°. het de vergunninghouder toestaan dat overeenkomstig het beperkte doel van de samenwerking een deel van de mijnbouwwerkzaamheden niet of niet langer zal geschieden voor rekening van de vergunninghouder en de vennootschap gezamenlijk;
- 5°. het aangaan van verplichtingen tot levering van koolwaterstoffen;
- 6°. besluiten inzake het vervoer van gewonnen koolwaterstoffen.
Afdeling 5.3. Afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen en staatsdeelneming in het opslaan van stoffen
Artikel 98
De houder van een vergunning tot het winnen van andere delfstoffen dan koolwaterstoffen is jaarlijks een afdracht verschuldigd aan de staat, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de omvang van of de voordelen behaald met het winnen en de daarmee samenhangende activiteiten.
De houder van een opslagvergunning is jaarlijks een afdracht verschuldigd aan de staat, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de omvang van of de voordelen behaald met het opslaan en de daarmee samenhangende activiteiten.
De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste of tweede lid die een terrein binnen een provincie in gebruik heeft, waarbinnen voor het winnen of het opslaan benodigde mijnbouwwerken aanwezig zijn, is een eenmalige afdracht verschuldigd aan de provincie, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de regeling in afdeling 5.1.2.
Indien de vergunning wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, wordt in aan de vergunning te verbinden voorschriften bepaald in hoeverre ieder van deze personen een afdracht als bedoeld in het eerste tot en met derde lid verschuldigd is.
Artikel 99
Vervallen
Artikel 100
Onverminderd het bij of krachtens deze afdeling bepaalde geschieden de heffing en invordering van de afdracht aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht met overeenkomstige toepassing van de artikelen 11, 12, 14, 17, eerste lid, 25, eerste en tweede lid, 28 en 29 van de Invorderingswet 1990 en de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat Onze Minister in de plaats treedt van de ontvanger.
Artikel 101
Indien een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht.
Aan de betrokkene wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht over het bedrag waarvoor overeenkomstig artikel 25 van de Invorderingswet 1990 uitstel van betaling is verleend. De rente wordt berekend over het tijdvak waarvoor uitstel is verleend.
Het percentage van de rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is gelijk aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Een rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is aan de staat verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de vaststelling aan de betrokkene bekend is gemaakt. Artikel 100 is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling en de invordering van deze rente.
Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
Artikel 102
Voorzover twijfel bestaat of degene die ingevolge dit hoofdstuk een afdracht aan de staat verschuldigd zal worden deze zal voldoen, kan Onze Minister bepalen dat de betrokkene zekerheid stelt voor de voldoening van de afdracht.
Het bedrag en de termijn waarvoor en het tijdstip en de wijze waarop de zekerheid wordt gesteld, dienen ten genoegen van Onze Minister te zijn.
De verplichtingen van dit artikel blijven na afloop van de vergunning van kracht, tenzij eerder aan de betalingsverplichtingen is voldaan.
Afdeling 5.5. Uitvoeringsregels
Artikel 103
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in ieder geval nadere regels worden gesteld omtrent:
- a. de uitvoering van dit hoofdstuk;
- b. afdrachten in verband met andere vergunningen dan die tot het opsporen en het winnen van koolwaterstoffen.
De voordracht voor een krachtens het eerste lid, onderdeel b, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
Artikel 104
Dit hoofdstuk is niet van toepassing ten aanzien van vergunningen als bedoeld in de artikelen 24 en 24c.
Hoofdstuk 5. Financiële bepalingen
§ 5.1.1.1. Algemeen
Artikel 105
Er is een Mijnraad.
De Mijnraad heeft tot taak om in verband met het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte, dan wel het opslaan van stoffen:
- a. Onze Minister desgevraagd te adviseren over door hem te geven beschikkingen;
- b. Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen wettelijke voorschriften en algemene beleidsvoornemens.
Onze Minister vraagt in elk geval advies aan de Mijnraad inzake door hem te geven beschikkingen inzake:
- a. de verlening of intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of 25, eerste lid;
- b. een instemming met een winningsplan als bedoeld in artikel 34, derde lid, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat;
- c. een besluit tot wijziging van een instemming met een winningsplan en een besluit tot instemming met een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij de wijziging of actualisatie van ondergeschikte aard is omdat deze naar het oordeel van Onze Minister niet leidt tot een andere beoordeling van:
- 1°. de effecten van de wijze van winning alsmede de daarmee verband houdende activiteiten,
- 2°. de effecten van de bodembeweging ten gevolge van de winning en de maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging,
- 3°. de risico’s voor omwonenden, gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
- d. de verlening of intrekking van een startvergunning aardwarmte;
- e. de verlening of intrekking van een vervolgvergunning aardwarmte indien hiervoor de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt gevolgd.
Artikel 106
De Mijnraad bestaat uit een voorzitter en ten hoogste negen andere leden.
De voorzitter en de andere leden van de Mijnraad worden door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen. De raad kan uit zijn midden ondervoorzitters aanwijzen. De benoeming van de leden geschiedt op grond van hun deskundigheid op gebieden die van belang zijn voor de mijnbouw en met de mijnbouw verwante activiteiten.
De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.
Artikel 107
De Mijnraad heeft een secretariaat, dat bestaat uit een of meer door Onze Minister aan te wijzen personen.
De aangewezen personen zijn voor hun werkzaamheden voor de Mijnraad uitsluitend verantwoording schuldig aan de raad.
Artikel 108
Leden van de Mijnraad onthouden zich van stemming over een advies, indien dit een zaak betreft waarbij zij persoonlijk belang hebben.
Artikel 109
De Mijnraad stelt een bestuursreglement vast.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)