Wijzigingsgeschiedenis
Wet van 31 oktober 2002, houdende regels met betrekking tot het onderzoek naar en het winnen van delfstoffen en met betrekking tot met de mijnbouw verwante activiteiten (Mijnbouwwet)
72 versions
· 2026-03-27
2026-03-27
Mijnbouwwet — arts. 2, 50, 57 y 20 más
Wijzigingen op 2026-03-27
@@ -72,7 +72,7 @@
- w. kennisgeving: een schriftelijke aankondiging van een voorgenomen activiteit;
- x. exploitant: een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of indien er meerdere houders van de vergunning zijn, één van de vergunninghouders die overeenkomstig [artikel 22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen;
- x. exploitant: een houder van een vergunning voor het opsporen of winnen van koolwaterstoffen of indien er meerdere houders van de vergunning zijn, één van de vergunninghouders die overeenkomstig [artikel 22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen;
- y. boorgatactiviteit: elke activiteit, met inbegrip van het opschorten daarvan, met betrekking tot een boorgat waarbij per ongeluk stoffen kunnen vrijkomen, wat mogelijk tot een zwaar ongeval kan leiden, waarbij het in ieder geval gaat om:
@@ -136,7 +136,7 @@
- ao. **vervolgvergunning aardwarmte:** een vergunning om aardwarmte gedurende de looptijd van de vergunning te winnen;
- ap. **uitvoerder aardwarmte:** een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 24z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die in opdracht van de vergunninghouder de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het opsporen en winnen van aardwarmte uitvoert of daartoe opdracht verleent;
- ap. **uitvoerder aardwarmte:** een natuurlijke persoon of een rechtspersoon als bedoeld in [artikel 24z](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die in opdracht van de vergunninghouder de feitelijke werkzaamheden met betrekking tot het opsporen en winnen van aardwarmte uitvoert of daartoe opdracht verleent;
- aq. **invloedssfeer:** gebied in de ondergrond waar als gevolg van winning van aardwarmte een daling in temperatuur plaatsvindt;
@@ -146,7 +146,7 @@
1. Deze wet is mede van toepassing op het continentaal plat.
2. Deze wet, met uitzondering van [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=51&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is met betrekking tot delfstoffen slechts van toepassing, voorzover de delfstoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn.
2. Deze wet, met uitzondering van [artikel 51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=51&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is met betrekking tot delfstoffen slechts van toepassing, voorzover de delfstoffen op een diepte van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn.
3. Deze wet is met betrekking tot aardwarmte slechts van toepassing, voorzover de aardwarmte op een diepte van meer dan 500 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig is.
@@ -154,7 +154,7 @@
1. Delfstoffen zijn eigendom van de staat.
2. De eigendom van delfstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen daarvan over op de vergunninghouder met dien verstande dat in het geval een overeenkomst als bedoeld in [artikel 93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tot stand is gekomen, een deel van de delfstoffen in eigendom overgaat op de vennootschap, bedoeld in [artikel 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor een percentage als bedoeld in [artikel 94, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dat krachtens overeenkomst voor de vennootschap geldt.
2. De eigendom van delfstoffen die met gebruikmaking van een winningsvergunning worden gewonnen, gaat door het winnen daarvan over op de vergunninghouder met dien verstande dat in het geval een overeenkomst als bedoeld in [artikel 93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-03-27&g=2026-03-27), tot stand is gekomen, een deel van de delfstoffen in eigendom overgaat op de vennootschap, bedoeld in [artikel 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voor een percentage als bedoeld in [artikel 94, tweede lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-03-27&g=2026-03-27), dat krachtens overeenkomst voor de vennootschap geldt.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van delfstoffen die met gebruikmaking van een opsporingsvergunning in de vorm van monsters of formatiebeproevingen aan de ondergrond worden onttrokken.
@@ -190,7 +190,7 @@
3. Een vergunning wordt evenmin verleend, voor zover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een gebied dat is gelegen binnen het op grond van [artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee.
4. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde andere delfstoffen.
4. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de in [artikel 11, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde andere delfstoffen.
##### Artikel 8
@@ -198,13 +198,13 @@
##### Artikel 9
1. Onverminderd de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01) kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:
1. Onverminderd de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=8&z=2026-03-27&g=2026-03-27) kan een vergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:
- a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
- b. op grond van de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
- c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) onder een eerdere vergunning,
- c. op grond van het gebrek aan efficiëntie en verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin, waarvan de aanvrager blijk heeft gegeven bij activiteiten als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24b&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27) onder een eerdere vergunning,
- d. indien een keuze moet worden gemaakt uit twee of meer aanvragen om een vergunning die bij een beoordeling op grond van de onderdelen a, b en c gelijkwaardig zijn gebleken, in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen,
@@ -212,7 +212,7 @@
- 1°. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2.24 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24) voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1), regels zijn gesteld inhoudende dat de opsporing of winning van een delfstof door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in dat gebied niet wordt of kan worden toegestaan,
- 2°. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01) regels zijn gesteld over:
- 2°. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27) regels zijn gesteld over:
- –. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
@@ -232,7 +232,7 @@
- 4°. nadelige gevolgen die voor de natuur worden veroorzaakt.
2. Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.4&artikel=102&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.4&artikel=102&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Met het oog op de toepassing van het eerste en tweede lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld die bij de beslissing op een aanvraag om een vergunning in acht worden genomen. Zodanige regels worden in elk geval gesteld met betrekking tot opsporings- en winningsvergunningen voor koolwaterstoffen.
@@ -240,17 +240,17 @@
##### Artikel 10
1. Onverminderd de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=8&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt de houder van een opsporingsvergunning die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een winningsvergunning voor die delfstoffen verleend voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning geldt. Indien de opsporingsvergunning geldt voor een gebied dat niet overeenkomstig [artikel 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is begrensd en de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen slechts in een deel van het gebied is aangetoond, wordt de winningsvergunning verleend voor het deel van het gebied, waarvoor verlening uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.
2. Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de winningsvergunning gerechtvaardigd wordt door een van de in [artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, blijft de opsporingsvergunning, voorzover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied, tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een winningsvergunning wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de winningsvergunning geldt, de opsporingsvergunning voor de betrokken delfstoffen. Voorzover hierdoor voorschriften als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de winningsvergunning.
1. Onverminderd de [artikelen 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=8&z=2026-03-27&g=2026-03-27) wordt de houder van een opsporingsvergunning die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een winningsvergunning voor die delfstoffen verleend voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning geldt. Indien de opsporingsvergunning geldt voor een gebied dat niet overeenkomstig [artikel 11, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is begrensd en de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen slechts in een deel van het gebied is aangetoond, wordt de winningsvergunning verleend voor het deel van het gebied, waarvoor verlening uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.
2. Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de winningsvergunning gerechtvaardigd wordt door een van de in [artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c, e en f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), genoemde gronden. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, blijft de opsporingsvergunning, voorzover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied, tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een winningsvergunning wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de winningsvergunning geldt, de opsporingsvergunning voor de betrokken delfstoffen. Voorzover hierdoor voorschriften als bedoeld in [artikel 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=12&z=2026-03-27&g=2026-03-27) vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de winningsvergunning.
#### § 2.2. Beperkingen en voorschriften
##### Artikel 11
1. In een vergunning wordt bepaald voor welke in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde activiteiten en voor welke delfstoffen zij geldt. Indien in een winningsvergunning is opgenomen dat zij geldt voor bepaalde delfstoffen, geldt zij tevens voor andere delfstoffen die onvermijdelijk meekomen en aardwarmte die onvermijdelijk meekomt met de winning van die bepaalde delfstoffen.
1. In een vergunning wordt bepaald voor welke in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde activiteiten en voor welke delfstoffen zij geldt. Indien in een winningsvergunning is opgenomen dat zij geldt voor bepaalde delfstoffen, geldt zij tevens voor andere delfstoffen die onvermijdelijk meekomen en aardwarmte die onvermijdelijk meekomt met de winning van die bepaalde delfstoffen.
2. In een vergunning wordt bepaald voor welk tijdvak zij geldt. Dit geschiedt zodanig dat het tijdvak niet langer is dan noodzakelijk om de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt verleend, te verrichten.
@@ -268,13 +268,13 @@
##### Artikel 13
Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=98&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden verbonden uitsluitend in verband met:
Een vergunning kan onder andere beperkingen dan die bedoeld in [artikel 11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27) worden verleend of aan een vergunning kunnen andere voorschriften dan die bedoeld in de [artikelen 12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=12&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=98&z=2026-03-27&g=2026-03-27) worden verbonden uitsluitend in verband met:
- a. de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten voor opsporing of winning te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
- b. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2.24 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24) voor gebieden op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1), gestelde regels over de opsporing of winning van een delfstof door middel van een opsporings- of winningsinstallatie,
- c. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde regels over:
- c. bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27) gestelde regels over:
- 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
@@ -304,17 +304,17 @@
1. Zodra een aanvraag om een vergunning is ingediend, worden anderen in de gelegenheid gesteld om aanvragen om een soortgelijke vergunning in te dienen voor dezelfde delfstof voor hetzelfde gebied.
2. Onze Minister plaatst hiertoe een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Indien het een aanvraag om een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Onze Minister plaatst hiertoe een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-03-27&g=2026-03-27). Indien het een aanvraag om een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen betreft, wordt de uitnodiging tevens geplaatst in het Publicatieblad van de Europese Unie.
3. Anderen kunnen aanvragen indienen tot dertien weken na de dag van plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant of, ingeval het koolwaterstoffen betreft, het Publicatieblad van de Europese Unie.
4. De procedure, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, wordt niet toegepast met betrekking tot:
- a. een aanvraag om een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. een aanvraag om een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 10, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=10&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. een aanvraag om een winningsvergunning die wordt ingediend door de houder van een opsporings- of winningsvergunning naar aanleiding van de aantoning van een voorkomen, waarvan aannemelijk is dat het zich gedeeltelijk in zijn gebied en gedeeltelijk in het aangevraagde aangrenzende gebied bevindt;
- c. een aanvraag voor een gebied, waarvoor op grond van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geen vergunning wordt verleend;
- c. een aanvraag voor een gebied, waarvoor op grond van [artikel 7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-03-27&g=2026-03-27) geen vergunning wordt verleend;
- d. een aanvraag die wordt ingediend overeenkomstig het derde lid.
@@ -332,7 +332,7 @@
##### Artikel 17
1. Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning binnen zes maanden na de ontvangst daarvan. Indien artikel 15, eerste of vijfde lid, toepassing heeft gevonden, beslist Onze Minister op alle aanvragen binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in [artikel 15, derde, onderscheidenlijk vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=15&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Onze Minister beslist op een aanvraag om een vergunning binnen zes maanden na de ontvangst daarvan. Indien artikel 15, eerste of vijfde lid, toepassing heeft gevonden, beslist Onze Minister op alle aanvragen binnen zes maanden na afloop van de termijn, bedoeld in [artikel 15, derde, onderscheidenlijk vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=15&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Onze Minister kan de termijn, waarbinnen hij op een aanvraag beslist, eenmaal met ten hoogste zes maanden verlengen.
@@ -348,7 +348,7 @@
##### Artikel 18
1. Onverminderd [artikel 32c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&artikel=32c&z=2026-01-01&g=2026-01-01) kan Onze Minister een vergunning slechts wijzigen:
1. Onverminderd [artikel 32c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&artikel=32c&z=2026-03-27&g=2026-03-27) kan Onze Minister een vergunning slechts wijzigen:
- a. op aanvraag van de houder van de vergunning,
@@ -356,7 +356,7 @@
- c. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2.24 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24) voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1), gestelde regels over de opsporing of winning van een delfstof door middel van een opsporings- of winningsinstallatie,
- d. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde regels over:
- d. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27) gestelde regels over:
- 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
@@ -382,11 +382,11 @@
- b. een groter gebied.
3. Een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt slechts ingewilligd, indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning. In een beschikking, waarbij het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt verlengd, kan het gebied waarvoor die vergunning geldt worden beperkt tot een deel van het gebied. [Artikel 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt slechts ingewilligd, indien het in de vergunning vastgestelde tijdvak onvoldoende is om de activiteiten, waarvoor de vergunning geldt, te voltooien en deze activiteiten zijn verricht in overeenstemming met de vergunning. In een beschikking, waarbij het tijdvak waarvoor een vergunning geldt wordt verlengd, kan het gebied waarvoor die vergunning geldt worden beperkt tot een deel van het gebied. [Artikel 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van het derde lid wordt een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een vergunning geldt afgewezen indien de vergunning geldt voor een gebied dat is gelegen binnen het op grond van [artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) aangewezen Natura 2000-gebied Waddenzee.
5. Een aanvraag om verkleining van het gebied waarvoor een vergunning geldt, wordt slechts ingewilligd met inachtneming van [artikel 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
5. Een aanvraag om verkleining van het gebied waarvoor een vergunning geldt, wordt slechts ingewilligd met inachtneming van [artikel 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
6. Van een beschikking tot wijziging van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -400,9 +400,9 @@
##### Artikel 20
1. De houder van een vergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. [Artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, zijn van overeenkomstige toepassing. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.
2. Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in [artikel 19, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=19&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. De houder van een vergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. [Artikel 7, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=7&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [artikel 9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van het eerste lid, onderdeel d, zijn van overeenkomstige toepassing. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden. Een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.
2. Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in [artikel 19, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=19&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Van een beschikking tot verlening van toestemming wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
@@ -420,13 +420,13 @@
- d. indien niet overeenkomstig de vergunning is of wordt gehandeld,
- e. indien voor de houder van de vergunning of de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen persoon als zodanig geldende regels niet worden nageleefd,
- e. indien voor de houder van de vergunning of de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen persoon als zodanig geldende regels niet worden nageleefd,
- f. in verband met veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten inzake de manier waarop de aanvrager de activiteiten voor opsporing of winning verricht of voornemens is te verrichten, waaronder de bij die activiteiten te gebruiken technieken, hulpmiddelen of stoffen,
- g. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2.24 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24) voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1), gestelde regels inhoudende dat de opsporing of winning van een delfstof door middel van een opsporings- of winningsinstallatie in dat gebied niet wordt of kan worden toegestaan,
- h. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde regels over:
- h. in verband met een vaststelling of wijziging van bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27) gestelde regels over:
- 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van de opsporing of winning van een delfstof,
@@ -446,7 +446,7 @@
- m. voor zover de vergunning geldt voor het op grond van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (Trb. 1973, 155) aangewezen werelderfgoedgebied Waddenzee.
2. Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder of de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen persoon zich na de waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig maakt.
2. Onze Minister gaat niet over tot gehele of gedeeltelijke intrekking op grond van het eerste lid, onderdeel d of e, dan nadat hij de houder schriftelijk heeft gewaarschuwd en de houder of de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen persoon zich na de waarschuwing voortdurend of opnieuw aan de overtreding schuldig maakt.
3. Onze Minister kan een winningsvergunning op aanvraag van de houder geheel of gedeeltelijk intrekken. Een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking kan slechts worden afgewezen, indien het noodzakelijk is dat de houder een aan de vergunning verbonden voorschrift of een voor hem als zodanig geldende regel naleeft.
@@ -472,9 +472,9 @@
2. Bij de aanvraag om een vergunning worden de personen gezamenlijk als aanvrager van de vergunning beschouwd. Na verlening worden zij gezamenlijk als houder van de vergunning beschouwd.
3. [Artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing als een van de personen zijn aandeel in de vergunning op een ander wil doen overgaan.
4. In afwijking van [artikel 21, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vervalt de vergunning niet als één van de houders die een natuurlijke persoon is, overlijdt dan wel één van de houders die een rechtspersoon is, ophoudt te bestaan, maar gaat diens aandeel in de vergunning over op de medehouders.
3. [Artikel 20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing als een van de personen zijn aandeel in de vergunning op een ander wil doen overgaan.
4. In afwijking van [artikel 21, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-03-27&g=2026-03-27), vervalt de vergunning niet als één van de houders die een natuurlijke persoon is, overlijdt dan wel één van de houders die een rechtspersoon is, ophoudt te bestaan, maar gaat diens aandeel in de vergunning over op de medehouders.
5. Een van de personen wordt aangewezen om de feitelijke werkzaamheden te verrichten of daartoe opdracht te verlenen. Het verrichten van de feitelijke werkzaamheden of het verlenen van opdracht daartoe is slechts aan de aangewezen persoon toegestaan.
@@ -484,13 +484,13 @@
8. Indien de aangewezen persoon niet meer in staat is tot het verrichten van de feitelijke werkzaamheden of het verlenen van opdracht daartoe, trekt Onze Minister de aanwijzing in. Indien geen van de personen is aangewezen, wijst Onze Minister een van hen aan.
9. Onze Minister neemt de besluiten die verband houden met de aanwijzing op basis van de in [artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde gronden. [Artikel 9, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
9. Onze Minister neemt de besluiten die verband houden met de aanwijzing op basis van de in [artikel 9, eerste lid, onderdelen a tot en met c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), genoemde gronden. [Artikel 9, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 23
1. De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen gaat niet over tot het winnen uit een voorkomen dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, zolang geen overeenkomst van kracht is als bedoeld in [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tenzij Onze Minister ontheffing heeft verleend van de verplichting om een overeenkomst te sluiten.
2. Indien tijdens of na het winnen van koolwaterstoffen blijkt of is gebleken dat het desbetreffende voorkomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, verplicht terstond na het bekend worden van dat feit de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen gerechtigde daarvan in kennis te stellen en medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in [artikel 42, tweede lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Artikel 42, tweede lid, tweede tot en met vierde volzin, zijn van toepassing.
1. De houder van een winningsvergunning voor koolwaterstoffen gaat niet over tot het winnen uit een voorkomen dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, zolang geen overeenkomst van kracht is als bedoeld in [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-03-27&g=2026-03-27), tenzij Onze Minister ontheffing heeft verleend van de verplichting om een overeenkomst te sluiten.
2. Indien tijdens of na het winnen van koolwaterstoffen blijkt of is gebleken dat het desbetreffende voorkomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder, bedoeld in het eerste lid, verplicht terstond na het bekend worden van dat feit de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen gerechtigde daarvan in kennis te stellen en medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in [artikel 42, tweede lid, eerste volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-03-27&g=2026-03-27). Artikel 42, tweede lid, tweede tot en met vierde volzin, zijn van toepassing.
##### Artikel 24
@@ -514,7 +514,7 @@
1. Een opslagvergunning wordt niet verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een gebied waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden opslagvergunning geldt.
2. Een opslagvergunning wordt evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geldt of waarvoor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt.
2. Een opslagvergunning wordt evenmin verleend, voorzover deze bij het in werking treden zou gaan gelden voor een voorkomen waarvoor op dat tijdstip reeds een door een ander gehouden vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) geldt of waarvoor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt.
3. Ingeval aan een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen een opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend, vervalt de opsporings- of winningsvergunning op het tijdstip waarop de verleende opslagvergunning onherroepelijk wordt.
@@ -522,13 +522,13 @@
5. Het derde lid is niet van toepassing op een houder van een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen indien hem voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze leden een onherroepelijke opslagvergunning voor hetzelfde gebied en voor dezelfde stof is verleend.
6. In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO2 of een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
7. In afwijking van het tweede lid kan voor een voorkomen waarvoor een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geldt, ten hoogste één vergunning voor permanent opslaan van CO2 of een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen worden verleend.
6. In afwijking van het eerste lid wordt een vergunning voor het permanent opslaan van CO2 of een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen niet verleend voor zover de vergunning bij de inwerkingtreding ervan zou gaan gelden voor een CO2-opslagcomplex waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning als bedoeld in [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27) geldt, ongeacht wie de houder van de desbetreffende vergunning is.
7. In afwijking van het tweede lid kan voor een voorkomen waarvoor een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) geldt, ten hoogste één vergunning voor permanent opslaan van CO2 of een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen worden verleend.
##### Artikel 27
1. Onverminderd [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01) kan een opslagvergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:
1. Onverminderd [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27) kan een opslagvergunning slechts geheel of gedeeltelijk worden geweigerd:
- a. op grond van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager,
@@ -550,7 +550,7 @@
- j. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2.24 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24) voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1), gestelde regels inhoudende dat het opslaan van stoffen door middel van een installatie in dat gebied niet wordt of kan worden toegestaan, of
- k. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde regels over:
- k. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27) gestelde regels over:
- 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied van het opslaan van stoffen,
@@ -560,9 +560,9 @@
- 4°. de soort stof die wordt opgeslagen.
2. Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.4&artikel=102&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. Onverminderd [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt een vergunning voor permanent opslaan van CO2 geweigerd indien:
2. Een vergunning kan op grond van de financiële mogelijkheden van de aanvrager worden geweigerd als onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [102](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.4&artikel=102&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Onverminderd [artikel 26](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27) wordt een vergunning voor permanent opslaan van CO2 geweigerd indien:
- a. bij opslag onder de voorgestelde exploitatievoorwaarden een significant risico van lekkage bestaat of significante milieu- of gezondheidsrisico’s bestaan;
@@ -580,11 +580,11 @@
##### Artikel 29
1. Een opslagvergunning kan voorts onder andere beperkingen dan die bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=28&z=2026-01-01&g=2026-01-01) worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
2. De beperkingen en voorschriften, anders dan de voorschriften op grond van [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=98&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid voor omwonenden, het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, de landsverdediging of het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen aan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 ook beperkingen en voorschriften als bedoeld in [artikel 31d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), worden verbonden.
1. Een opslagvergunning kan voorts onder andere beperkingen dan die bedoeld in [artikel 28](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=28&z=2026-03-27&g=2026-03-27) worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
2. De beperkingen en voorschriften, anders dan de voorschriften op grond van [artikel 98](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=98&z=2026-03-27&g=2026-03-27), kunnen slechts worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid voor omwonenden, het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan, de landsverdediging of het planmatig gebruik of beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
3. In afwijking van het tweede lid kunnen aan een vergunning voor permanent opslaan van CO2 ook beperkingen en voorschriften als bedoeld in [artikel 31d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), worden verbonden.
4. In aanvulling op het tweede lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend of kunnen aan een vergunning voorschriften worden verbonden:
@@ -592,7 +592,7 @@
- b. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 2.24 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.24) voor een gebied op land, respectievelijk in de territoriale zee, bedoeld in [artikel 1, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003748&artikel=1), gestelde regels over het opslaan van stoffen door middel van een installatie,
- c. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde regels over:
- c. in verband met bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 49](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27) gestelde regels over:
- 1°. het geheel of gedeeltelijk uitsluiten van een gebied voor het opslaan van stoffen,
@@ -604,21 +604,21 @@
##### Artikel 30
1. Onze Minister kan een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien dit wordt gerechtvaardigd op grond van de in [artikel 29, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=29&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde gronden.
2. Voorts kan Onze Minister een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet wordt voldaan aan [artikel 39a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ook op grond van [artikel 31h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31h&z=2026-01-01&g=2026-01-01) een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken.
1. Onze Minister kan een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien dit wordt gerechtvaardigd op grond van de in [artikel 29, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=29&z=2026-03-27&g=2026-03-27), genoemde gronden.
2. Voorts kan Onze Minister een opslagvergunning wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken, indien niet wordt voldaan aan [artikel 39a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39a&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Onverminderd het eerste lid kan Onze Minister ook op grond van [artikel 31h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31h&z=2026-03-27&g=2026-03-27) een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken.
4. Van een beschikking tot wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
##### Artikel 31
De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De [artikelen 20, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 26, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=27&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing.
De houder van een opslagvergunning kan zijn vergunning slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. De [artikelen 20, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [artikel 26, tweede en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=27&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 32
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en een exploitant van een transportnetwerk als bedoeld in artikel 21 van de CCS-richtlijn zijn verplicht op voorwaarden die redelijk, transparant en niet-discriminerend zijn voor degene die daarom verzoekt CO2 in zijn opslagvoorkomen op te slaan respectievelijk door zijn transportnetwerk te transporteren.
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en een exploitant van een transportnetwerk als bedoeld in artikel 21 van de CCS-richtlijn zijn verplicht op voorwaarden die redelijk, transparant en niet-discriminerend zijn voor degene die daarom verzoekt CO2 in zijn opslagvoorkomen op te slaan respectievelijk door zijn transportnetwerk te transporteren.
2. Een houder en een exploitant als bedoeld in het eerste lid kunnen het verzoek om opslag of transport weigeren op grond van een gebrek aan capaciteit, verbindingsmogelijkheden of onverenigbaarheid van technische specificaties.
@@ -632,7 +632,7 @@
##### Artikel 33
1. De houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dan wel, ingeval de vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning verrichte activiteiten:
1. De houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27), dan wel, ingeval de vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, neemt alle maatregelen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om te voorkomen dat als gevolg van de met gebruikmaking van de vergunning verrichte activiteiten:
- a. nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt,
@@ -664,7 +664,7 @@
1. Het winnen van delfstoffen vanuit een voorkomen geschiedt overeenkomstig een winningsplan.
2. De houder van een winningsvergunning of de krachtens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) aangewezen persoon dient een winningsplan in bij Onze Minister.
2. De houder van een winningsvergunning of de krachtens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) aangewezen persoon dient een winningsplan in bij Onze Minister.
3. Het winningsplan behoeft de instemming van Onze Minister.
@@ -756,9 +756,9 @@
##### Artikel 39
1. De [artikelen 34 tot en met 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op het opslaan van stoffen.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing voor zover [hoofdstuk 3, paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), toepassing vindt.
1. De [artikelen 34 tot en met 36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn van overeenkomstige toepassing op het opslaan van stoffen.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing voor zover [hoofdstuk 3, paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), toepassing vindt.
##### Artikel 40
@@ -772,15 +772,15 @@
3. Dit artikel geldt, tenzij in de desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking tot het winnen van delfstoffen of het opslaan van stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee, voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
4. De verplichtingen van dit artikel rusten op de houder van de desbetreffende, in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde vergunning, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, op de laatste houder van de vergunning. Indien de vergunning wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, rusten de verplichtingen van dit artikel op de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen persoon, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, de laatstelijk op grond van dat artikel aangewezen persoon.
4. De verplichtingen van dit artikel rusten op de houder van de desbetreffende, in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde vergunning, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, op de laatste houder van de vergunning. Indien de vergunning wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, rusten de verplichtingen van dit artikel op de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen persoon, dan wel, indien de vergunning haar geldigheid heeft verloren, de laatstelijk op grond van dat artikel aangewezen persoon.
##### Artikel 42
1. Indien een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt voor een gebied waarvoor een ander een in dit lid genoemde vergunning houdt, kan Onze Minister de vergunninghouder verplichten in een door hem te bepalen omvang te gedogen dat de houder van die andere vergunning zijn daaruit voortvloeiende rechten uitoefent.
2. Indien een vergunning voor het winnen van delfstoffen geldt voor een gebied, waarin zich een voorkomen bevindt dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt of een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt voor een invloedssfeer die naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen of aardwarmte gerechtigde, tenzij Onze Minister van deze verplichting ontheffing verleent. De overeenkomst strekt er toe dat het winnen in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) rusten op de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.
3. Indien een vergunning voor het winnen van koolwaterstoffen geldt voor een gebied waarvoor een vergunning voor permanent opslaan van CO2 geldt, is de houder van de winningsvergunning verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de houder van de vergunning voor permanent opslaan van CO2. De overeenkomst strekt ertoe dat winnen en permanent opslaan van CO2 in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) rusten op de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.
1. Indien een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27), een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt voor een gebied waarvoor een ander een in dit lid genoemde vergunning houdt, kan Onze Minister de vergunninghouder verplichten in een door hem te bepalen omvang te gedogen dat de houder van die andere vergunning zijn daaruit voortvloeiende rechten uitoefent.
2. Indien een vergunning voor het winnen van delfstoffen geldt voor een gebied, waarin zich een voorkomen bevindt dat naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt of een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte geldt voor een invloedssfeer die naar redelijkerwijs kan worden aangenomen de grens van het vergunningsgebied overschrijdt, is de vergunninghouder verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de voor het aangrenzende gebied tot het winnen van de delfstoffen of aardwarmte gerechtigde, tenzij Onze Minister van deze verplichting ontheffing verleent. De overeenkomst strekt er toe dat het winnen in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4&z=2026-03-27&g=2026-03-27) rusten op de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.
3. Indien een vergunning voor het winnen van koolwaterstoffen geldt voor een gebied waarvoor een vergunning voor permanent opslaan van CO2 geldt, is de houder van de winningsvergunning verplicht om medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen de vergunninghouder en de houder van de vergunning voor permanent opslaan van CO2. De overeenkomst strekt ertoe dat winnen en permanent opslaan van CO2 in onderlinge overeenstemming zal geschieden. In de overeenkomst kan worden bepaald dat verplichtingen die krachtens de [hoofdstukken 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4&z=2026-03-27&g=2026-03-27) rusten op de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen personen, rusten op een van deze aangewezen personen. Onze Minister kan eisen stellen aan de tot stand te brengen overeenkomst. De overeenkomst en de wijzigingen in de overeenkomst worden aan Onze Minister overgelegd.
4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald onder welke omstandigheden de houder van een vervolgvergunning aardwarmte verplicht is medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een overeenkomst tussen hem en degene die een winningsvergunning heeft voor de meekomende delfstoffen. Een overeenkomst strekt ertoe dat degene die een vergunning heeft voor de winning van de meekomende delfstoffen een redelijke vergoeding ontvangt voor de met de bij de winning van aardwarmte meekomende delfstoffen. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de overeenkomst.
@@ -790,7 +790,7 @@
##### Artikel 44
1. De houder van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte meldt binnen vier weken nadat een mijnbouwwerk buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden het mijnbouwwerk buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens [artikel 49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is aangewezen.
1. De houder van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte meldt binnen vier weken nadat een mijnbouwwerk buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden het mijnbouwwerk buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens [artikel 49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is aangewezen.
2. De houder van een vergunning verwijdert een mijnbouwwerk dat buiten werking is, tenzij het mijnbouwwerk tijdelijk buiten werking is in een geval als bedoeld in het eerste lid.
@@ -798,21 +798,21 @@
4. De verplichtingen, bedoeld in het tweede en derde lid, zijn mede van toepassing op het verwijderen van verontreinigde grond, verontreinigd grondwater, verontreinigingen op of in oppervlaktewater, afval, waaronder schroot, en andere materialen, die in het gebied of in de naaste omgeving van het mijnbouwwerk zijn terechtgekomen bij het aanleggen of exploiteren van het mijnbouwwerk.
5. Het eerste, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een gedeelte van een mijnbouwwerk, waaronder een boorgat, dat buiten werking is in de gevallen, die krachtens [artikel 49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zijn aangewezen.
5. Het eerste, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op een gedeelte van een mijnbouwwerk, waaronder een boorgat, dat buiten werking is in de gevallen, die krachtens [artikel 49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27), zijn aangewezen.
##### Artikel 45
1. De beheerder van een kabel of pijpleiding meldt binnen vier weken nadat een kabel of pijpleiding buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden de kabel of pijpleiding buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen tenzij de kabel of pijpleiding tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens [artikel 49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is aangewezen.
2. Onze Minister kan binnen zes maanden na de melding met overeenkomstige toepassing van [artikel 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding die buiten werking is, verplicht is om de kabel of pijpleiding te verwijderen overeenkomstig een door de beheerder te overleggen verwijderingsplan, tenzij de kabel of pijpleiding:
1. De beheerder van een kabel of pijpleiding meldt binnen vier weken nadat een kabel of pijpleiding buiten werking is, aan Onze Minister om welke reden de kabel of pijpleiding buiten werking is en welke maatregelen zijn of worden genomen tenzij de kabel of pijpleiding tijdelijk buiten werking is in een geval dat krachtens [artikel 49, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is aangewezen.
2. Onze Minister kan binnen zes maanden na de melding met overeenkomstige toepassing van [artikel 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding die buiten werking is, verplicht is om de kabel of pijpleiding te verwijderen overeenkomstig een door de beheerder te overleggen verwijderingsplan, tenzij de kabel of pijpleiding:
- a. in gemeentelijk ingedeeld gebied is gelegen en
- b. met de eigenaar van de grond is overeengekomen dat de kabel of de pijpleiding niet wordt verwijderd.
3. Als Onze Minister bepaalt dat de beheerder verplicht is een kabel of pijpleiding te verwijderen, kan de beheerder een aanvraag om ontheffing indienen. [Artikel 44b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
4. De [artikelen 44a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [44c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44c&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn van overeenkomstige toepassing op een verwijderingsplan, respectievelijk de verwijdering, van kabels en pijpleidingen.
3. Als Onze Minister bepaalt dat de beheerder verplicht is een kabel of pijpleiding te verwijderen, kan de beheerder een aanvraag om ontheffing indienen. [Artikel 44b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing.
4. De [artikelen 44a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [44c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44c&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn van overeenkomstige toepassing op een verwijderingsplan, respectievelijk de verwijdering, van kabels en pijpleidingen.
5. Als Onze Minister de beheerder niet heeft verplicht een kabel of pijpleiding te verwijderen en de beheerder niet verplicht is om de kabel of pijpleiding krachtens een overeenkomst met de eigenaar van de grond te verwijderen, is de beheerder verplicht om de kabel, respectievelijk pijpleiding, schoon en veilig achter te laten.
@@ -832,27 +832,27 @@
5. Dit artikel geldt, tenzij in de desbetreffende vergunning anders is bepaald, niet met betrekking tot het winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee, voorzover het winnen of het opslaan plaatsvindt vanuit of in een voorkomen dat gelegen is aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn.
6. [Artikel 41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een vergunning wordt overgedragen na het bekend worden van schade, de verplichtingen van dit artikel wat betreft die schade blijven rusten op degene die ten tijde van dat bekend worden de houder van de vergunning of de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen persoon was.
6. [Artikel 41, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien een vergunning wordt overgedragen na het bekend worden van schade, de verplichtingen van dit artikel wat betreft die schade blijven rusten op degene die ten tijde van dat bekend worden de houder van de vergunning of de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen persoon was.
##### Artikel 47
1. Onze Minister kan bepalen dat de houder van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte, binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het verwijderen van een mijnbouwwerk.
1. Onze Minister kan bepalen dat de houder van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte, binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het verwijderen van een mijnbouwwerk.
2. De zekerheid wordt gesteld vanaf een tijdstip, voor een bedrag, met een termijn en op een wijze die Onze Minister voldoende acht.
3. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen voor de handhaving van het eerste lid.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing als bedoeld in [artikel 44b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing als bedoeld in [artikel 44b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 48
1. Onze Minister kan bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding als bedoeld in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-01-01&g=2026-01-01) binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het schoon en veilig achterlaten of het verwijderen van een kabel of pijpleiding.
1. Onze Minister kan bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding als bedoeld in [artikel 45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-03-27&g=2026-03-27) binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het schoon en veilig achterlaten of het verwijderen van een kabel of pijpleiding.
2. De zekerheid wordt gesteld vanaf een tijdstip, voor een bedrag, met een termijn en op een wijze die Onze Minister voldoende acht.
3. Onze Minister kan een last onder dwangsom opleggen voor de handhaving van het eerste lid.
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing voor het verwijderen van een kabel of pijpleiding als bedoeld in [artikel 45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in samenhang met [artikel 44b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de houder van een ontheffing voor het verwijderen van een kabel of pijpleiding als bedoeld in [artikel 45, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-03-27&g=2026-03-27), in samenhang met [artikel 44b, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
#### § 4.3. Verdere regels
@@ -910,7 +910,7 @@
##### Artikel 50
Onze Minister kan, in gevallen waarin ernstige aantasting van de in [artikel 49, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01), genoemde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in artikel 49, eerste en vijfde lid, bedoelde activiteiten.
Onze Minister kan, in gevallen waarin ernstige aantasting van de in [artikel 49, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27), genoemde belangen ontstaat of dreigt te ontstaan, maatregelen voorschrijven ten aanzien van de in artikel 49, eerste en vijfde lid, bedoelde activiteiten.
##### Artikel 51
@@ -962,7 +962,7 @@
- b. medehouder: ieder van de in onderdeel a bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen;
- c. de aangewezen medehouder: de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde aangewezen persoon;
- c. de aangewezen medehouder: de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde aangewezen persoon;
- d. de landzijde: het deel van het Nederlands territoir dat ligt aan de landzijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn;
@@ -974,9 +974,9 @@
##### Artikel 55
1. Een wijziging in [paragraaf 5.1.1.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van toepassing van [artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=58&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is niet van toepassing op de houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende opsporingsvergunning, tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragraaf verzoekt.
2. Een wijziging in [paragraaf 5.1.1.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van toepassing van [artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=58&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in [paragraaf 5.1.1.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van [artikel 63, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.3&artikel=63&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of in [paragraaf 5.1.1.4.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is niet van toepassing op de houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende winningsvergunning, tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragrafen verzoekt.
1. Een wijziging in [paragraaf 5.1.1.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van toepassing van [artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=58&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is niet van toepassing op de houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende opsporingsvergunning, tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragraaf verzoekt.
2. Een wijziging in [paragraaf 5.1.1.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van een wijziging die het gevolg is van toepassing van [artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=58&z=2026-03-27&g=2026-03-27), in [paragraaf 5.1.1.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.3&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van [artikel 63, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.3&artikel=63&z=2026-03-27&g=2026-03-27), of in [paragraaf 5.1.1.4.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van [artikel 68, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is niet van toepassing op de houder van een voor de inwerkingtreding van die wijziging verleende winningsvergunning, tenzij die houder om toepassing van de gewijzigde paragrafen verzoekt.
3. Een verzoek, als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt schriftelijk bij Onze Minister ingediend binnen drie maanden na de dag waarop die wijziging in werking is getreden.
@@ -992,7 +992,7 @@
##### Artikel 57
1. De heffingsmaatstaf is de oppervlakte van het gebied waarvoor een in [artikel 56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=56&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde opsporings- of winningsvergunning op 1 januari van kracht is.
1. De heffingsmaatstaf is de oppervlakte van het gebied waarvoor een in [artikel 56, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=56&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde opsporings- of winningsvergunning op 1 januari van kracht is.
2. Het tijdvak waarover het oppervlakterecht wordt geheven is het kalenderjaar.
@@ -1004,11 +1004,11 @@
| Tijdvak | Bedrag per km2 |
| --- | --- |
| 1e tot en met 6e tijdvak | € 200 per 29 maart 2025 € 338. |
| 7e tot en met 9e tijdvak | € 400 per 29 maart 2025 € 678. |
| Volgende tijdvakken | € 600 per 29 maart 2025 € 1.016. |
2. Het tarief over 2003 voor het houden van een winningsvergunning bedraagt € 600 per 29 maart 2025 € 1.016 per vierkante kilometer.
| 1e tot en met 6e tijdvak | € 200 per 27 maart 2026 € 355. |
| 7e tot en met 9e tijdvak | € 400 per 27 maart 2026 € 713. |
| Volgende tijdvakken | € 600 per 27 maart 2026 € 1.068. |
2. Het tarief over 2003 voor het houden van een winningsvergunning bedraagt € 600 per 27 maart 2026 € 1.068 per vierkante kilometer.
3. Bij het begin van ieder kalenderjaar worden de voor dat jaar geldende tarieven, bedoeld in het eerste en tweede lid, bij ministeriële regeling vastgesteld. Deze tarieven worden berekend aan de hand van het indexcijfer, bedoeld in [artikel 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1992, houdende begripsomschrijving van het indexcijfer der lonen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005666&artikel=1) (Stb. 507), zoals dat gold op 31 december van het voorgaande jaar.
@@ -1042,13 +1042,13 @@
4. Onder de omzet, bedoeld in het tweede lid, wordt mede verstaan het resultaat uit een rechtshandeling die strekt tot het afdekken van een prijsrisico dat ter zake van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, tot ten hoogste het aantal in het kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen eenheden aardolie of aardgas dat daadwerkelijk is verkocht. De eerste zin is niet van toepassing op rechtshandelingen die zijn aangegaan met een aan de houder of medehouder verbonden lichaam als bedoeld in [artikel 10a, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=10a).
5. Eenheden aardolie of aardgas welke overeenkomstig [artikel 94, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aan de in dat artikel bedoelde vennootschap toekomen, blijven bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing.
5. Eenheden aardolie of aardgas welke overeenkomstig [artikel 94, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aan de in dat artikel bedoelde vennootschap toekomen, blijven bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing.
##### Artikel 63
1. Het tarief is een percentage dat wordt bepaald op basis van het in totaal in het kalenderjaar in het vergunningsgebied gewonnen aantal eenheden. Het aantal eenheden aardolie wordt bepaald bij een druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 15 °C. Onder aardolie wordt condensaat mede begrepen. Het aantal eenheden aardgas wordt bepaald bij een druk van 101,325 kPa en een temperatuur van 0 °C en omgerekend naar eenheden met een calorische waarde van 35,1692 MJ/m3 bovenwaarde.
2. Bij de bepaling van het aantal eenheden, bedoeld in het eerste lid, is [artikel 62, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.3&artikel=62&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing.
2. Bij de bepaling van het aantal eenheden, bedoeld in het eerste lid, is [artikel 62, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.3&artikel=62&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van toepassing.
3. Het percentage wordt opgebouwd door middel van een schijvensysteem overeenkomstig de navolgende tabellen en wordt berekend door:
@@ -1086,7 +1086,7 @@
4. Het tarief over enig kalenderjaar wordt verhoogd met 25%, indien over dat jaar het gewogen gemiddelde van de waarde van in Nederland ingevoerde ruwe olie hoger is dan € 25 per vat. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop het in de eerste volzin bedoelde gewogen gemiddelde wordt bepaald.
5. Het tarief wordt, onverminderd de verhoging op grond van het vierde lid, verhoogd met 100%, indien de houder geen overeenkomst als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-01-01&g=2026-01-01) heeft gesloten ten aanzien van de winningsvergunning. Deze verhoging vindt niet plaats met betrekking tot de eenheden die zijn gewonnen uit een voorkomen ten aanzien waarvan een overeenkomst als bedoeld in [artikel 97b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is gesloten.
5. Het tarief wordt, onverminderd de verhoging op grond van het vierde lid, verhoogd met 100%, indien de houder geen overeenkomst als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-03-27&g=2026-03-27) heeft gesloten ten aanzien van de winningsvergunning. Deze verhoging vindt niet plaats met betrekking tot de eenheden die zijn gewonnen uit een voorkomen ten aanzien waarvan een overeenkomst als bedoeld in [artikel 97b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97b&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is gesloten.
6. Voor zover de gemiddelde prijs van aardgas in het kalenderjaar 2023 of 2024 meer bedraagt dan € 0,50 per m3 wordt, in afwijking van het eerste lid, eerste zin, derde, vierde en vijfde lid, het tarief over die kalenderjaren gesteld op 65% voor de omzet ten aanzien van dit meerdere.
@@ -1106,15 +1106,15 @@
##### Artikel 66
1. De heffingsmaatstaf is het resultaat van een met inachtneming van de [artikelen 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=67&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-01-01&g=2026-01-01) door de houder, of, ingeval van medehouderschap, door ieder van de medehouders, van een winningsvergunning, over een boekjaar op te maken winst- en verliesrekening, verminderd met de op de voet van het derde lid te verrekenen verliezen en de in [artikel 68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde investeringsaftrek. De winst- en verliesrekening omvat de aan dat jaar en aan die vergunning toe te rekenen kosten en opbrengsten van het winningsbedrijf.
1. De heffingsmaatstaf is het resultaat van een met inachtneming van de [artikelen 67](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=67&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [68](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-03-27&g=2026-03-27) door de houder, of, ingeval van medehouderschap, door ieder van de medehouders, van een winningsvergunning, over een boekjaar op te maken winst- en verliesrekening, verminderd met de op de voet van het derde lid te verrekenen verliezen en de in [artikel 68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde investeringsaftrek. De winst- en verliesrekening omvat de aan dat jaar en aan die vergunning toe te rekenen kosten en opbrengsten van het winningsbedrijf.
2. Indien de houder of de medehouder tevens houder of medehouder is van één of meer andere winningsvergunningen, kan een geconsolideerde winst- en verliesrekening worden opgemaakt.
3. Indien het resultaat, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de in [artikel 68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde investeringsaftrek, negatief is, is sprake van een verlies. Dit verlies wordt onder toepassing van [hoofdstuk IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&hoofdstuk=IV), met uitzondering van [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20) verrekend met de positieve resultaten van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Indien het resultaat, bedoeld in het eerste lid, verminderd met de in [artikel 68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde investeringsaftrek, negatief is, is sprake van een verlies. Dit verlies wordt onder toepassing van [hoofdstuk IV](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&hoofdstuk=IV), met uitzondering van [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20) verrekend met de positieve resultaten van de drie voorafgaande boekjaren en van de volgende boekjaren, mits het verlies door de inspecteur is vastgesteld bij voor bezwaar vatbare beschikking.
##### Artikel 67
1. Tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
1. Tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
- a. de waarde in het economische verkeer van de anders dan door verkoop aan het winningsbedrijf onttrokken koolwaterstoffen;
@@ -1122,27 +1122,27 @@
- c. het resultaat dat is behaald met de verkoop van de winningsvergunning.
2. Tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
2. Tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde resultaat worden in ieder geval gerekend:
- a. de niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten van verkennings- en opsporingsonderzoeken die zijn verricht krachtens een opsporingsvergunning;
- b. afschrijving op de niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, welke zijn gemaakt voordat de winningsvergunning is verleend.
3. Tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde resultaat worden niet gerekend:
3. Tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde resultaat worden niet gerekend:
- a. afschrijving op de koopsom ter zake van de overname van een opsporingsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat;
- b. de waarde van de in het winningsbedrijf gewonnen en verbruikte koolwaterstoffen.
4. Indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een prijs- of koersrisico dat ter zake van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, behoort het resultaat uit de desbetreffende rechtshandeling tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde resultaat.
4. Indien de inspecteur vooraf bij voor bezwaar vatbare beschikking, eventueel onder het stellen van nadere voorwaarden, heeft vastgesteld dat een rechtshandeling strekt tot het afdekken van een prijs- of koersrisico dat ter zake van gewonnen of te winnen koolwaterstoffen wordt gelopen, behoort het resultaat uit de desbetreffende rechtshandeling tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde resultaat.
##### Artikel 68
1. De winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt opgemaakt met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.8), [3.14, eerste lid, onderdelen b tot en met i, en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.14), [3.25 tot en met 3.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.25),[3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52), [3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.53), [3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [3.54aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54aa), [3.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.56) en [3.57 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.57), alsmede de [artikelen 7, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8), [8b tot en met 8bd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8b), [9 tot en met 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9), [14 tot en met 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14), [15d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15d) en [35 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=35), behoudens voorzover bij of krachtens deze wet anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen tussen de houder dan wel de medehouder enerzijds en een natuurlijk persoon in de zin van de inkomstenbelasting respectievelijk een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting anderzijds, het tegendeel voortvloeit.
1. De winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt opgemaakt met overeenkomstige toepassing van de [artikelen 3.8](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.8), [3.14, eerste lid, onderdelen b tot en met i, en derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.14), [3.25 tot en met 3.39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.25),[3.52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.52), [3.53](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.53), [3.54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54), [3.54aa](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.54aa), [3.56](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.56) en [3.57 van de Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353&artikel=3.57), alsmede de [artikelen 7, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=7), [8, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8), [8b tot en met 8bd](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=8b), [9 tot en met 10b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=9), [14 tot en met 14b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=14), [15d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=15d) en [35 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=35), behoudens voorzover bij of krachtens deze wet anders is bepaald, dan wel uit het verschil in wezen tussen de houder dan wel de medehouder enerzijds en een natuurlijk persoon in de zin van de inkomstenbelasting respectievelijk een belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting anderzijds, het tegendeel voortvloeit.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in de genoemde artikelen van de [Wet inkomstenbelasting 2001](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011353) en van de [Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672) voor «onderneming» gelezen: winningsbedrijf.
3. Bij het opmaken van de winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt een verhoging van 10% toegepast op de kosten met uitzondering van:
3. Bij het opmaken van de winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt een verhoging van 10% toegepast op de kosten met uitzondering van:
- a. door de houder van de winningsvergunning aan de staat verschuldigde belastingen en andere Nederlandse publiekrechtelijke lasten met uitzondering van een heffing als bedoeld in [artikel 15, eerste lid, van de Tijdelijke wet Groningen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0043252&artikel=15);
@@ -1160,7 +1160,7 @@
3. Onder het verrekenbare bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan het bedrag dat wordt verkregen door:
- a. het resultaat van de winst- en verliesrekening over het boekjaar te bepalen, met dien verstande dat daarbij [artikel 68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-01-01&g=2026-01-01), buiten beschouwing wordt gelaten;
- a. het resultaat van de winst- en verliesrekening over het boekjaar te bepalen, met dien verstande dat daarbij [artikel 68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-03-27&g=2026-03-27), buiten beschouwing wordt gelaten;
- b. dit resultaat te verminderen met het over het boekjaar na toepassing van dit artikel te betalen bedrag aan winstaandeel;
@@ -1172,7 +1172,7 @@
1. Winstaandeel wordt geheven bij wege van aanslag.
2. De houder, of, ingeval van medehouderschap, ieder van de medehouders, zendt gelijktijdig met de aangifte voor de vennootschapsbelasting over een boekjaar aan de inspecteur een over dat boekjaar opgemaakte winst- en verliesrekening als bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en een berekening van het op dat boekjaar betrekking hebbende verrekenbare bedrag, bedoeld in [artikel 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=69&z=2026-01-01&g=2026-01-01), alsmede een balans, vermeldende de aan het eind van het boekjaar tot het winningsbedrijf behorende activa en passiva.
2. De houder, of, ingeval van medehouderschap, ieder van de medehouders, zendt gelijktijdig met de aangifte voor de vennootschapsbelasting over een boekjaar aan de inspecteur een over dat boekjaar opgemaakte winst- en verliesrekening als bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en een berekening van het op dat boekjaar betrekking hebbende verrekenbare bedrag, bedoeld in [artikel 69, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=69&z=2026-03-27&g=2026-03-27), alsmede een balans, vermeldende de aan het eind van het boekjaar tot het winningsbedrijf behorende activa en passiva.
#### § 4.1a. Verplichtingen bij de opsporing en winning van koolwaterstoffen
@@ -1200,7 +1200,7 @@
##### Artikel 75
Op deze afdeling zijn de onderdelen a tot en met e van [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.1&artikel=54&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van toepassing.
Op deze afdeling zijn de onderdelen a tot en met e van [artikel 54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.1&artikel=54&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van toepassing.
##### Artikel 76
@@ -1210,9 +1210,9 @@
##### Artikel 77
1. De heffingsmaatstaf van de afdracht, bedoeld in [artikel 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.2&artikel=76&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is de oppervlakte van het in artikel 76, eerste lid, bedoelde terrein.
2. Het tarief over 2003 bedraagt € 4,50 per vierkante meter. [Artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=58&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
1. De heffingsmaatstaf van de afdracht, bedoeld in [artikel 76](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.2&artikel=76&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is de oppervlakte van het in artikel 76, eerste lid, bedoelde terrein.
2. Het tarief over 2003 bedraagt € 4,50 per vierkante meter. [Artikel 58, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&artikel=58&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 78
@@ -1232,7 +1232,7 @@
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- a. de vennootschap: de vennootschap, bedoeld in [artikel 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. de vennootschap: de vennootschap, bedoeld in [artikel 82, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. opsporingswerkzaamheden: werkzaamheden die op grond van een opsporingsvergunning worden of kunnen worden verricht of werkzaamheden die voortvloeien uit het doen van verkenningsonderzoeken naar de aanwezigheid van koolwaterstoffen binnen het vergunningsgebied, dan wel naar nadere gegevens omtrent die koolwaterstoffen;
@@ -1246,13 +1246,13 @@
1. In het belang van een doelmatige opsporing en winning, een planmatig beheer en een optimale afzet van koolwaterstoffen, wijst Onze Minister een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, aan, die tot taak heeft:
- a. het deelnemen in opsporingswerkzaamheden op grond van opsporingsovereenkomsten, overeenkomstig [paragraaf 5.2.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze afdeling;
- b. het deelnemen in mijnbouwwerkzaamheden op grond van mijnbouwovereenkomsten, overeenkomstig [paragraaf 5.2.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze afdeling, met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder in ieder geval worden begrepen behandeling, transport en verkoop van de gewonnen koolwaterstoffen**;**
- c. het sluiten van overeenkomsten, bedoeld in [artikel 97d, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.4&artikel=97d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder het begeleiden, bewaken en monitoren van het systeem van overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste, tweede en derde lid;
- d. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister over de vaststelling, toepassing en uitvoering van de overeenkomsten, bedoeld in [artikel 97d, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.4&artikel=97d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), alsmede over de aard en omvang van de door een houder van een vergunning gestelde of te stellen financiële zekerheden;
- a. het deelnemen in opsporingswerkzaamheden op grond van opsporingsovereenkomsten, overeenkomstig [paragraaf 5.2.2.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van deze afdeling;
- b. het deelnemen in mijnbouwwerkzaamheden op grond van mijnbouwovereenkomsten, overeenkomstig [paragraaf 5.2.3.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van deze afdeling, met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder in ieder geval worden begrepen behandeling, transport en verkoop van de gewonnen koolwaterstoffen**;**
- c. het sluiten van overeenkomsten, bedoeld in [artikel 97d, eerste en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.4&artikel=97d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met inbegrip van daarmee rechtstreeks verbonden werkzaamheden, waaronder het begeleiden, bewaken en monitoren van het systeem van overeenkomsten, bedoeld in artikel 97d, eerste, tweede en derde lid;
- d. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister over de vaststelling, toepassing en uitvoering van de overeenkomsten, bedoeld in [artikel 97d, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.4&artikel=97d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), alsmede over de aard en omvang van de door een houder van een vergunning gestelde of te stellen financiële zekerheden;
- e. het verstrekken van inlichtingen aan Onze Minister, indien informatie over financiële zekerheden, informatie over zeggenschap dan wel andere informatie daartoe aanleiding geeft;
@@ -1260,7 +1260,7 @@
- g. Onze Minister desgevraagd de inlichtingen te verstrekken die nodig zijn voor de beoordeling van de uitvoerbaarheid van voorgenomen energiebeleid, in het bijzonder ten aanzien van opsporing, winning, beëindiging van opsporing en winning, alsmede het beheer en afzet van koolwaterstoffen.
2. In het belang van kennisdeling en -borging wijst Onze Minister een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, aan, die tot taak heeft het deelnemen in werkzaamheden voor opsporing en winning van aardwarmte op grond van overeenkomsten, overeenkomstig [artikel 86a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=86a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. In het belang van kennisdeling en -borging wijst Onze Minister een naamloze of een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, waarvan alle aandelen middellijk of onmiddellijk aan de staat behoren, aan, die tot taak heeft het deelnemen in werkzaamheden voor opsporing en winning van aardwarmte op grond van overeenkomsten, overeenkomstig [artikel 86a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=86a&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, kunnen de vennootschap bij besluit van Onze Minister andere taken dan de taken, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden opgedragen in het algemeen belang van het klimaat- en energiebeleid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de algemene belangen omschreven ten behoeve waarvan en de gevallen waarin Onze Minister de vennootschap een opdracht als bedoeld in de eerste volzin kan geven. Onze Minister kan aan een besluit tot het geven van een opdracht voorschriften en beperkingen verbinden.
@@ -1276,7 +1276,7 @@
##### Artikel 83
1. Indien de vennootschap activiteiten als bedoeld in [artikel 82, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), verricht, is zij verplicht, al dan niet op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding te voeren voor die activiteiten enerzijds en de activiteiten ter uitvoering van haar taken, bedoeld in [artikel 82, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), anderzijds.
1. Indien de vennootschap activiteiten als bedoeld in [artikel 82, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), verricht, is zij verplicht, al dan niet op geconsolideerde basis, een afzonderlijke boekhouding te voeren voor die activiteiten enerzijds en de activiteiten ter uitvoering van haar taken, bedoeld in [artikel 82, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), anderzijds.
2. De afzonderlijke boekhouding is zodanig ingericht dat:
@@ -1286,17 +1286,17 @@
- c. de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de boekhouding wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.
3. De baten die de vennootschap behaalt met de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 82, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), worden niet gebruikt voor financiering van de activiteiten, bedoeld in [artikel 82, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. De vennootschap verricht activiteiten als bedoeld in [artikel 82, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), tegen marktconforme tarieven en voorwaarden en op basis van een integrale doorberekening van alle kosten.
3. De baten die de vennootschap behaalt met de uitvoering van de taken, bedoeld in [artikel 82, eerste, tweede of derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), worden niet gebruikt voor financiering van de activiteiten, bedoeld in [artikel 82, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
4. De vennootschap verricht activiteiten als bedoeld in [artikel 82, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), tegen marktconforme tarieven en voorwaarden en op basis van een integrale doorberekening van alle kosten.
##### Artikel 84
De statuten van de vennootschap en elke wijziging van die statuten behoeven goedkeuring van Onze Minister. Hij onthoudt zijn goedkeuring slechts als door de statuten naar zijn oordeel een behoorlijke vervulling van de taken, genoemd in [artikel 82, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), onvoldoende is gewaarborgd.
De statuten van de vennootschap en elke wijziging van die statuten behoeven goedkeuring van Onze Minister. Hij onthoudt zijn goedkeuring slechts als door de statuten naar zijn oordeel een behoorlijke vervulling van de taken, genoemd in [artikel 82, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), onvoldoende is gewaarborgd.
##### Artikel 85
Onze Minister kan de vennootschap aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in [artikel 82, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde taken.
Onze Minister kan de vennootschap aanwijzingen geven in het belang van een goede vervulling van de in [artikel 82, eerste, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde taken.
##### Artikel 86
@@ -1318,9 +1318,9 @@
- a. de vergunninghouder voor 60% en de vennootschap voor 40% belang neemt;
- b. de werken die door het doen van de in [artikel 90, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen voor 60% toebehoren aan de vergunninghouder en voor 40% aan de vennootschap;
- c. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in [artikel 90, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. de werken die door het doen van de in [artikel 90, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde investeringen tot stand zijn gekomen voor 60% toebehoren aan de vergunninghouder en voor 40% aan de vennootschap;
- c. de vergunninghouder en de vennootschap ten behoeve van de samenwerking, in verhouding tot ieders belang in de samenwerking, de middelen verstrekken die bestemd zijn voor het doen van de uitgaven, bedoeld in [artikel 90, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- d. op de overeenkomst Nederlands recht van toepassing is.
@@ -1330,7 +1330,7 @@
In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
- a. de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met inachtneming van [artikel 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn genomen door de vergunninghouder en de vennootschap;
- a. de voor hem uit de vergunning voortvloeiende rechten uit te oefenen ten behoeve van de samenwerking en overeenkomstig de gezamenlijke besluiten die met inachtneming van [artikel 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn genomen door de vergunninghouder en de vennootschap;
- b. het door hem aangaan, wijzigen of beëindigen van duurzame samenwerking met derden ter zake van verkenning en opsporing te onderwerpen aan goedkeuring door de vergunninghouder en de vennootschap gezamenlijk;
@@ -1340,11 +1340,11 @@
1. In de opsporingsovereenkomst worden bepalingen opgenomen die de vennootschap ertoe verplichten:
- a. aan de vergunninghouder te vergoeden 40% van de uitgaven van de vergunninghouder die in overeenstemming met [artikel 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn goedgekeurd of in overeenstemming zijn met een goedgekeurd jaarlijks investerings- en financieringsplan;
- a. aan de vergunninghouder te vergoeden 40% van de uitgaven van de vergunninghouder die in overeenstemming met [artikel 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn goedgekeurd of in overeenstemming zijn met een goedgekeurd jaarlijks investerings- en financieringsplan;
- b. niet te beletten dat besluiten van de vergunninghouder gebaseerd worden op normale commerciële overwegingen;
- c. zijn stem bij de besluitvorming volgens [artikel 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-01-01&g=2026-01-01) uit te brengen op grond van transparante, objectieve en niet-discriminerende beginselen.
- c. zijn stem bij de besluitvorming volgens [artikel 91](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-03-27&g=2026-03-27) uit te brengen op grond van transparante, objectieve en niet-discriminerende beginselen.
2. In de overeenkomst worden bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat ten aanzien van besluiten, inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor de uitvoering van werken en voor het verrichten van diensten:
@@ -1360,7 +1360,7 @@
- b. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, in afwijking van onderdeel a, buiten vergadering kan worden genomen, mits dit gebeurt bij een gezamenlijke schriftelijke verklaring of bij een gelijkluidende schriftelijke verklaring van de vergunninghouder en de vennootschap, door deze of hun gevolmachtigde vertegenwoordigers ondertekend;
- c. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in [artikel 22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01), elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
- c. een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in [artikel 22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27), elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
- 1°. het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;
@@ -1382,13 +1382,13 @@
2. De overeenkomst komt binnen een jaar na de verlening van de vergunning tot stand. Onze Minister kan de termijn van een jaar eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. De overeenkomst behoeft de instemming van Onze Minister.
3. Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97&z=2026-01-01&g=2026-01-01), de instemming van de vennootschap.
4. [Artikel 87, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=87&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
3. Tot het tijdstip waarop de instemming wordt verleend, verricht de vergunninghouder geen winningswerkzaamheden. Tot dat tijdstip behoeven besluiten als bedoeld in [artikel 97, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97&z=2026-03-27&g=2026-03-27), de instemming van de vennootschap.
4. [Artikel 87, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=87&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 94
1. [Artikel 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=88&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
1. [Artikel 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=88&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing.
2. Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen, die ertoe strekken dat ten behoeve van de mijnbouwwerkzaamheden wordt samengewerkt, waarbij:
@@ -1408,7 +1408,7 @@
##### Artikel 95
1. [Artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=89&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
1. [Artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=89&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing.
2. Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen die de vergunninghouder ertoe verplichten:
@@ -1418,17 +1418,17 @@
##### Artikel 96
1. [Artikel 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
2. Voorts wordt in de overeenkomst een bepaling opgenomen die de vennootschap ertoe verplicht aan de vergunninghouder terstond te vergoeden 40% van het bedrag, bedoeld in [artikel 94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), vermeerderd met een enkelvoudige rente, waarvan het percentage gelijk is aan dat van de wettelijke rente, over een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende kosten zijn gemaakt.
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing, voorzover de vennootschap in het kader van een opsporingsovereenkomst de in [artikel 94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde kosten reeds heeft voldaan.
1. [Artikel 90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing.
2. Voorts wordt in de overeenkomst een bepaling opgenomen die de vennootschap ertoe verplicht aan de vergunninghouder terstond te vergoeden 40% van het bedrag, bedoeld in [artikel 94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-03-27&g=2026-03-27), vermeerderd met een enkelvoudige rente, waarvan het percentage gelijk is aan dat van de wettelijke rente, over een tijdvak van ten hoogste vijf jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de desbetreffende kosten zijn gemaakt.
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing, voorzover de vennootschap in het kader van een opsporingsovereenkomst de in [artikel 94, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde kosten reeds heeft voldaan.
##### Artikel 97
1. [Artikel 91, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
2. Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in [artikel 22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01), elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
1. [Artikel 91, onderdelen a en b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=91&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
2. Voorts worden in de overeenkomst bepalingen opgenomen die ertoe strekken dat een gezamenlijk besluit van de vergunninghouder en de vennootschap, waarbij de vennootschap en, als de vergunning door meerdere personen gehouden wordt, de persoon, bedoeld in [artikel 22, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27), elk een beslissende stem hebben, vereist is voor:
- 1°. het jaarlijkse investerings- en financieringsplan;
@@ -1450,7 +1450,7 @@
2. De houder van een opslagvergunning is jaarlijks een afdracht verschuldigd aan de staat, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de omvang van of de voordelen behaald met het opslaan en de daarmee samenhangende activiteiten.
3. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste of tweede lid die een terrein binnen een provincie in gebruik heeft, waarbinnen voor het winnen of het opslaan benodigde mijnbouwwerken aanwezig zijn, is een eenmalige afdracht verschuldigd aan de provincie, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de regeling in [afdeling 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste of tweede lid die een terrein binnen een provincie in gebruik heeft, waarbinnen voor het winnen of het opslaan benodigde mijnbouwwerken aanwezig zijn, is een eenmalige afdracht verschuldigd aan de provincie, voorzover dit in aan de vergunning verbonden voorschriften is bepaald. De afdracht wordt afgestemd op de regeling in [afdeling 5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
4. Indien de vergunning wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, wordt in aan de vergunning te verbinden voorschriften bepaald in hoeverre ieder van deze personen een afdracht als bedoeld in het eerste tot en met derde lid verschuldigd is.
@@ -1464,13 +1464,13 @@
##### Artikel 101
1. Indien een afdracht als bedoeld in [artikel 98, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=98&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht.
1. Indien een afdracht als bedoeld in [artikel 98, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=98&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aan de staat of een vooruitbetaling op een afdracht als bedoeld in artikel 98, eerste lid, op een later tijdstip op een ander bedrag wordt vastgesteld, wordt bij die latere vaststelling de rentederving in rekening gebracht die voor de betrokkene of voor de staat uit die latere vaststelling voortvloeit. Daarbij wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht.
2. Aan de betrokkene wordt een enkelvoudige rente in rekening gebracht over het bedrag waarvoor overeenkomstig [artikel 25 van de Invorderingswet 1990](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0004770&artikel=25) uitstel van betaling is verleend. De rente wordt berekend over het tijdvak waarvoor uitstel is verleend.
3. Het percentage van de rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is gelijk aan het percentage van de belastingrente, bedoeld in [artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&artikel=30hb).
4. Een rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is aan de staat verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de vaststelling aan de betrokkene bekend is gemaakt. [Artikel 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=100&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling en de invordering van deze rente.
4. Een rente, bedoeld in het eerste en het tweede lid, is aan de staat verschuldigd met ingang van de dag na die waarop de vaststelling aan de betrokkene bekend is gemaakt. [Artikel 100](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&artikel=100&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de betaling en de invordering van deze rente.
### Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
@@ -1498,7 +1498,7 @@
##### Artikel 104
Dit hoofdstuk is niet van toepassing ten aanzien van vergunningen als bedoeld in de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=24&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [24c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24c&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Dit hoofdstuk is niet van toepassing ten aanzien van vergunningen als bedoeld in de [artikelen 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=24&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [24c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24c&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
### Hoofdstuk 5. Financiële bepalingen
@@ -1516,9 +1516,9 @@
3. Onze Minister vraagt in elk geval advies aan de Mijnraad inzake door hem te geven beschikkingen inzake:
- a. de verlening of intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. een instemming met een winningsplan als bedoeld in [artikel 34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat;
- a. de verlening of intrekking van een vergunning als bedoeld in [artikel 6, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27), of [25, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. een instemming met een winningsplan als bedoeld in [artikel 34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat;
- c. een besluit tot wijziging van een instemming met een winningsplan en een besluit tot instemming met een gewijzigd of geactualiseerd winningsplan, voor zover het winnen van delfstoffen niet geschiedt in het continentaal plat, tenzij de wijziging of actualisatie van ondergeschikte aard is omdat deze naar het oordeel van Onze Minister niet leidt tot een andere beoordeling van:
@@ -1614,7 +1614,7 @@
##### Artikel 123
1. Degene die activiteiten verricht waarop het bij en krachtens [artikel 49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [artikel 51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=51&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bepaalde van toepassing is verstrekt aan Onze Minister de op grond van het vijfde lid bepaalde gegevens, voorzover de betrokkene in verband met die activiteiten in het bezit van deze gegevens is gekomen.
1. Degene die activiteiten verricht waarop het bij en krachtens [artikel 49, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=49&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [artikel 51, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=51&z=2026-03-27&g=2026-03-27), of [52, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bepaalde van toepassing is verstrekt aan Onze Minister de op grond van het vijfde lid bepaalde gegevens, voorzover de betrokkene in verband met die activiteiten in het bezit van deze gegevens is gekomen.
2. Onze Minister kan de verstrekte gegevens, of een deel van die gegevens, doen beheren door door hem daartoe aan te wijzen instellingen, welke hem desgevraagd mede van advies dienen aan de hand van die gegevens.
@@ -1646,7 +1646,7 @@
2. Onze Minister zendt het in het eerste lid bedoelde verslag tevens aan de beide kamers der Staten-Generaal en en geeft in de Staatscourant kennis van de terinzagelegging van het verslag.
3. Onze Minister zendt aan de Europese Commissie om de drie jaar een verslag over het register, bedoeld in [artikel 31m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31m&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en andere door de Commissie opgevraagde informatie.
3. Onze Minister zendt aan de Europese Commissie om de drie jaar een verslag over het register, bedoeld in [artikel 31m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31m&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en andere door de Commissie opgevraagde informatie.
##### Artikel 125
@@ -1668,7 +1668,7 @@
- e. de bestaande en toekomstige faciliteiten voor de ondergrondse opslag van aardgas;
- f. de winningsplannen, als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die zijn ingediend en waarvoor de instemming van Onze Minister is gegeven.
- f. de winningsplannen, als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die zijn ingediend en waarvoor de instemming van Onze Minister is gegeven.
### Hoofdstuk 7. Rapportage
@@ -1686,7 +1686,7 @@
- a. het uitoefenen van:
- 1°. het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, met uitzondering van het bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bepaalde met uitzondering van [artikel 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&artikel=111&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- 1°. het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, met uitzondering van het bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bepaalde met uitzondering van [artikel 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&artikel=111&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- 2°. het toezicht op de naleving van de bij of krachtens een andere wet gestelde regels waarvoor ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen zijn aangewezen als toezichthouders, en
@@ -1700,9 +1700,9 @@
- e. gevraagd en ongevraagd adviezen te verstrekken naar aanleiding van het toezicht op de naleving, de risicobeoordelingen en het onderzoek;
- f. het rapport inzake grote gevaren te beoordelen voor een instemming als bedoeld in de [artikelen 45b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45e&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.2&artikel=45f&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [45i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.2&artikel=45i&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- g. kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-01-01&g=2026-01-01), te beoordelen;
- f. het rapport inzake grote gevaren te beoordelen voor een instemming als bedoeld in de [artikelen 45b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45e&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.2&artikel=45f&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [45i, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.2&artikel=45i&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- g. kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-03-27&g=2026-03-27), te beoordelen;
- h. een mechanisme op te zetten voor vertrouwelijke melding van veiligheids- en milieukwesties met betrekking tot activiteiten die zien op de opsporing of winning van koolwaterstoffen en het onderzoeken van deze meldingen;
@@ -1712,9 +1712,9 @@
- k. informatie te publiceren overeenkomstig artikel 24 van richtlijn 2013/30/EU.
2. De inspecteur-generaal der mijnen stelt na elke inspectie, verricht in het kader van [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) een verslag op over de naleving van de voorschriften en de voorgeschreven maatregelen. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en binnen twee maanden na de inspectie openbaar gemaakt.
3. De inspecteur-generaal der mijnen stelt bij een zwaar ongeval als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=33&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een onderzoek in en dient een samenvatting van de bevindingen in bij de Europese Commissie en Onze Minister.
2. De inspecteur-generaal der mijnen stelt na elke inspectie, verricht in het kader van [paragraaf 3.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27) een verslag op over de naleving van de voorschriften en de voorgeschreven maatregelen. Het verslag wordt ter kennis gebracht van de betrokken houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en binnen twee maanden na de inspectie openbaar gemaakt.
3. De inspecteur-generaal der mijnen stelt bij een zwaar ongeval als bedoeld in [artikel 33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=33&z=2026-03-27&g=2026-03-27), een onderzoek in en dient een samenvatting van de bevindingen in bij de Europese Commissie en Onze Minister.
4. De inspecteur-generaal der mijnen draagt er zorg voor dat de aanbevelingen naar aanleiding van de bevindingen, bedoeld in het derde lid, worden uitgevoerd, voor zover deze binnen diens bevoegdheid vallen.
@@ -1722,21 +1722,21 @@
1. De inspecteur-generaal der mijnen brengt jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister verslag uit over de werkzaamheden van het Staatstoezicht op de mijnen in het afgelopen jaar. De inspecteur-generaal der mijnen kan voorzien in verslaglegging op andere momenten waarop de inspecteur-generaal dat nodig oordeelt.
2. De inspecteur-generaal der mijnen doet in het verslag de aanbevelingen die hij wenselijk acht met het oog op een doelmatige en voortvarende uitvoering in de toekomst van de in [artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.1&artikel=127&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde activiteiten.
2. De inspecteur-generaal der mijnen doet in het verslag de aanbevelingen die hij wenselijk acht met het oog op een doelmatige en voortvarende uitvoering in de toekomst van de in [artikel 127](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.1&artikel=127&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde activiteiten.
3. Onze Minister zendt het verslag alsmede een schriftelijke reactie daarop aan de Staten-Generaal.
4. De inspecteur-generaal der mijnen dient jaarlijks voor een bij ministeriële regeling vast te stellen datum, aan Onze Minister een jaarplan in, waarin de plannen worden uitgewerkt voor een effectief toezicht gebaseerd op risicobeheer en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de naleving van de verplichtingen, genoemd in [§ 4.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. De inspecteur-generaal der mijnen dient jaarlijks voor een bij ministeriële regeling vast te stellen datum, aan Onze Minister een jaarplan in, waarin de plannen worden uitgewerkt voor een effectief toezicht gebaseerd op risicobeheer en waarin bijzondere aandacht wordt besteed aan de naleving van de verplichtingen, genoemd in [§ 4.1a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 129
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van het bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen, voorzover niet op grond van [artikel 131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.2&artikel=131&z=2026-01-01&g=2026-01-01) het toezicht aan anderen is opgedragen.
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van het bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bepaalde, zijn belast de bij besluit van Onze Minister daartoe aangewezen ambtenaren van het Staatstoezicht op de mijnen, voorzover niet op grond van [artikel 131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.2&artikel=131&z=2026-03-27&g=2026-03-27) het toezicht aan anderen is opgedragen.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
##### Artikel 130
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en op welke wijze de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, wordt verplicht de in de [artikelen 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.1&artikel=129&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.2&artikel=131&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden:
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald in welke gevallen en op welke wijze de houder van een vergunning als bedoeld in [artikel 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27) dan wel degene die een verkenningsonderzoek uitvoert of voornemens is uit te voeren, wordt verplicht de in de [artikelen 129](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.1&artikel=129&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [131](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.2&artikel=131&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde ambtenaren bij de uitoefening van hun bevoegdheden:
- a. met inbegrip van hun uitrusting, te vervoeren naar door deze ambtenaren aan te duiden plaatsen waar met gebruikmaking van de vergunning activiteiten worden of zullen worden uitgevoerd dan wel waar een verkenningsonderzoek wordt of zal worden uitgevoerd;
@@ -1748,7 +1748,7 @@
##### Artikel 131
1. Bij besluit van Onze Minister kunnen andere ambtenaren worden aangewezen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet met uitzondering van het bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bepaalde, voorzover het toezicht bepaalde in het besluit aangegeven gevallen betreft.
1. Bij besluit van Onze Minister kunnen andere ambtenaren worden aangewezen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet met uitzondering van het bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bepaalde, voorzover het toezicht bepaalde in het besluit aangegeven gevallen betreft.
2. Onze Minister wijst ambtenaren die onder een van Onze andere Ministers ressorteren niet aan, dan in overeenstemming met Onze Minister wie het aangaat.
@@ -1758,7 +1758,7 @@
##### Artikel 132
De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens de [artikelen 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=48&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zijn gesteld met uitzondering van [artikel 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&artikel=111&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en is bevoegd tot uitoefening van de taken en bevoegdheden als bedoeld in [artikel 18.5a van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.5a).
De inspecteur-generaal der mijnen is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen die bij of krachtens de [artikelen 47, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [48, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=48&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en de [hoofdstukken 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [9](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), zijn gesteld met uitzondering van [artikel 111](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&artikel=111&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en is bevoegd tot uitoefening van de taken en bevoegdheden als bedoeld in [artikel 18.5a van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=18.5a).
##### Artikel 133
@@ -1770,11 +1770,11 @@
- 2°. adviseren over of instemmen met activiteiten inzake een mijnbouwwerk, het beoordelen van een melding of het beoordelen van gegevens en bescheiden die zijn verstrekt voor een activiteit inzake een mijnbouwwerk;
- b. de door de inspecteur-generaal uit te voeren taken als bedoeld in [artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.1&artikel=127&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met dien verstande dat een vergoeding niet in rekening wordt gebracht voor:
- b. de door de inspecteur-generaal uit te voeren taken als bedoeld in [artikel 127, eerste lid, onderdelen a tot en met g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.1&artikel=127&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met dien verstande dat een vergoeding niet in rekening wordt gebracht voor:
- 1°. advisering en onderzoek dat wordt uitgevoerd voor een ander doel dan een advies aan of het toezicht op een besluit van Onze Minister, respectievelijk de inspecteur generaal der mijnen, over handelingen als bedoeld in onderdeel a, onder 1° en 2°;
- 2°. het vaststellen van een besluit als bedoeld in [artikel 132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.3&artikel=132&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
- 2°. het vaststellen van een besluit als bedoeld in [artikel 132](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=8¶graaf=8.3&artikel=132&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de vergoeding.
@@ -1792,7 +1792,7 @@
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- a. **mijnbouwactiviteiten:** activiteiten als bedoeld in de [artikelen 1, onderdeel d tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=51&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- a. **mijnbouwactiviteiten:** activiteiten als bedoeld in de [artikelen 1, onderdeel d tot en met i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [51](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=51&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. **mijnbouwondernemer:** natuurlijke persoon of rechtspersoon die mijnbouwactiviteiten verricht;
@@ -1858,7 +1858,7 @@
##### Artikel 138
Indien zich een van de gebeurtenissen, genoemd in [artikel 137, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=137&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voordoet, dient de persoon, bedoeld in de aanhef van dat artikel, een aanvraag voor een schadeadvies in:
Indien zich een van de gebeurtenissen, genoemd in [artikel 137, onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=137&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voordoet, dient de persoon, bedoeld in de aanhef van dat artikel, een aanvraag voor een schadeadvies in:
- a. uiterlijk drie maanden na het moment waarop de desbetreffende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, of,
@@ -1866,7 +1866,7 @@
##### Artikel 139
1. De persoon, bedoeld in [artikel 137](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=137&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dient zijn verzoek bij Onze Minister voor het waarborgfonds in uiterlijk drie maanden na ontvangst van het schadeadvies en overlegt daarbij in ieder geval dat advies.
1. De persoon, bedoeld in [artikel 137](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=137&z=2026-03-27&g=2026-03-27), dient zijn verzoek bij Onze Minister voor het waarborgfonds in uiterlijk drie maanden na ontvangst van het schadeadvies en overlegt daarbij in ieder geval dat advies.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de indiening en de behandeling van, alsmede de beslissing op het verzoek.
@@ -1884,9 +1884,9 @@
##### Artikel 142
1. Ten aanzien van een besluit omtrent instemming met een winningsplan is [hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=20) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat [artikel 20.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=20.3) niet van toepassing is op een winningsplan voor zover het winnen van delfstoffen geschiedt vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent instemming met opslagplan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Op het beroep tegen besluiten op grond van de [afdelingen 5.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.4&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is [hoofdstuk V, afdelingen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=2) en [4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=4) van overeenkomstige toepassing.
1. Ten aanzien van een besluit omtrent instemming met een winningsplan is [hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=20) van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat [artikel 20.3 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=20.3) niet van toepassing is op een winningsplan voor zover het winnen van delfstoffen geschiedt vanuit een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij deze wet vastgelegde lijn. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een besluit omtrent instemming met opslagplan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Op het beroep tegen besluiten op grond van de [afdelingen 5.1.1](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [5.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [5.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.3&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [5.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.4&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [5.5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.5&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is [hoofdstuk V, afdelingen 2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=2) en [4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002320&afdeling=4) van overeenkomstige toepassing.
### Hoofdstuk 11. Overgangsbepalingen
@@ -1912,7 +1912,7 @@
3. De voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, gaan gelden als aan de opsporingsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften. De voorwaarden, beperkingen of voorschriften, verbonden aan een besluit als bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met d, gaan gelden als aan de winningsvergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
4. In afwijking van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is de houder van een vergunning die ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, als een winningsvergunning wordt beschouwd, voor het tijdvak waarvoor de vergunning geldt eigenaar van de mijn waarop zij betrekking heeft. Als een overeenkomst met de vennootschap tot stand is gekomen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-01-01&g=2026-01-01), geldt dat tweede lid voor de vennootschap onverminderd, zodra de delfstoffen zijn gewonnen, tenzij in de overeenkomst een verdeling van de financiële opbrengst is overeengekomen.
4. In afwijking van [artikel 3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is de houder van een vergunning die ingevolge het tweede lid, aanhef en onderdeel a of b, als een winningsvergunning wordt beschouwd, voor het tijdvak waarvoor de vergunning geldt eigenaar van de mijn waarop zij betrekking heeft. Als een overeenkomst met de vennootschap tot stand is gekomen als bedoeld in [artikel 3, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=3&z=2026-03-27&g=2026-03-27), geldt dat tweede lid voor de vennootschap onverminderd, zodra de delfstoffen zijn gewonnen, tenzij in de overeenkomst een verdeling van de financiële opbrengst is overeengekomen.
5. Als mijnbouwmilieuvergunning wordt beschouwd:
@@ -1920,29 +1920,29 @@
- b. een vergunning verleend krachtens [artikel 30a van het Mijnreglement continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002564&artikel=30a).
6. In afwijking van het vijfde lid wordt de goedkeuring of de vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarop bij de inwerkingtreding van deze wet [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8) van toepassing is, niet beschouwd als een mijnbouwmilieuvergunning maar als een milieuvergunning als bedoeld in dat hoofdstuk. Deze milieuvergunning wordt, indien [artikel 153, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=153&z=2026-01-01&g=2026-01-01), op de inrichting van toepassing is, samen met de in dat lid bedoelde milieuvergunning als één milieuvergunning beschouwd.
6. In afwijking van het vijfde lid wordt de goedkeuring of de vergunning die betrekking heeft op een inrichting waarop bij de inwerkingtreding van deze wet [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8) van toepassing is, niet beschouwd als een mijnbouwmilieuvergunning maar als een milieuvergunning als bedoeld in dat hoofdstuk. Deze milieuvergunning wordt, indien [artikel 153, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=153&z=2026-03-27&g=2026-03-27), op de inrichting van toepassing is, samen met de in dat lid bedoelde milieuvergunning als één milieuvergunning beschouwd.
7. De beperkingen of voorschriften die aan een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in het vijfde lid zijn verbonden, gaan gelden als aan de mijnbouwmilieuvergunning of aan de milieuvergunning verbonden beperkingen of voorschriften.
8. Een houder van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen, die met toepassing van [artikel 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient in afwijking van artikel 20, tweede lid, tevens een aanvraag in tot afsplitsing van dat deel van die vergunning. Bij een afsplitsing wordt de vergunning uitsluitend gewijzigd door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander en wordt aan deze vergunninghouder voor het afgesplitste gebiedsdeel een winningsvergunning verleend die niet als een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt beschouwd.
8. Een houder van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen, die met toepassing van [artikel 20, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-03-27&g=2026-03-27), een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient in afwijking van artikel 20, tweede lid, tevens een aanvraag in tot afsplitsing van dat deel van die vergunning. Bij een afsplitsing wordt de vergunning uitsluitend gewijzigd door van het gebied waarop die vergunning betrekking heeft, af te splitsen een gebiedsdeel dat de vergunninghouder wil doen overgaan op een ander en wordt aan deze vergunninghouder voor het afgesplitste gebiedsdeel een winningsvergunning verleend die niet als een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt beschouwd.
9. Aan de winningsvergunning voor het afgesplitste gebiedsdeel worden de beperkingen en voorschriften verbonden die zijn verbonden aan de winningsvergunning waarvan dat gebiedsdeel is afgesplitst, voor zover dit verenigbaar is met het bij en krachtens de wet bepaalde.
10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het afsplitsen van een winningsvergunning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, die voor 1965 is verleend voor het winnen van koolwaterstoffen met betrekking tot de bepaling van het af te splitsen gebied en het aan de afsplitsing aanpassen van beperkingen die zijn gesteld of voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden, mede met het oog op het planmatig beheer of gebruik van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
11. Een overeenkomst als bedoeld in [artikel 147, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=147&z=2026-01-01&g=2026-01-01), blijft door een afsplitsing van een winningsvergunning, ongewijzigd in stand voor het gebied waarop de winningsvergunning waarvan een deel is afgesplitst betrekking heeft en vervalt voor het afgesplitste gebiedsdeel op het tijdstip dat de daarvoor verleende winningsvergunning in werking treedt.
11. Een overeenkomst als bedoeld in [artikel 147, eerste en tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=147&z=2026-03-27&g=2026-03-27), blijft door een afsplitsing van een winningsvergunning, ongewijzigd in stand voor het gebied waarop de winningsvergunning waarvan een deel is afgesplitst betrekking heeft en vervalt voor het afgesplitste gebiedsdeel op het tijdstip dat de daarvoor verleende winningsvergunning in werking treedt.
12. Een afsplitsing van een winningsvergunning en een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, treden niet eerder in werking dan op het tijdstip waarop de voor het afgesplitste gebiedsdeel verleende winningsvergunning onherroepelijk op een ander overgaat.
13. Op een houder van een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, is ten aanzien van die vergunning het vierde lid van overeenkomstige toepassing en is [paragraaf 5.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) niet van toepassing.
13. Op een houder van een voor een afgesplitst gebiedsdeel verleende winningsvergunning, is ten aanzien van die vergunning het vierde lid van overeenkomstige toepassing en is [paragraaf 5.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&z=2026-03-27&g=2026-03-27) niet van toepassing.
##### Artikel 144
Als winningsplan als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.
Als winningsplan als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) geldt een door Onze Minister goedgekeurd winningsplan als bedoeld in artikel 5.2 van de Regeling vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996.
##### Artikel 145
1. Gedurende een in het tweede lid genoemde termijn kan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het winnen van delfstoffen zonder een in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemd winningsplan worden voortgezet.
1. Gedurende een in het tweede lid genoemde termijn kan na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet het winnen van delfstoffen zonder een in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemd winningsplan worden voortgezet.
2. De termijn voor voortzetting van het winnen van delfstoffen is ten hoogste:
@@ -1950,39 +1950,39 @@
- b. voor ander dan onder a genoemd gebied: twaalf maanden.
3. Indien een houder van een andere dan in [artikel 144](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=144&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde winningsvergunning voor de afloop van de voor hem geldende termijn een winningsplan als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de afloop de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat, kan de winning in elk geval worden voortgezet tot het laatstbedoelde tijdstip.
3. Indien een houder van een andere dan in [artikel 144](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=144&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde winningsvergunning voor de afloop van de voor hem geldende termijn een winningsplan als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bij Onze Minister heeft ingediend en niet voor de afloop de beslissing van Onze Minister onherroepelijk vaststaat, kan de winning in elk geval worden voortgezet tot het laatstbedoelde tijdstip.
##### Artikel 146
1. De beperkingen of voorschriften die op grond van [artikel 143, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aan een vergunning zijn verbonden, gelden niet voorzover zij betreffen de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst in verband met het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen. De eerste volzin is niet van toepassing op concessies die zijn verleend voor 1962. In dat geval is [afdeling 5.1.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van [paragraaf 5.1.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01), welke paragraaf van overeenkomstige toepassing is, niet van toepassing. De beperkingen en voorschriften gelden eveneens niet voorzover zij een uitkering aan gemeenten in verband met het winnen van koolwaterstoffen betreffen.
2. Onze Minister kan de beperkingen of voorschriften die op grond van [artikel 143, derde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen of intrekken, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
3. Onze Minister kan ten aanzien van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01) die wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bedoelde persoon aanwijzen. Zolang geen aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt als de aangewezen persoon beschouwd degene die de feitelijke werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent. In dat geval is [artikel 22, achtste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01), niet van toepassing.
4. [Paragraaf 5.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is niet van toepassing op een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), behoudens toepassing van [artikel 97b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97b&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Indien aan een vergunning als bedoeld in de eerste volzin het voorschrift is verbonden dat de in de vergunning aangewezen vennootschap verzet kan aantekenen tegen een besluit van de vergunninghouder, treedt [artikel 97a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor dit voorschrift in de plaats. Indien toepassing is gegeven aan het slot van de eerste volzin en aan de desbetreffende winningsvergunning voorschriften zijn verbonden omtrent deelneming door een in die vergunning aangewezen vennootschap, vervallen op het tijdstip waarop de mijnbouwovereenkomst tot stand is gebracht en goedgekeurd die voorschriften en treedt de mijnbouwovereenkomst in de plaats van een op grond van die voorschriften gesloten overeenkomst van samenwerking.
5. Indien de vennootschap op grond van de aan een opsporingsvergunning als bedoeld in [artikel 143, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), onderscheidenlijk een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, verbonden voorschriften een overeenkomst van samenwerking heeft gesloten met de houder van die vergunning, wordt de uitvoering van die overeenkomst aangemerkt als uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 82, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), onderscheidenlijk de taak, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b.
1. De beperkingen of voorschriften die op grond van [artikel 143, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aan een vergunning zijn verbonden, gelden niet voorzover zij betreffen de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst in verband met het opsporen of het winnen van koolwaterstoffen. De eerste volzin is niet van toepassing op concessies die zijn verleend voor 1962. In dat geval is [afdeling 5.1.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van [paragraaf 5.1.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.5&z=2026-03-27&g=2026-03-27), welke paragraaf van overeenkomstige toepassing is, niet van toepassing. De beperkingen en voorschriften gelden eveneens niet voorzover zij een uitkering aan gemeenten in verband met het winnen van koolwaterstoffen betreffen.
2. Onze Minister kan de beperkingen of voorschriften die op grond van [artikel 143, derde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aan een vergunning zijn verbonden, wijzigen of intrekken, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
3. Onze Minister kan ten aanzien van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27) die wordt gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, de in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bedoelde persoon aanwijzen. Zolang geen aanwijzing heeft plaatsgevonden wordt als de aangewezen persoon beschouwd degene die de feitelijke werkzaamheden verricht of daartoe opdracht verleent. In dat geval is [artikel 22, achtste lid, tweede zin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27), niet van toepassing.
4. [Paragraaf 5.2.3](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is niet van toepassing op een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), behoudens toepassing van [artikel 97b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97b&z=2026-03-27&g=2026-03-27). Indien aan een vergunning als bedoeld in de eerste volzin het voorschrift is verbonden dat de in de vergunning aangewezen vennootschap verzet kan aantekenen tegen een besluit van de vergunninghouder, treedt [artikel 97a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) voor dit voorschrift in de plaats. Indien toepassing is gegeven aan het slot van de eerste volzin en aan de desbetreffende winningsvergunning voorschriften zijn verbonden omtrent deelneming door een in die vergunning aangewezen vennootschap, vervallen op het tijdstip waarop de mijnbouwovereenkomst tot stand is gebracht en goedgekeurd die voorschriften en treedt de mijnbouwovereenkomst in de plaats van een op grond van die voorschriften gesloten overeenkomst van samenwerking.
5. Indien de vennootschap op grond van de aan een opsporingsvergunning als bedoeld in [artikel 143, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), onderscheidenlijk een winningsvergunning als bedoeld in artikel 143, tweede lid, verbonden voorschriften een overeenkomst van samenwerking heeft gesloten met de houder van die vergunning, wordt de uitvoering van die overeenkomst aangemerkt als uitvoering van de taak, bedoeld in [artikel 82, eerste lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), onderscheidenlijk de taak, bedoeld in artikel 82, eerste lid, onderdeel b.
##### Artikel 147
1. Bepalingen in een overeenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten tussen de staat en de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of diens rechtsvoorganger, welke overeenkomst samenhangt met de in het eerste of tweede lid van dat artikel bedoelde besluiten, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen voorzover zij in strijd zijn met deze wet.
2. In afwijking van het eerste lid blijven de bepalingen in stand voorzover de overeenkomst samenhangt met een besluit als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), dat is genomen voor 1962 en de bepalingen betrekking hebben op financiële afdrachten aan de staat, waaronder begrepen de aansprakelijkheid voor die afdrachten.
3. Bepalingen in een overeenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten omtrent onderling overleg bij het winnen van delfstoffen uit een voorkomen dat de grens van een vergunningsgebied overschrijdt, worden geacht te zijn gesloten op basis van [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. Bepalingen in een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid omtrent het verwijderen van mijnbouwinstallaties als bedoeld in [artikel 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voorzover deze installaties bij de inwerkingtreding van deze wet nog in gebruik zijn, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen.
1. Bepalingen in een overeenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten tussen de staat en de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of diens rechtsvoorganger, welke overeenkomst samenhangt met de in het eerste of tweede lid van dat artikel bedoelde besluiten, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen voorzover zij in strijd zijn met deze wet.
2. In afwijking van het eerste lid blijven de bepalingen in stand voorzover de overeenkomst samenhangt met een besluit als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), dat is genomen voor 1962 en de bepalingen betrekking hebben op financiële afdrachten aan de staat, waaronder begrepen de aansprakelijkheid voor die afdrachten.
3. Bepalingen in een overeenkomst die voor de inwerkingtreding van deze wet is gesloten omtrent onderling overleg bij het winnen van delfstoffen uit een voorkomen dat de grens van een vergunningsgebied overschrijdt, worden geacht te zijn gesloten op basis van [artikel 42, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
4. Bepalingen in een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid omtrent het verwijderen van mijnbouwinstallaties als bedoeld in [artikel 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voorzover deze installaties bij de inwerkingtreding van deze wet nog in gebruik zijn, komen bij de inwerkingtreding van deze wet te vervallen.
##### Artikel 148
1. In het geval dat een vergunning ingevolge [artikel 143, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), als een winningsvergunning wordt beschouwd en op grond van deze vergunning een vennootschap is opgericht als bedoeld in [artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnwet continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=11), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, worden tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde resultaat gerekend:
1. In het geval dat een vergunning ingevolge [artikel 143, tweede lid, onderdeel c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), als een winningsvergunning wordt beschouwd en op grond van deze vergunning een vennootschap is opgericht als bedoeld in [artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnwet continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=11), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van deze wet, worden tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde resultaat gerekend:
- a. mede de bedragen die ten goede komen aan de vennootschap;
- b. niet de bedragen die de houder van de winningsvergunning heeft ontvangen van de vennootschap, als houder van aandelen of van winstbewijzen van die vennootschap.
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, worden tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedoelde resultaat gerekend:
2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, worden tot het in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedoelde resultaat gerekend:
- a. mede de kosten die voor rekening komen van de vennootschap;
@@ -1990,37 +1990,37 @@
##### Artikel 149
1. Indien de houder van een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of zijn rechtsvoorganger voor de inwerkingtreding van deze wet een overeenkomst met de staat heeft gesloten omtrent het opslaan van stoffen, waarvoor bij de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) een vergunningsplicht geldt, verkrijgt de houder op dat moment van rechtswege een opslagvergunning.
1. Indien de houder van een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of zijn rechtsvoorganger voor de inwerkingtreding van deze wet een overeenkomst met de staat heeft gesloten omtrent het opslaan van stoffen, waarvoor bij de inwerkingtreding van deze wet op grond van [artikel 25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27) een vergunningsplicht geldt, verkrijgt de houder op dat moment van rechtswege een opslagvergunning.
2. Onze Minister stelt binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet de bij de vergunning behorende beperkingen en voorschriften vast. De beperkingen en voorschriften worden afgestemd op de in het eerste lid bedoelde overeenkomst. De overeenkomst vervalt op het tijdstip waarop de beperkingen en voorschriften onherroepelijk van kracht worden.
3. [Artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01), alsmede [hoofdstuk 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn niet van toepassing op de houder van een winningsvergunning als bedoeld in het eerste lid.
3. [Artikel 26, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27), alsmede [hoofdstuk 3a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn niet van toepassing op de houder van een winningsvergunning als bedoeld in het eerste lid.
##### Artikel 150
1. Ten aanzien van een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid, aanhef en onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt [artikel 21, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of [artikel 32b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&artikel=32b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) slechts toegepast tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling.
2. Een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die in de plaats komt van een in dat lid bedoeld besluit dat is genomen voor 1 januari 1965, vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, indien gedurende vijf jaren voor die inwerkingtreding geen opsporing of winning heeft plaatsgevonden.
1. Ten aanzien van een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid, aanhef en onderdeel a of b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt [artikel 21, eerste lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-03-27&g=2026-03-27), of [artikel 32b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&artikel=32b&z=2026-03-27&g=2026-03-27) slechts toegepast tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling.
2. Een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die in de plaats komt van een in dat lid bedoeld besluit dat is genomen voor 1 januari 1965, vervalt twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, indien gedurende vijf jaren voor die inwerkingtreding geen opsporing of winning heeft plaatsgevonden.
3. Het tweede lid geldt niet, indien de houder binnen de in dat lid bedoelde termijn van twee jaar aan Onze Minister kenbaar heeft gemaakt houder van de winningsvergunning te willen blijven.
##### Artikel 151
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van opsporingsvergunningen, winningsvergunningen, milieuvergunningen of mijnbouwmilieuvergunningen als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en ten aanzien van activiteiten die met gebruikmaking van die vergunningen worden verricht. De regels zijn gericht op een goede invoering van de wet ten aanzien van die vergunningen. De regels kunnen afwijken van de bij of krachtens de [hoofdstukken 1 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=7&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01) gestelde bepalingen, indien dit voor een goede invoering van de wet noodzakelijk is, gelet op de door die bepalingen beschermde belangen. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld omtrent het wijzigen of intrekken van beperkingen of voorschriften die op grond van [artikel 143, derde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aan de vergunning zijn verbonden, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ten aanzien van opsporingsvergunningen, winningsvergunningen, milieuvergunningen of mijnbouwmilieuvergunningen als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en ten aanzien van activiteiten die met gebruikmaking van die vergunningen worden verricht. De regels zijn gericht op een goede invoering van de wet ten aanzien van die vergunningen. De regels kunnen afwijken van de bij of krachtens de [hoofdstukken 1 tot en met 5](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [7](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=7&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [11](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27) gestelde bepalingen, indien dit voor een goede invoering van de wet noodzakelijk is, gelet op de door die bepalingen beschermde belangen. Bij de maatregel worden in ieder geval regels gesteld omtrent het wijzigen of intrekken van beperkingen of voorschriften die op grond van [artikel 143, derde of zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aan de vergunning zijn verbonden, voorzover over het onderwerp hiervan regels zijn gesteld ter bescherming van de door de beperkingen en voorschriften beschermde belangen.
##### Artikel 152
1. Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in [artikel 143, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt beschouwd als een aanvraag om een opsporingsvergunning.
2. Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt beschouwd als een aanvraag om een winningsvergunning.
3. Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in [artikel 143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt beschouwd als een aanvraag om een mijnbouwmilieuvergunning of een milieuvergunning overeenkomstig de toedeling in artikel 143, vijfde en zesde lid.
1. Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in [artikel 143, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt beschouwd als een aanvraag om een opsporingsvergunning.
2. Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een besluit als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt beschouwd als een aanvraag om een winningsvergunning.
3. Een voor de inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvraag om een goedkeuring of een vergunning als bedoeld in [artikel 143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt beschouwd als een aanvraag om een mijnbouwmilieuvergunning of een milieuvergunning overeenkomstig de toedeling in artikel 143, vijfde en zesde lid.
##### Artikel 153
1. Degene die bij de inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt, waarvoor voor dat tijdstip geen goedkeuring of vergunning als bedoeld in [artikel 143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), noodzakelijk was en waarvoor op dat tijdstip het verbod, bedoeld in [artikel 40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=40&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een mijnbouwmilieuvergunning voor het mijnbouwwerk.
2. Degene die bij de inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt, waarvoor voor dat tijdstip het in [artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1) vervatte verbod niet gold noch een goedkeuring of vergunning als bedoeld in [artikel 143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), noodzakelijk was en waarvoor het verbod op dat tijdstip is gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de desbetreffende inrichting.
1. Degene die bij de inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt, waarvoor voor dat tijdstip geen goedkeuring of vergunning als bedoeld in [artikel 143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), noodzakelijk was en waarvoor op dat tijdstip het verbod, bedoeld in [artikel 40, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=40&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een mijnbouwmilieuvergunning voor het mijnbouwwerk.
2. Degene die bij de inwerkingtreding van deze wet een mijnbouwwerk in stand houdt, waarvoor voor dat tijdstip het in [artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1) vervatte verbod niet gold noch een goedkeuring of vergunning als bedoeld in [artikel 143, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), noodzakelijk was en waarvoor het verbod op dat tijdstip is gaan gelden, verkrijgt op dat tijdstip van rechtswege een milieuvergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de desbetreffende inrichting.
3. Een vergunning als bedoeld in [artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=8.1) die van kracht was voor de inwerkingtreding van deze wet voor een inrichting waarop wat betreft het ondergrondse deel [hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&hoofdstuk=8) niet van toepassing was op grond van [artikel 22.1, eerste lid, onderdeel a, van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0003245&artikel=22.1), wordt geacht vanaf dat tijdstip ook te zijn verleend voor het ondergrondse deel.
@@ -2028,37 +2028,37 @@
##### Artikel 154
Een veiligheidszone ingesteld krachtens [artikel 27 van de Mijnwet continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=27), en een toestemming verleend krachtens [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=28), worden beschouwd als een veiligheidszone en een ontheffing als bedoeld in [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=43&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Een veiligheidszone ingesteld krachtens [artikel 27 van de Mijnwet continentaal plat](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=27), en een toestemming verleend krachtens [artikel 28 van die wet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002504&artikel=28), worden beschouwd als een veiligheidszone en een ontheffing als bedoeld in [artikel 43](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=43&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 155
1. Op verplichtingen tot betaling van een geldsom die zijn ontstaan onder de werking van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde wetten, blijft na de inwerkingtreding van deze wet het recht van toepassing zoals dat op grond van die wetten gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet.
2. In afwijking van het eerste lid is [paragraaf 5.1.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.5&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vanaf de inwerkingtreding van deze wet van overeenkomstige toepassing op de betaling van een bonus, een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst op grond van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde wetten.
1. Op verplichtingen tot betaling van een geldsom die zijn ontstaan onder de werking van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde wetten, blijft na de inwerkingtreding van deze wet het recht van toepassing zoals dat op grond van die wetten gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet.
2. In afwijking van het eerste lid is [paragraaf 5.1.1.5.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.5&z=2026-03-27&g=2026-03-27) vanaf de inwerkingtreding van deze wet van overeenkomstige toepassing op de betaling van een bonus, een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst op grond van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde wetten.
##### Artikel 156
Voor de toepassing van [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt tot het resultaat niet gerekend afschrijving op de koopsom ter zake van een voor de inwerkingtreding van deze wet overgenomen winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat.
Voor de toepassing van [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt tot het resultaat niet gerekend afschrijving op de koopsom ter zake van een voor de inwerkingtreding van deze wet overgenomen winningsvergunning, voorzover deze koopsom de door de overdrager van die vergunning nog niet reeds ten laste van een winst- en verliesrekening gebrachte kosten te boven gaat.
##### Artikel 157
Voorzover als gevolg van afschrijving op niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet en voordat de winningsvergunning is verleend, het resultaat van een geconsolideerde winst- en verliesrekening aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde negatief is, wordt voor de toepassing van [artikel 66, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
Voorzover als gevolg van afschrijving op niet reeds ten laste van een andere winst- en verliesrekening gebrachte kosten, gemaakt voor de inwerkingtreding van deze wet en voordat de winningsvergunning is verleend, het resultaat van een geconsolideerde winst- en verliesrekening aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde negatief is, wordt voor de toepassing van [artikel 66, tweede en derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
##### Artikel 158
1. Voor de toepassing van [artikel 66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), op voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen, wordt het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, tweede lid, telkenjare berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
1. Voor de toepassing van [artikel 66, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), op voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen, wordt het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in artikel 66, tweede lid, telkenjare berekend alsof consolidatie slechts heeft plaatsgevonden van resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
2. Nog te compenseren voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde, worden slechts verrekend met de over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het eerste lid berekende geconsolideerde resultaten behaald aan de zeezijde respectievelijk aan de landzijde.
3. Indien het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet negatief is, wordt dit verlies met inachtneming van de wettelijke termijn, bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20), slechts verrekend met het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet.
3. Indien het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet negatief is, wordt dit verlies met inachtneming van de wettelijke termijn, bedoeld in [artikel 20, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002672&artikel=20), slechts verrekend met het resultaat van de geconsolideerde winst- en verliesrekening, bedoeld in [artikel 66, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), over een der jaren na de inwerkingtreding van deze wet.
4. Waar in dit artikel wordt gesproken over voor de inwerkingtreding van deze wet geleden verliezen wordt hieronder verstaan een negatief resultaat van een met inachtneming van de destijds toepasselijke voorschriften opgemaakte winst- en verliesrekening over een voor de inwerkingtreding van deze wet gelegen boekjaar.
##### Artikel 159
In afwijking van [artikel 69, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=69&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt het op het eerste boekjaar na inwerkingtreding van deze wet betrekking hebbende verrekenbare bedrag verkregen door het voor het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te passen op het saldo van:
- a. het resultaat van de winst- en verliesrekening, met dien verstande dat daarbij [artikel 68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-01-01&g=2026-01-01), buiten beschouwing wordt gelaten,
In afwijking van [artikel 69, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=69&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt het op het eerste boekjaar na inwerkingtreding van deze wet betrekking hebbende verrekenbare bedrag verkregen door het voor het boekjaar geldende tarief van de vennootschapsbelasting toe te passen op het saldo van:
- a. het resultaat van de winst- en verliesrekening, met dien verstande dat daarbij [artikel 68, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68&z=2026-03-27&g=2026-03-27), buiten beschouwing wordt gelaten,
- b. vermeerderd respectievelijk verminderd met:
@@ -2072,45 +2072,45 @@
##### Artikel 160
1. De overeenkomst, bedoeld in [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=81&z=2026-01-01&g=2026-01-01), betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijke besluit.
2. De percentages, genoemd in de [artikelen 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=88&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
1. De overeenkomst, bedoeld in [artikel 81](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=81&z=2026-03-27&g=2026-03-27), betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijke besluit.
2. De percentages, genoemd in de [artikelen 88](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=88&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [90](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=90&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende opsporingsvergunning een opsporingsvergunning is als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
##### Artikel 161
Overeenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de door Onze Minister aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de houder van een opsporingsvergunning voor het voor hun gezamenlijke rekening verrichten van opsporingswerkzaamheden zijn overeenkomsten als bedoeld in [artikel 81, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=81&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Overeenkomsten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn gesloten tussen de door Onze Minister aangewezen naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en de houder van een opsporingsvergunning voor het voor hun gezamenlijke rekening verrichten van opsporingswerkzaamheden zijn overeenkomsten als bedoeld in [artikel 81, onderdeel d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=81&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 162
1. De overeenkomst, bedoeld in [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=89&z=2026-01-01&g=2026-01-01), betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijk besluit.
2. De percentages, genoemd in de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=95&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=96&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=10&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
1. De overeenkomst, bedoeld in [artikel 89](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=89&z=2026-03-27&g=2026-03-27), betreft slechts een aardgasvoorkomen als bedoeld in artikel IV van het koninklijk besluit van 27 januari 1967 tot uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 24), indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=10&z=2026-03-27&g=2026-03-27), in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het hiervoor genoemde koninklijk besluit.
2. De percentages, genoemd in de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=95&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=96&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bedragen 50 ten aanzien van de overeenkomst, bedoeld in die artikelen, indien de desbetreffende winningsvergunning is verleend op grond van [artikel 10](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=10&z=2026-03-27&g=2026-03-27), in aansluiting op een opsporingsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), die een voortzetting is van een opsporingsvergunning die is verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 februari 1976, houdende uitvoering van artikel 12 van de Mijnwet continentaal plat ten aanzien van opsporings- en winningsvergunningen voor of mede voor aardolie of aardgas (Stb. 102).
##### Artikel 163
Bepalingen in een voor de inwerkingtreding van deze wet gesloten overeenkomst, waarbij een partij zich jegens de staat verbindt om borg te staan voor de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst door de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01) of diens rechtsvoorganger, blijven buiten toepassing voorzover zij betrekking hebben op verplichtingen die zijn ontstaan op grond van deze wet.
Bepalingen in een voor de inwerkingtreding van deze wet gesloten overeenkomst, waarbij een partij zich jegens de staat verbindt om borg te staan voor de betaling van een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst door de houder van een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27) of diens rechtsvoorganger, blijven buiten toepassing voorzover zij betrekking hebben op verplichtingen die zijn ontstaan op grond van deze wet.
##### Artikel 164
1. Voor de bepaling van een oppervlakterecht als bedoeld in [paragraaf 5.1.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met betrekking tot een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt de vergunning geacht van kracht te zijn op het tijdstip waarop het besluit, bedoeld in artikel 143, eerste of tweede lid, waarvoor deze vergunning in de plaats komt, van kracht was.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt over het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding, het oppervlakterecht bepaald op een deel van het recht dat overeenkomstig [paragraaf 5.1.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) vastgesteld zou worden over het jaar van inwerkingtreding. Dit deel wordt bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak vanaf de inwerkingtreding tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding. Het recht is verschuldigd op 1 april na de inwerkingtreding.
3. In een geval als bedoeld in het tweede lid wordt op het verschuldigde recht in mindering gebracht een deel van het oppervlakterecht dat op grond van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde wetten verschuldigd is over een tijdvak dat doorloopt na de inwerkingtreding van deze wet. Dit deel wordt bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak na de inwerkingtreding.
1. Voor de bepaling van een oppervlakterecht als bedoeld in [paragraaf 5.1.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met betrekking tot een opsporingsvergunning of een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt de vergunning geacht van kracht te zijn op het tijdstip waarop het besluit, bedoeld in artikel 143, eerste of tweede lid, waarvoor deze vergunning in de plaats komt, van kracht was.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid wordt over het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van deze wet tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding, het oppervlakterecht bepaald op een deel van het recht dat overeenkomstig [paragraaf 5.1.1.2](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27) vastgesteld zou worden over het jaar van inwerkingtreding. Dit deel wordt bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak vanaf de inwerkingtreding tot de eerste 1 januari na de inwerkingtreding. Het recht is verschuldigd op 1 april na de inwerkingtreding.
3. In een geval als bedoeld in het tweede lid wordt op het verschuldigde recht in mindering gebracht een deel van het oppervlakterecht dat op grond van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde wetten verschuldigd is over een tijdvak dat doorloopt na de inwerkingtreding van deze wet. Dit deel wordt bepaald op het deel dat is toe te rekenen aan het tijdvak na de inwerkingtreding.
##### Artikel 165
De Mijnraad, ingesteld bij de [wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002707), wordt beschouwd als de Mijnraad, bedoeld in [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&artikel=105&z=2026-01-01&g=2026-01-01). De besluiten die zijn genomen op grond van die wet gaan gelden als de overeenkomstige besluiten op grond van paragraaf 6.1.
De Mijnraad, ingesteld bij de [wet van 1 mei 1970, houdende regeling betreffende de Mijnraad (Stb. 196)](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0002707), wordt beschouwd als de Mijnraad, bedoeld in [artikel 105](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=6&artikel=105&z=2026-03-27&g=2026-03-27). De besluiten die zijn genomen op grond van die wet gaan gelden als de overeenkomstige besluiten op grond van paragraaf 6.1.
##### Artikel 166
De bijdrage, bedoeld in [artikel 135, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=135&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is voor het eerst verschuldigd in het jaar dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van deze wet.
De bijdrage, bedoeld in [artikel 135, vierde lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=135&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is voor het eerst verschuldigd in het jaar dat volgt op het jaar van inwerkingtreding van deze wet.
##### Artikel 167
1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat is genomen op grond van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
2. Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat is gemaakt of ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat is genomen op grond van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
2. Ten aanzien van de behandeling van bezwaar of beroep dat is gemaakt of ingesteld tegen een besluit dat is genomen op grond van een van de in [artikel 168](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=12¶graaf=12.1&artikel=168&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde wetten, blijft het recht van toepassing zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet.
### Hoofdstuk 7. Rapportage
@@ -2354,7 +2354,7 @@
##### Artikel 131a
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn binnen hun ambtsgebied belast de bij besluit van gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.
1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [artikel 52](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.3&artikel=52&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn binnen hun ambtsgebied belast de bij besluit van gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren.
2. Gedeputeerde staten wijzen ambtenaren die niet onder hen ressorteren niet aan dan in overeenstemming met het bestuursorgaan onder wie de desbetreffende ambtenaren ressorteren.
@@ -2490,21 +2490,21 @@
##### Artikel 97a
[Artikel 92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=92&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is van overeenkomstige toepassing.
[Artikel 92](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.2&artikel=92&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is van overeenkomstige toepassing.
##### Artikel 97b
1. Indien na toepassing van het slot van de eerste volzin van [artikel 93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-01-01&g=2026-01-01), in een ander voorkomen in het vergunningsgebied koolwaterstoffen worden aangetoond, kan Onze Minister besluiten dat alsnog een overeenkomst als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-01-01&g=2026-01-01) tot stand wordt gebracht. Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op die overeenkomst, met dien verstande dat:
1. Indien na toepassing van het slot van de eerste volzin van [artikel 93, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-03-27&g=2026-03-27), in een ander voorkomen in het vergunningsgebied koolwaterstoffen worden aangetoond, kan Onze Minister besluiten dat alsnog een overeenkomst als bedoeld in [artikel 93](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=93&z=2026-03-27&g=2026-03-27) tot stand wordt gebracht. Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op die overeenkomst, met dien verstande dat:
- a. de overeenkomst slechts betrekking heeft op dit andere voorkomen;
- b. de overeenkomst tot stand komt binnen een jaar na het besluit van Onze Minister.
2. In afwijking van [artikel 146, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=146&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan Onze Minister op verzoek van de vennootschap in overeenstemming met de vergunninghouder besluiten dat deze paragraaf van overeenkomstige toepassing is op een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met dien verstande dat:
2. In afwijking van [artikel 146, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=146&z=2026-03-27&g=2026-03-27), kan Onze Minister op verzoek van de vennootschap in overeenstemming met de vergunninghouder besluiten dat deze paragraaf van overeenkomstige toepassing is op een winningsvergunning als bedoeld in [artikel 143, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=143&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met dien verstande dat:
- a. de mijnbouwovereenkomst tot één of meer voorkomens van koolwaterstoffen in het vergunningsgebied kan worden beperkt;
- b. in de mijnbouwovereenkomst bepalingen kunnen worden opgenomen die afwijken van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=95&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=96&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. in de mijnbouwovereenkomst bepalingen kunnen worden opgenomen die afwijken van de [artikelen 94](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=94&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [95](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=95&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [96](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=96&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [97](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.3&artikel=97&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- c. de overeenkomst tot stand komt binnen een jaar na het besluit van Onze Minister.
@@ -2650,9 +2650,9 @@
3. Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat besluiten tot toepassing van de procedure, bedoeld in het eerste lid, aanhef, voor de aanleg of de uitbreiding van een mijnbouwwerk ten behoeve van de opsporing of winning van koolwaterstoffen in of onder andere gebieden dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien:
- a. een gebied niet geheel is uitgesloten van de opsporing of winning van koolwaterstoffen bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01),
- b. een belang als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zich niet tegen aanleg of uitbreiding in dat gebied verzet,
- a. een gebied niet geheel is uitgesloten van de opsporing of winning van koolwaterstoffen bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27),
- b. een belang als bedoeld in [artikel 9, eerste lid, onderdeel f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), zich niet tegen aanleg of uitbreiding in dat gebied verzet,
- c. het desbetreffende gebied niet geheel of ten dele is gelegen binnen de op grond van [artikel 2.44, eerste lid, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.44) aangewezen Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone,
@@ -2784,9 +2784,9 @@
##### Artikel 26a
1. Onverminderd [artikel 26, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen die met gebruikmaking van die vergunning de geschiktheid van een voorkomen voor permanent opslaan van CO2 heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een opslagvergunning voor het aangetoonde opslagvoorkomen verleend.
2. Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de opslagvergunning, bedoeld in het eerste lid, gerechtvaardigd wordt door één van de in [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=27&z=2026-01-01&g=2026-01-01) genoemde gronden.
1. Onverminderd [artikel 26, zesde en zevende lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen die met gebruikmaking van die vergunning de geschiktheid van een voorkomen voor permanent opslaan van CO2 heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een opslagvergunning voor het aangetoonde opslagvoorkomen verleend.
2. Het eerste lid geldt niet, indien weigering van de opslagvergunning, bedoeld in het eerste lid, gerechtvaardigd wordt door één van de in [artikel 27](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=27&z=2026-03-27&g=2026-03-27) genoemde gronden.
3. Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, blijft de vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, voor zover deze betrekking heeft op het aangevraagde opslagvoorkomen, tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een vergunning voor permanent opslaan van CO2 wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de opslagvergunning geldt, de vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen. Voor zover hierdoor voorschriften vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de opslagvergunning.
@@ -2810,17 +2810,17 @@
3. Van significante activiteiten als bedoeld in het tweede lid is in ieder geval sprake indien:
- a. opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, f respectievelijk i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zijn verricht of binnen een naar het oordeel van Onze Minister redelijke termijn zullen worden verricht;
- b. een winningsplan als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is ingediend;
- c. een opslagplan als bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-01-01&g=2026-01-01) in samenhang met [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is ingediend.
- a. opsporings-, winnings- of opslagactiviteiten als bedoeld in [artikel 1, onderdeel e, f respectievelijk i](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=1&artikel=1&z=2026-03-27&g=2026-03-27), zijn verricht of binnen een naar het oordeel van Onze Minister redelijke termijn zullen worden verricht;
- b. een winningsplan als bedoeld in [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is ingediend;
- c. een opslagplan als bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-03-27&g=2026-03-27) in samenhang met [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is ingediend.
4. Uiterlijk vier maanden na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, of, indien de houder van de vergunning binnen die termijn schriftelijk heeft medegedeeld dat geen activiteiten zijn of zullen worden verricht, uiterlijk vier maanden nadat die mededeling is gedaan, geeft Onze Minister een beschikking omtrent verkleining van een vergunningsgebied. Onze Minister kan beperkingen en voorschriften verbinden aan de beschikking. Indien Onze Minister geen beschikking heeft gegeven binnen de termijn, bedoeld in de eerste volzin, wordt het gebied aangemerkt als niet te zijn verkleind.
##### Artikel 32c
1. Een beschikking als bedoeld in [artikel 32b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&artikel=32b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) wordt zodanig gegeven dat zowel het vergunningsgebied dat na de verkleining resteert, als het deel waarmee het vergunningsgebied wordt verkleind voldoen aan [artikel 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Een beschikking als bedoeld in [artikel 32b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3a&artikel=32b&z=2026-03-27&g=2026-03-27) wordt zodanig gegeven dat zowel het vergunningsgebied dat na de verkleining resteert, als het deel waarmee het vergunningsgebied wordt verkleind voldoen aan [artikel 11, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. In de beschikking wordt in elk geval vermeld:
@@ -2838,7 +2838,7 @@
##### Artikel 39a
Binnen een termijn van twaalf maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk is geworden, dient de houder van de opslagvergunning of de krachtens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) aangewezen persoon een opslagplan als bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-01-01&g=2026-01-01) in bij Onze Minister.
Binnen een termijn van twaalf maanden, nadat een opslagvergunning onherroepelijk is geworden, dient de houder van de opslagvergunning of de krachtens [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) aangewezen persoon een opslagplan als bedoeld in [artikel 39](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-03-27&g=2026-03-27) in bij Onze Minister.
#### § 4.2. Financiële zekerheid
@@ -2856,7 +2856,7 @@
##### Artikel 68a
1. Als een houder van een vergunning investeert in een niet verplaatsbaar mijnbouwwerk, voor de opsporing of winning van een voorkomen van koolwaterstoffen kan de houder en, ingeval van medehouderschap, de medehouder bij de berekening van de heffingsmaatstaf, bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aanvullend 40% van zijn deel van het investeringsbedrag ten laste brengen van het resultaat.
1. Als een houder van een vergunning investeert in een niet verplaatsbaar mijnbouwwerk, voor de opsporing of winning van een voorkomen van koolwaterstoffen kan de houder en, ingeval van medehouderschap, de medehouder bij de berekening van de heffingsmaatstaf, bedoeld in [artikel 66, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=66&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aanvullend 40% van zijn deel van het investeringsbedrag ten laste brengen van het resultaat.
2. Onder investeren wordt verstaan:
@@ -2878,7 +2878,7 @@
##### Artikel 68b
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van [artikel 68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68a&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van [artikel 68a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.4&artikel=68a&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
#### § 5.1.1.5. Heffing en invordering
@@ -3034,7 +3034,7 @@
1. Zodra een aanvraag om een opslagvergunning is ingediend, worden anderen in de gelegenheid gesteld om aanvragen om een opslagvergunning in te dienen voor hetzelfde gebied.
2. Onze Minister plaatst hiertoe een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01) dan wel, indien het permanent opslaan van CO2 betreft, van het bepaalde in [artikel 31c, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31c&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Onze Minister plaatst hiertoe een uitnodiging in de Staatscourant. De uitnodiging maakt melding van het bepaalde in [artikel 17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-03-27&g=2026-03-27) dan wel, indien het permanent opslaan van CO2 betreft, van het bepaalde in [artikel 31c, derde tot en met vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31c&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Anderen kunnen aanvragen indienen tot dertien weken na de dag van plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant.
@@ -3042,21 +3042,21 @@
- a. een aanvraag die wordt ingediend overeenkomstig het derde lid;
- b. vergunningen waarop [artikel 26, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing is;
- c. een aanvraag voor een gebied waarvoor op grond van [artikel 26, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-01-01&g=2026-01-01), geen vergunning zal kunnen worden verleend;
- d. een aanvraag voor een vergunning voor permanent opslaan van CO2 waarop [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van toepassing is.
- b. vergunningen waarop [artikel 26, eerste of tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van toepassing is;
- c. een aanvraag voor een gebied waarvoor op grond van [artikel 26, zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26&z=2026-03-27&g=2026-03-27), geen vergunning zal kunnen worden verleend;
- d. een aanvraag voor een vergunning voor permanent opslaan van CO2 waarop [artikel 26a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van toepassing is.
5. Het eerste tot en met het vierde lid, onderdeel a en c, is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag voor een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen.
##### Artikel 31a
1. Ten aanzien van een opslagvergunning zijn de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=14&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=19&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met uitzondering van het vierde lid, en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid zijn op vergunningen voor permanent opslaan van CO2 uitsluitend de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=14&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van overeenkomstige toepassing.
3. Ten aanzien van een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen zijn de [artikelen 9, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [11, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=12&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=13&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=14&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=16&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=18&z=2026-01-01&g=2026-01-01) met dien verstande dat voor «andere delfstoffen» wordt gelezen «andere stoffen», [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=19&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-01-01&g=2026-01-01) met dien verstande dat in het eerste lid, tweede volzin, voor «Artikel 7, tweede lid» wordt gelezen «Artikel 26, zesde en zevende lid», [21, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van overeenkomstige toepassing.
1. Ten aanzien van een opslagvergunning zijn de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=14&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=16&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=19&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met uitzondering van het vierde lid, en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid zijn op vergunningen voor permanent opslaan van CO2 uitsluitend de [artikelen 14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=14&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=16&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van overeenkomstige toepassing.
3. Ten aanzien van een vergunning voor opsporen van CO2-opslagcomplexen zijn de [artikelen 9, eerste tot en met derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [11, tweede, derde en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=11&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [12](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=12&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [13](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.2&artikel=13&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [14](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=14&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [16](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=16&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [17](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.3&artikel=17&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=18&z=2026-03-27&g=2026-03-27) met dien verstande dat voor «andere delfstoffen» wordt gelezen «andere stoffen», [19](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=19&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [20](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=20&z=2026-03-27&g=2026-03-27) met dien verstande dat in het eerste lid, tweede volzin, voor «Artikel 7, tweede lid» wordt gelezen «Artikel 26, zesde en zevende lid», [21, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van overeenkomstige toepassing.
#### § 3.2. Aanvullende bepalingen omtrent het permanent opslaan van CO2
@@ -3094,13 +3094,13 @@
##### Artikel 31c
1. Onze Minister zendt een aanvraag om een vergunning voor permanent opslaan van CO2 die voldoet aan [artikel 31b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31b&z=2026-01-01&g=2026-01-01) met de daarbij behorende stukken binnen een maand na de ontvangst daarvan aan de Europese Commissie.
1. Onze Minister zendt een aanvraag om een vergunning voor permanent opslaan van CO2 die voldoet aan [artikel 31b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31b&z=2026-03-27&g=2026-03-27) met de daarbij behorende stukken binnen een maand na de ontvangst daarvan aan de Europese Commissie.
2. Onze Minister zendt het ontwerp van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 met de daarbij behorende stukken voor advies aan de Europese Commissie binnen zes maanden:
- a. na afloop van de termijn, bedoeld in [artikel 26b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of
- b. na ontvangst van de aanvraag om de vergunning indien [artikel 26a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing is.
- a. na afloop van de termijn, bedoeld in [artikel 26b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), of
- b. na ontvangst van de aanvraag om de vergunning indien [artikel 26a, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=26a&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van toepassing is.
3. Onze Minister neemt een besluit op een aanvraag binnen uiterlijk tien maanden na de ontvangst van de aanvraag.
@@ -3148,19 +3148,19 @@
##### Artikel 31e
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) stelt Onze Minister in kennis van de geplande wijzigingen van de exploitatie van het opslagvoorkomen en de injectiefaciliteiten met bijbehorende bovengrondse voorzieningen.
2. Op een aanvraag van de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 om wijziging van een of meer onderdelen van een verleende vergunning is [artikel 31d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor zover relevant van toepassing.
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) stelt Onze Minister in kennis van de geplande wijzigingen van de exploitatie van het opslagvoorkomen en de injectiefaciliteiten met bijbehorende bovengrondse voorzieningen.
2. Op een aanvraag van de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 om wijziging van een of meer onderdelen van een verleende vergunning is [artikel 31d, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voor zover relevant van toepassing.
##### Artikel 31f
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) houdt in een register bij de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde, opgeslagen en weggelekte CO2-stromen met inbegrip van hun samenstelling.
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) houdt in een register bij de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde, opgeslagen en weggelekte CO2-stromen met inbegrip van hun samenstelling.
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inrichting van het register.
##### Artikel 31g
1. De houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) verstrekt ten minste elk jaar aan Onze Minister de volgende gegevens:
1. De houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) verstrekt ten minste elk jaar aan Onze Minister de volgende gegevens:
- a. de resultaten van de monitoring van de opgeslagen CO2 met vermelding van de gebruikte technologie,
@@ -3168,7 +3168,7 @@
- c. het bewijs dat financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden, en
- d. andere gegevens die Onze Minister van belang acht voor het beoordelen van de belangen genoemd in [artikel 27, eerste lid, onderdelen a, b en c, en derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=27&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en voor het vergroten van de kennis van het CO2-gedrag in het opslagvoorkomen.
- d. andere gegevens die Onze Minister van belang acht voor het beoordelen van de belangen genoemd in [artikel 27, eerste lid, onderdelen a, b en c, en derde lid, onderdeel b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=27&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en voor het vergroten van de kennis van het CO2-gedrag in het opslagvoorkomen.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gegevens, bedoeld in het eerste lid, en tijdstip van verstrekking.
@@ -3188,9 +3188,9 @@
##### Artikel 31i
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) sluit een opslagvoorkomen af en verwijdert de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen indien opslag van CO2 overeenkomstig de voorschriften van zijn vergunning is beëindigd.
2. Alvorens te beginnen met de afsluiting van het opslagvoorkomen en de verwijdering van de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen dient de houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het eerste lid, een geactualiseerde versie van de documenten, bedoeld in [artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), bij Onze Minister in.
1. Een houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) sluit een opslagvoorkomen af en verwijdert de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen indien opslag van CO2 overeenkomstig de voorschriften van zijn vergunning is beëindigd.
2. Alvorens te beginnen met de afsluiting van het opslagvoorkomen en de verwijdering van de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen dient de houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het eerste lid, een geactualiseerde versie van de documenten, bedoeld in [artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), bij Onze Minister in.
3. De houder of de aangewezen persoon, bedoeld in het eerste lid, vangt niet eerder aan met de afsluiting dan nadat Onze Minister met de geactualiseerde versie heeft ingestemd.
@@ -3198,7 +3198,7 @@
1. Onze Minister trekt een vergunning voor permanent opslaan van CO2 op eigen beweging of op verzoek van de vergunninghouder in indien:
- a. door de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) schriftelijk is aangetoond dat de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft,
- a. door de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) schriftelijk is aangetoond dat de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft,
- b. het opslagvoorkomen is afgesloten en de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen zijn verwijderd,
@@ -3206,13 +3206,13 @@
- d. de houder, bedoeld in onderdeel a, hem een financiële bijdrage ter beschikking heeft gesteld waarmee de voorziene kosten, doch ten minste de geraamde monitoringskosten gedurende een periode van 30 jaar, ingaande op het tijdstip van intrekking worden gedekt.
2. Op het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen [artikel 31c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31c&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [31d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van overeenkomstige toepassing.
2. Op het document, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en een besluit als bedoeld in het eerste lid zijn de artikelen [artikel 31c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31c&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [31d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van overeenkomstige toepassing.
3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden omtrent het eerste lid regels gesteld.
##### Artikel 31k
1. Met ingang van het tijdstip waarop een vergunning ingevolge [artikel 31j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31j&z=2026-01-01&g=2026-01-01) is ingetrokken, is Onze Minister belast met:
1. Met ingang van het tijdstip waarop een vergunning ingevolge [artikel 31j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31j&z=2026-03-27&g=2026-03-27) is ingetrokken, is Onze Minister belast met:
- a. monitoring,
@@ -3230,19 +3230,19 @@
4. De monitoring betreft het niveau waarop lekkages of significante onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Indien significante onregelmatigheden of dreiging daarvan worden vastgesteld, intensiveert Onze Minister de monitoring.
5. Onze Minister verhaalt de kosten die samenhangen met het eerste lid en zijn ontstaan na intrekking van de vergunning op de voormalige houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voor zover hij niet zorgvuldig heeft gehandeld in de periode voorafgaande aan de intrekking van de opslagvergunning.
5. Onze Minister verhaalt de kosten die samenhangen met het eerste lid en zijn ontstaan na intrekking van de vergunning op de voormalige houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) voor zover hij niet zorgvuldig heeft gehandeld in de periode voorafgaande aan de intrekking van de opslagvergunning.
6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid regels worden gesteld.
##### Artikel 31l
1. Indien Onze Minister ingevolge [artikel 31h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31h&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een vergunning intrekt, zet hij de werkzaamheden met betrekking tot opslag voort in overeenstemming met de voorschriften die verbonden zijn aan de vergunning en [artikel 31f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31f&z=2026-01-01&g=2026-01-01), totdat hij opnieuw een vergunning voor permanent opslaan van CO2 heeft verleend.
1. Indien Onze Minister ingevolge [artikel 31h, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31h&z=2026-03-27&g=2026-03-27), een vergunning intrekt, zet hij de werkzaamheden met betrekking tot opslag voort in overeenstemming met de voorschriften die verbonden zijn aan de vergunning en [artikel 31f](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31f&z=2026-03-27&g=2026-03-27), totdat hij opnieuw een vergunning voor permanent opslaan van CO2 heeft verleend.
2. Indien in afwijking van het eerste lid geen nieuwe vergunning wordt verleend sluit Onze Minister het opslagvoorkomen af en verwijdert de injectiefaciliteiten met de bijbehorende bovengrondse voorzieningen in overeenstemming met de voorschriften van de vergunning.
3. Indien het eerste dan wel tweede lid toepassing vindt, actualiseert Onze Minister zo nodig de documenten, bedoeld in [artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
4. De kosten die Onze Minister bij toepassing van het eerste tot en met derde lid maakt of heeft gemaakt, verhaalt hij op de voormalige houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01). Indien geen verhaal mogelijk is, verhaalt Onze Minister de kosten op de door de voormalige vergunninghouder gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening.
3. Indien het eerste dan wel tweede lid toepassing vindt, actualiseert Onze Minister zo nodig de documenten, bedoeld in [artikel 31d, eerste lid, onderdelen h tot en met l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
4. De kosten die Onze Minister bij toepassing van het eerste tot en met derde lid maakt of heeft gemaakt, verhaalt hij op de voormalige houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 of, indien de vergunning door meerdere personen wordt gehouden, een aangewezen persoon als bedoeld in [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27). Indien geen verhaal mogelijk is, verhaalt Onze Minister de kosten op de door de voormalige vergunninghouder gestelde financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening.
5. Onze Minister stelt in de periode die aanvangt met de intrekking van een vergunning de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening periodiek bij.
@@ -3250,7 +3250,7 @@
7. Indien de kosten als bedoeld in het zesde lid meer bedragen dan de financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening verhaalt Onze Minister deze meerdere kosten op de voormalige houder of aangewezen persoon.
8. Indien het eerste of tweede lid van toepassing is, is Onze Minister belast met het inleveren van rechten als bedoeld in [artikel 31k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31k&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
8. Indien het eerste of tweede lid van toepassing is, is Onze Minister belast met het inleveren van rechten als bedoeld in [artikel 31k, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31k&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 31m
@@ -3436,11 +3436,11 @@
##### Artikel 6a
[Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een vergunning als bedoeld in [artikel 6, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor het opsporen van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee.
[Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) is van toepassing op de voorbereiding van een besluit inzake de aanvraag om een vergunning als bedoeld in [artikel 6, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voor het opsporen van koolwaterstoffen in het continentaal plat of onder de territoriale zee.
##### Artikel 9a
1. In aanvulling op [artikel 9, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt bij een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen bij de beoordeling van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager rekening gehouden met:
1. In aanvulling op [artikel 9, eerste lid, onder a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=9&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt bij een aanvraag voor een opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen bij de beoordeling van de technische of financiële mogelijkheden van de aanvrager rekening gehouden met:
- a. het risico, de gevaren en andere relevante informatie over het gebied waarvoor de vergunning zal gaan gelden;
@@ -3504,11 +3504,11 @@
1. Bij het rapport inzake grote gevaren worden in elk geval de volgende documenten gevoegd:
- a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in [artikel 45j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45j&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de productie-installatie, bedoeld in [artikel 45k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45k&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in [artikel 45l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45l&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
- a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in [artikel 45j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45j&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de productie-installatie, bedoeld in [artikel 45k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45k&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in [artikel 45l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45l&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het rapport inzake grote gevaren, de wijze waarop dit rapport wordt opgesteld en de documenten die daarbij worden gevoegd.
@@ -3542,11 +3542,11 @@
1. Bij het rapport inzake grote gevaren worden in elke geval de volgende documenten gevoegd:
- a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in [artikel 45j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45j&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de niet-productie-installatie, bedoeld in [artikel 45k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45k&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in [artikel 45l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45l&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
- a. het bedrijfsbeleid inzake het voorkomen van zware ongevallen, bedoeld in [artikel 45j](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45j&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. het veiligheids- en milieubeheerssysteem dat van toepassing is op de niet-productie-installatie, bedoeld in [artikel 45k](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45k&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- c. een beschrijving van de regeling voor onafhankelijke verificatie, bedoeld in [artikel 45l](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.3&artikel=45l&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de inhoud van het rapport inzake grote gevaren, de wijze waarop dit rapport moet worden opgesteld en de documenten die daarbij worden gevoegd.
@@ -3652,11 +3652,11 @@
1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de inhoud van de kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-01-01&g=2026-01-01);
- b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerkingen van de inspecteur-generaal der mijnen over de inhoud en de wijzigingen van de kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-01-01&g=2026-01-01), moeten worden ingediend.
- a. de inhoud van de kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-03-27&g=2026-03-27);
- b. de verplichtingen van de exploitant of de eigenaar inzake eventuele opmerkingen van de inspecteur-generaal der mijnen over de inhoud en de wijzigingen van de kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop kennisgevingen, bedoeld in de [artikelen 45m](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45m&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45n](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45n&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45o&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [45p](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.2&artikel=45p&z=2026-03-27&g=2026-03-27), moeten worden ingediend.
#### § 4.2. Financiële zekerheid
@@ -3720,7 +3720,7 @@
##### Artikel 167a
1. De wijziging van de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=18&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet bij [wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen)](onbekend) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een winningsvergunning of een opslagvergunning, aan wie een instemming met het winningsplan als bedoeld in [artikel 34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01), respectievelijk een plan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is verleend voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging.
1. De wijziging van de [artikelen 18](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=18&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [21](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van deze wet bij [wet van 21 december 2016, houdende wijziging van de Mijnbouwwet (versterking veiligheidsbelang mijnbouw en regie opsporings-, winnings- en opslagvergunningen)](onbekend) (Stb. 2016, 554), heeft geen gevolgen voor de houder van een winningsvergunning of een opslagvergunning, aan wie een instemming met het winningsplan als bedoeld in [artikel 34, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27), respectievelijk een plan als bedoeld in [artikel 39, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=39&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is verleend voor de datum van inwerkingtreding van die wijziging.
2. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister een instemming met het winningsplan geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen na de datum van inwerkingtreding van dit artikel, indien dit wordt gerechtvaardigd door veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten om reden van het belang van:
@@ -3860,7 +3860,7 @@
##### Artikel 31o
Indien [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 niet aan met het permanent opslaan van CO2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.
Indien [artikel 42, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=42&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van toepassing is, vangt de houder van een vergunning voor permanent opslaan van CO2 niet aan met het permanent opslaan van CO2 dan nadat een overeenkomst als bedoeld in artikel 42, derde lid, tot stand is gekomen.
### Hoofdstuk 4. De zorg voor een goede uitvoering van activiteiten
@@ -3980,7 +3980,7 @@
##### Artikel 167d
Betalingen gedaan op grond van de tussen de Staat en de houder van de winningsvergunning Groningen op 28 september 2018 gesloten overeenkomst, die gelijk zijn aan de heffingen die de houder van de winningsvergunning Groningen verschuldigd is op grond van [paragrafen 5.1.1.2 tot en met 5.1.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet worden gezien als betalingen gedaan op grond van deze paragrafen. [Afdeling 5.1.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van deze wet is van overeenkomstige toepassing op deze betalingen.
Betalingen gedaan op grond van de tussen de Staat en de houder van de winningsvergunning Groningen op 28 september 2018 gesloten overeenkomst, die gelijk zijn aan de heffingen die de houder van de winningsvergunning Groningen verschuldigd is op grond van [paragrafen 5.1.1.2 tot en met 5.1.1.4](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.2&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van deze wet worden gezien als betalingen gedaan op grond van deze paragrafen. [Afdeling 5.1.1.](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van deze wet is van overeenkomstige toepassing op deze betalingen.
### Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
@@ -4054,7 +4054,7 @@
##### Artikel 52b
De [artikelen 21, derde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=33&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=35&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=36&z=2026-01-01&g=2026-01-01) zijn niet van toepassing op de houder van de winningsvergunning Groningenveld voor zover het betreft de winning van gas uit het Groningenveld.
De [artikelen 21, derde lid, tweede volzin](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.4&artikel=21&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [33](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=33&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [35](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=35&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [36](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=36&z=2026-03-27&g=2026-03-27) zijn niet van toepassing op de houder van de winningsvergunning Groningenveld voor zover het betreft de winning van gas uit het Groningenveld.
##### Artikel 52c
@@ -4082,9 +4082,9 @@
- b. te voorkomen dat als gevolg van een mijnbouwwerk dat buiten werking is nadelige gevolgen voor mens en milieu worden veroorzaakt.
2. De houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, verricht in aanvulling op [artikel 41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-01-01&g=2026-01-01), nadere metingen en daarbij behorende analyses ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling van de seismiciteit, de verwachte bodembeweging en de risico’s van de verwachte bodembeweging, na beëindiging van de winning uit het Groningenveld.
3. De houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, zorgt in aanvulling op [artikel 41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-01-01&g=2026-01-01), voor een nazorgplan voor het Groningenveld over de monitoring, het systematisch beheer van data en kennis, en de ontwikkeling van kennis van zowel technische aspecten als de gevolgen voor mens, natuur en milieu. Dit nazorgplan wordt gezonden aan Onze Minister ter goedkeuring en tevens aan de inspecteur-generaal der mijnen.
2. De houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, verricht in aanvulling op [artikel 41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-03-27&g=2026-03-27), nadere metingen en daarbij behorende analyses ten behoeve van het verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling van de seismiciteit, de verwachte bodembeweging en de risico’s van de verwachte bodembeweging, na beëindiging van de winning uit het Groningenveld.
3. De houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, zorgt in aanvulling op [artikel 41, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-03-27&g=2026-03-27), voor een nazorgplan voor het Groningenveld over de monitoring, het systematisch beheer van data en kennis, en de ontwikkeling van kennis van zowel technische aspecten als de gevolgen voor mens, natuur en milieu. Dit nazorgplan wordt gezonden aan Onze Minister ter goedkeuring en tevens aan de inspecteur-generaal der mijnen.
4. Indien Onze Minister een rechtspersoon het verrichten van de analyses ten aanzien van de ontwikkeling van de seismiciteit, de verwachte bodembeweging en de risico’s van de verwachte bodembeweging opdraagt, verstrekt de houder van de winningsvergunning Groningenveld dan wel indien deze vergunning haar gelding heeft verloren, de laatste houder daarvan, alle gegevens die zijn benodigd voor het kunnen verrichten van die analyses.
@@ -4394,7 +4394,7 @@
##### Artikel 44c
1. De houder van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01), van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte verwijdert het mijnbouwwerk overeenkomstig het verwijderingsplan en de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
1. De houder van een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27), van een startvergunning aardwarmte of van een vervolgvergunning aardwarmte verwijdert het mijnbouwwerk overeenkomstig het verwijderingsplan en de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden.
2. Als het verwijderingsplan is uitgevoerd, overlegt de houder van een vergunning aan Onze Minister een rapport over de verwijdering.
@@ -4446,9 +4446,9 @@
##### Artikel 167e
1. Onverminderd een op 1 januari 2003 krachtens een overgangsrechtelijke bepaling geldende verplichting tot het verwijderen van mijnbouwwerken of het verwijderen dan wel schoon en veilig achterlaten van kabels en pijpleidingen zijn de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-01-01&g=2026-01-01) van toepassing op mijnbouwwerken, respectievelijk kabels en pijpleidingen, die op of na 1 januari 2003 buiten werking zijn gesteld.
2. In afwijking van [artikel 44, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan Onze Minister gedurende vier jaar na de inwerkingtreding van dat artikel de termijn van een jaar, bedoeld in artikel 44, derde lid, verlengen met overeenkomstige toepassing van [artikel 44b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), met dien verstande dat de termijn niet verder wordt verlengd dan tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat artikel.
1. Onverminderd een op 1 januari 2003 krachtens een overgangsrechtelijke bepaling geldende verplichting tot het verwijderen van mijnbouwwerken of het verwijderen dan wel schoon en veilig achterlaten van kabels en pijpleidingen zijn de [artikelen 44](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [45](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-03-27&g=2026-03-27) van toepassing op mijnbouwwerken, respectievelijk kabels en pijpleidingen, die op of na 1 januari 2003 buiten werking zijn gesteld.
2. In afwijking van [artikel 44, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27), kan Onze Minister gedurende vier jaar na de inwerkingtreding van dat artikel de termijn van een jaar, bedoeld in artikel 44, derde lid, verlengen met overeenkomstige toepassing van [artikel 44b, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), met dien verstande dat de termijn niet verder wordt verlengd dan tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat artikel.
### Hoofdstuk 9. Waarborgfonds mijnbouwschade
@@ -4514,9 +4514,9 @@
##### Artikel 97d
1. Als één natuurlijke persoon of rechtspersoon een vergunning houdt, brengen deze persoon en de vennootschap een overeenkomst tot stand die strekt tot het begeleiden, bewaken en monitoren van de financiële zekerheid voor de nakoming van verplichtingen als bedoeld in de [artikelen 44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [45, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Als twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen de vergunning gezamenlijk houden, brengen deze personen onderling een overeenkomst tot stand die strekt tot het stellen van financiële zekerheid voor de nakoming van ieders aandeel in de verplichtingen, bedoeld in de [artikelen 44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [45, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
1. Als één natuurlijke persoon of rechtspersoon een vergunning houdt, brengen deze persoon en de vennootschap een overeenkomst tot stand die strekt tot het begeleiden, bewaken en monitoren van de financiële zekerheid voor de nakoming van verplichtingen als bedoeld in de [artikelen 44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [45, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
2. Als twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen de vergunning gezamenlijk houden, brengen deze personen onderling een overeenkomst tot stand die strekt tot het stellen van financiële zekerheid voor de nakoming van ieders aandeel in de verplichtingen, bedoeld in de [artikelen 44, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [45, tweede en vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=45&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. De personen, bedoeld in het tweede lid, en de vennootschap brengen gezamenlijk een overeenkomst tot stand die strekt tot het begeleiden, bewaken en monitoren van de uitvoering van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid.
@@ -4528,11 +4528,11 @@
##### Artikel 97e
1. Iedere persoon, bedoeld in [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01), eerste volzin, meldt een wijziging in zijn directe en indirecte zeggenschap binnen vier weken na die wijziging aan de vennootschap in het geval een wijziging betrekking heeft op de helft of meer van de stemrechten in een aandeelhoudersvergadering dan wel de benoeming, de schorsing of het ontslag van de helft of meer van de bestuurders, commissarissen of vennoten.
2. Als een wijziging in de zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geeft, adviseert de vennootschap Onze Minister over de toepassing van de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=48&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. Als de wijziging in de zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, mogelijk nadelig is voor een te stellen of gestelde zekerheid als bedoeld in de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=48&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en de melding niet is gedaan binnen de termijn van vier weken, bedoeld in dat lid, is een rechtshandeling, die nodig is voor de wijziging van de zeggenschap vernietigbaar door een rechterlijke uitspraak, onverminderd de toepassing van [artikel 40, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=40) door een persoon als bedoeld in [artikel 97d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.4&artikel=97d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), of de vennootschap.
1. Iedere persoon, bedoeld in [artikel 22, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27), eerste volzin, meldt een wijziging in zijn directe en indirecte zeggenschap binnen vier weken na die wijziging aan de vennootschap in het geval een wijziging betrekking heeft op de helft of meer van de stemrechten in een aandeelhoudersvergadering dan wel de benoeming, de schorsing of het ontslag van de helft of meer van de bestuurders, commissarissen of vennoten.
2. Als een wijziging in de zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geeft, adviseert de vennootschap Onze Minister over de toepassing van de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=48&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Als de wijziging in de zeggenschap, bedoeld in het eerste lid, mogelijk nadelig is voor een te stellen of gestelde zekerheid als bedoeld in de [artikelen 47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [48](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=48&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en de melding niet is gedaan binnen de termijn van vier weken, bedoeld in dat lid, is een rechtshandeling, die nodig is voor de wijziging van de zeggenschap vernietigbaar door een rechterlijke uitspraak, onverminderd de toepassing van [artikel 40, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005291&artikel=40) door een persoon als bedoeld in [artikel 97d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.4&artikel=97d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), of de vennootschap.
### Afdeling 5.4. Het stellen van zekerheid
@@ -4674,45 +4674,45 @@
##### Artikel 167f
Een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte. Indien over een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen.
Een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte. Indien over een aanvraag voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen.
##### Artikel 167g
Een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een toewijzing zoekgebied aardwarmte. De resterende looptijd van de opsporingsvergunning aardwarmte wordt geacht de looptijd van de toewijzing zoekgebied aardwarmte te zijn.
Een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een toewijzing zoekgebied aardwarmte. De resterende looptijd van de opsporingsvergunning aardwarmte wordt geacht de looptijd van de toewijzing zoekgebied aardwarmte te zijn.
##### Artikel 167h
1. Een aanvraag voor een winningsvergunning voor aardwarmte en een verzoek om instemming met een winningsplan door een houder van een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een aanvraag om een startvergunning aardwarmte. Indien over een aanvraag voor een winningsvergunning voor aardwarmte en over het verzoek om instemming met een winningsplan voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen of de procedure, bedoeld in [Afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) is gevolgd, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen of wordt niet opnieuw de procedure, bedoeld in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd.
2. Het verbod om aardwarmte op te sporen zonder startvergunning aardwarmte, bedoeld in [artikel 24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), geldt niet voor de houder van een opsporingsvergunning voor aardwarmte, bedoeld in het eerste lid, met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zolang de aanvraag om een startvergunning, bedoeld in het eerste lid, in behandeling is.
1. Een aanvraag voor een winningsvergunning voor aardwarmte en een verzoek om instemming met een winningsplan door een houder van een opsporingsvergunning voor aardwarmte wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een aanvraag om een startvergunning aardwarmte. Indien over een aanvraag voor een winningsvergunning voor aardwarmte en over het verzoek om instemming met een winningsplan voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen of de procedure, bedoeld in [Afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) is gevolgd, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen of wordt niet opnieuw de procedure, bedoeld in Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd.
2. Het verbod om aardwarmte op te sporen zonder startvergunning aardwarmte, bedoeld in [artikel 24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), geldt niet voor de houder van een opsporingsvergunning voor aardwarmte, bedoeld in het eerste lid, met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27), zolang de aanvraag om een startvergunning, bedoeld in het eerste lid, in behandeling is.
##### Artikel 167i
1. Een winningsvergunning voor aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020 waarvoor nog geen instemming met een winningsplan is verleend, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een startvergunning aardwarmte.
2. Een verzoek om instemming met een winningsplan door een houder van een winningsvergunning voor aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte. Indien over een verzoek om instemming met een winningsplan voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen of de procedure, bedoeld in [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) is gevolgd, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen of wordt niet opnieuw de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd.
1. Een winningsvergunning voor aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020 waarvoor nog geen instemming met een winningsplan is verleend, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een startvergunning aardwarmte.
2. Een verzoek om instemming met een winningsplan door een houder van een winningsvergunning voor aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte. Indien over een verzoek om instemming met een winningsplan voor aardwarmte al adviezen zijn ingewonnen of de procedure, bedoeld in [afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&afdeling=3.4) is gevolgd, worden niet opnieuw adviezen ingewonnen of wordt niet opnieuw de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd.
3. De houder van de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning voor aardwarmte is verplicht binnen twee jaar een aanvraag om een vervolgvergunning aardwarmte in te dienen. Na het verstrijken van deze termijn, vervalt de winningsvergunning aardwarmte. Onze Minister kan deze termijn op aanvraag van de houder van de in het eerste lid bedoelde winningsvergunning voor aardwarmte eenmaal met een jaar verlengen.
##### Artikel 167j
Een winningsvergunning aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020 waarvoor een instemming met een winningsplan aardwarmte is verleend, wordt met inbegrip van de instemming met het winningsplan en de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een vervolgvergunning aardwarmte. De resterende looptijd van de winningsvergunning aardwarmte, of, indien dat korter is, de resterende looptijd van de instemming met het winningsplan, wordt geacht de looptijd van de vervolgvergunning aardwarmte te zijn.
Een winningsvergunning aardwarmte afgegeven voor 1 januari 2020 waarvoor een instemming met een winningsplan aardwarmte is verleend, wordt met inbegrip van de instemming met het winningsplan en de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een vervolgvergunning aardwarmte. De resterende looptijd van de winningsvergunning aardwarmte, of, indien dat korter is, de resterende looptijd van de instemming met het winningsplan, wordt geacht de looptijd van de vervolgvergunning aardwarmte te zijn.
##### Artikel 167k
Een winningsvergunning aardwarmte afgegeven na 1 januari 2020 waarvoor een instemming met een winningsplan aardwarmte is verleend, wordt met inbegrip van de instemming met het winningsplan en de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een startvergunning aardwarmte. De resterende looptijd van de winningsvergunning aardwarmte of, indien dat korter is, de resterende looptijd van de instemming met het winningsplan, wordt geacht de looptijd van de startvergunning aardwarmte te zijn.
Een winningsvergunning aardwarmte afgegeven na 1 januari 2020 waarvoor een instemming met een winningsplan aardwarmte is verleend, wordt met inbegrip van de instemming met het winningsplan en de daaraan verbonden voorwaarden en beperkingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een startvergunning aardwarmte. De resterende looptijd van de winningsvergunning aardwarmte of, indien dat korter is, de resterende looptijd van de instemming met het winningsplan, wordt geacht de looptijd van de startvergunning aardwarmte te zijn.
##### Artikel 167l
Een aanvraag voor het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor het opsporen of winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid als bedoeld in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=24&z=2026-01-01&g=2026-01-01), wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) beschouwd als een aanvraag voor het nemen van een besluit omtrent een vergunning als bedoeld in [artikel 24c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24c&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
Een aanvraag voor het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor het opsporen of winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid als bedoeld in [artikel 24](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=24&z=2026-03-27&g=2026-03-27), wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) beschouwd als een aanvraag voor het nemen van een besluit omtrent een vergunning als bedoeld in [artikel 24c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24c&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 167m
De Mijnbouwwet zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-01-01&g=2026-01-01), blijft van toepassing op besluiten die zijn genomen voor inwerkingtreding van hoofdstuk 2a en die nog niet onherroepelijk zijn.
De Mijnbouwwet zoals die luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit [hoofdstuk 2a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a&z=2026-03-27&g=2026-03-27), blijft van toepassing op besluiten die zijn genomen voor inwerkingtreding van hoofdstuk 2a en die nog niet onherroepelijk zijn.
##### Artikel 167n
[Artikel 86a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=86a&z=2026-01-01&g=2026-01-01) geldt uitsluitend voor een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, die is verleend op basis van [artikel 24d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24d&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
[Artikel 86a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=86a&z=2026-03-27&g=2026-03-27) geldt uitsluitend voor een houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte, die is verleend op basis van [artikel 24d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24d&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
### Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
@@ -4780,7 +4780,7 @@
##### Artikel 24c
1. Dit hoofdstuk, met uitzondering van [artikel 24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voor zover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.
1. Dit hoofdstuk, met uitzondering van [artikel 24b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=1&artikel=24b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is niet van toepassing op het opsporen of het winnen van aardwarmte in het kader van het verkrijgen van gegevens voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of voor het door de centrale overheid te voeren beleid. Bij het nemen van een besluit omtrent een vergunning voor deze activiteiten sluit Onze Minister aan bij de bepalingen van dit hoofdstuk, voor zover dit met het bijzondere karakter van de vergunning te verenigen is.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het nemen van een besluit omtrent een vergunning, bedoeld in het eerste lid.
@@ -4810,7 +4810,7 @@
##### Artikel 24f
1. Zodra voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte een aanvraag is ingediend die voldoet aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24e&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en deze aanvraag betrekking heeft op een zoekgebied dat beschikbaar is voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, stelt Onze Minister met een uitnodiging in de Staatscourant anderen in de gelegenheid om voor hetzelfde zoekgebied of een deel hiervan een aanvraag in te dienen.
1. Zodra voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte een aanvraag is ingediend die voldoet aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24e&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en deze aanvraag betrekking heeft op een zoekgebied dat beschikbaar is voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte, stelt Onze Minister met een uitnodiging in de Staatscourant anderen in de gelegenheid om voor hetzelfde zoekgebied of een deel hiervan een aanvraag in te dienen.
2. Anderen kunnen een aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte indienen tot twaalf weken na de dag van plaatsing van de uitnodiging in de Staatscourant. Indien deze aanvragen gedeeltelijk betrekking hebben op een nieuw zoekgebied voor aardwarmte ten opzichte van het in de Staatscourant gepubliceerde zoekgebied aardwarmte, geldt voor dat deel van de aanvraag de procedure van het eerste lid en wordt dat deel van de aanvraag geacht een nieuwe aanvraag te zijn.
@@ -4820,15 +4820,15 @@
##### Artikel 24g
1. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24e&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincies en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het zoekgebied waarop de aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
2. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24e&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincies en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het zoekgebied waarop de aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.
1. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24e&z=2026-03-27&g=2026-03-27) voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincies en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het zoekgebied waarop de aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
2. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24e&z=2026-03-27&g=2026-03-27) voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincies en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het zoekgebied waarop de aanvraag voor een toewijzing zoekgebied aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.
##### Artikel 24h
1. Onze Minister beslist op een aanvraag om een toewijzing zoekgebied aardwarmte binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag.
2. Als ingevolge [artikel 24f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24f&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een aanvraag wordt ingediend, beslist Onze Minister binnen zes weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 24f, vierde lid.
2. Als ingevolge [artikel 24f, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=2&artikel=24f&z=2026-03-27&g=2026-03-27), een aanvraag wordt ingediend, beslist Onze Minister binnen zes weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 24f, vierde lid.
3. Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste en tweede lid, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.
@@ -4914,11 +4914,11 @@
- f. overeenkomsten met betrekking tot de afzet van warmte;
- g. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, en het zo nodig geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
- g. de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, en het zo nodig geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
- h. de ervaring van de aanvrager met de ontwikkeling van aardwarmteprojecten en andere mijnbouwactiviteiten.
2. Een aanvraag voor een startvergunning aardwarmte gaat vergezeld van een aanvraag om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte als bedoeld in [artikel 24z, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Een aanvraag voor een startvergunning aardwarmte gaat vergezeld van een aanvraag om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte als bedoeld in [artikel 24z, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag.
@@ -4938,9 +4938,9 @@
##### Artikel 24q
1. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24o&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
2. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24o&z=2026-01-01&g=2026-01-01) voldoen, stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.
1. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24o&z=2026-03-27&g=2026-03-27) voldoen stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op de planmatige ontwikkeling of het beheer van delfstoffen, aardwarmte, andere natuurlijke rijkdommen, waaronder grondwater met het oog op de winning van drinkwater, of mogelijkheden tot het opslaan van stoffen.
2. Over de aanvragen die aan het bepaalde bij of krachtens [artikel 24o](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24o&z=2026-03-27&g=2026-03-27) voldoen, stelt Onze Minister gedeputeerde staten van de provincie en het dagelijks bestuur van waterschappen binnen wier grondgebied het gebied waarop de aanvraag voor een startvergunning aardwarmte betrekking heeft, in de gelegenheid binnen acht weken advies uit te brengen met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit.
3. Indien Onze Minister voornemens is af te wijken van het advies van gedeputeerde staten van de provincie met het oog op het beheer van grondwater met het oog op de winning van drinkwater, bedoeld in het eerste lid, of het advies van gedeputeerde staten van de provincie met het oog op grondwaterkwaliteit en -kwantiteit, bedoeld in het tweede lid, informeert Onze Minister Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
@@ -4950,7 +4950,7 @@
##### Artikel 24s
1. In afwijking van [artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18) en [artikel 24z, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-01-01&g=2026-01-01), beslist Onze Minister op een aanvraag om een startvergunning aardwarmte en het tegelijkertijd ingediende verzoek om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte binnen 32 weken na de ontvangst daarvan.
1. In afwijking van [artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=3:18) en [artikel 24z, vierde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-03-27&g=2026-03-27), beslist Onze Minister op een aanvraag om een startvergunning aardwarmte en het tegelijkertijd ingediende verzoek om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte binnen 32 weken na de ontvangst daarvan.
2. Onze Minister kan de termijn, bedoeld in het eerste lid, eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.
@@ -4966,7 +4966,7 @@
- c. de in de aanvraag beschreven opsporing en winning onaanvaardbare risico’s met zich brengt voor de veiligheid van omwonenden of onaanvaardbare schade kan veroorzaken aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
- d. geen financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan worden gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater.
- d. geen financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), kan worden gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater.
2. Een aanvraag om een startvergunning aardwarmte kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:
@@ -4984,7 +4984,7 @@
##### Artikel 24u
1. Indien er op basis van [artikel 24p, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24p&z=2026-01-01&g=2026-01-01), meer aanvragen om een startvergunning aardwarmte zijn ingediend die toegewezen zouden kunnen worden, verleent Onze Minister de startvergunning aardwarmte aan de aanvrager van wie de aanvraag het hoogst is gerangschikt.
1. Indien er op basis van [artikel 24p, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24p&z=2026-03-27&g=2026-03-27), meer aanvragen om een startvergunning aardwarmte zijn ingediend die toegewezen zouden kunnen worden, verleent Onze Minister de startvergunning aardwarmte aan de aanvrager van wie de aanvraag het hoogst is gerangschikt.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de procedure van rangschikking, de rangschikkingscriteria en de onderlinge weging hiervan.
@@ -4998,7 +4998,7 @@
##### Artikel 24w
1. Indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, verbindt Onze Minister aan een startvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte.
1. Indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, verbindt Onze Minister aan een startvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte.
2. Onze Minister verbindt aan de startvergunning aardwarmte het voorschrift dat geen doorboring plaatsvindt van een gebied waarvan in verband met het uitvoeren van de taken bedoeld in [artikel 2.18, eerste lid, onderdeel c, van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.18) in een omgevingsverordening als bedoeld in [artikel 2.6 van de Omgevingswet](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&artikel=2.6) is vastgesteld dat doorboring ervan voor het opsporen of winnen van aardwarmte niet is toegestaan, indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder dat gebied.
@@ -5068,7 +5068,7 @@
- 2°. het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van opsporen en winnen;
- 3°. de financiële mogelijkheden van de houder om de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
- 3°. de financiële mogelijkheden van de houder om de kosten in verband met de opsporing en winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de startvergunning te dragen;
- c. indien er niet langer een uitvoerder aardwarmte is waarmee Onze Minister heeft ingestemd;
@@ -5090,11 +5090,11 @@
1. Een houder van een startvergunning aardwarmte kan deze slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Onze Minister kan aan een toestemming voorschriften of beperkingen verbinden.
2. Een verzoek om overdracht gaat vergezeld van de informatie, bedoeld in [artikel 24o, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24o&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. [Artikel 24t, tweede lid, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24t&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de houder van een startvergunning aardwarmte een deel van zijn startvergunning aardwarmte op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de startvergunning aardwarmte als bedoeld in [artikel 24ac, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24ac&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Een verzoek om overdracht gaat vergezeld van de informatie, bedoeld in [artikel 24o, eerste lid, onderdeel g](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24o&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. [Artikel 24t, tweede lid, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24t&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de houder van een startvergunning aardwarmte een deel van zijn startvergunning aardwarmte op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de startvergunning aardwarmte als bedoeld in [artikel 24ac, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24ac&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
##### Artikel 24ae
@@ -5122,11 +5122,11 @@
- 3°. de maatregelen die worden genomen om de schade door bodembeweging te voorkomen of te beperken;
- g. indien van toepassing, wijziging ten opzichte van de startvergunning aardwarmte in de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen;
- g. indien van toepassing, wijziging ten opzichte van de startvergunning aardwarmte in de wijze waarop de aanvrager voornemens is de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen;
- h. de wijze waarop de aanvrager voornemens is om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens de looptijd van de vervolgvergunning of na afloop hiervan te dragen.
2. Indien een nieuwe uitvoerder aardwarmte wordt aangewezen, gaat de aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte vergezeld van een verzoek om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte als bedoeld in [artikel 24z, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Indien een nieuwe uitvoerder aardwarmte wordt aangewezen, gaat de aanvraag voor een vervolgvergunning aardwarmte vergezeld van een verzoek om instemming met de aanwijzing van een uitvoerder aardwarmte als bedoeld in [artikel 24z, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=3&artikel=24z&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de aanvraag.
@@ -5168,7 +5168,7 @@
- a. de in de aanvraag beschreven winning onaanvaardbare risico’s met zich brengt voor de veiligheid van omwonenden of onaanvaardbare schade kan veroorzaken aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
- b. geen financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), kan worden gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater.
- b. geen financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), kan worden gesteld ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater.
2. Een vervolgvergunning aardwarmte kan geheel of gedeeltelijk worden afgewezen:
@@ -5188,7 +5188,7 @@
##### Artikel 24al
1. Indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, verbindt Onze Minister aan een vervolgvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte.
1. Indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, verbindt Onze Minister aan een vervolgvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte.
2. Onze Minister verbindt aan een vervolgvergunning aardwarmte voorschriften of beperkingen in verband met het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van winning en de wijze waarop de putintegriteit wordt geborgd.
@@ -5228,7 +5228,7 @@
- 2°. de veiligheid van omwonenden of het voorkomen van schade aan gebouwen of infrastructurele werken of de functionaliteit daarvan;
- 3°. de financiële mogelijkheden van de houder om de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-01-01&g=2026-01-01), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de vervolgvergunning te dragen.
- 3°. de financiële mogelijkheden van de houder om de kosten in verband met de winning en de hierbij behorende aansprakelijkheden, waaronder het stellen van financiële zekerheid, anders dan bedoeld in de [artikelen 46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [47](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=47&z=2026-03-27&g=2026-03-27), ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade door verontreiniging van grondwater of bodem in verband met de opsporing en winning van aardwarmte indien de in de aanvraag aangegeven aardlagen zich geheel of gedeeltelijk bevinden onder een gebied dat is aangewezen voor de winning van drinkwater uit grondwater, te dragen en om kosten in verband met het geheel of gedeeltelijk buiten gebruik stellen van een boorgat tijdens of na afloop van de looptijd van de vervolgvergunning te dragen.
- c. in verband met de nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de wijze van winning;
@@ -5254,11 +5254,11 @@
1. De houder van een vervolgvergunning aardwarmte kan deze slechts met schriftelijke toestemming van Onze Minister op een ander doen overgaan. Aan een toestemming kunnen voorschriften worden verbonden of een toestemming kan onder beperkingen worden verleend.
2. Een verzoek om overdracht gaat vergezeld van de informatie, bedoeld in [artikel 24af, eerste lid, onderdeel g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=4&artikel=24af&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
3. [Artikel 24aj, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=4&artikel=24aj&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in [artikel 24ap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=4&artikel=24ap&z=2026-01-01&g=2026-01-01).
2. Een verzoek om overdracht gaat vergezeld van de informatie, bedoeld in [artikel 24af, eerste lid, onderdeel g en h](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=4&artikel=24af&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
3. [Artikel 24aj, tweede lid, aanhef en onderdeel c, en d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=4&artikel=24aj&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is van overeenkomstige toepassing.
4. Indien de houder van een vergunning een deel van zijn vergunning op een ander wil doen overgaan, dient hij tevens een aanvraag in om splitsing van de vergunning als bedoeld in [artikel 24ap](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2a¶graaf=4&artikel=24ap&z=2026-03-27&g=2026-03-27).
### Hoofdstuk 3. Vergunningen voor het opslaan van stoffen en voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen
@@ -5296,7 +5296,7 @@
##### Artikel 86a
1. De houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte en de op grond van [artikel 82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-01-01&g=2026-01-01), aangewezen vennootschap brengen een overeenkomst tot stand gericht op deelname door die aangewezen vennootschap in de voorgenomen werkzaamheden voor opsporing en winning van aardwarmte, tenzij Onze Minister bepaalt dat deze verplichting niet geldt.
1. De houder van een toewijzing zoekgebied aardwarmte en de op grond van [artikel 82, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.2¶graaf=5.2.1&artikel=82&z=2026-03-27&g=2026-03-27), aangewezen vennootschap brengen een overeenkomst tot stand gericht op deelname door die aangewezen vennootschap in de voorgenomen werkzaamheden voor opsporing en winning van aardwarmte, tenzij Onze Minister bepaalt dat deze verplichting niet geldt.
2. De overeenkomst wordt gesloten binnen een jaar na de verlening van de toewijzing zoekgebied aardwarmte. Onze Minister kan deze termijn eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen.
@@ -5346,9 +5346,9 @@
### Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
## Bijlage. bij de [artikelen 31d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45e&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.1&artikel=54&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=134&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [135](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=135&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=10&artikel=142&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=145&z=2026-01-01&g=2026-01-01)
De lijn, bedoeld in de [artikelen 31d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45b&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [45e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45e&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [54, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.1&artikel=54&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [134, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=134&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=135&z=2026-01-01&g=2026-01-01), [142, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=10&artikel=142&z=2026-01-01&g=2026-01-01), en [145, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=145&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):
## Bijlage. bij de [artikelen 31d](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [41](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45b](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45e&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [46](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [54](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.1&artikel=54&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [134](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=134&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [135](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=135&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [142](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=10&artikel=142&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [145](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=145&z=2026-03-27&g=2026-03-27)
De lijn, bedoeld in de [artikelen 31d, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.2&artikel=31d&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [41, derde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=41&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45b, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45b&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [45e, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1a&sub-paragraaf=4.1a.1.1&artikel=45e&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [46, vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.2&artikel=46&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [54, onderdelen d en e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=5&afdeling=5.1.1¶graaf=5.1.1.1&artikel=54&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [134, tweede lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=134&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [135, vijfde lid, onderdeel a, onder 1°](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.1&artikel=135&z=2026-03-27&g=2026-03-27), [142, eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=10&artikel=142&z=2026-03-27&g=2026-03-27), en [145, tweede lid, onderdeel a](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=11&artikel=145&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is de lijn, gevormd door de bogen van grootcirkels in de volgorde tussen de punten, bedoeld op de kaart die in de tabel zijn uitgedrukt in geografische coördinaten berekend volgens het European Terrestrial Reference System 1989, bedoeld in bijlage II, onder 1.2, van Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PbEU 2010, L 323):
| Puntnummer | Noorderbreedte (NB) | Oosterlengte (OL) |
| --- | --- | --- |
@@ -5400,13 +5400,13 @@
##### Artikel 167o
Het bepaalde bij of krachtens paragraaf 6.2 en [artikel 139 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=139&z=2026-01-01&g=2026-01-01), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel H, van de Wet van 17 april 2024, houdende wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2024, 95), blijft van toepassing op adviezen die voorafgaand aan het moment van die inwerkingtreding aan de Technische commissie bodembeweging zijn gevraagd.
Het bepaalde bij of krachtens paragraaf 6.2 en [artikel 139 eerste lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=9¶graaf=9.2&artikel=139&z=2026-03-27&g=2026-03-27), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van artikel II, onderdeel H, van de Wet van 17 april 2024, houdende wijziging van de Gaswet en de Mijnbouwwet in verband met de beëindiging van de gaswinning uit het Groningenveld (Stb. 2024, 95), blijft van toepassing op adviezen die voorafgaand aan het moment van die inwerkingtreding aan de Technische commissie bodembeweging zijn gevraagd.
##### Artikel 167p
1. [Artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=36&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is niet van toepassing op een winningsplan dat voor de datum van inwerkingtreding van dat onderdeel is ingediend.
2. [Artikel 36, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=36&z=2026-01-01&g=2026-01-01), is niet van toepassing op een winningsplan, een gewijzigd winningsplan of een geactualiseerd winningsplan dat door de houder van een winningsvergunning op grond van [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-01-01&g=2026-01-01) bij Onze Minister is ingediend en waarmee nog niet is ingestemd voor de datum van inwerkingtreding van die artikelleden.
1. [Artikel 36, eerste lid, aanhef en onderdeel e](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=36&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is niet van toepassing op een winningsplan dat voor de datum van inwerkingtreding van dat onderdeel is ingediend.
2. [Artikel 36, vierde en vijfde lid](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=36&z=2026-03-27&g=2026-03-27), is niet van toepassing op een winningsplan, een gewijzigd winningsplan of een geactualiseerd winningsplan dat door de houder van een winningsvergunning op grond van [artikel 34](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=34&z=2026-03-27&g=2026-03-27) bij Onze Minister is ingediend en waarmee nog niet is ingestemd voor de datum van inwerkingtreding van die artikelleden.
### Hoofdstuk 12. Intrekking en wijziging van enige wetten
@@ -5556,7 +5556,7 @@
##### Artikel 44d
Indien een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01), een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte haar geldigheid heeft verloren, rusten de verplichtingen van de [artikelen 44 tot en met 44c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-01-01&g=2026-01-01) op de laatste houder van die vergunning. Indien een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-01-01&g=2026-01-01) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-01-01&g=2026-01-01) werd gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, rusten de verplichtingen van de genoemde artikelen op de laatstelijk op grond van [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-01-01&g=2026-01-01) aangewezen persoon.
Indien een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27), een startvergunning aardwarmte of een vervolgvergunning aardwarmte haar geldigheid heeft verloren, rusten de verplichtingen van de [artikelen 44 tot en met 44c](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=4¶graaf=4.1&artikel=44&z=2026-03-27&g=2026-03-27) op de laatste houder van die vergunning. Indien een vergunning als bedoeld in de [artikelen 6](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.1&artikel=6&z=2026-03-27&g=2026-03-27) en [25](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=3¶graaf=3.1&artikel=25&z=2026-03-27&g=2026-03-27) werd gehouden door meer dan een natuurlijke persoon of rechtspersoon, rusten de verplichtingen van de genoemde artikelen op de laatstelijk op grond van [artikel 22](https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0014168&hoofdstuk=2¶graaf=2.5&artikel=22&z=2026-03-27&g=2026-03-27) aangewezen persoon.
#### § 4.1a.1.1. Rapport inzake grote gevaren voor een productie-installatie
2026-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 50, 57 y 36 más
2025-10-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 50, 57 y 20 más
2025-03-29
Mijnbouwwet — arts. 2, 50, 57 y 20 más
2024-05-01
Mijnbouwwet
2024-04-19
Mijnbouwwet
2024-03-21
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 50 y 30 más
2024-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 50 y 30 más
2023-07-01
Mijnbouwwet
2023-04-04
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 34 más
2023-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 167, 167 y 7 más
2022-05-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 34 más
2022-03-05
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 34 más
2022-01-01
Mijnbouwwet
2021-07-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 34 más
2021-05-22
Mijnbouwwet
2020-07-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2020-03-18
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2020-03-12
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2020-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 2 y 108 más
2019-10-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2019-04-10
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2019-01-01
Mijnbouwwet
2018-12-19
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2018-11-08
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2018-10-30
Mijnbouwwet
2018-07-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2018-03-13
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 71 más
2018-01-01
Mijnbouwwet
2017-03-11
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 34 más
2017-01-01
Mijnbouwwet
2016-12-31
Mijnbouwwet
2016-05-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2016-02-23
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2015-04-04
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2015-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2014-03-11
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2014-01-25
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2014-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2013-07-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 73 más
2013-02-21
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 73 más
2013-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 2, 7 y 73 más
2012-02-08
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2012-02-02
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2012-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2011-09-10
Mijnbouwwet
2011-02-25
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2011-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2010-10-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2010-09-16
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 35 más
2010-03-31
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 36 más
2010-02-24
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 36 más
2010-01-01
Mijnbouwwet
2009-07-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 42 más
2009-03-20
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 42 más
2009-03-01
Mijnbouwwet
2008-10-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 42 más
2008-08-08
Mijnbouwwet
2008-08-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2008-06-13
Mijnbouwwet
2008-02-28
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2008-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2007-03-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2006-12-13
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2006-02-15
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2005-07-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2005-02-12
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2005-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2004-03-10
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2004-01-01
Mijnbouwwet — arts. 2, 7, 11 y 43 más
2003-01-01
Mijnbouwwet — arts. 1, 1, 2 y 234 más
2003-01-01
Mijnbouwwet
original version
Tekst op deze datum