← Geldende tekst · Geschiedenis

Beleidsregel van de Minister van Verkeer en Waterstaat inzake toepassing van regels van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur op de toetsing van vergunningen personenvervoer (Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob)

Geldende tekst a fecha 2003-05-29

gelet op de artikelen 3, eerste en zesde lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, en de artikelen 6, vierde en vijfde lid en 99, eerste lid, onder c, en tweede lid van de Wet personenvervoer 2000;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Definities en toepassing

Artikel 1.1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 1.2

Deze beleidsregel heeft betrekking op:

Hoofdstuk 2. Strafbare feiten

Paragraaf 2.1. Voordelen uit strafbare feiten

Artikel 2.1.1

De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.

Artikel 2.1.2
1.

De Minister neemt ingevolge het gevaar als bedoeld in artikel 2.1.1 uitsluitend strafbare feiten in aanmerking:

2.

Het eerste lid, onder b is niet van toepassing op de weigering of intrekking van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer en openbaar vervoer per trein.

Artikel 2.1.3

Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.1.2, kunnen worden aangemerkt:

1.

de commune delicten uit het Wetboek van Strafrecht:

2.

de delicten uit de Opiumwet:

a. het importeren, exporteren, bereiden, telen, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van verboden middelen (2, eerste lid onder A, B, C en D en 3, eerste lid, onder A, B, C en D, van de Opiumwet);

a. het medeplichtig zijn aan of op enigerlei wijze behulpzaam zijn bij de onder a bedoelde handelingen (10a, eerste lid, van de Opiumwet).

Artikel 2.1.4
1.

De Minister kan de in artikel 2.1.2 bedoelde strafbare feiten buiten beschouwing laten indien naar zijn oordeel een gepleegd strafbaar feit door de omstandigheden van het geval in geringe mate ernstig is.

2.

De ernst van een strafbaar feit wordt bepaald door:

Paragraaf 2.2. Te plegen strafbare feiten

Artikel 2.2.1

De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Artikel 2.2.2
1.

De Minister neemt ingevolge het gevaar als bedoeld in artikel 2.2.1 uitsluitend strafbare feiten in aanmerking:

2.

Het eerste lid, onder a is niet van toepassing op de weigering of intrekking van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer en openbaar vervoer per trein.

Artikel 2.2.3

Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.2.2, kunnen worden aangemerkt:

1.

de commune delicten uit het Wetboek van Strafrecht:

2.

de delicten uit de Opiumwet:

3.

de delicten uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens: de Wet personenvervoer, artikel 5 (artikel 1, onder ten tweede en ten derde Wed).

Artikel 2.2.4
1.

De Minister kan de in artikel 2.2.2 bedoelde strafbare feiten buiten beschouwing laten indien naar zijn oordeel een gepleegd strafbaar feit door de omstandigheden van het geval in geringe mate ernstig is.

2.

De ernst van een strafbaar feit wordt bepaald door:

Paragraaf 2.3. Strafbare feiten als middel

Artikel 2.3.1

De Minister kan op grond de artikelen 6, vierde lid, en 99, eerste lid, onder c, van de Wet personenvervoer 2000 een vergunning weigeren, intrekken of schorsen indien feiten en omstandigheden er op wijzen of redelijkerwijze doen vermoeden dat ter verkrijging van een vergunning een strafbaar feit is gepleegd.

Artikel 2.3.2

De Minister neemt ingevolge een aanwijzing of vermoeden als bedoeld in artikel 2.3.1 uitsluitend gepleegde strafbare feiten in aanmerking die:

2.

Het eerste lid, onder b is niet van toepassing op de weigering of intrekking van een vergunning voor het verrichten van taxivervoer en openbaar vervoer per trein.

Artikel 2.3.3

Als strafbare feiten, bedoeld in artikel 2.3.2, kunnen worden aangemerkt:

1.

de commune delicten:

Artikel 2.3.4
1.

De Minister kan de in artikel 2.3.2 bedoelde strafbare feiten buiten beschouwing laten indien naar zijn oordeel een strafbaar feit door de omstandigheden van het geval in geringe mate ernstig is.

2.

De ernst van een strafbaar feit wordt bepaald door:

Hoofdstuk 3. Afweging van belangen

Artikel 3.1

De Minister kan een besluit tot weigering of intrekking van een vergunning waarbij ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid Wet Bibob of een aanwijzing of een vermoeden als bedoeld in artikel 3, zesde lid Wet Bibob is geconstateerd achterwege laten indien sprake is van andere, zwaarwegende belangen en omstandigheden.

2.

Deze belangen en omstandigheden kunnen zijn:

Hoofdstuk 4. Aanvraag van een advies

Artikel 4.1

Alvorens de Minister een advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Wet Bibob aanvraagt, maakt hij redelijkerwijze gebruik van andere, bij of krachtens de Wet Personenvervoer 2000 en de Algemene wet bestuursrecht toegestane middelen om te toetsen of er feiten of omstandigheden aanwezig zijn die kunnen leiden tot toepassing van artikel 3, eerste of zesde lid van de Wet Bibob.

Artikel 4.2
1.

De feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot aanvraag van een advies als bedoeld in artikel 9, eerste lid van de Wet Bibob kunnen blijken uit:

2.

De feiten of omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, duiden op een mogelijk verband met de strafbare feiten als bedoeld in paragraaf 2.1, 2.2 en 2.3.

Artikel 4.3

Onder de in artikel 4.2, onder a genoemde kenmerken van de aanvrager of houder van een vergunning of de omgeving waarbinnen hij zijn activiteiten verricht wordt verstaan:

Artikel 4.4

Onder de in artikel 4.2, onder b genoemde gegevens uit gesloten of open bronnen wordt verstaan:

Artikel 4.5

Onder de in artikel 4.2, onder c genoemde gedragingen van de aanvrager of houder van een vergunning wordt verstaan:

Artikel 4.6

Onder de in artikel 4.2, onder d genoemde objectieve kenmerken wordt verstaan:

Artikel 4.7

Onverminderd artikel 4.1 wordt een advies uitsluitend aangevraagd indien op een aanvrager of houder van een vergunning:

Hoofdstuk 5. Bijzondere omstandigheden

Artikel 5.1

De Minister kan in bijzondere omstandigheden van deze beleidsregel afwijken voor zover dit gelet op het achterhalen, voorkomen of tegengaan van misbruik van een vergunning niet zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen

Artikel 6.1

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 6.2

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toetsing vergunningen personenvervoer aan de Wet Bibob.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.