Selectielijst neerslag handelingen m.b.t. Emancipatie en gelijke behandeling vanaf 1965-heden, Verkeer en Waterstaat

Type Archiefselectielijst
Publication 2003-12-07
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 maart 2003, nr. arc-2002.4707/2);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Emancipatie en gelijke behandeling over de periode vanaf 1965’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument voor archiefbescheiden op het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling

Vaststelling BSD

In maart 2002 is het ontwerp-BSD door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister van Defensie, de minister van Financiën, de minister van Justitie, de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister van Verkeer en Waterstaat, de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, aan de Staatssecretaris van OCW aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 juli 2002 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, het ministerie van Defensie, het ministerie van Financiën, het ministerie van Justitie, het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid, het ministerie van Verkeer en Waterstaat, het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant.

Op 30 maart 2003 bracht de RvC advies uit (arc-2002.4707/2), hetwelk (naast enkele tekstuele correcties) aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

Daarop werd het BSD op door de Algemene Rijksarchivaris, namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kenmerk C/S/03/1863), de minister van Defensie (kenmerk C/S/03/1867), de minister van Financiën (kenmerk C/S/03/1860), de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselveiligheid (kenmerk C/S/03/1865), de minister van Verkeer en Waterstaat (kenmerk C/S/03/1862), de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (kenmerk C/S/03/1868) en de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (C/S/03/1861), en voor het ministerie van OCW (kenmerk C/S/03/1864) vastgesteld.

Inleiding

Deze selectielijst is een selectielijst als bedoeld in artikel 2, eerste lid van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 671) ter uitvoering van de Archiefwet 1995 (Stb. 276). De lijst is opgezet als basisselectiedocument (BSD). Een BSD bestaat voor het grootste deel uit een lijst van handelingen. Onder een handeling wordt verstaan een geheel van activiteiten (resulterende in een extern eindproduct) dat een overheidsorgaan verricht ter vervulling van een specifieke taak of bevoegdheid. Dit BSD is gebaseerd op de handelingen, zoals beschreven in drs. T.I. van Galen-Steegstra, Emancipatie kun je leren. Een institutioneel onderzoek het beleidsterrein emancipatie en gelijke behandeling, 1965–1998 (PIVOT-rapport 131).

Het BSD wordt gebruikt om een onderscheid te maken tussen archiefbescheiden die moeten worden bewaard en overgebracht naar de Rijksarchiefdienst en archiefbescheiden die op termijn worden vernietigd. De selectiedoelstelling voor de archieven van de rijksoverheid luidt: ‘het mogelijk maken van de reconstructie van het overheidshandelen in relatie tot zijn omgeving op hoofdlijnen’. De handelingen – en dus de neerslag van die handelingen – worden voor de selectie beoordeeld op hun waarde voor het reconstrueren van het handelen van de rijksoverheid op hoofdlijnen.

In dit BSD zijn de handelingen geordend naar actoren. De actoren die onder de zorg van een zorgdrager (minister) vallen zijn geplaatst bij de minister onder wiens zorg het archief valt.

Onder de actor Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn alle handelingen geplaatst die deze minister verricht, zowel als coördinerend minister en als vakminister.

Alleen de handelingen van de actoren waarvan de zorgdragers hebben deelgenomen aan de vaststelling van de selectielijst worden gewaardeerd.

In dit BSD wordt in het kort een schets gegeven van het beleidsterrein. In de hoofdstukken daarna worden per actor de handelingen in oplopende nummering vermeldt met een voorstel voor de waardering.

Ten behoeve van de selectie zijn door PIVOT een aantal criteria geformuleerd die op elk beleidsterrein, voor elk BSD van toepassing zijn. Daarnaast kunnen er per beleidsterrein specifieke selectiecriteria worden geformuleerd.

De selectiecriteria zijn positief geformuleerd, dat wil zeggen dat zij aangegeven van welke handelingen de neerslag na 20 jaar naar een rijksarchief dient te worden overgebracht. Handelingen die aan een van de criteria voldoen, zijn gewaardeerd voor Bewaren (B). Bij de waardering staat het nummer van het criterium vermeldt.

Handelingen die niet voldoen aan een van de criteria, worden gewaardeerd voor Vernietiging (V). Daarbij wordt een termijn vastgesteld waarbinnen de archiefbescheiden niet mogen worden vernietigd.

In een BSD wordt op grond van een aantal selectiecriteria aan elke handeling een waardering gegeven, die neerkomt op een selectiebeslissing over de bescheiden die de neerslag van de handeling vormen. B wil zeggen ‘te Bewaren’ en in goede, geordende en toegankelijke staat overbrengen naar de Rijksarchiefdienst. V wil zeggen op termijn ‘te Vernietigen’.

Deze criteria zijn:

Algemene selectiecriteria

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren.

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen.

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt.

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten.

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

1. Taakgebieden en beleidsterreinen op ministerieel niveau

1.1. Taken en beleidsterreinen

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid speelt, samen met de departementen van Economische Zaken en Financiën, een belangrijke rol bij het tot stand komen van het sociaal-economisch beleid van de Nederlandse regering.

De hoofddoelen die het ministerie zich stelt, liggen op het terrein van arbeid en inkomen. Ten aanzien van arbeid wordt beoogd de deelname aan betaalde, kwalitatief goede arbeid te bevorderen, en te trachten onvrijwillige uitval te voorkomen. Wat inkomen betreft, heeft het ministerie een waarborgfunctie: zij streeft ernaar dat voor een ieder die onvrijwillig geheel of gedeeltelijk zonder arbeid zit, alsmede voor een ieder die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, een basis niveau van inkomen gehandhaafd wordt.

Bij de aanvang van een nieuwe regeringsperiode wordt in het regeerakkoord aangegeven met welk beleid invulling zal worden gegeven aan de hoofddoelstellingen van het sociaal-economisch beleid, en welke beleidsdoelen prioriteit krijgen. Ook in de memorie van toelichting op de jaarlijkse rijksbegroting worden de hoofdlijnen van het beleid toegelicht.

Sinds 1992 wordt daarnaast door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de jaarlijkse sociale nota opgesteld. Hierin zijn de beleidsvoornemens van het ministerie voor de middellange termijn beschreven.

In PIVOT-termen kunnen de hoofddoelstellingen van het beleid worden vertaald in taakgebieden. Binnen de taakgebieden arbeid en inkomen onderscheiden we de volgende beleidsterreinen:

Dit laatstgenoemde beleidsterrein, de coördinatie van het emancipatiebeleid, is het onderwerp van dit rapport. De andere beleidsterreinen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn allen in andere PIVOT-rapporten aan de orde gekomen.

1.2. Het coördinerend ministerie

Toen halverwege de jaren zeventig door de toenmalige regering besloten werd een actief emancipatiebeleid te gaan voeren, werd het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk aangewezen als coördinerend ministerieHet ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk was de taakvoorganger van ons huidige ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.. Van Doorn, die in 1974 minister van CRM was, werd de eerste coördinerend minister voor het emancipatiebeleid.

Toen in 1981 de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het emancipatiebeleid van het ministerie van CRM naar het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verhuisde, werd de minister van SZW de coördinerend bewindspersoon voor het emancipatiebeleid.

Het coördinerend ministerschap betekende dat minister Van Doorn, en alle coördinerend ministers na hem, niet alleen verantwoordelijk was voor het emancipatiebeleid zoals dat binnen het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tot stand kwam, maar tevens voor de afstemming tussen alle emancipatiebeleid van de verscheidene ministeries.

Emancipatiebeleid diende facetbeleid te zijn; een aspect dat in elk beleidsterrein terug hoorde te komen. Iedere minister draagt op zijn beurt de verantwoordelijkheid voor dat deel van het emancipatiebeleid dat binnen zijn ministerie wordt ontwikkeld en uitgevoerd. Om versnippering en elkaar tegenwerkend beleid te voorkomen, werd het coördinerend ministerschap ingesteld.

Binnen elk departement zijn deskundige ambtenaren belast met de zorg voor het emancipatiebeleid. Hierbij dient een onderscheid gemaakt te worden tussen intern en extern emancipatiebeleid van de departementen. Intern emancipatiebeleid omvat die maatregelen die op het ministerie genomen worden om ten aanzien van het eigen personeel de doelstellingen van het emancipatiebeleid te bereiken. Hierbij valt te denken aan maatregelen die betrekking hebben op het eigen personeelsbeleid, zoals positieve actie ten aanzien van vrouwelijke sollicitantenEr is een rapport institutioneel onderzoek voor het overheidspersoneelsbeleid in voorbereiding, waarbij zaken als het positieve actiebeleid voor vrouwen bij de overheid aan de orde zullen komen.. Extern emancipatiebeleid is al dat beleid dat gericht is op de emancipatie van vrouwen in de samenleving. Voorbeelden van extern emancipatiebeleid zijn het beleid ten aanzien van allochtone vrouwen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, het beleid gericht op het stimuleren van vrouwelijk ondernemerschap bij het ministerie van Financiën, en bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de maatregelen gericht op de positie van de vrouw in de agrarische sector.

De minister belast met de coördinatie van het emancipatiebeleid:

1974–1981: de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk;

1981–heden: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

1.3. De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid

Naast het coördinerend ministerschap werd in de loop van de jaren zeventig een ambtelijke organisatie in het leven geroepen om het emancipatiebeleid van de verschillende departementen te initiëren, te stimuleren en te integreren.

De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid (DCE) begon in 1978 als onderdeel van het Directoraat-generaal voor Maatschappelijke Ontwikkeling van het ministerie van CRM. Kort gezegd is de taak van DCE het ontwikkelen, coördineren en uitvoeren van een samenhangend beleid dat gericht is op de emancipatie van vrouwen. Voor wat het emancipatiebeleid betreft is DCE, in zijn coördinerende rol, een schakel tussen de departementen.

Met de verhuizing van de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van het emancipatiebeleid van het ministerie van CRM naar het ministerie van SZW, in 1981, verhuisde ook de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid mee naar het nieuwe ministerie. Bestuursorganisatorisch staat DCE binnen het ministerie van Sociale Zaken los van de Directoraten-generaal.

De Directie Coördinatie Emancipatiebeleid neemt een bijzondere plaats in binnen de rijksoverheid. DCE houdt zich bezig met het externe emancipatiebeleid van alle departementen; en functioneert aldus op het grensvlak van de interdepartementale en departementale structuur. Tot halverwege de jaren negentig hield DCE zich daarnaast bezig met het interne emancipatiebeleid van het ministerie van SZW; hieraan is inmiddels een einde gekomen.

De belangrijkste taken van de Directie Coördinatie Emancipatiebeleid zijn:

2. Het beleidsterrein Emancipatie

2.1. Definiëring

Ons woord emancipatie is afgeleid van de Latijnse aanduiding voor een plechtige vrijlating van een zoon uit de vaderlijke macht. Tegenwoordig verstaan we hieronder meer in het algemeen een bevrijding van wettelijke, sociale, politieke, morele of intellectuele beperkingen; een streven naar gelijkgerechtigdheid.

In ons taalgebruik wordt het begrip ‘emancipatie’ veelal gelijkgesteld met ‘feminisme’. Feminisme is een streven naar een gelijkwaardige behandeling van vrouwen ten opzichte van mannen (met name op het maatschappelijke, economische, en juridische vlak), alsook naar doorbreking van traditionele rolpatronen. Waar het feminisme uitsluitend betrekking heeft op vrouwen, kan emancipatie op veel meer groepen uit de samenleving betrekking hebben. Zo kunnen ook gehandicapten, allochtonen, of homoseksuelen streven naar emancipatie van hun groep.

Beleid wordt wel gedefinieerd als ‘het streven naar het bereiken van bepaalde doeleinden met bepaalde middelen en bepaalde tijdskeuzen’A. Hoogerwerf, ‘Beleid, processen en effecten’, in: Hoogerwerf en Herwijer (red.), Overheidsbeleid; een inleiding in de beleidswetenschap, Alphen aan den Rijn: Samson, 1998, p. 23.. Behalve een samenstel van doeleinden, middelen en tijdskeuzen is beleid tevens een antwoord op een probleem. Een probleem is te omschrijven als een discrepantie tussen een maatstaf (norm of gewenste situatie) en een voorstelling van een bestaande of verwachte situatie. In het geval van emancipatie is een ongelijkheid in de behandeling van mannen en vrouwen geconstateerd. Deze ongelijkheid wordt als een probleem ervaren, doordat in onze samenleving de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen de norm is.

In de instellingsbeschikking van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid (ICE) uit 1987 is emancipatiebeleid als volgt verwoord: het beleid dat is gericht op verbetering van de positie van vrouwen en op de daarmee samenhangende veranderingen in de positie van mannen en in de maatschappij als geheel.

Het beleidsterrein emancipatie omvat het geheel van het beleid van de Nederlandse overheid dat erop gericht is de bestaande ongelijkheid in behandeling van mannen en vrouwen op te heffen.

Wat als een probleem wordt gezien, hoe een probleem gedefinieerd wordt, en welke doeleinden en middelen acceptabel zijn, zijn elementen die sterk afhankelijk zijn van subjectieve maatstaven en beelden. Daarnaast zijn deze elementen allen aan verandering onderhevig. De doelstellingen en instrumenten van het emancipatiebeleid zullen in de volgende twee paragrafen nader aan de orde komen.

2.2. Beleidsdoelstellingen

Met het veranderende denken over de positie van de vrouw in de Nederlandse samenleving, zijn ook de doelstellingen van het emancipatiebeleid in de loop der jaren verschoven. Toen de overheid in het begin van de jaren zeventig een begin maakte met emancipatiebeleid, werd de achterstand van vrouwen als uitgangspunt genomen. Het ging hierbij met name over het wegnemen van formele ongelijke berechtiging, en over het doorbreken van rolpatronen. Mede gevoed door een tekort aan onderwijzeressen en verpleegsters werden gehuwde vrouwen aangespoord niet langer thuis te blijven, maar weer aan het werk te gaan.

In de loop van de jaren tachtig verschoof de aandacht van het doorbreken van rolpatronen naar de verschillen tussen mannen en vrouwen op sociaal-economisch gebied. Niet langer werd de achterstand van vrouwen als het probleem gezien. In plaats daarvan ging de aandacht uit naar de structurele en culturele belemmeringen die de verdere totstandkoming van een geëmancipeerde samenleving in de weg zouden staan.

De doelstelling van het emancipatiebeleid is door de overheid in het Beleidsprogramma Emancipatie uit 1985 als volgt gedefinieerd: Het bevorderen van de ontwikkeling van de huidige maatschappij, waarin sekse nog in zo hoge mate is geïnstitutionaliseerd, naar een pluriforme maatschappij, waarin ieder ongeacht sekse of burgerlijke staat de mogelijkheid heeft een zelfstandig bestaan te verwerven en waarin vrouwen en mannen gelijke rechten, kansen, vrijheden en verantwoordelijkheden kunnen realiseren.

In de praktijk ging het voornamelijk om herverdeling van arbeid en inkomen. Vrouwen moesten meer dan tevoren de kansen en mogelijkheden krijgen om volwaardig aan het arbeidsproces deel te nemen, en op die wijze een eigen positie, aanzien, macht en inkomen te verwerven.

Aan het eind van de jaren tachtig, kwam het accent meer te liggen op de jongere generaties. Het beleid was gericht op de verwezenlijking van zelfstandigheid van de generatie die na 1990 de leeftijd van 18 jaar zouden bereiken. Aanvankelijk richtte de overheid zich vooral op het bevorderen van economische zelfstandigheid van meisjes. Later groeide het besef dat ook de jongens niet alleen op economisch, maar ook op maatschappelijk gebied (zorgtaken) zelfstandigheid dienden te verwerven.

Begin jaren negentig kwam de overheid, mede op basis van het onderzoeksrapport ‘Emancipatie ten halve geregeld’, tot de conclusie dat de arbeidsparticipatie van vrouwen wel vergroot was, maar dat er weinig vooruitgang was geboekt ten aanzien van de verdeling van arbeid en zorg voor kinderen en overige onbetaalde arbeidS. Keuzenkamp en A. Teunissen, Emancipatie ten halve geregeld; continuïteit en inenging in het emancipatiebeleid, Den Haag, SZW, 1990.. De doelstelling van het emancipatiebeleid verschoof hiermee naar het bereiken van een situatie waarin mannen en vrouwen in staat gesteld worden arbeid, zorg, en sociale en politieke activiteiten op meerdere manieren te combineren; iedereen moet actief kunnen zijn in verschillende levenssferen.

Behalve het mogelijk maken van het combineren van arbeid en zorg, was in de jaren negentig het emancipatiebeleid van de overheid gericht op het bereiken van een mentaliteitsverandering. Te lang was binnen het emancipatiebeleid uitgegaan van de gedachte dat (groepen) vrouwen in een achterstandspositie verkeerden. In plaats daarvan moest de diversiteit in de samenleving – in sekse, leeftijd, etniciteit, seksuele voorkeur, en religie – gezien worden als een bron van kwaliteit. Doelstelling van het emancipatiebeleid werd de erkenning van het belang van diversiteit voor de samenleving als geheel.

2.3. Beleidsinstrumenten

De instrumenten die de rijksoverheid in de loop der jaren heeft benut om de hierboven opgesomde doelstellingen te bereiken, zijn divers. Ze zijn zowel afzonderlijk, als in samenhang met elkaar ingezet om de doelstellingen van het emancipatiebeleid te bereiken.

Deze instrumenten zijn in de eerste plaats ingezet voor het opheffen van formele ongelijke berechtiging van mannen en vrouwen; en het bestrijden van discriminatie. Het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de aanvaarding, uitvoering, en beloning van arbeid werd verboden. Voor het toezicht op de naleving van de wetten werden commissies ingesteld waar individuen en groepen een klacht in konden dienen indien ze meenden dat er een onwettig onderscheid was gemaakt op grond van hun sekse. Een voorbeeld van dergelijke wetgeving in Nederland is de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen uit 1980. Op supranationaal niveau kunnen bijvoorbeeld de Europese richtlijnen inzake gelijke behandeling genoemd worden.

Binnen het emancipatiebeleid is vooral subsidie als beleidsinstrument sterk ontwikkeld. Subsidies zijn vooral gericht op de emancipatie-ondersteuning. Landelijk opererende emancipatie instellingen kunnen subsidie krijgen voor hun activiteiten. Doel van het ondersteuningsbeleid is het stimuleren van de wisselwerking tussen overheid en vrouwenbeweging, om zo de vernieuwing van het beleid te bevorderen. Subsidies worden zowel op structurele basis (bijvoorbeeld aan het IIAV) als tijdelijk (zoals aan de VeM-bureaus) toegekend.

Ook wordt onderzoek, zoals bijvoorbeeld aan de vakgroepen Vrouwenstudies gestimuleerd.

Enerzijds probeert de overheid bestaande onderzoekskaders te stimuleren emancipatie-aspecten in hun onderzoeken op te nemen. Anderzijds stimuleert zijn specifiek emancipatie-onderzoek. In 1979 was in dat kader de Voorlopige Begeleidingsgroep Emancipatie-Onderzoek (VBEO) ingesteld. Deze werd in 1985 opgevolgd door de Stimuleringsgroep Emancipatie-Onderzoek (STEO).

Door de jaren heen zijn mentaliteitsverandering en doorbreking van rol beperkingen belangrijke doelstellingen geweest van het emancipatiebeleid. In dit kader zijn er veel overheidspublicaties verschenen. Sinds enige jaren verschijnen bijvoorbeeld de jaarboeken emancipatie. Ook zijn er enkele landelijke campagnes geweest die met name vanwege hun televisiespotjes bekend zijn geworden. Voorbeelden hiervan zijn: ‘Kies exact’, ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’, en ‘Seks is natuurlijk maar nooit vanzelfsprekend’. Voorlichting is ook een belangrijk instrument waar het de informatievoorziening over nieuwe wet- en regelgeving betreft. Met behulp van brochures als ‘Gelijke behandeling je goed recht’ en ‘Medezeggenschap en positieve actie voor vrouwen’ worden bedrijven en personen op de hoogte gebracht van hun rechten en plichten. Over het emancipatiebeleid verschijnt van de overheid het tijdschrift ‘Op gelijk voet’.

Een emancipatie-effectrapportage is een systematisch onderzoek dat uitgevoerd wordt naar beleidsvoornemens waarin wordt nagegaan wat de gewenste en ongewenste (neven-)effecten kunnen zijn van het voorgenomen beleid voor de positie van vrouwen en mannen in de samenleving. Mogelijke gewenste en ongewenste effecten van beleid worden op deze wijze vooraf in kaart gebracht.

Ook tijdens de uitvoeringsfase en achteraf worden vele programma’s geëvalueerd. Door middel van kengetallen tracht de overheid meer inzicht te krijgen in de effecten van specifieke programma’s.

Onder positieve actie verstaan we de maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de positie van vrouwen in arbeidsorganisaties. Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn, streefcijfers, een voorkeursbehandeling voor vrouwen bij gelijke geschiktheid, en loopbaanprojecten voor vrouwen.

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(N.B. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is als coördinerend minister voor emancipatie, ook als zorgdrager voor de archieven van zijn rechtsvoorganger aan te merken.)

De coördinatie van het emancipatiebeleid

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

o.a.

Beleidsprogramma Emancipatie ‘Met het oog op 1995’ (1992–1993)

Beleidsplan Emancipatie 1985

Emancipatie in uitvoering; koersbepaling van het emancipatiebeleid na 1995 (1995–1996)

Beleidsbrief Emancipatie 1997

Voortgangsbrief Emancipatiebeleid 1997–1998

Begrotingsbrief Emancipatiebeleid 1999

Kansen op combineren; arbeid, zorg en economische zelfstandigheid (1997)

Op weg naar een nieuw evenwicht tussen arbeid en zorg (1999)

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de coördinatie van het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen inzake de coördinatie van het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende de coördinatie van het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen betreffende het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Verweerschriften

Opmerking: Zie hiervoor onder meer het rapport institutioneel onderzoek over de Raad van State.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het gedrukte voorlichtingsmateriaal wordt één exemplaar bewaard.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden van wetenschappelijk) onderzoek betreffende de coördinatie van het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Nota’s, notities, onderzoeksrapporten.

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en rapporten van onderzoek betreffende de coördinatie van het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Nota’s, notities

Waardering: B 1

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor de instelling van een commissie voor de interdepartementale coördinatie van het emancipatiebeleid.

Periode: 1976–

Product: Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid (Stcrt. 1977/42)

Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid (Stcrt. 1987/23)

Opmerking: Een jaar voor de formele instelling van de ICE functioneerde er reeds een interdepartementale werkgroep emancipatiebeleid.

Waardering: B 1

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een voorzitter, lid of secretaris van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid.

Periode: 1977–

Grondslag: Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid, 1977, art. 3, lid 5

Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid, 1987, art.7

Product: Benoeming, ontslag

Opmerking: De minister benoemt de leden op bindende voordracht van de vakministers.

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het instemmen met het doen bijstaan van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid door een deskundige.

Periode: 1977–1987

Grondslag: Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid, 1977, art. 5, lid 1

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het toekennen van een vergoeding voor reis- en verblijfkosten, of een andere vergoeding aan een deskundige die de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatie bijstaat.

Periode: 1977–1987

Grondslag: Instellingsbeschikking Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatie, 1977, art. 5, lid 3 en lid 4

Product: Vergoeding

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor de instelling van een adviesorgaan voor het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie (Stcrt.1974/243)

Opmerking: De Nationale Adviescommissie Emancipatie was de taakvoorganger van de Emancipatieraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het goedkeuren van het reglement voor de werkwijze van de Nationale adviescommissie emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie, 1974, art. 10

Product: Ministerieel besluit

Opmerking: De commissie stelde zelf haar reglement op.

Waardering: V, 1 jaar na geldigheidsduur

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een voorzitter of lid van de Nationale adviescommissie emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie, 1974, art. 3, lid 2

Product: Benoeming of ontslag

Opmerking: De Nationale adviescommissie emancipatie kon een voordracht ter benoeming van een lid doen, en zij benoemde zelf haar vice-voorzitter.

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het toevoegen van een vertegenwoordiger aan de Nationale adviescommissie emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie, 1974, art. 4

Opmerking: Deze vertegenwoordigers hadden in de commissie uitsluitend een adviserende stem.

De minister van Buitenlandse Zaken had dit recht vanaf 1976.

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het aanwijzen van een lid van het secretariaat van de Nationale adviescommissie emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie, 1974, art. 9

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het goedkeuren van de begroting van de Nationale adviescommissie emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie, 1974, art. 11

Product: Ministerieel besluit

Opmerking: Het betreft hier de begroting van de kosten voortvloeiende uit de door of namens, dan wel in opdracht van de Nationale adviescommissie emancipatie te verrichten werkzaamheden.

Na goedkeuring werden deze kosten door het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk gedragen.

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het vergoeden van reis- en verblijfkosten aan een lid van de Nationale adviescommissie emancipatie.

Periode: 1974–1981

Grondslag: Instellingsbesluit Nationale adviescommissie emancipatie, 1974, art. 12

Product: Vergoedingen

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het voorbereiden van een wet of regeling voor de instelling van een adviesorgaan voor het emancipatiebeleid.

Periode: 1965–

Product: Wet op de Emancipatieraad (Stb.1981 / 65)

Opmerking: De Emancipatieraad was de taakopvolger van de Nationale adviescommissie emancipatie.

Waardering: B 1

Handeling: Het goedkeuren van het reglement voor de werkwijze van de Emancipatieraad.

Periode: 1981–1997

Grondslag: Wet op de Emancipatieraad, 1981, art. 10, lid 1

Product: Ministerieel besluit

Opmerking: De raad stelde zelf zijn reglement op.

Waardering: V, 1 jaar na geldigheidsduur

Handeling: Het voorbereiden van een Kb tot benoeming of ontslag van een voorzitter of lid van de Emancipatieraad.

Periode: 1981–1997

Grondslag: Wet op de Emancipatieraad, 1981, art. 4, lid 2

Product: Koninklijk besluit

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het vordragen ter benoeming of ontslag van de secretaris van de Emancipatieraad.

Periode: 1981–1997

Grondslag: Wet op de Emancipatieraad, 1981, art. 9, lid 2

Product: Voordracht ter benoeming of ontslag

Opmerking: De secretaris van de Emancipatieraad is tevens hoofd van het bureau van de Emancipatieraad.

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een medewerker van het bureau van de Emancipatieraad.

Periode: 1981–1997

Grondslag: Wet op de Emancipatieraad, 1981, art. 9, lid 3

Product: Benoeming of ontslag

Waardering: Zie hiervoor de handelingen 64 en 391 uit het Basisselectiedocument Overheidsperoneel; Deelbeleidsterrein Arbeidsvoorwaarden Rijkspersoneel

Gelijke behandeling

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Periode: 1965–

Grondslag:

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de Ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het voordragen van wetten betreffende gelijke behandeling en non-discriminatie.

Grondslag: Grondwet 1938–1972, art. 4

Grondwet 1983–1995, art. 1

Richtlijn van de Raad voor Europa Raad van Europese Gemeenschappen betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgeving der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, 1975, art. 8, lid 1

Product: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stb.1975/129)

Algemene wet gelijke behandeling (1994/230)

Opmerking: Artikel 8, lid 2 van de richtlijn van de Raad voor Europa verplicht de lidstaten aan de Commissie de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij aannemen op het door deze richtlijn bestreken gebied mee te delen.

Ook op het terrein van de pensioenen heeft de minister wetswijzigingen voorgedragen die non-discriminatie naar ras en geslacht moesten waarborgen. Een voorbeeld hiervan is de Wijzigingswet pensioen- en spaarfondsen (Stb.1991/445). Zie hiervoor het rapport institutioneel onderzoek: ‘Verstrekkende zekerheid; het beleidsterrein sociale verzekeringen’.

Waardering: B 1

Handeling: Het bij algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels ten aanzien van de functiewaardering van arbeid, en de waardering van arbeid van gelijke waarde.

Periode: 1975–

Product: AMVB (tot op heden nog niet geregeld)

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 7

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 10

Waardering: B 5

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965 –

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen.

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965 –

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965–

Product: Verweerschriften

Opmerking: Zie hiervoor onder meer het rapport institutioneel onderzoek over de Raad van State.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het eindproduct een exemplaar bewaren.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965–

Product: Nota’s, notities,

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en onderzoeksrapporten betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1965 –

Product: Offertes, onderzoeksrapporten

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere regels voor de werkwijze en procedures van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1975–1989

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 15

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1980, art. 6, lid 7

Opmerking: Vanaf 1980 diende de minister hierover overeenstemming te bereiken met de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk / Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Vanaf 1989 mocht de Commissie zelf regels stellen voor haar werkwijze en procedures.

Waardering: B 4

Handeling: Het goedkeuren van de door de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid gestelde regels voor haar werkwijze en procedures.

Periode: 1989–1994

Grondslag: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 15, lid 2

Opmerking: Vóór 1989 stelde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de regels voor de werkwijzen en procedures van de commissie vast.

Waardering: V, 5 jaar na afloop van de beroepsprocedure

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar als (plaatsvervangend) voorzitter van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1975–1989

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 11, lid 2

Product: Benoeming

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een (plaatsvervangend) lid van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Periode: 1975–1994

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 11, lid 2 en lid 5

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1980, art. 6, lid 5

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 16, lid 2

Product: o.a.

Besluit benoeming leden Commissie voor gelijk loon voor vrouwen en mannen (Stcrt.1975/127)

Besluit benoeming leden Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (Stcrt.1980/120)

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een persoon die de Commissie gelijk behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid kan bijstaan bij de uitoefening van haar taak.

Periode: 1975–1989

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 12, lid 2 en lid 3

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1980, art. 6, lid 6

Product: Benoeming of ontslag

Opmerking: De Commissie deed voor deze benoeming een voordracht bij de minister.

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het toestemmen met de inschakeling van een persoon die de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid kan bijstaan bij de uitoefening van haar taak.

Periode: 1989–1994

Grondslag: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 17, lid 2

Product: Ministerieel besluit

Opmerking: Tussen 1975 benoemde de minister deze persoon zelf, na voordracht van de Commissie. Vanaf 1989 kon de Commissie de persoon benoemen, maar was de toestemming van de minister nodig indien de inschakeling van deze persoon extra kosten met zich mee zou brengen.

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden.

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid kan bijstaan bij de uitoefening van haar taak.

Periode: 1975–1994

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 12, lid 1

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1980, art. 6, lid 6

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 17, lid 1

Product: o.a.

Besluit aanwijzing ambtenaren Loontechnische Dienst voor het bijstaan Commissie voor gelijk loon voor mannen en vrouwen (Stcrt.1975/127)

Besluit aanwijzing ambtenaren Loontechnische Dienst (Stcrt.1980/120)

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het aanwijzen van ambtenaren die een onderzoek kunnen uitvoeren naar een onwettig onderscheid in de behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid

Periode: 1989–

Grondslag: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 21, lid 1

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het overeenstemmen met de minister van Justitie inzake de benoeming van een (plaatsvervangend) lid van de Commissie gelijke behandeling

Periode: 1994 –

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art. 16, lid 3

Waardering: V, 1 jaar na geldigheidsduur

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar die de Commissie gelijke behandeling kan bijstaan bij de uitoefening van de taak

Periode: 1975–1994

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art. 18, lid 1

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het verlenen van een vergoeding voor reis- en verblijfkosten aan de leden van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, en aan niet-ambtenaren die de commissie bijstaan bij de uitoefening van haar taak.

Periode: 1975–1994

Grondslag: Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, 1975, art. 13

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1980, art. 6, lid 6

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 20

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het onderzoeken en beoordelen of er een onwettig onderscheid is gemaakt in de behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, of bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst.

Periode: 1980–1994

Grondslag: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1980, art. 6, lid 3

Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, 1989, art. 21, lid 1

Product: Rapport

Opmerking: De minister deed een dergelijk onderzoek op verzoek van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, of op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken.

Tussen 1980 en 1989 had de minister van Binnenlandse Zaken de mogelijkheid zelf, eventueel op verzoek van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de burgerlijke openbare dienst, een dergelijk onderzoek in te stellen.

Het betreft hier onderzoeken naar individuele gevallen.

Waardering: B 5

Handeling: Het overeenstemmen met de minister van Binnenlandse Zaken over de vijfjaarlijkse rapportage aan de Staten Generaal over de werking in de praktijk van de Algemene wet gelijke behandeling, de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en artikel 1637ij van het BW / art. 646, boek 7, NBW.

Periode: 1994–

Grondslag: Algemene wet gelijke behandeling, 1994, art. 33

Product: Rapporten

Opmerking: Zie ook handeling 113.

Waardering: B 5

Vrouwenemancipatie

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Grondslag:

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen.

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de Ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Grondslag:

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen.

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de Ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging, en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over het beleid met betrekking tot de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over het beleid met betrekking tot de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal over het beleid met betrekking tot de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal over het beleid met betrekking tot werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid met betrekking tot de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid met betrekking tot de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het beleid voor de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het beleid voor de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen betreffende het beleid voor de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Verweerschriften

Opmerking: Zie hiervoor onder meer het rapport institutioneel onderzoek over de Raad van State.

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen betreffende het beleid voor de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Verweerschriften

Opmerking: Zie hiervoor onder meer het rapport institutioneel onderzoek over de Raad van State.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid betreffende de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid betreffende de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het eindproduct blijft een exemplaar bewaard.

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de werkgelegenheid voor vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het eindproduct blijft een exemplaar bewaard.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden intern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de vrouwenhulpverlening.

Periode: 1965–

Product: Nota’s, notities,

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en rapporten van intern onderzoek betreffende de vrouwenhulpverlening

Periode: 1965–

Product: Offertes, onderzoeksrapporten

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de werkgelegenheid van vrouwen

Periode: 1965–

Product: Nota’s, notities,

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en rapporten van intern onderzoek betreffende de werkgelegenheid van vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Offertes, onderzoeksrapporten

Waardering: B 1

Handeling: Het aanwijzen van een ambtenaar als waarnemer bij de Adviesgroep vrouwenhulpverlening.

Periode: 1988–1992

Grondslag: Instellingsbeschikking Adviesgroep vrouwenhulpverlening, 1988, art. 4, lid 3

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor de instelling van een projectgroep op het terrein van de werkgelegenheid voor vrouwen.

Product: Instellingsbesluit Projectgroep vrouw en werkgelegenheid (Stcrt.1983/187)

Opmerking: Deze instelling kwam in overeenstemming met de ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, van Onderwijs en Wetenschappen, en van Economische Zaken tot stand.

Waardering: B 1

Handeling: Het aanwijzen van een lid, voorzitter of secretaris van de Projectgroep vrouw en werkgelegenheid.

Periode: 1983–1986

Grondslag: Instellingsbesluit Projectgroep vrouw en werkgelegenheid, 1983, art. 4

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Homo-emancipatie

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid ter voorkoming en bestrijding van anti-homoseksueel gedrag.

Periode: 1965–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

o.a. ‘Overheidsbeleid en homoseksualiteit’ (Justitie, 1987)

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B 1

Emancipatie van allochtone vrouwen

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen inzake het beleid betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende het emancipatiebeleid voor allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen betreffende het emancipatiebeleid voor allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Verweerschriften

Opmerking: Zie hiervoor onder meer het rapport institutioneel onderzoek over de Raad van State.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen betreffende het emancipatiebeleid voor allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1981–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het eindproduct blijft een exemplaar bewaard.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Nota’s, notities,

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en onderzoeksrapporten betreffende de emancipatie van allochtone vrouwen.

Periode: 1965–

Product: Offertes, onderzoeksrapporten

Waardering: B 1

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor de instelling van een adviesgroep op het terrein van vrouwen- en minderhedenbeleid.

Product: Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid (Stcrt.1989/25).

Opmerking: Deze regeling verving het instellingsbesluit van 23 augustus 1984. De instelling geschiedde in overeenstemming met de minister van Binnenlandse Zaken die verantwoordelijk is voor de coördinatie van het minderhedenbeleid

Waardering: B 1

Handeling: Het aanwijzen van een voorzitter of secretaris van de Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid.

Periode: 1984–1990

Grondslag: Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1984

Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1989, art. 4, lid 2

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het aanwijzen van een lid van de Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid.

Periode: 1984–1990

Grondslag: Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1984

Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1989, art. 4, lid 3

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het bekostigen van in opdracht van de Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid door derden uitgevoerd onderzoek.

Periode: 1984–1990

Grondslag: Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1984

Instellingsbesluit Interdepartementale werkgroep vrouwen- en minderhedenbeleid, 1989, art. 7, lid 3

Waardering: V, 5 jaar

Emancipatieonderzoek

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende het emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiding van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving voor het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen.

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal over het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoek van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen op het gebied van het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen op het gebied van het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Verweerschriften

Opmerking: Zie hiervoor onder meer het rapport institutioneel onderzoek over de Raad van State.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven, instellingen over het beleid betreffende emancipatieonderzoek.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het terrein van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het eindproduct blijft een exemplaar bewaard.

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor het stimuleren, coördineren, programmeren en evalueren van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het emancipatieproces.

Periode: 1965–

Product: Instellingsbesluit Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatieonderzoek (Stcrt.1979/24)

Waardering: B 1

Handeling: Het benoemen, schorsen of ontslaan van een voorzitter of lid van de Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatieonderzoek.

Periode: 1979–1985

Grondslag: Instellingsbesluit Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatie-onderzoek, 1979, art. 5, lid 2

Product: Benoeming, schorsing, ontslag

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het goedkeuren van de begroting van de Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatieonderzoek.

Periode: 1979–1985

Grondslag: Instellingsbesluit Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatie-onderzoek, 1979, art. 9

Product: Ministerieel besluit

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het bekostigen van de werkzaamheden van de Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatieonderzoek.

Periode: 1979–1985

Grondslag: Instellingsbesluit Voorlopige begeleidingsgroep emancipatieonderzoek, 1979, art. 9

Product: Vergoedingen

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het vergoeden van reis- en verblijfkosten aan niet-ambtelijke leden van de Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatieonderzoek.

Periode: 1979–1985

Grondslag: Instellingsbesluit Voorlopige begeleidingsgroep voor emancipatieonderzoek, 1979, art. 10

Product: Vergoedingen

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het voordragen van een wet of regeling voor het stimuleren, coördineren, programmeren en evalueren van wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot het emancipatieproces.

Periode: 1965–

Product: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek (Stcrt.1985/36)

Waardering: B 1

Handeling: Het benoemen of ontslaan van een voorzitter of lid van de Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek, 1985, art. 7, lid 3

Product: Benoeming, ontslag

Opmerking: De minister ontvangt hiervoor voordrachten van de vakministers, en krijgt over de benoemingen advies van de minister van Onderwijs en Wetenschappen en voor het Wetenschapsbeleid.

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Handeling: Het instellen van een Stimuleringsfonds emancipatieonderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek, 1985, art. 3

Product: Stimuleringsfonds emancipatieonderzoek

Waardering: B 1

Handeling: Het goedkeuren van een bestedingsplan of een werkplan van de Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek, 1985, art. 9, lid 1 en lid 2

Product: Ministerieel besluit

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het bekostigen van het Stimuleringsfonds emancipatieonderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek, 1985, art. 6

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het bekostigen van de werkzaamheden van de Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek, 1985, art. 10

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het toekennen van vacatiegelden aan een lid of voorzitter van de Stimuleringsgroep emancipatieonderzoek.

Periode: 1985–1991

Grondslag: Instellingsbesluit Stimuleringsgroep emancipatie-onderzoek, 1985, art. 10

Product: Vacatiegelden

Waardering: V, 5 jaar na geldigheidsduur

V, 75 jaar indien rechtspositionele/pensioenrechtelijke aanspraken ontleend kunnen worden

Joke Smit-prijs

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren, en evalueren van het beleid betreffende een prijs op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1981–

Product: Beleidsnota’s, beleidsnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen over het beleid betreffende de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Series jaarverslagen, kwartaalverslagen, maandverslagen

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal over het beleid betreffende de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen over het beleid betreffende de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Brieven, notities

Waardering: V, 2 jaar

Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten met betrekking tot de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Voorlichtingsmateriaal

Waardering: V, 2 jaar na vervallen. Van het eindproduct blijft een exemplaar bewaard.

Handeling: Het voorbereiden en begeleiden (wetenschappelijk) onderzoek betreffende de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Nota’s, notities, onderzoeksrapporten

Waardering: V, 5 jaar

Handeling: Het vaststellen van opdrachten en onderzoeksrapporten betreffende de Joke Smit-prijs.

Periode: 1981–

Product: Nota’s, notities

Waardering: B 1

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een regeling voor een prijs op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1985–

Product: Besluit tot instelling van de Joke Smit-prijs (Stb.1985/597)

Waardering: B 1

Handeling: Het stellen van nadere regels voor de toekenning van de Joke Smit-prijs.

Periode: 1985–

Grondslag: Besluit tot instelling van de Joke Smit-prijs, 1985, art. 3, lid 2

Waardering: B 5

Handeling: Het benoemen van een jury inzake de toekenning van de Joke Smit-prijs

Periode: 1985–

Grondslag: Besluit tot instelling van de Joke Smit-prijs, 1985, art. 3, lid 1

Product: Benoeming

Waardering: B 5

Handeling: Het toekennen van de Joke Smit-prijs aan een persoon, groep of instantie die een fundamentele bijdrage heeft geleverd aan de verbetering van de positie van de vrouw in de Nederlandse samenleving.

Periode: 1985–

Grondslag: Besluit tot instelling van de Joke Smit-prijs, 1985, art. 2 en art. 3

Opmerking: De minister kent de prijs toe in overeenstemming met de vakministers, en op advies van de jury van de Joke Smit-prijs.

Waardering: B 1

Subsidiëring

Handeling: Het voorbereiden, mede-vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende de subsidiëring van emancipatieprojecten.

Periode: 1965–

Product: Beleidsnota’s, beleidnotities, (evaluatie)rapporten, adviezen

o.a.:

Opmerking: De eigenlijke vaststelling van het beleid vindt plaats in de ministerraad.

Waardering: B 1

Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het terrein van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: V, 5 jaar na het verstrijken van de bezwaartermijn

Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving betreffende de subsidiëring van projecten en instellingen op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Wetten, algemene maatregelen van bestuur, koninklijke besluiten

Waardering: B 1

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen inzake de subsidiëring van projecten en instellingen op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Series jaarverslagen, maandverslagen, kwartaalverslagen

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten Generaal betreffende de subsidiëring van projecten en instellingen op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Waardering: B 2, 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende de subsidiëring van projecten en instellingen op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Brieven, notities

Opmerking: Zie voor de handelingen van de Ombudsman het rapport institutioneel onderzoek ‘Behoorlijk behandeld; actoren en handelingen op het terrein van de Nationale Ombudsman’.

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op bezwaarschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende de subsidiëring van projecten en instellingen op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Beschikkingen

Waardering: B 3

Handeling: Het opstellen van verweerschriften ten behoeve van beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen betreffende de subsidiëring van projecten en instellingen op het gebied van de emancipatie.

Periode: 1965–

Product: Verweerschriften

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)