← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels terzake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit WWB geregelde onderwerpen (Regeling WWB)

Geldende tekst a fecha 2015-01-31

Gelet op de artikelen 31, tweede lid, onderdeel l, en vierde lid, 75, 77, derde lid, en 78, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, 10, vierde lid, van het Besluit WWB, en 4.1, vijfde lid, van het Besluit SUWI;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Beeld van de uitvoering

Artikel 2. Verslag over de uitvoering en accountantsverklaring

Vervallen

Artikel 3. Geen accountantsverklaring

Vervallen

Artikel 4. Beeld van de uitvoering
1.

Het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet wordt uiterlijk op 28 februari van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het beeld van de uitvoering betrekking heeft door de minister ontvangen.

2.

Het beeld van de uitvoering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

3.

Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, niet op de in het eerste lid genoemde datum is ontvangen, schort de minister de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in geval van overmacht uitstel is verleend.

4.

De betaling van de uitkering wordt hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen door de minister.

5.

Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien het college in gebreke blijft om binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie te verstrekken noodzakelijk voor het financieel beheer van de wet.

§ 3. Betaling

Artikel 5. Betaling
1.

Met uitzondering van de maand mei, wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8% van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet betaalbaar gesteld. In de maand mei wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen betaalbaar gesteld.

2.

Het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71 van de wet wordt aangepast, wordt in gelijke delen verrekend met de voor het betreffende kalenderjaar resterende maandelijks te betalen delen van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet.

3.

Elk van de drie delen waaruit de meerjarige aanvullende uitkering bestaat, bedoeld in artikel 10c, tweede lid, van het Besluit WWB 2007, zoals dit artikel luidde op 31 december 2014 wordt betaalbaar gesteld voor 1 april van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waar het desbetreffende deel op ziet.

4.

De incidentele aanvullende uitkering 2014 en de aanvullende uitkering 2015 worden betaalbaar gesteld voor 1 april 2016, respectievelijk 1 april 2017.

§ 4. Uit- en aanbesteding

Artikel 6. Gegevens verdeelmodel 15.000+ gemeenten

In de bijlage bij deze regeling zijn:

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Artikel 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:

§ 4. Uit- en aanbesteding

Artikel 8. Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 9. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in het kalenderjaar 2015.

Artikel 10. In aanmerking te nemen vakantietoeslag

Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat neemt het college bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.

Artikel 11. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met inkomen uit tegenwoordige arbeid

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan gelijk aan of meer dan en minder dan en minder dan en minder dan bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
0,00 490,05 8,00% x ink
490,05 531,45 5,08% x ink
531,45 639,34 7,76% x ink – € 14,25
639,34 1.341,41 5,99% x ink – € 2,96
1.341,41 5,48% x ink – € 2,70
Artikel 12. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met inkomen uit vroegere arbeid

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan gelijk aan of meer dan en minder dan en minder dan en minder dan bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
0,00 465,76 8,00% x ink
465,76 502,97 5,08% x ink
502,97 1.156,40 8,00% x ink – € 14,69
1.156,40 7,31% x ink – € 13,24
Artikel 13. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt en voor de inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan gelijk aan of meer dan en minder dan en minder dan en minder dan bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
0,00 972,81 7,99% x ink
972,81 7,31% x ink
Artikel 14. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt
1.

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een gekort ouderdomspensioen en toeslag als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet bedraagt de daarbij behorende aanspraak op vakantietoeslag voor:

a. alleenstaande 6,38% x ink
b. alleenstaande ouder, indien b. alleenstaande ouder, indien b. alleenstaande ouder, indien
– het inkomen € 1.042,55 of meer bedraagt – het inkomen € 1.042,55 of meer bedraagt – het inkomen € 1.042,55 of meer bedraagt – het inkomen € 1.042,55 of meer bedraagt 6,24% x ink – € 13,49
– het inkomen lager is dan € 1.042,55 – het inkomen lager is dan € 1.042,55 – het inkomen lager is dan € 1.042,55 6,24% x ink
c. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt c. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt c. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt c. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt 6,68% x ink
d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien
– het inkomen € 865,13 of meer bedraagt – het inkomen € 865,13 of meer bedraagt – het inkomen € 865,13 of meer bedraagt – het inkomen € 865,13 of meer bedraagt 6,68% x ink – € 12,06
– het inkomen lager is dan € 865,13 – het inkomen lager is dan € 865,13 – het inkomen lager is dan € 865,13 6,69% x ink
2.

Indien de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, naast het gekorte ouderdomspensioen en toeslag, bedoeld in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8% van dat andere inkomen.

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Artikel 15. Incidentele aanvullende uitkering 2014
1.

Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt in de periode van 1 januari tot en met 31 juli van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft, door de toetsingscommissie ontvangen. Een verzoek, dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen na 31 juli wordt niet behandeld, met dien verstande dat indien artikel 8b van de wet, onderscheidenlijk artikel 40 van de IOAW en artikel 40 van de IOAZ van toepassing is het verzoek niet in behandeling wordt genomen indien het wordt ontvangen na 31 augustus.

2.

Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

3.

Na afloop van de periode, bedoeld in het eerste lid, beslist de minister op het verzoek uiterlijk 31 december van het kalenderjaar waarin het verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering is ontvangen.

4.

Een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering kan met betrekking tot een gemeente met meer dan 10.000 inwoners slechts voor inwilliging in aanmerking komen, indien naar het oordeel van de toetsingscommissie sprake is van:

5.

Van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt is in ieder geval sprake, indien:

6.

Het vierde lid, onderdeel b, onder 2°, is niet van toepassing op gemeenten met 40.000 of minder inwoners.

7.

Het vierde lid, onderdeel b, onder 1°, is niet van toepassing, indien de onrechtmatige uitvoering in 2012 geheel of grotendeels verband houdt met de uitvoering van de op 1 januari 2012 in werking getreden en bij de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2012 weer aangepaste bepalingen van de wet, die betrekking hebben op het inkomen van een gezin.

8.

Indien naar het oordeel van de toetsingscommissie met betrekking tot een gemeente met maximaal 40.000 inwoners geen sprake is van een uitzonderlijke situatie op de arbeidsmarkt als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, kan de toetsingscommissie het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan bij de oordeelsvorming betrekken en indien dat beleid of de uitvoering daarvan daartoe aanleiding geeft, alsnog tot het oordeel komen dat het verzoek voor inwilliging in aanmerking kan komen, tenzij het gemeentelijk handhavings- en sanctiebeleid, dan wel de uitvoering daarvan naar het oordeel van de toetsingscommissie ontoereikend is.

9.

Met betrekking tot gemeenten met 10.000 of minder inwoners kan een verzoek tot een incidentele aanvullende uitkering voor inwilliging in aanmerking komen, indien naar het oordeel van de toetsingscommissie de overstijging, bedoeld in artikel in artikel 10, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit Participatiewet, niet het gevolg is van een onrechtmatige uitvoering van de wet, de IOAW of de IOAZ.

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 4a. Rechtmatige wetsuitvoering

Vervallen

§ 3. Uitkering en betaling

§ 4. Uit- en aanbesteding

§ 4. Uit- en aanbesteding

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 7a. Indexering
1.

Met ingang van de dag waarop de bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wijzigen, worden de bedragen, genoemd in artikel 7, onderdeel h, herzien met het percentage van deze wijziging.

2.

Van de herziene bedragen, bedoeld in het eerste lid, en van de dag waarop de herziening plaatsvindt wordt door de minister mededeling gedaan in de Staatscourant.

§ 6. Vakantietoeslag

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 15a. Overgangsrecht meerjarige aanvullende uitkering

De minister stelt, van een toegewezen verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering, de hoogte van het uitkeringsdeel dat betrekking heeft op 2014 vast binnen zes weken na 15 juli 2015 of, indien een gemeente haar verantwoording over de uitvoering van de wet in 2014 op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële verhoudingswet niet uiterlijk 15 juli 2015 bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ingediend, binnen zes weken na indiening van de verantwoordingsinformatie.

§ 8. Slotbepalingen

Artikel 6a. Correctiefactor te late indiening verantwoordingsinformatie

De correctiefactor, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, van het Besluit Participatiewet, bedraagt 5%.

§ 6. Vakantietoeslag

§ 8. Slotbepalingen

Artikel 5a. Opschorting betaling bij vaststelling ernstige tekortkomingen
1.

Indien de minister toepassing geeft aan artikel 76, derde lid, van de wet schort hij de betaling van de vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet gedurende ten minste drie maanden op met ingang van de eerstvolgende kalendermaand waarin de uitkering nog niet betaalbaar is gesteld.

2.

De betaling van de uitkering wordt hervat op of omstreeks de vijftiende dag van de kalendermaand nadat de periode van drie maanden is verstreken dan wel nadat de langere periode van opschorting, die de minister met toepassing van artikel 76, derde lid, van de wet heeft vastgesteld is verstreken.

§ 6. Vakantietoeslag

§ 8. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 6 van de Regeling WWB

Voor de verdeelmaatstaven, bedoeld in de bijlage bij het Besluit WWB 2007, gelden de volgende peiljaren, peildata en gewichten:

Verdeelmaatstaf Verdeelmaatstaf Peiljaar Peildatum Gewicht
Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur
1. Lage inkomens 15–64 jaar (in % van de huishoudens van 15–64 jaar met inkomen) 2007–2009 30,799
2. Eénouderhuishoudens van 15–44 jaar (in % van huishoudens van 15–64 jaar) 2010–2012 88,162
3. Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: WIA, WAO, WAJONG en WAZ (in % van inwoners van 15–64 jaar) 2011 31 december –25,521
4. Totaal allochtonen van 15–64 jaar (in % van alle inwoners van 15–64 jaar) 2010–2012 - 3,738
5. Laagopgeleiden 15–64 jaar (in % van inwoners van 15–64 jaar) 2009–2011 - 7,324
Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid
6. Huurwoningen (in % van het totaal aantal woningen) 2011 1 januari 5,193
7. Relatief regionaal klantenpotentieel (regionaal klantenpotentieel in % van het aantal inwoners) 2011 1 januari 1,716
8. Inwoners stedelijk gebied (aantal inwoners in gebied met meer dan 1000 omgevingsadressen per vierkante kilometer, in % van het aantal inwoners) 2011 1 januari –1,819
Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur
9. Werkzame beroepsbevolking (in % van totale beroepsbevolking) op COROP-niveau 2009–2011 –62,053
10. Banen handel en horeca in COROP-regio (in % totaal aantal banen COROP-regio) 2010 december –21,905
11. Procentuele gemiddelde jaarlijkse banengroei in COROP-regio 2008–2010 –3,234
12. Aantal banen in COROP-regio (in % van de beroepsbevolking in COROP-regio) 2010 december –2,571
13. Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15–64 jaar 2007–2011 –23,872
Overig Overig Overig Overig Overig
14. Vaste voet per huishouden van 15–64 jaar 5.979,985
Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens
Totaal aantal inwoners Totaal aantal inwoners 2012 1 januari
Aantal huishoudens 15–64 jaar Aantal huishoudens 15–64 jaar 2012 1 januari

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 15b. Regeling verrekening bestuurlijke boete bij recidive
1.

Indien artikel 29, zesde lid, van de IOAW of artikel 29, zesde lid, van de IOAZ van toepassing is, wordt bij de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in deze artikelen, op aanvraag een deel van de uitkering vrijgelaten overeenkomstig dit artikel met ingang van de eerste betaling na de datum van aanvraag.

2.

Voor zover de hoogte van de uitkering daartoe de ruimte biedt, is het vrijgelaten deel, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van het vierde en vijfde lid, gelijk aan de som van een naar een tijdseenheid te herleiden gedeelte voor:

3.

Van een gezamenlijke huishouding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.

Het bedrag van het vrijgelaten deel, bedoeld in het tweede lid, wordt in verband met woonkosten vermeerderd indien de belanghebbende huurder is van een woning met een kale huur van niet meer dan € 681 per maand of mede een huurwoning bewoont met zo’n huur.

5.

De vermeerdering, bedoeld in het vierde lid, bedraagt 50 procent van een naar tijdseenheid te herleiden bedrag gelijk aan het verschil tussen de kale huur per maand minus een basisbedrag van € 222 per maand.

6.

Onder kale huur als bedoel in het derde en vierde lid wordt verstaan de huurprijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning.

7.

De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders dat het recht op uitkering heeft vastgesteld.

8.

Door het college van burgemeester en wethouders kunnen bewijsstukken worden verlangd die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het vrij te laten deel en die de belanghebbende bij de aanvraag dient te overleggen.

9.

Het op grond van het tweede, vierde en vijfde lid vastgestelde bedrag van de vrijlating wordt slechts op aanvraag herzien met ingang van de eerste betaling na de datum van aanvraag, in geval er sprake is van een wijziging van de persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot een wijziging van de zorgkosten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, de kosten van kinderen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, of de woonkosten, bedoeld in het vierde lid.

§ 8. Slotbepalingen

Artikel 15c. Grondslag

Deze regeling is mede gebaseerd op de artikelen 20a, tiende lid, en 29, zesde lid, van de IOAW en 20a, tiende lid, en 29, zesde lid, van de IOAZ.

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 15aa. Aanvullende uitkering Participatiewet 2015
1.

Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt door de toetsingscommissie ontvangen in de periode van 1 januari tot en met 15 augustus 2016.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 10a, tweede lid, van het Besluit Participatiewet.

3.

Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

4.

Een verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen na 15 augustus 2016 wordt niet in behandeling genomen.

5.

De toetsingscommissie adviseert de minister uiterlijk 31 oktober 2016 over de te nemen beslissing.

6.

De toetsingscommissie kan de minister voor 15 oktober 2016 verzoeken om een aantal adviezen later dan 31 oktober vast te stellen.

7.

Indien de minister aan een verzoek als bedoeld in het zesde lid voldoet, bepaalt hij daarbij het aantal adviezen dat later kan worden vastgesteld en de datum waarop deze adviezen uiterlijk door de minister worden ontvangen.

§ 7a. Verrekening IOAW en IOAZ

§ 8. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 6 van de Regeling WWB, IOAW en IOAZ

Voor de variabelen en kenmerken, bedoeld in de bijlage bij het Besluit Participatiewet, gelden de in de tabellen 1, 2 en 3 genoemde gewichten, peiljaren en peildata:

Variabelen verklaringsmodel gewichten
Huishoudenskenmerken
Eenoudergezin met een vrouw aan het hoofd 0,9929893
Eenoudergezin met een man aan het hoofd 0,1954754
Paar zonder kinderen – 1,855849
Paar met kinderen – 0,912608
Aanwezigheid van een persoon in de leeftijd van 15-24 jaar – 0,7454493
Aanwezigheid van een persoon in de leeftijd van 55-65 jaar 0,3685052
Wonend in een koopwoning – 2,237492
Hebben van een niet-westerse achtergrond 0,7389134
Aanwezigheid van een persoon met als hoogst voltooide opleiding maximaal MBO-2 0,6825488
Aanwezigheid van een persoon met als hoogst voltooide opleiding minimaal HBO – 0,3606156
Aanwezigheid van een persoon met een arbeidsbeperking 1,386715
Aanwezigheid van een persoon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering – 1,51222
Omgevingskenmerken
Gemiddelde WOZ-waarde (logaritmisch, buurt) – 0,9823706
Matige leefbaarheid (buurt; score leefbaarheid ‘matig positief’ of lager) 0,1115834
Arbeidsmarktkansen voor hoogopgeleiden (met correcties voor grensoverschrijdende pendel) – 5,157323
Aantal werkzame personen gedeeld door het aantal personen behorend tot de potentiële beroepsbevolking (COROP) – 0,0336733
Constante 9,27598783115645
Coropnummer Corop-gebied
--- ---
1 Oost-Groningen
2 Delfzijl en omgeving
3 Overig Groningen
4 Noord-Friesland
5 Zuidwest-Friesland
6 Zuidoost-Friesland
7 Noord-Drenthe
8 Zuidoost-Drenthe
9 Zuidwest-Drenthe
10 Noord-Overijssel
11 Zuidwest-Overijssel
12 Twente
13 Veluwe
14 Achterhoek
15 Arnhem/Nijmegen
16 Zuidwest-Gelderland
17 Utrecht
18 Kop van Noord-Holland
19 Alkmaar en omgeving
20 IJmond
21 Agglomeratie Haarlem
22 Zaanstreek
23 Groot-Amsterdam
24 Het Gooi en Vechtstreek
25 Agglomeratie Leiden en Bollenstreek
26 Agglomeratie 's-Gravenhage
27 Delft en Westland
28 Oost-Zuid-Holland
29 Groot-Rijnmond
30 Zuidoost-Zuid-Holland
31 Zeeuwsch-Vlaanderen
32 Overig Zeeland
33 West-Noord-Brabant
34 Midden-Noord-Brabant
35 Noordoost-Noord-Brabant
36 Zuidoost-Noord-Brabant
37 Noord-Limburg
38 Midden-Limburg
39 Zuid-Limburg
40 Flevoland
Kenmerken van gemeenten Peiljaren
--- ---
Aantal huishoudens van 15–64 jaar 2014
Totaal aantal huishoudens van 15–64 jaar, uitgesplitst naar alleenstaanden, eenoudergezinnen man, eenoudergezinnen vrouw, paren zonder kinderen en paren met kinderen 2014
Aantal huishoudens van 15–64 jaar met een persoon in het huishouden van 15–64 jaar en van een niet-westerse herkomst 2014
Aantal huishoudens van 15–64 jaar met een persoon in het huishouden in de leeftijd van 15–24 jaar 2014
Aantal huishoudens van 15–64 jaar met een persoon in het huishouden in de leeftijd van 55–64 jaar 2014
Percentage inwoners van 15–64 jaar met een arbeidsongeschiktheidsuitkering 2013
Percentage inwoners van 15–64 jaar met een lage opleiding 2011–2013
Percentage inwoners van 15–64 jaar met een hoge opleiding 2011–2013
Percentage inwoners van 15–64 jaar met een arbeidsbeperking 2009–2013
Percentage koopwoningen 2012
Percentage inwoners wonend in een buurt met een matige leefbaarheid 2012
Overige omgevingskenmerken
Gemiddelde WOZ-waarde (logaritmisch, buurt) 2012
Arbeidsmarktkansen voor hoogopgeleiden (met correcties voor grensoverschrijdende pendel) – gemeente 2012
Aantal werkzame personen gedeeld door het aantal personen behorend tot de potentiële beroepsbevolking (COROP) = Netto participatie op COROP-niveau 2013
COROP-indeling 2014

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.