← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van 16 oktober 2003, nr. W&B/WWB/2003/78560, Directie Werk en Bijstand, houdende nadere regels terzake van enkele in de Wet werk en bijstand en het Besluit WWB geregelde onderwerpen (Regeling WWB)

Geldende tekst a fecha 2017-10-10

Gelet op de artikelen 31, tweede lid, onderdeel l, en vierde lid, 75, 77, derde lid, en 78, tweede lid, van de Wet werk en bijstand, 10, vierde lid, van het Besluit WWB, en 4.1, vijfde lid, van het Besluit SUWI;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Beeld van de uitvoering

Artikel 2. Verslag over de uitvoering en accountantsverklaring

Vervallen

Artikel 3. Geen accountantsverklaring

Vervallen

Artikel 4. Beeld van de uitvoering
1.

Het beeld van de uitvoering, bedoeld in artikel 77, tweede lid, van de wet wordt voor 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het beeld van de uitvoering betrekking heeft door de minister ontvangen.

2.

Het beeld van de uitvoering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

3.

Indien het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, niet op de in het eerste lid genoemde datum is ontvangen, schort de minister de betaling van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet voor het lopende vergoedingsjaar op met ingang van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarop de ontvangsttermijn is verlopen, doch niet gedurende de periode waarover door de minister aan het college in geval van overmacht uitstel is verleend.

4.

De betaling van de uitkering wordt hervat op de vijftiende van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het beeld van de uitvoering, bedoeld in het eerste lid, is ontvangen door de minister.

5.

Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien het college in gebreke blijft om binnen een door de minister vastgestelde termijn aanvullende informatie te verstrekken noodzakelijk voor het financieel beheer van de wet.

§ 3. Betaling

Artikel 5. Betaling
1.

Met uitzondering van de maand mei, wordt iedere maand op of omstreeks de vijftiende dag van die maand 8% van de voor het betreffende jaar vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet betaalbaar gesteld. In de maand mei wordt op of omstreeks de vijftiende dag 12% van de uitkeringen betaalbaar gesteld.

2.

Het bedrag waarmee de uitkering op grond van artikel 71 van de wet wordt aangepast, wordt in gelijke delen verrekend met de voor het betreffende kalenderjaar resterende maandelijks te betalen delen van de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet.

3.

De vangnetuitkering wordt betaalbaar gesteld voor 1 april in het kalenderjaar dat ligt twee jaar na het jaar waarop de uitkering betrekking heeft.

§ 4. Uit- en aanbesteding

Artikel 6. Gegevens verdeelmodel

In bijlage I bij deze regeling zijn de gewichten en peildata opgenomen die gelden voor de indicatoren, bedoeld in tabel 1 van de bijlage bij het Besluit Participatiewet.

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Artikel 7. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

Niet tot de middelen, bedoeld in artikel 31 van de wet, worden gerekend:

§ 4. Toetsing lijfrenten

Artikel 8. Definities

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 9. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op de vaststelling van de aanspraak op vakantietoeslag over een inkomen ontvangen in het kalenderjaar 2017.

Artikel 10. In aanmerking te nemen vakantietoeslag

Indien over het inkomen van de belanghebbende aanspraak op vakantietoeslag bestaat neemt het college bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand mede op grond van de artikelen 11, 12, 13 of 14 berekende aanspraak op vakantietoeslag in aanmerking.

Artikel 11. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met inkomen uit tegenwoordige arbeid

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit tegenwoordige arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de arbeidskorting en de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan gelijk aan of meer dan en minder dan en minder dan bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
0,00 500,16 8,00% x ink
500,16 540,11 5,22% x ink
540,11 694,42 7,78% x ink – € 14,62
694,42 1.397,08 5,53% x ink – € 1,01
1.397,08 5,17% x ink – € 0,93
Artikel 12. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet met inkomen uit vroegere arbeid

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt, het in aanmerking te nemen inkomen loon uit vroegere arbeid betreft en voor de inhouding van loonheffing rekening is gehouden met de algemene heffingskorting wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan gelijk aan of meer dan en minder dan en minder dan bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
0,00 475,85 8,00% x ink
475,85 513,91 5,08% x ink
513,91 1.167,24 8,00% x ink – € 15,03
1.167,24 7,54% x ink – € 14,02
Artikel 13. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet voor wie geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet nog niet heeft bereikt en voor de inhouding van loonheffing geen rekening is gehouden met de algemene heffingskorting, wordt de aanspraak op vakantietoeslag vastgesteld aan de hand van de navolgende tabel, waarbij onder ‘ink’ het inkomen wordt verstaan.

bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bij een netto inkomen per maand bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
gelijk aan of meer dan gelijk aan of meer dan en minder dan en minder dan bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op vakantietoeslag
0,00 979,40 7,99% x ink x ink x ink
979,40 7,47% x ink x ink x ink
Artikel 14. Aanspraak op vakantietoeslag voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt
1.

Indien de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en het inkomen van de belanghebbende bestaat uit een gekort ouderdomspensioen en toeslag als bedoeld in artikel 13 van de Algemene Ouderdomswet bedraagt de daarbij behorende aanspraak op vakantietoeslag voor:

a. alleenstaande a. alleenstaande a. alleenstaande a. alleenstaande a. alleenstaande 6,35% x ink
b. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt b. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt b. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt b. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt b. gehuwden, waarvan beide echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt 6,64% x ink
c. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien: c. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien: c. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien: c. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien: c. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien:
– het inkomen € 923,61 of meer bedraagt – het inkomen € 923,61 of meer bedraagt – het inkomen € 923,61 of meer bedraagt – het inkomen € 923,61 of meer bedraagt – het inkomen € 923,61 of meer bedraagt 6,65% x ink – € 13,53
– het inkomen lager is dan € 923,61 – het inkomen lager is dan € 923,61 – het inkomen lager is dan € 923,61 – het inkomen lager is dan € 923,61 – het inkomen lager is dan € 923,61 6,65% x ink
d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien d. gehuwden, waarvan een echtgenoot de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en de andere echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, indien
– het inkomen € 865,13 of meer bedraagt – het inkomen € 865,13 of meer bedraagt – het inkomen € 865,13 of meer bedraagt – het inkomen € 865,13 of meer bedraagt 6,68% x ink – € 12,06
– het inkomen lager is dan € 865,13 – het inkomen lager is dan € 865,13 – het inkomen lager is dan € 865,13 6,69% x ink
2.

Indien de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, naast het gekorte ouderdomspensioen en toeslag, bedoeld in het eerste lid, een ander inkomen heeft dat recht geeft op vakantietoeslag bedraagt de aanspraak op die vakantietoeslag 8% van dat andere inkomen.

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Artikel 15. Procedurele bepalingen verzoek vangnetuitkering
1.

Een verzoek tot een vangnetuitkering wordt, middels een door de minister elektronisch beschikbaar gesteld aanvraagformulier dat tevens is opgenomen in Bijlage II bij deze regeling, door de toetsingscommissie ontvangen in de periode van 1 januari tot en met 15 augustus van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

2.

Een verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen voor of na afloop van de periode, genoemd in het eerste lid, wordt niet in behandeling genomen.

3.

De toetsingscommissie adviseert de minister uiterlijk op 31 oktober van het kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, over de te nemen beslissing.

4.

De toetsingscommissie kan de minister voor 15 oktober verzoeken om een aantal adviezen later dan 31 oktober vast te stellen.

5.

Indien de minister aan een verzoek als bedoeld in het zesde lid voldoet, bepaalt hij daarbij het aantal adviezen dat later kan worden vastgesteld en de datum waarop deze adviezen uiterlijk door de minister worden ontvangen.

6.

Het college verstrekt bij een verzoek als bedoeld in het eerste lid aan de minister informatie over genomen maatregelen om te komen tot een reductie dan wel tot een verdere reductie van het verschil tussen de in aanmerking komende netto lasten over het uitkeringsjaar en de verstrekte uitkering, bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Besluit Participatiewet, onder gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen in bijlage III bij deze regeling.

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Artikel 16. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2004.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bijlage 1

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 4a. Rechtmatige wetsuitvoering

Vervallen

§ 3. Uitkering en betaling

§ 4. Uit- en aanbesteding

§ 4. Uit- en aanbesteding

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

§ 7. Toetsingscriteria aanvullende uitkering gemeente

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 7a. Indexering
1.

Met ingang van de dag waarop de bedragen, genoemd in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 wijzigen, worden de bedragen, genoemd in artikel 7, onderdeel h, gewijzigd met het percentage van deze wijziging.

2.

De gewijzigde bedragen, bedoeld in het eerste lid, en de dag waarop de wijzigingen plaatsvinden, worden door of namens de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.

§ 6. Vakantietoeslag

§ 7. Verzoeken vangnetuitkering

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 15a. Overgangsrecht meerjarige aanvullende uitkering

De minister stelt, van een toegewezen verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering, de hoogte van het uitkeringsdeel dat betrekking heeft op 2014 vast binnen zes weken na 15 juli 2015 of, indien een gemeente haar verantwoording over de uitvoering van de wet in 2014 op de wijze als bedoeld in artikel 17a van de Financiële verhoudingswet niet uiterlijk 15 juli 2015 bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft ingediend, binnen zes weken na indiening van de verantwoordingsinformatie.

§ 8. Slotbepalingen

Artikel 6a. Correctiefactor te late indiening verantwoordingsinformatie

De correctiefactor, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit Participatiewet, bedraagt 5%.

§ 5. Vrijlating uitkeringen en vergoedingen

§ 7. Verzoeken vangnetuitkering

Artikel 5a. Opschorting betaling bij vaststelling ernstige tekortkomingen
1.

Indien de minister toepassing geeft aan artikel 76, derde lid, van de wet schort hij de betaling van de vastgestelde uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet gedurende ten minste drie maanden op met ingang van de eerstvolgende kalendermaand waarin de uitkering nog niet betaalbaar is gesteld.

2.

De betaling van de uitkering wordt hervat op of omstreeks de vijftiende dag van de kalendermaand nadat de periode van drie maanden is verstreken dan wel nadat de langere periode van opschorting, die de minister met toepassing van artikel 76, derde lid, van de wet heeft vastgesteld is verstreken.

§ 6. Vakantietoeslag

§ 8. Slotbepalingen

Bijlage. behorende bij artikel 6 van de Regeling WWB

Voor de verdeelmaatstaven, bedoeld in de bijlage bij het Besluit WWB 2007, gelden de volgende peiljaren, peildata en gewichten:

Verdeelmaatstaf Verdeelmaatstaf Peiljaar Peildatum Gewicht
Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur Sociale en demografische structuur
1. Lage inkomens 15–64 jaar (in % van de huishoudens van 15–64 jaar met inkomen) 2007–2009 30,799
2. Eénouderhuishoudens van 15–44 jaar (in % van huishoudens van 15–64 jaar) 2010–2012 88,162
3. Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: WIA, WAO, WAJONG en WAZ (in % van inwoners van 15–64 jaar) 2011 31 december –25,521
4. Totaal allochtonen van 15–64 jaar (in % van alle inwoners van 15–64 jaar) 2010–2012 - 3,738
5. Laagopgeleiden 15–64 jaar (in % van inwoners van 15–64 jaar) 2009–2011 - 7,324
Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid Centrumfunctie en stedelijkheid
6. Huurwoningen (in % van het totaal aantal woningen) 2011 1 januari 5,193
7. Relatief regionaal klantenpotentieel (regionaal klantenpotentieel in % van het aantal inwoners) 2011 1 januari 1,716
8. Inwoners stedelijk gebied (aantal inwoners in gebied met meer dan 1000 omgevingsadressen per vierkante kilometer, in % van het aantal inwoners) 2011 1 januari –1,819
Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur Conjunctuur en economische structuur
9. Werkzame beroepsbevolking (in % van totale beroepsbevolking) op COROP-niveau 2009–2011 –62,053
10. Banen handel en horeca in COROP-regio (in % totaal aantal banen COROP-regio) 2010 december –21,905
11. Procentuele gemiddelde jaarlijkse banengroei in COROP-regio 2008–2010 –3,234
12. Aantal banen in COROP-regio (in % van de beroepsbevolking in COROP-regio) 2010 december –2,571
13. Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15–64 jaar 2007–2011 –23,872
Overig Overig Overig Overig Overig
14. Vaste voet per huishouden van 15–64 jaar 5.979,985
Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens Overige berekeningsgegevens
Totaal aantal inwoners Totaal aantal inwoners 2012 1 januari
Aantal huishoudens 15–64 jaar Aantal huishoudens 15–64 jaar 2012 1 januari

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 15b. Regeling verrekening bestuurlijke boete bij recidive

Vervallen

§ 8. Slotbepalingen

Artikel 15c. Grondslag

Deze regeling is mede gebaseerd op de artikelen 20a, tiende lid, en 29, zesde lid, van de IOAW en 20a, tiende lid, en 29, zesde lid, van de IOAZ.

Bijlage. behorende bij artikel 6 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

Variabelen verklaringsmodel gewichten
Huishoudenskenmerken
Eenoudergezin met een vrouw aan het hoofd 0,7983488687886
Eenoudergezin met een man aan het hoofd 0,5989044919778
Paar zonder kinderen –1,6231649400000
Paar met kinderen –0,4830537072534
Aanwezigheid van een persoon in de leeftijd van 15-24 jaar –0,6900182998626
Aanwezigheid van een persoon in de leeftijd van 55 jaar – AOW 0,7922649885444
Wonend in een sociale huurwoning 2,5707676926795
Wonend in een koopwoning –0,7869853269291
Hebben van een niet-westerse achtergrond 0,8621983685457
Aanwezigheid van een persoon met als hoogst voltooide opleiding maximaal MBO-2 0,5326591753365
Aanwezigheid van een persoon met als hoogst voltooide opleiding minimaal HBO –0,2747634469067
Aanwezigheid van een persoon met een arbeidsbeperking 1,1128501813985
Aanwezigheid van een persoon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering –1,8063102300000
Omgevingskenmerken
Gemiddelde WOZ-waarde (logaritmisch, buurt) –0,6309484488883
Aandeel WW-ontvangers in de gemeente 0,1207220891655
Bevolkingsgroei in de gemeente –0,0606406189290
Arbeidsmarktkansen voor hoogopgeleiden (met correcties voor grensoverschrijdende pendel) –4,519828780
Constante 2,62140326192004
Coropeffecten Corop-naam
--- ---
1 Oost-Groningen
2 Delfzijl en omgeving
3 Overig Groningen
4 Noord-Friesland
5 Zuidwest-Friesland
6 Zuidoost-Friesland
7 Noord-Drenthe
8 Zuidoost-Drenthe
9 Zuidwest-Drenthe
10 Noord-Overijssel
11 Zuidwest-Overijssel
12 Twente
13 Veluwe
14 Achterhoek
15 Arnhem/Nijmegen
16 Zuidwest-Gelderland
17 Utrecht
18 Kop van Noord-Holland
19 Alkmaar en omgeving
20 IJmond
21 Agglomeratie Haarlem
22 Zaanstreek
23 Groot-Amsterdam
24 Het Gooi en Vechtstreek
25 Agglomeratie Leiden en Bollenstreek
26 Agglomeratie 's-Gravenhage
27 Delft en Westland
28 Oost-Zuid-Holland
29 Groot-Rijnmond
30 Zuidoost-Zuid-Holland
31 Zeeuwsch-Vlaanderen
32 Overig Zeeland
33 West-Noord-Brabant
34 Midden-Noord-Brabant
35 Noordoost-Noord-Brabant
36 Zuidoost-Noord-Brabant
37 Noord-Limburg
38 Midden-Limburg
39 Zuid-Limburg
40 Flevoland
Gemeentelijke kenmerken peiljaren
--- ---
Huishoudenskenmerken
Aantal huishoudens van 15 tot de AOW-leeftijd 2015
Totaal aantal huishoudens van 15 tot de AOW-leeftijd, uitgesplitst naar alleenstaanden, eenoudergezinnen man, eenoudergezinnen vrouw, paren zonder kinderen en paren met kinderen 2015
Aantal huishoudens van 15 tot de AOW-leeftijd met een persoon in het huishouden van 15 tot de AOW-leeftijd en van een niet-westerse herkomst 2015
Aantal huishoudens van 15 tot de AOW-leeftijd met een persoon in het huishouden in de leeftijd van 15-24 jaar 2015
Aantal huishoudens van 15 tot de AOW-leeftijd met een persoon in het huishouden in de leeftijd van 55 tot de AOW-leeftijd 2015
Aantal personen van 15 tot de AOW-leeftijd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering 2014
Percentage inwoners van 15 tot 65 jaar met een lage opleiding 2012–2014
Percentage inwoners van 15 tot 65 jaar met een hoge opleiding 2012–2014
Percentage inwoners van 15 tot 65 jaar met een arbeidsbeperking 2010–2014
Percentage huishoudens van 15 tot 65 jaar dat woont in een koopwoning 2012
Percentage huishoudens van 15 tot 65 jaar dat woont in een sociale huurwoning 2012
Omgevingskenmerken
Gemiddelde WOZ-waarde (logaritmisch, buurt) 2014 (2012)1
Aandeel WW-ontvangers in de gemeente 2014
Bevolkingsgroei in de gemeente (inwoners 15 tot 65 jaar) 2010 en 2015
Arbeidsmarktkansen voor hoogopgeleiden (met correcties voor grensoverschrijdende pendel) 2013
COROP-indeling 2015

1 Samengestelde indicator o.b.v. cijfers CBS (Atlas voor gemeenten)

De huishoudenskenmerken uit tabel 3 zijn gebaseerd op cijfers van het CBS. Het CBS heeft de afgeronde cijfers gepubliceerd op hun website. Het SCP heeft de percentages voor opleiding, arbeidsbeperking en woonsituatie zelf berekend. Voor deze berekening is gebruik gemaakt van de onafgeronde cijfers van het CBS. De berekende percentages zijn afgerond op 1 cijfer achter de komma.

Bijlage I. behorende bij artikel 6 van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ 2017

Indicatoren Gewichten Peildata
Niet-rechthebbenden
Te veel vermogen
Alleenstaande, vermogen boven € 5,000 –2,1218908 1-1-2014
Alleenstaande, vermogen tot € 5,000, overwaarde boven € 50,000 –0,8347285 1-1-2014
Paar/eenouder, vermogen boven € 10,000 –1,6163950 1-1-2014
Paar/eenouder, vermogen tot € 10,000, overwaarde boven € 50,000 –0,6938642 1-1-2014
Andere uitkering
AO-uitkering, mate van AO 15-80% of onbekend in hh –3,4305993 31-12-2015
AO-uitkering, mate van AO 80-100% in hh –3,9618166 31-12-2015
WW-uitkering in hh –0,9471454 31-12-2015
Kan/wil niet werken
Student (mbo/hbo/wo) in hh –1,4279903 1-10-2015
Aanbodkant van de arbeidsmarkt
Leeftijd
Leeftijd 18 tot 20 jaar in hh (referentie) Referentie 31-12-2015
Leeftijd 20 tot 25 jaar in hh 0,9223741 31-12-2015
25 tot 30-jarige in hh 1,4465451 31-12-2015
30 tot 40-jarige in hh 1,8539903 31-12-2015
40 tot 50-jarige in hh 2,0701296 31-12-2015
50-jarige tot AOW-leeftijd in hh 2,3231491 31-12-2015
Gezinssituatie
Alleenstaande (referentie) Referentie 31-12-2015
Eenouder-moeder, jongste kind tot 5 0,9958206 31-12-2015
Eenouder-moeder, jongste kind 5–12 0,5756126 31-12-2015
Eenouder-moeder, jongste kind 12–18 0,2969241 31-12-2015
Eenouder-moeder, jongste kind 18+ –0,1744503 31-12-2015
Eenouder-vader, jongste kind tot 5 0,0257323 31-12-2015
Eenouder-vader, jongste kind 5–12 –0,0009759 31-12-2015
Eenouder-vader, jongste kind 12–18 –0,3920911 31-12-2015
Eenouder-vader, jongste kind 18+ –0,8189126 31-12-2015
Paar, jongste kind 18- –1,0512133 31-12-2015
Paar, jongste kind 18+ –1,3640839 31-12-2015
Paar zonder kinderen –0,9597622 31-12-2015
Instellingsbewoner 0,2471997 31-12-2015
Thuiswonend meerderjarig kind –0,3451916 31-12-2015
Overig huishouden 0,5077583 31-12-2015
Wonen in corporatiewoning 1,4682090 1-1-2014
Afkomst
Autochtoon in hh (referentie) Referentie 31-12-2015
Turk in hh 0,2197861 31-12-2015
Surinamer in hh 0,4489445 31-12-2015
Nederlands-Antilliaan in hh 0,5438544 31-12-2015
Marokkaan in hh 0,4729175 31-12-2015
Ghanees in hh –0,0076907 31-12-2015
Somaliër in hh 1,6043187 31-12-2015
Afrikaan (excl, Marokkaan, Ghanees, Somaliër) in hh 0,6217360 31-12-2015
Afghaan in hh 1,0222757 31-12-2015
Irakees in hh 1,2577724 31-12-2015
Syriër in hh 1,1561002 31-12-2015
Overig niet-westers in hh 0,1768018 31-12-2015
Joegoslavisch in hh 0,5589672 31-12-2015
Overig westers in hh –0,3252521 31-12-2015
Opleiding
Aandeel laagst opgeleiden in gemeente 0,4222808 1-1-2015
HCI (human capital index) onbekend (referentie) Referentie 1-10-2013 en 2009 t/m 2013
Lage HCI in hh 0,6296349 1-10-2013 en 2009 t/m 2013
Middelbare of hoge HCI in hh –2,1408429 1-10-2013 en 2009 t/m 2013
Gezondheid
Zorgkosten boven € 50.000 in hh 0,2802837 heel 2013
Gebruik GGZ-zorg in hh 0,9248614 heel 2013
Medicijnen voor verslaving in hh 0,4627427 heel 2014
Medicijnen voor depressie in hh 0,3747223 heel 2014
Medicijnen voor psychose in hh 0,5754972 heel 2014
Medicijngebruik uit minder dan 4 hoofdgroepen in hh (referentie) referentie heel 2014
Medicijngebruik uit 4 tot 6 hoofdgroepen in hh 0,3514143 heel 2014
Medicijngebruik uit 6 tot 8 medicijngroepen in hh 0,4827839 heel 2014
Medicijngebruik uit meer dan 8 hoofdgroepen in hh 0,5936744 heel 2014
Vraagkant van de arbeidsmarkt
Beschikbaarheid van banen
Banen per lid beroepsbevolking in gemeente, gecorrigeerd voor grenspendel –6,2935877 1-1-2015
Werken onder je niveau
Aandeel werkend onder zijn niveau in gemeente 1,8457149 1-1-2015
Aandeel studenten (hbo/wo) onder de potentiële beroepsbevolking in gemeente –0,1624092 1-10-2015
Aandeel WW’ers onder de beroepsbevolking in gemeente 8,2487884 heel 2015
Regionaal klantenpotentieel 0,0942900 1-1-2015
Buurteffecten
Arbeidsethos
Aandeel van de beroepsbevolking in gemeente in buurt waar werken niet de norm is 0,3442578 1-1-2014
Leefbaarheid
Index overlast en onveiligheid 1,0203167 1-1-2014
Constante –0,6129996 n.v.t.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 15aa. Aanvullende uitkering Participatiewet 2015
1.

Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt door de toetsingscommissie ontvangen in de periode van 1 januari tot en met 15 augustus 2016.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan artikel 10a, tweede lid, van het Besluit Participatiewet.

3.

Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt ingediend onder gebruikmaking van een formulier dat door de minister elektronisch beschikbaar wordt gesteld.

4.

Een verzoek dat door de toetsingscommissie wordt ontvangen na 15 augustus 2016 wordt niet in behandeling genomen.

5.

De toetsingscommissie adviseert de minister uiterlijk 31 oktober 2016 over de te nemen beslissing.

6.

De toetsingscommissie kan de minister voor 15 oktober 2016 verzoeken om een aantal adviezen later dan 31 oktober vast te stellen.

7.

Indien de minister aan een verzoek als bedoeld in het zesde lid voldoet, bepaalt hij daarbij het aantal adviezen dat later kan worden vastgesteld en de datum waarop deze adviezen uiterlijk door de minister worden ontvangen.

§ 7a. Verrekening IOAW en IOAZ

§ 8. Slotbepalingen

Bijlage II. behorende bij artikel 15, eerste lid, van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Bijlage. Voorlopig verslag over de uitvoering Wet werk en bijstand 2006

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.

Artikel 6b. Toetsing inleg lijfrente
1.

Voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet wordt de inleg in het jaar van aanvraag van bijstand en de daaraan voorafgaande vier kalenderjaren in beschouwing genomen.

2.

Voor de beoordeling of de inleg ten hoogste het in artikel 15, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, van de wet genoemde bedrag heeft bedragen, wordt:

Artikel 6c. Toetsing waarde lijfrente en hoogte inleg

Het bedrag waarmee bij toepassing van artikel 15, tweede lid, onderdeel b, van de wet de inleg het in subonderdeel 3° van dat onderdeel genoemde bedrag overschrijdt, wordt in mindering gebracht op de waarde van de lijfrente of lijfrenten.

§ 6. Vakantietoeslag

Toelichting op het modelverzoek

Inleiding

Met de wijziging van het Besluit Participatiewet per 1 januari 2017 is geregeld dat het college alleen via een door de minister van SZW beschikbaar gesteld aanvraagformulier een verzoek tot een vangnetuitkering, als bedoeld in artikel 74 van de Participatiewet, kan indienen. Daarbij is toegelicht dat reeds vanaf aanvragen tot vangnetuitkering over 2016 geldt dat deze niet meer vormvrij kunnen worden ingediend. Met deze aanscherping kan de beoordeling door de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet aanzienlijk efficiënter plaatsvinden, terwijl de extra belasting voor de aanvragende gemeente minimaal zal zijn. De indiening geschiedt via de website van de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet (www.toetsingscommissievp.nl).

Via het voor 2016 vastgestelde aanvraagformulier verstrekt het college alle informatie die de toetsingscommissie nodig heeft om het recht op vangnetuitkering over 2016 te kunnen beoordelen. Het is hierbij nadrukkelijk de bedoeling dat het college alle relevante informatie in het aanvraagformulier vermeldt, zonder verwijzing naar andere brondocumenten.

Via het aanvraagformulier hoeft het college geen informatie te verstrekken over de jaarcijfers (toegekend budget, de netto uitkeringslasten en de door de accountant gerapporteerde foute of onzekere bestedingen), aangezien het ministerie -mede op basis van de SiSa-verantwoording- al over deze gegevens beschikt en zij de toetsingscommissie daarover zal informeren.

In te vullen format VU 2016

Hierna dient het college aan te geven dat voldaan is aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 10a van het Besluit Participatiewet voor het recht op vangnetuitkering over het jaar 2016.

1. Globale analyse tekort

Vereist

De toetsingscommissie moet kunnen vaststellen wat de globale analyse is van de mogelijke oorzaak en omvang van het tekort en van de verwachte ontwikkelingen van dat tekort in de komende jaren.

Toelichting:

Voor een goede beoordeling door de toetsingscommissie is het van belang dat u afzonderlijk informatie verstrekt over onderdelen van het beschreven vereiste.

2. Informatie gemeenteraad

Vereist

De toetsingscommissie moet kunnen vaststellen dat het college de gemeenteraad in 2016 heeft geïnformeerd over zijn analyse, bedoeld in onderdeel 1 en over de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om tot tekortreductie te komen.

Toelichting:

Hieronder verstrekt u informatie over het informeren van de gemeenteraad over uw in 2016 opgestelde analyse en de maatregelen die u reeds heeft genomen dan wel zullen worden genomen om tot tekortreductie te komen. Het is niet vereist dat al in 2016 maatregelen genomen zijn.

3. Opvattingen van de gemeenteraad

Vereist

De toetsingscommissie moet kunnen vaststellen wat de opvattingen van de gemeenteraad zijn over de informatie van het college.

Toelichting:

Hieronder dient u aan te geven welke opvattingen de gemeenteraad had bij de door het college aangeboden globale analyse en maatregelen om tot tekortreductie te komen. Indien de gemeenteraad ermee heeft volstaan om de informatie alleen voor kennisgeving aan te nemen, dient u dat afzonderlijk te vermelden. Zoals reeds eerder vermeld zijn verwijzingen naar brondocumenten niet toegestaan, hetgeen ook geldt indien vergaderingen van gemeenteraad worden opgenomen op video et cetera. Mocht er alleen een video bestaan over de bespreking, dan dient u de kernpunten kort samen te vatten en hieronder weer te geven.

Indien de analyse en maatregelen zijn besproken in een raadscommissie, dan dient u aan te geven hoe de kernpunten in de gemeenteraad zijn besproken of anderszins aan hem zijn teruggekoppeld.

4. Maatregelen 2016

Vereist

De toetsingscommissie moet kunnen vaststellen welke maatregelen zijn getroffen in het jaar waarin het tekort bestond om het tekort te verminderen en hoe het college het effect van deze maatregelen kwalificeert.

Toelichting:

De informatieverstrekking over dit vereiste moet u zien in de context dat het college niet verplicht is om over 2016 maatregelen tot tekortreductie in uitvoering te hebben genomen. Voor het recht op vangnetuitkering over 2016 is het toegestaan dat het college de gemeenteraad in 2016 informeert over maatregelen die zullen worden genomen en waarvan de uitvoering eerst na 2016 een aanvang neemt. Voor de beoordeling door de toetsingscommissie geeft u allereerst aan of u in 2016 maatregelen heeft getroffen gericht op tekortreductie. Indien maatregelen zijn getroffen, geeft u vervolgens aan welke maatregelen zijn getroffen om het tekort te verminderen en hoe het college het effect van deze maatregelen kwalificeert. Onder kwalificeren van maatregelen wordt verstaan het aangeven welke effecten de maatregelen hebben. Dat mag het effect zijn van alle maatregelen gezamenlijk of voor zover dit mogelijk is, het effect van elke maatregel afzonderlijk. Kwantificeren van de maatregelen is niet vereist.

Indien het voor u niet mogelijk is een effect van de maatregel te beschrijven, dan volstaat een dergelijke opmerking. Geef daarbij wel aan waarom het niet lukt een effect te beschrijven.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die met ingang van 23 oktober 2003 ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te ’s-Gravenhage.