← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 5 februari 2004, houdende regels met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (Wet kabelbaaninstallaties)

Geldende tekst a fecha 2024-01-01

Allen, die zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, gelet op richtlijn nr. 2000/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2000 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer (PbEG L 106), noodzakelijk is regels te stellen met betrekking tot de productie, de keuring en de exploitatie van kabelbaaninstallaties voor personenvervoer;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

De datum van inwerkingtreding is ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke referendumwet opgeschort tot 23 maart 2004.

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet wordt onder bouwen van een kabelbaaninstallatie mede verstaan: vernieuwen, veranderen of vergroten van een kabelbaaninstallatie waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is vereist.

Artikel 2

Deze wet is niet van toepassing op:

Hoofdstuk 2. Algemene verplichtingen

Artikel 3

Een kabelbaaninstallatie wordt slechts in bedrijf gesteld en gehouden indien zij:

Artikel 4

Vervallen

Hoofdstuk 3. Aanwijzing van conformiteitsbeoordelingsinstanties

Artikel 5

Onze Minister kan, met inachtneming van de artikelen 23 tot en met 30 van de verordening, op verzoek conformiteitsbeoordelingsinstanties aanwijzen die bevoegd zijn tot de uitvoering van conformiteitsbeoordelingen volgens één van de procedures, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de verordening en in overeenstemming met de verplichtingen, bedoeld in artikel 34 van de verordening.

Artikel 6
1.

Aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. De voorschriften kunnen mede betrekking hebben op de door de conformiteitsbeoordelingsinstanties in rekening te brengen tarieven.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een conformiteitsbeoordelingsinstantie een vergoeding verschuldigd is voor de kosten van de beoordeling van het verzoek tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 en de uitoefening van het toezicht, volgens de daarbij vast te stellen tarieven.

3.

Onze Minister beperkt, schorst of trekt een aanwijzing als bedoeld in artikel 5 in:

Artikel 7

Onze Minister verricht de taken van de aanmeldende autoriteit in de zin van de verordening.

Hoofdstuk 4. De procedure van overeenstemmingsbeoordeling

§ 1. Voorschriften voor de constructeur

Artikel 8

Vervallen

Artikel 9

Vervallen

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Artikel 12

Vervallen

Artikel 13

Vervallen

Artikel 14

Vervallen

§ 2. Voorschriftenvoor de keuringsinstantie

Artikel 15

Vervallen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18

Vervallen

Artikel 19

Vervallen

Hoofdstuk 5. Bouw en exploitatie van kabelbaaninstallaties

Artikel 20
1.

Voor het bouwen en in bedrijf stellen en hebben van een kabelbaaninstallatie is een kabelbaanvergunning van Onze Minister vereist. Een voor een kabelbaaninstallatie verleende vergunning geldt voor eenieder die de kabelbaaninstallatie bouwt of in bedrijf stelt en houdt.

2.

Aan een kabelbaanvergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Een kabelbaanvergunning kan worden verleend voor een in de vergunning bepaalde tijd.

3.

De beperkingen waaronder een kabelbaanvergunning is verleend en de aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op aanvraag worden gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 21

Vervallen

Artikel 22
1.

Een aanvraag voor een kabelbaanvergunning wordt gelijktijdig ingediend met de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor de desbetreffende installatie. Onze Minister bevordert een gecoördineerde voorbereiding en inhoudelijke afstemming van beide vergunningen. Burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente verlenen de daarvoor benodigde medewerking.

2.

Bij de aanvraag voor een kabelbaanvergunning wordt een kopie van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit overgelegd, naast de documenten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de verordening.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de aanvraag van een kabelbaanvergunning en de daarbij in te dienen gegevens en bescheiden.

Artikel 23
1.

Een kabelbaanvergunning wordt slechts verleend indien de kabelbaaninstallatie, mits naar behoren geïnstalleerd en onderhouden, en in overeenstemming met haar bestemming gebruikt, de veiligheid en gezondheid van personen en de veiligheid van goederen niet in gevaar kan brengen.

2.

Een kabelbaanvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien de kabelbaaninstallatie niet voldoet aan de eisen uit de verordening of deze wet.

Artikel 24
1.

De kabelbaanvergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien:

2.

De schorsing wordt opgeheven indien de redenen tot schorsing niet meer bestaan.

Artikel 25

De vergunninghouder bewaart een kopie van de kabelbaanvergunning bij de kabelbaaninstallatie, naast de documenten, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de verordening.

Artikel 26
1.

De kosten die samenhangen met de behandeling van de aanvraag en de afgifte, wijziging of schorsing van een kabelbaanvergunning, alsmede met de afgifte van duplicaten en gewaarmerkte afschriften van een kabelbaanvergunning, worden ten laste gebracht van de aanvrager van de kabelbaanvergunning.

2.

De tarieven ter vergoeding van de kosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld.

Hoofdstuk 6. Handhavingsbevoegdheden

Artikel 27

Indien Onze Minister van oordeel is dat een subsysteem dat of een veiligheidscomponent die is voorzien van een CE-markering, ook wanneer dat subsysteem of die veiligheidscomponent in overeenstemming met zijn bestemming wordt gebruikt en op de juiste wijze wordt onderhouden, de veiligheid of gezondheid van personen of de veiligheid van goederen in gevaar kan brengen, verbiedt hij het gebruik van het subsysteem of de veiligheidscomponent, stelt hij daaraan beperkingen, verbindt hij voorwaarden aan het in de handel brengen van het subsysteem of de veiligheidscomponent, verbiedt hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent in de handel wordt gebracht of verplicht hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent uit de handel wordt genomen of wordt teruggeroepen.

Artikel 28

Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van een subsysteem of veiligheidscomponent sprake is van één of meer van de feiten, genoemd in artikel 43, eerste lid, van de verordening, verbiedt hij het gebruik van het subsysteem of de veiligheidscomponent, stelt hij daaraan beperkingen, verbindt hij voorwaarden aan het in de handel brengen van het subsysteem of de veiligheidscomponent, verbiedt hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent in de handel wordt gebracht of verplicht hij dat het subsysteem of de veiligheidscomponent uit de handel wordt genomen of wordt teruggeroepen.

Artikel 29

Vervallen

Artikel 30

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in de artikelen 3, aanhef en onderdeel b, 20, eerste lid, 24, eerste lid, 25, 27, 28, 33a en 34c, derde lid.

Hoofdstuk 7. Verbodsbepalingen

Artikel 31
1.

Het is verboden veiligheidscomponenten of subsystemen in de handel te brengen die niet voldoen aan de essentiële eisen en die niet zijn voorzien van een CE-markering of een EU-conformiteitsverklaring.

2.

Het is verboden op subsystemen of veiligheidscomponenten een CE-markering aan te brengen of daarvoor een EU-conformiteitsverklaring op te stellen indien de subsystemen of veiligheidscomponenten niet in overeenstemming zijn met de essentiële eisen of indien voor de subsystemen of veiligheidscomponenten geen conformiteitsbeoordeling als bedoeld in artikel 5 is uitgevoerd.

3.

Het is verboden te handelen in strijd met een verbod of een maatregel op grond van de artikelen 27 en 28.

Artikel 32

Het is verboden op subsystemen of veiligheidscomponenten merktekens of opschriften aan te brengen die misleidend kunnen zijn ten aanzien van de betekenis of vorm van de CE-markering, of die de zichtbaarheid of de leesbaarheid van een CE-markering verminderen.

Artikel 33
1.

Het is verboden zonder kabelbaanvergunning een kabelbaaninstallatie te bouwen en in bedrijf te stellen, of te handelen in strijd met de voorschriften van de kabelbaanvergunning.

2.

Het is verboden een kabelbaaninstallatie in bedrijf te stellen of in bedrijf te hebben indien de kabelbaanvergunning is geschorst.

Hoofdstuk 8. Toezicht

Artikel 34
1.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de verordening of deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren. Indien de aanwijzing ambtenaren betreft ressorterende onder een ander ministerie dan dat van Onze Minister wordt het desbetreffende besluit genomen in overeenstemming met de minister van dat andere ministerie.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen

Artikel 35
1.

Deze wet is niet van toepassing op subsystemen en veiligheidscomponenten die in de handel zijn gebracht:

2.

Artikel 20, eerste lid, is niet van toepassing op:

Artikel 36

Een kabelbaanvergunning die vóór 21 april 2018 is verleend op basis van artikel 20 van de wet zoals die luidde voor die datum berust op artikel 20 van de wet zoals die luidt vanaf die datum.

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Artikel 37

Vervallen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel 40

Wijzigt de Spoorwegwet.

Artikel 41

Wijzigt de Locaalspoor- en Tramwegwet.

Artikel 42

Wijzigt de Spoorwegwet.

Artikel 43

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van de artikelen 40 tot en met 42, die in werking treden op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 44

Deze wet wordt aangehaald als: Wet kabelbaaninstallaties.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 33a

Het is verboden in strijd te handelen met artikel 7 van verordening (EU) nr. 2019/1020.

Hoofdstuk 8. Toezicht

Hoofdstuk 8a. Markttoezicht als bedoeld in de verordening (eu) nr. 2019/1020

Artikel 34a
1.

De ingevolge artikel 34, eerste lid, aangewezen ambtenaren zijn in afwijking van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd met medeneming van de benodigde apparatuur een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner ten behoeve van de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 14, vierde lid, onderdelen a, d en e, van verordening (EU) nr. 2019/1020.

2.

Voor het uitoefenen van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, is een voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

3.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het tweede lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.

4.
Artikel 34b
1.

De ingevolge artikel 34, eerste lid, aangewezen ambtenaren zijn bevoegd om, ter uitvoering van verordening (EU) nr. 2019/1020, onder verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens met betrekking tot hun identiteit en hoedanigheid, subsystemen of veiligheidscomponenten te verkrijgen ten behoeve van het controleren van de kenmerken van deze subsystemen of veiligheidscomponenten en de verificatie van de documenten en de hieraan gerelateerde handelingen te verrichten voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is. Artikel 5:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

2.

De ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, maakt daarvan een schriftelijk verslag op waarin hij vermeldt:

Artikel 34c
1.

Ter uitvoering van verordening (EU) nr. 2019/1020 kan Onze Minister, indien er geen andere doeltreffende middelen voorhanden zijn om een ernstig risico als bedoeld in artikel 3, onderdeel 20, van verordening (EU) nr. 2019/1020, gevormd door een subsysteem of een veiligheidscomponent, weg te nemen, een zelfstandige last opleggen aan degene die daartoe in staat is, om inhoud te verwijderen van of de toegang te beperken tot een online interface als bedoeld in artikel 3, onderdeel 15, van verordening (EU) nr. 2019/1020 of opdracht te geven tot de duidelijke weergave van een waarschuwing voor eindgebruikers, bedoeld in artikel 3, onderdeel 21, van verordening (EU) nr. 2019/1020, wanneer zij zich toegang verschaffen tot een online interface.

2.

Indien niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan een last als bedoeld in het eerste lid is voldaan, kan Onze Minister een zelfstandige last opleggen aan een aanbieder van diensten van de informatiemaatschappij, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van verordening (EU) nr. 2019/1020 om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om de toegang tot een online interface te beperken, onder meer door een daarvoor in aanmerking komende derde te verzoeken dergelijke maatregelen uit te voeren.

3.

Degene tot wie een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is gericht, handelt overeenkomstig die last.

4.

Op grond van het eerste of tweede lid kan geen zelfstandige last worden opgelegd die leidt tot het blokkeren of filteren van internetverkeer.

5.

Voor een zelfstandige last als bedoeld in het eerste of tweede lid is voorafgaande machtiging vereist van de rechter-commissaris. In het verzoek om afgifte van een machtiging worden de proportionaliteit en subsidiariteit van het verzoek gemotiveerd. De rechter-commissaris kan het openbaar ministerie horen alvorens te beslissen. Artikel 171 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

6.

Tegen de beslissing van de rechter-commissaris, bedoeld in het vijfde lid, staat voor zover het verzoek om een machtiging niet is toegewezen, voor Onze Minister, binnen veertien dagen beroep open bij de rechtbank, sector strafrecht.

7.

Onze Minister maakt de machtiging van de rechter-commissaris gelijktijdig met de zelfstandige last, bedoeld in het eerste of tweede lid, bekend.

Artikel 34d

Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing voor zover de ingevolge artikel 34, eerste lid, aangewezen ambtenaren bijstand verlenen aan een markttoezichtautoriteit als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van verordening (EU) nr. 2019/1020, uit een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van artikel 22 of artikel 23 van die verordening.

Hoofdstuk 9. Overgangsbepalingen

Hoofdstuk 10. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.