Regeling van de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, van 30 juni 2005, nr. 2005-0000059936/CZW/WVOB, houdende regels ter uitvoering van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid)
Handelende in overeenstemming met de Ministers van Justitie, voor Vreemdelingenzaken en Integratie, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Gelet op de artikelen 4, tweede lid, 7, tweede en vierde lid, 16, eerste en tweede lid, 20, derde lid en 24, negende lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid;
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- b. G30: de gemeenten Alkmaar, Almelo, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Breda, Den Haag, Deventer, Dordrecht, Eindhoven, Emmen, Enschede, Groningen, Haarlem, Heerlen, Helmond, Hengelo (Overijssel), ’s-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maastricht, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tilburg, Utrecht, Venlo, Zaanstad en Zwolle;
- c. niet westerse allochtoon: persoon waarvan ten minste één van de ouders in Turkije, in een land in Afrika, Latijns Amerika of in Azië, met uitzondering van Indonesië en Japan, is geboren;
- d. CBS: Centraal bureau voor de statistiek;
- e. maatschappelijke centrumgemeenten: centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid die zijn vermeld in de bij deze regeling behorende bijlage A;
- f. maatschappelijk zorggebied: zorggebied voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid volgens de in de bij deze regeling behorende bijlage A opgenomen gebiedsindeling;
- g. zorggebied voor vrouwenopvang: zorggebied volgens de in de bij deze regeling behorende bijlage B opgenomen gebiedsindeling;
- h. verklaring: door het bevoegd gezag van een instelling uitgereikte verklaring, bedoeld in artikel 7.4.15, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- i. beschikking omtrent een inburgeringsprogramma: beschikking als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers;
- j. wijk: GSB-wijk zoals opgenomen in het rapport ‘Wijkmonitoring G30’ van 30 december 2004;
- k. de minister: de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties;
- l. voorschoolse educatie: een programma dat door gekwalificeerd personeel wordt verzorgd in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen voor doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar;
- m. doelgroepkind: kind met onderwijsachterstand dat op grond van artikel 6 van het Besluit bekostiging WPO, zoals dat luidde op 31 juli 2006, in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie, dan wel kind met onderwijsachterstand voor wie een gewicht is vastgesteld op grond van artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO, zoals dat luidde op 31 juli 2006, en dat in aanmerking komt voor het volgen van vroegschoolse educatie;
- n. schakelklas: groep of groepje leerlingen als bedoeld in de artikelen 166 en 166a van de Wet op het primair onderwijs;
- o. schoolgewicht: schoolgewicht als bedoeld in artikel 27 van het Besluit bekostiging WPO, zoals dat luidde op 31 juli 2006;
- p. volwasseneneducatie: opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, opleidingen gericht op breed maatschappelijk functioneren, opleidingen gericht op sociale redzaamheid, of opleidingen Nederlands als tweede taal, als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- q. roc: regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- r. G27: de gemeenten, behorend tot de G31, met uitzondering van Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht.
Artikel 2
Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor leefbaarheid en veiligheid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule:
0,3366 × ((0,50 × Inw2004gem /Inw2004G30) + 0,50 (Nwal2004gem/Nwal2004G30)) + 0,4795 × ((0,3333 × (Jong2004gem/Jong2004G30) + 0,3333 × (A/B) + 0,3333 × (HKS2003gem/HKS2003G30)) + 0,1839 × ((0,50 × Inw2004gem/Inw2004G30) + 0,25 × ((Link2004gem × Kpreg2004gem)/(Link2004G30 × Kpreg2004G30)+ 0,25 × (Jonggem × Kpreg2004gem)/(JongG30 × Kpreg2004G30)).
In deze formule is
- Inw2004gem: aantal inwoners van de gemeente op 1 januari 2004;
- Inw2004G30: aantal inwoners van de G30 op 1 januari 2004;
- Nwal2004gem: aantal niet westerse allochtonen op 1 januari 2004 in de gemeente;
- Nwal2004G30: aantal niet westerse allochtonen op 1 januari 2004 in de G30;
- Jong2004gem: het aantal inwoners van de gemeente dat 24 jaar of jonger is op 1 januari 2004 in de gemeente;
- Jong2004G30: het aantal inwoners van de G30 dat 24 jaar of jonger is op 1 januari 2004;
- A: (Nwal2004gem/Inw2004gem) × Jong2004gem;
- B: (Nwal2004G30/Inw2003G30) × Jong2004G30;
- HKS2003gem: aantal inwoners van de gemeente van twaalf tot en met vierentwintig jaar dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie
- HKS2003G30: aantal inwoners van de G30 van twaalf tot en met vierentwintig jaar dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie;
- Link2004gem: het aantal huishoudens in de gemeente volgens de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, volgens de meest recente vóór 2004 vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS;
- Link2004G30: het aantal huishoudens in de G30 volgens de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, volgens de meest recente vóór 2004 vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS;
- Kpreg2004gem: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de gemeente als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari 2004;
- Kpreg2004G30: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de G30 als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari 2004;
- Jonggem: het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari 2004 dat 19 jaar of jonger is;
- JongG30: het aantal inwoners van de G30 op 1 januari 2004 dat 19 jaar of jonger is.
Artikel 3
Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule
0,3333 × (NWAl2004gem/NWAl2004G30) + 0,3333 × (ABW2003gem/ABW2003G30) + 0,3333 × (Loplgem/LoplG30).
In deze formule is
- NWAl2004gem: aantal niet westerse allochtonen in de gemeente op 1 januari 2004;
- NWAl2004G30: aantal niet westerse allochtonen in de G30 op 1 januari 2004;
- ABW2003gem: totaal aantal uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet in 2003 in de gemeente;
- ABW2003G30: totaal aantal uitkeringen ingevolge de Algemene bijstandswet in 2003 in de G30;
- Loplgem: gemiddeld aantal inwoners in de gemeente van 18 jaar tot en met 64 jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs;
- LoplG30: gemiddeld aantal inwoners in de G30 van 18 jaar tot en met 64 jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs.
Artikel 4
Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden wordt bepaald volgens de formule
Schgw2003gem/Schgw2003G30.
In deze formule is
- Schgw2003gem: het aantal van de schoolgewichten op 1 oktober 2003 in de gemeente op basis van artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, zoals dat luidde op die datum;
- Schgw2003G30: het aantal van de schoolgewichten op 1 oktober 2003 in de G30-gemeenten op basis van artikel 15b van het Formatiebesluit WPO, zoals dat luidde op die datum.
Artikel 5
Het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de maatschappelijke centrumgemeenten in de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule
In deze formule is
- Inwt-1gem: het aantal inwoners van het maatschappelijk zorggebied van de gemeente op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Inwt-1cgmo: het aantal inwoners van de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Linkt-1gem: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS;
- Linkt-1cgmo: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS;
- Kpregt-1gem: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente;
- Kpregt-1cgmo: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten;
- Ut-2gem: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in dat gebied, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar;
- Ut-2cgmo: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in die gebieden, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar;
- Midmotcgmo: het deel van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basismotcgmo: het deel van de basisbedragen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de maatschappelijke centrumgemeenten dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basismotgem: het deel van het basisbedrag voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Midmo: de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid in de GSB III periode.
Artikel 6
Het procentuele aandeel van de gemeente die behoort tot de centrumgemeenten voor vrouwenopvang in de middelen voor vrouwenopvang, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule
In deze formule is
- Inwt-1gem: het aantal inwoners van het zorggebied voor vrouwenopvang van de gemeente op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Inwt-1cgvo: het aantal inwoners van de zorggebieden van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Mint-1gem: het totaal van het aantal inwoners van de gemeente in het zorggebied voor vrouwenopvang op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Mint-1cgvo: Het totaal van het aantal inwoners in de zorggebieden voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar, volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Midvot: het deel van de middelen voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basisvotcgvo: het deel van de basisbedragen voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basisvotgem: het deel van het basisbedrag voor vrouwenopvang van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe rekenen;
- Midvo: de middelen voor vrouwenopvang in de GSB III periode.
Artikel 7
Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van nieuwkomers, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, voor het jaar 2005 wordt bepaald volgens de formule
(C/D) × (Midverkl/Midinbnk) + (E/F) × (Midbeschl/Midinbnk)).
In deze formule is
- C: het aantal verklaringen van de gemeente in 2005;
- D: het aantal verklaringen van de G30 in 2005;
- E: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de gemeente in 2005;
- F: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de G30 in 2005;
- Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is;
- Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor maatstaf beschikkingen beschikbaar is;
- Midinbnk: de middelen voor de inburgering van nieuwkomers in 2005.
Op het met het procentuele aandeel, bedoeld in het eerste lid, corresponderende bedrag, wordt de helft van de per 31 december 2004 door de gemeente op grondslag van de Wet inburgering nieuwkomers gevormde reserve in mindering gebracht, mits die reserve groter is dan € 0.
Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van nieuwkomers, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt voor het jaar 2006 bepaald volgens de formule
(C/D) × (Midverkl/Midinbnk) + (E/F) × (Midbeschl/Midinbnk)).
In deze formule is
- –. C: het aantal verklaringen van de gemeente in 2006, welke betrekking hebben op in dit jaar aangevangen inburgeringsprogramma’s;
- –. D: het aantal verklaringen van de G30 in 2006, welke betrekking hebben op in dit jaar aangevangen inburgeringsprogramma’s;
- –. E: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de gemeente in 2006;
- –. F: het aantal beschikkingen omtrent een inburgeringsprogramma van de G30 in 2006;
- –. Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is;
- –. Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor maatstaf beschikkingen beschikbaar is;
- –. Midinbnk: de middelen voor de inburgering van nieuwkomers in het jaar 2006.
Artikel 8
Het procentuele aandeel van de gemeente in de middelen voor de inburgering van oudkomers, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule
(G/H) × 2667/8000 + (I/J) × 5333/8000.
In deze formule is
- G: het aantal oudkomers in de gemeente dat in 2005 en 2006 start met een inburgeringsprogramma voor oudkomers en met wie de gemeente in 2005 en 2006 een overeenkomst heeft gesloten;
- H: het aantal oudkomers in de G30 dat in 2005 en 2006 start met een inburgeringsprogramma voor oudkomers en met wie in 2005 en 2006 een overeenkomst is gesloten;
- I: het aantal oudkomers in de gemeente dat in 2005 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2006 afrondt, alsmede het aantal oudkomers in de gemeente dat in 2006 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2007 afrondt;
- J: het aantal oudkomers in de G30 dat in 2005 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2006 afrondt, alsmede het aantal oudkomers in de G30 dat in 2006 met een inburgeringsprogramma voor oudkomers start en dat programma uiterlijk 31 december 2007 afrondt.
Bij de toepassing van de formule, genoemd in het eerste lid, bedraagt bij elk van de onderdelen van de formule het aantal in aanmerking te nemen oudkomers ten hoogste het aantal oudkomers dat bij de verlening van voorschotten is betrokken.
Artikel 9
Het procentuele aandeel van de gemeente in de extra middelen voor veiligheid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit, wordt bepaald volgens de formule
0,1950 × (Inw2004gem/Inw2004G30) + 0,2090 × (Min2004gem/Min2004G30) + 0,12 × (Jonggem/JongG30) + 0,12 × (K/L) + 0,12 × (HKS2003gem/HKS2003G30) + 0,083 × (ABWontgem/ABWontG30) + 0,083 × (Loplgem/LoplG30) + 0,035 × ((Li2004gem × Kpreg2004gem)/(Li2004G30 × Kpreg2004G30)) + 0, 035 × ((Jonggem × Kpreg2004gem)/(JongG30 × Kpreg2004G30)).
In deze formule is
- Inw2004gem: aantal inwoners van de gemeente op 1 januari 2004;
- Inw2004G30: aantal inwoners van de G30 op 1 januari 2004;
- Min2004gem: Het totaal van het aantal inwoners op 1 januari 2004 in de gemeente volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Min2004G30: Het totaal van het aantal inwoners in de G30 op 1 januari 2004, volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Jonggem: het aantal inwoners van de gemeente dat negentien jaar of jonger is op 1 januari 2004;
- JongG30: het aantal inwoners van de G30 dat negentien jaar of jonger is op 1 januari 2004 op 1 januari 2004;
- K: (Min2004gem/Inw2004gem) × Jonggem;
- L: (Min2004G30/Inw2004G30) × JongG30;
- HKS2003gem: aantal jongeren van twaalf tot en met vierentwintig jaar in de gemeente dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie;
- HKS2003G30: aantal jongeren van twaalf tot en met vierentwintig jaar in de G30 dat in 2003 voorkomt in het herkenningssysteem van de politie;
- ABWontgem: aantal personen in de gemeente op 31 december 2003 op basis van de Bijstandmaatstaf, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- ABWontG30: aantal personen in de G30 op 31 december 2003 op basis van de Bijstandmaatstaf, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Loplgem: gemiddeld aantal inwoners in de gemeente van vijftien jaar tot en met vierenzestig jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs;
- LoplG30: gemiddeld aantal inwoners in de G30 van vijftien jaar tot en met vierenzestig jaar over de jaren 1997–2002 met ten hoogste een diploma op het niveau van het Voorbereidend Beroepsonderwijs;
- Kpreg2004gem: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de gemeente als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari 2004;
- Kpreg2004G30: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen in de G30 als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari 2004.
Artikel 10
De indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, zijn:
- a. het aantal doelgroepkinderen dat deelneemt aan voorschoolse educatie;
- b. het aantal leerlingen dat heeft deelgenomen aan een schakelklas;
- c. het aantal voortijdig schoolverlaters onder de drieëntwintig jaar dat is herplaatst en alsnog een startkwalificatie behaalt van tenminste het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- d. het aantal trajecten dat door een gemeente bij een roc wordt ingekocht, waarbij een traject kan worden opgebouwd uit onderdelen van opleidingen educatie;
- e. het aantal deelnemers dat met een opleiding educatie is gestart;
- f. het aantal deelnemers dat een opleiding educatie succesvol heeft afgerond;
- g. een door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente te bepalen indicator op het gebied van educatie anders dan bedoeld onder d tot en met f; onder deze door de gemeente te bepalen indicator kan het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente tevens kiezen voor een uitsplitsing in subindicatoren naar onderdelen van opleidingen educatie;
- h. de gemiddelde verblijfsduur in de maatschappelijke opvang;
- i. het aantal plaatsen in de vrouwenopvang;
- j. het aantal behandelingen op het gebied van de verslavingszorg dat per jaar wordt afgesloten;
- k. een door de gemeenteraad te bepalen doelstelling op het gebied van maatschappelijke opvang, de verslavingszorg of van vrouwenopvang anders dan bedoeld onder h tot en met j;
- l. het aantal personen van nul tot negentien jaar met overgewicht die via de Jeugdgezondheidszorg wordt opgespoord en voor wie gezondheidsinterventies worden ingezet;
- m. een door de gemeenteraad te bepalen doelstelling op het gebied van de bestrijding van gezondheidsachterstanden anders dan bedoeld onder l;
- n. het procentuele deel van de jeugdige en volwassen veelplegers waarvoor door de gemeenteraad nazorg of resocialisatietrajecten worden aangeboden;
- o. het procentuele deel van de jeugdige en volwassen veelplegers waarvoor door de gemeenteraad nazorg of resocialisatietrajecten worden afgerond;
- p. het procentuele deel van de personen die overlast geven op straat dat in maatschappelijke opvang kan worden geplaatst, die in crisissituaties vierentwintig uur per dag beschikbaar is;
- q. de aanwezigheid van een convenant of van een ander arrangement tussen alle partijen betrokken bij huiselijk geweld;
- r. de aanwezigheid van een advies- en steunpunt huiselijk geweld voor 1 januari 2009;
- s. het aantal eerste meldingen van huiselijk geweld en het aantal meldingen van herhaling van huiselijk geweld;
- t. het verminderen van criminaliteit in risicogebieden en in de woonomgeving uitgedrukt in een door de gemeenteraad te bepalen indicator;
- u. een door de gemeenteraad te bepalen doelstelling op het gebied van veiligheid anders dan bedoeld onder n tot en met t.
Artikel 11
De percentsgewijze verdeling van de middelen voor leefbaarheid en veiligheid over de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, is als volgt samengesteld:
- a. 27,20 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder n;
- b. 27,20 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder o;
- c. 18,40 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder p, en
- d. 27,20 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder t.
Bij de percentsgewijze verdeling van de middelen voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten over de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, wordt 100 percent toegedeeld aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder c.
De percentsgewijze verdeling van de middelen voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden over de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, is als volgt samengesteld:
- a. 80 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder l, en
- b. 20 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder m.
De percentsgewijze verdeling van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid respectievelijk voor vrouwenopvang over de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, is steeds als volgt samengesteld:
- a. 33,90 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder h;
- b. 17,50 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder i;
- c. 28,60 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder j, en
- d. 20,00 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder k.
De percentsgewijze verdeling van de extra middelen voor veiligheid over de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Besluit, is als volgt samengesteld:
- a. 13,36 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder n;
- b. 13,36 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder o;
- c. 13,36 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder q;
- d. 13,36 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder r;
- e. 13,36 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder s;
- f. 13,36 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder t, en
- g. 20,00 percent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onder u.
De bedragen, bedoeld in de artikelen 12d en 12e, eerste lid, worden toegerekend aan de middelen, genoemd in het eerste tot en met vijfde lid, evenredig naar de omvang van die middelen, en daarbinnen naar rato van de in die leden genoemde percentsgewijze verdeling over de indicatoren.
Artikel 12
De uitkering aan de gemeente Heerlen wordt verhoogd met ten hoogste € 1.500.000,– ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor het jaar 2005 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van het project Hartslag, gericht op het verminderen van de aan harddrugs gerelateerde overlast in die gemeente.
Voor 1 augustus 2005 dient het college van burgemeester en wethouders van Heerlen bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren ontwikkelingsprogramma. Daarin worden vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het verminderen van de aan harddrugs gerelateerde overlast, met de daarbij behorende indicatoren.
De minister neemt een beschikking tot verlening van de in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt in zijn geheel toegedeeld aan de in het tweede lid bedoelde indicatoren.
De minister kan de verhoging op een lager bedrag dan € 1.500.000,– vaststellen indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van Heerlen heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
Artikel 13
Ten behoeve van het meten van de maatschappelijke effecten die zijn bereikt met de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma worden periodiek gegevens verzameld op basis van de volgende indicatoren:
- a. slachtofferschap:
- i. vermogensdelicten: het aantal respondenten dat in het voorafgaande jaar binnen het grondgebied van de gemeente te maken heeft gehad met poging tot inbraak, inbraak, fietsendiefstal, diefstal uit auto’s, diefstal van auto’s, diefstal of vernieling aan de buitenkant van auto’s en zakkenrollerij;
- ii. geweldsdelicten: het aantal respondenten dat in het voorafgaande jaar binnen het grondgebied van de gemeente te maken heeft gehad met diefstal met geweld, mishandeling en bedreiging;
- b. een meting van de onveiligheidsgevoelens in de buurt;
- c. verloedering: een schaalscore, gebaseerd op de volgende elementen:
- i. bekladding van muren en gebouwen;
- ii. vernieling van telefooncellen, bus- en tramhokjes;
- iii. rommel op straat;
- iv. hondenpoep op straat;
- d. sociale kwaliteit: een schaalscore, gebaseerd op de reacties op de volgende stellingen:
- i. de mensen in de buurt kennen elkaar nauwelijks;
- ii. de mensen gaan op een prettige manier met elkaar om;
- iii. ik woon in een buurt waar veel saamhorigheid is;
- iv. ik voel mij thuis bij de mensen die hier wonen.
De in het eerste lid bedoelde gegevens worden zowel op het niveau van de wijk als op het niveau van de gemeente verzameld.
Het college van burgemeester en wethouders verstrekt de in het eerste lid bedoelde gegevens uiterlijk op 30 juni 2005, 31 mei 2007 en 15 juli 2010 aan de minister.
De uiterlijk per 30 juni 2005 te verstrekken gegevens hebben zoveel mogelijk betrekking op de stand per 31 december 2004, voorzover in het eerste lid niet anders is aangegeven.
De in 2007 en 2010 te verstrekken gegevens die voortkomen uit registratiesystemen hebben zoveel mogelijk betrekking op de stand per 31 december 2006, respectievelijk 31 december 2009. Voorzover het college van burgemeester en wethouders gebruik maakt van enquêtes, worden deze uitgevoerd in de periode oktober 2006–maart 2007, respectievelijk januari–maart 2010 en hebben deze betrekking op 2006, respectievelijk 2009.
Artikel 14
Het bedrag dat jaarlijks ambtshalve aan voorschotten op het programmadeel wordt verleend, is de uitkomst van de formule
0,20 × M + ((0,40 × Inwt-1gemmo/Inwt-1cgmo) + 0,50 × ((Linkt-1gemmo × Kpregt-1gemmo)/(Linkt-1cgmo × Kpregt-1cgmo)) + 0.10 × (Ut-2gemmo/Ut-2cgmo)) × (Midmotcgmo –Basismotcgmo)+Basismotgem + (0,90 × (Inwt-1gemvo/Inwt-1cgvo) + 0,10 × (Mint-1gemvo/Mint-1cgvo)) × ((Midvot – Basisvotcgvo))+Basisvotgem + N.
In deze formule is
- M: het bedrag van de aandelen van de gemeente in de middelen voor veiligheid en leefbaarheid, voor het terugdringen van voortijdig schoolverlaten en voor de bestrijding van gezondheidsachterstanden;
- Inwt-1gemmo: het aantal inwoners in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Inwt-1cgmo: het aantal inwoners in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Linkt-1gemmo: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS;
- Linkt-1cgmo: het aantal huishoudens op basis van de Maatstaf lage inkomens, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001, in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten volgens de meest recente vóór het kalenderjaar vastgestelde inkomensstatistiek van het CBS;
- Kpregt-1gemmo: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente;
- Kpregt-1cgmo: het aantal potentiële regionale klanten van de woonkernen als bedoeld in artikel 10 van het Besluit financiële verhouding 2001 op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten;
- Ut-2gemmo: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in het maatschappelijke zorggebied van de gemeente, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in dat gebied, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar;
- Ut-2cgmo: het aantal personen volgens de Maatstaf uitkeringsontvangers, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in de maatschappelijke zorggebieden van de maatschappelijke centrumgemeenten, verminderd met het aantal personen volgens de bijstandsmaatstaf, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001 in die gebieden, op 31 december van het jaar dat twee jaar voorafgaat aan het kalenderjaar;
- Midmotcgmo: het deel van de middelen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basismotcgmo: het deel van de basisbedragen voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de maatschappelijke centrumgemeenten dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basismotgem: het deel van het basisbedrag voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Inw: het aantal inwoners;
- Inwt-1gemvo: het aantal inwoners van het zorggebied voor vrouwenopvang van de gemeente;
- Inwt-1cgvo: het aantal inwoners van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang en de regiogemeenten op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar;
- Mint-1gemvo: Het totaal van het aantal inwoners op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in het zorggebied voor vrouwenopvang van de gemeente volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Mint-1cgvo: Het totaal van het aantal inwoners op 1 januari van het voorafgaande kalenderjaar in de zorggebieden voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang volgens de Maatstaf minderheden, bedoeld in bijlage 2 van het Besluit financiële verhouding 2001;
- Midvot: het deel van de middelen voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basisvotcgvo: het deel van de basisbedragen voor vrouwenopvang van de centrumgemeenten voor vrouwenopvang dat aan het kalenderjaar is toe te rekenen;
- Basisvotgem: het deel van het basisbedrag voor vrouwenopvang van de gemeente dat aan het kalenderjaar is toe rekenen;
- N: het aan het kalenderjaar op basis van het tweede lid toe te rekenen bedrag van de gemeente voor de extra veiligheidsmiddelen.
Het bedrag van de gemeente voor de extra veiligheidsmiddelen bedraagt voor:
- a. het kalenderjaar 2005, 8,17% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen;
- b. het kalenderjaar 2006, 25,67% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen;
- c. het kalenderjaar 2007, 27,33% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen;
- d. het kalenderjaar 2008, 21,50% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen, en
- e. het kalenderjaar 2009, 17,33% van het aandeel van de gemeente in de extra veiligheidsmiddelen.
Het verleende voorschot voor een kalenderjaar wordt in twee termijnen betaald.
Het in 2005 aan de gemeente Heerlen te verlenen voorschot wordt verhoogd met het bedrag dat de minister op grond van artikel 12, derde lid, heeft verleend.
Aan Sittard-Geleen wordt vanaf 2006 ambtshalve jaarlijks een voorschot verleend van € 1.494.327,–, met in 2006 een extra bedrag voor inburgering van € 870.420,–.
De aan de vier gemeenten, genoemd in artikel 12a, eerste lid, te verlenen voorschotten worden verhoogd met de bedragen die de minister op grond van artikel 12a, vierde en vijfde lid, heeft verleend.
De aan de in het eerste lid van artikel 12b bedoelde gemeenten te verlenen voorschotten worden verhoogd met de bedragen die de minister op grond van artikel 12b, zesde en zevende lid, heeft verleend. Het procentuele aandeel voor het jaar 2006, als bedoeld in artikel 12b, tweede lid, wordt door de minister als voorschot vóór 1 oktober 2006 beschikbaar gesteld. Dit voorschot wordt verstrekt, vooruitlopend op de beschikking tot verlening, als bedoeld in artikel 12b, zesde en zevende lid.
De aan de gemeenten, waaraan op grond van artikel 12c een aanvulling op de uitkering wordt verleend, te verlenen voorschotten worden in de jaren 2007 tot en met 2009 steeds verhoogd met een derde deel van het bedrag dat op grond van artikel 12c, vijfde en zesde lid, is verleend.
De aan de gemeenten, genoemd in artikel 12d, te verlenen voorschotten worden verhoogd met € 808.333,– voor het jaar 2006 en met € 1.191.667,- voor het jaar 2007.
De aan de gemeenten, die op basis van artikel 12e, zesde lid, in aanmerking komen voor een bijdrage in het kader van het initiatief ‘Aanval op de Uitval’, te verlenen voorschotten worden verhoogd met € 100.000 per toegekend project voor het jaar 2006. Het aan Hengelo te verlenen voorschot wordt ten gevolge van artikel 12e, achtste lid, voor het jaar 2006 verhoogd met € 120.000.
De aan de elf gemeenten, genoemd in artikel 12f, eerste lid, te verlenen voorschotten worden in de jaren 2006, 2007, 2008 en 2009 steeds verhoogd met respectievelijk 17,69%, 17,69%, 43,08% en 21,54% van het bedrag dat de minister op grond van artikel 12f, vierde en vijfde lid, heeft verleend.
Artikel 15
Het bedrag dat in 2005 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend is de uitkomst van de formule ((O/P) × Midverkl + (Q:R) × Midbesch) – ½S + (T × € 6400).
In deze formule is
- O: het aantal verklaringen van de gemeente in 2003;
- P: het aantal verklaringen van de G30 in 2003;
- Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is;
- Q: het aantal beschikkingen van de gemeente in 2003;
- R: het aantal beschikkingen van de G30 in 2003;
- Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf beschikkingen beschikbaar is;
- S: de door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers, per 31 december 2004;
- T: het door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vastgestelde aantal oudkomers dat bij de verlening van de voorschotten wordt betrokken.
Als de reserve, bedoeld in onderdeel S van de formule, genoemd in het eerste lid, negatief is wordt S gesteld op 0.
Het bedrag dat in 2005 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend bedraagt in afwijking van het eerste lid ten minste T × € 6400.
Artikel 16
Vervallen
Artikel 17
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 2005.
Artikel 18
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
Bijlage A. behorende bij artikel 1, onderdelen d en e
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen.
| Centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid | Zorggebied voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid |
|---|---|
| Alkmaar | Het deelgebied Noord-Kennemerland van de gezondheidsregio12 Alkmaar |
| Almelo | Het deelgebied Almelo van gezondheidsregio 05 Twente |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebied Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem en Zevenaar van en gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | Het deelgebied Breda van de gezondheidsregio 22 Breda met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Aalburg en Alphen-Chaam |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Deventer | De deelgebieden Deventer en Zutphen van de gezondheidsregio 06 Stedendriehoek |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | Het deelgebied Zuid-Oost Drenthe van de gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De deelgebieden Hengelo en Enschede van de gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De deelgebieden ’s-Hertogenbosch en Ammerzoden van de gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen en het grondgebied van de gemeente Nederbetuwe |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van de gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | Het deelgebied Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Bijlage A. behorende bij artikel 1, onderdelen d en e
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen.
| Centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid | Zorggebied voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid |
|---|---|
| Alkmaar | Het deelgebied Noord-Kennemerland van de gezondheidsregio12 Alkmaar |
| Almelo | Het deelgebied Almelo van gezondheidsregio 05 Twente |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebied Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem en Zevenaar van en gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | Het deelgebied Breda van de gezondheidsregio 22 Breda met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Aalburg en Alphen-Chaam |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Deventer | De deelgebieden Deventer en Zutphen van de gezondheidsregio 06 Stedendriehoek |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | Het deelgebied Zuid-Oost Drenthe van de gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De deelgebieden Hengelo en Enschede van de gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De deelgebieden ’s-Hertogenbosch en Ammerzoden van de gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen en het grondgebied van de gemeente Nederbetuwe |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van de gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | Het deelgebied Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Bijlage B. behorende bij artikel 1, onderdeel f
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen
| Centrumgemeente voor vrouwenopvang | Zorggebied voor vrouwenopvang |
|---|---|
| Alkmaar | De deelgebieden Noord-Kennemerland en West-Friesland van de gezondheidsregio 12 Alkmaar |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebieden Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem, Zevenaar, Doetinchem en Winterwijk van de gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | De gezondheidsregio 22 Breda |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | De gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | De deelgebieden Waterland en Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Bijlage C. behorende bij artikel 16, eerste lid
Format verantwoording Prestaties
| OUTPUT Outputindicatoren | OUTPUT Stedelijke ambitie MOP | OUTPUT Stedelijke realisatie | |
|---|---|---|---|
| a | het aantal peuters en kleuters dat deelneemt aan voor- en vroegschoolse programma’s | ||
| b | het aantal ingerichte schakelklassen | ||
| c | het aantal voortijdige schoolverlaters onder de drieëntwintig jaar dat is herplaatst en alsnog een startkwalificatie behaalt van tenminste het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs | ||
| d | het aantal deelnemers aan trajecten: Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs (VAVO); | ||
| e | het aantal deelnemers aan trajecten: Breed Maatschappelijk Functioneren/Toeleiding vervolgonderwijs | ||
| f | het aantal deelnemers aan trajecten: Sociale Redzaamheid (met onderscheid tussen NT2-onderwijs en Alfabetisering van autochtone Nederlanders | ||
| g | het aantal deelnemers aan trajecten Staatsexamen NT2 opleidingen | ||
| h | de gemiddelde verblijfsduur in de maatschappelijke opvang | ||
| i | het aantal plaatsen in de vrouwenopvang | ||
| j | het aantal behandelingen op het gebied van de verslavingszorg dat per jaar wordt afgesloten | ||
| k | een door de gemeente te bepalen doelstelling op het gebied van maatschappelijke opvang, de verslavingszorg of van vrouwenopvang anders dan bedoeld onder h tot en met j | ||
| l | het aantal van de personen van nul tot negentien jaar met overgewicht die via de Jeugdgezondheidszorg worden opgespoord en voor wie gezondheidsinterventies worden ingezet | ||
| m | een door de gemeente te bepalen doelstelling op het gebied van de bestrijding van gezondheidsachterstanden anders dan bedoeld onder l | ||
| n | het procentuele deel van de jeugdige en volwassen veelplegers waarvoor door de gemeente nazorg of resocialisatietrajecten worden aangeboden; | ||
| o | het procentuele deel van de jeugdige en volwassen veelplegers waarvoor door de gemeente nazorg of resocialisatie-trajecten worden afgerond | ||
| p | het procentuele deel van de personen die overlast geven op straat dat in maatschappelijke opvang kan worden geplaatst, die in crisissituaties vierentwintig uur per dag beschikbaar is | ||
| q | de aanwezigheid van een convenant of van een ander arrangement tussen alle partijen betrokken bij huiselijk geweld | ||
| r | de aanwezigheid van een advies- en steunpunt huiselijk geweld voor 1 januari 2009 | ||
| s | het aantal eerste meldingen van huiselijk geweld en het aantal meldingen van herhaling van huiselijk geweld | ||
| t | het verminderen van criminaliteit in risicogebieden en in de woonomgeving, uitgedrukt in een door de gemeente te bepalen indicator | ||
| u | een door de gemeente te bepalen doelstelling op het gebied van veiligheid anders dan bedoeld onder n tot en met t |
Voor iedere indicator waar eventueel het resultaat niet (volledig) is gerealiseerd, geeft de stad conform artikel 24, derde lid, van het besluit brede doeluitkering sociaal, veiligheid en integratie aan:
| Omschrijving Indicator: | Kwantitatieve vergelijking van in het prestatieconvenant vastgelegde resultaat met het bereikte resultaat: |
|---|---|
| Toelichting waarom resultaat niet volledig is bereikt: | Toelichting waarom resultaat niet volledig is bereikt: |
| Door de stad verrichte inspanningen om het niet bereiken van het in het prestatieconvenant vastgelegde resultaat zoveel mogelijk te voorkomen: | Door de stad verrichte inspanningen om het niet bereiken van het in het prestatieconvenant vastgelegde resultaat zoveel mogelijk te voorkomen: |
Het hier volgende deel van het format verantwoording prestaties GSB/BDU SIV is alleen van toepassing indien uit voorgaande blijkt dat de stad een of meer resultaten niet (geheel) heeft bereikt én de stad in dat geval op basis van artikel 27, vijfde lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, veiligheid en integratie kiest voor verrekening per indicator op basis van feitelijke bestedingen van de rijksbijdrage.
| Outputindicatoren | Besteding ten laste van de rijksbijdrage | |
|---|---|---|
| a | het aantal peuters en kleuters dat deelneemt aan voor- en vroegschoolse programma’s | |
| b | het aantal ingerichte schakelklassen | |
| c | het aantal voortijdige schoolverlaters onder de drieëntwintig jaar dat is herplaatst en alsnog een startkwalificatie behaalt van tenminste het niveau van de basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2., eerste lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs | |
| d | het aantal deelnemers aan trajecten: Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs (VAVO); | |
| e | het aantal deelnemers aan trajecten: Breed Maatschappelijk Functioneren/Toeleiding vervolgonderwijs | |
| f | het aantal deelnemers aan trajecten: Sociale Redzaamheid (met onderscheid tussen NT2-onderwijs en Alfabetisering van autochtone Nederlanders) | |
| g | het aantal deelnemers aan trajecten Staatsexamen NT2-opleidingen | |
| h | de gemiddelde verblijfsduur in de maatschappelijke opvang | |
| i | het aantal plaatsen in de vrouwenopvang | |
| j | het aantal behandelingen op het gebied van de verslavingszorg dat per jaar wordt afgesloten | |
| k | een door de gemeente te bepalen doelstelling op het gebied van maatschappelijke opvang, de verslavingszorg of van vrouwenopvang anders dan bedoeld onder h tot en met j | |
| l | het aantal personen van nul tot negentien jaar met overgewicht die via de Jeugd-gezondheidszorg wordt opgespoord en voor wie gezondheidsinterventies worden ingezet | |
| m | een door de gemeente te bepalen doelstelling op het gebied van de bestrijding van gezondheidsachterstanden anders dan bedoeld onder l | |
| n | het procentuele deel van de jeugdige en volwassen veelplegers waarvoor door de gemeente nazorg en/of resocialisatietrajecten worden aangeboden; | |
| o | het procentuele deel van de jeugdige en volwassen veelplegers waarvoor door de gemeente nazorg en/of resocialisatie-trajecten worden afgerond | |
| p | het procentuele deel van de personen die overlast geven op straat dat in maatschappelijke opvang kan worden geplaatst, die in crisissituaties vierentwintig uur per dag beschikbaar is | |
| q | de aanwezigheid van een convenant of van een ander arrangement tussen alle partijen betrokken bij huiselijk geweld | |
| r | de aanwezigheid van een advies- en steunpunt huiselijk geweld voor 1 januari 2009 | |
| s | het aantal eerste meldingen van huiselijk geweld en het aantal meldingen van herhaling van huiselijk geweld | |
| t | het verminderen van criminaliteit in risicogebieden en in de woonomgeving uitgedrukt in een door de gemeente te bepalen indicator | |
| u | een door de gemeente te bepalen doelstelling op het gebied van veiligheid anders dan bedoeld onder n tot en met t |
Toelichting
De stad kan zelf bepalen hoe de gegevens voor deze verantwoording worden verzameld. De stad kan de gegevens herkenbaar opnemen in de jaarrekening en ten behoeve van de eenmalige verantwoording in 2010 de totalen berekenen over de jaren 2005 t/m 2009 of de stad kan in 2010 eenmalig een totaal eindverantwoording opmaken.
Bijlage C. behorende bij artikel 16, eerste lid
Vervallen
Controleprotocol
Toelichting
De stad kan zelf bepalen hoe de gegevens voor deze verantwoording worden verzameld. De stad kan de gegevens herkenbaar opnemen in de jaarrekening en ten behoeve van de eenmalige verantwoording in 2010 de totalen berekenen over de jaren 2005 t/m 2009 of de stad kan in 2010 eenmalig een totaal eindverantwoording opmaken.
De stad kan zelf bepalen hoe de gegevens voor deze verantwoording worden verzameld. De stad kan de gegevens herkenbaar opnemen in de jaarrekening en ten behoeve van de eenmalige verantwoording in 2010 de totalen berekenen over de jaren 2005 t/m 2009 of de stad kan in 2010 eenmalig een totaal eindverantwoording opmaken.
Controleprotocol
Dit controleprotocol dient om de reikwijdte en het object van de accountantscontrole nader aan te geven. Er wordt niet beoogd een aanpak van de accountantscontrole voor te schrijven. Veelal zal de accountant zich immers bij zijn controle baseren op een (risico)analyse van de administratieve organisatie en interne controle bij de desbetreffende gemeente en op basis daarvan komen tot een optimale afweging van de in te zetten controlemiddelen.
Op basis van artikel 24, tweede lid, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid (hierna: het Besluit) dienen de steden een verantwoordingsverslag in over de uitvoering van het MOP bij de aanvraag tot vaststelling van het programmadeel. Het verantwoordingsverslag heeft dus geen betrekking op het inburgeringsdeel. De GSB-steden verantwoorden de gerealiseerde aantallen op inburgeringsgebied separaat aan de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie. Dit is geregeld in artikel 15 van het Besluit.
Ingevolge artikel 24, vierde lid, van het Besluit, dienen de steden een verslag in waarin de bestedingen van de verleende voorschotten worden verantwoord. Het financieel verslag bevat zowel de bestedingen van de voorschotten op het programmadeel als de bestedingen van de voorschotten op het inburgeringsdeel.
Ingevolge artikel 24, vierde lid, van het Besluit, dienen de steden een verslag in waarin de bestedingen van de verleende voorschotten worden verantwoord. Het financieel verslag bevat zowel de bestedingen van de voorschotten op het programmadeel als de bestedingen van de voorschotten op het inburgeringsdeel.
Dit controleprotocol dient om de reikwijdte en het object van de accountantscontrole nader aan te geven. Er wordt niet beoogd een aanpak van de accountantscontrole voor te schrijven. Veelal zal de accountant zich immers bij zijn controle baseren op een (risico)analyse van de administratieve organisatie en interne controle bij de desbetreffende gemeente en op basis daarvan komen tot een optimale afweging van de in te zetten controlemiddelen.
Aangezien deze aanpak leidt tot maatwerk per gemeente is dat ook niet mogelijk.
De accountantscontrole strekt zich uit tot de deugdelijkheid van het financiële verslag en de rechtmatigheid van het daarin verantwoorde beheer. Onder de controle op de rechtmatigheid van het verantwoorde beheer wordt verstaan de controle of de verantwoorde bestedingen (lasten) tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de relevante regelgeving. Het doel van deze controle is te komen tot het afgeven van een accountantsverklaring bij de financiële eindverantwoording GSBIII.
Voor de beoordeling van de prestatieindicatoren is geen maatwerk voor de steden voor te schrijven. Iedere gemeente zal op eigen wijze haar systemen ter registratie van de uitvoering in het MOP hebben ingericht, als gevolg waarvan er geen eenduidig normenkader bestaat. De inrichting van dit soort systemen valt onder de verantwoordelijheid van de gemeenten, waaronder begrepen de verantwoordelijkheid voor een adequate AO/IC.
1.2. Derdengegevens
Het verantwoordingsverslag gaat vergezeld van een door de accountant opgesteld rapport van bevindingen met betrekking tot de beoordeling van de registratiesystemen vanuit het oogpunt of deze systemen een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk hebben gemaakt. De rapportage heeft betrekking op de gehele GSB periode.
Dit impliceert betrokkenheid van de accountant vanaf de start van de GSB III periode.
De situatie kan zich voordoen dat de systemen met betrekking tot het generen van prestatiegegevens bij aanvang van de GSBIII periode nog niet geheel adequaat zijn ingericht. De accountant rapporteert dan zijn bevindingen en aanbevelingen hierover tijdig en periodiek aan het College van B&W (als verantwoordelijke voor de bedrijfsvoering), waarbij hij tevens aandacht schenkt aan het groeipad naar de gewenste situatie.
De situatie kan zich voordoen dat de systemen met betrekking tot het generen van prestatiegegevens bij aanvang van de GSBIII periode nog niet geheel adequaat zijn ingericht. De accountant rapporteert dan zijn bevindingen en aanbevelingen hierover tijdig en periodiek aan het College van B&W (als verantwoordelijke voor de bedrijfsvoering), waarbij hij tevens aandacht schenkt aan het groeipad naar de gewenste situatie.
1.2. Derdengegevens
De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van een adequate AO/IC met betrekking tot het verkrijgen van betrouwbare gegevens van derden. De accountant stelt het bestaan en de werking van deze AO/IC vast.
2. Aandachtspunten
2. Aandachtspunten
Indien de gemeente accountant ten behoeve van zijn oordeelsvorming gebruik maakt van verklaringen, die door andere accountants zijn afgegeven, dan kan hij zich door middel van een review ervan te vergewissen dat hij gebruik kan maken van de werkzaamheden van de andere accountants. Hierbij kan hij onder meer na gaan of het controleprotocol is nageleefd.
De van toepassing zijnde regelgeving betreft:
De van toepassing zijnde regelgeving betreft:
In het tweede geval zal de beoordeling breder zijn. De bemoeienis van de accountant richt zich bij de lokale registratiesystemen in het bijzonder op de vraag of het systeem een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maakt.
2.1. Outputindicatoren
In het eerste geval zal de bemoeienis van de accountant beperkter kunnen zijn, in ieder geval dient de accountant vast te stellen dat de gegevens zijn ontleend aan de gezaghebbende extern bronnen en dat de uitkomsten zijn opgenomen in de verantwoording.
In het tweede geval zal de beoordeling breder zijn. De bemoeienis van de accountant richt zich bij de lokale registratiesystemen in het bijzonder op de vraag of het systeem een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maakt.
2.2.1. *Voorschotten van gemeenten aan derden*
De volgende punten kunnen hierbij als handreiking dienen.
De accountant stelt vast dat de bestedingen rechtmatig zijn geweest; de bestede rijksbijdragen moeten passen binnen de reikwijdte van de BDU. Onder bestedingen wordt verstaan: de besteding door de gemeente zelf of door derden in opdracht van de steden.
2.2.2. Rechtmatige besteding
Bij dit onderdeel gaat het uitsluitend om de rechtmatigheid van de bestedingen door de gemeente en derden ten behoeve van de uitvoering van het MOP, uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, eerste lid, en artikel 15 van de WIN in 2005 en het aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005.
In het kader van de besteding van de bijdragen GSBIII kan het voorkomen dat de gemeente aan derden voorschotten verstrekt. De stad dient voordat de verantwoording GSBIII moet worden ingediend (15 juli 2010), de aan derden verstrekte subsidies te hebben beoordeeld en vastgesteld. In de onder punt 1.2. aangehaalde gemeentelijke beleidslijn zal hierin moeten zijn voorzien.
De accountant stelt vast dat dit is gebeurd.
De accountant stelt vast dat dit is gebeurd.
2.2.2. Rechtmatige besteding
Het bedrag van de verleende voorschotten dat niet in het ontvangstjaar is besteed wordt gedoteerd aan een voorziening (art 44 BBV). De aanwending van de voorziening is de besteding van de uitkering.
2.2.4. BTW Compensatiefonds
De accountant stelt vast dat de in de verantwoording opgenomen bestedingen
2.2.3. Gevolgen niet (geheel) realiseren prestaties
2.2.3. Gevolgen niet (geheel) realiseren prestaties
Indien uit het door de stad uitgebrachte prestatie-verantwoordingsverslag blijkt dat de prestaties niet geheel zijn gehaald dan vindt verrekening plaats op basis van de rijkstarievenlijst. De minister kan op verzoek van de gemeente de verrekening ook laten plaatsvinden op basis van de daadwerkelijke bestedingen per indicator van de rijksbijdrage door de stad. Indien de stad hiervoor kiest dan dient een aangepast financieel verslag van de bestedingen per indicator te worden ingediend (onderdeel van bijlage C bij deze regeling). In dit geval dient de accountant vast te stellen dat de bedragen in de prestatieverantwoording in de kolom ‘besteding ten laste van de rijksbijdrage’ een getrouw en rechtmatig beeld geven van de feitelijke bestedingen per indicator. Wanneer blijkt dat het gemeentebestuur een deel van de voorschotten heeft besteed aan andere in het MOP opgenomen onderwerpen dan die waarvoor op grond van artikel 7 indicatoren zijn vastgesteld en waaraan het bedrag van het programmadeel van de uitkering op grond van artikel 7, tweede en derde lid, percentsgewijs is toegedeeld, wordt bij de berekening van de korting niettemin uitgegaan van een 100-procents toedeling van de uitkering aan de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid. Uitgangspunt daarbij is dan de relatieve verdeling van de feitelijke besteding over de verschillende indicatoren.
De accountant stelt vast dat voorzover ten aanzien van de bestedingen van de stad BTW in rekening is gebracht en in de gemeenterekening nettobedragen zijn opgenomen, de stad in de verantwoording op basis van een beredeneerde schatting heeft bepaald hoe groot de bruto bestedingen zijn. De accountant dient vast te stellen dat de beredeneerde schatting op aanvaardbare wijze tot stand is gekomen.
De accountant stelt vast dat voorzover ten aanzien van de bestedingen van de stad BTW in rekening is gebracht en in de gemeenterekening nettobedragen zijn opgenomen, de stad in de verantwoording op basis van een beredeneerde schatting heeft bepaald hoe groot de bruto bestedingen zijn. De accountant dient vast te stellen dat de beredeneerde schatting op aanvaardbare wijze tot stand is gekomen.
De accountant heeft bij zijn oordeelsvorming gestreefd naar een ‘hoge mate van zekerheid’. Indien dit begrip ten behoeve van het gebruik van statistische technieken moet worden gekwantificeerd, dan is een betrouwbaarheid van 95% gehanteerd.
3.1. De accountantsverklaring en -rapportage
In de accountantsverklaring bij het financiële verslag dient het punt dat het controleprotocol is nageleefd tot uitdrukking te worden gebracht. Een dergelijke vermelding impliceert mede dat de controle is uitgevoerd met inachtname van de hieronder gestelde eisen.
4. Review
De accountant heeft geconcludeerd dat de meest waarschijnlijke fout (goedkeuringstolerantie), met betrekking tot de deugdelijkheid van het financiële verslag en de rechtmatigheid van het daarin verantwoorde beheer, gerelateerd aan de BDU-bijdrage per verantwoordingsperiode, niet groter is dan aangegeven in onderstaande tabel.
De accountant heeft geconcludeerd dat de meest waarschijnlijke fout (goedkeuringstolerantie), met betrekking tot de deugdelijkheid van het financiële verslag en de rechtmatigheid van het daarin verantwoorde beheer, gerelateerd aan de BDU-bijdrage per verantwoordingsperiode, niet groter is dan aangegeven in onderstaande tabel.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 15a
Onverminderd artikel 15 wordt in november 2005 een additioneel voorschot verstrekt op het inburgeringsdeel, ter hoogte van het verschil tussen enerzijds de helft van de door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie geraamde door een gemeente opgebouwde reserve aan niet bestede rijksbijdragen als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Bekostigingsbesluit inburgering nieuwkomers, per 31 december 2004, en anderzijds de helft van de verantwoorde reserve van een gemeente per 31 december 2004, mits dat verschil groter is dan € 0.
Bijlage A. behorende bij artikel 1, onderdelen d en e
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen.
| Centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid | Zorggebied voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid |
|---|---|
| Alkmaar | Het deelgebied Noord-Kennemerland van de gezondheidsregio12 Alkmaar |
| Almelo | Het deelgebied Almelo van gezondheidsregio 05 Twente |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebied Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem en Zevenaar van en gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | Het deelgebied Breda van de gezondheidsregio 22 Breda met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Aalburg en Alphen-Chaam |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Deventer | De deelgebieden Deventer en Zutphen van de gezondheidsregio 06 Stedendriehoek |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | Het deelgebied Zuid-Oost Drenthe van de gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De deelgebieden Hengelo en Enschede van de gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De deelgebieden ’s-Hertogenbosch en Ammerzoden van de gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen en het grondgebied van de gemeente Nederbetuwe |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van de gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | Het deelgebied Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Toelichting
De stad kan zelf bepalen hoe de gegevens voor deze verantwoording worden verzameld. De stad kan de gegevens herkenbaar opnemen in de jaarrekening en ten behoeve van de eenmalige verantwoording in 2010 de totalen berekenen over de jaren 2005 t/m 2009 of de stad kan in 2010 eenmalig een totaal eindverantwoording opmaken.
Bijlage A. behorende bij artikel 1, onderdelen d en e
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen.
| Centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid | Zorggebied voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid |
|---|---|
| Alkmaar | Het deelgebied Noord-Kennemerland van de gezondheidsregio12 Alkmaar |
| Almelo | Het deelgebied Almelo van gezondheidsregio 05 Twente |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebied Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem en Zevenaar van en gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | Het deelgebied Breda van de gezondheidsregio 22 Breda met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Aalburg en Alphen-Chaam |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Deventer | De deelgebieden Deventer en Zutphen van de gezondheidsregio 06 Stedendriehoek |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | Het deelgebied Zuid-Oost Drenthe van de gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De deelgebieden Hengelo en Enschede van de gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De deelgebieden ’s-Hertogenbosch en Ammerzoden van de gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen en het grondgebied van de gemeente Nederbetuwe |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van de gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | Het deelgebied Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Toelichting
Ingevolge artikel 24, vierde lid, van het Besluit, dienen de steden een verslag in waarin de bestedingen van de verleende voorschotten worden verantwoord. Het financieel verslag bevat zowel de bestedingen van de voorschotten op het programmadeel als de bestedingen van de voorschotten op het inburgeringsdeel.
1. Algemeen
De bemoeienis van de accountant richt zich in het bijzonder op de vraag of het systeem een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maakt.
1.2. Derdengegevens
Een deel van de uitkering zal in de praktijk, via subsidiëring door de gemeente, worden uitgegeven door derden die bepaalde taken zullen uitvoeren in opdracht van de gemeente. Ook daarover zal de gemeente verantwoording moeten afleggen, op dezelfde wijze als ten aanzien van de uitgaven die door de gemeente zelf zijn gedaan. De gemeente zal dan ook moeten beschikken over een beleidslijn (bijvoorbeeld in de vorm van gemeentelijke subsidievoorwaarden) ten aanzien van derden waarin onder meer moet zijn opgenomen dat de controle op de financiële gegevens en de beoordeling van de registratiesystemen analoog zijn aan de richtlijnen die voor de gemeente zelf gelden. De accountant stelt vast of een dergelijke beleidslijn bestaat en wordt nageleefd.
1.3. Regelgeving
Indien instellingen en stichtingen door een andere accountant worden gecontroleerd dan degene die de accountantsverklaring afgeeft, dan dient de gemeente ervoor zorg te dragen dat de eindbegunstigden en hun accountants op de hoogte zijn van dit controleprotocol. De instellingsaccountant dient dit protocol na te leven.
1.3. Regelgeving
Ten aanzien van de registratiesystemen kan een onderscheid worden gemaakt in systemen waarin documenten en gegevens uit externe gezaghebbende bron worden verwerkt en interne registratiesystemen waarvan de gegevens door de gemeente zelf worden bijgehouden.
2.2. Bestedingen per BDU
De volgende punten kunnen hierbij als handreiking dienen.
2.2. Bestedingen per BDU
Bij dit onderdeel gaat het uitsluitend om de rechtmatigheid van de bestedingen door de gemeente en derden ten behoeve van de uitvoering van het MOP, uitvoering van de artikelen 4, 5, 6, eerste lid, en artikel 15 van de WIN in 2005 en het aanbieden van inburgeringsprogramma’s voor oudkomers in 2005.
2.2.1. *Voorschotten van gemeenten aan derden*
Voor de gemeenterekening wordt op grond van artikel 2, eerste lid, BBV, een stelsel van baten en lasten gehanteerd.
2.2.3. Gevolgen niet (geheel) realiseren prestaties
Rechtmatige bestedingen zijn dus betalingen ten aanzien van activiteiten met betrekking tot de BDU SIV in de GSBIII periode of per 31-12-2009 openstaande verplichtingen ten aanzien van bovenbedoelde activiteiten waarvan de prestatie al heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de voorziening BDU SIV bij de gemeente (artikel 44 BBV) per 31-12-09 nihil moet zijn, en dat de verplichtingen onder de openstaande passiva zijn opgenomen (artikel 49 BBV).
2.2.4. BTW Compensatiefonds
De accountant stelt vast dat de in de verantwoording opgenomen bestedingen
2.2.4. BTW Compensatiefonds
Voor geconstateerde onjuistheden en onzekerheden gaat de accountant na wat hiervan de consequenties zijn voor de af te geven accountantsverklaring.
3.3. Rapport van bevindingen beoordeling registratiesystemen
De accountant heeft bij zijn oordeelsvorming gestreefd naar een ‘hoge mate van zekerheid’. Indien dit begrip ten behoeve van het gebruik van statistische technieken moet worden gekwantificeerd, dan is een betrouwbaarheid van 95% gehanteerd.
4. Review
Zoals reeds onder 1.1 is aangegeven brengt de accountant een rapport van bevindingen uit met betrekking tot de beoordeling van de registratiesystemen vanuit het oogpunt of deze systemen een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maken.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1a
De artikelen 2 tot en met 9, 15 en 15b zijn niet van toepassing op de gemeente Sittard-Geleen.
Artikel 9a
De aan de gemeente Sittard-Geleen te verstrekken uitkering bedraagt
- a. € 6.080.182,– voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2009, ten behoeve van de uitvoering van het ontwikkelingsprogramma, plus
- b. € 870.420,– voor 2006, ten behoeve van de inburgering van nieuwkomers en oudkomers.
Artikel 15b
Het bedrag dat aan de gemeenten in 2006 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend is de uitkomst van de formule ((O/P) × Midverkl + (Q:R) × Midbesch) + (T × € 6400).
In deze formule is
O: het aantal verklaringen van de gemeente in 2004;
P: het aantal verklaringen van de G30 in 2004;
Midverkl: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf verklaringen beschikbaar is;
Q: het aantal beschikkingen van de gemeente in 2004;
R: het aantal beschikkingen van de G30 in 2004;
Midbesch: het bedrag dat voor de G30 voor de maatstaf beschikkingen beschikbaar is;
T: het door de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie vastgestelde aantal oudkomers dat bij de verlening van de voorschotten wordt betrokken.
Het bedrag dat in 2006 ambtshalve aan voorschotten op het inburgeringsdeel wordt verleend bedraagt in afwijking van het eerste lid ten minste T × € 6400.
Bijlage B. behorende bij artikel 1, onderdeel f
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen
| Centrumgemeente voor vrouwenopvang | Zorggebied voor vrouwenopvang |
|---|---|
| Alkmaar | De deelgebieden Noord-Kennemerland en West-Friesland van de gezondheidsregio 12 Alkmaar |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebieden Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem, Zevenaar, Doetinchem en Winterwijk van de gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | De gezondheidsregio 22 Breda |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | De gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | De deelgebieden Waterland en Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Bijlage D. behorende bij artikel 16, tweede lid
Vervallen
1.1. Reikwijdte accountantscontrole
1.2. Derdengegevens
Indien de gemeente accountant ten behoeve van zijn oordeelsvorming gebruik maakt van verklaringen, die door andere accountants zijn afgegeven, dan kan hij zich door middel van een review ervan te vergewissen dat hij gebruik kan maken van de werkzaamheden van de andere accountants. Hierbij kan hij onder meer na gaan of het controleprotocol is nageleefd.
2. Aandachtspunten
2.1. Outputindicatoren
2.2.2. Rechtmatige besteding
Indien uit het door de stad uitgebrachte prestatie-verantwoordingsverslag blijkt dat de prestaties niet geheel zijn gehaald dan vindt verrekening plaats op basis van de rijkstarievenlijst. De minister kan op verzoek van de gemeente de verrekening ook laten plaatsvinden op basis van de daadwerkelijke bestedingen per indicator van de rijksbijdrage door de stad. Indien de stad hiervoor kiest dan dient een aangepast financieel verslag van de bestedingen per indicator te worden ingediend (onderdeel van bijlage C bij deze regeling). In dit geval dient de accountant vast te stellen dat de bedragen in de prestatieverantwoording in de kolom ‘besteding ten laste van de rijksbijdrage’ een getrouw en rechtmatig beeld geven van de feitelijke bestedingen per indicator. Wanneer blijkt dat het gemeentebestuur een deel van de voorschotten heeft besteed aan andere in het MOP opgenomen onderwerpen dan die waarvoor op grond van artikel 7 indicatoren zijn vastgesteld en waaraan het bedrag van het programmadeel van de uitkering op grond van artikel 7, tweede en derde lid, percentsgewijs is toegedeeld, wordt bij de berekening van de korting niettemin uitgegaan van een 100-procents toedeling van de uitkering aan de indicatoren, bedoeld in artikel 7, tweede lid. Uitgangspunt daarbij is dan de relatieve verdeling van de feitelijke besteding over de verschillende indicatoren.
3. Rapportering door de accountant
3.1. De accountantsverklaring en -rapportage
3.3. Rapport van bevindingen beoordeling registratiesystemen
4. Review
Door het Rijk zal een reviewbeleid worden opgesteld ten aanzien van GSBIII. In dit beleid zal worden uiteengezet wat de uitgangspunten zijn voor het al dan niet houden van een review bij de accountant van de stad. Het review door het rijk zal door één Auditdienst (AD) per stad namens de ministeries voor de 3 bdu’s worden gehouden. De coördinatie van de reviews geschiedt door de AD/BZK. De gemeente en haar accountant zijn verplicht mee te werken aan het review door de accountant van het Rijk. Het review kan plaats vinden door een dossierreview of een collegiaal evaluerend gesprek. In het review wordt de wijze beoordeeld waarop de gemeenteaccountants zijn omgegaan met de controlevoorschriften. Dit review omvat het beoordelen van de grondslagen, de uitvoering en de uitkomsten van de verrichte controles; De AD kondigt een onderzoek altijd eerst schriftelijk aan bij de gemeente. Daarna neemt zij rechtstreeks contact op met de betreffende accountant. De bevindingen van het gehouden review worden voor commentaar voorgelegd aan de accountant. Vervolgens wordt de verantwoordelijke beleidsdirectie – en indien noodzakelijk de betrokken gemeente – op de hoogte gesteld van de bevindingen.
Het spreekt voor zich dat de gemeente voor haar accountant in de onder 2.1 genoemde beleidslijn de mogelijkheid creëert reviews toe te passen bij de accountants van de subsidieontvangers.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 12a
De uitkeringen aan de gemeenten Den Haag, Rotterdam en Utrecht en Amsterdam worden ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VI van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren, op de volgende wijze verhoogd:
- a. voor Den Haag: met € 750.000,– voor 2006 en 2007 en € 900.000,– voor 2008 en 2009;
- b. voor Rotterdam: met € 1.080.000,– voor 2006 en 2007 en € 1.296.000,– voor 2008 en 2009;
- c. voor Utrecht: met € 690.000,– voor 2006 en 2007 en € 828.000,– voor 2008 en 2009;
- d. voor Amsterdam: met € 1.980.000,– voor 2006 en 2007 en € 2.376.000,– voor 2008 en 2009.
Binnen vier weken na publicatie van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de vier in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin worden vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren.
In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met:
- a. voor Den Haag:
- 1°. het aantal trajecten ‘Individuele ondersteuning van jongeren en gezinnen’;
- 2°. het aantal trajecten ‘Voorkomen van schooluitval’;
- 3°. het aantal trajecten ‘Werktoeleiding’;
- b. voor Rotterdam:
- 1°. de daling van het percentage Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst dat één jaar na ‘nazorg interventie’ nieuwe Justitiecontacten heeft;
- 2°. het percentage van de betreffende jongeren dat na een half jaar geen bemiddeling of bemoeienis anderzijds meer nodig heeft van de regisseur van de deelgemeentelijke organisatie ‘Sluitende aanpak’;
- 3°. het aantal stageplekken waarmee het tekort wordt verminderd;
- c. voor Utrecht: het aantal hulptrajecten per jaar voor Marokkaanse risicojongeren, beginners, meerplegers en risicogezinnen.
- d. voor Amsterdam: een of meer door het college van burgemeester en wethouders te bepalen indicatoren op het gebied van het voorkomen van een criminele loopbaan van allochtone jongeren.
De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt toegedeeld aan de in het derde lid genoemde indicatoren, volgens de navolgende percentsgewijze procentuele verdeling:.
- a. voor Den Haag:
- 1°. 75% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 1°;
- 2°. 11% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 2°;
- 3°. 14% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder a, onderdeel 3°;
- b. voor Rotterdam:
- 1°. 56% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 1°;
- 2°. 36% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 2°;
- 3°. 8% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder b, onderdeel 3°, en
- c. voor Utrecht: 100% aan de indicator, genoemd in het derde lid, onder c.
- d. voor Amsterdam: 100% aan de indicator of indicatoren, bedoeld in het derde lid, onder d; in de beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging wordt de percentsgewijze toedeling aan de indicator of indicatoren vastgelegd.
De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
Bijlage B. behorende bij artikel 1, onderdeel f
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen
| Centrumgemeente voor vrouwenopvang | Zorggebied voor vrouwenopvang |
|---|---|
| Alkmaar | De deelgebieden Noord-Kennemerland en West-Friesland van de gezondheidsregio 12 Alkmaar |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebieden Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem, Zevenaar, Doetinchem en Winterwijk van de gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | De gezondheidsregio 22 Breda |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | De gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | De deelgebieden Waterland en Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Bijlage A. behorende bij artikel 1, onderdelen d en e
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen.
| Centrumgemeente voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid | Zorggebied voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid |
|---|---|
| Alkmaar | Het deelgebied Noord-Kennemerland van de gezondheidsregio12 Alkmaar |
| Almelo | Het deelgebied Almelo van gezondheidsregio 05 Twente |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebied Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem en Zevenaar van en gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | Het deelgebied Breda van de gezondheidsregio 22 Breda met uitzondering van het grondgebied van de gemeenten Aalburg en Alphen-Chaam |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Deventer | De deelgebieden Deventer en Zutphen van de gezondheidsregio 06 Stedendriehoek |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | Het deelgebied Zuid-Oost Drenthe van de gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De deelgebieden Hengelo en Enschede van de gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De deelgebieden ’s-Hertogenbosch en Ammerzoden van de gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen en het grondgebied van de gemeente Nederbetuwe |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van de gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | Het deelgebied Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
1. Algemeen
1.1. Reikwijdte accountantscontrole
1.3. Regelgeving
2.2. Bestedingen per BDU
2.2.1. *Voorschotten van gemeenten aan derden*
2.2.4. BTW Compensatiefonds
3.3. Rapport van bevindingen beoordeling registratiesystemen
Zoals reeds onder 1.1 is aangegeven brengt de accountant een rapport van bevindingen uit met betrekking tot de beoordeling van de registratiesystemen vanuit het oogpunt of deze systemen een betrouwbare registratie van de resultaten mogelijk maken.
4. Review
Het spreekt voor zich dat de gemeente voor haar accountant in de onder 2.1 genoemde beleidslijn de mogelijkheid creëert reviews toe te passen bij de accountants van de subsidieontvangers.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage C. behorende bij artikel 16, eerste lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 12b
De uitkeringen aan gemeenten waar de som van de schoolgewichten 11 of meer bedraagt worden met ingang van 2006 verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor de bestrijding van onderwijsachterstanden.
Het procentuele aandeel van de betreffende gemeenten wordt voor het jaar 2006 vastgesteld volgens de formule: 5/12 × s × v, en met ingang van 2007 jaarlijks volgens de formule: 7/12 × s × (v-1) + 5/12 × s × v. In die formules is:
s: de som van de schoolgewichten van de betreffende gemeente op 31 juli 2006;
(v-1): het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat van toepassing was in het voorgaande jaar, en
v: het vermenigvuldigingsbedrag van het jaar van vaststelling.
Het vermenigvuldigingsbedrag bedraagt op 1 augustus 2006 € 1.368,–. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap stelt met ingang van 2007 jaarlijks per 1 augustus het voor het komende schooljaar geldende vermenigvuldigingsbedrag vast door het vermenigvuldigingsbedrag van het voorgaande jaar aan te passen op basis van de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen, als bedoeld in artikel 120, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs.
Het vermenigvuldigingsbedrag zoals dat op grond van het vorige lid jaarlijks wordt vastgesteld, wordt jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.
Uiterlijk 15 november 2006 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma. In de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen a en b.
Voorschoolse educatie geschiedt onder de volgende voorwaarden:
- a. het college van burgemeester en wethouders van een gemeente geeft aan op grond van welke criteria een doelgroepkind in aanmerking komt voor het volgen van voorschoolse educatie;
- b. de voorschoolse educatie wordt tenminste drie dagdelen per week gedurende tenminste een jaar gegeven;
- c. in afwijking van het onder b. gestelde kan gedurende het schooljaar 2006–2007 tenminste twee dagdelen per week voorschoolse educatie gedurende een jaar worden gegeven.
Voor schakelklassen gelden de volgende voorwaarden:
- a. indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt in combinatie met onderwijs in de reguliere groep, als bedoeld in artikel 166 van de Wet op het primair onderwijs, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 8 uren per week;
- b. indien het onderwijs in de schakelklas plaatsvindt na de reguliere schooltijd, bedoeld in artikel 166a van de Wet op het primair onderwijs, bedraagt het aantal uren onderwijs dat in de schakelklas wordt gegeven minimaal 100 uren per schooljaar.
De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt voor 80% toegedeeld aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel a, en voor 20 procent aan de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel b.
De minister kan minder dan 100 percent verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
Een landelijke evaluatie vindt plaats na het schooljaar 2007–2008. Desgevraagd werken gemeenten en bevoegde gezagsorganen hieraan mee. De evaluatie heeft betrekking op:
- a. de samenwerking tussen gemeenten en bevoegde gezagsorganen van scholen in die gemeente;
- b. de wijze waarop gemeenten uitvoering hebben gegeven aan de voorschoolse educatie;
- c. de wijze waarop gemeenten schakelklassen onderwijs hebben ingericht.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 12c
Indien het bij koninklijke boodschap van 21 september 2005 ingediende voorstel van Wet houdende regels inzake inburgering in de Nederlandse samenleving (Wet inburgering, Kamerstukken I 2005/06, 30 308, nr. A) nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, worden de uitkeringen aan alle gemeenten met ingang van de datum van inwerkingtreding van die Wet verhoogd ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VIII van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor educatie.
Het procentuele aandeel van elke gemeente wordt berekend op basis van de artikelen 3.2.1. tot en met 3.2.3 van het Uitvoeringsbesluit Web en wordt aan elke gemeente bekendgemaakt in het verleningsbesluit, bedoeld in het vijfde lid.
Uiterlijk op 15 november 2006 dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeenten bij Onze Minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma.
De wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma voldoet aan de volgende aanvullende eisen:
- a. zij bevat een doelgroepenanalyse, waarin wordt aangegeven met welke doelgroepen van de educatie de gemeente te maken heeft, wat de omvang is van de onderscheiden doelgroepen en op welke doelgroep(en) het gemeentelijk beleid wordt gericht, alsmede een overzicht van het aantal deelnemers in de onderscheiden opleidingen educatie;
- b. aangegeven wordt welk deel van het budget wordt besteed aan educatie. Indien de gemeente voornemens is tien procent of meer van de voor educatie beschikbaar gestelde middelen niet in te zetten voor educatie, bevat de wijziging van het meerjarenprogramma een motivatie daarvoor, alsmede een gezamenlijke verklaring van het college van burgemeester en wethouders en het betrokken roc, of de betrokken roc’s, waaruit blijkt dat artikel 4.1.3, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Web in acht is genomen en waaruit tevens blijkt op welke wijze deelnemers in staat worden gesteld hun opleiding af te maken;
- c. het te bereiken resultaat wordt geformuleerd op een van de indicatoren, bedoeld in artikel 10, onderdelen d tot en met g. Als de gemeente in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma heeft gekozen voor de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel g, en daarbij heeft gekozen voor een uitsplitsing in subindicatoren, geeft de wijziging van het meerjarenontwikkelings-programma tevens aan in welke mate de beschikbare middelen worden toegerekend aan elk van die subindicatoren.
De minister neemt een beschikking tot verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na het tijdstip waarop de in het tweede lid bedoelde aanvraag is ontvangen. De verhoging wordt in zijn geheel toegerekend aan de gekozen indicator. Als is gekozen voor de indicator, bedoeld in artikel 10, onderdeel g, met daarbij een uitsplitsing in subindicatoren, wordt de verhoging toegerekend aan die subindicatoren op de wijze als aangegeven in de wijziging van het meerjarenontwikkelingsprogramma.
De minister kan minder dan 100% verlenen van het in het tweede lid bedoelde procentuele aandeel, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
De minister geeft niet eerder toepassing aan het vorige lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 12d
De uitkering aan de gemeenten Almelo, Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Dordrecht, Eindhoven, Heerlen, Leeuwarden, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam en Utrecht wordt verhoogd met € 2.000.000,– per gemeente ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor het jaar 2006 en 2007 ter beschikking worden gesteld, ten behoeve van de impuls ‘Sociale Herovering’. De verhoging is bestemd voor het uitvoeren van wijkgerichte activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen, genoemd in artikel 7, eerste lid, van het Besluit.
Artikel 12e
De uitkering kan ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk VII van de Rijksbegroting voor het jaar 2006 ter beschikking worden gesteld ten behoeve van het initiatief ‘Aanval op de Uitval’ van de G27, verhoogd worden ten behoeve van experimentele projecten, gericht op het tegengaan van uitval van jeugd of van kansarmen, of op de uitval van wijken in relatie tot de zorg van bewoners voor hun eigen buurt.
Voor 15 november 2006 kunnen de colleges van burgemeester en wethouders bij de bestuurlijke kern van de G27 een aanvraag indienen voor een verhoging als bedoeld in het eerste lid. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn ingediend worden mede aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in dit lid.
De bestuurlijke kern van de G27 toetst de aanvragen aan de criteria, genoemd in het eerste en vierde lid en zendt deze, vergezeld van een advies, voor 20 november 2006 door naar de minister. Het advies is vormgegeven volgens het model in bijlage C bij deze regeling.
De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Deze wijziging voldoet aan de volgende eisen:
- a. het project:
- 1°. maakt de omslag van aanbodsgericht naar vraaggericht beleid zichtbaar en richt zich op concrete vragen en problemen van burgers;
- 2°. experimenteert met succesvol gebleken methoden met het oog op verdere verfijning daarvan;
- 3°. is gericht op verbetering van de samenwerking tussen overheden, maatschappelijke instellingen of andere private partijen en
- b. de resultaten van het project zijn in principe bruikbaar voor de andere G27 gemeenten en de aanvrager is bereid deze bekend te maken.
Voor de verhoging, bedoeld in het eerste lid, is een bedrag van € 1.400.000,– beschikbaar. Per project wordt een bedrag van € 100.000,– toegekend.
De minister neemt uiterlijk 1 december 2006 een beslissing over verlening van de verhogingen bedoeld in het eerste lid.
De bestuurlijke kern van de G27 informeert de minister voor BVK uiterlijk 31 december 2007 over de behaalde resultaten van de projecten waarvoor een verhoging als bedoeld in het eerste lid is verleend. Daarbij wordt in ieder geval ingegaan op de volgende vragen:
- a. welke knelpunten zijn in de projecten aangepakt;
- b. welke oplossingsrichtingen zijn voorgesteld en in hoeverre hebben die oplossingsrichtingen bij de uitvoering gewerkt;
- c. is een verdere verspreiding van de voorgestelde oplossingsrichtingen aan te bevelen en zo ja, hoe kan dat het beste gebeuren.
Onverminderd het eerste lid wordt de uitkering aan de gemeente Hengelo verhoogd met een bedrag van € 120.000,– ten behoeve van de projectmanagementkosten van het initiatief ‘Aanval op de Uitval’ van de G27.
Artikel 12f
De uitkeringen aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Tilburg, Arnhem, Enschede, Zaanstad, Dordrecht en Nijmegen kunnen ten laste van de middelen die vanuit hoofdstuk XVI van de Rijksbegroting ter beschikking worden gesteld voor het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd op de volgende wijze worden verhoogd:
- a. voor Amsterdam met ten hoogste € 3.571.598,–;
- b. voor Rotterdam met ten hoogste € 2.942.561,–;
- c. voor Den Haag met ten hoogste € 2.108.468,–;
- d. voor Utrecht met ten hoogste € 799.779,–;
- e. voor Eindhoven met ten hoogste € 428.098,–;
- f. voor Tilburg met ten hoogste € 370.978,–;
- g. voor Arnhem met ten hoogste € 336.383,–;
- h. voor Enschede met ten hoogste € 302.729,–;
- i. voor Zaanstad met ten hoogste € 295.324,–;
- j. voor Dordrecht met ten hoogste € 276.186,–, en
- k. voor Nijmegen met ten hoogste € 267.895,–.
Binnen vier weken na inwerkingtreding van deze regeling dienen de colleges van burgemeester en wethouders van de in het eerste lid genoemde gemeenten bij de minister een aanvraag in tot de verhoging, bedoeld in het eerste lid. De aanvraag gaat vergezeld van een wijziging van het meerjaren-ontwikkelingsprogramma. Daarin wordt vastgelegd de in de GSB III periode te bereiken resultaten die bijdragen aan het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit artikel worden aangemerkt als aanvragen als bedoeld in dit artikel.
In de wijziging van het meerjarenprogramma worden de te bereiken resultaten geformuleerd met inachtneming van een of meer door de gemeente te bepalen indicatoren op het gebied van het vergroten van de sportdeelname onder allochtone jeugd.
De minister neemt een beschikking over verlening van een in het eerste lid bedoelde verhoging binnen acht weken na de inwerkingtreding van dit artikel. De in het derde lid bedoelde indicator of indicatoren, met bijbehorende overeengekomen resultaten, worden voor elk van de elf in het eerste lid genoemde gemeenten afzonderlijk in de beschikking tot verlening van de verhoging van de uitkering vastgelegd. De verhoging wordt voor 100% aan de indicator of indicatoren toegedeeld met gelijke percentages.
De Minister kan de verhoging lager vaststellen dan de bedragen genoemd in het eerste lid, indien de in het ontwikkelingsprogramma opgenomen resultaten naar zijn oordeel daartoe aanleiding geven.
De minister geeft niet eerder toepassing aan het vijfde lid dan nadat hij het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente heeft geïnformeerd waarom hij voornemens is daartoe over te gaan en hij het college binnen een door hem te bepalen termijn in de gelegenheid heeft gesteld een aanpassing van de wijziging van het ontwikkelingsprogramma in te zenden.
Artikel 15c
Onverminderd artikel 15b kan in 2006 en 2007 een additioneel voorschot worden verstrekt op het inburgeringsdeel, maximaal ter hoogte van het verschil tussen enerzijds de op de grondslag van artikel 7, eerste en tweede lid, vast te stellen middelen voor de inburgering van nieuwkomers en anderzijds het op grond van artikel 15, eerste en tweede lid, verstrekte voorschot voor de inburgering van nieuwkomers, mits dat verschil groter is dan nul.
Bijlage B. behorende bij artikel 1, onderdeel f
In deze bijlage wordt verstaan onder gezondheidsregio: gezondheidsregio voor de Wet ziekenhuisvoorzieningen
| Centrumgemeente voor vrouwenopvang | Zorggebied voor vrouwenopvang |
|---|---|
| Alkmaar | De deelgebieden Noord-Kennemerland en West-Friesland van de gezondheidsregio 12 Alkmaar |
| Amersfoort | Het deelgebied Oost-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Amsterdam | Het deelgebieden Amsterdam, Amstelland, Meerlanden en Diemen van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Arnhem | De deelgebieden Arnhem, Zevenaar, Doetinchem en Winterwijk van de gezondheidsregio 07 Arnhem |
| Breda | De gezondheidsregio 22 Breda |
| Den Haag | De gezondheidsregio 16 ’s-Gravenhage |
| Dordrecht | De gezondheidsregio 20 Dordrecht |
| Eindhoven | Het deelgebied Eindhoven/Kempenland van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| Emmen | De gezondheidsregio 03 Drenthe |
| Enschede | De gezondheidsregio 05 Twente |
| Groningen | De gezondheidsregio 01 Groningen |
| Haarlem | De gezondheidsregio 13 Kennemerland |
| Heerlen | Het deelgebied Oostelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Helmond | Het deelgebied Helmond van de gezondheidsregio 25 Eindhoven |
| ’s-Hertogenbosch | De gezondheidsregio 24 ’s-Hertogenbosch |
| Leeuwarden | De gezondheidsregio 02 Friesland |
| Leiden | De gezondheidsregio 15 Leiden |
| Maastricht | De deelgebieden Heuvelland en Westelijke Mijnstreek van de gezondheidsregio 27 Zuid-Limburg |
| Nijmegen | De gezondheidsregio 08 Nijmegen |
| Rotterdam | Het deelgebied Rotterdam van gezondheidsregio 19 Rijnmond |
| Tilburg | De gezondheidsregio 23 Tilburg |
| Utrecht | Het deelgebied Midden-West-Utrecht van de gezondheidsregio 09 Utrecht |
| Venlo | De gezondheidsregio 26 Noord-Limburg |
| Zaanstad | De deelgebieden Waterland en Zaanstreek van de gezondheidsregio 14 Amsterdam |
| Zwolle | De gezondheidsregio 04 Zwolle |
Bijlage C. behorende bij artikel 12e, derde lid
| Projectselectiecriteria | Score | Toelichting op Score |
|---|---|---|
| Betreft uitval van jeugd, kansarmen of wijken | Ja/nee | |
| Score* | ||
| Project maakt de omslag van aanbodsgericht naar vraaggericht beleid zichtbaar en is gericht op concrete vragen en problemen van burgers | ||
| Het project experimenteert met succesvol gebleken methoden met het oog op verdere verfijning daarvan | ||
| Het project is gericht op verbetering van de samenwerking tussen overheden, maatschappelijke instellingen of andere private partijen | ||
| De resultaten van het project zijn in principe bruikbaar voor de andere G27 gemeenten en de aanvrager is bereid deze bekend te maken |
Bijlage D. behorende bij artikel 16, tweede lid
Vervallen
Bijlage E. behorende bij artikel 16, derde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.