Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)

Type AMvB
Publication 2026-05-29
Laatst bijgewerkt 2026-06-02
State In force
Source BWB
artikelen 558
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit

§ 12.3. De waarden die dienen tot dekking van de verplichtingen die voortvloeien uit werknemersvorderingen

§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen

Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris

Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen

Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

2.2. Transacties

Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Wetboek van Strafrecht:

Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse financiële toezichtswetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.

Algemene wet inzake de rijksbelastingen (AWR):

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Opiumwet:

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 23g
1.

De Nederlandsche Bank beoordeelt een herstelplan of groepsherstelplan dat haar goedkeuring behoeft binnen zes maanden na de voorlegging ervan, overeenkomstig artikel 6, tweede en derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

2.

De beoordeling van een groepsherstelplan geschiedt overeenkomstig de afstemmingsprocedure van artikel 8 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

3.

Indien het herstelplan wezenlijke tekortkomingen vertoont of indien er wezenlijke belemmeringen zijn voor de tenuitvoerlegging van het herstelplan, wordt goedkeuring aan het plan onthouden. Binnen twee maanden legt de indiener van het herstelplan opnieuw een herstelplan ter goedkeuring voor, waarbij de bij de afwijzing geconstateerde tekortkomingen of belemmeringen zijn weggenomen.

4.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste en derde lid.

§ 4.3. Vangnetregelingen

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland

§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag van het garantiefonds

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 10.3. Kredietrisicovermindering

§ 10.5. Erkenning van kredietbeoordelingen van kredietbeoordelingsbureaus en exportkredietverzekeraars

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste

Hoofdstuk 10. Solvabiliteit

§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit

§ 10.2. Gebruik van interne modellen

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen

§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

Wet op de economische delicten (WED):

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 40c

Betaalinstellingen of elektronischgeldinstellingen verlenen slechts krediet in verband met de in de punten 4 en 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten bedoelde betaaldiensten indien:

  • a. het krediet een aanvullend krediet is en uitsluitend wordt verstrekt in verband met de uitvoering van een betalingstransactie;
  • b. het krediet dat is verstrekt in verband met een betaaldienst die is verleend door middel van dienstverrichting naar een andere lidstaat of vanuit een bijkantoor in een andere lidstaat wordt terugbetaald binnen een korte termijn, die in geen geval meer dan twaalf maanden bedraagt;
  • c. het niet wordt verleend uit geldmiddelen die zijn ontvangen of die worden aangehouden voor het uitvoeren van toekomstige betalingstransacties; en
  • d. het eigen vermogen van de betaalinstelling of de elektronischgeldinstelling te allen tijde in redelijke verhouding staat tot het totale bedrag van het verleende krediet.

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit

Artikel 87a

Vervallen

Artikel 87b

Vervallen

§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen

§ 10.2. Gebruik van interne modellen

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer

§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

Betrokkene wordt ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 91a

Vervallen

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

§ 10.2. Gebruik van interne modellen

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer

§ 13.2. Verstrekking van de staten

§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars

Hoofdstuk 16. Slotbepalingen

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Wet wapens en munitie:

Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 63a
1.

De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een premiepensioeninstelling als bedoeld in artikel 3:57, eerste lid, van de wet bedraagt twee tiende procent van het beheerde pensioenvermogen. De minimumomvang van het toetsingsvermogen bedraagt niet meer dan € 20 miljoen.

2.

In aanvulling op het eerste lid beschikt een premiepensioeninstelling naar keuze over:

  • a. een beroepsaansprakelijkheidsverzekering of een daarmee vergelijkbare voorziening die haar aansprakelijkheid dekt wegens fouten, verzuimen of nalatigheden begaan in de uitoefening van haar beroep of bedrijf en voorgevallen op het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, voor een bedrag van ten minste vijfenzeventig honderdste procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2 miljoen en een maximum van € 20 miljoen per schadegeval, en ten minste een procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen, met een minimum van € 2,5 miljoen en een maximum van € 25 miljoen per jaar, voor alle schadegevallen gezamenlijk; of
  • b. een aanvulling op het toetsingsvermogen, bedoeld in het eerste lid, welke een tiende procent van de waarde van het beheerde pensioenvermogen bedraagt.
3.

Tot het beheerde pensioenvermogen wordt gerekend het vermogen onder beheer van de premiepensioeninstelling met inbegrip van de delen van het vermogen waarvan zij de bewaring heeft uitbesteed aan een pensioenbewaarder.

4.

Indien een premiepensioeninstelling pensioenvermogen beheert in opdracht van een cliënt buiten het grondgebied waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, beschikt zij voor dat deel van het beheerde pensioenvermogen in afwijking van het tweede lid, aanhef, over de aanvulling op het toetsingsvermogen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit

Hoofdstuk 16. Slotbepalingen

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd ter zake van één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:

1.1. Veroordelingen

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 26.1

Vervallen

§ 4.3. Vangnetregelingen

Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens

Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Artikel 63b
1.

In aanvulling op het op grond van de artikelen 48, eerste lid, onderdelen c en e, vereiste minimumbedrag aan eigen vermogen en het op grond van artikel 63 vereiste toetsingsvermogen, beschikt een beleggingsmaatschappij die geen aparte beheerder heeft, of een beheerder van een beleggingsinstelling, over een bijkomend toetsingsvermogen of een beroepsaansprakelijkheidsverzekering ter dekking van mogelijke beroepsaansprakelijkheidsrisico’s in overeenstemming met artikel 9, zevende en negende lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.

2.

Het eigen vermogen, toetsingsvermogen en het bijkomend toetsingsvermogen als bedoeld in het eerste lid wordt belegd in overeenstemming met artikel 9, achtste lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen.

§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste

§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen

Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit

Artikel 135a

Vervallen

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer

– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1.1. Veroordelingen

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 17b

De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de bedrijfsvoering van afwikkelondernemingen.

§ 4.2. Risicomanagement

Artikel 24a1
1.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, negende lid en tiende lid, aanhef en onderdeel b, beschikt over solide, doeltreffende en allesomvattende strategieën en procedures aan de hand waarvan zij doorlopend nagaat of en ervoor zorgt dat de hoogte, samenstelling en verdeling van haar toetsingsvermogen en haar liquide activa aansluiten op de omvang en de aard van de risico’s waaraan zij blootstaat, zou kunnen blootstaan en die zij voor anderen kan inhouden.

2.

De Nederlandsche Bank kan categorieën beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen die kwalificeren als kleine en niet-verweven beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen, verplichten te voldoen aan het eerste lid, indien zij dit passend acht.

§ 4.3. Vangnetregelingen

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Artikel 27c

De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de uitbesteding door afwikkelondernemingen van werkzaamheden.

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Artikel 37a
1.

Een afwikkelonderneming waaraan de Nederlandsche Bank een vergunning heeft verleend voor het uitoefenen van het bedrijf van afwikkelonderneming geeft aan de Nederlandsche Bank schriftelijk kennis van het voornemen tot:

  • a. een wijziging of het doen ontstaan van een verbinding met een andere afwikkelonderneming;
  • b. een wijziging van de contractuele algemene voorwaarden van de afwikkelonderneming;
  • c. een substantiële wijziging in de bedrijfsvoering;
  • d. een substantiële wijziging in het risicomanagement, voor zover ten aanzien daarvan nadere regels krachtens artikel 17b zijn gesteld;
  • e. een handeling van de afwikkelonderneming die zal leiden tot een substantiële wijziging van de balans van de afwikkelonderneming.
2.

Met betrekking tot het voornemen overlegt de afwikkelonderneming:

  • a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
  • b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen in artikel 3:17 van de wet wordt bepaald met betrekking tot de beheerste uitoefening van het bedrijf.
3.

De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging. De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:

  • a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving;
  • b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving; of
  • c. indien de Nederlandsche Bank de Autoriteit Financiële Markten om advies heeft gevraagd, binnen zes weken na ontvangst van dat advies.

Hoofdstuk 6. Wijzigingen met betrekking tot verstrekte gegevens

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling

§ 10.1. Minimumomvang solvabiliteit

Artikel 59a

De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot de solvabiliteit van afwikkelondernemingen.

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Artikel 105c
1.

De Nederlandsche Bank beoordeelt met inachtneming van artikel 131 van de richtlijn kapitaalvereisten of banken en beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, alsmede groepen onder leiding van een Nederlandse EU-moederbank, Nederlandse EU-moederbeleggingsonderneming, Nederlandse financiële EU-moederholdings, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholdings, Nederlandse financiële moederholdings en Nederlandse gemengde financiële moederholdings mondiaal systeemrelevant of anderszins systeemrelevant zijn.

2.

De beoordeling ingevolge het eerste lid van de anderszins systeemrelevantie geschiedt in ieder geval aan de hand van de volgende criteria:

  • a. de omvang van de onderneming;
  • b. de verwevenheid van de activiteiten, de activa, de passiva of de zeggenschap van de onderneming met andere financiële ondernemingen of andere partijen die hoofdzakelijk actief zijn op de financiële markten;
  • c. de mate van vervangbaarheid van de dienstverlening van de onderneming;
  • d. de belemmeringen die bestaan ten aanzien van de afwikkelbaarheid van de onderneming;
  • e. de mate waarin een gedraging van de onderneming of van een derde ten aanzien van de onderneming op de financiële markten kan leiden tot gedragingen van andere partijen die actief zijn op de financiële markten;
  • f. de complexiteit van de onderneming, met inbegrip van complexiteit in verband met grensoverschrijdende activiteiten.
3.

De Nederlandsche Bank stelt voor de banken, beleggingsondernemingen en groepen die op grond van het eerste lid als mondiaal systeemrelevant danwel anderszins systeemrelevant zijn aangemerkt de vereiste omvang van de MSI-buffer danwel ASI-buffer vast met inachtneming van artikel 131 van de richtlijn kapitaalvereisten. Indien de Nederlandsche Bank een groep onder leiding van een Nederlandse financiële EU-moederholding, Nederlandse gemengde financiële EU-moederholding, Nederlandse financiële moederholding of Nederlandse gemengde financiële moederholding als systeemrelevant heeft aangemerkt, is de systeemrelevantiebuffer van toepassing op de banken en beleggingsondernemingen die dochteronderneming van die holding zijn, op basis van de geconsolideerde financiële positie van de holding.

4.

De Nederlandsche Bank voert de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, ten minste jaarlijks uit. Onze Minister kan de Nederlandsche Bank op ieder moment verzoeken een beoordeling uit te voeren.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde criteria. Tevens kunnen bij ministeriële regeling aanvullende criteria worden vastgesteld in verband met de stabiliteit van het financiële stelsel.

6.

De Nederlandsche Bank stelt ten minste dertig dagen voordat zij een besluit tot vaststelling van een MSI-buffer of ASI-buffer als bedoeld in het derde lid neemt, Onze Minister op de hoogte van haar voornemen. Hetzelfde geldt ten aanzien van het voornemen tot wijziging of intrekking van een zodanig besluit. De verplichting tot kennisgeving aan Onze Minister is niet van toepassing indien de Europese Centrale Bank de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, uitoefent.

Artikel 105d

Vervallen

Artikel 105f
1.

De vereiste omvang van de kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, wordt gedekt door tier 1-kernkapitaal als bedoeld in artikel 50 van de verordening kapitaalvereisten.

2.

Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de minimumomvang van het toetsingsvermogen ingevolge artikel 59, derde lid.

3.

Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62a, eerste lid, van de wet, beschikt over voldoende kapitaal dat naar aard, omvang en samenstelling noodzakelijk is om zowel te voldoen aan de kapitaalbuffer, als aan elk van de in artikel 92, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de verordening kapitaalvereisten genoemde kapitaalratio’s en aan de hogere eisen van solvabiliteit opgelegd op grond van artikel 3:111a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ter ondervanging van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.

4.

Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de in artikel 92, eerste lid, onderdeel a tot en met c, van de verordening kapitaalvereisten genoemde kapitaalratio’s of de hogere eisen van solvabiliteit en liquiditeit opgelegd op basis van 3:111a, tweede lid, onderdeel a, van de wet, ter ondervanging van andere risico’s dan het risico van buitensporige hefboomwerking, of ter dekking van de door de Nederlandsche Bank op grond van artikel 3:111aa, eerste lid, van de wet, medegedeelde richtsnoeren voor het ondervangen van andere risico's dan het risico van buitensporige hefboomwerking.

5.

Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van een van de componenten van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van een van de andere componenten van de kapitaalbuffer.

6.

Het tier 1-kernkapitaal dat wordt aangehouden ter dekking van de kapitaalbuffer dient niet tevens ter dekking van de risicogebaseerde onderdelen van de vereisten uit de artikelen 92 bis en 92 ter van de verordening kapitaalvereisten en de artikelen 45 quater en 45 quinquies van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen.

§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit

Artikel 134a

Tot de gegevens, bedoeld in artikel 3:73a van de wet, behoren in ieder geval de gegevens met betrekking tot storingen die zich hebben voorgedaan of bijna hebben voorgedaan in het verrichten van afwikkeldiensten.

§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer

Artikel 135a*

De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot het effectief verlenen van afwikkeldiensten.

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

Hoofdstuk 11. Liquiditeit

Bijlage A. behorend bij artikel 6

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1.1. Veroordelingen

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

2.1. Veroordelingen

Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:

1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a

Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid

    1. De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
  • a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
  • b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
  • c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
  • d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
  • e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
  • a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
  • –. rente-inkomsten;
  • –. rente-uitgaven;
  • –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
  • –. overige bedrijfsopbrengsten.
  • b. De multiplicator is:
  • i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
  • ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
  • iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
  • iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
  • v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
    1. De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
  • a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
  • c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.

Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c

Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:

    1. Rentecontracten:
  • a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
  • b. Basisswaps;
  • c. Rentetermijncontracten;
  • d. Rentefutures;
  • e. Gekochte renteopties;
  • f. Andere contracten van gelijke aard;
    1. Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
  • a. Cross-currency renteswaps;
  • b. Valutatermijncontracten;
  • c. Valutafutures;
  • d. Gekochte valutaopties;
  • e. Andere contracten van gelijke aard;
  • f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
    1. Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.

Bijlage D

In deze bijlage worden, voor zover niet anders blijkt, begrippen gebruikt overeenkomstig richtlijn nr. 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (herschikking) (PbEU L 335)

    1. De balans met de beleggingen uitgesplitst naar categorie en de technische voorzieningen per line of business (zie de artikelen 75 t/m 82 van de richtlijn). (1) Balans – activa (1) Balans – verplichtingen en kernvermogen (1a) Beleggingen (anders dan activa die tegenover fractieverzekeringen staan) (1b) Technische Voorzieningen schade en zorg (niet vergelijkbaar met leven) (1c) Technische Voorzieningen – leven (1d) Technische voorzieningen – Zorg (vergelijkbaar met leven)
    1. Overzicht van het eigen vermogen – inclusief het aanvullend eigen vermogen – naar bestanddelen, de indeling in de drie tiers en de mate waarin het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste worden gedekt door die tiers (zie de artikelen 87 en 88 van de richtlijn) (2) Eigen vermogen
    1. Berekening van het minimumkapitaalvereiste, bedoeld in artikel 129 van de richtlijn en de bestanddelen daarvan en van het solvabiliteitskapitaalvereiste volgens de standaardbenadering met inbegrip van de modules, bedoeld in artikel 104, eerste lid, van de richtlijn en de ondermodules, bedoeld in artikel 105 van de richtlijn (3a) Minimumkapitaalvereiste (MKV) berekening (3b) Solvabiliteitskapitaalvereiste (SKV) (3c) Solvabiliteitskapitaalvereiste – marktrisico (3d) Solvabiliteitskapitaalvereiste – tegenpartijrisico (3e) Solvabiliteitskapitaalvereiste – levensverzekeringstechnisch risico (3f) Solvabiliteitskapitaalvereiste – schadeverzekeringstechnisch risico (3g) Solvabiliteitskapitaalvereiste – ziektekostenverzekeringstechnisch risico (3h) Solvabiliteitskapitaalvereiste – operationeel risico
    1. Resultaatanalyse (zie artikel 51, tweede lid, van de richtlijn) voor het boekjaar 2012, dat wil zeggen een verklaring van de ontwikkeling van het eigen vermogen (4) Toelichting resultaatanalyse

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 17c
1.

Een bank of clearinginstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, beschikt over interne regelingen en procedures die zijn gericht op een doeltreffend en prudent bestuur van de onderneming, dat voldoet aan de vereisten in artikel 88, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

2.

Een bank als bedoeld in artikel 17, eerste lid, die significant is ingevolge artikel 17d, beschikt over een benoemingscommissie waarvan de taken en bevoegdheden voldoen aan de vereisten in artikel 88, tweede lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 17d

Een bank is, mede voor de toepassing van artikel 3:8, vierde lid, van de wet, significant, indien:

  • a. zij op individuele basis een instelling van groot belang is op grond van de voorwaarden ingevolge artikel 6 van de verordening bankentoezicht; of
  • b. zij door de Nederlandsche Bank, gelet op haar omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van haar activiteiten als significant wordt aangemerkt.

§ 4.2. Risicomanagement

§ 4.3. Vangnetregelingen

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden

§ 9.4. Bijzondere bepalingen

Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling

Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

Artikel 105a

De kapitaalconserveringsbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel a, bedraagt tweeënhalf procent.

Artikel 105b
1.

De contracyclische kapitaalbuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel b, is gelijk aan het overeenkomstig artikel 140 van de richtlijn kapitaalvereisten berekende gewogen gemiddelde van de contracyclische bufferpercentages, bedoeld in artikel 128, onderdeel 7, van de richtlijn kapitaalvereisten, die de betrokken bank of beleggingsonderneming dient toe te passen voor elke staat waar de relevante kredietblootstellingen van de onderneming gelegen zijn.

2.

De Nederlandsche Bank stelt elk kwartaal het contracyclische bufferpercentage vast voor in Nederland gelegen kredietblootstellingen, met inachtneming van artikel 136, tweede tot en met zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

3.

Ten aanzien van kredietblootstellingen, gelegen in een andere lidstaat of een staat die geen lidstaat is, past de bank of beleggingsonderneming het contracyclische bufferpercentage toe dat door de ingevolge artikel 136, eerste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten aangewezen autoriteit van de betrokken lidstaat of staat is vastgesteld. Indien in plaats of in afwijking daarvan door de Nederlandsche Bank een percentage is vastgesteld overeenkomstig artikel 139, tweede of derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten of dat voortvloeit uit de toepassing van de artikelen 137, eerste lid, en 140, tweede en derde lid van de richtlijn, past de bank of beleggingsonderneming dat percentage toe.

4.

De Nederlandsche Bank maakt de door een bank of beleggingsonderneming ingevolge het tweede en derde lid toe te passen contracyclische bufferpercentages bekend door publicatie op haar website, met inachtneming van de artikelen 136, zevende lid, 137, tweede lid, en 139, vijfde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 105e

De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van de artikelen 133 en 134 van de richtlijn kapitaalvereisten regels stellen ten aanzien van de systeemrisicobuffer, bedoeld in artikel 105, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 105g
1.

Onverminderd artikel 77 van de verordening kapitaalvereisten kan een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3:62b, tweede lid, of artikel 3:62ba, tweede lid, van de wet, in afwijking van die artikelen de bedoelde uitkeringen, toekenningen of betalingen doen, ter grootte van ten hoogste het maximaal uitkeerbare bedrag, berekend overeenkomstig artikel 141, vierde lid, respectievelijk artikel 141 ter, vierde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten. Artikel 4 is van overeenkomstige toepassing.

2.

Van het voornemen tot het doen van een uitkering, toekenning of betaling als bedoeld in het eerste lid geeft de bank of beleggingsonderneming kennis aan de Nederlandsche Bank, onder overlegging van de gegevens, bedoeld in artikel 141, achtste lid, respectievelijk artikel 141 ter, achtste lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.

Artikel 105h

De kennisgeving, bedoeld in artikel 3:62a, derde lid, of artikel 3:62ba, vierde lid, van de wet, vermeldt tevens het maximaal uitkeerbare bedrag, bedoeld in artikel 105g, eerste lid, zoals berekend door de bank of beleggingsonderneming.

Artikel 105i
1.

Het kapitaalconserveringsplan, bedoeld in artikel 3:62a, vierde lid, en artikel 3:62ba, vijfde lid, van de wet, bevat:

  • a. een schatting van de inkomsten en uitgaven en een balansverwachting;
  • b. een beschrijving van de maatregelen die de betrokken onderneming voornemens is te nemen om haar toetsingsvermogen te vergroten;
  • d. andere informatie die noodzakelijk is voor een adequate beoordeling van het kapitaalconserveringsplan.
2.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d.

§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling

§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer

§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer

§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit

Artikel 134b
1.

Een bank als bedoeld in artikel 3:74a, eerste lid, van de wet die over een website beschikt, geeft daarop uitleg over de wijze waarop zij voldoet aan de vereisten inzake bestuur, beloning en publicatie van gegevens in artikel 17c, de bij of krachtens artikel 23e, vijfde lid, gestelde regels, het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten en artikel 3:8, derde en vierde lid, van de wet.

2.

Een beleggingsonderneming onder de verordening kapitaalvereisten die over een website beschikt, geeft daarop uitleg over de wijze waarop zij voldoet aan de bij of krachtens artikel 23e, vijfde lid, gestelde regels en het Besluit uitvoering publicatieverplichtingen richtlijn kapitaalvereisten.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is die haar bedrijf uitoefent vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.

§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit

§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer

Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)