Besluit van 12 oktober 2006, houdende prudentiële regels voor financiële ondernemingen die werkzaam zijn op de financiële markten (Besluit prudentiële regels Wft)
Artikel 135a*
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot het effectief verlenen van afwikkeldiensten.
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
Hoofdstuk 11. Liquiditeit
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2.1. Veroordelingen
1.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Wetboek van Strafrecht:
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
1.1. Veroordelingen
Opiumwet:
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
2.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Algemene Douanewet
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 4.4. Regels ter bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
§ 10.3. Samenstelling van de solvabiliteit van verzekeraars
§ 10.4. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste en het solvabiliteitskapitaalvereiste
§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling
§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer
§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen
§ 10a.1. Aard, omvang en samenstelling van de kapitaalbuffer
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
Artikel 135a*
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot het effectief verlenen van afwikkeldiensten.
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 15a. Verlenen betaaldiensten door tussenkomst betaaldienstagent
Hoofdstuk 16. Slotbepalingen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Wet wapens en munitie:
Andere feiten of omstandigheden die redelijkerwijs voor de Nederlandsche Bank van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van betrokkene, zoals blijkend uit door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren opgemaakte processen-verbaal of rapporten die erop wijzen dat betrokkene betrokken is (geweest) bij een of meer van de onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder processen-verbaal of rapporten wordt ook verstaan soortgelijke documenten met gelijke bewijskracht, opgemaakt door tot de opsporing van strafbare feiten bevoegde ambtenaren in het buitenland ter zake van daar geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de onder 2.1 genoemde.
1.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 26b
Afwikkelondernemingen, banken, betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen nemen bij de inrichting van hun bedrijfsvoering de regels in acht die door de Nederlandsche Bank terzake worden gesteld ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden om de goede werking van het betalingsverkeer te waarborgen.
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij
Artikel 32aa
Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in artikel 3:28a, eerste lid, van de wet, legt de centrale tegenpartij over:
- a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging, bedoeld in het eerste lid;
- b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen is bepaald in de artikelen 26 tot en met 35 en 40 tot en met 54 van de verordening, bedoeld in het eerste lid, en op basis waarvan de Autoriteit Financiële Markten redelijkerwijs een advies als bedoeld in Bijlage 5, onder 3, eerste lid, van het Besluit EU-verordeningen Wft kan geven.
De centrale tegenpartij geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in artikel 3:28a, eerste lid, van de wet, voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
- a. binnen zes weken na de kennisgeving;
- b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving; of
- c. indien de Nederlandsche Bank de Autoriteit Financiële Markten om advies heeft gevraagd ingevolge Bijlage 5, onder 3, eerste lid, van het Besluit EU-verordeningen Wft, binnen vier weken na ontvangst van dat advies.
Artikel 40d
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- dekkingsactiva: activa als bedoeld in artikel 3, onderdeel 4, van de richtlijn gedekte obligaties;
- overcollateralisatie: overcollateralisatie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van de richtlijn gedekte obligaties;
- primaire activa: primaire activa als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de richtlijn gedekte obligaties;
- vervangende activa: vervangende activa als bedoeld in artikel 3, onderdeel 13, van de richtlijn gedekte obligaties;
- zekerheidsactiva: zekerheidsactiva als bedoeld in artikel 3, onderdeel 5, van de richtlijn gedekte obligaties.
Artikel 40e
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat de dekkingsactiva van het programma van gedekte obligaties waartoe een gedekte obligatie behoort, worden veiliggesteld door overgang onder algemene of bijzondere titel naar een andere rechtspersoon, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a. de rechtspersoon is met uitsluiting van andere activiteiten opgericht om de dekkingsactiva van een programma van gedekte obligaties te scheiden van het vermogen van de bank en hetgeen te doen dat noodzakelijk is of wenselijk is voor het desbetreffende programma van gedekte obligaties; en
- b. de bank, alsmede rechtspersonen die tot dezelfde groep als de bank behoren, houden geen aandelen in de rechtspersoon, hebben daarin geen beleidsbepalende zeggenschap en hebben daarin ook niet op andere wijze een eigendomsbelang.
De bank is te allen tijde in staat om de dekkingsactiva van een programma van gedekte obligaties te identificeren.
Artikel 40f
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, neemt voor ten minste 80% van de totale nominale waarde van de activa in de dekkingspool één van de soorten dekkingsactiva, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten als primair dekkingsactivum op.
De bank kan voor ten hoogste 20% van de totale nominale waarde van de activa in de dekkingspool vervangende dekkingsactiva opnemen, die bestaan uit één of meer van de overige soorten activa, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten.
Voor de berekening van de nominale waarde van de dekkingsactiva, bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt de bank, waar van toepassing, de restricties in artikel 129, eerste lid tot en met derde lid, van de verordening kapitaalvereisten in acht.
Artikel 40g
De totale nominale waarde van de betalingsvorderingen voortvloeiend uit de dekkingsactiva behorend tot de dekkingspool is ten minste gelijk aan de totale nominale waarde van de verplichtingen, bedoeld in artikel 3:33b, van de wet.
De totale nominale waarde van de dekkingsactiva, bedoeld in artikel 40f, eerste en tweede lid, tezamen is ten minste gelijk aan de totale nominale waarde van de uitstaande gedekte obligaties en is daarnaast onderworpen aan een overcollateralisatie bestaande uit 5% van de nominale waarde van de uitstaande gedekte obligaties die wordt gedekt door de nominale waarde van dekkingsactiva, bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen a tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten.
Niet door zekerheden gedekte vorderingen waarbij wanbetaling als bedoeld in artikel 178 van de verordening kapitaalvereisten wordt geacht zich te hebben voorgedaan, kunnen niet bijdragen aan de dekking in de dekkingspool.
Voor de berekening van de verwachte kosten, bedoeld in artikel 3:33b, derde lid, van de wet, kan in afwijking van het eerste lid, in plaats van de nominale waarde een forfaitair bedrag worden gehanteerd bestaande uit ten minste vier basispunten van de totale nominale waarde van de uitstaande gedekte obligaties, of een vast bedrag van 400.000 euro, indien dat bedrag hoger is.
Voor de berekening van de verschuldigde rente op de uitstaande gedekte obligaties en de te ontvangen rente met betrekking tot de dekkingsactiva wordt uitgegaan van de nominale waarde.
Voor de berekening van de nominale waarde van de dekkingsactiva, bedoeld in het tweede lid, neemt de bank, waar van toepassing, de restricties in artikel 129, eerste lid tot en met derde lid, van de verordening kapitaalvereisten in acht. Activa die bijdragen aan de 5% overcollateralisatie, bedoeld in het tweede lid, zijn niet onderworpen aan de limieten voor de omvang van de blootstelling als bepaald in artikel 129, eerste lid bis, van de verordening kapitaalvereisten en worden niet meegeteld voor die limieten.
Artikel 40h
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft en fysieke zekerheidsactiva hanteert die strekken tot zekerheid van de dekkingsactiva als bedoeld in artikel 129, eerste lid, onderdelen d tot en met g, van de verordening kapitaalvereisten, voldoet aan de vereisten van artikel 208 van die verordening.
De fysieke zekerheidsactiva worden gewaardeerd tegen of onder de marktwaarde of de hypotheekwaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 76, onderscheidenlijk onderdeel 74, van de verordening kapitaalvereisten.
De waardering van de fysieke zekerheidsactiva wordt uitgevoerd door een taxateur die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, onderdelen b en c, van de richtlijn gedekte obligaties.
Artikel 40i
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat de debiteur van de dekkingsactiva zijn woonplaats heeft, respectievelijk is gevestigd of zijn zetel heeft, binnen de grenzen van de lidstaten van de Europese Unie, of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Een bank draagt er zorg voor dat, indien van toepassing, het fysieke zekerheidsactivum is gelegen binnen de grenzen van de lidstaten van de Europese Unie, of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Artikel 40j
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat in de dekkingspool uitsluitend een derivatencontract wordt opgenomen indien dit bijdraagt aan de beheersing van risico’s voor de houders van gedekte obligaties. Een derivatencontract wordt uit de dekkingspool verwijderd indien het risico voor de houders van gedekte obligaties ophoudt te bestaan.
Het volume van een derivatencontract wordt aangepast indien sprake is van een vermindering van het risico waarop het derivatencontract betrekking heeft. Een derivatencontract wordt uit de dekkingspool verwijderd indien het risico voor de houders van gedekte obligaties ophoudt te bestaan.
Een derivatencontract kan uitsluitend in de dekkingspool worden opgenomen, indien het contract:
- a. voldoende is gedocumenteerd;
- b. niet kan worden beëindigd indien de bank die de gedekte obligaties heeft uitgegeven in staat van faillissement is verklaard, of indien jegens de bank op grond van Deel 3A van de wet een afwikkelingsmaatregel is toegepast;
- c. is gesloten met een financiële onderneming die onder toezicht staat; en
- d. in geval van verlies van voldoende kredietwaardigheid van de wederpartij verplicht dat de wederpartij gepaste zekerheid verschaft of zich als wederpartij doet vervangen.
Artikel 40k
Een bank die gedekte obligaties uitgeeft, draagt er zorg voor dat de dekkingspool te allen tijde een uit liquide activa samengestelde liquiditeitsbuffer bevat, die beschikbaar is om de nettoliquiditeitsuitstroom, bedoeld in artikel 3, onderdeel 16, van de richtlijn gedekte obligaties, van het programma van gedekte obligaties te dekken.
De liquiditeitsbuffer, bedoeld in het eerste lid, dekt de maximale gecumuleerde nettoliquiditeitsuitstroom tijdens de volgende 180 dagen.
Indien de looptijd van een gedekte obligatie op grond van artikel 40m kan worden verlengd, wordt bij de berekening van de nettoliquiditeitsuitstroom, bedoeld in het tweede lid, uitgegaan van de hoofdsom, gebaseerd op de einddatum.
De liquiditeitsbuffer, bedoeld in het eerste lid, omvat de activa, bedoeld in artikel 16, derde lid, onderdelen a en b, van de richtlijn gedekte obligaties.
Niet door zekerheden gedekte vorderingen waarbij wanbetaling als bedoeld in artikel 178 van de verordening kapitaalvereisten wordt geacht zich te hebben voorgedaan, kunnen niet bijdragen aan de liquiditeitsbuffer van de dekkingspool.
Hoofdstuk 6b. Geregistreerde gedekte obligaties
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumbedrag van het garantiefonds
Hoofdstuk 6a. Veilig stellen geldmiddelen en verlenen krediet door betaalinstellingen en elektronischgeldinstellingen met zetel in Nederland
Artikel 106a
De liquiditeit van een bank als bedoeld in artikel 3:63, eerste lid, 3:64 of 3:65 van de wet is voldoende, indien wordt voldaan aan de liquiditeitsvereisten ingevolge deel 6 van de verordening kapitaalvereisten, dat van overeenkomstige toepassing is op de activiteiten vanuit een bijkantoor in Nederland van een bank met zetel in een staat die geen lidstaat is.
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen
§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Artikel 135b
De Nederlandsche Bank kan ter uitvoering van internationaal aanvaarde standaarden nadere regels stellen met betrekking tot het effectief verlenen van afwikkeldiensten.
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
Hoofdstuk 13a. Effectief verlenen van afwikkeldiensten
Hoofdstuk 14. Meldingsplichten van de accountant en de actuaris
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Onder veroordelingen worden ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer in het buitenland geldende strafbepalingen, vergelijkbaar met de hierboven genoemde.
2.2. Transacties
Wetboek van Strafrecht:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Opiumwet:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 eerste lid, 5, eerste en derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
Hoofdstuk 12. Technische voorzieningen en beleggingsbeleid verzekeraars
Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
Hoofdstuk 15. Gekwalificeerde deelnemingen
Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1.1. Veroordelingen
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2. Overige strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
2.1. Veroordelingen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 23h
Indien een onderneming, entiteit of groep als bedoeld in de artikelen 23d, eerste of vijfde lid, of 23e, eerste of vierde lid, uitvoering geeft aan maatregelen die zijn opgenomen in het herstelplan of deze maatregelen achterwege laat in afwijking van de uitkomsten van de indicatoren, bedoeld in artikel 23f, tweede lid, doet de onderneming, de entiteit of de EU-moederonderneming van de groep daarvan onverwijld mededeling aan de Nederlandsche Bank.
Artikel 23i
Een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, eerste lid, beschikt over passende procedures die haar werknemers in staat stellen om door hen geconstateerde mogelijke of feitelijke overtredingen van de verordening kapitaalvereisten, de verordening prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen of het bij of krachtens hoofdstuk 1.7 en het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet bepaalde intern te melden.
Deze procedures voldoen aan de vereisten in artikel 71, tweede lid, onderdelen b, c en d, en derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten, of, in het geval van beleggingsondernemingen in de zin van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen, aan de vereisten in artikel 22, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de richtlijn prudentieel toezicht beleggingsondernemingen. Artikel 23, tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23j
De beheerder van een icbe vermeldt in het beleid, bedoeld in artikel 23, eerste lid:
- a. de technieken, instrumenten en regelingen om te allen tijde de risico’s te kunnen meten en beheren waaraan elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten is of zou kunnen worden blootgesteld;
- b. de verantwoordelijkheden binnen de organisatie van de beheerder met betrekking tot het risicobeheer; en
- c. de voorwaarden, inhoud en frequentie van de rapportage door de risicobeheerfunctie, bedoeld in artikel 23, zesde lid, aan de personen die het dagelijks beleid van de beheerder van de icbe bepalen en aan het orgaan, indien aanwezig, dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de beheerder.
De procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, stellen een beheerder van een icbe in staat:
- a. te allen tijde de risico’s te kunnen meten waaraan de instelling voor collectieve belegging in effecten wordt of zou kunnen worden blootgesteld; en
- b. de naleving van limieten voor het totale risico en het tegenpartijrisico voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten, bedoeld in de artikelen 133 en 134 van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, te waarborgen.
Een beheerder van een icbe neemt voor de toepassing van het tweede lid de volgende maatregelen:
- a. zorgen voor procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, die noodzakelijk zijn om te garanderen dat de risico’s van ingenomen posities en het aandeel van deze posities in het totale risicoprofiel nauwkeurig en op basis van degelijke en betrouwbare gegevens worden gemeten en dat deze procedures en maatregelen op adequate wijze zijn gedocumenteerd;
- b. zorgen dat in de procedures en maatregelen, bedoeld in artikel 23, derde lid, voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de activa van de icbe niet uitsluitend of mechanisch wordt uitgegaan van ratings, uitgegeven door een ratingbureau;
- c. in voorkomend geval, achteraf uitvoeren van periodieke tests om de geldigheid te evalueren van regels met betrekking tot risicometingregelingen die modelmatige prognoses en ramingen omvatten;
- d. in voorkomend geval, uitvoeren van periodieke stresstests en scenarioanalyses om de eventueel uit wisselende marktomstandigheden voortvloeiende risico’s aan te pakken die negatieve gevolgen voor de instelling voor collectieve belegging in effecten kunnen hebben;
- e. het opzetten, implementeren en in stand houden van een gedocumenteerd systeem van interne limieten voor de maatregelen die worden genomen om de relevante risico’s voor elke beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten te beheren en te controleren, waarbij rekening wordt gehouden met relevante risico’s als bedoeld in artikel 23, tweede lid, en waarbij overeenstemming met het risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging in effecten wordt gewaarborgd;
- f. zorgen dat voor elke door hem beheerde instelling voor collectieve belegging in effecten de huidige risico-omvang voldoet aan het risicolimietensysteem, bedoeld in onderdeel d; en
- g. opzetten, implementeren en in stand houden van adequate procedures die in geval van feitelijke en voorzienbare inbreuken op het risicolimietensysteem van de instelling voor collectieve belegging in effecten tot tijdige herstelmaatregelen in belang van de deelnemers leiden.
§ 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector
§ 4.4. Regels ter bevordering van de goede werking van het betalingsverkeer
§ 9.2. Samenstelling van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 6b. Gedekte obligaties
§ 9.3. De waarden die dienen tot dekking van het minimumkapitaalvereiste
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
§ 12.2.1. Beleggingsbeleid van een premiepensioeninstelling
§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit
§ 11.3. Samenstelling van de liquiditeit
§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen
Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, mislukte uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
– overtreding fiscale wetgeving (artikelen 68 en 69).
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 26.2
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet met betrekking tot zijn bedrijfsvoering aan de artikelen 41 en 44 tot en met 48 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk IX, afdelingen 1 en 2, van de verordening solvabiliteit II.
De werknemers van een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid, niet zijnde personen als bedoeld in artikel 3:8, eerste lid, derde volzin, van de wet, die een sleutelfunctie vervullen als bedoeld in artikel 42 van de richtlijn solvabiliteit II zijn geschikt voor de vervulling van hun taken.
Artikel 26.3
De artikelen 41 en 44 tot en met 48 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk IX, afdelingen 1 en 2, van de verordening solvabiliteit II inzake de bedrijfsvoering van verzekeraars zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
- a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
- b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 26.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op werknemers van verzekeraars als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b.
Artikel 26.4
De artikelen 319, 320, 321, 324, 326 en 327 van de verordening solvabiliteit II inzake de bedrijfsvoering van entiteiten voor risico-acceptatie zijn van overeenkomstige toepassing op entiteiten voor risico-acceptatie met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
§ 4.4. Vangnetregelingen
§ 4.3. Bijzondere bepalingen voor de verzekeringsector
Artikel 27d
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, voldoet met betrekking tot uitbesteding van werkzaamheden aan artikel 49 van de richtlijn solvabiliteit II, met inachtneming van titel I, hoofdstuk IX, afdeling 4, van de verordening solvabiliteit II.
Artikel 27e
Artikel 49 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk IX, afdeling 4, van de verordening solvabiliteit II inzake uitbesteding van werkzaamheden zijn van overeenkomstige toepassing op de volgende verzekeraars, voor zover zij hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor:
- a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
- b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Hoofdstuk 6b. Geregistreerde gedekte obligaties
Hoofdstuk 5a. Instemmingsvereiste centrale tegenpartij en centrale effectenbewaarinstelling
Hoofdstuk 9. Minimum vermogen
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Artikel 49a
De artikelen 129 en 131 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II inzake het minimumkapitaalvereiste zijn van overeenkomstige toepassing op het minimumkapitaalvereiste van een in Nederland gelegen bijkantoor van:
- a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
- b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 49b
De artikelen 129 en 131 van de richtlijn solvabiliteit II en titel I, hoofdstuk VII, van de verordening solvabiliteit II inzake het minimumkapitaalvereiste zijn van overeenkomstige toepassing op:
- a. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in Nederland;
- b. verzekeraars met beperkte risico-omvang met zetel in een niet-aangewezen staat die hun bedrijf uitoefenen vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor.
Voor de toepassing van het eerste lid bedraagt de absolute ondergrens van het minimumkapitaalvereiste, in afwijking van artikel 129, eerste lid, onderdeel d, van de richtlijn, voor de in het eerste lid bedoelde verzekeraars:
- a. 250.000 euro voor een levensverzekeraar die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend uitkeringen bij overlijden verzekert, waarvan het bedrag per verzekerde niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de kosten van uitvaart;
- b. 250.000 euro voor een natura-uitvaartverzekeraar;
- c. 200.000 euro voor een schadeverzekeraar.
De in het tweede lid bedoelde bedragen worden elke vijf jaar gewijzigd teneinde deze aan te passen aan de ontwikkeling van het door de Europese Commissie overeenkomstig artikel 300 van de richtlijn solvabiliteit II bekendgemaakte geharmoniseerde indexcijfer van de consumentenprijzen van alle lidstaten, afgerond op een veelvoud van 10.000 euro. De gewijzigde bedragen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt in artikel 131 van de richtlijn solvabiliteit II voor «31 december 2016» gelezen: 31 december 2017.
Hoofdstuk 7. Verzekering bijkomende risico’s
§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
Hoofdstuk 13. Boekhouding en rapportage
§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer en hefboomratiobuffer
§ 11.1. Minimumomvang liquiditeit
§ 11.2. Berekening van de minimumomvang van de liquiditeit
Artikel 134c
Een verzekeraar met zetel in Nederland, niet zijnde een verzekeraar met beperkte risico-omvang, publiceert jaarlijks een rapport over de solvabiliteit en financiële positie overeenkomstig de artikelen 51 en 53, derde en vierde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en met inachtneming van titel I, hoofdstuk XII, van de verordening solvabiliteit II.
De verzekeraar maakt in het geval van belangrijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de relevantie van de overeenkomstig het eerste lid bekend gemaakte informatie, informatie bekend over de aard en gevolgen van die belangrijke ontwikkelingen, overeenkomstig artikel 54 van de richtlijn en met inachtneming van artikel 302 van de verordening solvabiliteit II.
Artikel 134d
Artikel 134c is van overeenkomstige toepassing op in Nederland gelegen bijkantoren van:
- a. levensverzekeraars en schadeverzekeraars, niet zijnde verzekeraars met beperkte risico-omvang, met zetel in een staat die geen lidstaat is;
- b. herverzekeraars met zetel in een niet-aangewezen staat.
Artikel 134e
Een verzekeraar als bedoeld in artikel 3:73c, 3:82a of 3:86a met beperkte risico-omvang maakt jaarlijks binnen een termijn van zes maanden de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens openbaar en vermeldt daarbij in de toelichting op de jaarrekening:
- a. de in overeenstemming met de wet en dit besluit opgestelde balans en de daarbij gehanteerde grondslagen en methoden voor de waardering van activa, technische voorzieningen en andere verplichtingen, met een toelichting op de belangrijkste verschillen met de grondslagen en methoden die in de jaarrekening voor de waardering ervan zijn gehanteerd;
- b. het bedrag en de samenstelling van het aanwezige solvabiliteitskapitaal;
- c. het bedrag van het solvabiliteitskapitaalvereiste en van het minimumkapitaalvereiste;
- d. indien artikel 19, derde lid, op de verzekeraar van toepassing is: het bedrag van de technische voorzieningen indien deze worden berekend op basis van afkoop van alle verzekeringen;
- e. indien van toepassing: informatie over de winstdeling ten gunste van polishouders per productgroep;
- f. indien de verzekeraar niet voldoet aan het minimumkapitaalvereiste of significant niet voldoet aan het solvabiliteitskapitaalvereiste: het bedrag van het tekort alsmede een toelichting op de oorzaak en gevolgen ervan en de genomen corrigerende maatregelen;
- g. indien de verzekeraar ondernemingspecifieke parameters gebruikt voor de berekening van zijn solvabiliteitskapitaalvereiste: de belangrijkste verschillen tussen die parameters en de aannames die ten grondslag liggen aan de standaardformule;
- h. indien aan de verzekeraar door de Nederlandsche Bank specifieke parameters ter berekening van verzekeringstechnische risicomodules zijn opgelegd: het effect daarvan, alsmede de gronden van het daartoe strekkende besluit van de Nederlandsche Bank.
§ 12.1. De berekening van de technische voorzieningen
Hoofdstuk 12a. Beleggingsbeleid premiepensioeninstellingen
Bijlage A. behorend bij artikel 6
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
Betrokkene heeft een transactie als bedoeld in artikel 74 van het WvSr, artikel 76 van de AWR of artikel 10:15 van de Algemene Douanewet gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten. Onder transacties wordt ook verstaan een daarmee vergelijkbare overeenkomst met betrekking tot niet-vervolging ter zake van met de hiervoor bedoelde vergelijkbare strafbare feiten in het buitenland, gesloten met de daartoe bevoegde autoriteit.
Bij vonnis is betrokkene in Nederland of in het buitenland veroordeeld terzake van een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokking van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 6, onderdeel a
Bijlage C. behorende bij artikel 61, vijfde lid, onderdeel c
Afgeleide financiële instrumenten in de zin van artikel 61, derde lid, onderdeel c, zijn:
-
- Rentecontracten:
- a. Renteswaps die betrekking hebben op één valuta;
- b. Basisswaps;
- c. Rentetermijncontracten;
- d. Rentefutures;
- e. Gekochte renteopties;
- f. Andere contracten van gelijke aard;
-
- Contracten die betrekking hebben op wisselkoersen of goud:
- a. Cross-currency renteswaps;
- b. Valutatermijncontracten;
- c. Valutafutures;
- d. Gekochte valutaopties;
- e. Andere contracten van gelijke aard;
- f. Contracten van gelijke aard zijn als de contracten onder a tot en met e die betrekking hebben op goud;
-
- Contracten van gelijke aard als die in onderdeel 1, onder a tot en met e, of onderdeel 2, onder a tot en met d, die betrekking hebben op andere onderliggende waarden of indices.
Bijlage B. behorende bij artikel 60a, eerste lid
-
- De in artikel 60a, eerste lid, bedoelde methoden zijn: Methode A Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag van ten minste 10% van de vaste kosten van het voorgaande jaar. De Nederlandsche Bank kan dit vereiste aanpassen in geval van aanzienlijke wijzigingen in de werkzaamheden van de betaalinstelling sinds het voorgaande jaar. Indien de betaalinstelling op de dag van de berekening haar werkzaamheden niet gedurende een volledig jaar heeft uitgeoefend, is het vereiste eigen vermogen 10% van de in haar bedrijfsplan begrote vaste kosten, tenzij de Nederlandsche Bank een aanpassing van dit plan verlangt. Methode B Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de som van de volgende elementen, vermenigvuldigd met schaalfactor k, bedoeld in het tweede lid, waarbij het betalingsvolume een twaalfde deel is van het totale bedrag van de betalingstransacties die de betaalinstelling het voorgaande jaar heeft verricht: Methode C Het eigen vermogen van de betaalinstelling is een bedrag dat ten minste gelijk is aan de relevante indicator, bedoeld in onderdeel a, vermenigvuldigd met de multiplicator, bedoeld in onderdeel b, nogmaals vermenigvuldigd met de schaalfactor k.
- a. 4,0% van het betalingsvolume tot € 5.000.000, plus
- b. 2,5% van het betalingsvolume boven € 5.000.000 tot € 10.000.000, plus
- c. 1% van het betalingsvolume boven € 10.000.000 tot € 100.000.000, plus
- d. 0,5% van het betalingsvolume boven € 100.000.000 tot € 250.000.000, plus
- e. 0,25% van het betalingsvolume boven € 250.000.000.
- a. De relevante indicator is de som van: Elk bestanddeel wordt meegeteld met het bijbehorende positieve of negatieve teken. Inkomsten uit buitengewone of ongewone posten mogen niet worden meegeteld bij de berekening van de relevante indicator. De uitgaven aan de uitbesteding van diensten die door een derde partij worden verricht kunnen de relevante indicator verlagen. De relevante indicator wordt berekend op basis van de laatste twaalfmaandelijkse waarneming aan het eind van het boekjaar. De relevante indicator wordt berekend over het laatste boekjaar. Desalniettemin mag het overeenkomstig methode C berekend eigen vermogen niet onder 80% van het gemiddelde van de laatste drie boekjaren voor de relevante indicator dalen. Wanneer geen gecontroleerde cijfers beschikbaar zijn, mogen bedrijfsramingen worden gebruikt.
- –. rente-inkomsten;
- –. rente-uitgaven;
- –. ontvangen provisies en vergoedingen; en
- –. overige bedrijfsopbrengsten.
- b. De multiplicator is:
- i). 10% van de relevante indicator tot € 2.500.000, plus
- ii). 8% van de relevante indicator boven € 2.500.000 tot € 5.000.000, plus
- iii). 6% van de relevante indicator boven € 5.000.000 tot € 25.000.000, plus
- iv). 3% van de relevante indicator boven € 25.000.000 tot € 50.000.000, plus
- v). 1,5% van de relevante indicator boven € 50.000.000.
-
- De schaalfactor k die in de methoden B en C wordt gebruikt, is:
- a. 0,5 indien de betaalinstelling alleen de in punt 6 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- b. 0,8 indien de betaalinstelling een in punt 7 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent;
- c. 1,0 indien de betaalinstelling een in de punten 1 tot en met 5 van de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten vermelde betaaldienst verleent.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 32bb
Met betrekking tot een voornemen tot wijziging als bedoeld in artikel 3:28a, tweede lid, van de wet legt de centrale effectenbewaarinstelling over aan de Nederlandsche Bank:
- a. een beschrijving van de voorgenomen wijziging;
- b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank redelijkerwijs kan beoordelen of wordt voldaan aan de artikelen 39 tot en met 47, 54 en 59 van de verordening centrale effectenbewaarinstellingen.
De centrale effectenbewaarinstelling geeft geen uitvoering aan het voornemen voordat de Nederlandsche Bank heeft ingestemd met de wijziging.
De Nederlandsche Bank neemt een besluit omtrent instemming:
- a. binnen zes weken na ontvangst van de kennisgeving; of
- b. indien de Nederlandsche Bank binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving om nadere gegevens heeft verzocht, binnen zes weken na ontvangst van die gegevens, doch uiterlijk binnen dertien weken na ontvangst van de kennisgeving.
Hoofdstuk 5. Uitbesteden van werkzaamheden
Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
§ 9.1. Omvang van het minimumbedrag aan eigen vermogen
Hoofdstuk 8. Vertegenwoordiger
Artikel 70a
Een verzekeraar met beperkte risico-omvang waarop artikel 308 ter, veertiende lid, van de richtlijn solvabiliteit II van overeenkomstige toepassing is en die op 31 december 2017 niet voldoet of gedurende het jaar 2018 dreigt niet te voldoen aan het solvabiliteitskapitaalvereiste, treft de nodige maatregelen om uiterlijk op 31 december 2022 het in aanmerking komend eigen vermogen ter dekking van het sovabiliteitskapitaalvereiste op peil te brengen of zijn risicoprofiel zodanig te verlagen dat wordt voldaan aan het solvabiliteitskapitaalvereiste.
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
Hoofdstuk 10a. Kapitaalbuffer
§ 10a.2. Overige bepalingen inzake de kapitaalbuffer
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)