Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Voeding- en productveiligheid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

Type Archiefselectielijst
Publication 2007-03-09
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 december, arc-2006.03350/2);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voeding- en productveiligheid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring –van de administratieve neerslag op het beleidsterrein

Deze selectielijst geldt voor de volgende zorgdragers:

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Defensie en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Economische Zaken en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Financiën en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; en de onder zijn zorg ressorterende actoren

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Verkeer en Waterstaat; en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Algemene Zaken en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de minister van Justitie en de onder zijn zorg ressorterende actoren;

de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel;

het Productschap Vee, vlees en eieren.

Ministerie van VWS

Versie februari 2007

Lijst van afkortingen

AID: Algemene Inspectie Dienst

AmvB: Algemene maatregel van bestuur

art.: artikel

ATP: ATP-overeenkomst/Overeenkomst inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoersmiddelen bij dit vervoer (Trb. 1972, 112).

BSD: Basisselectiedocument

CAS: Centrale Archief Selectiedienst

CERPER: Certificaciones del Peru S.A.: bedrijf dat technische hulp verleent bij productcertificering, -analyse, toetsing, inspecties en audits

COKZ: Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel

COM: Centraal Orgaan Melkhygiene

COZ: Centraal Orgaan voor Zuivelcontrole

CRM: (minister(ie) van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

EC: Europese Commissie

EEG: Europese Economische Gemeenschap

EER: Europese Economische Ruimte

EG: Europese Gemeenschappen (vanaf 1993)

EHS: Economische Hoofdstructuur

EU: Europese Unie

EZ: (ministerie van) Economische Zaken

GVE: Groot Vee Eenheid. Rekeneenheid voor vee waarbij bijvoorbeeld runderen/eenhoevigen = 1 GVE zijn; varken = 0,33 GVE en schaap = 0,15 GVE.

GWWD: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

HPA: Hoofdproductschap Akkerbouw

ID-DLO: Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid

IG: Inspectie voor de geneesmiddelen

IGB: Inspectie Gezondheidsbescherming

IGZ: Inspectie Gezondheidszorg

IKB: Integrale Ketenbeheersing

IVA: Instituut voor Afvalstoffenonderzoek

KB: Koninklijk Besluit

KEMA: (NV tot de) Keuring van Elektronisch Materiaal

KEW: Kernenergiewet

KI: Kunstmatige inseminatie

KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap

KNMG: Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der geneeskunst

KvW: Keuringsdienst van Waren

LenV: (ministerie van) Landbouw en Visserij (1960–1989)

LKW: Landbouwkwaliteitswet

LNV: (ministerie van) Landbouw, Natuur en Visserij (1989–2003)

(ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (2003–)

MB: Ministerieel besluit

NA: Nationaal Archief

NEC: Nederlands Elektronisch Comité

NEN: Nederlandse Norm

NNI: Nederlands Normalisatie Instituut

NS: NV Nederlandse Spoorwegen

OCW: (minister(ie) van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (voorheen: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)

Pb: Publicatieblad (van de EG)

PBO: Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie/PBO blad

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

PPE: Productschap voor Pluimvee en Eieren

PT: Productschap Tuinbouw

PVE: Productschap voor Vlees en Eieren

PVV: Productschap voor Vee en Vlees

RAD: Rijksarchiefdienst

RDW: Rijksdienst voor het Wegverkeer

RID: Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening

RIO: Rapport institutioneel onderzoek

RIV: Rijksinstituut voor de Volksgezondheid

RIVM: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne

RVV: Rijksdienst voor (de keuring van) Vee en Vlees

Stb.: Staatsblad

Stcrt: Staatscourant

SZW: (minister(ie) van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TK: Tweede Kamer (Kamerstukaanduiding)

TNO: Technisch Natuurwetenschappelijk Onderzoeksinstituut

Trb.: Tractatenblad

VenW: (minister(ie) van) Verkeer en Waterstaat

VbBo: Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie

VD: Veeartsenijkundige Dienst

VI: Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid

VoMil: (minister(ie) van) Volksgezondheid en Milieuhygiëne

VROM: (minister(ie) van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VWS: (minister(ie) van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WED: Wet economische delicten

Wet Bo: Wet op de Bedrijfsorganisatie

WVC: (minister(ie) van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

ZBO: Zelfstandig Bestuursorgaan

Verantwoording

Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten te verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als de overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief (NA) in Den Haag. Het NA is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCenW en staat onder leiding van de Algemene Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast, maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal in een vroegtijdig stadium te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:

Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur, vastgesteld door de Minister van OCW en de minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.

Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.

Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.

Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.

Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

De definitie van het beleidsterrein

Het beleidsterrein voedings- en productveiligheid draait om de bescherming van de volksgezondheid tegen ondeugdelijke waren. Waren betreffen hier voedingsmiddelen (eet- en drinkwaren) alsmede roerende producten die geen eetwaren zijn zoals bijvoorbeeld gasslangen en helmen.

De afbakening van het beleidsterrein

Dit BSD is gebaseerd op het institutioneel onderzoek op het beleidsterrein Voedings- en productveiligheid, gepubliceerd in RIO nr. 117.

Het onderzoek begint in 1945 – voor gegevens die zijn opgesteld voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog gelden andere selectiecriteria – en loopt tot 1997, het jaar waarin dit institutioneel onderzoek werd verricht.

Deel van dit beleidsterrein maken de volgende wetten uit: de Warenwet, de Vleeskeuringswet, de Wet op de Voedingsraad, het Destructiebesluit 1942, de Destructiewet en de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen.

Afbakening tussen Landbouwkwaliteitsbeleid en Voedings- en productveiligheid 1 Onderstaande passage is grotendeels ontleend aan: mw. A. Overbeeke, Landbouwkwaliteit en Voedselveiligheid, Kwaliteit van het uitgangsmateriaal en Biotechnologie 1945–1998 (LNV, RIO 157).

Een van de lastigste afbakeningen op dit terrein is die tussen het Landbouwkwaliteitsbeleid van het ministerie van LNV, en het beleidsterrein Voeding en productveiligheid van het Ministerie van VWS, waaronder de Warenwet en de Vleeskeuringswet vallen. Zowel de Landbouwkwaliteitswet als de Warenwet vormen een wettelijk kader voor het kwaliteitsbeleid en voeding.

Oorspronkelijk had het ministerie belast met de Landbouw alleen zeggenschap over de kwaliteit van agrarische exportproducten, terwijl het ministerie belast met de Volksgezondheid krachtens de Warenwet (Stb.1919, 581), belast was met de kwaliteit van voedingsmiddelen die in het binnenland werden afgezet. Als gevolg van de Landbouwkwaliteitswet van 1971 (Stb.1971, 371) ontstond een overlapping met de Warenwet. Sindsdien heeft ook de minister van Landbouw bemoeienis met de kwaliteitsaspecten van de binnenlandse afzet. De minister van LNV is mede ondertekenaar van de Warenwet en de Vleeskeuringswet, terwijl de minister van VWS mede-ondertekenaar is van de Landbouwkwaliteitswet. Voor de twee ministeries is daardoor een moeilijk te realiseren taakafbakening ontstaan. Daarom werd halverwege de jaren 70 door de beide ministers een stuurgroep ingesteld met de taak het beleid op dit gebied te coördineren. Belangrijk was het vermijden van versnippering van regelgeving voor een bepaald product of categorie van producten.

In tegenstelling tot de Warenwet kan de Landbouwkwaliteitswet aanspraak maken op een stelsel van toezicht op naleving van gestelde regels door privaatrechtelijke controle-instellingen. Een essentieel onderdeel van dit stelsel is de mogelijkheid van tuchtrechtelijk optreden tegen de aangeslotenen bij een zodanige instelling.

In de jaren negentig is de grens tussen beide ministeries als volgt gelegd. Het ministerie van VWS stelt productienormen voor levensmiddelen vast, terwijl het ministerie van LNV zich richt op de kwaliteit van agrarische producten en daarbij rekening houdt met de normen voor levensmiddelen. Omdat de scheiding tussen beide wetten lastig is, is er een discussie gaande om beide wetten onder te brengen in een nieuwe wetgeving. Goed overleg tussen beide ministeries, ook in voorbereiding op de Nederlandse inbreng ten aanzien van de Europese besluitvorming is en blijft belangrijk.

De afbakening tussen de ministeries van LNV en VWS wat betreft voedselveiligheid is niet helemaal helder. De verantwoordelijkheid voor ‘de’ voedselveiligheid(is dan ook) niet bij een van de twee ministeries expliciet belegd, maar wordt gezamenlijk gedragen. In grote lijnen is LNV verantwoordelijk voor de productiefase en VWS voor de verwerkings- en handelsfase van voedsel. Maar de wet- en regelgeving is afkomstig van meerdere overheidsniveaus, waarbij het Europese niveau inmiddels het belangrijkste is.

Een andere wet die onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van VWS valt is de Vleeskeuringswet (Stb. 1919, 524). Doelstelling van de wet is het weren van vlees en vleeswaren die voor de gezondheid schadelijk zijn. De minister van Landbouw is mede-ondertekenaar van de Vleeskeuringswet.

De kwaliteit van voedingsmiddelen, zoals geregeld in de Warenwet en de Vleeskeuringswet, wordt behandeld in de voorliggende selectielijst. Een uitzondering hierop is gemaakt voor de onderwerpen dioxine nitraat. Dioxine, omdat de minister van LNV een grote rol speelde bij de bestrijding van de diverse dioxinecrises die ons land hebben getroffen, en nitraat vanwege de relatie met de mestoverschotten.

Ook de Botermerkenwet en de Boterwet worden behandeld in de selectielijst voor het beleidsterrein landbouwkwaliteit.

In RIO nr. 115, Internationale samenwerking in de volksgezondheid, een institutioneel onderzoek naar het overheidshandelingen op het terrein van de internationale volksgezondheid, 1945–1996, (Ynze Alkema, Den Haag, 2001) komt de Codex Alimentarius aan bod. Het is een internationale standaard voor voedingsmiddelen. De Codex is ontwikkeld door een in 1962 opgerichte gezamenlijke commissie van de WHO en de FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties), die tot taak heeft het FAO/WHO Voedsel Standaard Programma uit te werken. Het is een internationaal forum waaraan door 171 landen wordt deelgenomen.

Het doel van het Voedsel Standaard Programma is het beschermen van de gezondheid van de consument en het verzekeren van eerlijke praktijken in de handel. Daartoe coördineert de Codex Alimentarius Commissie het internationale werk dat binnen verschillende overlegstructuren wordt verricht aan voedselstandaardisatie. De Commissie werkt standaarden uit, legt ze voor aan de nationale autoriteiten en publiceert ze vervolgens in de Codex Alimentarius.

De Codex Alimentarius wordt in Nederland geïmplementeerd door middel van Algemene Maatregelen van Bestuur inzake onder meer de Warenwet. In Nederland valt de verantwoordelijkheid voor de deelname aan dit internationale forum onder de ministeries van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Het voorliggende BSD bevat alleen handelingen die gebaseerd zijn op nationale wet- en regelgeving. Internationale handelingen, en daarmee ook zaken die met de Codex te maken hebben, komen aan bod in RIO 115. Er bestaat nog geen vaststelde selectielijst op basis van dit RIO.

Raakvlakken met betrekking tot het onderwerp Kernenergie 2 Onderstaande paragraaf is grotendeels ontleend aan mw. A. Overbeeke, Landbouwkwaliteit en Voedselveiligheid, Kwaliteit van het uitgangsmateriaal en Biotechnologie 1945–1998 (LNV, RIO 157).

De verantwoordelijkheid voor het beleidsterrein Kernenergie vinden we voornamelijk bij het ministerie van VROM. Op grond van 40 van de Kernenergiewet (Stb.1963, 82) zijn de ministers van VROM, WVC, SZW, V&W en LNV verantwoordelijk voor het tegengaan van de gevolgen van een ongeval met een kerninstallatie. Handelingen die hier uit voortkomen worden beschreven in het RIO nr. 157, Landbouwkwaliteit en Voedselveiligheid. Voor de handelingen waarin VROM de hoofdrol speelt met betrekking tot kernenergie, wordt verwezen naar het rapport Milieubeheer3Rapport Institutioneel Onderzoek Milieubeheer. (VROM, nr. 94).. De minister van BZK is verantwoordelijk als het gaat om een ramp (Rampenwet, Stb. 1996, 366). Zie voor de handelingen op dit beleidsterrein RIO nr. 47, Brandweerzorg, rampenbestrijding en crisisbeheersing, waarvan de bijbehorende selectielijst is gepubliceerd in Stcrt. 1999/216. De regeling ‘Normen radioactiviteit’ (Stcrt. 1986, 110) valt onder de verantwoording van het ministerie van VWS. De handelingen op grond van deze regeling worden in de voorliggende selectielijst beschreven. De Kernenergiewet wordt in het voorliggende selectielijst meegenomen voor wat betreft ioniserende en niet-ioniserende straling in relatie met de volksgezondheid.

Overige handelingen met betrekking tot kernenergie zijn te vinden in de selectielijst voor het beleidsterrein Energiebeleid (Stcrt. 2006, 10). Die lijst is gebaseerd op RIO nr. 82. Ook daarin zijn handelingen te vinden met betrekking tot ioniserende en niet-ioniserende straling in relatie met de volksgezondheid (RIO, paragraaf 3.5.5 en 3.5.6). Om verwarring te voorkomen zijn overeenkomstige handelingen uit dit BSD verwijderd.

Raakvlakken met overige beleidsterreinen

Er bestaat ook een raakvlak tussen de beleidsterreinen Voedings- en pruductveiligheid en In- en uitvoerregelingen (EZ). In het BSD Voedings- en productveiligheid is namelijk een handeling opgenomen met betrekking tot de in- en uitvoer van etenswaren.

Deze handeling is in het voorliggende BSD terechtgekomen, omdat de Warenwet alleen in dit BSD wordt behandeld en niet in het BSD In- en uitvoerregelingen.

Besluiten inzake tabak en alcohol die vallen onder de Warenwet zijn net als alle andere Warenwetbesluiten wel in het RIO opgenomen. De Tabakswet en de Drank- en Horecawet vallen echter buiten het beleidsterrein en zijn meegenomen in het RIO Verslavingsbeleid.

De toezichthouders worden hier alleen opgenomen voorzover zij specifieke handelingen verrichten op het beleidsterrein. Van de Veterinaire Inspectie, die al was behandeld in het RIO nr. 5, ‘Zicht op Toezicht’ over het staatstoezicht op de volksgezondheid zijn de handelingen echter opnieuw geformuleerd. Voor deze handelingen is een verwijzing opgenomen naar de oorspronkelijke handelingen in RIO nr. 5.

In RIO nr. 107, ‘Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de rijksoverheid op het beleidsterrein gezondheid en welzijn van dieren, 1945–1998’, komt besluitvorming aan de orde met betrekking tot ritueel slachten. (Het bijbehorende BSD vastgesteld bij Stcrt. 2003, 63 en 64.) Ook op het beleidsterrein Voedings- en productveiligheid komen handelingen met betrekking tot dit onderwerp. Het onderwerp wordt afhankelijk van het beleidsterrein verschillend benaderd. In RIO 107 is het uitgangspunt de gezondheid en het welzijn van dieren, dus met name de fase vóór en tijdens de slacht, terwijl in RIO 117 van belang is wat ritueel slachten voor consequenties heeft voor de kwaliteit van de producten van de slacht, dus vooral de fase tijdens en na de slacht.

De wet- en regelgeving met betrekking tot dit onderwerp is in RIO 107 gebaseerd op de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die in RIO 117 op de Vleeskeuringswet en het Vleeskeuringsbesluit.

In tegenstelling tot het RIO zijn in dit BSD ook de handelingen van de voorlopers van de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel (COKZ) opgenomen, het Centraal Orgaan voor Zuivelcontrole (COZ) en het Centraal Orgaan Melkhygiene (COM).

Doelstellingen en taken van de overheid op beleidsterrein

In het kader van de volksgezondheid stelt de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert al dan niet in samenwerking met andere ministers kwaliteitseisen aan waren en houdt toezicht op de naleving daarvan.

De kwaliteitseisen en het toezicht hebben naast de bescherming van de Volksgezondheid tevens tot doel het voorkomen van bedrog. Hierbij dient bijvoorbeeld te worden gedacht aan het bijmengen van water bij melk door een handelaar.

Ook de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij houdt zich bezig met kwaliteitseisen voor voedingsmiddelen. Deze eisen hebben echter betrekking op het verhogen van de kwaliteit van in Nederland verbouwd of geproduceerd voedsel met als doel de export naar het buitenland te vergroten1Onderstaande passage is grotendeels ontleend aan: mw. A. Overbeeke, Landbouwkwaliteit en Voedselveiligheid, Kwaliteit van het uitgangsmateriaal en Biotechnologie 1945–1998 (LNV, RIO 157)..

De rol van de Minister van Economische Zaken is dezelfde als die Minister van LNV, alleen betreft het hier voornamelijk het vergroten van de omzet van allerlei waren niet zijnde landbouw producten.

De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in het BSD zijn opgenomen

De minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de onder hem ressorterende actoren:

de Minister van Defensie;

de Minister van Economische Zaken;

de Minister van Financiën;

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren:

de Minister van Binnenlandse Zaken;

de minister onder wie Sociale Zaken ressorteren

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu;

de Minister van Verkeer en Waterstaat

de Minister-president;

de Officier van justitie;

het Centraal Orgaan voor de Zuivelcontrole;

het Centraal Orgaan voor de Melkhygiëne;

de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel;

het Productschap pluimvee en eieren;

het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Selectiedoelstelling

Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. De selectiedoelstelling is als volgt: Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zo ver deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

Door het Convent van Rijksarchivarissen is de selectiedoelstelling vertaald als ‘het selecteren van handelingen van de overheid om bronnen voor de kennis van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig te stellen voor blijvende bewaring’.

Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het NA.

De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

1.

Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting:Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2.

Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting:Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3.

Handelingen die betrekking hebben op verantwoordingvan beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting:Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4.

Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting:Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5.

Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting:Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6.

Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting:Bijvoorbeeld in het geval de ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Overigens kan, ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen, betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, in overleg met de RAD, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Deze criteria worden doorlopend genummerd, waarbij wordt aangesloten bij de zes algemene criteria (dus vanaf 7).

Verslag van de vaststellingsprocedure

In 2005 is het ontwerp-BSD door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mede namens de ministers van Algemene Zaken, Justitie, Economische Zaken, Verkeer & Waterstaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Defensie, Financiën, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en namens het Productschap Vee, Vlees en Eieren en de Stichting Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel aan de minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).

Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.

Vanaf 1 november 2006 lag de selectielijst gedurende acht weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van genoemde ministeries en bij de rijksarchieven in de provincie/regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Op 18 december 2006 bracht de RvC advies uit (arc-2006.03350/2), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:

– Aan de selectielijst is een bijlage toegevoegd waarin een overzicht van aangewezen instanties is opgenomen.

Daarop werd het BSD op 29 januari 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/06/2007), de Stichitn Centraal Orgaan voor Kwaliteitsaangelegenheden in de Zuivel, het Productschap Vee, Vlees en Eieren en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/233) en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (C/S&A/07/229) namens de minister van Justitie (C/S&A/07/230), de minister van Economische Zaken (C/S&A/07/231), de minister van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/232), de minister van Algemene Zaken (C/S&A/07/234), de minister van Defensie (C/S&A/07/235), de minister van Financiën (C/S&A/07/236), de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/07/239) vastgesteld.

Leeswijzer

Dit is het volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.

Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.

Vermeld worden:

de naam (citeertitel) van de wet, de Algemene Maatregel van Bestuur, het Koninklijk Besluit of de ministeriële regeling;

het betreffende artikel en lid daarvan;

de vindplaats, dwz. de vermelding van Staatsblad of Staatscourant;

wijzigingen in de grondslag en het vervallen hiervan.

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Waar mogelijk wordt hier vermeld welke documenten uit de handeling zijn voortgekomen.

Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

waardering van de handeling in B (bewaren) of V (vernietigen).

Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.

Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.

Eventueel een nadere toelichting op de waardering.

Actorenoverzicht

De minister waar Volksgezondheid onder ressorteert van 1945:

de Minister van Sociale Zaken (1933–1951);

de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (1951–1971);

de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne (1971–1982);

de Minister van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur (1982–1994);

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (1994–heden).

(in chronologische volgorde)

De eerste Keuringsdiensten van Waren zijn in 1858 door de gemeenten van Amsterdam opgericht. De doelstelling van de keuringsdienst is het controleren van eet- en drinkwater dat bestemd is voor de consument. Een groot aantal steden volgde het voorbeeld van Amsterdam met de oprichting van een keuringsdienst.

Met het inwerking treden van de Warenwet (Stb. 1919, 581) werd het voor de overheid mogelijk om keuringsgebieden vast te leggen en dus gemeenten te verplichten om eenkeuringsdienst in te stellen of de werkzaamheden van zo’n dienst te ondersteunen.

In 1986 worden de gemeentelijke keuringsdiensten omgevormd tot een Rijkskeuringsdienst, in 1991 wordt deze dienst opgenomen in de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB).

Zie voor meer over de Keuringsdienst van Waren de inleiding van Hoofdstuk 5 van het Rapport Institutioneel Onderzoek.

De handelingen van de Keuringsdienst van Waren zullen worden opgenomen in het BSD voor de Voedings- en Warenautoriteit (VWA).

De directeuren van dit college stemmen periodiek de werkzaamheden op elkaar af van de verschillende keuringsdiensten van Waren.

De Gezondheidsraad is een wetenschappelijk orgaan ingesteld op grond van de Gezondheidswet in 1919 (Stb. 784) en heeft als taak de minister die belast met de zorg voor de volksgezondheid te adviseren over de stand van de wetenschap ten aanzien van vraagstukken op het gebied van de volksgezondheid.

De Raad was voor 1954 belast met de werkzaamheden van de Voedingsraad. Zij adviseerde de betrokken ministers inzake voeding.

De taken van de Gezondheidsraad worden uitgebreider beschreven in RIO nr. 014, Advisering in de gezondheidszorg’. De handelingen van de Gezondheidsraad zijn opgenomen in een inmiddels vastgestelde selectielijst (Stcrt. 1998, 61).

Deze inspectie houdt zich op dit beleidsterrein bezig met registratie van radioactieve stoffen.

In 1967 is haar naam gewijzigd in Inspectie voorde geneesmiddelen (IG) en later is ze opgegaan in de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ). Daarom horen de handelingen van de Farmaceutische Inspectie in het BSD van de IGZ thuis (Stcrt. 2002, 149)

De commissie is door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert, opgericht in 1920 bij KB van 13 maart. De adviescommissie heeft tot doel gewenst of ongewenst de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert, de Ministers van Economomische Zaken en Landbouw te adviseren over bijna alle aangelegenheden betreffende de Warenwet.

In de commissie hebben leden van het bedrijfsleven, consumentenkringen, de wetenschappelijke sector en de overheid zitting. Zij worden door de Kroon aangewezen. Het secretariaat lag bij het ministerie waaronder Volksgezondheid ressorteert.

De commissie is per 1-1-1997 opgeheven.

Ingesteld door de Secretarissen-Generaal van Sociale Zaken, afdeling Volksgezondheid en van Landbouw en Visserij bij Destructiebesluit 1942 (Stcrt.1942, 48).

Deze commissie bracht aan de ministeries van Sociale Zaken en Landbouw en Visserij advies uit over het vernietigen van voor consumptie afgekeurd vlees en vleesproducten.

In 1957 heeft de Destructieraad de taken van de commissie overgenomen.

Ingesteld door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert bij Stcrt. 1952, 164.

Deze commissie adviseerde de minister inzake het vraagstuk van de bevoegdheid tot het aanwenden van Röntgenstralen en het gebruik van radio-actieve stoffen.

De Voedingsraad is ingesteld door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert bij de Wet op de Voedingsraad van 23 juni 1952 (Stb. 1952, 350), die in werking is getreden op 1 maart 1954.

De raad heeft als taak het gevraagd en ongevraagd adviseren van de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de Minister van LNV, over onderwerpen welke de voeding en de voedselvoorziening raken. Een groot aantal organisaties kunnen een voordracht doen van personen die zitting nemen in de Voedingsraad. De personen moeten studie hebben verricht inzake van voedings-, voedsel- voorzienings- of daarmee verwante vraagstukken.

De Voedingsraad is in 1997 opgeheven.

De Destructieraad is door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert in 1957 ingesteld (Stcrt. 1957, 197). Deze raad kwam in de plaats van de Commissie van Advies op grond van het Destructiebesluit 1942.

Taak van de Raad is het adviseren van de minister omtrent de vraagstukken verband houdende met het door verwerking onschadelijk maken van ondeugdelijk materiaal van dierlijke herkomst. Het advies kan betrekking hebben op zowel wettelijke als uitvoerende maatregelen.

De leden van de raad worden aangewezen door de Kroon, vertegenwoordigers van de gemeenten (VNG), de ondernemers (destructoren) en de veehouders (Landbouwschap).

De raad is in 1996 opgeheven.

Ingesteld door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert, bij Stcrt. 1975, 47.

Zij adviseerde de minister over de meest gewenste methode waarop de verschillende soorten slachtdieren vóór de slachting bedwelmd dienen te worden.

De Adviescommissie Vleeskeuringswet is door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert, de Minister van Economische Zaken ingesteld in 1979 (Stb. 1977, 661). Doel van de commissie is het – eventueel uit eigen beweging – adviseren van de minister wie het aangaat omtrent de uitvoering van de Vleeskeuringswet.

Een groot aantal belangenorganisaties, zoals bijvoorbeeld de productschappen, kunnen vertegenwoordigers aanwijzen die zitting nemen in de adviescommissie.

De commissie is per 1-1-1997 opgeheven.

Ten behoeve van de veiligheidsbeoordeling van producten die met behulp van genetisch- gemodicificeerde organismen zijn gemaakt, werd door het Ministerie van WVC deze commissie in 1993 ingesteld bij de Warenwetregeling nieuwe voedingsmiddelen (Stcrt. 1993, 139). Ze kreeg als taak het adviseren van de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert over de veiligheid en voedingsaspecten van nieuwe voedingsmiddelen.

Het secretariaat ligt bij het ministerie waaronder Volksgezondheid ressorteert.

Ministers

Hij is betrokken bij de vaststelling van tarieven en lonen voor de keuring van vlees.

Hij bepaalt de uitzonderingen die op de Warenwet worden gemaakt voor militair gebruik van waren.

De Minister van Economische Zaken wordt betrokken bij de uitvoering van de wetgeving op het beleidsterrein voedings- en productveiligheid voor zover het producten betreft die geen landbouw- of visserijproducten zijn en er nationale economische belangen in het spel zijn.

De Minister van Financiën wordt betrokken bij het formuleren en evalueren van beleid en het stellen van regelgeving voor de in- en uitvoer van eetwaren. Verder worden door hem instanties aangewezen die beschikkingen mogen afgeven op grond van de Warenwet. Tenslotte is hij mede belast met toezicht op en subsidiëring van de uitvoering van de Warenwet door bedrijfsorganisaties en gemeenten.

De Minister van LNV wordt betrokken bij de uitvoering van de wetgeving op het beleidsterrein voedings- en productveiligheid voor zover dit producten van de nationale landbouw en visserij betreft.

(in chronologische volgorde)

Ingesteld door de Minister van Arbeid bij Besluit opleiding keurmeester vee en vlees, art. 17 (Stb. 1920, 314)

Deze commissie houdt zich bezig met het afnemen van examens van (aankomende) keurmeesters van vee en vlees.

De Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid (VI) is in 1920 ingesteld (Stb. 1920, 11) in verband met het toezicht op de naleving van de Vleeskeuringswet.

De voornaamste taak van de Veterinaire Inspectie is het handhaven van de wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid (keuringen van vlees, het onderzoek van vlees en vleeswaren en de destructie).

In 1998 is de Veterinaire Inspectie samengevoegd met de Inspectie Gezondheidsbescherming. De nieuwe naam: de Inspectie Gezondheids-bescherming, Waren en Veterinaire Zaken.

De Veterinaire Inspectie is uitgebreid behandeld in het RIO nr. 5, ‘Zicht op Toezicht’, maar er bestaat geen BSD voor deze organisatie op basis van dit RIO.

Door de jaren heen is de Veterinaire Inspectie altijd blijven ressorteren onder de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert.

Tussen 1925 en 1984 bestond er een personele unie tussen de Veterinaire Inspectie van het ministerie waaronder Volksgezondheid ressorteert en de Veeartsenijkundige Dienst (VD) van het Ministerie van Landbouw en Visserij. De controleurs en opzichters hadden tussen 1924 en 1984 een soort dubbelbenoeming. Dat wil zeggen een aanstelling bij het ene ministerie in een hoofdfunctie en bij een andere in een onbezoldigde nevenfunctie.

Vanaf 1978 heet de Veeartsenijkundige Dienst Veterinaire Dienst.

In 1984 vond een aantal ingrijpende reorganisaties plaats. De gemeentelijke vleeskeuringsdiensten werden opgeheven en vervangen door de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) die op 1 januari 1985 operationeel werd. Ook de gemeentelijke en provinciale Keuringsdiensten van Waren gingen op in één rijksdienst, de per 1 januari 1986 ingestelde Rijkskeuringsdienst van Waren. De districtsinspecties van de VD werden samengevoegd met de nieuwe RVV kringen. De overgebleven centrale dienst van de VD werd als directie geplaatst bij het Directoraat-Generaal Landbouw en Voedselvoorziening (DG-LAVO).

De taakomschrijving van de VD op het beleidsterrein voedings- en productveiligheid luidde anno 1986 in de Staatsalmanak: beleids- en besluitvorming en de advisering op het terrein van

Voor de keuringstaken met betrekkingtot het beleidspakket van de VD is de RVV aangewezen. De kringdirecteuren van de RVV zijn daartoe tevens inspecteur-districtshoofd van de VD.

In 1987 werd de VD overgeheveld naar het Directoraat-Generaal Landelijke Gebieden en Kwaliteitszorg (DG-LK) waartoe ook de RVV behoorde. De VD werd in 1995 als zodanig opgeheven; de meeste taken werden overgenomen door de Directie Milieu, Kwaliteit en Gezondheid (MKG). De taak van deze directie viel de ontwikkeling en vormgeven van sectoroverstijgend LNV-beleid op het gebied van onder andere:

De Veeartsenijkundige Dienst/Veterinaire Dienst is door de jaren heen altijd blijven ressorteren onder de Minister van Landbouw.

Van zowel de Veterinaire Inspectie als de Veterinaire Dienst zullen de handelingen worden opgenomen in de selectielijst van de Voedings- en Warenautoriteit (VWA).

Ingesteld bij KB van 19-1-1954 door het Ministerie van LNV.

De AID kan ontheffingen verlenen van voorschriften in de Bijlagen van de Overeenkomst inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoersmiddelen bij dit vervoer.

Tevens heeft de AID bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingsbevoegdheden op het gehele beleidsterrein.

Ingesteld door de Minister van Landbouw en Visserij en de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne (Stcrt. 1975, 41).

Deze commissie had tot taak te onderzoeken welke herstructurering van de openbare slachthuizen zal plaatsvinden, mede als gevolg van een voorgenomen afschaffing van de nadere keuring van vlees bij ‘invoer’ in een gebied van een andere vleeskeuringskring, en welke maatregelen het Rijk eventueel in dit verband dient te nemen.

Ingesteld door de Minister van Landbouw en Visserij en de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne (Stcrt. 1975, 41).

Deze commissie had tot taak een stelsel van heffingen te ontwerpen voor de financiering van de gehele vleeskeuring. Daarnaast moest zij een stelsel van tijdelijke toeslagen ontwerpen, bestemd voor herstructureringsmaatregelen t.b.v. openbare slachthuizen.

Ingesteld door het Ministerie van Landbouw en Visserij bij (Stcrt. 1983, 181)

Deze commissie adviseert de Ministers van Landbouw en Volksgezondheid inzake uitvoerende werkzaamheden van de Rijksdienst voor Vee en Vlees.

De Rijksdienst voor Vee en Vlees is in 1984 ingesteld (Stcrt. 1983, 181) en ressorteert onder het ministerie van Landbouw. De RVV is de opvolger van de gemeentelijke keuringsdiensten voor vee en vlees. Het RVV verricht op het beleidsterrein voedings- en productveiligheid in relatie met volksgezondheid werkzaamheden ingevolge de Vleeskeuringswet.

De handelingen van de RVV zullen worden opgenomen in de selectielijst voor de Voedings- en Warenautoriteit (VWA).

Deze minister draagt verantwoordelijkheid op dit beleidsterrein i.h.k.v. arbeidsomstandigheden. Hij moet de veiligheid van instrumenten en producten op de werkvloer in de gaten houden.

Samen met de Minister van Landbouw en de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert bereidt hij/zij de vaststelling, wijziging en intrekking voor van de Wet grensoverschrijdend vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen. Hij/zij is ook betrokken bij de uitvoering en toezicht op de naleving van deze wet.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu oefent toezicht uit op het verstrekken van informatie aan andere organen uit het register inzake radioactieve stoffen.

Zie voor de handelingen van deze minister de selectielijst voor het beleidsterrein Milieubeheer (Stcrt.2003, 158)

In bijzondere omstandigheden bepaalt hij de uitzonderingen die op de Warenwet worden gemaakt voor militair gebruik van waren.

De officier van justitie kan zijn goedkeuring geven aan het in beslag nemen en onbruikbaar maken/teruggeven van vlees door een toezichthouder.

Overige actoren

(in chronologische volgorde)

De minister onder wie Volksgezondheid ressorteert kan instanties en instellingen aanwijzen voor diverse zaken op het beleidsterrein:

In de bijlage is een overzicht opgenomen van keuringsinstanties die zijn aangewezen op basis van het Warenwetbesluit Attractie- en Speeltoestellen van 1 september 2003. Deze lijst dient een indruk te geven van instanties en instellingen die kunnen worden aangewezen. Aangezien er voortdurend instanties worden aangewezen, is het niet mogelijk om een volledig overzicht te geven van alle in de periode 1945–1997 aangewezen instanties en instellingen.

De minister onder wie Volksgezondheid ressorteert kan (overheids)organen aanwijzen die

vergunningen/toelatingen/erkenningen kunnen verlenen, wijzigen, schorsen of intrekken inzake het bereiden, vervaardigen, behandelen, bewerken, verwerken, verpakken, bewaren of vervoeren van waren behorend tot een bij AMvB aangewezen categorie in het kader van de Warenwet.

Tevens kunnen deze organen onderzoeken registreren in het kader van de Warenwet.

Van deze instanties zijn geen handelingen opgenomen.

Organisaties die door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en door de Minister van LNV zijn aangewezen, mogen aan deze ministers de niet-ambtelijke leden voordragen van de adviescommissies en adviesraden welke betrekking hebben op voedings- en productveiligheid.

Bij Besluit tot aanwijzing van de organisaties, alsmede de vaststelling van aantal leden en plaatsvervangende leden, als bedoeld in de Wet op de Voedingsraad (Stb.1953, 333) zijn de volgende organisaties aangewezen:

Bij Besluit op de Destructieraad, art. 1 (Stb.1957, 197) worden aangewezen:

Van deze instanties zijn geen handelingen opgenomen.

Ad hoc commissies zijn tijdelijke commissies die de minister(s) adviseren over een bepaald onderwerp. Er zijn drie ‘soorten’ commissies. Te weten: commissies die adviseren inzake het opstellen van beleidsstandpunten, het opstellen van wet- en regelgeving en inzake de uitvoering van de verschillende uitvoeringsinstrumenten zoals vergunningverlening.

Deze ambtenaren beschikken over controlebevoegdheden op het gehele beleidsterrein.

Zie voor handelingen van deze ambtenaren RIO 37, Invoerrechten en accijnzen 1940–1962 en het bijbehorende BSD (Stcrt.2001, 24).

KEMA, dat werd opgericht in 1927, is een zelfstandige onderneming die gespecialiseerd is in hoogwaardige dienstverlening op het gebied van technische advisering, keuring, testen en certificatie. Een groot deel van het werk draait om innovatieve technologie. Als onafhankelijke organisatie ondersteunt KEMA zowel de leveranciers als de gebruikers van elektriciteit en andere energievormen.

Bij de Warenwetregeling, art. 2 (Stb.1992,164) is de KEMA door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert aangewezen om

De KEMA is van plan een eigen selectielijst op te stellen.

In 1916 werd door het hoofdbestuur van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel en de Raad van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland ingesteld. Het instituut heeft tot doel als centrale instantie in Nederland normen te ontwikkelen en te implementeren op diverse terreinen waaronder op het terrein van de voedings- en productveiligheid. Het adviseert de betrokken ministers inzake het opstellen/gelijkstellen van normen voor waren.

Het NEC voert geen wettelijke taken uit en is daarom geen zorgdrager in de zin van de archiefwet.

De stichting is in 1911 opgericht.

Het houdt zich bezig met de normen inzake elektronische apparatuur.

Het NEC voert geen wettelijke taken uit en is daarom geen zorgdrager in de zin van de archiefwet.

De NV NS was een fusie van de twee spoorwegmaatschappijen NV HIJSM en de NV MtEvSS, die vanaf 1917 al samenwerkten onder de naam Nederlandse Spoorwegen. De fusie is in 1937 bij een notariële acte bekrachtigd en was het gevolg van de Wet tot reorganisatie van het spoorwegbedrijf van de Ministeries van Waterstaat en van Financiën (Stb. 1937, 520)

De NS was een private onderneming en had de Staat als enig aandeelhouder.

Het railgoederenvervoer is in handen van NS-goederenvervoer. De NS is verantwoordelijk voor de keuring van haar voertuigen op grond van de normen die staan in Bijlage I van de ATP- overeenkomst (Trb. 1972, 112).

Tijdens het project dat de archieven (tot 1995) van de NS heeft bewerkt en in 2000 heeft overgedragen aan Het Utrecht Archief, is vastgesteld dat de NS geen overheidsorganisatie was maar een private onderneming met de staat als enig aandeelhouder, en dus niet onder AW 1962 viel. Om die reden zijn er geen handelingen van de NS in dit BSD opgenomen.

De voorlopers van de productschappen zijn de bedrijfsschappen welke in 1941 zijn opgericht (Verordeningenblad 69). In 1954 zijn deze bedrijfschappen omgevormd tot productschappen op grond van de Wet Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties. Een voorbeeld hiervan is het Productschap voor Fruit welke in 1941 als bedrijfsschap is opgericht en in 1954 (Stb. 446 en 453) is omgevormd tot een productschap.

De productschappen zijn zelfstandige organisaties die functionele openbare lichamen vormen voor delen van het bedrijfsleven. Zij hebben op grond van de Wet Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties beperkte regelgevende bevoegdheden inzake onderwerpen die door de rijksoverheid zijn overgedragen. Het orgaan aan de top van de productschappen is de Sociaal-economische Raad (SER).

In 1951 werd de Rijksdienst voor het Wegverkeer een zelfstandige dienst van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De dienst hield zich bezig met het ontwikkelen en uitvoeren van het beleid op het gebied van de toelating en de registratie van voertuigen en voertuigtypen en het toezicht hierop. Op 1 juli 1996 werd de dienst een Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) vastgesteld bij (Stb. 1996, 325). Op die datum wijzigde de naam van de organisatie in RDW en maakte de organisatie niet langer deel uit van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De verzelfstandiging betekende een wijziging van het takenpakket van de RDW. Voortaan hield de RDW zich met name bezig met uitvoerende taken. De ontwikkeling van beleid en wet- en regelgeving bleef berusten bij de minister van Verkeer en Waterstaat.

De RDW was betrokken bij de keuring van voertuigen op grond van de ATP-overeenkomst: Overeenkomst inzake het internationaal vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoersmiddelen bij dit vervoer (Trb. 1972, 112).

Voor de RDW bestaat een aparte selectielijst (Stcrt.1997/70), op grond van RIO 18. Daarom zijn de handelingen van de RDW uit het RIO Voedings- en productveiligheid niet in dit BSD overgenomen.

De Isotopencommissie is opgericht door de Koninklijke Academie van Wetenschappen na een verzoek van regeringszijde. De commissie stelde zich tussen 1947 en 1958 jegens de Amerikaanse producenten garant voor de deskundigheid van de afnemers van deze stoffen hier te lande, alsmede voor het zich onthouden door deze afnemers van doorlevering.

In 1958 werden de werkzaamheden van de commissie, op grond van het Radioactieve stoffenbesluit (Warenwet), overgenomen door de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert.

De Isotopencommissie is op grond van de PIVOT-methode geen actor.

Het College werd in 1954 in het leven geroepen bij de inmiddels ingetrokken Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie. Die wet trad op 1 juli 1955 in werking (Stb. 1954, 416).

De gewone leden en de voorzitter van het College worden ter benoeming door de Koningin door de Minister van Justitie voorgedragen. Bijzondere leden kunnen door product-, hoofdbedrijf- en bedrijfschappen aan de Minister van Justitie worden voorgedragen.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven is een bestuursrechtelijk college dat oordeelt over geschillen op het terrein van het sociaal-economisch bestuursrecht. Daarnaast is het College hoger beroepsinstantie voor uitspraken betreffende een bepaald aantal wetten, zoals bijvoorbeeld de Mededingingswet en de Telecommunicatiewet. Verder fungeert het College in hoger beroep als tuchtrechter.

Aanvankelijk was het College louter de administratieve rechter in het kader van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (P.B.O.). Daarna werd het College ook aangewezen als rechter in wetten die niets of weinig met de P.B.O. te maken hebben, maar wel liggen op het terrein van het sociaal-economisch bestuur.

Het College valt onder de Raad voor de Rechtspraak, die de schakel vormt tussen de minister van Justitie en de gerechten. Op het beleidsterrein voedings- en productveiligheid beslist dit college op een beroep – aangespannen door een bedrijf – tegen een door een productschap op grond van de Warenwet genomen besluit.

De COZ is een voortzetting van diverse boter-, melk- en kaascontrolestations. De stichting had tot taak het toezien op de naleving van de landbouwkwaliteitsvoorschriften voor kaasproducten en boterproducten door de bij het COZ aangeslotenenen, het keuren van deze producten en het afgeven van certificaten. Daarnaast adviseerde COZ de Minister van LNV inzake wijzigingen van kwaliteitsvoorschriften. De COZ had daarnaast tot taak het bevorderen van een goede kwaliteit van melk- zuivelproducten en andere producten, ten aanzien waarvan krachtens de Landbouwkwaliteits wet toezicht en keuring worden opgedragen.

Het COZ is in 1992 voortgezet in de Stichting COKZ.

Ingesteld bij Stcrt.1992, 63 (goedkeuring statuten) op grond van de Landbouwkwaliteitswet (LKW) (Stb.1971, 371).

Deze privaatrechtelijke stichting heeft tot taak het bevorderen van de afzet d.m.v. het handhaven van de door de overheid gestelde regelen betreffende de in artikel 2 van de LKW genoemde goede hoedanigheid, sortering, verzorging, verpakking, vorm, afwerking, de aanduiding, de maat en het gewicht van producten als bedoeld in artikel 1 van de LKW, in het bijzonder van melk- en zuivelproducten

Ze voert deze taak uit voor de overheid en voor de zuivelsector.

Ze is de rechtsopvolger van het Centraal Orgaan Zuivelcontrole (COZ), het centraal orgaan melkhygiene (COM) en de regionale organen voor melkhygiëne.

Het COKZ heeft het archief van COZ en COZ overgenomen.

Het RIVM is ontstaan als gevolg van het samengaan van de Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (RIV, dat in 1934 tot stand komt door een fusie van het Centraal Laboratorium met het Rijksserologisch Instituut en de Rijks Controledienst Sera en Vaccins), het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening (RID, opgericht in 1913) en het Instituut voor Afvalstoffenonderzoek (IVA, opgericht 1952). De samenvoeging is op 1 januari 1984 ingegaan.

Het RIVM verricht onderzoek naar waren in opdracht van de Inspectie Gezondheidsbescherming en zijn voorlopers – w.o. de Keuringdienst van Waren. Het RIVM verrichtte ook onderzoek ten behoeve van het Adviescommissie Warenwet.

Zie verder het RIO ‘En morgen gezond weer op’, rapportnummer 41. De selectielijst op grond van dit RIO is gepubliceerd in Stcrt.1998/61.

In het kader van de Warenwetbesluiten kunnen bepaalde personen worden aangewezen die toezicht houden op de uitvoering van een bepaald besluit. Zo is bijvoorbeeld op grond van het Besluit bijzonder vet (Stb. 1990, 64), dhr. Drs. Bernard (directeur Chemisch Bureau Brabant) aangewezen als zijnde de toezichthouder inzake de uitvoering van dit besluit. Het is een zelfstandig opererend bureau.

Van dit bureau zijn geen handelingen opgenomen.

Selectielijsten

Actor: de minister onder wie Volksgezondheid ressorteert

Algemeen

Handeling: Het voorbereiden, mede vaststellen, coördineren en evalueren van het beleid betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Product: o.a. het leveren van een bijdrage aan de Volksgezondheidsnota 1966; Nota voedingsbeleid 1980

Waardering: B 1 en 2

Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen op het beleidsterrein van de voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Opmerking: Onder deze handeling vallen series jaarverslagen, kwartaalverslagen etc.

Waardering: B 3

Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: B 3

Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten bevoegde commissies uit de Kamers der Staten- Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: B 3

Handeling: Het beslissen op beroepschriften naar aanleiding van beschikkingen betreffende voedings- en productveiligheid en het voeren van verweer in beroepschriftprocudures voor administratief rechterlijke organen.

Periode: 1945–

Opmerking: Zie verder voor advisering door de Raad over wet- en regelgeving in hoogste en laatste instantie het RIO ‘Driemaal ’s Raads Recht’, rapportnummer 17.

Waardering: B 3

Handeling: Het mede voorbereiden van het vaststellen, wijzigen en intrekken van internationale regelingen betreffende voedings- en productveiligheid en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.

Periode: 1945–

Waardering: B 1

Informatieverstrekking

Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen op het beleidsterrein voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: V, 3 jaar

Handeling: Het voorbereiden van voorlichtingsmateriaal op het terrein van voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: B 5, 1 exemplaar

V, 2 jaar: rest

Handeling: Het behandelen van klachten en meldingen betreffende voedings- en productveiligheid

Periode: 1945–

Waardering: V 5 jaar na afhandeling

Instellen/instrueren/deelname overlegorganen

Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur inzake de instelling en inrichting van overlegorganen welke betrekking hebben op voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Grondslag: Warenwet, art. 1 (Stb.1919, 851); Wet op de Voedingsraad, art. 3 (Stb. 1952, 350); Vleeskeuringswet, art. 30b lid 3 en 5 (Stb. 1919, 524); Destructiewet, art. 23, lid 6 (Stb. 1957, 84)

Product: o.a.:

– Besluit aanwijzing voordrachtstellende organisaties Voedingsraad (Stb. 1953, 333, zoals gewijzigd bij Stb. 1964, 238, Stb. 1974, 821, Stb. 1980, 281, Stb. 1985, 222 en Stb. 1990, 289);

– Besluit op de Destructieraad (Stb. 1957, 197);

– Besluit Adviescommissie Vleeskeuringswet (Stb. 1979, 750);

– Besluit Adviescommissie Warenwet (Stb. 1992, 494);

– Besluit op de Destructieraad (Stb. 1995, 285)

Waardering: B 1, 2

Handeling: Het – eventueel tezamen met andere ministers – instellen van ad hoc overlegorganen welke betrekking hebben op voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Product: o.a:

– Commissie bevoegdheden aanwenden van röntgenstralen en het gebruik van radioactieve stoffen (Stcrt. 1953, 110)

– Commissie organisatie vleeskeuring

– Commissie herstructurering openbare slachthuizen (Stcrt. 1975, 41)

– Commissie tarieven keuring vlees (secretariaat: Veterinaire Inspectie)/(Stcrt. 1975, 41)

– Studiecommissie elektrische en gasbedwelming slachtdieren (secretariaat: Veterinaire Inspectie)/(Stcrt. 1975, 47)

Waardering: B 4

Handeling: Het – eventueel tezamen met andere ministers – aanwijzen, voordragen, schorsen of ontslaan van de (adviserende) leden van overlegorganen welke betrekking hebben op voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Grondslag: Wet op de Voedingsraad, art. 2 lid 2 (Stb. 1952, 350); Vleeskeuringswet, art. 30b lid 4 (Stb. 1919, 524); Destructiewet, art. 23 lid 2 (Stb. 1957, 84); Warenwet 17 lid 1 (Stb. 1965, 368)

Waardering: V, 10 jaar na ontslag

Deze handeling heeft uitsluitend betrekking op benoemingen waarbij geen sprake is van een rechtspositionele verhouding. In gevallen waarin wel sprake is van een rechtspositionele verhouding, moet gebruik worden gemaakt van de selectielijst voor personeelsdossiers van de rijksoverheid (P-direkt)

Handeling: Het goedkeuren van het reglement/de werkzaamheden van commissies, raden etc. welke betrekking hebben op voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: V, 5 jaar na beëindiging werking reglement, werkzaamheden.

Handeling: Het deelnemen aan commissies, werkgroepen, advies- en overlegorganen inzake product- en voedingsveiligheid waarvan de Minister van Volksgezondheid noch het voorzitterschap, noch het secretariaat uitoefent maar waarin de minister wel vertegenwoordigd is.

Periode: 1945–

Waardering: V, 5 jaar na beëindiging deelname

Beleidsondersteunend onderzoek

Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van een intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: B 1: opdracht en eindrapporten

V, 5 jaar: rest

Handeling: Het begeleiden van intern en extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van intern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar

Handeling: Het financieren van extern (wetenschappelijk) onderzoek betreffende voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: V, 7 jaar na afrekening, mits de afrekening is goedgekeurd

Handeling: Het verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het terrein van de voedings- en productveiligheid.

Periode: 1945–

Waardering: V, 10 jaar

Wet- en regelgeving

Warenwet

Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van de Warenwet.

Periode: 1945–

Product: Warenwet (Stb. 1919, 581/Stb. 1935, 793).

Waardering: B 1

Handeling: Het – eventueel in overeenstemming met ministers die het mede aangaat – voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van AMvB’s op basis van de Warenwet.

Periode: 1945–

Grondslag: Warenwet, art. 1, artt. 4–7, artt. 11–17, art. 19, art. 22, art. 24, art. 30, art. 31, art. 33 (Stb. 1935, 793)

Product: o.a.

– Besluit van 5 januari 1921 tot uitvoering van artikel 6, 3de lid en artikel 23, 3de lid der Warenwet (Stb. 1921, 5)

– Besluit waren in zin van de wet (Stb. 1921, 638)

– Besluit papier (Stb. 1922, 109)

– Besluit suiker en stroop (Stb. 1924, 96)

– Besluit behangsel (Stb. 1924, 213)

– Besluit specerijen (Stb. 1924, 251)

– Besluit deegwaren (Stb. 1924, 313)

– Besluit vleesextracten (Stb. 1924, 428)

– Besluit wasmiddelen (Stb. 1925, 34)

– Besluit margarine (Stb. 1925, 417)

– Besluit vet (Stb. 1925, 421)

– Besluit brood (Stb. 1925, 478)

– Besluit azijn (Stb. 1926, 214)

– Besluit bier (Stb. 1926, 280)

– Besluit oliën en vetten (Stb. 1926, 339)

– Besluit kaas (Stb. 1927, 396)

– Besluit wijn (Stb. 1929, 137)

– Besluit kapok (Stb. 1930, 22)

– Besluit kapok en beddengoed (Stb. 1930, 65)

– Besluit ansjovis (Stb. 1930, 220)

– Besluit vaste melkproducten (Stb. 1932, 57)

– Besluit margarinekaas (Stb. 1932, 327)

– Besluit maanzaadbesluit (Stb. 1933, 514)

– Besluit houdende vaststelling van voorwaarden voor de erkenning van provinciale keuringsdiensten van waren (Stb. 1936, 881)

– Besluit jam en limonade (Stb. 1937, 854)

– Besluit vlees- en vleeswaren (Stb. 1938, 865)

– Besluit houdende vaststelling van een regeling betreffende de verbindende kracht van enige bezettingsregelingen tot uitvoering van de Warenwet (Stb. 1945, 326)

– Besluit aroma, jus en soep (Stb. 1947, 635)

– Besluit peulvruchten (Stb. 1948, I 399)

– Algemeen besluit (Stb. 1949, J. 306)

– Besluit Warenwetrecht (Stb. 1951, 8)

– Besluit meelbesluit (Stb. 1953, 232)

– Besluit likeurbesluit (Stb. 1953, 466)

– Besluit consumptie-ijs (Stb. 1954, 257)

– Besluit melk (Stb. 1955, 155)

– Besluit vulsel (Stb. 1957, 339)

– Besluit radioactieve stoffen (Stb. 1958, 317)

– Besluit kleurstoffen (Stb. 1958, 407)

– Besluit honing (Stb. 1959, 218)

– Besluit wasmiddelen (Stb. 1959, 381)

– Besluit smeltkaas (Stb. 1959, 438)

– Besluit kaas (Stb. 1959, 439)

– Besluit honingmerken (Stb. 1959, 509);

– Besluit margarine (Stb. 1961, 398)

– Besluit kleurstoffen (Stb. 1964, 582)

– Besluit honing (Stb. 1965, 431)

– Besluit vaste melkproducten (Stb. 1965, 437)

– Besluit houdende aanwijzing van opsporingsambtenaren op grond van de Warenwet (Stb. 1967, 690)

– Besluit conserveermiddelen (Stb. 1967, 691)

– Besluit peulvruchten (Stb. 1968, 227)

– Besluit cosmetica (Stb. 1968, 615)

– Besluit zout (Stb. 1968, 421)

– Besluit specerijen (Stb. 1969, 214);

– Besluit radioactieve stoffen (Stb. 1969, 514)

– Besluit mayonaise en slasaus (Stb. 1971, 78)

– Besluit mosterd (Stb. 1971, 256)

– Besluit gebruik aminozuren preparaat voor de broodbereiding (Stb. 1971, 411)

– Besluit glasartikelen (Stb. 1972, 688)

– Besluit anti-oxydanten (Stb. 1973, 142)

– Besluit textielartikelen (Stb. 1974, 512)

– Besluit melk (Stb. 1974, 669)

– Besluit helmen (Stb. 1975, 517)

– Besluit zetmeel (Stb. 1975, 660)

– Besluit houdende vaststelling van voorwaarden voor de erkenning van provinciale Keuringsdiensten van Waren (Stb. 1976, 3)

– Besluit speelgoed (Stb. 1976, 101)

– Besluit emulgatoren (Stb. 1976, 153)

– Besluit helmen (Stcrt. 1976, 366)

– Besluit jus (Stb. 1976, 664)

– Besluit vleesextract-, aroma en bouillon (Stb. 1976, 665)

– Besluit soep (Stb. 1976, 666)

– Besluit wasmiddelen (Stb. 1977, 41)

– Besluit puddingpoeder (Stb. 1977, 140)

– Besluit suiker en stroop (Stb. 1977, 141)

– Besluit aërosolen (Stb. 1978, 116)

– Besluit consumptie-ijs 1978 (Stb. 1978, 238)

– Besluit honing (Stb. 1978, 655)

– Besluit frisdranken en siropen (Stb. 1979, 100)

– Besluit jam en- geconserveerde vruchten (Stb. 1979, 102)

– Besluit inzake verpakking voor koolzuurhoudende niet-alcoholische verpakkingen (Stb.1979, 112)

– Besluit geconserveerde aardappelen (Stb. 1979. 176)

– Besluit geconserveerde groenten (Stb. 1979, 219)

– Besluit verpakking- en gebruiksartikelen (Stb. 1979, 558)

– Besluit kokswaren (Stb. 1979, 563)

– Besluit hoeveelheidaanduidingen (Stb. 1980, 223)

– Besluit cosmetica (Stb. 1980, 256);

– Besluit aanduidingen voor bijzondere voeding (Stb. 1980, 658)

– Besluit aanduidingen sigaretten en shag (Stb. 1981, 329)

– Besluit vlees en vleeswaren (Stb. 1981, 506)

– Besluit algemene aanduidingen (Stb. 1981, 621)

– Besluit siervoorwerpen (Stb. 1981, 684)

– Besluit kwark (Stb. 1982, 219)

– Besluit kaas (Stb. 1982, 227)

– Besluit vuurwerk (Stb. 1982, 488)

– Besluit reddings- en zwemvesten (Stb. 1982, 469)

– Besluit jam- en geconserveerde vruchten (Stb. 1982, 693)

– Besluit hulpstoffen smeltkaas (Stb. 1983, 106)

– Besluit vulsel (Stb. 1983, 556)

– Besluit kinderveilige verpakkingen huishoudchemicaliën (Stb. 1984, 688)

– Besluit garnalen (Stb. 1985, 85)

– Besluit natuurlijk mineraal- en bronwater (Stb. 1985, 422)

– Besluit speelgoed (Stb. 1985, 751)

– Besluit meel (Stb. 1985, 757)

– Besluit brood (Stb. 1985, 758)

– Besluit draagbaar klimmateriaal (Stb. 1986, 86)

– Besluit spaanplaat (Stb. 1986, 517)

– Besluit toelating van citroensap in margarine en halvarine (Stb. 1986, 555)

– Besluit vlees en vleeswaren (Stb. 1987, 243)

– Besluit aanduidingen voedingswaarden (Stb. 1988, 162)

– Besluit eiwitproducten (Stb. 1988, 339)

– Besluit tot toelating van johannesbroodpitmeel en xanthaangom aan halvarine (Stb. 1988, 398)

– Besluit imitatieproducten (Stb.1989, 253)

– Besluit zoetstoffen (Stb. 1989, 548)

– Besluit kinderbedden en -boxen (Sb 1990. 106);

– Besluit speelgoed (Stb. 1991, 269);

– Besluit verduurzaamde vruchtenproducten (Stb. 1992, 12);

– Besluit etikettering van levensmiddelen (Stb. 1992, 14);

– Besluit aroma’s (Stb. 1992, 95)

– Besluit veilige verpakkingen van huishoudchemicaliën (Stb. 1992, 106)

– Besluit gastoestellen (Stb. 1992, 124)

– Besluit levensmiddelenadditieven (Stb. 1992, 204)

– Besluit doorstraalde waren (Stb. 1992, 205)

– Besluit producten voor bijzondere voeding (Stb. 992, 222)

– Besluit benzine (Stb. 1992, 339)

– Besluit machines (Stb. 1992, 379)

– Besluit elektrotechnische producten (Stb. 1992, 385)

– Besluit persoonlijke beschermingsmiddelen (Stb. 1992, 396)

– Besluit brandveiligheid nachtkleding (Stb. 1992, 600)

– Besluit warmtebehandelde melk (Stb. 1992, 639)

– Besluit eiproducten (Stb. 1992, 660)

– Besluit bereiding en behandeling van levensmiddelen (Stb. 1992, 678)

– Besluit uitvoer van waren (Stb. 1993, 314)

– Besluit thee (Stb. 1993, 470)

– Besluit koffie en cichorei (Stb. 1993, 471)

– Besluit voedingswaarde informatie levensmiddelen (Stb. 1993, 483)

– Besluit algemene productveiligheid (Stb. 1993, 499)

– Besluit invoer levensmiddelen uit derde landen (Stb. 1993, 698)

– Besluit producten visserij (Stb. 1994, 46)

– Besluit algemene chemische productveiligheid (Stb. 1994, 105)

– Besluit veilige verpakking van huishoudchemicaliën (Stb. 1994, 106)

– Besluit asbest (Stb. 1994, 674)

– Besluit zuivel (Stb. 1994, 813)

– Besluit gezondheidscontroles levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Stb. 1994, 872)

– Besluit etikettering schoeisel (Stb. 1995, 324)

– Besluit motor- en bromfietshelmen (Stb. 1995, 424)

– Besluit cosmetische producten (Stb. 1995, 519)

– Besluit deponering informatie preparaten (Stb. 1996, 38)

– Besluit puddingpoeders (Stb. 1996, 48)

– Besluit soep, vleesextract en bouillon (Stb. 1996, 118)

– Besluit houdende regels inzake de veiligheid van verpakkingen onder druk (Stb. 1996, 251)

– Besluit toevoeging microvoedingsstoffen aan levensmiddelen (Stb. 1996, 311)

Waardering: B 1

Handeling: Het – wanneer een spoedeisende voorziening gewenst is – vaststellen, wijzigen en intrekken van ministeriële regelingen met de strekking van een AMvB.

Periode: 1964–

Grondslag: Warenwet, art. 14m (Stb.1988, 358) en art. 15 lid 1 en 2 (Stb.1994, 573)

Opmerking: Een spoedeisende voorziening is noodzakelijk bij direct gevaar voor de volksgezondheid. Bijvoorbeeld het verbieden van schadelijk verdikkingsmiddel in jellycups.

De regeling geldt ten hoogste voor een jaar. Een verlenging van maximaal nog een jaar is echter mogelijk. Bijvoorbeeld:

– het verbieden van het gebruik van conserveermiddelen bij de bereiding, vervaardiging of samenstelling van eet- en drinkwaren (Conserveermiddelenbesluit, art. 2, lid 1 (Stb. 1967, 691));

– het verbieden van een of meer kleurstoffen welke zijn genoemd in Bijlage I van het Kleurstoffenbesluit (Kleurstoffenbesluit, art. 2 lid 1 (Stb. 1964, 582)).

Waardering: V, 5 jaar na vervallen, wijzigen en/of intrekken regeling

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van (ministeriële) regelingen inzake het bereiden, behandelen, verpakken of bewaren van eet- en drinkwaren.

Periode: 1945–

Grondslag: Warenwet, art. 15 lid 1 (Stb. 1935, 793); Warenwet, art. 14L, art. 14, art. 15 lid 1–2 (Stb. 1988, 358)

Product:

– Beschikking aanduidingen bijzonder vet (Stcrt. 1925, 233)

– Regeling ontheffing algemeen besluit (Stcrt. 1949, 392)

– Besluit tot uitvoering van artikel 8, onder b, van het Broodbesluit (Stb. 1971, 411)

– Beschikking verlening toestemming tot toevoeging van vitamine C (ascorbinezuur) aan karnemelk (Stcrt. 1974, 151)

– Uitvoeringsbeschikking melkstandaardisatie (Stcrt. 1975, 97)

– Beschikking volledige zuigelingenvoeding (Stcrt. 1976, 189)

– Besluit verpakking voor koolzuurhoudende niet-alcoholische dranken (Stcrt. 1979, 112)

– Beschikking geur- en smaakstoffen (Stcrt. 1980, 31)

– Regeling verpakking koolzuurhoudende niet-alcoholische dranken (Stcrt. 1980, 127)

– Regeling geur- en smaakstoffen (Stcrt. 1982, 31)

– Besluit datumaanduiding conserven (Stcrt. 1982, 151)

– Besluit vaststelling maximaal toelaatbaar gehalte nitraat in bladgroenten (Stcrt. 1982, 177)

– Regeling toestemming voor gebruik aspartaam in voorverpakte eetwaren in tabletvorm (Stcrt. 1984, 178)

– Regeling toestemming vanilleyoghurt met suiker (Stcrt. 1984, 202)

– Regeling normen PCB’s (Stcrt. 1984, 239)

– Regeling normen zware metalen (Stcrt. 1985, 58)

– Regeling toestemming gezoet cider (Stcrt. 1985, 214)

– Regeling normen radioactiviteit van cesium in eet- en drinkwaren (Stcrt. 1986, 110)

– Regeling microbiologische normen garnalen (Stcrt. 1986, 124)

– Regeling soja producten bij de broodbereiding (Stcrt. 1986, 183)

– Regeling toelating emulgatoren voor de broodbereiding (Stcrt. 1986, 183)

– Regeling inrichtingseisen bedrijfsruimten voor de broodbereiding (Stcrt. 1986, 185)

– Regeling nadere eisen draagbaar klimmaterieel (Stcrt. 1986, 231)

– Besluit houdende toelating van citroensap in margarine en halvarine (Stcrt. 1986, 555)

– Regeling gelijkstelling normen kinderveilige verpakkingen (Stcrt. 1987, 1)

– Besluit zuigelingenvoeding (Stcrt. 1987, 136);

– Regeling toelating enzymen in meel en brood (Stcrt. 1987, 232)

– Regeling overgangsregime natriumarme waren (Stcrt. 1988, 162)

– Regeling inzake tolerante alcoholgehalte vermelding (Stcrt. 1988, 235)

– Regeling toestemming producten voor gewichtsvermindering (Stcrt. 1988, 250)

– Regeling melkbereiding (Stcrt. 1988, 254)

– Regeling sojaproducten bij de broodbereiding (Stb. 1988. 455)

– Warenwetregeling nabehandeling garnalen (Stcrt. 1989, 21)

– Regeling dioxine in melk (Stcrt. 1989, 135)

– Regeling overgangsregime natriumarme waren (Stcrt. 1989, 210)

– Besluit zuiverheideisen zoetstoffen (Stcrt. 1989, 251)

– Besluit gebruik van zoetstoffen (Stcrt. 1989, 251)

– Regeling aanvullende voedingswaardebeweringen (Stcrt. 1990, 201)

– Regeling diepgevroren levensmiddelen (Stcrt. 1991, 2)

– Regeling toestemming yoghurt met suiker (Stcrt. 1991, 88)

– Regeling stoffen in aroma’s (Stcrt. 1992, 51);

– Regeling gebruik levensmiddelenadditieven in verduurzaamde vruchtenproducten (Stcrt.1992, 52)

– Regeling sojaeiwitproducten (Stcrt. 1992, 94)

– Regeling tarweeiwitproducten (Stcrt. 1992, 94)

– Regeling stuksaanduiding bakkerswaren (Stcrt. 1992, 154)

– Regeling aanwijzen normen persoonlijke beschermingsmiddelen (Stcrt. 1992, 190)

– Regeling schimmeleiwitproducten regeling (Stcrt. 1993, 3)

– Regeling levensmiddelen hygiëne (Stcrt. 1993, 35)

– Regeling normen radioactiviteit van cesium in eet- en drinkwaren (Stcrt. 1993, 40)

– Regeling nitraatgehalte groenten (Stcrt. 1993, 40)

– Regeling normen zware metalen (Stcrt. 1993, 40)

– Regeling normen PCB’s (Stcrt. 1981, 107/Stcrt. 1993, 40)

– Regeling dioxine in melk (Stcrt. 1989, 135/Stcrt. 1993, 40)

– Regeling houdende vloeibare paraffine en glutaminezuur in levensmiddelen (Stcrt.1993, 40)

– Regeling extractiemiddelen (Stcrt. 1993, 72)

– Regeling houdende levensmiddelenadditieven in zoetstoffen (Stcrt. 1993, 95)

– Bekendmaking aanvraag erkenning inzake melk en producten op basis van melk (Stcrt. 1993, 114)

– Regeling diepgevroren levensmiddelen (Stcrt. 1993, 130)

– Regeling zuigelingenvoeding (Stcrt. 1993, 183)

– Regeling nieuwe voedingsmiddelen (Stcrt. 1993, 139)

– Regeling eieren (Stcrt. 1994, 184)

– Regeling zuivelbereiding (Stcrt. 1994, 243)

– Regeling gedehydrateerde dieren (Stcrt. 1994, 243)

– Regeling melkeiwitten (caseïne en caseïnaten) (Stcrt. 1994, 243)

– Regeling hygiëne van levensmiddelen (Stcrt. 1994, 245)

– Regeling levensmiddelenadditieven in zuivel (Stcrt. 1994, 246)

– Regeling visserijproducten en tweekleppige weekdieren (Stb. 1995, 29)

– Regeling AZO-kleurstoffen (Stb. 1996, 143)

Opmerking: Deel van deze handeling maakt uit:

– het stellen van nadere regels met betrekking tot de bedrijfsruimten waar eet- en drinkwaren worden bereid, behandeld, verpakt of bewaard;

– het stellen van nadere regels inzake levensmiddelenhygiëne:

– het stellen van regels inzake de aanduiding m.b.t. eet- en drinkwaren;

– het stellen van nadere regels met betrekking tot de hoeveelheid schadelijke stoffen die eet- en drinkwaren mogen bevatten;

– het toelaten van (hulp)stoffen in eet- en drinkwaren;

– het aanwijzen van normen.

Waardering: B 1

Handeling: Het – eventueel in overeenstemming met andere ministers – stellen van (ministeriële) regelingen regels inzake de in- en uitvoer van eetwaren.

Periode: 1945–

Grondslag: Warenwet, art. 14 lid 5, art. 15 lid 2, art. 16 lid 1, onder a en b (Stb. 1935, 793); zie Warenwet-AMvB’s bijlage I

Product:

– Regeling voor uitvoer bestemde waren en andere artikelen (Stcrt. 1965, 163)

– Beschikking kantoor invoer van toebereid dierlijk vet (Stcrt. 1970, 223)

– Regeling invoermodaliteiten Garnalenbesluit 1984 (Stcrt. 1984, 53)

– Regeling vaststelling invoercertificaat Garnalenbesluit (Stcrt. 1987, 213)

– Regeling importverbod bepaalde eetwaren uit Peru (Stcrt. 1991, 65)

– Regeling uitvoervrijstelling (Stcrt. 1965, 163/Stcrt. 1992, 180)

– Beschikking houdende bepalingen ter uitvoering van de Verordening (EEG) nr. 3185/91 van de Raad houdende maatregelen inzake de invoer van groenten en fruit uit bepaalde door cholera getroffen regio’s (92/300/EEG)(Stcrt. 1993, 250)

– Regeling houdende Warenwetregeling invoer van bepaalde eetwaren uit door cholera getroffen landen (Stcrt. 1993, 250)

Opmerking: Deel van deze handeling maakt uit:

– het stellen van (nadere) regels inzake de invoer in Nederland van eetwaren uit landen die getroffen zijn door cholera;

– het aanwijzen van eerste kantoren inzake invoer van waren;

– het om veiligheidsredenen verbieden of voorwaardelijk toelaten van de invoer van etenswaren (Bijvoorbeeld het invoerverbod van de Jakobsschelp uit Japan nadat in de dieren regelmatig paralyserende toxine was gevonden).

Waardering: B 1

Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van (ministeriële) regelingen inzake de samenstelling van en de aanduiding op producten die geen levensmiddelen zijn.

Periode: 1988–

Grondslag: Zie bijlage I inzake Warenwet-AMvB’s

Product:

– Besluit kinderspeelgoed (Stcrt. 1973, 238)

– Beschikking ter uitvoering Textielartikel besluit (Stcrt. 1974, 244)

– Beschikking reprisepercentages en vertalingen van aanduidingen van textielartikelen (Stcrt. 1974, 244)

– Beschikking uitvoering artikel 5 Aërosolenbesluit (Stcrt. 1978, 88)

– Beschikking uitvoering artikel Aërosolenbesluit (Stcrt.1978, 116 )

– Regeling verpakkingen – en gebruiksartikelen (Stcrt. 1980, 18)

– Beschikking stoffenbesluit cosmetica (Stcrt. 1980, 143)

– Beschikking houdende het stoffenbesluit cosmetica (Stcrt. 1980, 143)

– Beschikking vaststelling symbool van het verpakkingsbesluit (Stcrt. 1981, 82)

– Regeling vaststelling eisen reddings- en zwemvesten (Stb. 1982, 147)

– Besluit etikettering asbestbevattende artikelen (Stb. 1984, 145)

– Regeling kaliumbromaat voor beschuitbereiding (Stcrt. 1986, 11)

– Regeling contactlensvloeistoffen en oogwassingen (Stcrt. 1986, 114)

– Regeling nadere eisen draagbaar klimmaterieel (Stcrt. 1986, 161)

– Regeling gelijkstelling normen kinderveilige verpakking (Stcrt. 1988, 1)

– Regeling toestemming producten voor gewichtsbeheersing (Stcrt. 1988, 250)

– Regeling nominale hoeveelheden voorverpakte breigaren (Stcrt. 1989, 199)

– Regeling imitatieproducten (Stcrt. 1989, 253)

– Regeling aanwijzing normen voor de aanduiding van speelgoed (Stcrt. 1991, 106)

– Regeling inzake verklaringen van overeenstemming voor speelgoed (Stcrt. 1991, 106)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)