Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 januari 2007, nr. arc-2006.03456/6);
Besluit:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Oorlogsgetroffenen over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag op het beleidsterrein
1945–
Deze selectielijst zal worden vastgesteld voor de zorgdragers:
Ministerie van VWS
Directie Informatiehuishouding
Versie februari ’07
Lijst van afkortingen
ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
AmvB: Algemene Maatregel van Bestuur
AOR: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië
AWW: Algemene Weduwen- en Wezenwet
B&W: Burgemeester en Wethouders
BSD: Basis Selectiedocument
b.w.: buiten werking
CAOR: Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië
CIDI: Centrum Informatie en Documentatie Israël
CIV: Commissie Indisch Verzet
CJO: Centraal Joods Overleg
COM: Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland
CRM: (Minister van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
FNZ: Federatie Nederlandse Zionisten
ICODO: Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen
iwtr.: inwerkingtreding
JMW: (Stichting) Joods Maatschappelijk Werk
KB: Koninklijk Besluit
KNIL: Koninklijk Nederlands-Ind(ones)isch Leger
LVVS: Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat
Maror: Morele Aansprakelijkheid roof en rechtsherstel
MaWe: (Minister van) Maatschappelijk Werk
NJJ: Nederlands Joodse Jeugd (NJJ)
NIK: Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap
OCW: (Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Pb.: Publicatieblad
PBOG: Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen
PIK: Portugees-Israëlitisch Kerkgenootschap
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PUR: Pensioen- en Uitkeringsraad
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
SAIP: Stichting Administratie Indonesische Pensioenen
SAMO: Stichting afhandeling Marorgelden Overheid
SCMI: Stichting Collectieve Maror-gelden Israël
SIB: Stichting Individuele Bankaanspraken
SIE: Stichting Individuele Effectenaanspraken
SIV: Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken
SJHF: Stichting Joods Humanitair Fonds
SMO: Stichting Maror-gelden Overheid
SOTO: Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
Trb.: Tractatenblad
Uwuv: uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
VBV: Verbond Belangenbehartiging Vervolgensslachtoffers
VVRA: Vermögensverwaltungs- und Renten-Anstält
VWS: (Minister van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
WAC: Werk- en Adviescollege immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die tengevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke, schade aan hun gezondheid hebben opgelopen.
WBP: Wet buitengewoon pensioen
WBPZ: Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers
WIV: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet
WRN: Interdepartementale werkgroep rapport Van Namen
WUBO: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945
WUV: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945
WVC: (Minister van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
Verantwoording
Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven
Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden – ongeacht de drager – die door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.
Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.
De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Het Nationaal Archief is een onderdeel van de Rijksarchiefdienst (RAD). Deze dienst ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.
In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers op grond van artikel 5 van de Archiefwet 1995 verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven, waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.
Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.
Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:
Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995(Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn:
Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst. Elke selectielijst wordt na advies van de Raad voor Cultuur vastgesteld door de Minister van OCW en de Minister wie het mede aangaat. De vastgestelde lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd.
Het doel en de werking van het Basisselectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken actoren op dat beleidsterrein. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD‘s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).
Functies van het BSD
Voor de zorgdrager is het BSD van belang voor de bedrijfsvoering als mogelijke basis voor ordeningsplannen.
Voor de zorgdrager dient het BSD als verantwoording tegenover de recht- en bewijszoekende burger, die de mogelijkheid heeft tijdens de ter inzage legging invloed uit te oefenen op het bewaar- en vernietigingsbeleid (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder d).
Voor de Minister belast met het cultuurbeleid (vertegenwoordigd door de Algemeen Rijksarchivaris) is het BSD de verantwoording inzake het bewaar- en vernietigingsbeleid vanuit cultureel-historisch belang (Archiefbesluit 1995, art. 2, eerste lid, onder c).
Voor de Nationaal Archief is het BSD (tezamen met het RIO) het uitgangspunt voor de Institutionele Toegangen.
Voor alle duidelijkheid en volledigheid moet op deze plaats worden gewezen op een onderzoek dat onlangs in opdracht van de Eenheid Oorlogsgetroffenen en Herinnering WO II van het Ministerie van VWS is verricht door het NIOD: drs. Esther Balkestein, ‘Elf kilometer solidariteitsplicht, de archieven van de Wetten voor Oorlogsgetroffenen’, Amsterdam, 16 september 2005. Het onderzoek richt zich net als dit BSD op de archieven die zijn ontstaan bij de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen. Er zijn drie belangrijke verschillen tussen dit basisselectiedocument en het NIOD-onderzoek:
De definitie van het beleidsterrein
De doelstelling van de overheid op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ voor de periode tot het einde van de jaren ’70 kan worden omschreven als ‘het materieel ondersteunen van oorlogsgetroffenen’ (financiële ondersteuning). Vanaf het einde van de jaren ’70 wordt dit ‘het materieel en immaterieel ondersteunen van oorlogsgetroffenen alsmede het bevorderen van de bewustwording van jongere generaties met betrekking tot de gevolgen van oorlog’.
De term ‘oorlogsgetroffenen’ is van toepassing op verschillende categorieën. Op basis van wet- en regelgeving is de volgende indeling te maken:
Anders gezegd: oorlogsgetroffenen zijn ‘zij, die door of in verband met gebeurtenissen tijdens of ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog schade aan hun gezondheid hebben opgelopen, alsmede hun nagelaten betrekkingen, jegens wie de overheid een bijzondere solidariteitsplicht voelt’. Oorlogsgetroffenen zijn met name Nederlandse staatsburgers en personen uit het voormalige Nederlands-Indië.
Personen die zich ten tijde van de Tweede Wereldoorlog vanuit Nederlands standpunt beschouwd ‘onwaardig’ hebben gedragen worden niet tot de ‘oorlogsgetroffenen’ gerekend.
Afbakening van het beleidsterrein
De beleidsvoorbereiding van de wet- en regelgeving op het gebied van de oorlogsslachtoffers en verzetsdeelnemers was vanaf de oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk in 1953 een onderdeel van zijn taakgebied.
De voorzieningen die bij speciale wet of groepsregeling waren getroffen ten aanzien van oorlogsslachtoffers en verzetsdeelnemers werden als ‘bijzondere maatschappelijke zorg’ gezien.
Deze voorzieningen werden als ‘bijzonder’ beschouwd omdat, in tegenstelling tot de Armenwet, de voorzieningen niet uitgaan van het beginsel van individuele ondersteuning, maar van het beginsel waarbij de hoogte van de uitkeringen gebonden is aan vastgestelde normen.
Vanaf de oprichting van het Ministerie van Maatschappelijk Werk hebben zich twee afzonderlijke onderafdelingen beziggehouden met respectievelijk de Wetten buitengewoon pensioen en met de Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers, vanaf 1961 Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945. Vanaf 1960 nam men eveneens de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers voor zijn rekening, overgedragen door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
Nadat in 1965 de Algemene Bijstandswet tot stand was gekomen en de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 daarop werd gebaseerd, werd de beleidsvoering van deze Rijksgroepsregeling bij een afdeling gebracht die ressorteerde onder de Hoofdafdeling Bijstandszaken.
In 1973 kwam er voor de vervolgingsslachtoffers een aparte wetgeving tot stand, los van de Algemene Bijstandswet: de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945.
Bij de oprichting van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in 1982 werd bij de herindeling van de departementale taken de zorg voor Bijstandszaken naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgeheveld. De uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 werd echter niet overgenomen door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In 1984 werd met de inwerkingtreding van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers ingetrokken. Dit betekende dat er geen enkele regeling met betrekking tot de oorlogsslachtoffers meer onder het bijstandsrecht viel. De beleidsvorming van de buitengewone pensioenwetten heeft vanaf 1965 een autonome plaats ingenomen binnen de Ministeries van CRM en WVC.
Vanaf de totstandkoming van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 kwam zowel de beleidsvoorbereiding en de toepassing van de wetten met betrekking tot oorlogsgetroffen en verzetsdeelnemers bij het Ministerie van WVC.
Het beleidsterrein raakt het beleidsterrein Sociale Voorzieningen. Onder het beleidsterrein Oorlogsslachtoffers valt namelijk ook wetgeving die betrekking heeft op pensioenen van verzetsdeelnemers. Tevens werd de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 vanaf 1965 gebaseerd op de Algemene Bijstandswet.
Bij de oprichting van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur werd bij de herindeling van de departementale taken de zorg voor Bijstandszaken naar het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overgeheveld. De uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 werd echter niet overgenomen door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
De selectielijst op het beleidsterrein Sociale Voorzieningen is gepubliceerd in Stcrt. 2001, 39. Dat BSD is gebaseerd op het RIO nr. 89.
Ook het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft zich met pensioenen, namelijk overzeese pensioenen, en uitkeringen aan oorlogsslachtoffers beziggehouden. De selectielijst op het beleidsterrein Overzeese Pensioenen is gepubliceerd in Stcrt. 1998, 31 en is gebaseerd op RIO nr. 34 Geld(t) voor Overzee, Institutioneel onderzoek naar overzeese pensioenen en eenmalige uitkeringen aan Indische oorlogsslachtoffers.
De handelingen van de gewone Pensioenraad zijn te vinden in RIO/BSD nr. 73, ‘Overheidspersoneel: arbeidsvoorwaarden’, periode 1945–1996, in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gepubliceerd Stcrt. 2001/200 en 201.
Inmiddels heeft de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) als ZBO een eigen BSD laten opstellen (op het moment van schrijven nog niet vastgesteld).
De PUR heeft de zorg voor het archief van al haar voorgangers overgenomen. Om die reden is deze actor uit dit BSD verwijderd.
In opdracht van het Ministerie van Financiën is er institutioneel onderzoek uitgevoerd op het beleidsterrein financieel-economisch beleid, onderdeel vergoeding van geleden materiële oorlogsschaden als gevolg van de Tweede Wereldoorlog en geleden materiële schaden als gevolg van de Watersnoodramp 1953, voor de periode 1940–1980. Het onderzoek heeft zijn beslag gekregen in RIO 127. Het BSD is nog niet wettelijk vastgesteld.
Daar waar het voorliggende BSD ingaat op het onderwerp rechtsherstel en Indische tegoeden, lijkt er een raakvlak te bestaan met het onderwerp oorlogsschaden. In de paragraaf hierboven is een definitie gegeven van de term oorlogsgetroffenen. In dit verband kan in die definitie worden benadrukt dat oorlogsgetroffenen dus niet in materieel, maar in immaterieel opzicht ernstige schade hebben ondervonden van een oorlog. Daarbij moet gedacht worden aan oorlogsinvaliden en personen die in oorlog aan vervolging hebben blootgestaan. In dit BSD wordt onder meer aandacht besteed aan rechtsherstel voor oorlogsslachtoffers volgens de bovenstaande definitie. Onder rechtsherstel wordt in dit kader verstaan het in materiële zin schadeloosstellen van groepen of individuen oorlogsslachtoffers.
In het hierboven genoemde RIO 127 is het onderwerp rechtsherstel expliciet buiten de afbakening gehouden.
Een niet onbelangrijk aandeel van het rechtsherstel houdt verband met de recuperatie van voorwerpen van culturele waarde. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de teruggave van de Goudstikkercollectie.
Hier lijkt een raakvlak te bestaan met het BSD op het beleidsterrein Kunsten, op basis van RIO 71. De definitie van dat beleidsterrein luidt: ‘De taak van de overheid op het beleidsterrein kunsten behelst het ontwikkelen, regelgeven en uitvoeren van beleid met betrekking tot het scheppen en herscheppen van kunst, de distributie en het toegankelijk maken van kunst en de deelname van het publiek aan kunst.’
In onderling overleg zijn de diverse departementen en het Nationaal Archief overeengekomen dat de recuperatie van geroofde kunstwerken gezien moet worden als een handeling binnen rechtsherstel en daarom niet in het BSD Kunsten thuishoort.
Deze selectielijst is gebaseerd op Rapport Institutioneel Onderzoek nr. 3, Oorlogsgetroffenen. In vergelijking met het RIO heeft het BSD wel een groot aantal aanvullingen gekregen en aanzienlijke wijzigingen ondergaan.
De periode is uitgebreid tot en met 2005. Hieronder is een aanvulling van de context opgenomen. Nieuwe wet- en regelgeving is toegevoegd (bijv. de Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen). Tevens zijn hier en daar de gegevens voor de periode 1945–2000 aangevuld. Het betreft onder andere:
Tenslotte kan gezegd worden dat – in vergelijking met het RIO – de handelingen volgens de nieuwe PIVOT-inzichten zijn ge(her)formuleerd. Er is tevens een groot aantal nieuwe handelingen toegevoegd. Aan het einde van dit BSD is een concordantie te vinden waarin de handelingen in dit BSD worden gekoppeld aan de handelingen in het RIO.
Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein Oorlogsslachtoffers
De overheid richt haar beleid ten aanzien van de oorlogsgetroffenen in de eerste jaren voornamelijk op de materiële dienstverlening. Zij doet dit met behulp van wet- en regelgeving waarbij de oorlogsgetroffenen financieel ondersteund worden.
Vanaf eind jaren zeventig wordt het beleid uitgebreid. De overheid begeeft zich dan eveneens op het terrein van de immateriële hulpverlening alsmede op het gebied van het bevorderen van een sociaal-educatief kader met het doel vooral de jongere generaties van de gevolgen van het oorlogsgebeuren bewust te maken.
Aanvulling op de contextbeschrijving in het RIO
Vaarplichtbeloning1Deze paragraaf is gebaseerd op het hoofdstuk ‘Thuisvaart, tegemoetkoming en teleurstelling’ uit: drs. A.J. van der Peet, Helden tegen wil en dank. Koopvaardijveteranen en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, Rotterdam, 2002.
In 1942 werd door de Nederlandse regering in ballingschap een commissie ingesteld die zich moest buigen over een toekomstige wachtgeld- en pensioenregeling voor de opvarenden van de koopvaardij die gedurende de oorlog onderworpen waren aan het vaarplichtbesluit. Beide regelingen dienden een ‘bijzondere belooning’ te zijn voor de door de zeelieden gedurende de oorlog bewezen diensten. De commissie diende op 28 mei 1945 een voorlopig rapport in en adviseerde de uitwerking van deze pensioenregeling aan een nieuwe in Nederland in te stellen commissie op te dragen.
Na de bevrijding van Nederland en de opheffing van de vaarplicht, werd in 1946 een nieuwe commissie in het leven geroepen onder leiding van H.W. Groeneveld, die tot taak had een wetsvoorstel te ontwerpen voor een pensioen regeling die alle opvarenden van de Nederlandse koopvaardij moest omvatten. Deze commissie diende in 1947 een voorstel in voor een Vaarplichtbeloning.
In 1952 werd de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteerde gemachtigd om financieel bij te dragen aan de oprichting van een bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij ten behoeve van de uitvoering van een pensioenregeling voor de opvarenden van de Nederlandse koopvaardijvloot. Daarmee werd ook de Vaarplichtbeloning van kracht.
Stb.A5: vaarplichtbesluit (dienstplicht tijdens de oorlog in de vorm van vaarplicht);
Stb.C19: uitwerking van het vaarplichtbesluit;
besluit No. 1 Z van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, art. 1 (Ned. Ind. Stb. 1941, 58) ter uitvoering van de burgerdienstplichtverordening (Ned. Ind. Stb. 1940, 204, zoals gewijzigd bij Ned. Ind. Stb. 1940, 551).
Bovendien moest de betrokken zeevarende de vaarplicht in de periode 1940 tot 1944 ‘voorzover dat in zijn vermogen lag naar behoren hebben vervuld’, en niet door eigen schuld van de vaarplicht zijn ontslagen.
De Vaarplichtbeloning werd vastgesteld op 150 gulden per jaar, voor de zeevarende zelf. Weduwen van de betrokken zeelieden ontvingen 90 gulden per jaar, mits zij vóór de oorlog met hen in het huwelijk waren getreden.
De periode 1990–20052Deze paragraaf is een bewerking van een bijdrage van Mw. dr. E. Touwen-Bouwsma, adjunct-directeur en Hoofd Afdeling Informatie en Documentatie van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Sinds 1990 is de PUR de enige organisatie die van overheidswege belast is met de toepassing en de uitvoering van de wetten voor Oorlogsgetroffenen: de Wet Buitengewoon Pensioen 1940–1945 (1947), de Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden oorlogsslachtoffers (1947), de Wet Buitengewoon Pensioen Indisch verzet (1986), de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1973) en de Wet Uitkeringen Burgeroorlogslachtoffers 1940–1945 (1984). Bij de uitvoering van bovengenoemde wetten zijn ook (belangen)organisaties betrokken die daartoe door de overheid zijn aangewezen zoals Stichting 1940–1945, Stichting Pelita, Stichting joods Maatschappelijk werk en de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen. Laatstgenoemde stichting is per 1 januari 2002 gefuseerd met de Stichting 1940–1945. Deze Stichtingen nemen direct contact op met de aanvragers en verzorgen het merendeel van de sociale rapportages.
Bij het optreden van de overheid op het terrein van de Oorlogsgetroffenen in de periode 1990–2005 kunnen twee ontwikkelingen van elkaar onderscheiden worden. De eerste ontwikkeling betreft het meer bekendheid geven aan de bestaande wetgeving en het verruimen en beperken van het beleid ten aanzien van groepen oorlogsgetroffenen. Verruiming geldt vooral voor het onderbrengen van bepaalde groepen oorlogsgetroffenen onder de WUBO. De mogelijkheid voor de tweede generatie om als vervolgde aangemerkt te worden in de zin van de WUV werd daarentegen aanzienlijk beperkt. Gezien de verwachte terugloop van aanvragen werden in de onderhavige periode op het gebied van de uitvoering ook nieuwe samenwerkingsverbanden gerealiseerd.
Een tweede ontwikkeling betreft het instellen van overheidswege van verschillende commissies eind jaren negentig voor het doen van onderzoek naar de Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Van beide ontwikkelingen zal een korte schets gegeven worden.
Ontwikkelingen op het gebied van de wetten voor Oorlogsgetroffenen
Na 1990 kan gesproken worden van een groeiend aantal personen dat een beroep op een van de wetten (WBP, WUV, WUBO en WIV) voor Oorlogsgetroffenen doet. Dit heeft enerzijds te maken met het gegeven dat velen die als jongvolwassene de oorlog hebben meegemaakt de pensioengerechtigde leeftijd bereikten en toen pas geconfronteerd werden met hun oorlogsverleden. Anderzijds nam het aantal aanvragen ook toe omdat de voorlichting via de PUR verbeterde en de overheid wetenschappelijk onderzoek naar bepaalde groepen oorlogsgetroffenen, waar weinig over bekend was, liet uitvoeren. Een belangrijke rol bij het informeren van de oorlogsgetroffenen over de bestaande wetten heeft naast de PUR ook de in 1980 opgerichte Stichting ICODO (Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen) gespeeld door het verzorgen van publicaties, het uitgeven van het tijdschrift ICODO INFO (1983) en de juridische uitgave Oorlogsgetroffenen en Recht (vanaf 1991).
Het beleid ten aanzien van de WUBO werd in de onderhavige periode verruimd. Steeds meer groepen oorlogsgetroffenen werden na juridische aanpassingen van de wet onder de WUBO gebracht. Genoemd kunnen worden de verruiming voor Nederlandse ex-dwangarbeiders die door de Duitse bezetter gedwongen werden om in Duitsland te gaan werken en voor Nederlanders die in Indië de bersiap- en revolutietijd hebben meegemaakt. Eerder was dat vooral problematisch voor de laatst genoemde groep omdat weinig bekend was over hun lotgevallen na de capitulatie van Japan in augustus 1945. Pas in het begin van de jaren negentig werd systematisch onderzoek gedaan naar de Republikeinse kampen waar veel Nederlanders in Indië in geïnterneerd werden door de Indonesiërs in de periode 1945–19473Een eerste overzicht van deze kampen werd samengesteld door Stuldreher, C.J.F. De extremistenkampen van de Republiek Indonesië in De Gids 151 (1988). P. 825–830.. De WUV werd daarentegen na jarenlange discussies in 1994 gesloten voor de tweede generatie, dat wil zeggen dat aanvragers die tot de tweede generatie behoorden niet langer als vervolgde werden aangemerkt en alleen aanspraak konden maken op immateriële hulpverlening.
Van de hausse van aanvragen in de jaren negentig hebben ook de (belangen)organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen de gevolgen ondervonden. Uitbreiding van personeel, vooral rapporteurs voor het opstellen van sociale rapportages en maatschappelijk werkers, bleek noodzakelijk. Deze organisaties, Stichting 1940–1945, Stichting Pelita, Stichting joods Maatschappelijk werk en de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen zien zich sinds het drastisch teruglopen van de aanvragen (vanaf 2000) gedwongen hun werkzaamheden steeds verder af te bouwen en de taken die ze nog hebben op dit gebied over te dragen aan andere instanties. Zo fuseerde de Stichting Burgeroorlogsgetroffenen per 1 januari 2002 met de Stichting 1940–1945 en startte de PUR in de loop van 2003 besprekingen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) om na te gaan of en onder welke voorwaarden te zijner tijd de taken van de PUR aan de SVB kunnen worden uitbesteed. Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. In dit centrum worden de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht4Voortgangsrapportage beleid voor oorlogsgetroffenen van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, mevr. C. Ross-van Dorp (2004)..
Ontwikkelingen op het gebied van de Tegoeden Tweede Wereldoorlog
Begin december 1997 werden in een voormalig pand van het Agentschap van het Ministerie van Financiën in Amsterdam de LIRO-kaartenbakken gevonden. De kaartenbakken zijn een klein deel van het archief van Lippmann-Rosenthalbank, die voor de oorlog joods eigendom was. In de oorlog hebben de bezetters de bank gebruikt om geld en goederen van joden die werden weggevoerd, systematisch te confisqueren. Om onderscheid te maken tussen de periode voor en tijdens de oorlog, wordt daarom niet de volledige naam gebruikt, maar de afkorting: LIRO De kaarten op de zolder in het voormalige pand van het Agentschap bevatten lijsten met persoonlijke eigendommen van weggevoerde joden. Wat werd gevonden, leek niet op het andere, grootste deel van het LIRO-archief, dat bijvoorbeeld lijsten met balanstotalen bevat. De LIRO-kaartenbakken maakten na de oorlog deel uit van het archief van het Waarborgfonds Rechtsherstel. Directeur daarvan was P.J.H.J. Stulemeijer, die in 1961 tevens directeur werd van het Agentschap. Beide diensten waren in hetzelfde pand gehuisvest, dus ook hun archieven. Bij een verhuizing zijn de gevonden kaartenbakken blijven staan.
Na de vondst van een gedeelte van het LIRO-archief heeft de Minister van Financiën de Commissie onderzoek Liro-archieven verzocht om niet alleen de Liro-archieven te onderzoeken, maar ook een overzicht samen te stellen van andere archieven die van belang zijn geweest voor het afhandelen van de joodse claims. Deze Commissie Kordes, genoemd naar haar voorzitter, heeft dit onderzoek laten uitvoeren met als resultaat de publicatie Onderzoeksgids archieven joodse oorlogsgetroffenen. Overzicht van archieven met gegevens over roof, recuperatie, rechtsherstel en schadevergoeding van vermogens van joden in Nederland in de periode 1940–1987. De auteurs van deze gids zijn J.M.L. Bockxmeer (NIOD), P.C.A. Lamboo (NA) en H.A.J. van Schie.
Na deze commissie werd van overheidswege nog een groot aantal andere commissies ingesteld ter afwikkeling van de Tegoeden Tweede Wereldoorlog. Genoemd kunnen worden: de Commissies Ekkart, Van Kemenade, Scholten en Van Galen. Al deze commissies hebben hun werkzaamheden reeds beëindigd. De archieven die door de werkzaamheden van deze commissies gevormd zijn, bevinden zich op verschillende locaties.
Diverse Ministeries hebben zich bezig gehouden met recuperatie van goederen, vermogenswaarden en voorwerpen van culturele waarden. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de teruggave van de kunstvoorwerpen die behoord hebben tot het privé-vermogen van de heer Jacques Goudstikker en/of mevrouw Desi Goudstikker-Halban aan de nabestaanden. Het betrof schilderijen die in 1940 waren verkocht aan de Duitse Reichsmarschall Hermann Göring, de Duitse zakenman Alois Miedl en E.J. Ostermann. Anno 2005 maakten de kunstvoorwerpen deel uit van de Nederlandse rijkscollectie.
De actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in dit BSD zijn opgenomen
In dit BSD zijn van de volgende actoren de handelingen opgenomen:
Voor achtergrondinformatie over deze actoren: zie het actorenoverzicht verderop in dit BSD.
Selectiedoelstelling
Het BSD is opgesteld in overeenstemming met de selectiedoelstelling van de RAD/PIVOT. Het doel van de selectie is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zo ver deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.
Selectiecriteria
Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.
De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief. De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (vernietigen), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.
Overigens verlangt art. 5, onder e van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 276) dat selectielijsten de mogelijkheid bieden om neerslag die met een V is gewaardeerd in exceptionele gevallen te bewaren op grond van een uitzonderingscriterium. PIVOT heeft daarom het volgende uitzonderingscriterium geformuleerd:
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
Om de selectiedoelstelling te bereiken worden de handelingen in het BSD gewaardeerd aan de hand van de algemene selectiecriteria, zoals deze op de volgende pagina staan vermeld.
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Naast de algemene criteria kunnen er in een BSD, eveneens binnen het kader van de selectiedoelstelling, beleidsterreinspecifieke criteria worden geformuleerd. Daar de noodzaak hiertoe niet aanwezig werd geacht, is in dit BSD de mogelijkheid om specifieke selectiecriteria te formuleren niet benut.
Verslag van de vaststellingsprocedure
Op 12 mei 2006 is het ontwerp-BSD door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Ministers van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Buitenlandse Zaken, van Defensie, van Economische Zaken, van Financiën, van Justitie, van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Verkeer en Waterstaat, en de Stichting Cogis, de Stichting 1940–1945, de Stichting Pelita, de Stichting Het Gebaar, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Administratie Indische Pensioenen en de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid overige zorgdragers aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd. Vanaf 1 december 2006 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage bij de registratiebalie van het Nationaal Archief evenals in de bibliotheken van de betrokken zorgdragers, het Ministerie van OCW en de regionaal historische centra, hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.
Op 18 januari 2007 bracht de RvC advies uit (kenmerk arc-2006.03456/6), hetwelk [naast enkele tekstuele correcties] aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
De waardering van handeling 8 is gewijzigd van ‘B 1’ in ‘V, 10 jaar’.
Daarop werd het BSD op 5 maart 2007 door de algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (kenmerk C/S&A/07/541), van Algemene Zaken (C/S&A/07/530), van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (C/S&A/07/531), van Buitenlandse Zaken (C/S&A/07/532), van Defensie (C/S&A/07/533), van Economische Zaken (C/S&A/07/534), van Financiën (C/S&A/07/535), van Justitie (C/S&A/07/536), van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (C/S&A/07/537), van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (C/S&A/07/538), van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/07/539), van Verkeer en Waterstaat (C/S&A/07/540), en de Stichting Cogis (C/S&A/07/542), de Stichting Het Gebaar (C/S&A/07/543), de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (C/S&A/07/544), de Stichting Joods Humanitair Fonds (C/S&A/07/545), de Stichting Administratie Indische Pensioenen (C/S&A/07/546) en de Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (C/S&A/07/547) vastgesteld.
Leeswijzer van de handelingen
De handelingen worden beschreven in handelingenblokken. Daarin worden de volgende items beschreven:
Dit is het unieke volgnummer van de handeling. Dit nummer is overgenomen uit het RIO.
Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.
Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.
Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.
Vermeld worden:
Een paar voorbeelden:
WBP 1940–1945, art. 36, lid 5, art. 45 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394 en Stb. 1979, 711);
Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945, art. 4 (Stb. 1948, 128)
Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.
Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.
Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.
Waardering van de handeling als B (bewaren) of V (vernietigen).
Indien vernietigen, dan vermelding van de vernietigingstermijn.
Indien bewaren, dan vermelding van het gehanteerde selectiecriterium.
Eventueel een nadere toelichting op de waardering.
Actorenoverzicht
De actoren staan in chronologische volgorde. Actoren die zijn gemarkeerd met een *, worden niet beschouwd als actoren in de zin van PIVOT. De handelingen van deze actoren worden niet weergegeven. De handelingen van actoren die zijn gemarkeerd met ° worden niet weergegeven omdat ze al zijn opgenomen in een andere selectielijst.
Privaatrechtelijke ZBO’s vallen onder de Archiefwet 1995 voor zover het om taken gaat die samenhangen met de uitoefening van openbaar gezag. De Archiefwet is voor privaatrechtelijke ZBO’s niet van toepassing op archiefbescheiden die samenhangen met de uitoefening van commerciële activiteiten of bedrijfsvoering.
De Minister onder wie Welzijn ressorteert (1945–)
Het betreft de volgende Ministers:
Bereidt wet- en regelgeving voor op het beleidsterrein van oorlogsgetroffenen, stelt deze vast, wijzigt deze en laat deze uitvoeren.
Commissies, werkgroepen e.d. die onder het zorgdragerschap vallen van de Minister onder wie Welzijn ressorteert
(in chronologische volgorde)
Centrale commissie/ de commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (Commissie AOR) (1942–)
De centrale commissie is na 1942 door de Gouverneur-Generaal aangewezen. Er zijn geen exacte instellingsgegevens bekend. Het werkgebied van deze commissie was alleen Nederlands Indië.
De belangrijkste taak van deze commissie was het geven van aanwijzingen aan de plaatselijke commissies.
Na de onafhankelijkwording was er vanuit Nederland geen zicht meer op deze commissie. In 1954 is er een overeenkomst tot stand gekomen tussen Nederland en Indonesië inzake de uitvoering van de AOR door Nederland. In het kader van die overeenkomst is door het Nederlandse Ministerie waaronder welzijn ressorteerde en het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Indonesië de Commissie AOR ingesteld (Stcrt. 1954, 111). Deze commissie heeft gedeeltelijk dezelfde taken als de Centrale commissie, waaraan een aantal nieuwe taken is toegevoegd.
De commissie houdt zich bezig met het toekennen van uitkeringen, het toezicht op uitvoering van de regeling en het geven van richtlijnen omtrent de uitvoering van de regeling en.
Commissie van advies inzake hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 / Adviescommissie Bijzondere Uitkeringen (1952–1978)
Ingesteld bij Ministeriële beschikking, 24 januari 1952, nr. 44348.
De commissie dient de Minister onder wie Welzijn ressorteert van advies inzake het verstrekken van uitkeringen op grond van de WBP 1940–1945, aan invaliden en aan de nagelaten betrekkingen van personen die, t.g.v. door de vijand in verband met het verzet tegen hen genomen maatregelen, invalide zijn geworden dan wel het leven hebben verloren, maar waarin de WBP niet kan voorzien.
Coördinatiecommissie voor gerepatrieerden (1953–(opheffingsdatum onbekend))
Ingesteld bij beschikking in 1953.
In deze interdepartementale commissie worden vraagstukken besproken die verband houden met de sociale en financiële zorg voor de uit Indonesië gerepatrieerden.
Commissie van Advies inzake Bijstand aan Vervolgden (1969–1973)
Ingesteld bij besluit (Stcrt. 1969, 98) op grond van Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1968, 596).
Zij adviseert de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent de toepassing van de voorzieningen ingevolge de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 en omtrent beslissingen op individuele aanvragen. Verder adviseert zij burgemeester en wethouders en van de Algemene Bijstandswet aangewezen beroepsorganen met betrekking tot de toepassing en de beslissing op individuele aanvragen inzake de vraag of een persoon vervolgd is, of invaliditeit of overlijden hieraan is te wijten, welke voorzieningen getroffen dienen te worden en welke voorwaarden aan de uitkeringen dienen te worden verbonden.
De commissie werd overbodig als gevolg van de instelling van de Uitkeringsraad (zie hieronder)
Commissie van Advies (1971–1972)
Ingesteld bij Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1971, 111))
Zij adviseert de Minister onder wie Welzijn ressorteert inzake het – in individuele gevallen – gelijkstellen van een persoon met een vervolgde. Verder adviseert zij burgemeester en wethouders bij de beslissing op een aanvraag om een uitkering op basis van de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, en de daaraan te verbinden voorwaarden. Tenslotte adviseert zij burgemeester en wethouders en de in de Algemene Bijstandswet aangewezen beroepsorganen bij de behandeling van bezwaar- en beroepschriften op basis van Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945.
Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan oorlogsslachtoffers (WAC) (1975–1978)
Voluit: Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegens ras, geloof of wereldbeschouwing, alsmede aan hen die ten gevolge van bombardementen, ordemaatregelen, tewerkstelling en dergelijke schade aan hun gezondheid hebben opgelopen.
Ingesteld bij Stcrt. 1975, 93.
Het college heeft tot taak:
In 1978 heeft het college een eindrapport opgesteld. Daarna is het college ontbonden.
Commissie Van Namen (1974–1975)
Ingesteld in 1974.
Deze commissie bestaat uit één persoon, namelijk Mr. A.H. van Namen. Hem werd verzocht een studie te maken van de wetten en de regelingen die in het leven zijn geroepen voor deelnemers aan het verzet, voor vervolgden en voor slachtoffers van meer algemene oorzaken tijden de Tweede Wereldoorlog.
Interdepartementale werkgroep rapport Van Namen (1975–1976)
Ingesteld bij Stcrt.1975, 205.
Deze werkgroep doet beleidsvoorstellen aan de regering naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport van mr. A.H. van Namen inzake harmonisatie/coördinatie van regelingen aangaande hulpverlening oorlogsslachtoffers.
Commissie Indisch Verzet (1980–2001)
Ingesteld bij Stb. 1980, 213.
Adviseerde de Minister onder wie maatschappelijk werk ressorteert, en later de Buitengewone Pensioenraad (BPR, later Raadskamer Wbp van de PUR) met betrekking tot het toelaten van aanvragers tot de Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet. Verder gaf ze de verklaring verzet en waardigheid af. Ook adviseerde ze de Minister onder wie Welzijn ressorteert omtrent onderwerpen van wetswijzigingen, AMvB’s en Ministeriële beschikkingen terzake van de WIV.
Commissie Indisch Verzet is opgeheven in 2001 en opgevolgd door Stichting Pelita.
Adviescommissie Bijzondere Voorzieningen dienst- en reserveplichtig personeel KNIL (rond 1981)
(Instelling is niet bekendgemaakt in de Staatscourant)
Deze adviescommissie heeft tot taak de Minister te adviseren over uitkeringen op de voet van de WUV 1940–1945 aan het daarvoor, krachtens de instellingsbeschikking in aanmerking komend dienst- en reserveplichtig personeel van het voormalig KNIL.
Projectgroep behandeling oorlogs- en geweldsgetroffenen (PBOG) (1984–1990)
Ingesteld bij Stcrt. 1985, 11 en Stcrt. 1985, 227 en opgeheven bij Stcrt. 1990, 89.
Adviseert de Minister waaronder Welzijn ressorteert omtrent het ontwikkelen van een stelsel van voorzieningen voor in Nederland woonachtige personen die ten gevolge van marteling, gijzeling of oorlogshandeling ernstig psychotraumatisch gelaedeerd zijn. Verder stelt ze werkgroepen in voor de uitvoering van onderdelen van het werkprogramma. Tenslotte doet ze voorstellen voor wetenschappelijk onderzoek.
Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen (Commissie van Dijke) (1985–1987)
Ingesteld bij Stcrt. 1985, 44.
Deze commissie, onder leiding van de heer P. van Dijke, moest een uitspraak doen over de eindigheid van wet- en regelgeving, en aandacht geven aan de praktijk van de uitvoering.
Een belangrijke aanbeveling van de Commissie, namelijk de integratie van de verschillende met de toepassing van de wetten belaste Raden, werd overgenomen. Dit leidde in 1990 tot de instelling van ‘de Pensioen- en Uitkeringsraad’ waarin de uitvoeringsorganen opgingen.
Beleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1986–)
Ingesteld bij Stcrt. 1986, 128.
Begeleidt:
Adviescommissie Huyser (1989)
Dit is een éénpersoonscommissie in de persoon van de door de Minister onder Welzijn ressorteert aangestelde speciale gemachtigde, generaal b.d. Huyser. De gemachtigde kreeg als opdracht om een publiekrechtelijke organisatie op te richten voor de uitvoering van de wetten met betrekking tot de pensioenen van oorlogsgetroffenen.
Het voorstel van de heer Huyser heeft geleid tot de oprichting van de Pensioen- en uitkeringsraad voor verzetsdeelnemers (PUR).
Adviesgroep protocollering medische causaliteitsbeoordeling (1990)
Ingesteld in 1990.
Bij een aanvraag in het kader van de wetten voor oorlogsgetroffenen moet het causaal verband tussen de ziekten/gebreken/invaliditeit nu en de oorlogservaringen vroeger worden vastgesteld. Dat geeft regelmatig aanleiding tot klachten van belangenorganisaties, uitvoerders en individuele aanvragers. De adviesgroep had daarom als taak richtlijnen voor het medisch onderzoek op te stellen.
Landelijke Stuurgroep Netwerkontwikkeling (1990–1995)
Ingesteld bij Stcrt. 1990, 244.
Zet een hulpverleningsnetwerk op voor in Nederland woonachtige personen, die ten gevolge van oorlogshandeling, marteling of gijzeling ernstig psychotraumatisch gelaedeerd zijn geraakt. Verder doet ze voorstellen aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert, dan wel aan de Minister van Defensie over wetenschappelijk onderzoek.
Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie (1992–)
Ingesteld bij Stcrt. 1992, 160 en opgeheven na publicatie van het onderzoek in 1994.
Begeleidt en bewaakt de uitvoering van het onderzoek conform het onderzoeksvoorstel van het Instituut voor Psychotrauma. Verder adviseert ze de Minister onder wie Welzijn ressorteert over te nemen beslissingen ten aanzien eventuele verzoeken van het Instituut voor Psychotrauma die tot overschrijdingen van de gestelde termijnen of de begroting en eventuele inhoudelijke afwijkingen van het onderzoeksvoorstel zouden kunnen leiden.
Begeleidingscommissie onderzoek naar de late problematiek van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen (1993–)
Ingesteld bij Stcrt. 1993, 14.
Begeleidt en bewaakt de uitvoering van het onderzoek conform het onderzoeksvoorstel van de Rijksuniversiteit Utrecht.
Adviescollege besteding vierde tranche – adviescollege Dolman (1998–1999)
In 1998 geïnstalleerd (Stcrt. 1998, 164).
Uit het vierde deel van de goudpool heeft Nederland 22,5 miljoen gulden ontvangen. Dit geld is in overeenstemming met het advies van de commissie Van Kemenade door de regering bestemd voor het nieuw opgerichte Nationaal fonds van de goudpool. Het geld uit dit fonds komt ten goede aan projecten op een drietal terreinen: de zorg en/of dienstverlening aan de huidige nog levende en in Nederland woonachtige groep slachtoffers van de nazi-vervolging die gericht was op vernietiging en hun nabestaanden, het opnieuw leven inblazen van kennis- en cultuurtraditie, die door de Tweede Wereldoorlog grotendeels vernietigd was én het instandhouden van de herinnering aan de omgekomenen in de Tweede Wereldoorlog.
Over de toewijzing van het geld aan de projecten is geadviseerd door een onafhankelijk adviescollege onder leiding van de heer dr. D. Dolman. Op 6 juli 1999 is het advies van het college naar de Tweede Kamer gezonden. Het kabinet heeft het advies overgenomen.
De commissie-Van Galen (Indische tegoeden) (1998–2000)
Ingesteld bij Stcrt. 1998, 22.
De commissie heeft onderzoek verricht naar de particuliere Nederlandse bank- en verzekeringstegoeden in het voormalig Nederlands-Indië. Het onderzoek strekte zich ook uit tot het rechtsherstel rond die financiële tegoeden en eventueel naar andere in beslag genomen particuliere bezittingen. De commissie heeft op 17 januari 2000 haar eindrapport gepubliceerd.
Adviescommissie uitvoering wetten voor oorlogsgetroffenen (1998–)
Ingesteld bij Stcrt. 1998, 248.
Deze commissie heeft tot taak de Minister te adviseren over de mogelijkheden van vereenvoudiging van procedures in het kader van de uitvoering van de wetten voor oorlogsgetroffenen zonder dat daardoor de bestaande wetssystematiek zal worden aangetast. In het advies wordt aangegeven welke maatregelen voor deze vereenvoudiging noodzakelijk worden geacht.
Adviescommissie Jeugdvoorlichting WOII-heden (1998–2005)
Ingesteld bij Stcrt. 1998, 184.
In het beleid jeugdvoorlichting van het Ministerie van VWS wordt het tijdperk van de Tweede Wereldoorlog, met daarin de Shoah, het oorlogsgeweld en de teloorgang van vrijheidsrechten, gehanteerd als educatieve achtergrond voor de vorming van jongeren. Zij moeten door deze historisch geschakelde voorlichting waakzaam worden voor de permanent aanwezige dreiging
van omstandigheden, die voor een herleving van dergelijk onheil als voedingsbodem kunnen gaan dienen.
Het stimuleringsbeleid heeft geleid tot een gevarieerd aanbod van educatieve en voorlichtende activiteiten. De adviescommissie toetst ingediende educatieve projectvoorstellen aan de criteria die daarvoor zijn opgesteld. Verder adviseert ze de Minister onder wie Welzijn ressorteert over kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de ingediende educatieve projectvoorstellen.
De commissie is in maart 2006 opgeheven (Stcrt. 2006, 30)
Technische Commissie Haalbaarheidsonderzoek Indische Tegoeden (2000)
Ingesteld bij Stcrt. 2000, 140.
De commissie heeft tot taak een inventariserend onderzoek op korte termijn te verrichten naar de mogelijkheid tot verder onderzoek naar de gang van zaken rond het naoorlogse rechtsherstel inzake de claims met betrekking tot goederen die hun oorsprong vinden in de periode van de oorlog met Japan en de bezetting door Japan.
Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog (2001–)
De Adviescommissie Restitutieverzoeken Cultuurgoederen en Tweede Wereldoorlog, kortweg Restitutiecommissie, is eind 2001 in het leven geroepen door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Sindsdien brengt de commissie onafhankelijk advies uit aan de staatssecretaris van cultuur over individuele verzoeken tot teruggave van cultuurgoederen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verdwenen.
Het gaat daarbij om claims op kunstwerken waarvan de eigenaar onvrijwillig het bezit is verloren door omstandigheden die direct verband hielden met het nazi-regime.
Vaak zijn het schilderijen van bekende en minder bekende kunstenaars waarvan de eigenaar tijdens de Tweede Wereldoorlog noodgedwongen afstand moest doen. Het merendeel van de kunstwerken waarvoor een restitutieverzoek wordt ingediend, bevindt zich hedentendage in de collectie van de Nederlandse rijksoverheid.
Commissie Rechtsherstel Homoseksuelen Tweede Wereldoorlog (2001–2002)
De commissie is gevraagd aan de Minister onder wie Welzijn ressorteert voorstellen doen over de uitvoering van het beleid, dat uit drie onderdelen bestaat:
Overige Ministers en bijbehorende commissies
Minister onder wie kunst en cultuur ressorteren
Deze Minister de commissie Ekkart en de Restitutiecommissie ingesteld.
Commissies die onder het zorgdragerschap vallen van de Minister onder wie kunst ressorteert:
Ingesteld bij Koninklijk Besluit door de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en de Minister van Justitie (Stb. 1945, F231).
De Commissie heeft tot taak de Minister onder wie kunst ressorteert te adviseren over oprichten, plaatsen of aanbrengen van oorlogs- of vredesgedenktekens op openbare of van de openbare weg af zichtbare plaatsen.
Het archief van deze commissie is al in het verleden geselecteerd.
Deze commissie moest de regering adviseren over gedenktekens die niet van lokale, maar van nationale betekenis waren. De commissie stelde de regering voor een paar bijzondere monumenten op te richten: onder meer een monument voor de Koopvaardij, een legermonument bij de Grebbeberg en een monument voor de erebegraafplaats in Bloemendaal. Ook moest er volgens de commissie een centraal, nationaal monument in de hoofdstad komen. Zij achtte de Dam de meest geschikte locatie.
In het najaar van 1997 stelde staatssecretaris Nuis van OCW een onderzoekscommissie in onder leiding van dr. R.E.O. Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. De commissie-Ekkart kreeg als opdracht een proefonderzoek uit te voeren naar de herkomst van de zg. NK-collectie. Deze afkorting staat voor ‘Nederlands(ch) Kunstbezit’ en slaat op het restant van gerecupereerde kunstwerken dat nog berust bij de staat. In deze rijkscollectie zijn deze schilderijen, beelden en kunstnijverheidsobjecten geïnventariseerd en te herkennen aan hun inventarisnummer dat steeds begint met de letters ‘NK’.
Het onderzoek richtte zich op de vraag, of de oorspronkelijke eigenaren van deze kunstwerken, voor zover niet bekend, alsnog met hedendaagse methoden en technieken zijn te achterhalen via kunsthistorisch onderzoek en bronnenonderzoek in de oude recuperatiearchieven bij het ARA en het Ministerie van Financiën en onderzoek bij NIOD, gemeentearchief en andere relevante instanties.
In april 1998 deed de commissie verslag van het onderzoek: Herkomst gezocht: Rapport van het proefonderzoek naar de herkomst van de onder beheer van het Rijk gebleven uit Duitsland gerecupereerde kunstwerken.
Het rapport Herkomst gezocht van de commissie Ekkart leidde tot de vervolgopdracht om dit proefonderzoek uit te breiden tot de totale NK-collectie, die ca. 4000 nummers omvat. Voor dit onderzoek is in opdracht van diezelfde commissie in 1998 een projectbureau ingesteld, genaamd Herkomst Gezocht. (Geen bekendmaking in de Staatscourant.) Het bureau ressorteert onder Inspectie Cultuurbezit van het Ministerie van OCW, dat tevens secretaris is van de commissie-Ekkart. De leden van deze begeleidingscommissie worden benoemd bij KB.
Minister onder wie Volksgezondheid onder ressorteert.
Hij is medeoprichter van Stichting ICODO.
Minister van Algemene Zaken
Deze Minister heeft in 1981 het Comité Nationale Viering Bevrijding ingesteld.
Actoren die onder het zorgdragerschap van de Minister van Algemene Zaken vallen:
Ingesteld bij (Stcrt. 1981, 55.
Ingesteld in 1987.
Beide comités initiëren, coördineren en harmoniseren manifestaties op landelijk niveau ter herdenking van de bevrijding, stemmen deze landelijke manifestaties af op plaatselijke en delen geld toe ten behoeve van de landelijke manifestaties uit de middelen die de regering hiervoor beschikbaar stelt.
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Met deze benaming wordt ook de Minister voor Antilliaanse en Arubaanse Zaken bedoeld.
Op grond van Besluit en Wet Rietkerk-uitkering is hij betrokken bij het toekennen van uitkeringen en herdenkingspenningen. Verder was deze Minister in de hoedanigheid van Minister van Overzeese Gebiedsdelen betrokken bij de instelling van het Waarborgfonds Rechtsherstel.
Overheid in Nederlands-Indië
De handelingen van onderstaande actoren zijn in het BSD weergegeven onder de actor die de laatste taakopvolger van de betreffende organen op deze beleidsterreinen is: de Minister onder wie Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ressorteren.
Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië (1948–1954)
Hij bereidt de vaststelling, wijziging en intrekking van regeringsverordeningen voor op grond van de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië (Stb. Ned. Indië, 1948, 308). Hij neemt beslissingen met betrekking tot uitkeringen en andere tegemoetkomingen. Ook stelt hij plaatselijke commissies in die zich met uitkeringen moeten bezighouden en centrale commissies die de plaatselijke commissies weer aanwijzingen kunnen geven.
Directeur van Justitie van het gouvernement in Nederlands-Indië
Hij stelt nadere voorschriften vast betreffende de te verstrekken gegevens bij een aanvraag voor tegemoetkomingen ingevolge de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië. Ook stelt hij het model op van het bewijs dat ten bewijze van toekenning van een uitkering ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië wordt uitgereikt.
Directeur van Financiën van het gouvernement in Nederlands-Indië
Stelt voorschriften vast voor de betaalbaarstelling en de uitbetaling van uitkeringen ingevolge de Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië.
Plaatselijke commissies
Deze commissies zijn door de gouverneur-generaal ingesteld.
Ze nemen beslissingen ten aanzien van uitkeringen en kunnen dwangvoorschriften uitvaardigen om uitkeringen terug te vorderen op grond van de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië.
Hoofd van het gewestelijk bestuur
Hij kan de centrale commissie machtigen om af te wijken van bepaalde ordonnanties op grond van de Algemeene Ongevallenregeling Indonesië.
De Resident
Vervult de functie van de centrale commissie totdat deze is ingesteld.
Minister van Buitenlandse Zaken
In het kader van naoorlogs rechtsherstel ondersteunt de Minister particulieren, bedrijven en organisaties die in het buitenland claims hebben gelegd.
Minister van Defensie
Hij verleent samen met de Minister onder wie Welzijn ressorteert een vergoeding voor de door de pensioengerechtigde verschuldigde motorrijtuigenbelasting. Tot 1995 was ook de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierbij betrokken. Tevens is hij medeoprichter van Stichting ICODO.
Minister van Financiën
Hij is belast met de controle van en informatievoorziening met betrekking tot verrekenbare inkomsten, genoten door gepensioneerden. Tevens heeft hij onderstaande commissies ingesteld.
Ten slotte was hij betrokken bij de instelling van het Waarborgfonds Rechtsherstel.
Actoren die onder het zorgdragerschap van de Minister van Financiën vallen:
De Belegging- en garantiemaatschappij voor duplicaten van buitenlandse effecten NV/BV (BELGA) (1956–1977)
Opgericht in 1956. De maatschappij werd bestuurd door een Raad van Bestuur. De secretaris van de Raad van Bestur vertegenwoordigde in de Algemene Vergadering van Aandelhouders de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten.
De Belga kreeg een taak toebedeeld in het kader van het bij besluit Herstel Rechtsverkeer aan de Minister van Financiën opgedragen zorg voor het rechtsherstel met betrekking tot buitenlandse effecten dat er op gericht was de eigenaren van de door de bezeteter geroofde en onder dwang aan hem verkochte effecten, in hun rechten te herstellen.
De Belga rekende af met de gedepossedeerden van niet aangemelde en in Nederland geopponeerde buitenlandse effecten welke niet via schikkingen en procedures waren terugverkregen en waarvoor door de Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten duplicaten bij de uitgevende instellingen waren aangevraagd.
De Commissie voor Overleg inzake effecten-rechtsherstel (1952–1953)
(Geen instellings- en opheffingsbeschikking of andere informatie vindbaar.)
De Commissie Duplicaat Effecten (CDE) (1954–1976)
Ingesteld bij beschikking van de Minister van Financiën van 17 september 1954, Generale Thesaurie, directie Bewindvoering, nr. 147.
De Commissie duplicaat-Effecten (CDE) onderzocht de gevallen van personen die pas aanspraak wilden maken op effecten die inmiddels tot het manco behoorden en dus ongeldig waren verklaard. Het betrof hier telaatkomers. Niettegenstaande de vele waarborgen waarmee het uiterst ingewikkelde rechtsherstelrecht was omgeven kon het voorkomen dat een rechthebbende ‘achter het net viste’. Daarom is gedurende ruim dertig jaren een buitenwettelijke ex gratia-procedure toegepast die het mogelijk maakte de duplicaten, c.q. de opbrengst van duplicaten die aan de Staat waren toegevallen, af te staan aan personen die door excusabele oorzaken de wettelijke voorschriften niet hadden nageleefd en van wie de vooroorlogse eigendom niet aan twijfel onderhevig was.
De CDE adviseerde de Minister van Financiën met betrekking tot het verzoek om afstand van een duplicaat. Erkenning als eigenaar en herstel in het eigendomsrecht waren gepasseerde stations. Bij gunstige beslissing stond de Staat soms het duplicaat-effect aan de verzoeker af, maar meestal de opbrengst ervan.
Als de rechtsgrond voor deze afstand van duplicaten werd aanvaard een natuurlijke verbintenis van de Staat om – voorzover hij door toepassing van louter formeel recht zou worden verrijkt ten koste van bona fide bezitters van niet tijdig aangemelde of geopponeerde effecten – een tegemoetkoming in de vorm van afstand van duplicaten te verlenen, tegen betaling van een bepaald (beperkt) bedrag aan kosten voor de terzake verrichte administratieve werkzaamheden. Voor buitenlandse houders (voornamelijk uit Frankrijk) werd bij de toepassing van deze procedure zelfs vrees voor buitenlandse fiscale consequenties, of onbekendheid met de bepalingen van het Besluit herstel rechtsverkeer, als verschoonbaar verzuim beschouwd.
De talloze verzoeken werden beoordeeld aan de hand van Ministeriële richtlijnen, neergelegd in een tweetal brieven van 12 mei 1952, nr. 154, van de Minister van Financiën aan de Algemene Rekenkamer en aan de afdeling Effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel.
De Commissie is opgeheven bij beschikking van 9 februari 1976, directie Juridische Zaken, nr. 37–600630.
De Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten (CRBE) (1949–1987)
Ingesteld bij beschikking van 8 november 1949, afdeling Juridische zaken en Bewindvoering, nr. 304.
Titel IV van hoofdstuk IV van Besluit herstel rechtsverkeer (Stb. E 100, zoals gewijzigd bij Stb. F 272) beschrijft de gevolgen van het niet aanmelden en van het niet inleveren van een als aangemeld doch niet ingeleverd geregistreerd effect. De afdeling deed daarvan opgave aan de Minister van Financiën die zorgdroeg voor bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant (art. 64). Door die publicatie verloor het effect zijn geldigheid en ontstond de verplichting van de uitgevende instelling binnen drie maanden een duplicaat ervan af te geven.
Het voorschrift inzake de publicatie en het daaraan verbonden rechtsgevolg konden niet van toepassing zijn op buitenlandse effecten, waarover immers de CDE geen jurisdictie kon toekomen. Ten aanzien daarvan bevatte artikel 64 van Besluit herstel rechtsverkeer een voorschrift dat aan de Minister van Financiën de verplichting oplegde stappen te doen teneinde de afgifte van een duplicaat ter uitlevering aan de rechthebbende te verkrijgen. Voor die taak is deze commissie in het leven geroepen.
De Commissie Rechtsherstel Buitenlandse Effecten is opgeheven bij beschikking van 25 maart 1987, nr. 187–1434.
De Commissie Onderzoek Liro-archieven – de commissie Kordes (1997–1998)
De Commissie van Onderzoek Liro-archieven is in 1997 ingesteld (niet gepubliceerd in de Staatscourant).
De commissie kreeg opdracht onderzoek te doen naar:
Op 29 januari 1998 bracht de commissie Kordes haar eerste rapport uit over de verkoop van kleinoden, afkomstig uit de kluis van Lippman-Rosenthal omstreeks 1968.
De commissie heeft op 9 december 1998 haar tweede rapport uitgebracht aan de Minister van Financiën: Archieven, tastbare goederen, claims.
Tegelijkertijd met het rapport-Kordes is de onderzoeksgids Archieven joodse oorlogsgetroffenen verschenen. De commissie-Kordes is inmiddels opgeheven.
De Begeleidingscommissie onderzoek financiële tegoeden WO-II in Nederland – De commissie Scholten (1997–1999)
Ingesteld in 1997 (niet gepubliceerd in de Staatscourant).
De commissie kreeg als taakopdracht ‘een onderzoek te verrichten naar de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel aangaande financiële tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland.’
De Begeleidingscommissie heeft haar eindrapport met de definitieve bevindingen op 15 december 1999 gepresenteerd.
De Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog – de commissie Van Kemenade (1997–2000)
Ingesteld in 1997 (niet gepubliceerd in de Staatscourant).
De Contactgroep Tegoeden Tweede Wereldoorlog, de commissie Van Kemenade, heeft zich beziggehouden met het monitoren van onderzoek naar oorlogstegoeden in het buitenland, de feitelijke systematiek van het naoorlogse rechtsherstel door nederlandse financiële instellingen (uitgevoerd door de commissie-Scholten), de commissie geeft een oordeel over het verloop van het rechtsherstel na WO II en heeft het onderzoek gedaan naar de nederlandse goudclaim. Op 27 jan 2000 heeft de commissie haar rapport gepubliceerd.
De Minister van Justitie, de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waren in 1948 betrokken bij de instelling van het Waarborgfonds Rechtsherstel.
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Hij is voornamelijk betrokken bij de vaststelling van hoogte van uitkeringen van premiebedragen.
Minister van Verkeer en Waterstaat
In 1947 werd de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb.1947, H420) door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat opgesteld. Deze gold voor zeelieden ter koopvaardij, die in verband met de in 1942 afgekondigde vaarplicht invalide waren of zouden worden en hun nabestaanden.
In 1960 werden de bevoegdheden van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat overgedragen aan de Minister onder wie Welzijn ressorteerde, destijds de Minister van Maatschappelijk Werk.
Actor die onder het zorgdragerschap van de Minister van Verkeer en Waterstaat valt:
Beroepsinstantie ex. art. 33 lid 3 WBPZ (1951–1956)
Deze beroepsinstantie is in 1952 door de Minister van Verkeer en Waterstaat ingesteld bij Besluit tot vaststelling AMvB o.g.v. WBPZ art. 33 lid 4 (Stb.1950, K554).
De hoofdtaak van deze instantie bestaat in het nemen van beslissingen op verzoeken om herziening van de beslissing inzake het buitengewoon pensioen.
Deze beroepsinstantie bestaat uit een geneeskundige en een sociale commissie.
De sociale commissie is bevoegd op een bezwaarschrift een beslissing te nemen nadat de geneeskundige comissie over de geneeskundige gronden van de bestreden beslissing uitspraak heeft gedaan. Deze uitspraak is voor de sociale commissie bindend voorzover het geneeskundige gronden betreft.
Commissies door de regering ingesteld
Commissie (geen naam bekend) (1942–1945)
Deze commissie werd door de Nederlandse regering in ballingschap ingesteld (Stcrt. 1942, 7 (uitgave Nederlandse regering te Londen)). Zij moest zich buigen over een toekomstige wachtgeld- en pensioenregeling voor de opvarenden van de koopvaardij die gedurende de oorlog onderworpen waren aan het vaarplichtbesluit. Beide regelingen dienden een ‘bijzondere belooning’ te zijn voor de door de zeelieden gedurende de oorlog bewezen diensten. De commissie diende op 28 mei 1945 een voorlopig rapport in.
Commissie Groeneveld (1946–1947)
Deze commissie werd ingesteld na de bevrijding van Nederland en de opheffing van de vaarplicht (beschikking van 18 maart 1946) en stond onder leiding van H.W. Groeneveld, die tot taak had een wetsvoorstel te ontwerpen voor een pensioen regeling die alle opvarenden van de Nederlandse koopvaardij moest omvatten. Deze commissie diende in 1947 een voorstel in voor een Vaarplichtbeloning.
Overheidsinstellingen
(in chronologische volgorde; rechtsopvolgers en anderszins gerelateerde organisaties staan echter direct onder elkaar)
Nederlands Beheersinstituut (1944–1967)
Voor het herstel van de rechten en teruggave van geroofde bezittingen is de oprichting van het Nederlands Beheersinstituut (NBI) van belang. Het NBI benoemde de beheerders/vereffenaars die tot taak hadden het vermogen van Liro aan de rechthebbenden uit te keren. Deze nieuwe instantie kreeg de naam Liquidatie van Vermögensverwaltung Sarphatistraat (LVVS). De vermogensbestanddelen van ongeveer dertienduizend joden waren bij Liro terechtgekomen en in eerste instantie dachten de beheerders/vereffenaars dat er slechts een fractie van de oorspronkelijke geroofde bezittingen verdeeld kon worden. Maar, het actief inningsbeleid van de vorderingen van Liro-LVVS, waarbij ook de rechterlijke macht is ingeschakeld, heeft het mogelijk gemaakt dat in het merendeel van de gevallen 85-90 procent van het geroofde bezit is vergoed. Groot probleem bleek echter de identificatie van de afzonderlijke rekeningen. De ontrafeling van deze zogenoemde Sammelkonto nam dan ook vier jaar in beslag.
Het NBI had overigens ook een belangrijke taak in het toezicht op bezittingen/vorderingen van ‘afwezigen’, vooral gedeporteerde en omgekomen oorlogsslachtoffers. Zo was het NBI bevoegd om bewindvoerders te benoemen over de afwezigen. Tot 1947 werden circa 20.000 bewindvoerders benoemd, waaronder de door het NBI opgerichte Stichting Bewindvoering Afwezigen en Onbeheerde Nalatenschappen (BAON).
In dit BSD wordt het NBI niet als aparte zorgdrager beschouwd, maar als onderdeel van de Raad voor het Rechtsherstel. Het archief van de NBI is samen met het archief van de Raad aan het Nationaal Archief overgedragen.
Raad voor het Rechtsherstel (1945–1967)
Ingesteld door de Nederlandse regering in ballingschap. De raad bezit rechtspersoonlijkheid.
De raad heeft tot taak het Besluit herstel rechtsverkeer uit te voeren.
De Raad bestond uit een:
De vijf eerstgenoemde afdelingen zijn bevoegd beslissingen te nemen waartegen belanghebbenden in beroep konden gaan bij de afdeling Rechtspraak.
Iedereen in Nederland die kennis droeg van de feiten die tot rechtsherstel konden leiden, was verplicht daarvan aangifte te doen bij de overheid. Dus niet alleen de gedupeerden zelf, maar ook familie, kennissen, vrienden, banken, verzekeringsmaatschappijen etc..
De afdeling Effectenregistratie ging zelfs tien jaar langer door dan de Raad, als zelfstandige eenheid. De voornaamste taak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel bestond uit het wijzen van vonnis bij eigendomsclaims over bezittingen, die burgers tijdens de Tweede Wereldoorlog waren kwijtgeraakt. Ook bemiddelde de Raad bij de totstandkoming van minnelijke schikkingen.
De Raad heeft zich in totaal over ruim 200.000 dossiers gebogen, terwijl de afdeling Rechtspraak in ruim 13.000 gevallen een uitspraak heeft gedaan. Achteraf mag worden geconcludeerd dat de Raad voor het Rechtsherstel de basis heeft gelegd voor het rechtsherstel dat zijn uiteindelijke vorm kreeg in jurisprudentie.
Het archief van de Raad voor het Rechtsherstel is reeds aan het Nationaal Archief overgedragen.
De rechtsopvolger van de Raad is het Ministerie van Justitie.
Waarborgfonds rechtsherstel (1948–1976)
Ingesteld door de afdeling effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel (Stb. I 21). Het fonds bezit rechtspersoonlijkheid.
Tot het vermogen van het fonds behoren:
De Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa heeft een regeling getroffen waarbij dit onvolledige rechtsherstel van het Waarborgfonds wordt gecompenseerd. De regeling heeft geen betrekking op geroofde effecten die na de oorlog niet zijn gerestitueerd.
Buitengewone Pensioenraad (1947–1990)°
In de oorspronkelijke wet van 1947 was de Buitengewone Pensioenraad tijdelijk geïncorporeerd als buitengewone afdeling van de Pensioenraad (voorloper van het Abp), ingesteld bij Pensioenwet 1922. De Buitengewone Pensioenraad bestond uit een voorzitter en twee buitengewone leden. De voorzitter was tevens voorzitter van de Pensioenraad. De Buitengewone Pensioenraad werd bijgestaan door de secretaris en door de geneeskundig adviseur van de Pensioenraad en diens plaatsvervanger.
Bij de totstandkoming van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet bleven de uitvoerende werkzaamheden bij de Buitengewone Pensioenraad als onderdeel van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. De Buitengewone Pensioenraad is dan een zelfstandig bestuursorgaan. De administratie wordt door het Algemeen burgerlijk pensioenfonds verzorgd.
Taken:
De Buitengewone Pensioenraad is in 1990 opgegaan in de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Voor de handelingen van de gewone Pensioenraad: zie RIO/BSD nr. 73, ‘Overheidspersoneel: arbeidsvoorwaarden’, gepubliceerd in Stcrt. 2001/200 en 201.
Stichting Administratie Indonesische Pensioenen (1951–)
Ingesteld bij notariële akte.
Het contact met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties loopt via Directoraat-Generaal Management en Personeelsbeleid (DGMOS).
De taak is opgedragen bij de Wet houdende vaststelling van een regeling ten aanzien van de Stichting tot verzorging en afwikkeling van pensioenaangelegenheden betreffende gewezen overheidspersoneel van Indonesië en hun nagelaten betrekkingen (Wet SAIP, Stb. 1955, 189) en de bijbehorende overeenkomst van 31 mei 1951. In 1956 is er een aanvullende overeenkomst gesloten tussen de stichting en de Minister onder wie Welzijn ressorteert, de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën.
Voor het deel van de handelingen die de uitkeringen betreffen aan personen in overzeese gebieden en voor bedrijfsvoeringshandelingen, zie RIO 34, Geld(t) voor Overzee, paragraaf 10.2.4.3, p. 92 e.v., en de bijbehorende selectielijst, vastgesteld bijStcrt. 1998/31.
In 1976 heeft de SAIP een overeenkomst gesloten met het ABP volgens welke de werkzaamheden die verband houden met de aan de SAIP opgedragen taken door het ABP worden uitgevoerd. Het ABP heeft die werkzaamheden onderuitbesteed aan Loyalis N.V., een zusterorganisatie naast het ABP. Formeel blijft de SAIP echter de betalende instantie en is ook voor onder andere de fiscus de inhoudingsplichtige. De feitelijke geldstromen lopen ook via de SAIP (relatie met min. van Financiën en de banken). Volgens de overeenkomst met VWS betaalt de SAIP ook de AOR uitkeringen.
De taak van de stichting is:
Uitkeringsraad (1972–1990)°
Ingesteld bij Stb. 1972, 669.
Tot 1983 bereidt ze beslissingen voor en stelt ze vast op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1972, 669)
Sinds medio 1983 berusten de voorbereiding en de uitvoering van de beslissingen bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds. Het Algemeen burgerlijk pensioenfonds draagt tevens zorg voor het opstellen van geneeskundige adviezen; daartoe wijst de directie van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds een geneeskundig adviseur aan.
De Uitkeringsraad is in 1990 opgegaan in de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (1984–1990)°
Ingesteld bij Stb. 1984, 94.
De Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers is een zelfstandig bestuursorgaan.
Haar taken:
De Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers is in 1990 opgegaan in de Pensioen- en Uitkeringsraad.
Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) (1990–)°
Ontstaan als gevolg van de Wet van 27 juni 1990 (Stb. 1990, 324), uit de samenvoeging van
Deze PUR is belast met de toepassing en de uitvoering van de
De PUR neemt de gehele toepassing en uitvoering van de wetten voor zijn rekening. De uitvoeringswerkzaamheden betreffende de drie wetten buitengewoon pensioen zijn ingevolge Wet PUR, art. 16 op contractbasis aan het ABP uitbesteed.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)