Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Oorlogsgetroffenen vanaf 1945 (Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid)
In artikel 40 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad van 27 juni 1990 wordt bepaald dat archiefbescheiden van de voorgangers van de PUR (te weten de Uitkeringsraad, de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, de Buitengewone pensioenraad en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) – voor zover nog niet overgebracht naar een archiefbewaarplaats – overgaan naar de PUR. Dat betekent dat de PUR zorgdrager wordt voor deze archieven. Daarom zijn de handelingen van de PUR en voorgangers niet in dit BSD opgenomen.
Van de PUR bestaat inmiddels een apart BSD (nog niet vastgesteld).
Stichting Informatie- en Coördinatieorgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO) (1980–2005)
In 1978 is de Stichting Informatiecentrum voor door de oorlog getroffenen (Stcrt. 1978, 157 en 245), en vervolgens de Stichting Voorlopig ICODO in het leven geroepen. De oprichting van het ICODO is een uitvloeisel van aanbevelingen die het Werk en Advies-College immateriële hulpverlening aan verzetsdeelnemers en door de bezetters vervolgden wegen ras, geloof of wereldbeschouwing (WAC) gedaan heeft. Het WAC adviseerde de regering aan het ICODO een wettelijke status te geven. Dat is gebeurd bij beschikking d.d. 24 september 1984.
De Stichting wordt bestuurd door een bestuur, waarvan de leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister onder wie Welzijn ressorteert, de Minister onder wie Volksgezondheid ressorteert en de Minister van Defensie ressorteren. Vertegenwoordigers van deze Ministers zijn aangewezen als adviseurs van het bestuur van Stichting ICODO.
De Stichting ICODO is een vraagbaak en aanspreekpunt, zowel voor oorlogsgetroffenen als voor professionele en vrijwillige hulpverleners. Het ICODO geeft oorlogsgetroffenen informatie en advies op het gebied van wetten en regelingen en bemiddelt bij het zoeken naar passende hulpverlening bij medische en psychosociale problemen. Voor de hulpverleners worden onder meer cursussen en studiedagen over oorlogs- en geweldsproblematiek georganiseerd, maar ook voor consultatie en verwijzing kunnen zij bij het ICODO terecht.
De Stichting heeft tevens tot taak besluiten te nemen in het kader van de uitvoering van de Welzijnswet 1994, het Bekostigingsbesluit welzijnsbeleid en de Subsidieregeling welzijnsbeleid, voor zover de besluiten betrekking hebben op de verstrekking van instellings- en projectsubsidies voor vrijwilligerswerk ten behoeve van oorlogsgetroffenen, hun partners en hun kinderen.
De Stichting werd voor 100 % door VWS gesubsidieerd. VWS draagt de zorg voor het archief van het ICODO. De subsidietaak van de stichting is in 1998 met een mandaatverklaring gehandhaafd; haar ZBO-status is echter vervallen.
Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. In dit centrum worden de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht .
Stichting Cogis (2005–)
Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. De stichting is wettelijk gemandateerd om besluiten te nemen tot verstrekking van subsidies aan vrijwilligersorganisaties ten behoeve van oorlogsgetroffenen, hun partners en hun kinderen. Daarnaast worden in dit centrum de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht.
Particuliere actoren
Stichting 1940–1945 (1945–)
De Stichting 1940–1945 is de voortzetting van de op 13 oktober 1944 in het leven geroepen Stichting 1940–1945 en Stichting BurgerOorlogsslachtoffers.
In 1944 kwam het Stichtingsbestuur iedere 14 dagen in het geheim bijeen totdat verraad in januari 1945 een abrupt einde maakte aan het werk. Drie bestuursleden werden gearresteerd. Zij ondergingen eenzame opsluiting tot de bevrijdingsdag.
Op 27 juni 1945 werd de Stichting 1940–1945, inmiddels legaal, weer opgericht. Al gauw was er een wijdvertakte organisatie, een federatieve samenwerking van een vijftigtal lokale en regionale organisaties.
Het werk van de Stichting kreeg in 1947 een wettelijke basis door de totstandkoming van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (WBP 1940–1945). Deze wet kent een pensioenrecht toe aan als gevolg van het verzet invalide geworden personen en aan hun nagelaten betrekkingen. De Stichting 1940–1945 werd mede belast met de uitvoering van deze wet.
Daarnaast gaf de Stichting immateriële hulp: weduwen en hun gezinnen werden bijgestaan door sociaal werkers, er werden voor hen vakantieweken georganiseerd en de kinderen konden ‘op kamp’ met de stichting ‘Het Vierde Prinsenkind’. Ook werden de kinderen in hun studie gesteund.
In de jaren ‘50 en ‘60 werd de doelgroep van de Stichting 1940–1945 uitgebreid met Engelandvaarders, gijzelaars en represailleslachtoffers, zoals in Putten.
Door de totstandkoming in 1972 van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV) kreeg de Stichting 1940–1945 een nieuwe doelgroep: zij die tijdens de bezetting vervolging hadden ondergaan vanwege hun ras, geloof, wereldbeschouwing of sexuele geaardheid.
In 1984 kwam de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) tot stand. Daardoor kwamen ook slachtoffers van bijvoorbeeld bombardementen, evacuatie en verplichte tewerkstelling in contact met de Stichting 1940–1945.
Samengevat zijn haar taken:
Sinds 2002 opereert de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (niet te verwarren met de Stichting BurgerOorlogsslachtoffers waarmee het in 1945 fuseerde) onder de vleugels van Stichting 1940–1945.
De Stichting speelt een belangrijke rol in de voorfase van de beslissing tot toekenning van een uitkering of pensioen, maar is niet de wetsuitvoerder zelf.
Aangezien de beslisbevoegdheid voor het toekennen van uitkeringen en/of pensioenen aan oorlogsgetroffenen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad berust, is de Stichting 1940–1945 niet bekleed met openbaar gezag, en valt zij derhalve niet onder de werking van de Archiefwet 1995.
Hoewel de Stichting 1940–1945 dus geen wettelijke verplichting heeft tot het opstellen van een selectielijst voor door haar gevormde archiefbescheiden, heeft zij aangegeven eraan te hechten dat haar handelingen ten aanzien van de uitvoering van de wetten m.b.t. oorlogsgetroffenen in het BSD Oorlogsgetroffenen worden opgenomen. Tevens conformeert zij zich aan de waarderingen van de handelingen.
Stichting Joods Maatschappelijk Werk (JMW) (1946–)
De originele dossiers van de sociale rapportages worden door de PUR gearchiveerd en vallen daarmee onder werking van de selectielijst van de PUR.
Het overige archief van Stichting JMW wordt momenteel beheerd door het gemeentearchief van Amsterdam. Van de adviezen aan de Minister bestaat bij de stichting nauwelijks archiefmateriaal.
De Joods Maatschappelijk Werk speelt een belangrijke rol in de voorfase van de beslissing tot toekenning van een uitkering of pensioen, maar is niet de wetsuitvoerder zelf.
Aangezien de beslisbevoegdheid voor het toekennen van uitkeringen en/of pensioenen aan oorlogsgetroffenen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad berust, is de Stichting Joods Maatschappelijk Werk niet bekleed met openbaar gezag, en valt zij derhalve niet onder de werking van de Archiefwet 1995.
Stichting Pelita (1947–)
(Het Maleise woord pelita betekent olielamp en is door de oprichters van Pelita gebruikt om aan te geven dat de stichting een lichtje in een duistere toekomst wilde zijn.)
Stichting Pelita is op particulier initiatief op 17 november 1947 opgericht.
Doelstelling destijds was het bieden van met name huisvesting maar ook andere vormen van materiële ondersteuning aan de slachtoffers van de oorlog met Japan.
In de loop van de jaren ’50 werden door Pelita ruim 600 woningen voor naar Nederland gerepatrieerde Indische oorlogsgetroffenen gebouwd. De plaatselijke comités van Pelita hielpen de Indische gerepatrieerden met raad en daad bij het zich in Nederland vestigen. De klanten van Pelita konden bij de stichting terecht voor materiële verstrekkingen in de vorm van kleding, dekens, kolen of studiefaciliteiten.
In de loop van de jaren ’60 werd het huizenbezit afgestoten ten einde de opbrengsten te kunnen benutten om de materiële hulpverlening zolang mogelijk te kunnen voortzetten.
Als in de jaren ’70 de Nederlandse samenleving onderkent dat zij een bijzondere solidariteit moet tonen met de Nederlanders die slachtoffer zijn van WO II in Europa en Azië, wordt Pelita ingeschakeld bij de uitvoering van het overheidsbeleid op dit terrein. Pelita verandert hierdoor van een vrijwilligersorganisatie in een professionele organisatie die maatschappelijke hulp- en dienstverlening biedt aan de getroffenen van de oorlog met Japan en de Bersiap-periode (de periode van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd). De oorspronkelijke vormen van hulpverlening werden ontmanteld en de taken die Pelita in de jaren ’70 toebedeeld kreeg, vormen nog altijd de kerntaak van de stichting.
De taken van Stichting Pelita zijn:
Pelita speelt een belangrijke rol in de voorfase van de beslissing tot toekenning van een uitkering of pensioen, maar is niet de wetsuitvoerder zelf.Aangezien de beslisbevoegdheid voor het toekennen van uitkeringen en/of pensioenen aan oorlogsgetroffenen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad berust, is de Stichting Pelita niet bekleed met openbaar gezag, en valt zij derhalve niet onder de werking van de Archiefwet 1995.
Hoewel de Stichting Pelita dus geen wettelijke verplichting heeft tot het opstellen van een selectielijst voor door haar gevormde archiefbescheiden, heeft Pelita aangegeven eraan te hechten dat haar handelingen ten aanzien van de uitvoering van de wetten m.b.t. oorlogsgetroffenen in het BSD Oorlogsgetroffenen worden opgenomen. Tevens conformeert zij zich aan de waarderingen van de handelingen.
Nederlands Auschwitz Comité (1956–)*
In september 1956 benaderde het Internationaal Auschwitz Comité de deelnemers aan de Polen-reis in 1952 met de vraag getuigen te zoeken voor het proces tegen de nazi-arts C. Clauberg, berucht om zijn medische experimenten in Auschwitz. Er werd een oproep geplaatst voor een openbare bijeenkomst en daarmee werd het Nederlands Auschwitz Comité geboren.
Het Comité protesteerde tegen het feit dat oud-nazi’s in Duitsland hoge functies kregen, zamelde geld in voor een internationaal monument in Auschwitz, organiseerde culturele avonden en gaf een blad uit. In de jaren zestig voerde het Comité actie tegen de verjaringstermijn van twintig jaar voor oorlogsmisdaden. Een protestdemonstratie in Amsterdam tegen de vrijlating van de nazi-politiechef Willy Lages, verantwoordelijk voor het wegvoeren van talloze Nederlandse joden, bracht duizenden mensen op de been.
Het Comité protesteerde tegen het plan van de Nederlandse regering drie andere Duitse nazi’s, Aus der Fünten, Kotälla en Fischer, die hun oorlogsmisdaden in Nederland hadden begaan, vrij te laten uit de gevangenis in Breda. Met succes, maar in 1989 kwamen ze toch vrij. Kotälla was inmiddels overleden.
De inspanningen van het Nederlands Auschwitz Comité om bij de Nederlandse regering een uitkering voor de overlevenden van de kampen te krijgen werden uiteindelijk in 1972 met succes bekroond: de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV) kwam tot stand.
Sinai centrum (1960–)*
Het Sinai Centrum is een joodse instelling voor geestelijke gezondheidszorg en instituut voor verstandelijk gehandicapten. Het enige in Europa en daarnaast gespecialiseerd in psychotraumabehandeling van joodse en niet joodse mensen die door oorlog en geweld zijn getroffen. Het heeft een landelijke en specialistische functie.
Het Sinai Centrum is opgericht in 1960, maar haar wortels liggen in 1897 toen de Vereniging Het Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht in Nederland (CIK) werd opgericht. De eerste stap op weg naar een instituut voor joodse psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten.
De CIK heeft het initiatief genomen tot de oprichting van ‘Het Apeldoornsche Bosch’ dat in 1909 geopend werd.
De instelling ontwikkelde zich tot een voor de oorlogsjaren zeer vooruitstrevend instituut. Rond het begin van de tweede wereldoorlog was het een toevluchtsoord voor vele joodse psychiatrische patiënten en verstandelijk gehandicapte kinderen, ook voor hen die als vluchteling afkomstig waren uit de buurlanden. Op 22 januari 1943 werden alle opgenomen patiënten en het op dat moment werkzame, meestal joodse, personeel door de nazi’s gedeporteerd en in Auschwitz vermoord. Vrijwel niemand keerde terug.
In 1960 werd de Sinai-Kliniek door Koningin Juliana geopend en kon de (klinische) zorg voor joodse mensen met psychische problemen en verstandelijke handicaps worden hervat. Het Sinai Centrum, zoals dat nu bestaat is voortgekomen uit een fusie in 1997 van de joodse Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg (JAGGZ, de ‘joodse RIAGG’) en de Sinai-Kliniek.
Op 3 januari 2005 is de Stichting Cogis, een samenwerkingsverband van Stichting Centrum ’45, Stichting Sinaï Centrum en ICODO, van start gegaan als nieuw landelijk kenniscentrum voor vervolging, oorlog en geweld. In dit centrum worden de functies deskundigheidsbevordering, onderzoek en voorlichting op het terrein van de hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en geweld samengebracht.
Van deze instelling zijn geen handelingen opgenomen omdat ze geen wettelijke taken uitvoert. Ze is dan ook geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet.
Algemeen burgerlijk pensioenfonds (1966–)
1966–1987 : Bestuur van het ABP: Directie van het ABP + Raad van toezicht van het ABP, ingesteld bij de ABP-wet (Stb. 1966, art. L 11) De directie bestaat uit ten hoogste vier leden, waarvan een hoofddirecteur, die door de Kroon worden benoemd, geschorst en ontslagen. De Raad bestaat uit 11 leden. De benoeming van deze leden geschiedt door de Kroon.
1988–1995: Bestuur van het ABP – Hoofddirectie van het ABP. De benoeming van de bestuursleden geschiedt door de Kroon.
Per 1 januari 1996 is de Stichting Pensioenfonds ABP opgericht. Aan het hoofd van deze private stichting staat het bestuur. De archieven van haar voorgangers vallen onder de zorg van het Bestuur van het ABP.
Taken in het algemeen:
Taak op het beleidsterrein oorlogsgetroffenen (vanaf 1983):
In artikel 40 van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad van 27 juni 1990 wordt bepaald dat archiefbescheiden van de voorgangers van de PUR (te weten de Uitkeringsraad, de Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers, de Buitengewone pensioenraad en het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds) -voor zover nog niet overgebracht naar een archiefbewaarplaats – overgaan naar de PUR. Dat betekent dat de PUR zorgdrager wordt voor deze archieven. Daarom zijn de handelingen van het ABP niet in dit BSD opgenomen.
Stichting Centrum ’45 (1971–)*
Stichting Centrum ’45 is het landelijk centrum voor de medisch-psychologische behandeling van verzetsdeelnemers, oorlogsgetroffenen en slachtoffers van georganiseerd geweld.
Direct na de Tweede Wereldoorlog vroegen medici en psychiaters al aandacht voor de lichamelijke en psychische problemen van overlevenden uit het verzet, uit concentratie- en interneringskampen en van joodse onderduikers. Er werden verschillende hulpverleningsorganisaties opgericht, maar in die tijd was men in Nederland meer bezig met wederopbouw en herstel dan met aandacht voor oorlogservaringen. Overlevenden van de Duitse en Japanse bezetting raakten daardoor in een gecompliceerde situatie, omdat ze hun belevenissen moeilijk kwijt konden. Tegelijkertijd waren hun ervaringen zo gruwelijk dat ze moeilijk te vertellen en te bevatten waren. Wegduwen van de herinneringen leek op dat moment de beste oplossing.
In de loop der jaren werd duidelijk dat men zulke oorlogservaringen niet zondermeer kan negeren, omdat het niet verwerken ervan het leven op den duur ernstig kan ontwrichten.
Bij medici en psychologen ontstond aandacht voor het ‘post-concentratiekampsyndroom’ en groeide het inzicht dat overlevenden van de kampen speciale behandeling nodig hebben.
In 1971 werd daarom de ‘Stichting Centrum Post-concentratiekamp Syndroom’ opgericht, bij de opening in 1973 gewijzigd in Stichting Centrum ’45.
Stichting Centrum ’45 is gevestigd op vier lokaties: ‘Centrum ’45’ te Oegstgeest, ‘de Vonk-Noordwijkerhout’, ‘De Vonk-Amsterdam’, ‘De Schalm’ te Amsterdam.
Van deze stichting zijn geen handelingen opgenomen omdat het een particuliere organisatie is die geen wettelijke taken uitvoert. Ze is dan ook geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet.
Kontaktgroep Van der Heul (1974–)*
De Kontaktgroep Van der Heul is genoemd naar Bertus van der Heul, die voor de oorlog Duitse immigranten te hulp kwam. Voor zijn verzetswerk in de Tweede Wereldoorlog heeft hij vier jaar in kamp Haaren gezeten.
Vanaf 1947 adviseerde hij andere verzetsmensen bij het aanvragen van een buitengewoon pensioen, vooral verzetsdeelnemers uit de linkersectie van het verzet. Steeds meer mensen gingen hem daarbij helpen, zodat in 1974 besloten werd de Kontaktgroep Van der Heul op te richten.
Momenteel legt de Kontaktgroep zich toe op praktische bijstand aan verzetsmensen en hun weduwen en kinderen. Daarnaast spreken de leden over de Tweede Wereldoorlog op scholen en in buurt- en verzorgingshuizen. De groep belegt geregeld interne bijeenkomsten met een deskundige als inleider.
Op het hoogtepunt had de groep 250 leden. Nu zijn daar ruim honderd leden van over, deels tweede-generatieleden.
Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO) (1981–)*
Voor 1972 waren burger-oorlogsgetroffenen niet georganiseerd. Hierdoor werden zij door de overheid niet als gesprekspartner gezien. Dit had tot gevolg dat de strijd om maatschappelijke en politieke erkenning van het leed van de burger-oorlogsslachtoffers weinig effectief was.
De oprichting van de werkgroep ‘Burger-oorlogsslachtoffers’ was de eerste belangrijke stap op weg naar één gezamenlijke belangenbehartiger voor de gehele ‘vergeten groep’ burger-oorlogsslachtoffers.
De centrale doelstelling van de werkgroep was politiek van aard: een eigen wettelijke regeling voor burger-oorlogsslachtoffers. Dit probeerde de werkgroep te verwezenlijken door middel van mobilisatie van zowel de achterban als de media en door middel van beïnvloeding van de gezagsdragers. Deze inspanningen kregen uiteindelijk pas op 31 maart 1984 hun bekroning. Op die datum werd de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO) van kracht.
Drie jaar vóór het inwerkingtreden van de WUBO werd de werkgroep ‘Burger-oorlogsslachtoffers’ omgezet in een stichting, de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen (SBO).
Met de oprichting van de SBO ontstond eindelijk een organisatie die namens álle burger-oorlogsslachtoffers kon spreken. De doelen die de SBO ging nastreven waren:
Het Indisch Platform (1981–)*
Het Indisch Platform is een overlegcollege van de 23 aangesloten, autonome belangenverenigingen, organisaties en stichtingen, verbonden aan de Indische Gemeenschap in Nederland. Het is gesprekspartner van de rijksoverheid met betrekking tot ‘Indische aangelegenheden’. Het doel van het Indisch Platform is het opkomen voor en het bewaken van de rechten en de belangen van de leden van de aangesloten organisaties.
Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers (VBV) (1984–)*
Het Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers is in 1984 opgericht, zowel uit onvrede over de WUV (Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945) als ook over de uitvoering van die wet door de toenmalige Uitkeringsraad.
Het VBV is een vereniging met leden. Het stelt zich ten doel de belangen te behartigen van hen die tijdens de bezetting van Nederland en voormalig Nederlands-Indië werden vervolgd en een aanvraag hebben ingediend of willen indienen bij de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR).
De vereniging heeft een bestuur bestaande uit een voorzitter, secretaris, penningmeester en vier leden. Minstens 1 maal per jaar, komen de leden in de jaarvergadering bijeen, of zo vaak als het bestuur of een groep leden het noodzakelijk vindt.
Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO) (1998–2001)*
Onafhankelijke stichting, opgericht op voorstel van de directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD).
Naar aanleiding van een aanbeveling van de commissie-Kordes heeft de Ministerraad besloten tot het houden van een grootschalig onderzoek naar de terugkeer en opvang van de joden en andere groepen oorlogsgetroffenen in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Dit onderzoek, dat is uitgevoerd SOTO, is van start gegaan met twee symposia (december 1998 resp. februari 1999). Eindpublicatie: Dr. M.P. Bossenbroek, De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Bij de Meelstreep hoort ook een aantal deelstudies.
De SOTO is geen zorgdrager omdat het geen wettelijk opgedragen taken uitvoert.
Centraal Joods Overleg (CJO) (1997–)*
Het Centraal Joods Overleg is het samenwerkingsverband van de voornaamste joodse organisaties met het doel de belangen van de joodse gemeenschap te behartigen bij de overheid en in de samenleving.
De Vereniging Centraal Joods Overleg bestaat uit zeven leden. Dat zijn:
Het CJO is mede-oprichter van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa en de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa.
Het CJO is geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet, aangezien het een particuliere instelling is die geen wettelijke taken uitvoert.
Stichting Platform Israël (SPI)*
Dit is een stichting naar Israëlisch recht, gevestigd te Israël. De stichting is mede-oprichter van de Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa en de Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa.
Stichtingen Sjoa*
De stichtingen Sjoa zijn geen zorgdrager in de zin van de Archiefwet, aangezien zij geen ZBO zijn en geen wettelijke taken uitvoeren.
Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa (SIV-Sjoa) (1999–)
De Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa in 1999 opgericht. Het doel van de Stichting is na te gaan in hoeverre iemand aanspraak heeft op een betaling uit een verzekering van een door de oorlog getroffen verzekerde die vervolgd is vanwege zijn of haar joods-zijn. Deze verzekering moet zijn afgesloten (geweest) bij een verzekeraar die lid is van het Verbond van verzekeraars. In het verlengde hiervan is het doel van de Stichting om – afhankelijk van de beoordeling door het bestuur – iemand een uitkering toe te kennen.
Stichting Individuele Effectenaanspraken Sjoa (SIE-Sjoa) (2001–)
Opgericht door het Centraal Joods Overleg en het Platform Israël.
Taken:
Stichting Individuele Bankaanspraken Sjoa (SIB-Sjoa) (2002–)
Opgericht door het Centraal Joods Overleg, Platform Israël, de Nederlandse Vereniging van Banken, de vereniging in liquidatie Vereniging voor de Effectenhandel en de Naamloze Vennootschap Amsterdam Exchanges N.V.
Taak: het afwikkelen van de individuele hierboven gemelde claims op niet opgevraagde creditgelden van vervolgingsslachtoffers bij banken in Nederland.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn in Nederland joden door de Duitse bezetter systematisch beroofd van hun goederen en rechten, waaronder ook hun rechten op Banktegoeden.
Stichting Joodse Oorlogstegoeden*
Gezien het precedentloze karakter van de Sjoa, menen het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars dat de Joodse gemeenschap de morele rechthebbende is op uitkeringen van levensverzekeringen die niet meer zullen worden opgeëist. Daarom heeft het Verbond namens zijn betrokken leden besloten een bedrag van 25 miljoen gulden ter beschikking te stellen aan de Joodse gemeenschap. Het CJO heeft de Stichting Joodse Oorlogstegoeden opgericht waarin naast de vertegenwoordigers van de bij het CJO aangesloten organisaties in elk geval vertegenwoordigers van specifieke slachtofferorganisaties zitting hebben.
De gelden van de Stichting kunnen naar individuele oorlogsslachtoffers dan wel naar andere Joodse doelen gaan, zelf te bepalen door de oorlogsslachtoffers middels een referendum. Het gedeelte van het overschot van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa dat na tien jaar zal worden overgedragen aan de Stichting Joodse Oorlogstegoeden zal op overeenkomstige wijze worden besteed. Het Verbond is geen partij bij de verdeling van de gelden van de Stichting Joodse Oorlogsslachtoffers en ondersteunt de visie dat de Joodse gemeenschap zelf moet zorgdragen voor de verdeling van de oorlogsgelden. Het is het voornemen van het CJO om ook het opgerente restant van de afkoopwaarden van polissen van Joodse vervolgden, die door verzekeraars aan de Staat zijn overgedragen, bij de regering op te vragen. Dit bedrag en andere toekomstige uitkeringen zouden dan eveneens naar de stichting gaan.
Stichting Joodse Oorlogstegoeden voert geen wettelijke taken uit. Daarom zijn de handelingen van deze stichting niet in dit BSD opgenomen.
Stichtingen Morele Aansprakelijkheid roof en rechtsherstel -gelden (MAROR) (2000–)
(Het woord Maror betekent ook bitterkruid.)
Hun taak is het beheer en de verdeling van joodse restitutiegelden.
Vanwege de verschillende herkomst van deze gelden – overheid en private sector – hebben de joodse partijen in eerste instantie twee stichtingen opgericht. De Stichting Maror-gelden Overheid (SMO), een zelfstandig bestuursorgaan onder toezicht van de Minister van Financiën, voerde het beheer over de gelden die ter beschikking zijn gesteld door de overheid. Deze stichting is per 1 januari 2005 hernoemd naar Stichting Afwikkeling Maror-gelden Overheid (SAMO) die is belast met de afwikkeling van door de SMO genomen besluiten.
Voor de gelden uit private bron werd de private Stichting Individuele Maror-gelden(SIM) opgericht. De instelling van deze privaatrechtelijke stichting heeft geen wettelijke grondslag. Later kwamen daar ten behoeve van de collectieve gelden nog bij de Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland (COM) en de Stichting Collectieve Maror-gelden Israël (SCMI).
De besluitvorming aangaande de subsidieaanvragen is voor wat betreft het overheidsgeld door de Stichting Maror-gelden Overheid gemandateerd aan haar drie Kamers:
Voor de private gelden is het bestuur van de Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland verantwoordelijk.
De leden van Kamer II en het bestuur van de Stichting Collectieve Maror-gelden Nederland vormen een personele unie.
Om redenen van efficiëntie en duidelijkheid naar de aanvrager hebben beide stichtingen voor collectieve Maror-gelden besloten gebruik te maken van één verdelingsapparaat en één stelsel van verdelingscriteria. Dat betekent dat de aanvrager met één formulier te maken heeft, en met één loket.
De uitvoering van de verdeling van zowel de individuele Maror-gelden als de collectieve Maror-gelden, is uitbesteed aan Bureau Maror-gelden, ondersteund door KPMG Management Services. De aanvraagtermijn voor individuele uitkeringen bij Bureau Maror-gelden is met ingang van 1 januari 2002 gesloten.
Omdat alleen de Stichting Maror-gelden Overheid een zelfstandig bestuursorgaan is dat onder toezicht staat van de Minister van Financiën, wordt in dit BSD alleen van die stichting de handeling opgenomen.
SAMO is een ZBO en is op grond van de Archiefwet zorddrager voor het eigen archief. Het SAMO-archief is reeds bewerkt (en wordt in 2006 overgedragen).
Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma (2001–)
Privaatrechtelijke stichting, ingesteld bij notariële akte in 2001. De stichting is door de Minister onder wie Welzijn ressorteert, aangemerkt als ZBO.
De stichting beheert en verdeelt de gelden welke door de rijksoverheid ter beschikking zijn gesteld aan Sinti en Roma ter compensatie van tekortkomingen in het na de tweede wereldoorlog jegens hen uitgevoerde rechtsherstel.
Stichting Het Gebaar (2001–)
Stichting Het Gebaar is als privaatrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) in 2001 bij notariële akte ingesteld. Ze valt als semi-overheidsinstelling onder politieke verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
De stichting beheert en verdeelt de gelden, welke door de Rijksoverheid eenmalig ter beschikking zijn gesteld aan de Indische Gemeenschap als erkenning van achteraf geconstateerde tekortkomingen in het rechtsherstel na de tweede wereldoorlog en in het overheidshandelen ter zake.
Het betreft individuele uitkeringen en voor collectieve doelen.
De stichting zal per 1-1-2008 geliquideerd worden.
Stichting Joods Humanitair Fonds (SJHF) (2002 –)
Tot 1 januari 2005 was deze stiching een privaatrechtelijke ZBO die ressorteerde onder met Ministerie van Financiën. Vanaf 1 januari 2005 is de stichting geen ZBO meer.
De instelling is niet gebaseerd op een wettelijke grondslag.
Haar taak is fondsbeheer en het verlenen van subsidies voor humanitaire projecten in centraal en oost-europa met betrekking tot ondersteuning van joodse gemeenschappen, joods onderwijs, voorlichting en hulp aan slachtoffers van conflictsituaties.
Nederlandse Museum Vereniging*
Naast het onderzoek onder begeleiding van de commissie-Ekkart, dat wordt uitgevoerd in opdracht van de staatssecretaris van OCW, bestaat er nog een onderzoek op het terrein van kunstwerken en de Tweede Wereldoorlog. Dit onderzoek is uitgevoerd onder auspiciën van de Nederlandse Museum Vereniging, een landelijke organisatie waar alle ex-rijksmusea en de meerderheid van de Nederlandse overheids- en particuliere musea bij zijn aangesloten. Doel van het onderzoek is zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de herkomst van de objecten die door de musea werden verworven in de genoemde periode. In maart 1998 namen diverse Nederlandse musea het initiatief om de aanwinsten te onderzoeken die door Nederlandse musea werden gedaan in de periode 1940-1948 en werden kaders vastgesteld waarbinnen dit onderzoek zou plaatsvinden. Een eindrapport is op 31 januari 1999 uitgebracht.
De vereniging is geen ZBO. Aan het onderzoek dat onder haar auspiciën is uitgevoerd ligt geen wettelijke taak ten grondslag. Daarom worden haar handelingen niet in dit BSD opgenomen.
Decentrale actoren
Gemeenten*
Beslissen inzake aanspraken op uitkeringen op grond van de Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1940–1945) (1950) en de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226), en berekenen en betalen de uitkering uit.
Selectielijsten
Toelichting van de volgorde van de actoren
In dit BSD worden allereerst de handelingen van de Minister onder wie Welzijn ressorteert weergegeven en daaronder de andere Ministers in alfabetische volgorde. De commissies zijn in alfabetische volgorde geplaatst onder de Minister die ze heeft ingesteld.
Het BSD wordt afgesloten met de overige actoren.
Actor: de Minister onder wie Welzijn ressorteert
NB. In de periode 1945–1953 viel Welzijn onder de Minister van Binnenlandse Zaken.
Algemene handelingen
Handeling: Het voorbereiden, (mede-)vaststellen en coördineren van het beleid op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Waardering: B 1
Handeling: Het evalueren van het beleid betreffende het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Waardering: B 2
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: Heeft betrekking op de departementale voorbereiding van wetten die in werking zijn getreden. In werking zijn (geweest):
– Algemeene Oorlogsongevallenregeling (Stb. van Nederlandsch Indië 1946, 48);
– Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1947, H313);
– Wet buitengewoon pensioen zeeliedenoorlogsslachtoffers (Stb. 1947, H420);
– Wet tot tijdelijke verhoging van de buitengewone pensioenen krachtens de WBPZ (Stb. 1951, 365);
– Wet houdende verhoging met een toeslag van de pensioenen krachtens de WBP 1940–1945 (Stb. 1954, 287);
– Wetten houdende gedeeltelijke compensatie voor de ingevolge de AOW geheven premie over een pensioen, toegekend krachtens WBP 1940–1945 (Stb.1957, 446) en WBPZ (Stb. 1957, 447);
– Wet tot het treffen van een voorziening ten behoeve van degenen, die recht hebben op een buitengewoon pensioen krachtens de WBP 1940–1945 of de WBPZ (Stb.1966, 42);
– Wet tot toekenning van gedeeltelijke compensatie voor de ingevolge de AOW en de AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen krachtens de WBP 1940–1945 en de WBPZ (Stb. 1966, 357).
– Wet tot toekenning van een uitkering ineens over perioden van het jaar 1966 aan de gerechtigden tot een buitengewoon pensioen krachtens de WBP 1940–1945 en de WBPZ (Stb. 1967, 308);
– Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb.1972, 669);
– Wet tot herziening van de pensioenbedragen ingevolge de Wetten buitengewoon pensioen, en van de grondslagen en bedragen in de Wuv per 1 juli 1976 en 1 januari 1977 (Stb. 1976, 714);
– Wet Stichting ICODO (Stb.1983, 588);
– Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1984, 94);
– Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet (Stb. 1986, 360);
– Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1990, 324);
– Wet ambtelijke grondslagen Wuv en Wubo (Stb. 1990, 642);
– Wet vaststelling van herziening van pensioenen, uitkeringen, grondslagen en bedragen ingevolge de Wetten voor oorlogsgetroffenen voor het jaar 1990 (Stb. 1992, 198).
Heeft tevens betrekking op voorstellen van ‘wetten’ die niet in het Staatsblad zijn verschenen.
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1947–
Grondslag: Wet Buitengewoon Pensioen 1940–1945, art. 1 lid 2, art. 8 lid 4 en 5, art. 11 sub a, artt. 12, 13, 24, 25 sub a, lid 4, 31, sub a, lid 1, 2, 3, 4, 6, 10 en 11, art. 32, lid 4, art. 36, lid 3, art. 46 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1954, 313, Stb. 1966, 355, Stb. 1971, 497, Stb. 1972, 68, Stb. 1977, 394, Stb. 1979, 711, Stb. 1985, 766, en Stb. 1990, 641); Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden-oorlogsslachtoffers, art. 3 lid 6, 7 en 8, art. 7 lid 4, art. 11 lid 1 en 2 sub b, art. 28a lid 1, 2, 3, 5, 6, 10 en 11, art. 32 lid 3, art. 33, lid 4, art. 39 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1966, 355, Stb. 1971, 497, Stb. 1972, 68, Stb. 1977, 394, Stb. 1979, 711, Stb. 1985, 766, Stb. 1990, 641); Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 2 lid 2, art. 15 lid 1, 2 en 3, art. 16 lid 1, art. 17 lid 1, art. 18 lid 1, art. 29 lid 2, art. 33 lid 2, art. 35 lid 1 en 5, art. 35a lid 2, art. 37 lid 3, art. 43 lid 3, art. 62 lid 1 (Stb. 1986, 360); Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 2 lid 2, art. 3 lid 6, art. 4, art. 10 lid 2, art. 25 lid 2 en 4, art. 26 lid 3, art. 32 lid 6, art. 33 lid 5, art. 39, lid 4 (Stb. 1984, 94); Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 8 lid 9, art. 18 lid 2, 4 en 6, art. 21a, art. 21 lid 4, art. 32a lid 2, art. 55 lid 1 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 395 en Stb. 1986, 355); Wet ambtelijke grondslagen Wuv en Wubo, Wet van 13 december 1990, (Stb. 1990, 642); Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 11 lid 2, art. 23 lid 2 (Stb. 1990, 324)
Product:
– Besluit tot uitvoering van art. 13 der WBP 1940–1945 (Stb. 1948, I27);
– Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945 (Stb. 1948, I28);
– Besluit tot uitvoering van art. 12 der WBP 1940–1945 (Stb. 1948, I362);
– Besluit tot uitvoering van het Vijfde Hoofdstuk der WBP 1940–1945 (Stb. 1951, 76);
– Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van deelnemers aan het verzet (Stb. 1956, 504);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 31a, eerste, vijfde, zesde en elfde lid van de WBP 1940–1945 en art. 28a, eerste, vijfde, zesde en elfde lid van de WBPZ (Stb. 1967, 126);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB als bedoeld in art. 31a, tiende lid, van de WBP 1940–1945 en art. 28a, tiende lid, van de WBPZ (Stb. 1969, 481);
– Besluit tot uitvoering van art. 11 a der WBP 1940–1945 (Stb. 1972, 99);
– Besluit begripsomschrijving loonindexcijfer buitengewone pensioenen (Stb. 1972, 480);
– Besluit draagkracht vervolgden (Stb. 1973, 329, gewijzigd bij Stb. 1979, 787, Stb. 1992, 187, Stb. 1994, 549, Stb. 2003, 325);
– Besluit ter uitvoering van het bepaalde in art. 1, tweede lid, van de WBP 1940–1945, houdende de omschrijving van de categorieën van personen op wie deze wet van overeenkomstige toepassing zal zijn (Stb. 1978, 422);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 8, vierde lid, van de Wpb 1940–1945 (Stb. 1978, 552);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 31a, zesde lid, van de WBP 1940–1945 en in art. 28a, zesde lid, van de WBPZ (Stb. 1982, 533 en 681 en Stb. 1983, 86 en 446);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 12, eerste lid, van de WBP 1940–1945 en art. 11, eerste lid, van de WBPZ (Stb. 1982, 682);
– Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers (Stb. 1984, 94);
– Besluit houdende regels betreffende de vergoeding voor het verstrekken van fotocopieën, bedoeld in art. 25a, vierde lid van de WBP 1940–1945, art. 22a, vierde lid, van de WBPZ en art. 32a, tweede lid, van de Wuv 1940–1945 (Stb. 1987, 386);
– Besluit tot vaststelling van een AMvB ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen, houdende de vaststelling van een gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet, dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds, en voor de Ziektewet (Stb. 1987, 420);
– Kortingsbesluit (Stb. 1989, 54);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB als bedoeld in art. 31a, vierde lid, van de WBP 1940–1945, art. 28a, vierde lid van de WBPZ, art. 18, vierde lid, van de Wuv 1940–1945, art. 25, vierde lid, van de Wubo 1940–1945 en art. 35, vierde lid, van de Wiv (Stb. 1988, 54, Stb. 1988, 409 en Stb. 1989, 534);
– Besluit inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo (Stb . 1991, 619)
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB als bedoeld in art. 31a, eerste lid, van de WBP 1940–1945, art. 28a, eerste lid van de WBPZ, art. 35, eerste lid, van de Wiv, art. 18, eerste lid, van de Wuv en art. 25, eerste lid, van de Wubo 1940–1945 (Stb. 1993, 25, Stb. 1995, 304 en 305);
– Rentevergoedingsbesluit wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1994, 549);
– Inkomensbesluit wetten buitengewoon pensioen (Stb. 1994, 885);
– Besluit tot uitvoering van art. 11 der WBPZ (Stb. 1949, J418);
– Besluit tot vaststelling van een AMvB, als bedoeld in art. 3, derde lid, en in art. 39 der WBPZ (Stb. 1949, J469);
– Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ (Stb. 1950, K554);
– Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stb. 1956, 506);
– Besluit inzake omschrijving van de categorieën van personen als bedoeld in art.2 tweede lid WIv, op deze wet van overeenkomstige toepassing is (Stb. 1987, 179)
– Besluit houdende regels betreffende het geneeskundig onderzoek (Stb. 1986, 596)
– KB houdende regels betreffende de vergoeding van ziektekosten (Stb. 1986, 595);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB bedoeld in art. 39, vierde lid, van de Wubo 1940–1945 (Stb. 1984, 383);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB inzake samenloop wettelijke regelingen bedoeld in art. 4 van de Wubo 1940–1945 (Stb.1984, 384);
– Besluit draagkracht burgeroorlogsslachtoffers (Stb. 1984, 385, gewijzigd bij Stb. 1994, 549, Stb. 2003, 235);
– Besluit houdende begripsomschrijving indexcijfer der lonen voor de toepassing van de Wuv 1940–1945 (Stb. 1973, 208);
– Besluit draagkracht vervolgden (Stb. 1973, 329);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, als bedoeld in art. 4, eerste lid, van de Wuv (Stb. 1978, 429);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 18, van de Wuv 1940–1945 (Stb. 1979, 206);
– Besluit houdende vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. XXXVI, eerste lid, van de Wet van 20 december 1979 (Stb. 711) (Stb. 1981, 522);
– Besluit inkomen voor de grondslagvaststelling Wuv en Wubo (Stb. 1991, 619);
– Besluit ingangsdatum voorzieningen Wuv (Stb. 1995, 269);
– Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad (Stb. 1991, 645);
– Besluit Raadskamers (Stb. 1991, 677);
– Besluit vaststelling ex artikel 31a Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (Stb. 1993, 25);
– Besluit houdende afwijking voor het jaar 1994 van het Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen (Stb. 1993, 772)
– Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1994, 282);
– Rentevergoedingsbesluit wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 1994, 549);
– Inkomensbesluit wetten buitengewoon pensioen (Stb. 1994, 886);
– Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad 1996 (Stb. 1995, 585);
– Besluit aanpassing buitengewoon pensioen per 1 januari 1995 (Stb. 1996, 131)
– Besluit aanpassing buitengewone pensioenen per 1 april 1992 en 1 januari 1993 (Stb. 1995, 304)
– Besluit aanpassing buitengewone pensioenen per 1 april 1993 (Stb. 1995, 305)
– Besluit afwijking van het Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen voor 1996 (Stb. 1995, 697)
– Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (Stb. 1996, 691)
– Aanpassingsbesluit nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. 1997, 796)
– Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stb. 2004, 282)
Waardering: B1
Handeling: Het (mede-)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’, gebaseerd op wetgeving die het beleidsterrein overstijgt.
Periode: 1945–
Product: Op basis van de Grondwet:
– Besluit vergoeding motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen 1940–1945 (Stb. 1984, 364).
Op basis van Algemene Bijstandswet:
– Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1964, 549);
– Rijksgroepsregeling Vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1971, 111)
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van Ministeriële regelingen op het beleidsterrein ‘Oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1947–
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 8 lid 5, art. 11a lid 2 en 3, art. 12a, art. 36, lid 3 en 5, art. 45 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394 en Stb. 1979, 711); Wijzigingswet WBP, art. VI (Stb. 1993, 325); WBPZ, art. 3 lid 7 en 8, art. 32 lid 3 en 4, 38, art. 35 sub d, lid 5, art. 36 lid 3 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd Stb. 1977, 394 en Stb. 1979, 711); AMvB als bedoeld in art. 3 lid 3 en in art. 39 der WBPZ, art. 9 lid 2 (Stb. 1949, J469); Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 10 lid 5 en 6, art. 15 lid 2 en 3, art. 17, art. 35 lid 1, art. 38 lid 5, art. 43 lid 3, art. 53 (Stb. 1986, 360); KB houdende regels betreffende de vergoeding van ziektekosten bedoeld in art. 15 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, art. 3 lid 2 (Stb. 1986, 595); Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 11 lid 3, art. 13 lid 2, art. 17 lid 3d (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1974, 92); Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, artt. 2a lid 2, art. 5, art. 9, 10 lid 5 en 6, art. 21, 26 lid 3 en 5, art. 27, art. 28 lid 4, artt. 31, art. 33a lid 1 en 2, art. 35, artt. 40, 44a lid 2, 47 lid 2, 66, 78 (Stb. 1984, 94, zoals gewijzigd bij Stb. 1991, 620); Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 12 lid 1 en 3, art. 13 lid 4, art. 17 lid 3, art. 26 (Stb. 1971, 111); Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 7 lid 4b, art. 8 lid 6, art. 18 lid 1, 7, 8 en art. 19 lid 7 en 9, art. 19a lid 2 en 5, art. 21a lid 2 en 3, art. 26a, art. 28 lid 3 en 4, art. 30 lid 5, art. 31 lid 5, art. 53 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 395, Stb. 1977, 494, Stb. 1983, 350); Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad, art. 18 en 24 lid 3 (Stb. 1990, 324)
Product:
– Uitvoeringsbeschikking van art. 11 sub a van de WBP 1940–1945 (Stcrt. 1972, 90);
regeling nr. CDFEZ U-49002, d.d. 21 augustus 1981, vervangen door Nadere regelen toezicht op uitgaven wetten buitengewoon pensioen (Stcrt. 1989, 111);
– Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1989, 251; vervangen door: idem (Stcrt. 1991, 243);
– Overgangsregeling behandeltermijnen (Stcrt. 1993, 120);
– Vaststelling van regelen betreffende de vergoeding van kosten wegens extra-voeding aan zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1950, 172);
– Uitvoering van art. 3, derde lid, WBPZ (Stcrt. 1951, 12); vervangen door: Regelen vergoeding kosten geneeskundige behandeling en verpleging zeelieden-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1973, 185);
– Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1989, 251);
– Inkomen uit arbeid (Stcrt. 1987, 137);
– Jeugdigengrondslag (Stcrt. 1986, 203);
– Regelen inzake de verlening van vergoedingen van kosten van behandeling en verpleging (Stcrt. 1988, 38);
– Bepaling begrip ‘inkomen’ bedoeld in art. 10, vijfde lid (Stcrt. 1984, 164);
– Vaststelling grondslag bedoeld in art. 10, zesde lid (Stcrt. 1984, 164);
– Nadere regels toezicht op uitgaven uitvoering Wubo 1940–1945 (Stcrt. 1989, 111);
– Ministeriële Beschikking van 15 december 1989, nr. DVVB/WUPO 15 074 (Stcrt. 1989, 251);
– Regeling ingangsdatum voorzieningen Wubo (Stcrt. 1995, 93);
– Richtlijnen aanvraag m.b.t. het in aanmerking komen voor een uitkering (Stcrt. 1975, 186);
– Verplichting voor uitkeringsgerechtigden inkomsten / vermogen op te geven (Stcrt. 1981, 36);
– Regeling nr. DVV/BU-U-5194, d.d. 2 juli 1984, vervangen door Nadere regelen toezicht op uitgaven uitvoering Wuv 1940–1945 (Stcrt. 1989, 111);
– Subsidieregeling dienstverlening voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1991, 243, gewijzigd bij (Stcrt. 1995, 78);
– Overgangsregeling behandeltermijnen (Stcrt. 1993, 120);
– Vaststelling rekenfactoren (jaarlijks in Staatscourant); Vaststelling bedrag bedoeld in art. 21 (Stcrt. 1984, 164, daarna nog wijzigingen);
– Vaststelling percentage en vrij te laten bedrag bedoeld in art. 28, vierde lid, onder a (Stcrt. 1984, 164) -> ibidem;
– Vaststelling vrijgesteld bedrag vermogen bij bepaling financiële draagkracht bedoeld in art. 2, tweede lid, van het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1987, 15);
– Vaststelling bedrag genoemd in art. 2, tweede lid, van het Besluit draagkracht burger-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1989, 43) -> ibidem
– Wijziging uitkeringen aan vervolgingsslachtoffers (Stcrt. 1973, 76, daarna nog diverse wijzigingen);
– Vaststelling grondslagen voor uitkeringen aan vervolgden (Stcrt. 1975, 110, idem);
– Aanpassing vrij te stellen bedrag uit inkomsten uit vermogen i.v.m. prijsindexcijfer (Stcrt. 1980, 181, idem);
– Besluit bedragen wetten uitkeringen en buitengewone pensioenen 1940–1945 en Indisch verzet (Stcrt. 1996, 24);
– Vaststelling gemiddeld premiepercentage voor de Werkloosheidswet dat ten gunste komt van het wachtgeldfonds (jaarlijks in (Stcrt.);
– Besluit vaststelling rekenpremie wachtgeldfondsen (Stb. 1996, 142, en Stb. 1996, 691);
– Wijziging bedragen vermogensvrijstelling wetten uitkeringen buitengewone pensioenen 1940–1945 (Stcrt. 1997, 15);
– Aanpassing bedragen draagkracht en vermogensvrijstelling ingevolge wetten voor oorlogsgetroffenen per 1 januari 1998 (Stcrt. 1997, 250, (Stcrt. 1999, 25, (Stcrt. 2003, 5,(Stcrt. 2003, 240,(Stcrt. 2005, 3);
– Aanpassing bedragen Besluiten draagkracht vervolgden en burger-oorlogsslachtoffers per 1 januari 1999 (Stcrt. 1999, 25);
– Herziening percentage WUVuitkeringen (Stcrt. 1999, 68);
– Aanpassing bedragen, grondslagen en percentages wetten oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1999, 163, (Stcrt. 2000, 25,(Stcrt. 2000, 128,(Stcrt. 2001, 34, Stcrt. 2001, 245,Stcrt. 2003, 12, (Stcrt. 2004, 22,(Stcrt. 2005, 13);
– Vaststelling bedrag draagkracht vervolgden per 1 januari 2000 (Stcrt. 1999, 247, (Stcrt. 2000, 246,(Stcrt. 2001, 241);
– Vaststelling percentage uitkeringen vervolgingsslachtoffers (Stcrt. 1999, 248);
– Vaststellingsregeling rekenfactor 2003 Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en Wet buitengewoon pensioen zeelieden oorlogsslachtoffers (Stcrt. 2004, 52);
– Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen (Stcrt. 2004, 282)
– Aanpassingsregeling Wuv-uitkeringen Indonesië (Stcrt. 2004, 33, (Stcrt. 2005, 56)
Waardering: B 1
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van ‘zelfstandige’ Ministeriële regelingen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product:
– Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226; vervangt: Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1940–1945);
– Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie, Stcrt. 1994, 198
Waardering: B 1
Handeling: Het verlenen van medewerking aan de voorbereiding van de vaststelling, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ waarvan de Minister onder wie Welzijn ressorteert niet de eerste ondertekenaar is.
Periode: 1945–
Product: bijv.:
– Besluit maatstaf aanpassingsmechanismen 1985 (Stb. 1985, 638 en );
– Besluit vaststelling rekenpremies Ziektewet en wachtgeldfondsen (Stb. 1992, 733)
Waardering: V, 10
Handeling: Het geven van aanwijzingen van algemene aard met betrekking tot de uitvoering van de uitkerings- en pensioenwetten voor oorlogsgetroffenen.
Periode: 1945–
Waardering: B 5
Handeling: Het opstellen van periodieke verslagen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: bijvoorbeeld jaarverslagen
Waardering: B 3
Handeling: Het beantwoorden van Kamervragen en het anderszins op verzoek incidenteel informeren van leden van of commissies uit de Kamers der Staten-Generaal op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: brieven, notities
Waardering: B 2, 3
Handeling: Het informeren van de Commissies voor de Verzoekschriften en andere tot onderzoeken van klachten uit de Kamers der Staten-Generaal en de Nationale Ombudsman naar aanleiding van klachten over de uitvoering of de gevolgen van het beleid op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: brieven, notities
Waardering: B 3
Handeling: Het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures op het beleidsterrein oorlogsgetroffenen’ en het voeren van verweer in beroepschriftprocedures voor administratief rechterlijke organen.
Periode: 1945–
Product: beschikkingen, verweerschriften
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het (mede-)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van internationale regelingen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ en het presenteren van Nederlandse standpunten in intergouvernementele organisaties.
Periode: 1945–
Product: internationale regelingen, nota’s, notities, rapporten
Waardering: B 1
Handeling: Het beantwoorden van vragen van individuele burgers, bedrijven en instellingen op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: brieven, notities
Waardering: V, 2 jaar
Handeling: Het uitvoeren van voorlichtingsactiviteiten op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: voorlichtingsmateriaal
Opmerking: Het voorbereiden en vaststellen van het voorlichtingsbeleid (voorlichting als beleidsinstrument) valt onder handeling 1.
Waardering: V, 2 jaar
B 3: 1 exemplaar van het voorlichtingsmateriaal. De voorbereidende stukken worden vernietigd.
Handeling: Het vaststellen van de opdracht en het eindproduct van een intern of extern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Grondslag: bijvoorbeeld: Regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, art. 22 lid 3 (Stcrt. 1989, 251)
Product: offertes, brieven, rapporten
Waardering: B 1, 2
Handeling: Het begeleiden van intern en extern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: notities, notulen, brieven
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het verzamelen en bewerken van gegevens ten behoeve van intern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het financieren van extern (wetenschappelijk) onderzoek op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Product: rekeningen, declaraties
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het (op aanvraag) verstrekken van subsidies aan personen, bedrijven en instellingen die actief zijn op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’.
Periode: 1945–
Grondslag: Bijvoorbeeld: Regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, artt. 2, 3 en 8 (Stcrt. 1989, 251)
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van een reglement persoonsregistratie m.b.t. ‘oorlogsgetroffenen’, conform de Wet persoonsregistraties.
Periode: 1989–
Bron: Wet persoonsregistraties, art. 19
Product: Reglement persoonsregistratie Compensatieregeling motorrijtuigenbelasting oorlogsgetroffenen (Stcrt. 1990, 237)
Waardering: B 5
Handeling: Het instellen en opheffen van commissies etc. betreffende het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ en het geven van regelen aangaande werkwijze en de vestigingsplaats van de commissies.
Periode: 1945–
Grondslag: Bijvoorbeeld Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 22 lid 1 en 2 (Stb. 1971, 111); Instellingsbesluit Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen, art. 3 (Stcrt. 1985, 44)
Product: instellingsbeschikkingen
Opmerking: Bijvoorbeeld
– Commissie van advies inzake hulpverlening op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (1952–1978);
– Commissie van Advies (1968–1971);
– Commissie van Advies (1971–1972);
– Werk- en Advies-College immateriële hulpverlening aan oorlogsslachtoffers (WAC) (1975–1978);
– Commissie voor de vereenvoudiging en coördinatie van de wetten voor oorlogsgetroffenen (1985–1987);
– Commissie Indisch Verzet (1983–);
– Begeleidingscommissie uitvoering Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (1986–);
– Begeleidingscommissie onderzoek Indische naoorlogse generatie (1992–);
– Begeleidingscommissie naar de late problematiek van Indische jeugdige oorlogsgetroffenen.
Waardering: B 4
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van (plv.) voorzitters, (plv.) secretarissen en/of (plv.) leden van commissies etc. op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’ die niet bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of Ministerieel besluit zijn ingesteld.
Periode: 1945–
Grondslag: Bijvoorbeeld Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 22 lid (Stb. 1971, 111)
Product: besluit
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden
Handeling: Het toekennen van vacatiegeld of een vaste beloning aan de leden van bij of krachtens wet, bij koninklijk besluit of bij Ministerieel besluit ingestelde commissies op het beleidsterrein ‘oorlogsgetroffenen’, aan haar (plv.) secretarissen alsmede aan deskundigen die meewerken aan de werkzaamheden van die commissies.
Periode: 1945–
Grondslag: Vacatiegeldenbesluit, artt. 1 en 2 (Stb. 1921, nr. 1452, vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1970, art. 1 (Stb. 1970, 577), vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1988, art. 1 (Stb. 1988, 205); Vacatiegeldenbesluit, art. 3 (Stb. 1921, nr. 1452, vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1970, art. 3 (Stb. 1970, 577), vervangen door Vacatiegeldenbesluit 1988, art. 3 (Stb. 1988, 205); Regeling houdende regelen maximumbedragen (Sb. 1988, 98)
Product:
– Regeling vaststelling vacatiegelden Uitkeringsraad (Stcrt. 1989, 89);
– Regeling vaststelling vacatiegelden Raad uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers (Stcrt. 1989, 89);
– Regeling vaststelling vacatiegelden Commissie Indisch Verzet (Stcrt. 1989, 89)
– Besluit toekenning Vacatiegeld (Stcrt. 1989, 212)
Opmerking: tot 1988 werd de term ‘Ministeriële beschikking’ gebruikt i.p.v. ‘Ministerieel besluit’.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking van de regeling
Handeling: Het goedkeuren van door de commissies vastgestelde reglementen, regelende de werkzaamheden van die commissie.
Periode: 1986–
Product: beschikking
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 (WBP 1940–1945)
Handeling: Het zorgdragen voor de verstrekking van gegevens omtrent te verrekenen inkomsten van in het Rijk buiten Europa woonachtige gepensioneerden in de zin der WBP 1940–1945 en der WBPZ.
Periode: 1948–
Grondslag: KB houdende regels ter uitvoering van art. 12 lid 1 van Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, tot vaststelling van voor verrekening in aanmerking komende inkomsten, van 9 augustus 1948, art. 13 (Stb. 1948, I 362); KB van 6 september 1949 als bedoeld in art. 11 lid 1, van de WBPZ, art. 12 (Stb. 1949, J 418)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het herzien van het bij de verrekening van inkomsten uit eigen vermogen vrij te stellen bedrag voor een pensioengerechtigde ingevolge de WBP 1940–1945 alsmede de WBPZ.
Periode: 1977–
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 12 sub a (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394); WBPZ, art. 12 (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 394)
Product: Herziening diverse bedragen Wuv 1940–1945, WBP 1940–1945, alsmede WBPZ (Stcrt. 1978, 41, Stcrt. 1990, 30, incl. ook Wiv en Wubo 1940–1945)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het doen van een voordracht tot benoeming, schorsing en ontslag, bij koninklijk besluit, van de (plaatsvervangend) voorzitter en de (plaatsvervangende) leden van de Buitengewone Pensioenraad, na de Buitengewone Pensioenraad en de Stichting 1940–1945 gehoord te hebben.
Periode: 1947–1990
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 21, lid 2 (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1987, 568)
Product: voordrachten
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden
Handeling: Het doen van een voordracht omtrent de vaststelling, bij koninklijk besluit, van de vergoeding voor de werkzaamheden van de leden en de plaatsvervangende leden van de Buitengewone Pensioenraad
Periode: 1947–1990
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 23 (Stb. 1947, H313)
Product: KB van 11 juli 1956, nr. 13 (niet gepubliceerd)
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden
Handeling: Het goedkeuren van een door de Buitengewone Pensioenraad aan zijn secretaris verleend mandaat, om beslissingen te nemen die voortvloeien uit de toepassing van de WBP 1940–1945.
Periode: 1985–1990
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 21, lid 7 sub b (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1985, 766)
Opmerking: De mandaatregels zijn goedgekeurd door de Minister bij besluit van 22 januari 1986.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
Handeling: Het vaststellen van voorschriften volgens welke verstrekte voorschotten worden verrekend.
Periode: 1948–
Grondslag: Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945, art. 4 (Stb. 1948, I28)
Waardering: B 5
Handeling: Het vaststellen van het vergoedingsbedrag voor de Stichting 1940–1945 dat per uitbetaald pensioenbedrag wordt vergoed
Periode: 1948–1992
Grondslag: Besluit tot uitvoering van art. 32 der WBP 1940–1945, art. 7 (Stb. 1948, I28)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging
Handeling: Het doen uitbetalen van een buitengewoon pensioen aan een verwante van een pensioengerechtigde, totdat deze onvoorwaardelijk is ontslagen uit de gevangenis, de Rijkswerkinrichting of de tuchtschool, of totdat de opvoeding van Regeringswege is geëindigd
Periode: 1947–1986
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 33, lid 2 en 3 (Stb. 1947, H313); WBPZ, art. 30, lid 2 en 3 (Stb. 1947, H420)
Opmerking: Deze handeling is in 1986 overgegaan op de Buitengewone Pensioenraad, bij wijzigingswet, Stb. 1986, 360
Waardering: V, 10 jaar na beëindiging
Handeling: Het doen uitbetalen van een deel van een buitengewoon pensioen aan een pensioengerechtigde, nadat deze onvoorwaardelijk is ontslagen uit de gevangenis, de Rijkswerkinrichting of de tuchtschool, of nadat de opvoeding van Regeringswege is geëindigd.
Periode: 1947–1986
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 3 lid 2 (Stb. 1947, H313, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1985, 766); WBPZ, art. 30, lid 3 (Stb. 1947, H420, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1986, 360)
Waardering: V, 10 jaar na beëindiging
Handeling: Het verlenen van een machtiging aan de Buitengewone Pensioenraad om een vervallen buitengewoon pensioen ingevolge de WBP 1940–1945 opnieuw toe te kennen en/of van gehele of gedeeltelijke invordering van vorderingen die uit de WBP 1940–1945 voortvloeien en aan het Rijk toekomen af te zien.
Periode: 1954–
Grondslag: WBP 1940–1945, art. 34, lid 2 en 35 sub a (Stb. 1947, H313, zoals gewijzigd bij Stb. 1954, 313)
Waardering: V, 10 jaar
Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers (WBPZ)
Handeling: Het toekennen, herzien of vervallen verklaren van een buitengewoon pensioen aan een zeeman of diens ‘nagelaten betrekkingen’.
Periode: 1960–
Grondslag: WBPZ, art. 3, art. 14 en art. 21–27 (Stb. 1947, H420)
Opmerking: Een buitengewoon pensioen kan blijvend of voorlopig worden toegekend (WBPZ, art. 4); berekening van het pensioen geschiedt op basis van de zgn. ‘pensioengrondslag’ (= jaarbedrag dat naar redelijkheid nodig is om de zeeman in staat te stellen te leven op de voet, waarop gelijksoortige valide personen gemiddeld leven ten tijde van de inwerkingtreding van de WBPZ (WBPZ, art. 7))
Waardering: B 6
Handeling: Het opstellen van een contramemorie.
Periode: 1960–
Grondslag: Besluit tot vaststelling van een AMvB, bedoeld in art. 33, vierde lid, en in art. 39 der WBPZ, art. 4 lid 3 (Stb. 1950, K554)
Opmerking: In deze contramemorie geeft de Minister zijn zienswijze weer ten aanzien van het ingediende bezwaarschrift.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het goedkeuren van een besluit van de Buitengewone Pensioenraad inzake de toekenning van een buitengewoon pensioen aan een zeeman, die daar op grond van de criteria in de WBPZ geen recht op heeft.
Periode: 1960–
Grondslag: WBPZ, art. 3, lid 5 (Stb. 1947, H420)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het verlenen van een machtiging aan de BPR om een vervallen buitengewoon pensioen ingevolge de WBPZ opnieuw toe te kennen en/of van gehele of gedeeltelijke invordering van vorderingen die uit de WBPZ voortvloeien en aan het Rijk toekomen af te zien.
Periode: 1960–
Grondslag: WBPZ, art. 31 sub a (Stb. 1947, H420, zoals gewijzigd bij Stb. 1956, 353)
Waardering: V, 10 jaar
Besluit houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers
Handeling: Het, op verzoek van de weduwe van een zeeman, herzien van een beslissing van de Buitengewone Pensioenraad omtrent de toekenning, wijziging, intrekking of weigering van een uitkering ingevolge de WBPZ.
Periode: 1960–1974
Grondslag: KB, houdende toekenning van geldelijke uitkeringen aan niet-pensioengerechtigde nabestaanden van zeelieden-oorlogsslachtoffers, art. 9 (Stb. 1956, 106)
Waardering: B 6
Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AOW en AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen
Handeling: Het toekennen van vergoeding van betaalde AOW- en AWW-premie, geheven over een pensioen dat is toegekend krachtens de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 en de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachoffers
Periode: 1957–
Grondslag: Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AOW geheven premie over een buitengewoon pensioen (Stb. 1957, 446); Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen (Stb. 1957, 447); Wet toekenning gedeeltelijke compensatie voor ingevolge AOW en AWW geheven premie over een buitengewoon pensioen (Stb. 1966, 357)
Waardering: V, 10 jaar
Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet (WIV)
Handeling: Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen een door de Buitengewone Pensioenraad ingevolge de WIv genomen besluit, het bepalen van een schorsende werking van dit beroep en het verzoeken aan de CRvB een door de BPR op grond van onjuist gebleken feiten genomen besluit in het nadeel van betrokkene te herzien.
Periode: 1986–1995
Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 46, 48 lid 3, art. 54 (Stb. 1986, 360)
Opmerking: Vanaf 1990 is ‘BPR’ gewijzigd in ‘PUR’. ‘Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep en het bepalen van een schorsende werking van dit beroep’ is als handeling vervallen in 1993; ‘Het verzoeken aan de Centrale Raad van Beroep een door haar op grond van onjuist gebleken feiten genomen beslissing in het nadeel van betrokkene te herzien’ is als handeling vervallen in 1995.
Waardering: B 6
Handeling: Het instemmen met de Buitengewone Pensioenraad met het door deze Raad van toepassing verklaren van de WIv op personen, voor wie het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn indien zij uitgesloten zouden worden van de toepassing van de WIv.
Periode: 1986–1998
Grondslag: Wet buitengewoon pensioen Indisch Verzet, art. 3 lid 2 (Stb. 1986, 360, zoals gewijzigd bij Stb. 1997, 510)
Opmerking: Vanaf 1990 is ‘BPR’ gewijzigd in ‘PUR’.
Waardering: V, 10 jaar
Regeling inzake toezicht op de uitgaven voor uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen (Ministeriële Beschikking op grond van de WBP 1940–1945, de WBPZ en de WIV)
Handeling: Het vaststellen of bijstellen van begrotingsvoorstellen van de Buitengewone Pensioenraad/ Pensioen- en uitkeringsraad en het bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
Periode: 1989–
Grondslag: Ministeriële regeling inzake toezicht op de uitgaven voor uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen, art. 3 lid 3 (Stcrt. 1989, 111: Ministeriële Beschikking op grond van de WBP 1940–1945, de WBPZ en de WIv)
Waardering: V, 7 jaar
Handeling: Het aanwijzen van een registeraccountant en andere personen voor controle op de financiële verantwoording van de Buitengewone Pensioenraad/ Pensioen- en uitkeringsraad en het bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.
Periode: 1989–
Grondslag: Ministeriële Regeling inzake toezicht op de uitgaven voor uitvoering van wetten voor oorlogsgetroffenen, artt. 4 en 5 (Stcrt. 1989, 111: Ministeriële Beschikking op grond van de WBP 1940–1945, de WBPZ en de WIv)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
Regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten
Handeling: Het geven van voorschriften aan de uitvoeringsinstelling ten aanzien van de inrichting van de administratie, van een subsidieaanvraag en van de daarbij mee te sturen begroting, van de jaarrekening, de financiële verantwoording en het verslag van de activiteiten.
Periode: 1989–
Grondslag: Ministeriële regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, art. 9 lid 4, art.19 lid 5 en (Stcrt. 1989, 251)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
Handeling: Het geven van nadere aanwijzingen aan de registeraccountant en de accountant-administratieconsulent met betrekking tot de financiële controle op de naleving van subsidievoorwaarden.
Periode: 1989–
Grondslag: Ministeriële regeling inzake verlening van subsidie van kosten voor uitvoering van bij wetten voor oorlogsgetroffenen geregelde activiteiten, art. 13 lid 3 (Stcrt. 1989, 251)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging of intrekking
Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945
Handelingnr: 50.
Handeling: Het nemen van een beslissing inzake de verstrekking van voorzieningen.
Periode: 1950–
Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945 (1950), Hoofdstuk XII
Opmerking: de voorzieningen betreffen vergoedingen:
– ter gehele of gedeeltelijke dekking van begrafeniskosten;
– ter tegemoetkoming in niet door ziekte- of ziekenhuisverzekering gedekte uitgaven in verband met lichamelijke of geestelijke gesteldheid;
– ter bestrijding van kosten van huishoudelijke hulp bij gehele of gedeeltelijke invaliditeit of ontstentenis van diegene, die gewoonlijk het huishouden voert;
– in andere bijzondere gevallen waaronder scholing, herscholing, omscholing, kredietverstrekking, uitgaven ter verkrijging of herkrijging van economische zelfstandigheid, enz.
Het gaat hier expliciet om het beslissen. In de meeste gevallen beslist het uitvoeringsorgaan zelf. Het verstrekken gebeurt ook door het uitvoeringsorgaan.
Waardering: B 6
Handeling: Het vaststellen van het bedrag voor de vergoeding van de kosten voortvloeiende uit de werkzaamheden ter uitvoering van de Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945.
Periode: 1950–
Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945, Hoofdstuk XVI.4 (1950)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het geven van voorschriften aan de uitvoerders van de regeling (B&W van gemeenten) met betrekking tot de juiste uitvoering van de Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945 en het toezicht daarop.
Periode: 1950–1960
Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945 (1950), Hoofdstuk V.5, V.10b, IX.3, XIII, XIV
Product: Rondschrijven houdende voorschriften en richtlijnen nopens Regeling Hulpverlening Oorlogsslachtoffers (1940–1945) (1950)
Waardering: B 5
Handeling: Het in beroep beslissen omtrent een door het uitvoerend orgaan of door de Directeur van de Dienst voor Maatschappelijke Zorg van het Ministerie van Binnenlandse Zaken genomen beslissing.
Periode: 1950–1960
Grondslag: Regeling hulpverlening oorlogsslachtoffers 1940–1945, hfdst. XV (1950)
Waardering: B 5
Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945
Handeling: Het opstellen van nadere regelen met betrekking tot de uitvoering en de kosten verbonden aan de uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945.
Periode: 1960–1963
Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 22 lid 1, 28 lid 1, 28 lid 2 (Stcrt. 1960, 226)
Waardering: B 5
Handeling: Het beslissen over een korting op de uitkering van een oorlogsslachtoffer dan wel op een verzoek om vergoeding van uitgaven voor een bijzondere uitkering aan een oorlogsgetroffene door het gemeentebestuur.
Periode: 1960–1963
Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 23 lid 3, art. 13 lid 2 (Stcrt. 1960, 226)
Waardering: B 6
Handeling: Het beslissen in gevallen waarin ten aanzien van de uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226) twijfel bestaat, dan wel waarin de regeling niet voorziet, na overleg met het gemeentebestuur.
Periode: 1960–1963
Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 26 (Stcrt. 1960, 226)
Waardering: B 6
Handeling: Het goedkeuren van de voortzetting van de uitbetaling ingevolge de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226) van een uitkering aan een oorlogsslachtoffer gedurende de tijd dat deze zich buiten Nederland bevindt.
Periode: 1960–1963
Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 17b (Stcrt. 1960, 226)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het beslissen in een beroep van een belanghebbende tegen een door het gemeentebestuur genomen beslissing.
Periode: 1960–1963
Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 27 (Stcrt. 1960, 226)
Waardering: B 6
Handeling: Het houden van toezicht op de juiste uitvoering van de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stcrt. 1960, 226)
Periode: 1960–1963
Grondslag: Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 25 (Stcrt. 1960, 226)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het herzien van grondslagen (inkomen), percentages en bedragen, genoemd in de Rijksgroepsregeling oorlogsslachtoffers 1940–1945.
Periode: 1969–1984
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 3 lid 3, art. 4 lid 4, art. 4 lid 2 3d (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393, Stb. 1974, 92 en Stb. 1977, 707); KB houdende nadere regelingen betreffende de herziening van uitkeringen etc., art. 1 (Stb. 1976, 456)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging
Handeling: Het aanwijzen van gevallen waarin niet alle overige inkomsten van de uitkeringsgerechtigde en van zijn echtgenote ten volle op de uitkering in mindering worden gebracht.
Periode: 1964–1974
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 13 lid 1 (Stb. 1964, 549)
Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert, is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het bepalen van het bedrag voor persoonlijke uitgaven.
Periode: 1969–1984
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 7a lid 3 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1969, 393)
Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert, is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het ‘persoonlijk bedrag’ vormt een deel van de periodieke uitkering van de alleenstaande uitkeringsgerechtigde wanneer deze verzorging of verpleging met een blijvend karakter krijgt; zie art.7a lid 1 Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffer zoals ingevoegd bij KB van 16 augustus 1969, Stb. 1969, 393.
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het bepalen dat de termijn (van drie maanden), waarbinnen de toepasselijkheid van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers nièt eindigt bij een verblijf in het buitenland, mag worden overschreden.
Periode: 1964–1984
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 1 lid 3 (Stb. 1964, 549)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het vaststellen en herzien van de grondslag van de pensioenen en uitkeringen, van de percentages en van de bedragen van extra toe te kennen vergoedingen en in te houden bedragen, zoals deze zijn omschreven in de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers.
Periode: 1969–1984
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 3 lid 3, art. 4 lid 2 (Stb. 1964, 549, zoals gewijzigd bij Stb. 1974, 92 en Stb. 1977, 707); KB houdende nadere regelingen betreffende de herziening van uitkeringen etc., art. 1 (Stb. 1976, 456)
Opmerking: De Minister is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging
Handeling: Het (vooraf) instemmen met de verstrekking van een vergoeding in de kosten van bijstand wegens een bijzondere uitkering die een bedrag van ƒ500,- per jaar te boven gaat.
Periode: 1964–1984
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 20 lid 2 (Stb. 1964, 549)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het verlenen van een bijdrage in de aan de uitvoering van Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Stb. 1964, 549) verbonden kosten.
Periode: 1964–1984
Grondslag: Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 21 (Stb. 1964, 549)
Waardering: V. 10 jaar
Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945 (WUBO)
Handeling: Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen een besluit van de Raad uikeringen burgeroorlogsslachtoffers ingevolge de Wubo.
Periode: 1984–1993
Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, artt. 47, 57, 61 (Stb. 1984, 94)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het bepalen van de plaats waar de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers zijn zetel heeft.
Periode: 1984–1990
Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 46 (Stb. 1984, 94)
Waardering: V, 10 jaar na opheffing
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de (plv.) voorzitter en de (plv.) leden van de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers.
Periode: 1984–1990
Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 46, lid 3 (Stb. 1984, 94)
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden
Handeling: Het goedkeuren van een regeling op basis waarvan de secretaris van de Raad uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers het nemen van beslissingen krijgt opgedragen
Periode: 1984–1990
Grondslag: Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940–1945, art. 47 lid 2 (Stb. 1984, 94)
Opmerking: Het gaat hier bijvoorbeeld om de ‘Mandaatregeling secretaris Rubo’; goedgekeurd bij Beschikking van de Staatssecretaris WVC (Stcrt. 1986, 119)
Waardering: V, 10 jaar
Besluit draagkracht burgeroorlogsslachtoffers
Handelingnr: 71.
Handeling: Het herzien van het percentage van het vermogen dat als zuivere inkomsten uit vermogen wordt beschouwd bij het bepalen van de draagkracht van het burgeroorlogsslachtoffer, in verband met de verstrekking van voorzieningen, verband houdend met ziekten en gebreken, zoals bedoeld in de Wubo.
Periode: 1984–
Grondslag: Besluit draagkracht burgeroorlogsslachtoffers, art. 5 (Stb. 1984, 385)
Waardering: V, 10 jaar
Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945
Handeling: Het – in individuele gevallen – bepalen dat mag worden afgeweken van het gestelde in de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945
Periode: 1971–1972
Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 1 lid 2, art. 6 lid 2, (Stb. 1971, 111)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het herzien van grondslagen, percentages, bedragen en het inkomen, zoals beschreven in de Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers 1940–1945.
Periode: 1971–1972
Grondslag: Rijksgroepsregeling vervolgingsslachtoffers, art. 12 lid 1 en 3 en art. 13 lid 4 (Stb. 1971, 111)
Opmerking: De Minister onder wie Welzijn ressorteert is hier actor samen met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Waardering: V, 10 jaar na wijziging
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (WUV)
Handeling: Het bepalen van de plaats waar de Uitkeringsraad zijn zetel heeft.
Periode: 1972–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 23 lid 1 (Stb. 1972, 669)
Waardering: V, 10 jaar na opheffing
Handeling: Het voordragen voor benoeming, schorsing en ontslag van de (plv.) voorzitter en de (plv.) leden van de Uitkeringsraad.
Periode: 1972–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 24 (Stb. 1972, 669)
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden
Handeling: Het verlenen van goedkeuring aan een reglement waarin de Uitkeringsraad zijn werkzaamheden regelt.
Periode: 1983–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, 26, lid 2 (Stb. 1972, 669)
Product: Goedkeuring verleend door de Minister bij brief van 9 januari 1984 (Stcrt. 1984, 70)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging
Handeling: Het instellen van beroep bij de Centrale Raad van Beroep tegen een besluit van de Uitkeringsraad ingevolge de Wuv 1940–1945
Periode: 1972–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 27 lid 1 t/m 4, art. 45, art. 61 lid 2b (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1977, 395)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het instemmen met het van toepassing verklaren van de Wuv op personen, voor wie het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn indien zij van de toepassing van de Wuv zouden worden uitgesloten, door de Uitkeringsraad.
Periode: 1972–1989
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 3 lid 1 (Stb. 1972, 669)
Waardering: V, 10 jaar
Handeling: Het verlenen van goedkeuring aan door de Uitkeringsraad gestelde regels omtrent het aan het ABP of aan de secretaris verlenen van een mandaat om namens de Uitkeringsraad beslissingen te nemen.
Periode: 1983–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 26 lid 2 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1983, 350)
Product: Beschikking van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur van 27 januari 1989, (Stcrt. 1989, 35)
Waardering: V, 10 jaar na wijziging
Handeling: Het benoemen, schorsen en ontslaan van de secretaris en ander personeel van het secretariaat alsmede de geneeskundig adviseurs van de Uitkeringsraad.
Periode: 1972–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 28 lid 2 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1983, 350)
Opmerking: handeling in 1983 gewijzigd in ‘het benoemen, schorsen en ontslaan van de secretaris en diens medewerkers’.
Waardering: V, 10 jaar na ontslag
V, 75 jaar bij rechtspositionele en/of pensioenrechtelijke aangelegenheden
Handeling: Het met de Uitkeringsraad en de directie van het ABP gezamenlijk treffen van een regeling waarin afspraken over verantwoordelijkheden, wijze van samenwerken en financiële verhoudingen worden vastgelegd voor zover de Wuv hierin niet voorziet.
Periode: 1983–1990
Grondslag: Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945, art. 28 lid 4 (Stb. 1972, 669, zoals gewijzigd bij Stb. 1983, 350)
Product: Samenwerkingsregeling (Stcrt. 1984, 70)
Waardering: B 5
Handeling: Het beslissen op vragen – voortkomend uit de uitvoering van de Samenwerkingsregeling of anderszins – waarover de Uitkeringsraad en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds niet tot overeenstemming weten te komen.
Periode: 1983–1990
Grondslag: Samenwerkingsregeling, art. 10 (Stcrt. 1984, 70)
Opmerking: Het gaat hier om alle vragen op het gebied van de uitvoering van de samenwerkingsregeling. Bijvoorbeeld competentievragen.
Waardering: B 5
Handeling: Het aan het ABP vergoeden van de kosten van de uitvoering van de W.U.V..
Periode: 1984–
Grondslag: Samenwerkingsregeling, § 2.1C (Stcrt. 1984, 70)
Waardering: V, 7 jaar
Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR)
Algemene opmerking mbt. de Aor: De bevoegdheden van de Gouverneur-generaal, zoals deze in de Aor zijn beschreven, worden sinds 1954 uitgeoefend door de Minister onder wie Welzijn ressorteert.
Handeling: Het instellen van plaatselijke commissies die bij uitsluiting beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit de Aor.
Periode: 1954–
Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48, Ned. Indisch Stb. 1948, 308)
Opmerking: Door de gewijzigde omstandigheden kan deze handeling vanaf 1954 gelezen worden als ‘het instellen van een commissie die met de uitvoering van de Aor wordt belast en voorstellen zal doen met betrekking tot de verder nodige voorzieningen’ (zoals gesteld in de considerans van het Instellingsbesluit Commissie Aor).
Waardering: B 4
Handeling: Het aanwijzen en (mede)inrichten van een centrale commissie die bijzondere aanwijzingen kan geven aan plaatselijke commissies ten aanzien van beslissen ten aanzien van de vaststelling, vermindering, omzetting, toekenning, herziening, voortzetting en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen voortvloeiende uit deze regeling.
Periode: 1948–1954
Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 6 lid 1 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)
Waardering: B 4
Handeling: Het nemen van beslissingen ten aanzien van toekenning, herziening en intrekking van uitkeringen en andere tegemoetkomingen aan oorlogsslachtoffers of hun nabestaanden.
Periode: 1954–
Grondslag: Algemeene Oorlogsongevallenregeling Indonesië, art. 7 (Ned. Indisch Stb. 1942, 59, zoals gewijzigd bij Ned. Indisch Stb. 1946, 48 en Ned. Indisch Stb. 1948, 308)
Product: Beschikking van de Minister van Maatschappelijk Werk van 2 juni 1960, nr. 19278, houdende regels omtrent de toekenning van een uitkering op grond van de AOR aan nabestaanden van oorlogsslachtoffers die niet tengevolge van oorlogsletsel zijn overleden (Stcrt. 1960, 106)
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)