Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Geldvoorziening vanaf 1940 (Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
– Besluit van 24 april 1975, Nr. 38, Stcrt. 1 mei 1975, Nr. 83 (Sluitingsdagen kantoren Nederlandsche Bank voor het verwisselen van bankbiljetten).
Waardering: V, 10 jaar na vervallen
Handeling: Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur, waarbij in geval van oorlog of oorlogsgevaar de verplichting der Nederlandsche Bank tot betaling harer bankbiljetten wordt opgeschort, met vaststelling van de termijn voor welke die opschorting zal gelden.
Periode: 1940–1948
Grondslag: Bankwet 1937, artikel 19
Product: Ministeriële regelingen, algemene maatregelen van bestuur inzake de verlenging van de termijn
Opmerking: De in de AMvB gestelde termijn kan door de Minister worden verlengd zo dikwijls als dat naar zijn oordeel nodig is.
Waardering: B (6)
Handeling: Het verlenen van machtigingen aan de directie van De Nederlandsche Bank om houders van bankbiljetten op te roepen deze ter inwisseling aan te bieden en het vaststellen van de termijn waarbinnen die aanbieding moet geschieden.
Periode: 1940–
Grondslag: Bankwet 1937, art. 22, lid 1 en 2
Bankwet 1948, art. 14, lid 1 en 2
Product: Ministeriële regelingen, machtigingen
Waardering: B (5)
Handeling: Bw. 1937 – Het op voordracht van de directie der Bank bij Koninklijk Besluit vaststellen van de verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening-courant saldo’s door munt of muntmateriaal (... dan wel door saldo’s bij banken in het buitenland of door buitenlands betaalbare cheques, wisselbrieven, ander handelspapier en schatkistpapier / Besluit 1942) moet zijn gedekt; het vaststellen, wijzigen en intrekken van Koninklijke Besluiten omtrent de dekking van het gezamenlijk bedrag der omloopende bankbiljetten, bankassignatiën en rekening-courant saldo’s bij de Nederlandsche Bank (artikel 3, lid 2, van het Besluit van 1 oktober 1945).
Bw. 1948 – Het bij wet vaststellen van regels inzake het geven van voorschriften omtrent de begrenzing van het gezamenlijk bedrag der omlopende bankbiljetten, bankassignatiën en credit-saldi bij De Nederlandsche Bank, mede ter bevordering van een stabiele Nederlandse geldeenheid.
Periode: 1940–
Grondslag: Bankwet 1937, art. 23, gewijzigd bij Besluit van de secretaris-generaal van het departement van Financiën van 26 maart 1942, Stcrt. Nr. 62. Het artikel werd opnieuw gewijzigd bij besluit van 1 oktober 1945, Stb. F 204;
Bankwet 1948, art. 17.
Wet van 11 januari 1956, Stb. 29, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 17 van de Bankwet 1948, art. 3
Product: K.B.’s, wetten o.a.
– Besluit van 26 maart 1940, Stb. 482, tot nadere vaststelling van de verhouding bedoeld bij artikel 23 van de Bankwet 1937.
– Wet van 11 januari 1956, Stb. 29, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 17 van de bankwet 1948.
Ministeriële regelingen, o.a.
Besluit van 27 juni 1956, Stb. 357, houdende voorschriften omtrent de begrenzing van het gezamenlijk bedrag der omlopende bankbiljetten… etc.
Opmerking: Artikel 16 van de Noodwet financieel verkeer bepaalt dat de voorschriften uit hoofde van artikel 17 van de Bankwet 1948 in geval van bijzondere omstandigheden buiten toepassing blijven.
De handeling betreft de beheersing van de geldcirculatie.
Waardering: B (5)
Handeling: Het uitvaardigen van de ter uitvoering en aanvulling van deze Verordening noodzakelijke bepalingen.
Periode: 1943–1945
Grondslag: Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied van 13 maart 1943, Verordeningenblad Nr. 29/1943, betreffende de waardeloosverklaring der bankbiljetten van 500 en 1000 gulden, art. 6
Product; Regelingen, o.a.
– Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën van 21 juli 1943, Stcrt. Nr. 147, tot aanvulling van de Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende waardeloosverklaring der bankbiljetten van 500 en van 1000 gulden (Eerste aanvullingsbesluit waardeloosverklaring bankbiljetten)
– Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën van 21 juli 1943, Stcrt. Nr. 147, tot aanvulling van de Verordening van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende waardeloosverklaring der bankbiljetten van 500 en van 1000 gulden (Tweede aanvullingsbesluit waardeloosverklaring bankbiljetten)
Opmerking: Beide besluiten traden met terugwerkende kracht in werking op 14 maart 1943.
Waardering: B (5)
Handeling: Het in uitzonderingsgevallen, volgens eigen oordeel, na 31 maart 1943 doen aannemen en na 15 april 1943 ter inwisseling aan De Nederlandsche Bank doen overleggen van bankbiljetten van 500 en van 1000 gulden van in het binnenland gevestigde eigenaren.
Periode: 1943–(…)
Grondslag: Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën van 21 juli 1943, Stcrt. Nr. 147, tot aanvulling van de Verordening van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende de waardeloosverklaring der bankbiljetten van 500 en 1000 gulden (Eerste aanvullingsbesluit waardeloosverklaring bankbiljetten), art. 1
Product; Beschikkingen
Waardering: B (6)
Handeling: Het beslissen omtrent de gevallen waarin en de wijze waarop verrekening van de in artikel 3, derde lid, der Verordening Nr. 29/1943 bedoelde andere schulden aan de staat van de persoon, die de biljetten heeft ingeleverd, dient te geschieden.
Periode: 1943–1945
Grondslag: Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën, Stcrt. Nr. 147, ter uitvoering en aanvulling van de Verordening van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende waardeloosverklaring der bankbiljetten van 500 en van 1000 gulden (Tweede aanvullingsbesluit waardeloosverklaring bankbiljetten), artikel 7, lid 3
Product; Beschikkingen
Waardering: B (6)
Handeling: Het in bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet komen aan onbillijkheden van overwegende aard, welke zich bij de uitvoering van hetgeen bij of krachtens de Verordening Nr. 29/1943 is bepaald, mochten voordoen.
Periode: 1943–1945
Grondslag: Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën, Stcrt. Nr. 147, ter uitvoering en aanvulling van de Verordening van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied betreffende waardeloosverklaring der bankbiljetten van 500 en van 1000 gulden (Tweede aanvullingsbesluit waardeloosverklaring bankbiljetten), art. 9
Product; Beschikkingen
Waardering: B (6)
Handeling: Het stellen van nadere regels ten aanzien van a) de inlevering van de waardeloos verklaarde bankbiljetten van fl. 500 en fl. 1000, en b) de inwisseling van onder a bedoelde bankbiljetten, voor zover de eigenaar der bankbiljetten bewijst dat hij sedert 13 maart 1943 onafgebroken eigenaar is geweest, resp. voor zover de eigenaar der biljetten bewijst dat hij de biljetten na 13 maart 1943 krachtens erfopvolging heeft verworven van degene die op 13 maart 1943 eigenaar was, en dat hij sedert die verwerving onafgebroken eigenaar is geweest.
Periode: 1945–(…)
Grondslag: Besluit van 10 juli 1945, Stb. F 121, houdende nadere voorschriften betreffende de waardeloos verklaarde bankbiljetten van fl. 500 en fl. 1000, art. 1
Product: Ministeriële regelingen
Waardering: B (6)
Handeling: Het per geval nader aangeven van doeleinden ter verrekening van de op een geblokkeerde renteloze rekening gecrediteerde tegenwaarde van de ingeleverde bankbiljetten van fl. 100 en door de Staat uitgegeven muntbiljetten van fl. 100.
Periode: 1945–(…)
Grondslag: Besluit van 5 juli 1945, Stb. F 115, betreffende ‘Besluit intrekking bank- en muntbiljetten van honderd gulden’, art. 2, lid 3
Product: Beschikkingen
Waardering: V, 10 jaar na vaststelling
Handeling: Het verlenen van vergunningen tot gehele of gedeeltelijke overdracht van de tegoeden op de geblokkeerde renteloze rekeningen, waarop de tegenwaarde is gecrediteerd van ingeleverde bankbiljetten van fl. 100 en door de Staat uitgegeven muntbiljetten van fl. 100.
Periode: 1945–(…)
Grondslag: Besluit van 5 juli 1945, Stb. F 115, betreffende ‘Besluit intrekking bank- en muntbiljetten van honderd gulden’, art. 2, lid 4
Product: Vergunningen, beschikkingen
Waardering: V, 10 jaar na verlening
Handeling: Het stellen van nadere voorschriften met betrekking tot de toepassing en uitvoering van dit Besluit.
Periode: 1945–(…)
Grondslag: Besluit van 5 juli 1945, Stb. F 115, betreffende ‘Besluit intrekking bank- en muntbiljetten van honderd gulden’, artikel 3
Product: Ministeriële regeling, o.a.
– Beschikking van den Minister van Financiën van 6 maart 1946, Stb. G 62, houdende vaststelling van de Beschikking na-inlevering bank- en muntbiljetten en zilverbons
Waardering: B (5)
Handeling: Het beschikken op verzoeken van eigenaars van ingeleverde biljetten om de tegenwaarde van die ingeleverde biljetten (deels) te vergoeden (op geblokkeerde rekeningen).
Periode: 1946–(…)
Grondslag: Beschikking van de Minister van Financiën van 6 maart 1946, Stb. G 62, houdende vaststelling van de beschikking na-inlevering bank- en muntbiljetten en zilverbons, art. 2, lid 1
Product: Beschikkingen
Opmerking: De Minister kan deze bevoegdheid delegeren aan de Nederlandsche Bank.
Waardering: V, 10 jaar na vaststelling
Handeling: Het overnemen en wisselen in ponden van bankbiljetten van Nederlandse vluchtelingen tot in de regeling gestelde maximale bedragen.
Periode: 1940–(…)
Grondslag: Besluit van 19 september 1940, Stb. A 13, houdende voorschrift ten aanzien van de overneming door den Staat der Nederlanden van Bankbiljetten uitgegeven door De Nederlandsche Bank
Waardering: B (6)
10.1.4. Zilverbons.
N.B. zie ook paragraaf 10.1.1 Algemene handelingen
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetgeving inzake de uitgifte en circulatie van zilverbons en muntbiljetten.
Periode: 1940–
Grondslag: Grondwet, art. 178 en 179; sinds 148 art. 184 en 185; sinds 1972 art. 191 en 192; sinds 1983 art. 106
Opmerking; Voor een overzicht van de wetten zie hfst. 6 van het RIO.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden en vaststellen van beleidsnota’s inzake de uitgifte en circulatie van zilverbons en muntbiljetten.
Periode: 1940–
Product: Beleidsnota’s
Opmerking: Het opstellen van beleidsnota’s is als zodanig niet in de grondwet opgenomen. Het maakt echter deel uit van de voorbereiding van de totstandkoming van wet- en regelgeving.
Waardering: B (1)
Handeling: Het uitgeven en intrekken van muntpapier onder de naam van zilverbons.
Periode: 1940–
Grondslag: Wet tot uitgifte van zilverbons, art. 1; art. 2; art. 8
Produkt; Zilverbons
Opmerking: De zilverbons kregen de hoedanigheid van wettig betaalmiddel.
Waardering: V, 5 jaar na produktie/intrekking
Handeling: Het vaststellen, wijzigen en intrekken van besluiten tot vaststelling van de vorm en de hoeveelheid van elk soort der uit te geven zilverbons alsmede tot het intrekken van zilverbons.
Periode: 1940–
Grondslag: Wet tot uitgifte van zilverbons, art. 1; art. 2
Product: Ministeriële regelingen, o.a.
– Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën van 16 juni 1943, Stcrt. Nr. 115, tot nadere vaststelling van het bedrag waarvoor zilverbons kunnen worden uitgegeven (N.B. Op grond van par. 1 van Verordening Nr. 23/1940, en in overeenstemming met par. 2 en 3 van verordening nr. 3/1940).
– Besluit van den secretaris-generaal van het departement van Financiën van 28 juli 1943, Stcrt. Nr. 145, tot nadere wijziging van de Koninklijke Besluiten van 31 maart 1915, Stb. 174, en van 22 april 1916, Stb. 168, o.m. betreffende den uiterlijken vorm voor zilverbons van twee en een halven gulden en van een gulden, zulks in verband met papierschaarste.
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van maandelijkse overzichten van het bedrag der uitgegeven zilverbons, ter publicatie in de Staatscourant.
Periode: 1940–
Grondslag: Wet tot uitgifte van zilverbons, art. 3
Producten: Maandoverzichten
Waardering: B (3)
Handeling: Het verlenen van machtigingen tot het inwisselen van onbruikbaar geworden, maar nog kenbare zilverbons tegen nieuwe.
Periode: 1940–
Grondslag: Wet tot uitgifte van zilverbons, art. 5
Producten: Machtigingen, beschikkingen
Waardering: V, 10 jaar na verlening
Handeling: Het ter vernietiging naar de Algemene Rekenkamer overbrengen van ingetrokken zilverbons (welke op een door de Minister van Financiën aan te geven en in de Staatscourant bekend te maken wijze van een kenteken van onwaarde zijn voorzien – bij art. 2 van de wet van 1918 aan art. 6 van de wet van 1914 toegevoegd) en het opstellen van maandelijkse overzichten van de overgebrachte zilverbons, ter publicatie in de Staatscourant.
Periode: 1940–
Grondslag: Wet tot uitgifte van zilverbons, art. 6; gewijzigd in 1918, Stb. 782.
Producten: Maandoverzichten
Waardering: B (5)
Handeling: Het vaststellen van regels (gehoord de directie der Bank) waaronder De Nederlandsche Bank kosteloos haar hulp en medewerking verleent bij de intrekking van muntbiljetten.
Periode: 1940–1948
Grondslag: Bankwet 1937, art. 15
Product: Ministeriële regelingen
Waardering: V, 10 jaar na intrekking/vervallen
Handeling: Het geven van voorschriften voor het verrichten van werkzaamheden die met de uitgifte van zilverbons in verband staan, met name voor wat betreft het registreren der stukken en het oefenen van controle.
Periode: 1940–
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1914, Stb. 378, houdende vaststelling van den uiterlijken vorm en van de hoeveelheid van elk soort der uit te geven zilverbons, art. 3
Product: Voorschriften, Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
Handeling: Het naar gelang van behoefte uitgeven van biljetten aan toonder met een waarde van fl. 0,50 en hoger, welke de houder het recht geven van een vordering op de Staat der Nederlanden tot het op het biljet uitgedrukte bedrag in Nederlandse guldens.
Periode: 1943–(…)
Grondslag: Besluit van 4 februari 1943, Stb. D 67, betreffende uitgifte van biljetten aan toonder als nieuw betaalmiddel van het Rijk in Europa, art. 1–3; Gewijzigd bij Besluit van 24 juni 1943, Stb. D 68; Besluit van 9 maart 1945, Stb. F 34; Besluit van 18 mei 1945, Stb. F 80 (vaststelling van het bedrag tot hetwelk biljetten aan toonder mogen worden uitgegeven)
Product: Biljetten aan toonder
Opmerking;b De biljetten zijn wettig betaalmiddel.
Waardering: V, 5 jaar na uitgifte
Handeling: Het bepalen van de koers van buitenlandse deviezen waartegen biljetten aan toonder in betaling worden genomen en het stellen van regels voor de beschikbaarstelling van dergelijke deviezen.
Periode: 1943–(…)
Grondslag: Besluit van 4 februari 1943, Stb. D 67, betreffende uitgifte van biljetten aan toonder als nieuw betaalmiddel van het Rijk in Europa, art. 4; Gewijzigd bij Besluit van 24 juni 1943, Stb. D 68; Besluit van 9 maart 1945, Stb. F 34; Besluit van 18 mei 1945, Stb. F 80 (vaststelling van het bedrag tot hetwelk biljetten aan toonder mogen worden uitgegeven)
Product: Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
Handeling: Het vaststellen van regelingen waarbij bepaald wordt dat de wettige betaalmiddelen, in Nederland gangbaar voor en tijdens de Duitse bezetting, ingewisseld kunnen worden tegen biljetten aan toonder, tegen een door de Minister van financiën te bepalen koers.
Periode: 1943–(…)
Grondslag: Besluit van 4 februari 1943, Stb. D 67, betreffende uitgifte van biljetten aan toonder als nieuw betaalmiddel van het Rijk in Europa, art. 5; Gewijzigd bij Besluit van 24 juni 1943, Stb. D 68; Besluit van 9 maart 1945, Stb. F 34; Besluit van 18 mei 1945, Stb. F 80 (vaststelling van het bedrag tot hetwelk biljetten aan toonder mogen worden uitgegeven)
Product: Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
Handeling: Het stellen van nadere voorschriften inzake de uitgifte, de inwisseling en de intrekking van biljetten aan toonder.
Periode: 1943–(…)
Grondslag: Besluit van 4 februari 1943, Stb. D 67, betreffende uitgifte van biljetten aan toonder als nieuw betaalmiddel van het Rijk in Europa, art. 6; Gewijzigd bij Besluit van 24 juni 1943, Stb. D 68; Besluit van 9 maart 1945, Stb. F 34; Besluit van 18 mei 1945, Stb. F 80 (vaststelling van het bedrag tot hetwelk biljetten aan toonder mogen worden uitgegeven)
Product: Ministeriële regelingen, o.a.
– Beschikking van 13 maart 1950, Nr. 82, Stcrt. 9 mei 1950, Nr. 89 (Uitgifte nieuwe muntbiljetten van fl. 1).
– Beschikking van 16 juni 1952, Nr. 139, Stcrt. 19 juni 1952, Nr. 117 (Uitgifte nieuwe muntbiljetten van fl. 2, 50).
– Beschikking van 25 oktober 1966, Nr. A6/13717, Stcrt. 1 november 1966, Nr. 212 Nummering muntbiljetten van fl. 2,50 / uitgave nieuwe serie).
– Ministerieel Besluit van 16 september 1987, Stcrt. 185, houdende regels met betrekking tot de intrekking en uitwisseling van muntbiljetten.
Waardering: B (5)
10.1.5. Noodwet Financieel verkeer.
Zie ook paragraaf 10.1.1 Algemene handelingen
N.B. De in de Noodwet Financieel Verkeer voorziene bijzondere omstandigheden hebben zich sinds 1978 nog niet voorgedaan. De wet heeft derhalve nog geen produkten opgeleverd.
Handeling: Het vaststellen van besluiten tot het in omloop brengen van noodgeld in dezelfde waarden waarin ’s Rijks Munten in omloop zijn en tot de bedragen welke in verband met de buitengewone omstandigheden nodig worden geacht, danwel het vaststellen van besluiten tot het weer buiten omloop stellen van noodgeld.
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet Financieel Verkeer, Stb. 1978/348, art. 7–10
Product: AMvB’s, Koninklijke Besluiten
Waardering: B (6)
Handeling: Het stellen van nadere regels omtrent de inlevering tegen nominale waarde in gangbare Nederlandse betaalmiddelen van buiten omloop gesteld noodgeld.
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet Financieel Verkeer, Stb. 1978/348, art. 10
Product: Ministeriële regelingen
Waardering: B (6)
Handeling: Het vaststellen van besluiten houdende een verbod tot a) het bij wege van betaling of anderzins overdragen of aannemen van ’s Rijks munten of noodgeld anders dan tegen de nominale waarde b) het aan hun bestemming onttrekken van ’s Rijks munten of noodgeld door oppotting, versmelting, verminking of anderzins c) het aanbieden of aannemen van hulpgeld.
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet Financieel Verkeer, Stb. 1978/348, art. 11
Product: Koninklijke Besluiten
Waardering: B (6)
Handeling: Het verlenen van algemene of bijzondere vergunning tot het bij wege van betaling of anderzins overdragen of aannemen van ’s Rijks munten of noodgeld anders dan tegen de nominale waarde, of tot het aanbieden of aannemen van hulpgeld.
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet Financieel Verkeer, Stb. 1978/348, art. 11
Product: Vergunningen/beschikkingen
Opmerking: Artikel 28 stelt dat een overeenkomstig een artikel 11 verleende vergunning zowel een gehele als een gedeeltelijke ontheffing kan inhouden en dat aan een vergunning voorschriften en voorwaarden kunnen worden verbonden.
Waardering: B (5)
Handeling: Het stelllen van nadere voorschriften ter bescherming van de geldcirculatie.
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet Financieel Verkeer, Stb. 1978/348, art. 12
Product: Ministeriële regelingen
Waardering: B (6)
10.1.6. Nederlands-Indië / Nieuw-Guinea.
Zie ook paragraaf 10.1.1 Algemene handelingen
Handeling: Het adviseren ten aanzien van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het gebied van het geldwezen voor Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea.
Periode: 1940–(1962)
Grondslag: Grondwet, diverse artikelen
Opmerking: Voor een overzicht van de wetten zie hfst. 6 van het RIO.
Waardering: B (1)
Handeling: Het doen van voordrachten aan de Kroon om, wanneer de behoeften der circulatie zulks nodig maken, afwijking toe te staan van het in het eerste en derde lid van artikel 3 gestelde verbod om rijksdaalders, guldens, halve guldens en zilveren pasmunt aan te munten anders dan uit zilver door versmelting van Nederlandsche of Nederlandsch-Indische munten verkregen.
Periode: 1940–(1948)
Grondslag: Indische Muntwet, artikel 3
Product: Voordrachten tot Koninklijke Besluiten
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van jaarrekeningen ten behoeve van de Staten-Generaal ter verantwoording van de bedragen welke besteed zijn tot aankoop of ontvangen zijn wegens verkoop van Nationale/Nederlandsch-Indische Schuld ten laste, danwel ten bate van ‘Het Fonds uit de zuivere winsten, verkregen uit de aanmuntingen voor rekening van Nederlandsch-Indië’. [mvf]
Periode: 1940–(1948)
Grondslag: Indische Muntwet, artikel 4
Product: Jaarrekeningen
Waardering: B (3)
Handeling: Het (mede-)opstellen van jaarlijkse opgaven ter publicatie in de Staatscourant en de Javasche Courant van de hoeveelheid munten die van elke muntsoort voor rekening van den lande is aangemunt en van Regeringswege is ingetrokken.
Periode: 1940– (1948)
Grondslag: Indische Muntwet, artikel 10
Product: Jaaropgaven
Waardering: B (3)
10.2. Actor: Ambtenaren belast met de ontvangsten voor de kassen van openbare lichamen
Handeling: Het doen van aangifte bij de officier van Justitie van het in handen krijgen van munten, bankbiljetten, zilverbons en muntbiljetten welke vermoed worden vals, vervalst of geschonden te zijn.
Periode: 1948–1987
Grondslag: Muntwet 1948, art. 8, lid 3
Product: Processen-verbaal van aangifte
Waardering: V, 10 jaar na dato
10.3. Actor: Muntcommissie 1945
Handeling: Het adviseren van de Minister ten aanzien van de te nemen maatregelen tot zuivering van de bestaande muntcirculatie, de inrichting van de muntcirculatie in de toekomst en de eventuele codificatie van muntvoorschriften
Periode: 1945–1949
Instelling: Beschikking van de Minister van Financiën van 26 juli 1945, GT, Afd. GW, nr. 52
N.B. Opgeheven bij Beschikking van 20 juni 1949, GT, Afd. BGW, nr. 119
Product: Advies
Waardering: B (1)
10.4. Actor: Commissie van advies inzake de beeldenaar
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de keuze van een ontwerp voor het borstbeeld van koningin Wilhelmina, later koningin Juliana, ten behoeve van de voorzijde van ’s Rijks munten.
Periode: 1947–1950
Instelling: Beschikking van de Minister van Financiën en de Minister van OKW van 14 mei 1947
N.B. Opgeheven bij Beschikking van 26 mei 1950, GT, Afd. BGW, nr. 320
Product: Advies
Waardering: B (1)
10.5. Actor: Muntcommissie 1968 (Commissie Stevers)
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën over de samenstelling van een toekomstige muntreeks.
Periode: 1968–1971
Instelling: 16 oktober 1968
Product: Advies (1971)
Waardering: B (1)
10.6. Actor: Commissie op de beeldenaar 1980/Verlengde Commissie op de beeldenaar in verband met de Bicentennial-munt
N.B. Na 1981 heeft deze commissie zijn werkzaamheden voortgezet als de Verlengde Commissie op de beeldenaar in verband met de Bicentennial-munt (1982).
In 1983 werd een Commissie Willem van Oranje Herdenkingsmunt in het leven geroepen, die moest gaan adviseren over de keuze van een ontwerp van de voor- en keerzijde van de in 1984 uit te geven munt ter herdenking van de 400ste sterfdag van Willem van Oranje.
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën over de keuze van een ontwerp voor het borstbeeld van koningin Beatrix ten behoeve van de voorzijde van ’s Rijks munten, alsmede over de keuze van een ontwerp voor de afbeelding op de keerzijde daarvan.
Periode: 1980–1982
Instelling: Beschikking van de staatssecretaris van Financiën van 19 november 1980, Nr. 380–15509, GT/DBG/FMI/FIB, Stcrt. 1980, Nr. 228
Product: Advies (1981)
Waardering: B (1)
10.7. Actor: Commissie contouren numismatisch beleid
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën over de hoofdlijnen van het numismatisch beleid.
Periode: 1984
Instelling: Beschikking van de staatssecretaris van Financiën van 15 maart 1984, Nr. 384–2607, GT/DBG/FMI/FIB, Stcrt. 1984, Nr. 57
Product: Advies (1981)
Waardering: B (1)
10.8. Actor: Commissie bijzondere muntuitgiften 1987 en 1989
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën over de keuze van beeldenaars van de munt die in 1987 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het 50-jarig huwelijksfeest van prinses Juliana en prins Bernhard, alsmede van de munt die in 1989 wordt uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van koning stadhouder Willem III en zijn gemalin koningin Mary Stuart.
Periode: 1986–(…)
Instelling: Beschikking van de staatssecretaris van Financiën van 3 juni 1986, Nr. 386–4245, GT/DBG/FMI, Stcrt. 1986, Nr. 115
Product: Adviezen
Waardering: B (1)
10.9. Actor: Werkgroep privatisering ’s Rijks Munt
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de mogelijkheden tot privatisering van de activiteiten van ’s Rijks Munt.
Periode: 1988–1989
Instelling: Beschikking van de Minister van Financiën van 21 april 1988, nr. ....
Product: Rapport (1989)
Waardering: B (1)
10.10. Actor: Commissie bijzondere muntuitgiften 1990 en 1991
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën over de keuze van beeldenaars van de munt die in 1990 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het feit dat in 1990 het Koninkrijk der Nederlanden 100 jaar ononderbroken door vorstinnen wordt geregeerd, alsmede van de munt die in 1991 wordt uitgegeven ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig huwelijksfeest van Koningin Beatrix en Prins Claus.
Periode: 1989–(…)
Instelling: Beschikking van de staatssecretaris van Financiën van 16 januari 1989, GT/BGW/FMI88/1433
Product: Adviezen
Waardering: B (1)
10.11. Actor: ’s Rijks Muntmeester / ’s Rijks Munt
Handeling: Mw. 1901 – Het slaan van gouden munten ten behoeve van een ieder die dat wenst, alsmede het slaan van pasmunt uitsluitend voor rekening van het Rijk.
Mw. 1948 – Het slaan van munten met de status van wettig betaalmiddel ten behoeve van de overheid, het slaan van gouden dukaten ten behoeve van de overheid en anderen dan de overheid.
Mw. 1987 – Het vervaardigen en controleren van munten, de stempels en de ontwerpen van stempels voor munten van het Rijk.
Periode: 1940–
Grondslag: Muntwet 1901, art. 3
Muntwet 1948, art. 5, lid 1 en 3
Muntwet 1987, art. 6, lid 2
Produkt: Munten met de status van wettig betaalmiddel, andere munten
Opmerking: De mogelijkheid van het slaan van gouden munten ten behoeve van anderen dan de overheid is vervallen bij Wet van 14 oktober 1982, Stb. 593.
Waardering: B (5)
Handeling: Mw. 1901 – Het onderzoeken en beoordelen van door particulieren danwel ambtenaren, met ontvangsten voor de kassen van openbare lichamen of instellingen belast, ingestuurde munten die vermoed worden vals, vervalst of opzettelijk geschonden te zijn.
Mw. 1948 – Het beoordelen, in beslag nemen, aan de omloop onttrekken of weder in omloop brengen van munten, welke vermoed worden vals, vervalst of geschonden te zijn.
Periode: 1940–1987
Grondslag: Muntwet 1901, art. 17
Muntwet 1948, art. 9; gewijzigd bij Wet van 22 mei 1958, Stb. 296
Produkt: Processen-verbaal inzake de beoordeling van munten
Waardering: B (5)
Handeling: Het vaststellen van een vergoeding voor munten die naar het oordeel van ’s Rijks Muntmeester vals, vervalst of geschonden zijn.
Periode: 1987–
Grondslag: Muntwet 1987, art. 9, lid 2; art. 9, lid 3
Produkt: Processen-verbaal inzake de beoordeling van munten
Waardering: V, 10 jaar na vaststelling van de vergoeding
Handeling: Het opmaken van jaarlijkse verslagen omtrent de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt en de toestand van het Nederlandse muntwezen ten behoeve van de Minister.
Periode: 1987–
Grondslag: Muntwet 1987, art. 12
Produkt: Jaarverslagen
Waardering: B (3)
Handeling: Het innemen van munten, waarvan de Minister van Financiën heeft bepaald dat zij aan de omloop dienen te worden onttrokken en welke hem door de comptabelen van ’s Rijks belastingen en domeinen, de directeuren der kantoren van de PTT of de directie van De Nederlandsche Bank zijn toegezonden, danwel het innemen, vergoeden of weder in omloop brengen van munten welke hem op basis van artikel 10 zijn toegezonden.
Periode: 1948–1987
Grondslag: Besluit van 31 juli 1948, Stb. I 349, art. 2 en 3, tot uitvoering van artikel 10, lid 2, der Muntwet van 1948
Waardering: B (5)
Handeling: Wet 1909 – Het vervaardigen, controleren en goedkeuren van alle munten en stempels voor de munten van het Rijk en van zijn Koloniën en bezittingen.
N.B. In bijzondere gevallen kan voor wat betreft de muntstempels van deze bepaling worden afgeweken
Wet 1955 – Het vervaardigen en controleren van alle munten van Nederland; het vervaardigen en controleren van stempels en ontwerpen van stempels voor munten van Nederland.
N.B. In bijzondere gevallen kunnen met ‘onze goedkeuring munten elders worden vervaardigd’ (art. 5, lid 3)
Periode: 1940–1987
Grondslag: Wet toezicht 1909, art. 2; art. 3; art. 7
Produkt: Munten/stempels voor munten; processen-verbaal van goedkeuring (wet 1909)
Wet toezicht 1955, art. 5, lid 1–2
Waardering: B (5)
Handeling: Het onderzoeken van alle munten die als verdacht van valschheid, vervalsching of schennis aan hem zijn opgezonden, alsmede het doen van uitspraak in geschillen van allooi en essai, wanneer die geschillen aan ’s Rijks Munt geleverd muntmateriaal betreffen.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Wet toezicht 1909, art. 8
Produkt: Processen-verbaal inzake de beoordeling van munten
Waardering: B (5)
Handeling: Wet 1909 – Het opstellen van verslagen omtrent de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt in het afgelopen kalenderjaar aan de Minister van Financiën (ter overlegging door ‘Ons’ aan de Staten-Generaal).
1955 – Het ten behoeve van de Minister van Financiën opstellen van jaarlijkse verslagen omtrent de werkzaamheden aan ’s Rijks Munt.
Periode: 1940–1987
Grondslag: Wet toezicht 1909, art. 9
Wet toezicht 1955, art. 10
Produkt: Jaarverslagen
Waardering: B (3)
Handeling: Het optreden als (getuige) deskundige in alle burgerlijke en strafgedingen, waarvan de beslissing afhangt van die van een geschilpunt omtrent valschheid, vervalsching of schennis van munten of omtrent allooi of essai.
Periode: 1940–1987
Grondslag: Wet 1909, art. 13
Wet 1955, art. 12; vgl. art. 13
Produkt: ‘Berichten’ van de muntmeester
Waardering: B (5)
Handeling: Het voorlichten van de Minister van Financiën omtrent alle punten het muntwezen betreffende; het doen van voorstellen aan de Minister van Financiën ter bevordering van de belangen van het muntwezen.
Periode: 1940–1987
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 5;
Besluit van 24 december 1957, Stb. 560, houdende nadere regelen omtrent de inrichting van de dienst van ’s Rijks Munt, art. 4, lid 1–2
Produkt: Adviezen, voorstellen
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van processen-verbaal inzake het onderzoek en het goedbevinden van nieuw vervaardigde van ’s Rijks Munt afgeleverde munten.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 12
Produkt: Processen-verbaal van goedkeuring
Opmerking; Zie ook handeling 42, art. 7 van de Wet Toezicht 1909.
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van maandelijkse opgaven ten behoeve van de Minister van Financiën van de soorten en hoeveelheden der in de afgelopen maand opgebrachte en goedgekeurde munten en medailles, onder toevoeging van de door de ambtenaren der controle met betrekking tot die munten uitgebrachte rapporten.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 13
Produkt: Maandopgaven
Waardering: B (3)
Handeling: Het in ontvangst nemen, verifiëren en beoordelen van alle munten, die hem zijn toegezonden, omdat zij op grond van het bepaalde bij art. 18 der Muntwet 1901 moeten worden ingetrokken en vermunt (betreft gebrekkig bewerkte munten, afgesleten munten, tienguldenstukken en vijfguldenstukken die door slijting in gewicht zijn gedaald).
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 14
Produkt: Rapporten/processen-verbaal van beoordeling
Waardering: B (5)
Handeling: Het beoordelen van alle munten, die als verdacht van valschheid, vervalsching of opzettelijke schennis zijn aangehouden en aan zijn onderzoek onderworpen; het doen van uitspraak in geschillen van allooi en essaai.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 15 en art. 16
Produkt: Rapporten/processen-verbaal
Waardering: B (5)
HANDELING Het doen van mededeling aan de Minister van Financiën van alles wat ter kennis van het Ministerie van Justitie moet worden gebracht.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 20 (nader vastgesteld bij Besluit van 14 september 1935, Stb. 573)
Produkt: Mededelingen, rapporten
Waardering: V, 5 jaar na mededeling
Handeling: Het op gewicht en zo nodig gehalte doen onderzoeken (door de afdeling controle) van alle ter versmelting aan ’s Rijks Munt voor rekening van het Rijk of zijne koloniën en bezittingen aangevoerde of vandaar te verzenden munt- of medaillemetalen, munten en medailles, alsmede van alle ter versmelting inkomende munten en muntmaterialen, die door anderen zijn ingezonden; het doen van uitspraak in geval van geschillen met particulieren.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 25 en art. 26
Produkt: Rapporten/processen-verbaal
Waardering: B (5)
Handeling: a) Het opstellen van rekeningen van alle aanmuntingen voor het Rijk of zijn koloniën en bezittingen, ten behoeve van de Algemene Rekenkamer;
het opstellen van maandelijkse staten van ontvangsten en uitgaven over de voorafgaande maand, ten behoeve van de Algemene Rekenkamer;
het opstellen van jaarlijkse rekeningen betreffende de in elk der maanden van het laatst verlopen kalenderjaar door hem gedane ontvangsten en uitgaven, ten behoeve van de Algemene Rekenkamer;
het ten behoeve van de Algemene Rekenkamer opstellen van jaarlijkse verantwoordingen van het in het laatstverlopen kalenderjaar door hem ontvangen munt- en medaillemateriaal.
Het opstellen van rekeningen van elke aanmunting, ontmunting of vervreemding van muntmateriaal voor rekening van Nederland, ten behoeve van de Algemene Rekenkamer (afschrift naar de Minister);
het opstellen van maandelijkse staten van inkomsten en uitgaven over de voorafgaande maand, ten behoeve van de Algemene Rekenkamer (afschrift aan de Minister);
het ten behoeve van de Algemene Rekenkamer opstellen van jaarlijkse recapitulaties betreffende de in elk der maanden van het voorgaande jaar ontvangen en verzonden munten en van verantwoordingen van het in het voorgaande jaar ontvangen en afgeleverde munt- en medaillemateriaal (afschriften aan de Minister).
Periode: 1940–1987
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 27; art. 28; art. 30
Besluit van 24 december 1957, Stb. 560, houdende nadere regelen omtrent de inrichting van de dienst van ’s Rijks Munt, art. 11; art. 12; art. 13
Produkt: Rekeningen van aanmuntingen, maandstaten van inkomsten en uitgaven, jaarrekeningen van inkomsten en uitgaven, jaaroverzichten van ontvangen munt- en medaillemateriaal
Waardering: Jaarstaten/-overzichten: B (3)
Maandstaten/-overzichten: V, 5 jaar na vaststelling jaaroverzichten
Handeling: Het onderhands verkopen van het metaal vervat in bij hem overgebrachte, uit Nederlands-Indië afkomstige valse munten.
Periode: 1940–(1949)
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 29
Waardering: V, 10 jaar na verkoop
Handeling: Het stellen van zekerheden ten behoeve van de staat tot een door de Minister van Financiën te bepalen bedrag.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 31
Waardering: V, 10 jaar na vaststelling
Handeling: Het opstellen van begrotingen van inkomsten en uitgaven van ’s Rijks Munt voor het komende dienstjaar, ter toezending aan de Minister van Financiën.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 23 september 1909, Stb. 318, houdende regeling van de inrichting van den dienst van ’s Rijks Munt, art. 32
Waardering: B (3)
Handeling: Het onder voorwaarden en tegen een vastgestelde prijs slaan van gouden tien-guldenstukken, vijf-guldenstukken en dukaten uit door particulieren geleverd goud, voor een ieder die dat wenst en voorzover de werkzaamheden ten behoeve van het Rijk dat niet verhinderen.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het Rijk aan ’s Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd, art. 1 ev.
Produkt; Gouden munten
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van kwartaalrapporten over de exploitatie van ’s Rijks Munt ten behoeve van de Minister van Financiën.
Periode: 1958–1987
Grondslag: Besluit van 24 december 1957, Stb. 560, houdende nadere regelen omtrent de inrichting van de dienst van ’s Rijks Munt, art. 4, lid 4
Produkt; Kwartaalrapporten/-rekeningen
Waardering: B (3)
Handeling: Het op basis van prijscalculaties (volgens richtlijnen van de Minister van Financiën) vaststellen van de bedragen die in rekening worden gebracht voor de aanmaak van munten, niet genoemd in artikel 2 van de Muntwet 1948, van medailles en van stempels.
Periode: 1958–1987
Grondslag: Besluit van 24 december 1957, Stb. 561, tot vaststelling van de voorwaarden waaronder voor rekening van anderen dan Nederland aan ’s Rijks Munt bepaalde werkzaamheden kunnen worden verricht, art. 2
Produkt; Offertes
Waardering: B (5)
10.12. Actor: Commissie voor het muntwezen
Handeling: Het in opdracht van de Minister van Financiën onderzoeken of nieuw vervaardigde munten aan de wettelijke eisen van gewicht en gehalte voldoen, wanneer de Muntmeester dat wenselijk acht op grond van het feit dat hij zich niet kan verenigen met de resultaten van het onderzoek van de ambtenaren der controle van de Munt.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Wet toezicht 1909, art. 7
Produkt: Verklaringen van goedkeuring (processen-verbaal)
Waardering: B (5)
Handeling: Het opstellen van jaarlijkse verslagen (‘aan Ons’, t.b.v. de Staten-Generaal) van haar bevindingen inzake het onderzoek van nieuw vervaardigde en door de muntmeester goedgekeurde en uitgeleverde munten.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Wet toezicht 1909, art. 12
Produkt: Jaarverslagen
Waardering: B (3)
Handeling: Het onderzoeken van monsters bedoeld in artikel 12, lid 1, van de Muntwet 1901, alsmede van munten die in het afgelopen jaar nieuw zijn vervaardigd en van ’s Rijks Munt zijn afgeleverd.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Besluit van 19 maart 1910, Stb. 88, tot uitvoering van artikel 12, 2de lid, der wet van 28 mei 1901, Stb. 130, art. 1–13
Produkt: Rapporten/processen-verbaal
Waardering: B (5)
10.13. Actor: Commissie voor benoeming tot Essaieur van ’s Rijks Munt of van de controle bij ’s Rijks Munt
Handeling: Het examineren en van akten van toelating voorzien van hen die voor een benoeming tot essaieur van ’s Rijks Munt of van de controle bij ’s Rijks Munt in aanmerking (willen) komen.
Periode: 1940–1957
Grondslag: Wet toezicht 1909, art. 10
Produkt: Akten van toelating
Waardering: B (5)
10.14. Actor: De Bankraad
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling, wijziging en intrekking van besluiten houdende voorschriften omtrent de begrenzing van het gezamenlijk bedrag der omlopende bankbiljetten, bankassignatiën en creditsaldi in rekening-courant bij De Nederlandsche Bank.
Periode: 1956–(…)
Grondslag: Wet van 11 januari 1956, Stb. 29, houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 17 van de Bankwet 1948, art. 3
Produkt: Adviezen
Waardering: B (1)
10.15. Actor: Commissie Willem van Oranje Herdenkingsmunt
Handeling: Het adviseren van de Minister van Financiën over de keuze van een ontwerp van de voor- en keerzijde van de in 1984 uit te geven munt ter herdenking van de 400ste sterfdag van Willem van Oranje.
Periode: 1983–1984
Produkt: Adviezen
Waardering: B (1)
11. Actor onder de zorg van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (1940–)
11.1. Actor: de Minister van Koloniën /de Minister zonder portefeuille /de Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen (1940–)
Handeling: Het adviseren ten aanzien van de totstandkoming, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur.
Periode: 1940–(…)
Grondslag: (Muntwet 1909, art. 2; art. 3; art. 12)
Produkt: Adviezen met betrekking tot algemene maatregelen van bestuur (o.a.)
– op basis van artikel 12 van de Wet 1901
Besluit van 19 maart 1910, Stb. 88, tot uitvoering van artikel 12 der wet van 28 mei 1901, Stb. 130, etc. (Besluit tot regeling van het onderzoek van munten door de Commissie voor het Muntwezen
– op basis van artikel 2 en 3 van de Wet 1901
Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden, waaronder voor rekening van anderen dan het Rijk tot regeling aan ’s Rijksmunt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd.
– indirect op basis van artikel 2, lid 2, van de Wet 1901
Besluit van den 30sten december 1933, Stb. 811, regelende de kosten van aanmunting ten behoeve van het Rijk, van Nederlands-Indië, van Suriname en van Curaçao.
N.B. In de aanhef van dit Besluit wordt verwezen naar artikel 2, tweede lid, van de Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt, naar de Muntwet van 1901, naar de Indische Muntwet 1912, naar het gewijzigde Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, en naar het Besluit van 3 februari 1913, Stb. 90, gewijzigd bij Besluit van 2 september 1919, Stb. 128.
– indirect op basis van artikel 3, lid 3, van de Wet 1901
Besluit van den 29sten december 1911, Stb. 390, regelende de voorwaarden waaronder voor rekening van ’s’Rijks Koloniën en Bezittingen stempels – geen muntstempels of medaillestempels zijnde – en hulpmiddelen – geen stempels zijnde – aan ’s Rijks Munt kunnen vervaardigd worden .
N.B. In de aanhef van dit Besluit wordt verwezen naar artikel 3, derde lid, van de Wet houdende bepalingen omtrent het toezicht en de zorg over de zaken der Munt; dit artikel voorziet in het bij AMvB stellen van voorwaarden inzake de vervaardiging van muntstempels; over stempels ‘geen muntstempels of medaillestempels zijnde’ wordt in dat artikel niet expliciet gesproken; deze AMvB vloeit dus niet direct uit dat artikel voort.
Opmerking: Vgl. Besluit van 20 januari 1913, Stb. 35, regelende de voorwaarden waaronder voor anderen dan het Rijk aan ’s Rijks Munt kan worden gemunt, medailles kunnen worden geslagen en muntstempels of medaillestempels kunnen worden vervaardigd; in de aanhef van dit Besluit wordt weet verwezen naar het Besluit van 1911.
Waardering: B (1)
Handeling: Het voorbereiden van de totstandkoming, wijziging en intrekking van wetten op het gebied van het geldwezen.
Periode: 1940–(1962)
Grondslag: Grondwet / besluit van 29 december 1949, Stb. J 599, diverse artikelen
Opmerking: N.B. Zie overzicht hoofdstuk 6 van het RIO.
Waardering: B (1)
Handeling: Het doen van voordrachten aan de Kroon om, wanneer de behoeften der circulatie zulks nodig maken, afwijking toe te staan van het in het eerste en derde lid van artikel 3 gestelde verbod om rijksdaalders, guldens, halve guldens en zilveren pasmunt aan te munten anders dan uit zilver door versmelting van Nederlandsche of Nederlandsch-Indische munten verkregen.
Periode: 1940–(1948)
Grondslag: Indische Muntwet 1912, artikel 3
Produkt: Voordrachten tot koninklijke besluiten
Waardering: B (5)
Handeling: Het (mede)opstellen van jaarlijkse opgaven ter publicatie in de Staatscourant en de Javasche Courant van de hoeveelheid munten die van elke muntsoort voor rekening van den lande is aangemunt en van Regeringswege is ingetrokken.
Periode: 1940–(…)
Grondslag: Indische Muntwet 1912, artikel 10
Produkt: Jaaropgaven
Waardering: B (3)
Handeling: Het uitgeven van biljetten aan toonder, welke de houder recht geven op een vordering op Nieuw-Guinea tot het op het biljet uitgedrukt bedrag.
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), art. 3;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, art. 3
Produkt: Biljetten aan toonder
Waardering: B (1)
Handeling: Het stellen van nadere regels betreffende de uitgifte, de inwisseling en de intrekking van biljetten aan toonder.
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), art. 3;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, art. 3
Produkt; Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
Handeling: Het stellen van nadere regels houdende nadere regels ter uitvoering van het bepaalde in lid 1 (‘Nevens de in artikel 3 bedoelde biljetten zijn wettig betaalmiddel, doch slechts tot de daarbij aangegeven bedragen, de volgende munten ...’).
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), artikel 4, lid 2;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, artikel 4, lid 2
N.B. In artikel 4 staat ‘door Ons’; niet duidelijk is wie van de Ministers [Minister van Financiën, Minister zonder portefeuille, Minister voor Uniezaken en Overzeese Rijksdelen] daarmee precies wordt bedoeld; andere artikelen spreken expliciet van de Minister zonder portefeuille of de Minister van Uniezaken etc.
Produkt; Ministeriële regelingen
Opmerking: Zolang er niet over de in het eerste lid van de bij de handeling bedoelde munten werd beschikt, traden de overeenkomstige Nederlandse munten, bedoeld in de Muntwet 1948, daarvoor in de plaats.
Waardering: B (5)
Handeling: Het vaststellen van bepalingen met betrekking tot de buiten omloop stelling en de inlevering van de op het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit/ op 30 maart 1950 in Nieuw-Guinea in omloop zijnde wettige betaalmiddelen, het in omloop brengen van de krachtens dit besluit/ deze wet uitgegeven wettige betaalmiddelen en de voorwaarden waaronder een en ander zal geschieden.
Periode: 1950–(1962)
Grondslag: Besluit van 13 maart 1950, Stb. K 81, houdende een voorlopige voorziening met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea (Besluit geldregeling Nieuw-Guinea), art. 5;
Wet van 10 augustus 1951, Stb. 346, houdende voorzieningen met betrekking tot het geldwezen van Nieuw-Guinea, art. 5
Produkt; Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
Handeling: Het verlenen van machtigingen aan de Gouverneur-Generaal om de termijn waarvoor de Javasche Bank als circulatiebank mag optreden niet te verlengen.
Periode: 1940–(1948)
Grondslag: Javasche Bankwet c.a., art. 2
Produkt; Machtigingen/Ministeriële regelingen
Waardering: B (5)
Handeling: Het naar gelang van behoefte uitgeven van biljetten aan toonder, welke de houder recht geven op een vordering op het Gouvernement tot het op het biljet uitgedrukt bedrag in Nederlandsch-Indische Gouvernements guldens.
Periode: 1943–1950
Grondslag: Besluit van 2 maart 1943, Stb. D 8, houdende machtiging tot uitgifte van biljetten aan toonder als betaalmiddel in Nederlandsch-Indië, art. 1.
N.B. Gewijzigd bij Besluit van 9 maart 1945 (voor wat betreft de waarde van de uit te geven biljetten en het totale bedrag van uitgifte). [Minister van Overzeesche Gebiedsdeelen]
Buiten werking bij Besluit van 2 maart 1950, Stb. K 81.
Opmerking: De in het Besluit van 2 maart 1950 opgenomen bevoegdheden van de Minister van Koloniën vloeien voort uit het Besluit van 6 mei 1942, Stb. C 39, waarin hij belast wordt met de uitoefening van het algemeen bestuur van Nederlands-Indië, met de titel van waarnemend Gouverneur-Generaal.
Produkt; Biljetten aan toonder
Waardering: B (1)
Handeling: Het vaststellen van nadere voorschriften betreffende de uitgifte, de inwisseling en de intrekking van biljetten aan toonder.
Periode: 1943–1950
Grondslag: Besluit van 2 maart 1943, Stb. D 8, houdende machtiging tot uitgifte van biljetten aan toonder als betaalmiddel in Nederlandsch-Indië, art. 4, 5 en 6.
N.B. Gewijzigd bij Besluit van 9 maart 1945 (voor wat betreft de waarde van de uit te geven biljetten en het totale bedrag van uitgifte). [Minister van Overzeesche Gebiedsdeelen].
Buiten werking bij Besluit van 2 maart 1950, Stb. K 81.
Produkt; Ministeriële regelingen
Opmerking: De in het Besluit van 2 maart 1950 opgenomen bevoegdheden van de Minister van Koloniën vloeien voort uit het Besluit van 6 mei 1942, Stb. C 39, waarin hij belast wordt met de uitoefening van het algemeen bestuur van Nederlands-Indië, met de titel van waarnemend Gouverneur-Generaal.
Waardering: B (5)
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)