Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)

Type Archiefselectielijst
Publication 2007-11-28
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de rentevoet, de wijze van berekening van het rentebedrag, de gevallen waarin de rentevergoeding kan worden beëindigd en, zo nodig, een maximum rentegevend tegoed.

Periode: 1971–1985

Grondslag: Postspaarbankwet 1954, zoals gewijzigd bij Wet van 9 december 1970, Stb. 663, art. 7.3.

Waardering: b (5)

Het opstellen van lastgevingen waarbij de voordelige sloten van de rekeningen van de ontvangsten en uitgaven door de ambtenaren van de posterijen gedaan ten behoeve van de RPS aan de RPS ter beschikking wordt gesteld.

Periode: 1940–1942

Grondslag: Postspaarbankwet, art. 17.2.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na lastgeving

Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen houdende:

a. algemene regels met betrekking tot het beleid terzake van de werkzaamheid van de RPS als spaarbank;

b. algemene aanwijzingen ter nadere regeling van het bepaalde in art. 4.2.

N.B. Artikel 4.2. luidt: ‘Terzake van de uitvoering van het beleid, bedoeld in artikel 2 – van de RPS als spaarinstelling -, is de Directeur-Generaal voornoemd – de DG van het Staatsbedrijf der PTT – verantwoording verschuldigd aan Onze Minister van Financiën.’

Periode: 1955–1985

Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 2.; art. 4.3.

Waardering: b (1)

Het beoordelen van door de RPS ingezonden staten, cq. door de Minister aan de RPS gevraagde informatie, inzake kredietverleningen.

Periode: 1977–1985

Grondslag: Besluit van 26 mei 1977, Stcrt. 130, art. 3.; Besluit van 10 december 1980, Stcrt. 243, art. 4.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum

Het opstellen van lastgevingen ten behoeve van personen die een onderzoek moeten instellen naar het beheer en de bedrijfsuitvoering van de RPS.

Periode: 1977–1985

Grondslag: Besluit van 26 mei 1977, Stcrt. 130, art. 4.; Besluit van 10 december 1980, Stcrt. 243, art. 5.

Waardering: v Termijn: 1 jaar na vervallen van de lastgeving

Het vaststellen van regelingen met betrekking tot het totaal der uitstaande kredieten van de RPS.

Periode: 1977–1980

Grondslag: Besluit van 26 mei 1977, Stcrt. 130, art. 5.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van nadere regels inzake de beperking van het vorderingsrecht bij het openen van een spaarbankrekening op naam van een ander (door het stellen van een tijdsbepaling voor de uitoefening van dat vorderingsrecht).

Periode: 1955–1985

Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 7.5.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de maximale omvang van het reservefonds van de RPS.

Periode: 1955–1985

Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 13.1.

Waardering: b (5)

9.1.5.3 Postbank

Het vaststellen van een (regeling) tot oprichting van een naamloze vennootschap onder de naam Postbank N.V., met als doel de uitoefening van de dienstverlening zoals die werd verricht door de PCGD en de RPS.

Periode: 1985

Grondslag: Postbankwet, art. 1.1.

Waardering: b (1)

Het namens de Staat deelnemen in verdere plaatsing van het kapitaal van de Postbank.

Periode: 1985

Grondslag: Postbankwet, art. 1.2.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van besluiten (?) waarin wordt bepaald tot welke bedragen de in het eerste lid bedoelde storting wordt aangemerkt als storting op de in het eerste lid bedoelde leningen, en waarbij de Minister bepaalt welk gedeelte van deze leningen als achtergesteld wordt aangemerkt.

N.B. Art. 4.1. luidt: ‘De overgang op de Postbank N.V. van alle vermogensbestanddelen van de Staat welke aan de PCGD worden toegerekend en van de vermogensbestanddelen van de RPS, zoals bepaald in de artikelen 2 en 3, wordt aangemerkt als storting door de Staat op aandelen of leningen van de Staat aan de bank welke leningen, behalve bij conversie in aandelen, niet vatbaar zijn voor verrekening en al dan niet achtergesteld kunnen zijn bij de vorderingen van derden.’

Periode: 1985–....

Grondslag: Postbankwet, art. 4.2.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van beschikkingen (?) waarmee wordt ingestemd met het voornemen van de Postbank om de door de Staat aan haar verstrekte leningen als bedoeld in artikel 4 vervroegd af te lossen.

Periode: 1985–....

Grondslag: Postbankwet, art. 5.1.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot:

a. vaststelling van de hoogte van de rente die de Postbank verschuldigd is over de door de Staat aan haar verstrekte leningen als bedoeld in art. 4.;

b. vaststelling van verzoeken tot conversie van leningen van de Staat aan de Postbank in aandelen Postbank N.V. en tot aanwijzing van de leningen ten laste waarvan die conversie plaatsvindt.

Periode: 1985–....

Grondslag: Postbankwet, art. 5.2.; art. 5.3.; art. 5.4.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van opgaven van vermogensbestanddelen van de PCGD en de RPS, welke in openbare registers te boek zijn gesteld, in verband met de verandering van de tenaamstelling in die registers.

Periode: 1986–....

Grondslag: Postbankwet, art. 6.

Waardering: b (3) jaarverslagen

v 10 jaar overige neerslag, mits gecumuleerd in de jaarverslagen

Het vaststellen van waarborgen inzake de uitbetaling door de Postbank N.V. van tegoeden die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel worden aangehouden bij de PCGD en de RPS.

Periode: 1986–....

Grondslag: Postbankwet, art. 8.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen

Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van wetten waarin goedkeuring wordt verleend tot het wijzigen van de statuten van de Postbank met betrekking tot het doel en de werkzaamheden van de bank.

N.B. Goedkeuring van de statutenwijziging kan ook stilzwijgend worden verleend. Uitdrukkelijke goedkeuring geschiedt per wet.

Periode: 1986–....

Grondslag: Postbankwet, art. 11.

Waardering: b (1)

Het namens de Staat der Nederlanden deelnemen in het kapitaal van de naamloze vennootschap die in het kader van het samengaan van de NMB NV. en de Postbank NV. houdster zal zijn van de aandelen in de Postbank NV. en van de aandelen in de NMB NV. dan wel van de aandelen in de vennootschap waarin de activa en passiva van de NMB NV. zullen worden ondergebracht.

Periode: 1989–....

Grondslag: Wet van 20 april 1989, Stb. 111, art. 1.

Waardering: b (5)

9.1.6 Anti-witwas wetgeving (1985-)

9.1.6.1 Toezicht op de handel in spaarbewijzen

Het vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van representatieve organisaties in de zin van artikel 1 van de Wet inzake spaarbewijzen.

Periode: 1985–....

Grondslag: Wet inzake spaarbewijzen, art. 1.d.

Waardering: b (4)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot:

a. algemeen verbindendverklaring van regelingen omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen voor ondernemingen en instellingen die spaarbewijzen uitgeven, wanneer over die regelingen overeenstemming is bereikt tussen De Nederlandsche Bank en de representatieve organisaties;

b. vaststelling van nadere regels met betrekking tot de uitvoering van algemeen verbindend verklaarde regelingen omtrent de uitgifte, de verhandeling en de uitbetaling tegen inlevering van spaarbewijzen.

Periode: 1985–....

Grondslag: Wet inzake spaarbewijzen, art. 2.

Waardering: b (5)

9.1.6.2 Identificatie bij financiële dienstverlening

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:

a. waarbij overeenkomsten omtrent de vaststelling en registratie van personen aan wie financiële diensten worden verleend, algemeen verbindend worden verklaard ten aanzien van degenen die deze financiële diensten bedrijfsmatig verrichten, wanneer over die regelingen overeenstemming is bereikt tussen De Nederlandsche Bank en de representatieve organisaties;

b. waarin nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van een algemeen verbindend verklaarde regeling.

Periode: 1988–1993

Grondslag: Wet identiteitsvaststelling, art. 2.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling van Koninklijke Besluiten, waarbij de algemeen verbindend verklaring van overeenkomsten omtrent de vaststelling en registratie van personen aan wie financiële diensten worden verleend die zijn beëindigd, wordt ingetrokken.

Periode: 1988–1993

Grondslag: Wet identiteitsvaststelling, art. 2.3.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde categorieën van beroepen, bedrijven of instellingen die beschouwd worden als financiële instelling in de zin der wet.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 1.1.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van de waarden die bepaalde financiële diensten/transacties te boven moeten gaan om onder de werking van de wet te vallen.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 1.1.b.5-7

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde diensten die onder de werking van de wet vallen, alsmede tot aanwijzing van de gegevens die in geval van een dergelijke dienstverlening moeten worden vastgelegd.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 1.1.; art. 6.8.

Waardering: b (5)

Het – onder voorwaarden – verlenen van vrijstellingen aan financiële instellingen van de verplichting tot vaststelling van de identiteit van bepaalde in de wet genoemde categorieën van cliënten.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 2.4.; art. 2.6.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde ondernemingen of instellingen die optreden als cliënt in financiële transacties waarvan de identiteit door de dienstverlenende financiële instellingen niet behoeft te worden vastgesteld.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 2.4.

Waardering: b (5)

Het – onder voorwaarden – verlenen van ontheffingen aan financiële instellingen van de verplichting tot vaststelling van de identiteit van de in de wet c.a. genoemde categorieën van cliënten.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 2.5.; art. 2.6.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde documenten die kunnen dienen tot vaststelling van de identiteit van natuurlijke personen.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 3.1.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen waarin wordt bepaald welke gegevens tenminste moeten worden opgenomen in de akte of het document dat rechtspersonen moeten overleggen ter vaststelling van hun identiteit.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 3.4.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van niet lidstaten van de EG waarin financiële instellingen gevestigd moeten zijn om cliënten – in afwijking van het in artikel 2.1. gestelde – toch te hebben laten voldoen aan de plicht tot identificatie in geval van in de wet genoemde, dan wel door onze Minister aan te wijzen, vormen van financiële dienstverlening, waarbij betalingen op een bepaalde manier hebben plaatsgevonden.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 4.3.; art. 4.4.; art. 4.5.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van niet lidstaten van de EG, welke in hun wetgeving zodanige bepalingen hebben opgenomen inzake de identiteitsvaststelling van natuurlijke personen, die namens een cliënt of namens een vertegenwoordiger van een cliënt optreden in financiële transacties, dat artikel 5.3. en 5.4. buiten toepassing kunnen blijven, indien die natuurlijke personen instellingen zijn dan wel optreden namens financiële instellingen waarop een vrijstelling als bedoeld in artikel 2.4., of een ontheffing als bedoeld in artikel 2.5. van toepassing is.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 5.5.

Waardering: b (5)

Het – onder voorwaarden – verlenen van vrijstellingen en – op verzoek – ontheffingen van de verplichting tot vaststelling van de identiteit van natuurlijke personen die namens een cliënt of een vertegenwoordiger van een cliënt optreden in financiële transacties, dan wel van de verplichting tot vaststelling van de identiteit van de vertegenwoordiger van de cliënt.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet identificatie 1993, art. 5.6.

Waardering: vrijstellingen: b (4)

ontheffingen: v, 10 jaar na vervallen van de ontheffing

9.1.6.3 Melding van ongebruikelijke financiële transacties

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde financiële diensten die onder de werking van deze wet vallen.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 1.a.9.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 6.

Waardering: b (4)

Het vaststellen van het budget en de (personele) sterkte van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 7.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vaststelling

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling – voor een termijn van ten hoogste zes maanden – van de indicatoren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als zijnde ongebruikelijk.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 8.1.

Waardering: b (5)

Het voorbereiden van de vaststelling, intrekking en wijziging van algemene maatregelen van bestuur tot goedkeuring van eerder vastgestelde indicatoren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als zijnde ongebruikelijk.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 8.2.

Waardering: b (5)

Het opstellen van voordrachten voor de benoeming van de leden van de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.

Periode: 1994–....

Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 16.1.

Waardering: v Termijn: 2 jaar na voordracht

Het instellen van de projectorganisatie automatisering Meldpunt Ongebruikelijke

transacties.

Periode: 1994 –

Waardering: b (4)

9.1.6.4 Toezicht op wisselkantoren

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde transacties die beschouwd moeten worden als wisseltransacties in de zin der wet.

Periode: 1995–....

Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 1.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde gegevens die in de aanvraag tot inschrijving in het register van wisselkantoren moeten zijn opgenomen.

Periode: 1995–....

Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 3.3.

Waardering: b (5)

Het – onder voorwaarden en voorschriften – verlenen van vrijstelling of – op verzoek – ontheffing van het verbod om als wisselkantoor werkzaam te zijn; het doen van mededeling van die ontheffing in de Staatscourant.

Periode: 1995–....

Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 5.1.; art. 5.3.; vgl. art. 5.2.

Regeling van 22 december 1994, Stcrt. 248, art. 1.; art. 2.

Waardering: vrijstellingen: b (5)

ontheffingen: v 10 jaar na vervallen van ontheffing

Het vaststellen van Ministeriële regelingen waarin wordt bepaald in welke gevallen ontheffing van het verbod om als wisselkantoor werkzaam te zijn namens onze Ministers kan worden verleend door De Nederlandsche Bank.

Periode: 1995–....

Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 5.2.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van de hoogte van het bedrag dat een wisselkantoor verschuldigd is terzake van een verzoek tot inschrijving, alsmede tot vaststelling van de hoogte van het bedrag dat een wisselkantoor jaarlijks aan De Nederlandsche Bank verschuldigd is terzake van de dekking van de kosten verbonden aan het toezicht.

Periode: 1995–....

Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 8.

Waardering: b (5)

9.1.7 Financieel verkeer in buitengewone omstandigheden (1940–)

Het vaststellen van beschikkingen waarbij – in geval van twijfel – wordt bepaald of een bedrijf een onderneming of instelling is tot wier bedrijf het behoort om gelden ter beschikking te houden ten behoeve en ten name van rekeninghouders, onverschillig of al dan niet het woord bank in de naam van de onderneming of instelling voorkomt.

Periode: 1940; 1944–(1978)

Grondslag: Besluit Bankenmoratorium 1940, art. 1.; Besluit Bankenmoratorium 1944, art. 1.

Waardering: b (6)

Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten (?) inzake de mate waarin en de wijze waarop door rechthebbenden vrijelijk kan worden beschikt over de met ingang van 10 mei uitstaande gelden bij ondernemingen, diensten en instellingen als bedoeld in artikel 1/over bij banken uitstaande gelden.

Periode: 1940; 1944–(1978)

Grondslag: Besluit Bankenmoratorium 1940, art. 2.1.; Besluit Bankenmoratorium 1944, art. 2.1.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van beschikkingen waarbij wordt bepaald of bij ondernemingen, instellingen en diensten/banken uitstaande gelden al dan niet ter vrije beschikking blijven (omdat zij al dan niet vallen onder de in het besluit geformuleerde uitzonderingsgronden).

Periode: 1940; 1944–(1978)

Grondslag: Besluit Bankenmoratorium 1940, art. 2.5.; Besluit Bankenmoratorium 1944, art. 2.5.

Waardering: b (6)

Het instellen van een instantie/orgaan die/dat namens de Minister vaststelt of bij ondernemingen, instellingen en diensten/banken uitstaande gelden al dan niet ter vrije beschikking blijven (omdat zij al dan niet vallen onder de in het besluit geformuleerde uitzonderingsgronden).

Periode: 1940; 1944–(1978)

Grondslag: Besluit Bankenmoratorium 1940, art. 2.5.; Besluit Bankenmoratorium 1944, art. 2.5.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van regelingen inzake het opheffen van het Bankenmoratorium 1940 en het nemen van maatregelen aan die opheffing verbonden.

Periode: 1940

Grondslag: Verordening van 11 juni 1940, VB 10/1940, art. 1.

Waardering: b (6)

(803) HANDELING

Het vaststellen van Koninklijke Besluiten waarbij:

a. één of meer artikelen van de Noodwet financieel verkeer in werking worden gesteld;

b. de Staten-Generaal ter goedkeuring van het besluit waarmee artikelen van de Noodwet financieel verkeer in werking worden gesteld, in buitengewone zitting bijeen worden geroepen, wanneer de zitting van de Staten-Generaal gesloten mocht zijn;

c. één of meer artikelen van de Noodwet financieel verkeer buiten werking worden gesteld;

d. de wijze waarop besluiten tot in werking of buiten werking stelling van artikelen in de Noodwet financieel verkeer in het Staatsblad bekend moeten worden gemaakt.

Periode:. 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 2.

Voorstel: b (6)

Het voorbereiden van wetsvoorstellen omtrent het voortduren van de werking van de artikelen van de Noodwet financieel verkeer die eerder bij Koninklijk Besluit van kracht zijn verklaard.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 2.2.

Voorstel: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat het aan banken (en girodiensten – tot 1985) verboden is om zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning kredieten te verlenen of beschikkingen op openstaande kredieten toe te staan.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 3.

Waardering: b (6)

Het verlenen van bijzondere of algemene vergunningen aan banken (en girodiensten – tot 1985) tot het verlenen van kredieten of tot het toestaan van beschikkingen op openstaande kredieten.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 3.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat het aan anderen dan banken (en girodiensten – tot 1985) verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning over schuldvorderingen op deze banken en girodiensten of op De Nederlandsche Bank, in contanten te beschikken.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 4.1.

Waardering: b (6)

Het verlenen van bijzondere of algemene vergunningen waarin het aan anderen dan banken (en girodiensten – tot 1985) wordt toegestaan om over schuldvorderingen op banken (en girodiensten) of op De Nederlandsche Bank in contanten te mogen beschikken.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, div. art. 4.1.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende het bedrag waarover rechthebbenden op opeisbare tegoeden op rekeningen bij banken (of girodiensten – tot 1985) of bij De Nederlandsche Bank de vrije beschikking houden.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 4.1.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels terzake een krachtens artikel 4. ingesteld bankenmoratorium.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 5.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) houdende voorschriften met betrekking tot vergoeding voor diensten op het gebied van het bankwezen in de ruimste zin en van de geld- en kapitaalmarkt, voorzover die vergoedingen het karakter van rentevergoeding dragen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 6.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat in door hem aan te geven gevallen girale voldoening van schulden dezelfde rechtsgevolgen heeft als betaling in wettig betaalmiddel; ... dat een schuldeiser in door hem aan te geven gevallen girale betaling van een geldschuld niet kan uitsluiten (1989).

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 13.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels met betrekking tot het verlenen van kredieten of voorschotten in blanco aan de staat door De Nederlandsche Bank, wanneer dit voor de versterking van ’s Rijks schatkist nodig is, in afwijking van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Bankwet 1948.

N.B. Artikel 16.1. van de Bankwet 1948 luidt: ‘De Bank verleent aan niemand enig crediet of voorschot in blanco.’

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 14.

Waardering: b (6)

Het sluiten van overeenkomsten (?) met De Nederlandsche Bank over het in onderpand nemen van andere waarden dan die bedoeld in artikel 15, sub 6, van de Bankwet 1948, bij het verstrekken van voorschotten bij wijze van belening of in rekening-courant.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 15.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat het verboden is om zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning:

a. niet-periodieke uitkeringen te doen ingevolge een overeenkomst van levensverzekering of ingevolge verzekering van zodanige uitkeringen door een pensioen- of spaarfonds, zodanige uitkeringen aan te nemen of daarover anders dan door wijziging van de begunstiging te beschikken;

b. een overeenkomst van levensverzekering door afkoop te beëindigen, daarop beleningen aan te gaan, de daarin vervatte rechten over te dragen of de daarin vervatte verplichting tot het doen van niet-periodieke uitkeringen om te zetten in de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 17.1.

Waardering: b (6)

Het verlenen van bijzondere of algemene vergunningen tot:

a. het doen van niet-periodieke uitkeringen ingevolge overeenkomsten van levensverzekering of ingevolge verzekering van zodanige uitkeringen door een pensioen- of spaarfonds, het aannemen van zodanige uitkeringen of het daarover anders dan door wijziging van de begunstiging beschikken;

b. het beëindigen van een overeenkomst van levensverzekering door afkoop, het aangaan van beleningen daarop, het overdragen van de daarin vervatte of het omzetten van de daarin vervatte verplichting tot het doen van niet-periodieke uitkeringen in de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 17.1.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere voorschriften terzake een krachtens artikel 18 ingesteld verzekeringsmoratorium.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 18.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin het aan beleggingsinstellingen wordt verboden, zonder een door of namens de Minister van Financiën verleende algemene of bijzondere vergunning, rechten van deelneming in die beleggingsinstellingen rechtstreeks of middellijk in te kopen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 18.a.1.

N.B. Sinds wetswijziging van 1990.

Waardering: b (6)

Het verlenen van bijzondere of algemene vergunningen aan beleggingsinstellingen om rechten van deelneming in die beleggingsinstellingen rechtstreeks of middellijk in te kopen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 18.a.1.

N.B. Sinds wetswijziging 1990.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels terzake een door de Minister van Financiën ingesteld verbod voor beleggingsinstellingen om rechten van deelneming in die beleggingsinstellingen rechtstreeks of middellijk te kopen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 18.a.2.

N.B. Sinds de wetswijziging van 1990.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat in overeenkomsten van levensverzekering het oorlogsrisico vanaf een door hem vast te stellen tijdstip is medeverzekerd.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 19.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende het tijdstip waarop het oorlogsrisico in overeenkomsten van levensverzekering is meeverzekerd.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 19.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat in verband met de dekking van het oorlogsrisico door hem vast te stellen kortingen worden toegepast op de verzekerde bedragen, op de premievrije waarden, op de afkoopwaarden en al dan niet op de reeds verschuldigde uitkeringen uit hoofde van overeenkomsten van levensverzekering.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 20.1.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling en herziening van de kortingen die in verband met de dekking van het oorlogsrisico worden toegepast op de verzekerde bedragen, op de premievrije waarden, op de afkoopwaarden en al dan niet op de reeds verschuldigde uitkeringen uit hoofde van overeenkomsten van levensverzekering.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 20.1.; art. 20.2.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat het verboden is zonder een door of namens hem verleende algemene of bijzondere vergunning uitkeringen ingevolge een overeenkomst van levensverzekering te doen, aan te nemen of daarover te beschikken.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 20.3.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het verlenen van bijzondere of algemene vergunningen tot het doen van uitkeringen ingevolge een overeenkomst van levensverzekering, het aannemen van of het beschikken over die uitkeringen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 20.3.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere voorschriften terzake van het mede-verzekeren van het oorlogsrisico in overeenkomsten van levensverzekering en terzake van de in artikel 20 bedoelde kortingen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 21.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende het tijdstip met ingang waarvan de krachtens artikel 20 vastgestelde kortingen niet meer worden toegepast ten aanzien van daarna te sluiten overeenkomsten van levensverzekering.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 22.

N.B. Krachtens artikel 24 ook van toepassing op de aanspraken, verbonden aan de deelneming in een pensioen- of spaarfonds.

Waardering: b (6)

Het voorbereiden van wetsvoorstellen omtrent de definitieve regeling van krachtens artikel 20 genomen maatregelen (na het verstrijken van het in artikel 23 bedoelde tijdvak).

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 37.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) omtrent de opening en sluiting van effectenbeurzen en de voor de effectenbeurzen te hanteren regels, hun toepassing en de controle op de naleving van deze regels.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 24.a.

N.B. Deze handeling is in de wet opgenomen sinds de wetswijziging van 1991).

Waardering: b (6)

Het vaststellen van (besluiten) waarin wordt bepaald dat de betaling van schadeloosstellingen of van voorschotten daarop behoudens een door of namens hem te verlenen algemene of bijzondere vergunning uitsluitend kan geschieden door storting op een geblokkeerde rekening.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 25.1.

Waardering: b (6)

Het verlenen van bijzondere of algemene vergunningen waarbij wordt toegestaan om betalingen van schadeloosstellingen of van voorschotten daarop op andere dan geblokkeerde rekeningen te storten.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 25.1.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere voorschriften terzake van overeenkomstig artikel 25.1. vastgestelde wijzen van betaling en het bepalen van de rechtsgevolgen daarvan voor de daarbij betrokken partijen en voor derden.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 25.2.

Waardering: b ( 6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften terzake van de vrijgave van op geblokkeerde rekeningen gestorte bedragen, alsmede terzake van de voorwaarden welke aan de vrijgave kunnen worden verbonden.

N.B. De voorschriften kunnen betrekking hebben op alle geblokkeerde rekeningen, op bepaalde gedeelten of groepen daarvan, op afzonderlijke rekeningen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 25.3.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 26.

Waardering: b (6)

Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende aanwijzingen ten aanzien van het verlenen van algemene of bijzondere vergunningen in het kader van de Noodwet, wanneer deze door anderen dan de Minister van Financiën worden verleend.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 27.

Waardering: b (6)

Het voorbereiden van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de manier waarop besluiten van de Minister van Financiën (anders dan Ministeriële regelingen) bekend gemaakt zullen worden, indien zij niet in de Staatscourant worden geplaatst.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 30.2.

N.B. Na wetswijziging 1992.

Waardering: b (6)

Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij de autoriteiten worden aangewezen, die onder daarbij te stellen regelen in enig gebied de daarbij aangewezen bevoegdheden, welke in de wet aan de Minister van Financiën worden toegekend, uitoefenen zolang de verbinding tussen dat gebied en de Minister van Financiën is verbroken.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 34.

Voorstel: b (6)

Het voorbereiden van algemene maatregelen van bestuur waarbij regels worden gesteld terzake van betalingen door het Rijk in enig gebied, zolang de verbinding tussen dat gebied en de Minister van Financiën is verbroken.

Periode: 1978–

Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 35.

Voorstel: b (6)

10 Deel B Handelingen van actoren waarvan het archief onder het zorgdragerschap van de Minister van Financiën valt

10.1 Afdeling Effectenregistratie van de Raad voor het Rechtsherstel

Het verlenen van vergunningen voor de aankoop en verkoop van effecten.

Periode: 1946–1947

Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1946, art. 2.1.

Waardering: b (6)

Het verlenen van vergunningen voor de aankoop en verkoop van effecten in de gevallen waarin deze vergunningen zijn voorgeschreven.

Periode: 1947–1986

Grondslag: Beschikking Beursverkeer 1947, art. 2.

Waardering: b (6)

Opmerking: De Beschikking Beursverkeer werd in 1986 ingetrokken (Stcrt. 1986/197)

Het verlenen van goedkeuring tot uitoefening van zijn werkzaamheden aan het Effectenvernieuwingsbureau.

Periode: 1944–

Grondslag: Besluit van 2 november 1945, Stb. F 249, art. 1.

N.B. Met terugwerkende kracht tot inwerkingtreding van het Besluit

Bezettingsmaatregelen (Stb. E 93).

Waardering: b (6)

10.2 Agentschap van het Ministerie van Financiën

Het beheren van door de Stichting Effectenvernieuwing in beheer gegeven duplicaten van effecten waaraan een kans op het winnen van een premie is verbonden (vgl. art. 19 van de Effectenvernieuwingswet 1965).

Periode: 1966–....

Grondslag: Beschikking van 20 december 1965, art. 8.1.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na beëindiging van het beheer

10.3 College van Advies inzake de uitvoering van de Collectieve Garantieregeling WTK

Het adviseren van De Nederlandsche Bank in haar rol van uitvoerend orgaan van de Garantieregeling.

Periode: 1979–....

Grondslag: Garantieregeling 1978, div. artn.; Garantieregeling 1986, div. artn.

Waardering: b (5)

10.4 Commissie De Vries

Het adviseren van de Minister van Financiën nopens versterking van het gemeenschapselement in het statuut van De Nederlandsche Bank.

Actor: Commissie De Vries

Periode: 1945–

Grondslag: Besluit 1 nov. 1945, Stb. (?), art. (?)

Produkt(en): Advies

Waardering: b (5)

10.5 Commissie Giraal Effectenverkeer (Commissie Ras)

Het adviseren van de Minister van Justitie inzake de wenselijkheid van een wettelijke voorziening voor het geval van vervanging van de materiële levering van effecten door een ander stelsel van effectenverkeer en de mogelijke voorbereiding van een dgl. voorziening.

Periode: 1970–1974

Grondslag: Beschikking van de Minister van Justitie van 19 januari 1970, Stcrt. (?)

Waardering: b (1)

10.6 Commissie Giraal Geldverkeer

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de mogelijkheid van aanpassing van de girale netwerken van de posterijen, van de stad Amsterdam en van de banken.

Periode: 1946–

Grondslag: Besluit van (?)

Waardering: b (5)

10.7 Commissie van Advies in Beurszaken

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de uitvoering van de Beurswet 1914.

Periode: 1940–1992

Grondslag: Beurswet 1914, art. 8.

Waardering: b (1)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake besluiten tot heropening van beurzen voor de geld- en fondsenhandel in de zin van de Beurswet 1914.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 2.1.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van besluiten tot opening en sluiting van beurzen, alsmede tot vaststelling van de dagen en uren waarop de beurzen geopend zullen zijn.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 7.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de voorwaarden waaronder de executiebeurs toegankelijk is voor publiek.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 4.3.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake beschikkingen waarbij aan hen die de Voorschriften, Statuten en Reglementen van de Vereeniging voor den Effectenhandel overtreden de toegang tot de beurzen wordt ontzegd.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 4.4.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de benoeming en het ontslag van de leden van de Commissie voor de Waardebepaling.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 6.2.

Waardering: v Termijn: 2 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van beschikkingen op beroepschriften tegen de beschikkingen van de Commissie voor de Waardebepaling.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 6.8.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van de onderpandskoersen als bedoeld in art. 4, lid 1, der Beurswet 1914.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 10.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van executiekoersen ten aanzien van die fondsen, waaromtrent de Minister dit nodig oordeelt.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 11.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van de rentekoers voor geldleningen tegen onderpand van fondsen, aangegaan voor 10 mei 1940.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 12.2., zie wijziging van december 1940.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de aanwijzing van niet tot de dagelijkse notering toegelaten fondsen, waarin geen transacties (als bedoeld in artikel 12bis) mogen plaatsvinden.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 12bis.8.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake het verlenen van toestemming aan kopers van voor 10 mei 1940 ter beurze gekochte fondsen om, in geval van gebreke van levering, gelijksoortige fondsen als de gekochte door twee makelaars ter beurze, of indien aldaar niet mogelijk, elders voor rekening van de verkoper te doen inkopen.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 14.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake het verlenen van toestemming aan verkopers van voor 10 mei 1940 ter beurze verkochte fondsen om, in geval van gebreke van betaling, gelijksoortige fondsen als de verkochte door twee makelaars ter beurze, of indien aldaar niet mogelijk, elders voor rekening van de koper te doen verkopen.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 15.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van besluiten tot wijziging van de rentekoers op beleningen en prolongatiën gesloten voor 10 mei 1940.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, 16.5.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van het tijdstip – na heropening van de beurs – waarop geldleningen als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub 3, der Beurswet 1914, door de geldgever weer kunnen worden aangezegd of opgevraagd.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 25.1.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de verlenging van de termijn van een jaar na heropening van de beurs, waarna een geldgever geldleningen, als bedoeld in artikel 2, lid 2, sub 3, van de Beurswet 1914, waarvan het onderpand, berekend naar de eerst vastgestelde onderpandkoersen, een surplus van 30% met bevoegdheid voor de geldgever tot herbelening aanwijst, kan aanzeggen of opvragen.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 26.1.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van de koersen der niet-geleverde fondsen, wanneer een geldgever in gebreke blijft om een verschuldigde post te leveren en een geldnemer zich voor de waarde der niet geleverde fondsen wil doen crediteren.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 36.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake het verlenen van toestemming tot afwijking van het in artikel 39, lid 1, bepaalde, dat het gehele onderpand van een geldlening, waarvan de pandverkoop is aangevraagd, tot het beloop van het verschuldigde is bereikt, ten hiervoor aangewezen dage moet worden verkocht.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 39.4.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake het verlenen van toestemming aan de koper, de verkoper, de geldgever of de geldnemer, die zijn recht tot inkoop en verkoop, als bedoeld in de artikelen 14, 15 en 36 wenst uit te oefenen, alsmede inzake het vaststellen van de maximum of minimum koersen voor in- en verkoop en de datum em voorwaarden waarop deze in- en verkoop zal geschieden.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 41bis.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van regelingen tot vaststelling van het tijdstip, waarna de verkoper de betaling van aandelen NHM, op termijn verkocht voor 10 mei 1940, weer kan vorderen.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 45.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van de passagekoers en de prolongatiekoers (zolang de beurs nog niet is heropend), cq. van de passagekoers van aandelen NHM op rescontredagen.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 46.1.; art. 46.2.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van beschikkingen, waarbij op verzoek van één der partijen de in deze afdeling (Afdeling III: Bepalingen omtrent de afwikkeling van zaken van voor 10 mei 1940) voorgeschreven termijnen in bijzondere gevallen worden verlengd, of waarbij, indien iets op een bepaalde dag moet geschieden, uitstel wordt verleend, of waarbij op verzoek van belanghebbenden nadere regelingen worden getroffen.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 59.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum/advisering

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake de vaststelling van het formulier van de akte volgens welke daggeldleningen of prolongaties worden gesloten.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 78.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 met betrekking tot beslissingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Periode: 1941

Grondslag: Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 19.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 met betrekking tot beslissingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1942 voor Nederlandsch-Indische Fondsen niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942 voor Nederlandsch-Indische Fondsen, art. 7.

Waardering: b (6)

N.B. Het betreft hier geldleningen waarvan het onderpand geheel of gedeeltelijk bestaat uit aandelen in de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië, preferente en gewone aandelen in de Dordtsche Petroleum Industrie Maatschappij en scheepvaartaandelen.

Het adviseren van de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 met betrekking tot beslissingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1942A niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942A, art. 8.

Waardering: b (6)

10.8 Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914

Het vaststellen van regelingen houdende voorschriften omtrent:

1.

de opening en sluiting der beurzen;

2.

de noteringen en de wijze, waarop ter beurze zaken worden gedaan;

3.

de afwikkeling van prolongaties, voorschotten in rekening-courant of andere leningen, welke lopen van voor een door de Minister van Financiën, in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden, aan te wijzen dag en waarvoor fondsen tot onderpand werden gegeven, onverschillig of die leningen al dan niet ter beurze werden gesloten;

4.

de afwikkeling van andere zaken ter beurze gedaan, voor een – op den voet van het onder 3 bepaalde – door de Commissie aan te wijzen dag.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van regelingen houdende aanwijzing – in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden – van de dag waarop ‘bijzondere regels’ van kracht worden.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.

Waardering: b (6)

Het aanwijzen van fondsen, die in de prijscouranten van de beurzen moeten worden opgenomen en het publiceren van die aanwijzingen in de Staatscourant.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beurswet 1914, art. 3.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering

Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van de koersen, welke als maatstaf moeten dienen ter berekening van de waarde van fondsen, strekkende tot onderpand van niet afgeloste prolongaties, voorschotten in rekening-courant of voor andere leningen, welke lopen van voor de dag, bedoeld in artikel 2.2.3.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beurswet 1914, art. 4.1.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van de termijn, waarbinnen de geldnemer, wiens onderpand niet meer het overeenkomstige surplus oplevert, verplicht is dit surplus aan te vullen, indien de notering van een fonds lager is dan krachtens de artikel 4.1. bepaalde koers.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beurswet 1914, art. 4.2.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van regelingen tot vaststelling van regels welke pandhouders in acht moeten nemen, wanneer zij zonder toestemming van de pandgever fondsen willen verkopen, welke strekken tot onderpand voor verbintenissen als bedoeld in artikel 4.1.

Periode: 1940–1992

Grondslag: Beurswet 1914, art. 5.1.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van voordrachten voor de benoeming (door Ons) van leden van de Commissie van Advies in Beurszaken.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beurswet 1914, art. 8.

Opmerking: Zie voor belangrijke personen het BSD P-direkt (handeling 27)

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van geldgevers die in beroep komen tegen geldnemers zijnde niet ingezetenen van het Rijk in Europa, die zich beroepen op artikel 26 van de Beursvoorschriften 1940.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 26.5.

Waardering: b (6)

Het adviseren van de Commissie van Bijstand voor de uitvoering van de Beurswet 1914 met betrekking tot beslissingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Actor: de Commissie van Advies in Beurszaken

Periode: 1941

Grondslag: Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 19.

Produkt(en): adviezen

Waardering: b (6)

Het vaststellen van beschikkingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Periode: 1941

Grondslag: Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 19.

Waardering: b (6)

Het verlenen van toestemming voor de afwikkeling van opgezegde geldleningen op onderpand van Nederlandsch-Indische Fondsen en tot executie van het onderpand.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942 voor Nederlandsch-Indische fondsen, art. 5.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking

Het aanwijzen van Nederlandsch-Indische Fondsen die in geval van opzegging van geldleningen op onderpand daarvan als eerste voor executoriale verkoop in aanmerking komen, in geval van onenigheid tussen geldgever en geldnemer.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942 voor Nederlandsch-Indische fondsen, art. 6

Waardering: b (6)

Het vaststellen van beschikkingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1942 voor Nederlandsch-Indische Fondsen niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942 voor Nederlandsch-Indische Fondsen, art. 7.

Waardering: b (6)

N.B. Het betreft hier geldleningen waarvan het onderpand geheel of gedeeltelijk bestaat uit aandelen in de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië, preferente en gewone aandelen in de Dordtsche Petroleum Industrie Maatschappij en scheepvaartaandelen.

Het verlenen van toestemming voor de afwikkeling van opgezegde geldleningen op onderpand van aandelen Koninklijke Olie e.a. en tot executie van het onderpand.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942A, art. 6.

Waardering: b (6)

Het aanwijzen van fondsen die in geval van opzegging van geldleningen op onderpand van aandelen Koninklijke Olie e.a. als eerste voor executoriale verkoop in aanmerking komen, in geval van onenigheid tussen geldgever en geldnemer.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942A, art. 7

Waardering: b (6)

Het vaststellen van beschikkingen in gevallen waarin de Beursvoorschriften 1942A niet voorzien of in strijd komen met vroegere voorschriften.

Periode: 1942–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1942A, art. 8.

Waardering: b (6)

10.9 Commissie van Toezicht op de Financiële Termijnmarkt

Het vaststellen van regelingen houdende voorschriften omtrent:

1.

de opening en sluiting van de financiële termijnmarkt;

2.

de noteringen en de wijze, waarop ter beurze zaken worden gedaan;

3.

de afwikkeling van prolongaties, voorschotten in rekening-courant of andere leningen, welke lopen van voor een door de Minister van Financiën, in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden, aan te wijzen dag en waarvoor fondsen tot onderpand werden gegeven, onverschillig of die leningen al dan niet ter beurze werden gesloten;

4.

de afwikkeling van andere zaken ter beurze gedaan, voor een door de Minister van Financiën, op den voet van het onder 3 bepaalde, aan te wijzen dag.

Periode: 1987–1989

Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.

Waardering: b (5)

Het aanwijzen van fondsen, die in de prijscouranten van de financiële termijnmarkt moeten worden opgenomen en het publiceren van die aanwijzingen in de Staatscourant.

Periode: 1987–1989

Grondslag: Beurswet 1914, art. 3.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering

Het – in overleg met het bestuur van de Financiële Termijnmarkt – vaststellen van een reglement ter regeling van ‘de eigen werkzaamheden’.

Periode: 1987–1989

Grondslag: Beschikking van 4 november 1987, Stcrt. 216, art. 5

Waardering: b (4)

Het verstrekken van inlichtingen aan de Minister van Financiën met betrekking tot de Financiële Termijnmarkt.

Periode: 1987–1989

Grondslag: Beschikking van 4 november 1987, Stcrt. 216, art. 6.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

10.10 Commissie van Toezicht op de Optiebeurs

Het vaststellen van regelingen houdende voorschriften omtrent:

1.

de opening en sluiting van de optiebeurs;

2.

de noteringen en de wijze waarop ter beurze zaken worden gedaan;

3.

de afwikkeling van prolongaties, voorschotten in rekening-courant of andere leningen, welke lopen van voor een door de Minister van Financiën, in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden, aan te wijzen dag en waarvoor fondsen tot onderpand werden gegeven, onverschillig of die leningen al dan niet ter beurze werden gesloten;

4.

de afwikkeling van andere zaken ter beurze gedaan, voor een door de Minister van Financiën, op den voet van het onder 3 bepaalde, aan te wijzen dag.

Periode: 1978–1989

Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.

Voorstel: b (5)

Het aanwijzen van fondsen, die in de prijscouranten van de Optiebeurs moeten worden opgenomen en het publiceren van die aanwijzingen in de Staatscourant.

Periode: 1978–1989

Grondslag: Beurswet 1914, art. 3.

Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering

Het – in overleg met het bestuur van de Optiebeurs – vaststellen van een reglement ter regeling van ‘de eigen werkzaamheden’.

Periode: 1978–1989

Grondslag: Beschikking van 20 februari 1978, Stcrt. 38, art. 5.

Voorstel: b (4)

Het verstrekken van inlichtingen aan de Minister van Financiën met betrekking tot de Optiebeurs.

Periode: 1978–1989

Grondslag: Beschikking van 20 februari 1978, Stcrt. 38, art. 6.

Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum

10.11 Commissie voor de Waardebepaling

Het aanwijzen van de fondsen welke uit het onderpand van geldleningen als bedoeld bij artikel 2, lid 3, sub 3, der Beurswet 1914 bij gedeeltelijke aflossingen of ruilingen moeten worden teruggegeven, voorzover partijen het daarover onderling niet eens zijn geworden.

Periode: 1940–1947

Grondslag: Beursvoorschriften 1940, art. 6.1.; vgl. art. 20.3., art. 21.3., art. 33.2.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na beschikking

Het vaststellen van beschikkingen houdende uitspraak in geschillen tussen geldgevers en geldnemers over fondsen die bij de afhandeling van geldleningen op onderpand van Amerikaanse aandeelen onder de geldgever gelaten zullen worden, of die voor ruiling in aanmerking komen.

Periode: 1941

Grondslag: Beursvoorschriften 1941 voor certificaten van Amerikaansche aandeelen, art. 10; art. 11.

Waardering: b (6)

10.12 Directeur van de Grootboeken der Nationale Schuld

Het stellen van aantekeningen krachtens art. 4. van de Wet naasting.

N.B. Art. 4 luidt: ‘indien een derde ten tijde der naasting een recht had op een aandeel, wordt, .... , bij de inschrijving, welke voor het genaaste aandeel is verstrekt, een aantekening gesteld van een overeenkomstig recht van die derde op de inschrijving’.

Periode: 1948–

Grondslag: Wet naasting, art. 5 (vgl. art. 4).

Waardering: v Termijn: (in overeenstemming met de vernietigingstermijn grootboekregisters)

Het boeken van een inschrijving in het Grootboek der 2½-procents Nationale Schuld krachtens art. 3. van de Wet naasting.

Periode: 1948–

Grondslag: Wet naasting, art. 5.

Waardering: v Termijn: (in overeenstemming met de vernietigingstermijn grootboekregisters)

10.13 Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer

Het houden van een verzameldepot, cq. girodepot in de zin van de Wet giraal effectenverkeer.

Periode: 1977–....

Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 9 ev.

N.B. Vgl. Reglement houdende bepalingen nopens het bewaren, beheren en administreren

van de girodepots vastgesteld door de directie en goedgekeurd door de raad van

commissarissen van Necigef op 21 juli 1977

Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum

10.14 Stichting Effectenvernieuwingsbureau

Het behandelen van aanvragen ter verkrijging van nieuwe waardepapieren; het zorgdragen voor de terbeschikkingstelling van nieuwe exemplaren van geschonden of verloren gegane waardepapieren; het verlenen van voorschotten op uitkeringen voortvloeiend uit waardepapieren waarvan vervanging is gevraagd; het beschikken op schriftelijke aanvragen van rechthebbenden tot vervanging van effecten die dermate zijn geschonden dat zij onverhandelbaar zijn, dan wel verloren zijn gegaan, doch waarvan de identiteit – met inbegrip van het nummer – kan worden aangetoond; het vorderen van vervanging (in de vorm van duplicaten of vervangende waarden) bij de uitgevende instellingen; het onder voorwaarden afgeven van duplicaten of vervangende waarden en ter zake van het vervangen effect ontvangen uitkeringen aan de aanvrager.

Periode: 1941–....

Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art. 2.; art. 3.; art. 4.; art. 5.; art. 6.; art. 7.; art. 8.; art. 9.; art. 10.; art. 11.; art. 12.; art. 13.; art. 14.; art. 15.; art. 16.

N.B. Zie ook: Beschikking van 10 juni 1941, Ned. Stcrt. 110, art. 2–10.; Beschikking van 6 april 1955, Stcrt. 69, art. 2–10.

Effectenvernieuwingswet, art. 3; art. 4.; art. 5.; art. 6.; art. 7.; art. 8.; art. 9.; art. 10.; art. 11.; art. 12.; art. 13.; art. 14.; art. 15.; art. 16.; art. 17.; art. 18.; art. 19.

N.B. Zie ook: Regeling van 20 december 1965, Stcrt. 246, art. 2-9.

Waardering: b (5)

Het opstellen van jaarrekeningen en verantwoordingen ten behoeve van de secretaris-generaal van het departement van Financiën, later de Minister van Financiën.

Periode: 1941–....

Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art. 3.3.; Effectenvernieuwingswet, art. 2.2.

Waardering: b (3)

Het doen van voorstellen aan de secretaris-generaal van het departement van Financiën, later de Minister van Financiën inzake de tarieven welke het Effectenvernieuwingsbureau in rekening mag brengen.

Periode: 1941–....

Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art. 3.4.; art. 17.; Effectenvernieuwingswet, art. 2.3.

Waardering: b (5)

Het verlenen van bemiddeling tot het verkrijgen van duplicaten of nieuwe effecten ter vervanging van buiten Nederland verloren gegeane effecten en van geschonden of verloren gegane effecten, uitgegeven door een buiten Nederland gevestigde uitgevende instelling.

Periode: 1941–....

Grondslag: Effectenvernieuwingsbesluit 1941, art. 21; Effectenvernieuwingswet, art. 24.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum

10.15 Stichting Toezicht Effectenverkeer

Het vaststellen van regelingen houdende voorschriften omtrent:

1.

de opening en sluiting der beurzen;

2.

de noteringen en de wijze, waarop ter beurze zaken worden gedaan;

3.

de afwikkeling van prolongaties, voorschotten in rekening-courant of andere leningen, welke lopen van voor een door de Minister van Financiën, in verband met het intreden van buitengewone omstandigheden, aan te wijzen dag en waarvoor fondsen tot onderpand werden gegeven, onverschillig of die leningen al dan niet ter beurze werden gesloten;

4.

de afwikkeling van andere zaken ter beurze gedaan, voor een door de Minister van Financiën, op den voet van het onder 3 bepaalde, aan te wijzen dag.

Periode: 1989–1992

Grondslag: Beurswet 1914, art. 2.2.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake wijzigingen in het Fondsenreglement van de Vereniging voor de Effectenhandel.

Periode: 1989–1992 (?)

Grondslag: Beschikking van 24 januari 1989, Stcrt. 23, art. 2.

Waardering: b (5)

Het vaststellen van beschikkingen op voordrachten van de Vereniging voor de Effectenhandel inzake de toelating van fondsen tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam; het doen van mededeling in de Staatscourant van opneming van het toegelaten fonds in de prijscourant der beurs.

N.B. Bij Beschikking van 24 januari 1989, Stcrt. 23, werden de bevoegdheden van de Minister van Financiën in zake artikel 2.2. en 3 van de Beurswet en artikel 4 van de Beschikking Beursnotering 1983 toegekend aan de Stichting Toezicht Effectenverkeer.

Periode: 1989–1992

Grondslag: Beschikking Beursnotering 1983, art. 4.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering

Het aanwijzen van fondsen, die in de prijscouranten van de beurzen moeten worden opgenomen en het publiceren van die aanwijzingen in de Staatscourant.

Periode: 1989–1992

Grondslag: Beurswet 1914, art. 3.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de notering

Het verstrekken van inlichtingen aan de Minister van Financiën met betrekking tot de Effectenbeurs, de Optiebeurs, de Financiële Termijnmarkt en de Olietermijnmarkt.

Periode: 1989–

Grondslag: Beschikking van 24 januari 1989, Stcrt. 23, art. 3.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het beoordelen, erkennen of goedkeuren, dan wel kennis nemen van prospectussen c.a. (advertenties, folders en brochures) waarin de uitgifte van effecten in het vooruitzicht wordt gesteld, alsmede van documenten houdende overzicht van wijzigingen in de omstandigheden van de uitgevende instelling) die algemeen verkrijgbaar moeten worden gesteld bij de aanbieding van (niet beurs genoteerde) effecten bij uitgifte, alsmede op schriftelijke vooraankondiging van een zodanige aanbieding bij uitgifte; het stellen van eisen ten aanzien van de inhoud van die prospectussen; het stellen van eisen ten aanzien van de talen waarin die prospectussen moeten worden aangeboden.

N.B. Van erkenning is sprake als de prospectussen al eerder zijn goedgekeurd door toezichthouders in EG-lidstaten; goedkeuring is noodzakelijk als door bevoegde autoriteiten in andere EG-lidstaten afwijking van ten aanzien van de inhoud gestelde eisen is toegstaan. Zie ‘Bijlage bij artikel 2 van het Besluit toezicht effectenverkeer’.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 2.; art. 3.; art. 4.; art. 5.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het vaststellen van nadere regels met betrekking tot de indeling van de prospectussen welke dienen te worden uitgegeven door de instellingen te wier laste effecten in omloop zijn of worden gebracht.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 2.6.

Waardering: b (5)

Het beoordelen van jaarrekeningen (met bijlagen) van uitgevende instellingen, voorzover de opstelling van die jaarrekeningen geschiedt in afwijking van titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of van de voorschriften van de vierde en zevende richtlijn vennootschappsrecht inzake jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 28 april 1992, Stcrt. 93, art. 3.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na datum

Het beoordelen van kwartaalstaten waarmee effecteninstellingen opgave doen van de stand van het vermogen en/of de eigen middelen, alsmede van niet uit hun balans blijkende verplichtingen.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 28 april 1992, Stcrt. 93, art. 4.3.; art. 5.7.

Waardering: v Termijn: 1 jaar na datum

Het aanwijzen van posities in effecten van effecteninstellingen die met elkaar kunnen worden gecompenseerd.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 28 april 1992, Stcrt. 93, art. 5.3.

Waardering: v Termijn: 2 jaar na vervallen aanwijzing

Het beoordelen van wekelijkse staten waarmee effecteninstellingen opgave doen van hun eigen posities in effecten.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 28 april 1992, Stcrt. 93, art. 5.6.

Waardering: v Termijn: 1 jaar na datum

Het beoordelen van wijzen van vermogensscheiding (tussen effecteninstelling en cliënt) als bedoeld in artikel 2, onder b (andere vormen van vermogensscheiding die naar het oordeel van de Stichting voldoende waarborg bieden voor de vermogensrechtelijke positie van de cliënt met betrekking tot diens gelden en effecten).

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 28 april 1992, Stcrt. 93, art. 6.5. [m.i.v. 1 april 1994 art. 13.5.]

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het – in overleg met buitenlandse toezichthouders – vaststellen van beschikkingen, waarin wordt bepaald dat effecteninstellingen die reeds zijn onderworpen aan buitenlandse eisen met betrekking tot het eigen vermogen en/of eigen middelen, niet of slechts gedeeltelijk zijn onderworpen aan de bepalingen in de voorafgaande leden.

Periode: 1993–....

Grondslag: Regeling van 28 april 1992, Stcrt. 93, zoals gewijzigd bij Regeling van 6 juli 1993, Stcrt. 129, art. 4.4.; art. 5.8.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de beschikking

Het verlenen van ontheffingen van het verbod op het aanbieden van effecten.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 4.; art. 14

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de ontheffing

Het vaststellen van nadere regels inzake het verschaffen van informatie omtrent de gehanteerde waarderingsgrondslagen en de omschrijving van de posten in de jaarrekening, wanneer de opstelling van de jaarrekening en het jaarverslag van de instelling te wier laste (niet beursgenoteerde) effecten worden of zijn uitgegeven niet geschiedt overeenkomstig titel 9 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, danwel overeenkomstig de richtlijnen genoemd in artikel 6 van dit Besluit.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 6.8.

Waardering: b (5)

Het verlenen van ontheffingen van de verplichting tot het aanbieden van periodieke informatie door instellingen, te wier laste buiten een besloten kring effecten zijn uitgegeven, die niet zijn toegelaten tot de notering aan een op grond van artikel 16 erkende effectenbeurs.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 5.2-3.; art. 14

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de ontheffing

Het beoordelen van de deskundigheid en betrouwbaarheid van bestuurders van effecteninstellingen en van de betrouwbaarheid van diegenen die gerechtigd zijn tot het benoemen van die bestuurders (in verband met de verlening van vergunningen).

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 9.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het beoordelen van de vraag of de houder van een gekwalificeerde deelneming in een effecteninstelling op grond van die deelneming geen ongewenste invloed heeft of kan hebben op een gezonde en prudente bedrijfsvoering van die effecteninstelling (in verband met de verlening van vergunningen).

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 10.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het vaststellen van nadere regelingen houdende:

a. vaststelling van de hoogte van het eigen vermogen waarover een kredietinstelling tenminste dient te beschikken;

b. vaststelling van wat voor de verschillende rechtsvormen van effecteninstellingen onder eigen vermogen moet worden verstaan;

c. regels met betrekking tot het bedrag aan eigen middelen dat door een effecteninstelling moet zijn gereserveerd ter dekking van risico’s die aan haar specifieke activiteiten verbonden zijn; het vaststellen van wat onder eigen middelen moet worden verstaan;

d. regels met betrekking tot de structurering (inrichting en organisatie) van effecteninstellingen teneinde belangenconflicten te vermijden tussen die effecteninstellingen en hun klanten en/of tussen die klanten onderling;

e. regels inzake de regelingen welke effecteninstellingen met betrekking tot effecten en gelden van cliënten getroffen dienen te hebben, om de rechten van de cliënten te beschermen en om te voorkomen dat effecten en gelden van cliënten door die effecteninstellingen voor eigen rekening worden gebruikt;

f. regels met betrekking tot de administratieve organisatie van effecteninstellingen, zodat de toezichthouder in staat is om na te gaan of de regels inzake de bedrijfsvoering en de financiële waarborgen worden nageleefd.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 11.1.; art. 11.2.; art. 12.; art. 13.; art. 14.2.; art. 15.2.

Waardering: b (5)

Het (onder beperkingen) verlenen of intrekken van vergunningen om als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten aan te bieden aan of te verrichten voor natuurlijke personen of rechtspersonen niet behorende tot een besloten kring.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 6.2.; art. 6.3.; art. 6.4.; art. 14.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen/intrekken van de vergunning

Het goedkeuren van voorgenomen wijzigingen in a) de identiteit van de personen bedoeld in art. 9, b) de structurering bedoeld in art. 13, c) de regelingen bedoeld in art. 14, of d) de administratieve organisatie bedoeld in art. 15.; het kennisnemen van wijzigingen in de identiteit van de personen bedoeld in artikel 10, alsmede van vergrotingen van gekwalificeerde deelnemingen als die bepaalde grenzen overschrijden.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 17.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het stellen van bijzondere regels wanneer een effecteninstelling niet beschikt over een eigen vermogen, respectievelijk eigen middelen ten belope van het bedrag dat ingevolge artikel 11, respectievelijk artikel 12 van dit Besluit is vereist.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 19.; vgl. art. 18.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen

Het vaststellen van nadere regelingen houdende:

a. regels waaraan effecteninstellingen zich bij de uitoefening van hun activiteiten dienen te houden;

b. nadere voorschriften met betrekking tot de overeenkomsten welke effecteninstellingen met iedere cliënt afzonderlijk dienen te sluiten, welke de uitsluitende grondslag vormen voor de diensten die de effecteninstellingen in de uitvoering van hun bedrijf voor hun cliënten verrichten;

c. regels met betrekking tot de gegevens die op de effectennota dienen te worden vermeld, welke effecteninstellingen aan hun cliënten wegens verrichte diensten dienen uit te reiken;

d. het model van de opgave van de samenstelling van het voor de cliënt beheerde vermogen, die een effecteninstelling die vermogensbeheer verricht periodiek aan haar cliënten beschikbaar moet stellen.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 750, art. 20.; art. 21.; art. 22.; art. 23.

Waardering: b (5)

Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beschikkingen waarbij aan effectenbemiddelaars aan wie een vergunning is verleend, op verzoek vrijstelling wordt verleend van de verplichting om te voldoen aan de eisen met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 7.2.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen/intrekking van de vrijstelling

Het geven van aanwijzingen met betrekking tot een jegens effectenbemiddelaars, die zijn vrijgesteld van het in artikel 6, eerste lid, vervatte verbod, te volgen gedragslijn aan de organisaties, waarbij die effectenbemiddelaars zijn aangesloten, dan wel aan de houders van de effectenbeurs waartoe zij via die organisaties toegang hebben, wanneer die effectenbemiddelaars zich niet houden aan de gestelde regels.

N.B. Vrijgesteld van het in artikel 6, lid 1, gestelde verbod zijn effectenbemiddelaars die zijn aangesloten bij een organisatie, waarvan de leden toegang hebben tot een effectenbeurs, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 16, voor zover hun bemiddeling effecten betreft die zijn toegelaten tot de notering aan die effectenbeurs of waarvan aannemelijk is dat zij daartoe spoedig zullen worden toegelaten.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 8.3.

Waardering: b (5)

Het onder voorschriften verlenen van vrijstelling van het in artikel 6.1. vervatte verbod aan instellingen die ingevolge artikel 52.2.c, d, f, en g van de WTK 1992 zijn geregistreerd, mits het verrichten van werkzaamheden als effectenbemiddelaar ingevolge de artikelen 31.2., 32.2., 50.1. en 51 van de WTK 1992 is toegestaan; het opleggen van een verbod ter zake het verrichten van werkzaamheden als effectenbemiddelaar indien niet aan de gestelde voorschriften wordt voldaan.

N.B. Artikel 6.1. luidt: Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar in of vanuit Nederland diensten aan te bieden aan of te verrichten voor natuurlijke personen of rechtspersonen niet behorende tot een besloten kring.

Periode: 1993–....

Grondslag: WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 23 december 1992, Stb. 722, art. 8a.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de vrijstelling/het verbod

Het (onder beperkingen) verlenen of intrekken van vergunningen om als vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden aan of te verrichten voor natuurlijke personen of rechtspersonen niet behorende tot een besloten kring.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 10.2.; art. 10.3.; art. 10.4.; art. 14.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen/intrekking van de vergunning

Het vaststellen, wijzigen en intrekken van beschikkingen waarbij aan vermogensbeheerders aan wie een vergunning is verleend op verzoek vrijstelling wordt verleend van de verplichting om te voldoen aan de eisen met betrekking tot deskundigheid en betrouwbaarheid, financiële waarborgen, bedrijfsvoering en aan het publiek te verstrekken informatie.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 11.2.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de vrijstelling

Het opstellen van verklaringen die inhouden dat met de door de organisatie, waarbij vermogensbeheerders, die vrijgesteld zijn van het in artikel 10, eerste lid, vervatte verbod, zijn aangesloten, en met de door de houder van de effectenbeurs, waartoe zij via die organisatie toegang hebben, gestelde regels, de doeleinden die deze wet beoogt voldoende worden bereikt.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 12.1.

Waardering: v 10 jaar na vervallen verklaring

Het geven van aanwijzingen met betrekking tot een jegens vermogensbeheerders, die zijn vrijgesteld van het in artikel 10, eerste lid, vervatte verbod, te volgen gedragslijn aan de organisaties, waarbij die vermogensbeheerders zijn aangesloten, dan wel aan de houders van de effectenbeurs waartoe zij via die organisaties toegang hebben, wanneer die vermogensbeheerders zich niet houden aan de gestelde regels.

N.B. Vrijgesteld van het in artikel 10, lid 1, gestelde verbod zijn vermogensbeheerders die zijn aangesloten bij een organisatie, waarvan de leden toegang hebben tot een effectenbeurs, waarvan de houder een erkenning heeft als bedoeld in artikel 16, voor zover onze Minister heeft verklaard dat met de door de desbetreffende organisatie en de door de houder van de desbetreffende effectenbeurs gestelde regels de doeleinden die deze wet beoogt voldoende worden bereikt.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 12.3.

Waardering: b (5)

Het onder voorschriften verlenen van vrijstelling van het in artikel 10.1. vervatte verbod aan instellingen die ingevolge artikel 52.2.c, d, f, en g van de WTK 1992 zijn geregistreerd, mits het verrichten van werkzaamheden als vermogensbeheerder ingevolge de artikelen 31.2., 32.2., 50.1. en 51 van de WTK 1992 is toegestaan; het opleggen van een verbod ter zake het verrichten van werkzaamheden als vermogensbeheerder indien niet aan de gestelde voorschriften wordt voldaan.

N.B. Artikel 10.1. luidt: Het is verboden zonder vergunning als vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden aan of te verrichten voor natuurlijke personen of rechtspersonen niet behorende tot een besloten kring.

Periode: 1993–....

Grondslag: WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 23 december 1992, Stb. 722, art. 12a.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de vrijstelling/het verbod

Het doen van mededeling van de verlening van een vrijstelling, vergunning, erkenning en de intrekking daarvan in de Staatscourant.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 35.

Waardering: v Termijn: 1 jaar na publicatie

Het inschrijven van effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders die ingevolge een vergunning of een vrijstelling hun diensten mogen aanbieden of verrichten in een daartoe bestemd register; het doorhalen van inschrijvingen als de vergunning is ingetrokken; het doen van mededeling in de Staatscourant van inschrijving of doorhaling; het jaarlijks publiceren van een lijst van ingeschreven effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders (naar de stand van 31 december van het voorgaande jaar) in de Staatscourant.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 15.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het vaststellen van voorschriften voor houder(s) van effectenbeurzen met betrekking tot de voor die effectenbeurzen te hanteren regels, hun toepassing, of de controle op de naleving van deze regels.

N.B. Bij Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 2, werd de bevoegdheid tot het geven van voorschriften inzake beschermingsconstructies en inzake de opening en sluiting van beurzen aan de Minister voorbehouden. Andere uitzonderingen worden genoemd in artikel 25 van de WTE.

De toezichthouder kan op grond van artikel 18 zowel in algemene als in individuele gevallen regels stellen.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 18.; Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 2.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake wijzigingen in het Fondsenreglement van de Vereniging voor de Effectenhandel.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 30 maart 1992, Stcrt. 63, art. 2.2.

Waardering: b (5)

Het vragen van inlichtingen, dan wel het instellen of doen instellen van onderzoeken teneinde na te gaan of kan worden voldaan, dan wel wordt voldaan aan de bij en krachtens deze wet gestelde eisen, beperkingen en voorschriften, alsmede ten einde na te gaan of er aanleiding is tot het doen van aangifte ter zake van misbruik van voorwetenschap.

N.B. Het onderzoek kan worden ingesteld bij effectenbemiddelaars, vermogensbeheerders, aanvragers van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 10, organisaties als bedoeld in de artikelen 8 en 12, organisaties waarbij effectenbemiddelaars of vermogensbeheerders zijn aangesloten op wie wegens die aansluiting een vrijstelling als bedoeld in artikel 9 of 13 van toepassing is, degene op wie artikel 3.2 van toepassing is, degene op wie de vrijstelling als bedoeld in artikel 4.1. van toepassing is of die een in dat artikel bedoelde ontheffing heeft aangevraagd of gekregen.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 21.1.; art. 21.4.; art. 21.6.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

b (5) indien aanleiding tot het doen van aangifte

Het vragen van inlichtingen, dan wel het instellen of doen instellen van onderzoeken bij houders van effectenbeurzen, dan wel bij de aanvragers van erkenningen als bedoeld in artikel 16.1. teneinde na te gaan of de voor de effectenbeurs te hanteren regels, de toepassing daarvan en de controle op de nakoming van die regels voldoen dan wel kunnen voldoen aan hetgeen nodig is met het oog op een adequate functionering van de effectenmarkten en de de positie van de beleggers op die effectenmarkten, alsmede teneinde na te gaan of er aanleiding is tot het doen van aangifte ter zake van misbruik van voorwetenschap.

N.B. Indien nodig kan de toezichthouder ook inlichtingen inwinnen of onderzoeken instellen bij bij de effectenbeurs aangesloten effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 21.2.; vgl. art. 21.3.; art. 21.4.; art. 21.6.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

b (5) indien aanleiding tot het doen van aangifte

Het – in afwijking van het bepaalde in artikel 21.7. (‘Inlichtingen omtrent afzonderlijke ondernemingen en instellingen die ingevolge dit artikel zijn verkregen zijn geheim.’) en artikel 22 (‘Het is aan een ieder, die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van de krachtens deze wet genomen besluiten enige taken vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geist.’) – ter openbare kennis brengen van gegevens inzake effecten-uitgevende instellingen, effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 23.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het – in afwijking van het bepaalde in artikel 21.7. (‘Inlichtingen omtrent afzonderlijke ondernemingen en instellingen die ingevolge dit artikel zijn verkregen zijn geheim.’) en artikel 22 (‘Het is aan een ieder, die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van de krachtens deze wet genomen besluiten enige taken vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge deze wet verstrekt, of van gegevens of inlichtingen, bij het onderzoek verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geist.’) – verstrekken van inlichtingen, verkregen bij de uitvoering van deze wet, aan het bevoegde gezag dat in andere staten met het toezicht op het effectenwezen is belast en aan instanties die uit andere hoofde in Nederland belast zijn met het toezicht op natuurlijke personen en rechtspersonen die mede als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder optreden (tot wetswijziging van 1994);

.... het verstrekken van inlichtingen aan Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties, dan wel aan Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op natuurlijke personen en rechtspersonen die op die markten werkzaam zijn (sinds wetswijziging van 1994).

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 24.1.; WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 24.1., art. 24.2.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het bij een ieder inwinnen van inlichtingen, dan wel het instellen of doen instellen van een onderzoek ter uitvoering van verdragen tot uitwisseling van inlichtingen inzake het effectenverkeer.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 24.2.; art. 24.3.; art. 24.4.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het – in overleg met de autoriteiten die ingevolge de Wet Toezicht Kredietwezen 1992, de Wet toezicht verzekeringsbedrijf en de Wet toezicht beleggingsinstellingen, belast zijn met het toezicht op kredietinstellingen, verzekeraars en beleggingsinstellingen, die tot eenzelfde groep behoren als de effectenbemiddelaars en vermogensbeheerders waarop krachtens de WTE toezicht wordt uitgeoefend – opstellen van regelingen, houdende afspraken inzake het stellen van gemeenschappelijke eisen, het coördineren van werkzaamheden en het uitwisselen van gegevens en inlichtingen.

Periode: 1993–....

Grondslag: WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 23 december 1992, Stb. 722, art. 24a.

Waardering: b (5)

Het verstrekken van inlichtingen aan autoriteiten als bedoeld in art. 24a.1. inzake de deskundigheid en betrouwbaarheid van personen als bedoeld in de algemene maatregel van bestuur tot uitvoering van art. 6.2a. en 10.2a., voorzover de toezichthouder van oordeel is dat deze inlichtingen van belang zijn voor het toezicht dat door die andere autoriteit wordt uigeoefend.

Periode: 1994–....

Grondslag: WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 24a.4., art. 24a.5.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het ten behoeve van instanties die werkzaam zijn in staten die met Nederland partij zijn bij een verdrag of die met Nederland vallen onder eenzelfde bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, en die in die staten belast zijn met de uitvoering van wettelijke regelingen inzake het toezicht op het effectenwezen, inwinnen van inlichtingen, dan wel instellen van onderzoeken bij een ieder die ingevolge de WTE onder het toezicht valt of van wie mag worden aangenomen dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt, die in het kader van dat toezicht van belang kunnen zijn.

Periode: 1994–....

Grondslag: WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 24b.; art. 24c.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het verschaffen van inlichtingen aan de Minister die van betekenis kunnen zijn voor het verlenen van vrijstellingen (art. 4, 5, 9, 13 WTE), het verlenen van erkenningen (art. 16 WTE), het geven van voorschriften (art. 18 WTE, art. 3.6. van dit Besluit), het intrekken van erkenningen (art. 19 WTE), het geven van voorschriften (art. 20 WTE), het stellen van regels (art. 28 WTE), het weigeren, intrekken of wijzigen van vergunningen (art. 31 WTE).

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 751, art. 3.7.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het opstellen van een jaarlijkse begroting van te verwachten kosten en ontvangsten die voor de Stichting aan de uitvoering van de WTE zijn verbonden.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 25 maart 1992, Stcrt. 63, art. 2.1.; art. 9.

Waardering: b (3)

Het jaarlijks vaststellen van regelingen houdende:

a. het bedrag dat door de Stichting éénmalig in rekening mag worden gebracht aan een ieder die ingevolge artikel 4.1. of artikel 5.2. van de WTE een aanvraag tot ontheffing indient, aan iedere effectenbemiddelaar die ingevolge artikel 6.2. of 6.3 van de wet en aan iedere vermogensbeheerder die ingevolge artikel 10.2. of 10.3. van de wet een aanvraag voor een vergunning indient;

b. het bedrag dat door de Stichting in rekening mag worden gebracht aan a) natuurlijke personen en rechtspersonen die per 31 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar in het register als bedoeld in artikel 15 van de Wet toezicht effectenverkeer zijn ingeschreven/zouden moeten zijn ingeschreven, en b) beurshouders die ingevolge artikel 16 van de Wet toezicht effectenverkeer erkenning van de Minister van Financiën hebben verkregen; het vaststellen van het tijdstip en de wijze waarop die betaling moet geschieden.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 25 maart 1992, Stcrt. 63, art. 4.2.; art. 5.2.; art. 6.; art.7.; art. 9.

Waardering: b (5)

Het opstellen van een staat van werkelijke kosten en ontvangsten over het afgelopen jaar; het publiceren daarvan in de Staatscourant.

Periode: 1992–....

Grondslag: Regeling van 25 maart 1992, Stcrt. 63, art. 10.

Waardering: b (3)

Het vaststellen van beschikkingen op (het administratief beroep) beroepschriften van belanghebbenden tegen de beslissing van de houder van een effectenbeurs omtrent de toelating van effecten tot, of het doen vervallen van effecten uit de notering aan die effectenbeurs.

Periode: 1992–....

Grondslag: WTE, art. 29.

Waardering: v Termijn: 10 jaar na vaststelling van de beschikking

Het beoordelen van meldingen door natuurlijke personen of rechtspersonen in het kader van de WMZ (verkrijgen of overdragen van aandelen; verkrijgen of beëindigen van stemrecht).

Periode: 1992–....

Grondslag: WMZ, art. 2.; art. 3.; vgl. ook art. 4 – 8.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het vaststellen van regels met betrekking tot de wijze waarop de samenstelling van het percentage (zie artikel 8, eerste lid, onder b) dat dient te worden gemeld door natuurlijke of rechtspersonen, kenbaar moet worden gemaakt.

Periode: 1992–....

Grondslag: WMZ, art. 8.3.

Waardering: b (5)

Het beoordelen van de openbaarmakingen van vennootschappen die een melding als bedoeld in artikel 2 en 3 hebben ontvangen.

N.B. De bekendmaking betreft de inhoud van de melding voorzover die betreft de onderdelen a en b als bedoeld in art. 8.1.

Periode: 1992–....

Grondslag: WMZ, art. 9.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na beoordeling

Het instellen of doen instellen van onderzoeken en het nemen van aanvullende maatregelen indien de toezichthouder vermoedt dat uit hoofde van artikel 2 of 3 meldingen zijn gedaan die onjuist of onvolledig zijn.

N.B. Vennootschappen zijn verplicht zelf een verzoek tot een dergelijk onderzoek bij de toezichthouder in te dienen wanneer zij onjuistheid of onvolledigheid in meldingen vermoeden.

Periode: 1992–....

Grondslag: WMZ, art. 10.

Waardering: b (5)

Het adviseren van de Minister van Financiën inzake het (op verzoek) verlenen van ontheffing van de in artikel 9 omschreven verplichting tot openbaarmaking door vennootschappen van meldingen in het kader van de WMZ.

Periode: 1992–....

Grondslag: WMZ, art. 11.1.

Waardering: v Termijn: 5 jaar na advies

Het doorgeven van gegevens of inlichtingen, verkregen ingevolge de WMZ, aan buitenlandse bevoegde autoriteiten (in afwijking van de in artikel 14.1. opgelegde geheimhoudingsplicht); het verwerven van gegevens van buitenlandse bevoegde autoriteiten in het kader van de toepassing van de WMZ.

Periode: 1992–....

Grondslag: WMZ, art. 14.2.; art. 14.3. [art. 14.1. en 14.2. na 4 juni 1992]

Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum

Het sluiten van (schriftelijke) overeenkomsten met buitenlandse bevoegde autoriteiten ten behoeve van de in artikel 14.2. en 14.3. van de WMZ bedoelde informatie-uitwisseling; het publiceren van dergelijke afspraken in de Staatscourant.

Periode: 1992–....

Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 749, art. 3.2.; art. 3.5.

Waardering: b (5)

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)