Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Het (desgevraagd) verschaffen van inlichtingen aan de Minister van Financiën, die van belang kunnen zijn voor de regels bedoeld in artikel 16 van de WMZ.
Periode: 1992–....
Grondslag: Besluit van 18 december 1991, Stb. 749, art. 3.6.
Waardering: v Termijn: 5 jaar na datum
Het opstellen van een jaarlijks verslag over de uitoefening van de aan haar in het kader van de WMZ gedelegeerde taken en bevoegdheden.
Periode: 1992–....
Grondslag: WMZ, art. 14.4.
Waardering: b (3)
Het opstellen van begrotingen van de in het volgende jaar te verwachten kosten en ontvangsten die aan de uitvoering van de WMZ zijn verbonden.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 16 januari 1992, art. 2.1.; art. 7.
Waardering: b (3)
Het vaststellen van regelingen houdende de wijze en het tijdstip waarop de betaling van de jaarlijkse bijdrage van vennootschappen als bedoeld in artikel 3 moet geschieden.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 16 januari 1992, art. 6.
Waardering: v Termijn: 5 jaar na vervallen
Het opstellen en publiceren van een staat van werkelijke kosten en ontvangsten over het afgelopen jaar ten behoeve van de Minister van Financiën.
Periode: 1992–....
Grondslag: Regeling van 16 januari 1992, art. 8.
Waardering: b (3)
10.16 Toezichthouder op het Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer
Het – vanwege de Minister van Financiën – uitoefenen van toezicht op (de handelingen van) het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 2.
N.B. Vgl. art. 2 van Bijlage 1 van de Beschikking van de Minister van Financiën van 11 augustus 1977, nr. 377-6991, Stcrt. 157
Waardering: v 20 jaar
Het jaarlijks – en zo nodig tussentijds – opstellen van verslagen inzake het toezicht op het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer ten behoeve van de Minister van Financiën.
Periode: 1977–....
Grondslag: Instructie toezichthouder, art. 5.2.
Waardering: b (3)
Het doen van voordrachten tot vernietiging van besluiten van organen van het centraal instituut als bedoeld in de Wet giraal effectenverkeer aan de Minister van Financiën.
Periode: 1977–....
Grondslag: Wet giraal effectenverkeer, art. 3.
Waardering: b (5)
11 Deel C Handelingen van overige actoren
11.1 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Algemene Zaken
11.1.1 Minister van Algemene Zaken
Het (mede)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en/of intrekking van (algemene) wet-/regelgeving op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (1)
Het verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen en/of ten uitvoer gelegde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (1, 2)
Het informeren van de Staten-Generaal inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van schriftelijke en/of mondelinge vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal inzake het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van vragen van individuele burgers inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: v Termijn: 15 jaar na beantwoording
Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in wet- en regelgeving) op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na beëindiging van het lidmaatschap
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over vergaderingen van bestuurs- en overlegorganen van internationale organisaties op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over bijeenkomsten van intra- en interdepartementale overlegorganen die zich bezighouden met het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (1)
Het vaststellen van de beleidsorganisatie op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1944–1945
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur regelende de wijze waarop door de staat door middel van de postcheque- en girodienst:
a. gelegenheid wordt gegeven betalingen te verrichten of te ontvangen door middel van overschrijvingen, stortingen of cheques;
b. bemiddeling wordt verleend voor uitvoering van andere door Ons aan te wijzen met dit betalingsverkeer verband houdende werkzaamheden, één en ander ten laste of ten bate van een door de rekeninghouders bij de dienst aan te houden tegoed.
N.B. In 1971 werd artikel 7 gewijzigd en aangevuld; daarbij werd artikel 1b vernummerd tot 1c; toegevoegd werd een nieuw artikel 1b: ‘gelegenheid wordt gegeven betalingen te verrichten of te ontvangen door middel van postwissels’.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.1.; Postwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot aanwijzing van met het giraal betalingsverkeer verbandhoudende werkzaamheden, welke door de Postcheque- en Girodienst mogen worden verricht.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.1.b.; Postwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten houdende regels ten aanzien van de organisatie, het beheer en het gebruik van de PCGD, de voorwaarden waarop de handelingen en werkzaamheden door de dienst worden verricht, zomede ten aanzien van de rechten, welke worden geheven.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (meestal in overleg met de Minister van Financiën) waarbij de mogelijkheid van het openen van postrekeningen wordt opgeschort danwel aan bijzondere voorwaarden wordt gebonden (in geval van bijzondere omstandigheden).
Periode: 1944–(1945)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 2.3.; Girobesluit 1955, art. 3.; Girobesluit 1966, art. 3.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van rekeninghouders wier rekening in het belang van de dienst/ambtshalve (door de directeur der PCGD) is opgeheven.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 41.3.; Girobesluit 1955, art. 12.3.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van het maximum bedrag in geld, waarmee een postrekening door storting op een kantoor per dag of in een langer tijdvak mag worden vermeerderd.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 6.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels ten aanzien van het toelaten van de in artikel 8, lid 1, onder d bedoelde overschrijvingen op girorekeningen bij De Nederlandsche Bank.
N.B. Art. 8, lid 1, onder d: ‘De rekeninghouders kunnen over het beschikbare tegoed op hunnen postrekeningen beschikken: I. voor het binnenland door middel van ... d. girobiljetten voor overschrijvingen op girorekeningen bij De Nederlandsche Bank’.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 9.5.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de bedragen die verschuldigd zijn voor elke overschrijving van de ene postrekening op de andere, welke worden uitgevoerd krachtens doorlopende machtiging aan de directeur van de PCGD.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.b.
Voorstel: b (5)
Het – onder voorwaarden – verlenen van vrijstelling van de betaling van rechten als bedoeld in artikel 35, lid 1, onder a en d (en in het geval van De Nederlandsche Bank ook onder c), aan houders van postrekeningen ten behoeve van openbare besturen of instellingen of De Nederlandsche Bank.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 37.3.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende goedkeuring van door de directeur der PCGD gestelde voorwaarden inzake de uitgifte van reispostchequeboekjes voor betalingen door buitenlandse postinstellingen, alsmede voor het uitbetalen van cheques uit soortgelijke boekjes uitgegeven door buitenlandse administraties.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 21.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de bedragen die verschuldigd zijn voor elk reispostchequeboekje voor het buitenland, alsmede van de wijze waarop de rechten voor reispostchequeboekjes voor het buitenland moeten worden voldaan.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.h.; art. 36.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende besluiten tot gehele/gedeeltelijke sluiting (cq. wederopenstelling) van girokantoren voor de behandeling van opdrachten tot bijschrijving of afschrijving in geval van gevaar voor ontreddering van de dienst, alsmede tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop rekeninghouders tijdens de sluiting over hun tegoed kunnen blijven beschikken.
Periode: 1944–(1945)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 47.; Girobesluit 1955, art. 7.; Girobesluit 1966, art. 7.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van instructies voor de directeur van de PCGD.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de PCGD.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het doen van voordrachten voor de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming van de directeur/onderdirecteur van de PCGD.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, art. 3.; Organiek Besluit PTT 1946, art. 4.;
Organiek Besluit PTT 1955, art. 25 (vervalt in 1983).
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na voordracht
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninklijke Besluiten) waarbij wordt bepaald op welke wijze de bewaring van bij de PCGD belegde gelden zal geschieden.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.4.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels voor de belegging van gelden van de PCGD, alsmede voor het bewaren van de beleggingen en van de in pand genomen waarden.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.3.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van instructies tot regeling van de werkzaamheden der Commissie van Advies betreffende de bemoeiïngen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen:
a. tot aanwijzing van een secretaris van de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936;
b. tot aanwijzing van een vervanger van de voorzitter van de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936, bij diens ontstentenis.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Besluit van den 4den juni 1937, Stb. 288, art. 2.; art. 3.2.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen houdende het model volgens hetwelk gemeentelijke stortings- of ophaaldiensten opgaaf moeten verstrekken aan de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT van de door hen verrichtte betalingen als bedoeld in artikel 4, onder III, letter f (aan ‘andere begunstigden, voor zover aan hen betalingen worden gedaan, die in het algemeen naar haar aard uit gespaarde gelden worden verricht’).
Periode: 1944–1945
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 18 september 1939/3 oktober 1939, Stcrt. 197, art. 8.1.;
Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 8.1.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van begunstigden waarvan de Minister (i.c. de secretaris-generaal) het bijzonder belang voor de gemeente erkent en aan wie op basis daarvan door rekeninghouders betalingen mogen worden gedaan.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 4.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de beschikking
Het aanwijzen van tot andere gemeenten behorende gebieden waaruit aangeslotenen van een gemeentelijke dienst afkomstig mogen zijn (om tot uitvoering van betalingsopdrachten te kunnen overgaan).
Periode: 1944–1945
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 5.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de aanwijzing
Het vaststellen van beschikkingen waarin gemeenten worden vrijgesteld van de inzending van opgaven als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de voorwaarden betreffende gemeentelijke stortings- en ophaaldiensten.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Beschikking van 7 februari 1944, Ned. Stcrt. 153, art. 1.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende gelijkstelling van andere met name aan te duiden openbare lichamen dan het Rijk en de gemeenten met gemeenten (voor de toepassing van deze wet).
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girowet 1936, art. 8.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van instructies voor de directeur van de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.1. Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.a.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 8.
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur inzake de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de ambtenaren der RPS (m.u.v. de directeur en de onderdirecteur).
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 2.5.
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninkklijke) Besluiten tot benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Toezicht op de RPS; .... voorbereiding van besluiten tot benoeming van een voorzitter van die Raad.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.2.
Voorstel: b (6)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. regelende de inleg en terugbetaling van gelden uit de RPS;
b. regelende toelating van bepalingen, welke hij, die een inleg doet op een nieuw boekje ten name van
een ander, kan stellen;
c. tot vaststelling van regelingen die afwijken van het bepaalde in de voorgaande leden van artikel 5;
d. inzake de voorwaarden waaronder gelegenheid wordt gegeven tot het openen van een spaarrekening en het daarop rentegevend inleggen van gelden, alsmede tot het sluiten van andere spaarcontracten bij de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; art. 5.5.; art. 5.6.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van een rekening ten name van de RPS bij de PCGD waarop kan worden ingelegd door overschrijving of storting.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 10bis.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de rekening
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende nadere voorschriften betreffende de inschrijving en doorhaling van de inschrijving in de bescheiden van de RPS van de rechterlijke uitspraak inzake het bevel of de toestemming tot het verbinden van gelden, welke zijn ingelegd om te dienen tot zekerheid van voogdijbeheer.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 10.9.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot verlenging – de raad van toezicht gehoord/de commissie van advies gehoord – van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. tot vaststelling van het percentage, waarmee de waarde van inschrijving in het Grootboek der Nationale Schuld mag worden vermeerderd in geval van op- of afschrijvingen van Staatschuldboekjes;
b. vaststelling van de regelen betreffende het in en afschrijven op Staatsschuldboekjes;
c. vaststelling van de hoogte van het commissieloon dat de RPS in rekening mag brengen in verband met inschrijvingen op of afschrijvingen van Staatsschuldboekjes.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 9.5.; art. 9.7.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder duplicaatboekjes kunnen worden afgegeven of spaarbankboekjes kunnen worden vervangen.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 11.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de hoogte van de rente die wordt uitgekeerd op spaarrekeningen/tot vaststelling van de rentevoet, de wijze van berekening van het rentebedrag, het maximum rentegevend tegoed en de gevallen waarin de rentevergoeding kan worden beeindigd.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 13.2.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.3.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarverslagen van de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 23.2.
Voorstel: b (3)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot het uitgeven van spaarbankzegels.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 24
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van uitvoeringsbesluiten met betrekking tot het Besluit van 3 december 1942.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Besluit van 3 december 1942, art. 4.
Voorstel: b (6)
Het doen van voordrachten aan de Kroon tot het in werking, dan wel buiten werking stellen van één of meer artikelen van de Noodwet financieel verkeer.
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 2.1.; art. 2.5.
Voorstel: b (6)
11.1.2 Commissie van advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld
Het – desgevraagd of uit eigener beweging – adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT dan wel de Minister van Financiën, inzake de uitvoering van de Girowet.
N.B. De adviezen worden altijd toegezonden aan de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de Minister van Financiën.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.; zie ook: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 2.1.; art. 3.; art. 4.; art. 6.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarlijkse verslagen inzake zijn werkzaamheden in het afgelopen jaar.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 7.
Voorstel: b (3)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (1)
11.1.3 Commissie van advies inzake de Rijkspostspaarbank
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het uitoefenen van toezicht op het beheer en de toestand van de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.1.
Voorstel: b (5)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de regeling der werkzaamheden van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.1.
Voorstel: b (1)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganiastie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (1)
11.1.4 Directeur-Generaal der PTT
Het vaststellen van beschikkingen op beroepschriften van personen aan wie (door de directeur van de PCGD) een machtiging tot het openen van een postrekening is geweigerd.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 2.1.; Girobesluit 1955, art. 2.4.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het verlenen van ontheffingen van de verplichting van geheimhouding ten zake van ‘alle overige zaken, welke door hunne ambtsvervulling te hunner kennis komen’ aan ambtenaren die met de uitvoering van de dienst (PCGD) worden belast.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 45.2.; Girobesluit 1955, art. 26.; Girobesluit 1966, art. 25.; art.27 (1972)
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de ontheffing
Het vaststellen van beschikkingen ter voorziening in de waarneming van de funktie van directeur of onderdirecteur der RPS in geval van beider afwezigheid.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 2.3.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de RPS.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.1.
Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 8.
Voorstel: b (4)
Het voeren van het opperbevel/het beheer over de RPS/de directeur van de RPS; het medevertegenwoordigen (naast de directeur van de RPS) van het Staatsbedrijf der PTT in zaken de RPS betreffende.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 2.1.; art. 4.1.; Postspaarbankwet 1954, art. 3.1.; art. 4.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot aanwijzing van de kantoren der posterijen waar inleg en terugbetaling uit de RPS kan geschieden.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 5.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende de openingsuren van de voor de spaarbankdienst opengestelde kantoren der posterijen.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 2.; Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 2.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van een rekening ten name van de RPS bij de PCGD waarop kan worden ingelegd door overschrijving of storting.
Periode: 1944–1945
Grondslag: Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 10bis.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de rekening
11.2 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
11.2.1 Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Het (mede)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en/of intrekking van (algemene) wet-/regelgeving op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: b (1)
Het verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen en/of ten uitvoer gelegde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: b (1, 2)
Het informeren van de Staten-Generaal inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1945–1946
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van schriftelijke en/of mondelinge vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal inzake het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1945–1946
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van vragen van individuele burgers inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: v Termijn: 15 jaar na beantwoording
Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in wet- en regelgeving) op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na beëindiging van het lidmaatschap
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over vergaderingen van bestuurs- en overlegorganen van internationale organisaties op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over bijeenkomsten van intra- en interdepartementale overlegorganen die zich bezighouden met het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid op het terrein van
de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: b (1)
Het vaststellen van de beleidsorganisatie op het terrein van de regulering van en het toezicht op het financiële verkeer in buitengewone omstandigheden.
Periode: 1940–1946
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring, wijziging, verlenging en intrekking van algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering, welke De Nederlandsche Bank aan geregistreerde kredietinstellingen kan opleggen i.v.m. haar taak ten aanzien van de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid (de Bankraad gehoord).
Periode: 1979–1985
Grondslag: WTK 1978, art. 22.5. (N.B. Zie ook artikel 28.2.)
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling van wetten tot bekrachtiging van besluiten, houdende goedkeuring van de algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering van kredietinstellingen, i.v.m. de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid (1952: indien die besluiten in afwijking van de adviezen van de Bankraad zijn genomen).
Periode: 1979–1985
Grondslag: WTK 1978, art. 22.6.
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur regelende de wijze waarop door de staat door middel van de postcheque- en girodienst:
a. gelegenheid wordt gegeven betalingen te verrichten of te ontvangen door middel van overschrijvingen, stortingen of cheques;
b. bemiddeling wordt verleend voor uitvoering van andere door Ons aan te wijzen met dit betalingsverkeer verband houdende werkzaamheden, één en ander ten laste of ten bate van een door de rekeninghouders bij de dienst aan te houden tegoed.
N.B. In 1971 werd artikel 7 gewijzigd en aangevuld; daarbij werd artikel 1b vernummerd tot 1c; toegevoegd werd een nieuw artikel 1b: ‘gelegenheid wordt gegeven betalingen te verrichten of te ontvangen door middel van postwissels’.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.1.; Postwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot aanwijzing van met het giraal betalingsverkeer verbandhoudende werkzaamheden, welke door de Postcheque- en Girodienst mogen worden verricht.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.1.b.; Postwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten houdende regels ten aanzien van de organisatie, het beheer en het gebruik van de PCGD, de voorwaarden waarop de handelingen en werkzaamheden door de dienst worden verricht, zomede ten aanzien van de rechten, welke worden geheven.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (meestal in overleg met de Minister van Financiën) waarbij de mogelijkheid van het openen van postrekeningen wordt opgeschort danwel aan bijzondere voorwaarden wordt gebonden (in geval van bijzondere omstandigheden).
Periode: 1940–(1946)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 2.3.; Girobesluit 1955, art. 3.; Girobesluit 1966, art. 3.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van rekeninghouders wier rekening in het belang van de dienst/ambtshalve (door de directeur der PCGD) is opgeheven.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 41.3.; Girobesluit 1955, art. 12.3.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van het maximum bedrag in geld, waarmee een postrekening door storting op een kantoor per dag of in een langer tijdvak mag worden vermeerderd.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 6.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels ten aanzien van het toelaten van de in artikel 8, lid 1, onder d bedoelde overschrijvingen op girorekeningen bij De Nederlandsche Bank.
N.B. Art. 8, lid 1, onder d: ‘De rekeninghouders kunnen over het beschikbare tegoed op hunnen postrekeningen beschikken: I. voor het binnenland door middel van ... d. girobiljetten voor overschrijvingen op girorekeningen bij De Nederlandsche Bank’.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 9.5.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de bedragen die verschuldigd zijn voor elke overschrijving van de ene postrekening op de andere, welke worden uitgevoerd krachtens doorlopende machtiging aan de directeur van de PCGD.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.b.
Voorstel: b (5)
Het – onder voorwaarden – verlenen van vrijstelling van de betaling van rechten als bedoeld in artikel 35, lid 1, onder a en d (en in het geval van De Nederlandsche Bank ook onder c), aan houders van postrekeningen ten behoeve van openbare besturen of instellingen of De Nederlandsche Bank.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 37.3.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende goedkeuring van door de directeur der PCGD gestelde voorwaarden inzake de uitgifte van reispostchequeboekjes voor betalingen door buitenlandse postinstellingen, alsmede voor het uitbetalen van cheques uit soortgelijke boekjes uitgegeven door buitenlandse administraties.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 21.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de bedragen die verschuldigd zijn voor elk reispostchequeboekje voor het buitenland, alsmede van de wijze waarop de rechten voor reispostchequeboekjes voor het buitenland moeten worden voldaan.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.h.; art. 36.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende besluiten tot gehele/gedeeltelijke sluiting (cq. wederopenstelling) van girokantoren voor de behandeling van opdrachten tot bijschrijving of afschrijving in geval van gevaar voor ontreddering van de dienst, alsmede tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop rekeninghouders tijdens de sluiting over hun tegoed kunnen blijven beschikken.
Periode: 1940–(1946)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 47.; Girobesluit 1955, art. 7.; Girobesluit 1966, art. 7.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van instructies voor de directeur van de PCGD.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de PCGD.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het doen van voordrachten voor de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming van de directeur/onderdirecteur van de PCGD.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, art. 3.; Organiek Besluit PTT 1946, art. 4.;
Organiek Besluit PTT 1955, art. 25 (vervalt in 1983).
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na voordracht
Het vaststellen van beschikkingen tot voorziening in de tijdelijke waarneming van de functies van directeur en onderdirecteur van de PCGD, wanneer beiden afwezig zijn.
Periode: 1940–(1945)
Grondslag: Besluit van 11 september 1940, VB 139/1940, art. 2.3.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninklijke Besluiten) waarbij wordt bepaald op welke wijze de bewaring van bij de PCGD belegde gelden zal geschieden.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.4.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels voor de belegging van gelden van de PCGD, alsmede voor het bewaren van de beleggingen en van de in pand genomen waarden.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.3.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van instructies tot regeling van de werkzaamheden der Commissie van Advies betreffende de bemoeiïngen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen:
a. tot aanwijzing van een secretaris van de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936;
b. tot aanwijzing van een vervanger van de voorzitter van de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936, bij diens ontstentenis.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Besluit van den 4den juni 1937, Stb. 288, art. 2.; art. 3.2.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen houdende het model volgens hetwelk gemeentelijke stortings- of ophaaldiensten opgaaf moeten verstrekken aan de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT van de door hen verrichtte betalingen als bedoeld in artikel 4, onder III, letter f (aan ‘andere begunstigden, voor zover aan hen betalingen worden gedaan, die in het algemeen naar haar aard uit gespaarde gelden worden verricht’).
Periode: 1940–1946
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 18 september 1939/3 oktober 1939, Stcrt. 197, art. 8.1.;
Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 8.1.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van begunstigden waarvan de Minister (i.c. de secretaris-generaal) het bijzonder belang voor de gemeente erkent en aan wie op basis daarvan door rekeninghouders betalingen mogen worden gedaan.
Periode: 1941–1946
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 4.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de beschikking
Het aanwijzen van tot andere gemeenten behorende gebieden waaruit aangeslotenen van een gemeentelijke dienst afkomstig mogen zijn (om tot uitvoering van betalingsopdrachten te kunnen overgaan).
Periode: 1941–1946
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 5.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de aanwijzing
Het vaststellen van beschikkingen waarin gemeenten worden vrijgesteld van de inzending van opgaven als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de voorwaarden betreffende gemeentelijke stortings- en ophaaldiensten.
Periode: 1944–1946
Grondslag: Beschikking van 7 februari 1944, Ned. Stcrt. 153, art. 1.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende gelijkstelling van andere met name aan te duiden openbare lichamen dan het Rijk en de gemeenten met gemeenten (voor de toepassing van deze wet).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 8.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninkklijke Besluiten tot vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van instructies voor de directeur van de RPS.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.1. Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.a.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 8.
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur inzake de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de ambtenaren der RPS (m.u.v. de directeur en de onderdirecteur).
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 2.5.
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninkklijke) Besluiten tot benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Toezicht op de RPS; .... voorbereiding van besluiten tot benoeming van een voorzitter van die Raad.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.2.
Voorstel: b (6)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. regelende de inleg en terugbetaling van gelden uit de RPS;
b. regelende toelating van bepalingen, welke hij, die een inleg doet op een nieuw boekje ten name van
een ander, kan stellen;
c. tot vaststelling van regelingen die afwijken van het bepaalde in de voorgaande leden van artikel 5;
d. inzake de voorwaarden waaronder gelegenheid wordt gegeven tot het openen van een spaarrekening en het daarop rentegevend inleggen van gelden, alsmede tot het sluiten van andere spaarcontracten bij de RPS.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; art. 5.5.; art. 5.6.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het onder bijzondere omstandigheden verlenen van machtigingen aan de directeur der RPS om terugbetaling bij andere kantoren dan eerder daartoe aangewezen te doen geschieden.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 13.2.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de machtiging
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende nadere voorschriften betreffende de inschrijving en doorhaling van de inschrijving in de bescheiden van de RPS van de rechterlijke uitspraak inzake het bevel of de toestemming tot het verbinden van gelden, welke zijn ingelegd om te dienen tot zekerheid van voogdijbeheer.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 10.9.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot verlenging – de raad van toezicht gehoord/de commissie van advies gehoord – van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. tot vaststelling van het percentage, waarmee de waarde van inschrijving in het Grootboek der Nationale Schuld mag worden vermeerderd in geval van op- of afschrijvingen van Staatschuldboekjes;
b. vaststelling van de regelen betreffende het in en afschrijven op Staatsschuldboekjes;
c. vaststelling van de hoogte van het commissieloon dat de RPS in rekening mag brengen in verband met inschrijvingen op of afschrijvingen van Staatsschuldboekjes.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 9.5.; art. 9.7.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder duplicaatboekjes kunnen worden afgegeven of spaarbankboekjes kunnen worden vervangen.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 11.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de hoogte van de rente die wordt uitgekeerd op spaarrekeningen/tot vaststelling van de rentevoet, de wijze van berekening van het rentebedrag, het maximum rentegevend tegoed en de gevallen waarin de rentevergoeding kan worden beeindigd.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 13.2.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.3.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot vaststelling van de hoogte en de uitbetaling van het bedrag dat jaarlijks voor de verzending van brieven en andere stukken welke de dienst der RPS betreffen aan de PTT wordt uitgekeerd.
Periode: 1940–1942; 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 22.2.; Postspaarbankwet 1954, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarverslagen van de RPS.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 23.2.
Voorstel: b (3)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot het uitgeven van spaarbankzegels.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 24
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van uitvoeringsbesluiten met betrekking tot het Besluit van 3 december 1942.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Besluit van 3 december 1942, art. 4.
Voorstel: b (6)
11.2.2 Commissie van advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld
Het – desgevraagd of uit eigener beweging – adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT dan wel de Minister van Financiën, inzake de uitvoering van de Girowet.
N.B. De adviezen worden altijd toegezonden aan de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de Minister van Financiën.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.; zie ook: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 2.1.; art. 3.; art. 4.; art. 6.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarlijkse verslagen inzake zijn werkzaamheden in het afgelopen jaar.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 7.
Voorstel: b (3)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (1)
11.2.3 Commissie van advies inzake de Rijkspostspaarbank
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het uitoefenen van toezicht op het beheer en de toestand van de RPS.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.1.
Voorstel: b (5)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de regeling der werkzaamheden van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.1.
Voorstel: b (1)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganiastie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (1)
11.2.4 Directeur-Generaal der PTT
Het vaststellen van beschikkingen op beroepschriften van personen aan wie (door de directeur van de PCGD) een machtiging tot het openen van een postrekening is geweigerd.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 2.1.; Girobesluit 1955, art. 2.4.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het verlenen van ontheffingen van de verplichting van geheimhouding ten zake van ‘alle overige zaken, welke door hunne ambtsvervulling te hunner kennis komen’ aan ambtenaren die met de uitvoering van de dienst (PCGD) worden belast.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 45.2.; Girobesluit 1955, art. 26.; Girobesluit 1966, art. 25.; art.27 (1972)
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de ontheffing
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de PCGD.
Periode: 1945–1946
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen ter voorziening in de waarneming van de funktie van directeur of onderdirecteur der RPS in geval van beider afwezigheid.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 2.3.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de RPS.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.1.
Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 8.
Voorstel: b (4)
Het voeren van het opperbevel/het beheer over de RPS/de directeur van de RPS; het medevertegenwoordigen (naast de directeur van de RPS) van het Staatsbedrijf der PTT in zaken de RPS betreffende.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 2.1.; art. 4.1.; Postspaarbankwet 1954, art. 3.1.; art. 4.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot aanwijzing van de kantoren der posterijen waar inleg en terugbetaling uit de RPS kan geschieden.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 5.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende de openingsuren van de voor de spaarbankdienst opengestelde kantoren der posterijen.
Periode: 1940–1946
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 2.; Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende regels volgens welke inleg bij de RPS kan plaatsvinden door overschrijving of storting op een door de directeur der RPS aan te wijzen rekening ten name van de RPS bij de PCGD.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 10bis.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van een rekening ten name van de RPS bij de PCGD waarop kan worden ingelegd door overschrijving of storting.
Periode: 1942–1946
Grondslag: Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 10bis.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de rekening
11.2.5 Raad van toezicht op de Rijkspostspaarbank
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het uitoefenen van toezicht op het beheer en de toestand van de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.1.
Voorstel: b (5)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de regeling der werkzaamheden van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.1.
Voorstel: b (1)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
11.2.6 Raad van hoofdcommissarissen
Het opstellen van voordrachten voor de benoeming van de leden van de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 16.1.
Voorstel: b (6)
11.3 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Buitenlandse Zaken
11.3.1 Minister van Buitenlandse Zaken
Het (mede)vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen (N.B. In overeenstemming met de Ministers van FIN, EZ en LNV).
Periode:. 1978–
Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 26.
Voorstel: b (6)
11.4 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Economische Zaken
11.4.1 Minister van handel, nijverheid en scheepvaart
(De SG had tijdens de oorlog dezelfde bevoegdheden als de Minister)
Het verlenen van machtigingen aan door De Nederlandsche Bank aangewezen personen om de boeken, bescheiden en geschriften van hier te lande gevestigde of hun bedrijf uitoefenende banken of bankiers te mogen inzien, ten behoeve van het verkrijgen van juiste economische statistieken.
Periode: 1940–?
Grondslag: Wet van 28 december 1936, art. 3.2.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de machtiging
N.B. In het Besluit van de Secretarissen-Generaal voor Bijzondere Economische Zaken en van Financiën, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Justitie van 28 april 1943. Stcrt. 93, betreffende de uitoefening van den effectenhandel, werd de handel in effecten in grote lijnen voorbehouden aan de leden van de Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep Effectenhandel) en aan de Vakgroep Makelaars in Effecten.
Het goedkeuren van de door de Bedrijfsgroep Effectenhandel aan ondernemingen verleende ontheffingen van het verbod om te handelen in effecten.
Periode: 1943–uiterlijk 1986
Grondslag: Besluit van 28 april 1943, Stcrt. 93, art. 1.3.d.
Voorstel: b (6)
Het goedkeuren van door de Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep Effectenhandel) vastgestelde regels betreffende toelating en schorsing van leden, alsmede betreffende vervallenverklaring van het lidmaatschap.
Periode: 1943–uiterlijk 1986
Grondslag: Besluit van 28 april 1943, Stcrt. 93, art. 2.1.
Voorstel: b (6)
Het (mede)vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen (N.B. In overeenstemming met de Ministers van FIN, EZ en LNV).
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 26.
Voorstel: b (1, 6)
11.4.2 Economische controledienst
Het opstellen van voordrachten voor de benoeming van de leden van de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 16.1.
Voorstel: V termijn: 2 jaar na voordracht
11.5 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Justitie
11.5.1 Minister van Justitie
11.5.1.1 Algemene handelingen
Het (mede)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en/of intrekking van (algemene) wet-/regelgeving op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (1)
Het verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen en/of ten uitvoer gelegde beleid op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (1)
Het informeren van de Staten-Generaal inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van schriftelijke en/of mondelinge vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal inzake het beleid op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van vragen van individuele burgers inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: v Termijn: 15 jaar na beantwoording
Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in wet- en regelgeving) op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na beëindiging van het lidmaatschap
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over vergaderingen van bestuurs- en overlegorganen van internationale organisaties op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over bijeenkomsten van intra- en interdepartementale overlegorganen die zich bezighouden met het beleid op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid op het terrein van de toepassing van formele bevoegdheden op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (1)
Het vaststellen van de beleidsorganisatie op het terrein van het voorkomen van witwassing van uit criminaliteit verkregen gelden.
Periode: 1994–....
Voorstel: b (4)
11.5.1.2 Regulering van en toezicht op de centrale bank
Het (mede)voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de bemoeiïngen van De Nederlandsche Bank met de krachtens deze wet in de consignatiekas in bewaring gegeven effecten en het daarvoor te bedingen loon.
Periode: 1940–
Grondslag: Wet van 27 maart 1936, Stb. 201, art. 3.
Voorstel: b (5)
Het (mede)vaststellen van Ministeriële regelingen houdende nadere regels met betrekking tot de uitvoering van deze wet (Wet consignatiekas).
Periode: 1940–
Grondslag: Wet van 27 maart 1936, Stb. 201, art. 11.
Voorstel: b (5)
11.5.1.3 Regulering van en toezicht op het kredietwezen
Het adviseren van de Minister van Financiën dan wel De Nederlandsche Bank inzake verzoeken van buitenlandse toezichthouders om gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor andere doelen dan waarvoor zij zijn verstrekt, indien die verzoeken betrekking hebben op strafbare feiten.
Periode: 1994–....
Grondslag: WTK, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 65.2c.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na datum
11.5.1.4 Toezicht op de handel in effecten ter beurze
N.B. In het Besluit van de Secretarissen-Generaal voor Bijzondere Economische Zaken en van Financiën, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Justitie van 28 april 1943. Stcrt. 93, betreffende de uitoefening van den effectenhandel, werd de handel in effecten in grote lijnen voorbehouden aan de leden van de Vereeniging voor den Effectenhandel (Bedrijfsgroep Effectenhandel) en aan de Vakgroep Makelaars in Effecten.
Het aanwijzen van de arrondissementsrechtbank waar de berechting van overtreders van de regelgeving op het terrein van de handel in effecten moet plaatsvinden.
Periode: 1943 -
Grondslag: Besluit van 28 april 1943, Stcrt. 93, art. 4.2.
Voorstel: v Termijn: 2 jaar na aanwijzing
11.5.1.5 Toezicht op beleggingsinstellingen
Het vaststellen van beschikkingen tot goedkeuring van voorgenomen statutenwijzigingen van beleggingsinstellingen (de toezichthouder gehoord).
Periode: 1990–....
Grondslag: Besluit toezicht beleggingsinstellingen, art. 14.4.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de statuten
Het vaststellen van beslissingen op verzoeken van buitenlandse autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten en instellingen om gegevens, die op grond van art. 27.1. zijn verstrekt, voor andere doelen te mogen gebruiken dan waarvoor zij zijn verstrekt, indien het een onderzoek naar strafbare feiten betreft.
Periode: 1994–....
Grondslag: WTB, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 27.3.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
11.5.1.6 Toezicht op het effectenverkeer
Het (mede)vaststellen van beschikkingen op verzoeken van buitenlandse autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de financiële markten en instellingen om gegevens die op grond van art. 24.1. zijn verstrekt voor andere doelen te mogen gebruiken dan waarvoor zij zijn verstrekt, indien het een onderzoek naar strafbare feiten betreft.
Periode: 1994–....
Grondslag: WTE, zoals gewijzigd bij Wet van 17 maart 1994, Stb. 235, art. 24.2c.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
11.5.1.7 Melding ongebruikelijke transacties
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde financiële diensten die onder de werking van deze wet vallen.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 1.a.9.
Voorstel: b (5)
Het beoordelen van de jaarverslagen en jaarplannen van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.h.
Voorstel: b (5)
Het stellen van regels inzake en het houden van toezicht op het beheer van het door het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties bijgehouden register van meldingen.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 4.1.; art. 5.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 6.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van het budget en de (personele) sterkte van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 7.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na datum
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststeling – voor een termijn van ten hoogste zes maanden – van de indicatoren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als zijnde ongebruikelijk.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 8.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, intrekking en wijziging van algemene maatregelen van bestuur tot goedkeuring van eerder vastgestelde indicatoren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als zijnde ongebruikelijk.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 8.2.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van voordrachten voor de benoeming van de leden van de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 16.1.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van besluiten (Ministeriële regelingen) tot benoeming van de leden van de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 16.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde transacties die beschouwd moeten worden als wisseltransacties in de zin der wet.
Periode: 1995–....
Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot aanwijzing van andere dan in de wet genoemde gegevens die in de aanvraag tot inschrijving in het register van wisselkantoren moeten zijn opgenomen.
Periode: 1995–....
Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 3.3.
Voorstel: b (5)
Het – onder voorwaarden en voorschriften – verlenen van vrijstelling of – op verzoek – ontheffing van het verbod om als wisselkantoor werkzaam te zijn; het doen van mededeling van die ontheffing in de Staatscourant.
Periode: 1995–....
Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 5.1.; art. 5.3.; vgl. art. 5.2.
Regeling van 22 december 1994, Stcrt. 248, art. 1.; art. 2.
Voorstel: vrijstellingen: b (5)
ontheffingen: v, 10 jaar na vervallen
Het vaststellen van Ministeriële regelingen waarin wordt bepaald in welke gevallen ontheffing van het verbod om als wisselkantoor werkzaam te zijn namens onze Ministers kan worden verleend door De Nederlandsche Bank.
Periode: 1995–....
Grondslag: Wet inzake de wisselkantoren, art. 5.2.
Voorstel: b (5)
11.5.2 Begeleidingscommissie meldpunt ongebruikelijke transacties
Het adviseren van de Minister van Justitie en de Minister van Financiën inzake de vaststelling van de indicatoren bedoeld in artikel 8.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 15.
Voorstel: b (5)
Het adviseren van de Minister van Justitie en de Minister van Financiën inzake de effectiviteit van de meldingsplicht.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 15.
Voorstel: b (5)
Het begeleiden van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties in de uitvoering van zijn taak.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 15.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
Het adviseren van de Minister van Justitie en de Minister van Financiën inzake de wijze waarop het meldpunt zijn taak verricht.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 15.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van reglementen voor de werkwijze van de Begeleidingscommissie voor het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 16.4
Voorstel: b (4)
11.5.3 Meldpunt ongebruikelijke transacties
Het afhandelen van meldingen in het kader van de Wet melding ongebruikelijke transacties:
– het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van gegevens inzake financiële transacties teneinde na te gaan of deze gegevens van belang kunnen zijn voor de voorkoming en opsporing van misdrijven;
– het verstrekken van persoons- en andere gegevens uit het door hem bijgehouden register, in overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet politieregisters bepaalde;
– het inwinnen van nadere gegevens of inlichtingen bij degene die een melding heeft gedaan of bij degene die betrokken is bij een financiële transactie als bedoeld onder artikel 1.a.7.;
– het – waar nodig – melden van ongebruikelijke transacties bij Justitie.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.a.; art. 3.b.; art. 3.c.; art. 10.1.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
Het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme en naar de verbetering van de methoden om witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme te voorkomen en op te sporen.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.d.
Voorstel: b (5)
Het geven van aanbevelingen voor de bedrijfstakken omtrent de invoering van passende procedures voor interne controle en communicatie en andere te treffen maatregelen tot voorkoming van het gebruik van die bedrijfstakken voor witwassen, heling van geld en financieren van terrorisme.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.e.
Voorstel: b (5)
Het geven van voorlichting omtrent de voorkoming en opsporing van witwassen, de heling van geld en financieren van terrorisme aan de bedrijfstakken, aan het openbaar Ministerie en de overige ambtenaren belast met de opsporing van strafbare feiten en aan het publiek.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.f.
Voorstel: v Termijn: 2 jaar na datum, m.u.v. 1 exemplaar van het eindprodukt b (5)
Het onderhouden van contacten met buitenlandse, van overheidswege aangewezen instellingen met een vergelijkbare taak.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.h
Opmerking: Een voorbeeld hiervan is het voeren van overleg met de Financial Intelligence Units. Dit betreft de internationale context van het MOT.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarverslagen en jaarplannen ten behoeve van de Minister van Justitie.
N.B.Het jaarverslag wordt ter kennisneming toegezonden aan de Minister van Financiën.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 3.i
Voorstel: b (3)
N.B. Het hoofd van het Meldpunt is aangewezen als de eigenlijke registerbeheerder.
Het bijhouden van en het voeren van het beheer over het register van gegevens met betrekking tot ongebruikelijke transacties.
N.B. Het bedoelde register wordt deels handmatig, deels geautomatiseerd uitgevoerd.
Zie ook het Reglement Politieregister Melding Ongebruikelijke Transacties.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 4.1.
Opmerking: Het produkt is een register van gegevens van ongebruikelijke transacties. Dit kan zowel in papieren als in digitale vorm zijn.
Voorstel: V 5 jaar
Het voeren van overleg met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën inzake de vaststelling van Ministeriële regelingen tot vaststeling – voor een termijn van ten hoogste zes maanden – van de indicatoren aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of een transactie moet worden aangemerkt als zijnde ongebruikelijk.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 8.1.
Voorstel: b (5)
Het stellen van nadere regels omtrent de wijze waarop meldingen moeten worden gedaan en gegevens en inlichtingen, gevraagd krachtens artikel 10.1., moeten worden verstrekt.
Periode: 1994–....
Grondslag: Wet melding ongebruikelijke transacties, art. 11.
Voorstel: b (5)
Het instellen van de projectorganisatie automatisering Meldpunt Ongebruikelijke
transacties.
Periode: 1994 –
Waardering: b (4)
11.5.4 Projectorganisatie meldpunt ongebruikelijke transacties
Het voorbereiden van de inrichting, het daadwerkelijk inrichten en het laten functioneren van een meldpunt, dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van de Wet melding ongebruikelijke transacties in staat is zijn wettelijke taken te vervullen.
Periode: 1993–1994
Grondslag: Instellingsbeschikking Projectorganisatie inrichting meldpunt ongebruikelijke transacties, art. 2. ev.
Voorstel: b (4)
11.6 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
11.6.1 Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
Het (mede)vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorschriften ten aanzien van financiële betrekkingen met het buitenland, alsmede ten aanzien van het vorderen van gouden munten, fijn goud, alliages van goud en buitenlandse activa van ingezetenen (N.B. In overeenstemming met de Ministers van FIN, EZ en LNV).
Periode: 1978–
Grondslag: Noodwet financieel verkeer, art. 26.
Voorstel: b (1)
11.7 Handelingen van actoren onder de zorg van de Minister van Verkeer & Waterstaat
11.7.1 De Minister belast met de zorg voor het staatsbedrijf der ptt
11.7.1.1 Algemene handelingen
Het (mede)voorbereiden van de vaststelling, wijziging en/of intrekking van (algemene) wet-/regelgeving op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–1985
Voorstel: b (1)
Het verrichten van studies en het vaststellen van beleidsnota’s ter voorbereiding en/of evaluatie van het voorgenomen en/of ten uitvoer gelegde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–1985
Voorstel: b (1)
Het informeren van de Staten-Generaal inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1945–1985
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van schriftelijke en/of mondelinge vragen van (individuele) leden der Staten-Generaal inzake het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1945–1985
Voorstel: b (3)
Het beantwoorden van vragen van individuele burgers inzake het te voeren en/of gevoerde beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–1985
Voorstel: v Termijn: 15 jaar na beantwoording
Het benoemen, schorsen en ontslaan van vertegenwoordigers van het Ministerie in commissies, stuurgroepen, werkgroepen en andere internationale, inter- en intradepartementale overlegorganen (voorzover niet expliciet geregeld in wet- en regelgeving) op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–1985
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na beëindiging van het lidmaatschap
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over vergaderingen van bestuurs- en overlegorganen van internationale organisaties op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–1985
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden van, deelnemen aan en rapporteren over bijeenkomsten van intra- en interdepartementale overlegorganen die zich bezighouden met het beleid op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–1985
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden, mede-vaststellen en coördineren van het beleid op het terrein van de toepassing van formele bevoegdheden op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–....
Voorstel: b (1)
Het vaststellen van de beleidsorganisatie op het terrein van de regulering van en het toezicht op het giroverkeer en de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1940–....
Voorstel: b (4)
11.7.1.2 Toezicht op/regulering van het kredietwezen
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot goedkeuring, wijziging, verlenging en intrekking van algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering, welke De Nederlandsche Bank aan geregistreerde kredietinstellingen kan opleggen i.v.m. haar taak ten aanzien van de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid (de Bankraad gehoord).
Periode: 1979–1985
Grondslag: WTK 1978, art. 22.5.
N.B. Zie ook artikel 28.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling van wetten tot bekrachtiging van besluiten, houdende goedkeuring van de algemene voorschriften inzake de bedrijfsvoering van kredietinstellingen, i.v.m. de regulering van de waarde van de Nederlandse geldeenheid (1952: indien die besluiten in afwijking van de adviezen van de Bankraad zijn genomen)
Periode: 1979–1985
Grondslag: WTK 1978, art. 22.6.
Voorstel: b (1)
*11.7.1.3 Handelingen met betrekking tot het giroverkeer*
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur regelende de wijze waarop door de staat door middel van de postcheque- en girodienst:
a. gelegenheid wordt gegeven betalingen te verrichten of te ontvangen door middel van overschrijvingen, stortingen of cheques;
b. bemiddeling wordt verleend voor uitvoering van andere door Ons aan te wijzen met dit betalingsverkeer verband houdende werkzaamheden, één en ander ten laste of ten bate van een door de rekeninghouders bij de dienst aan te houden tegoed.
N.B. In 1971 werd artikel 7 gewijzigd en aangevuld; daarbij werd artikel 1b vernummerd tot 1c; toegevoegd werd een nieuw artikel 1b: ‘gelegenheid wordt gegeven betalingen te verrichten of te ontvangen door middel van postwissels’.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.1.; Postwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot aanwijzing van met het giraal betalingsverkeer verbandhoudende werkzaamheden, welke door de Postcheque- en Girodienst mogen worden verricht.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.1.b.; Postwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten houdende regels ten aanzien van de organisatie, het beheer en het gebruik van de PCGD, de voorwaarden waarop de handelingen en werkzaamheden door de dienst worden verricht, zomede ten aanzien van de rechten, welke worden geheven.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen (meestal in overleg met de Minister van Financiën) waarbij de mogelijkheid van het openen van postrekeningen wordt opgeschort danwel aan bijzondere voorwaarden wordt gebonden (in geval van bijzondere omstandigheden).
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 2.3.; Girobesluit 1955, art. 3.; Girobesluit 1966, art. 3.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van rekeninghouders wier rekening in het belang van de dienst/ambtshalve (door de directeur der PCGD) is opgeheven.
Periode: 1940–1966
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 41.3.; Girobesluit 1955, art. 12.3.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van het maximum bedrag in geld, waarmee een postrekening door storting op een kantoor per dag of in een langer tijdvak mag worden vermeerderd.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 6.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels ten aanzien van het toelaten van de in artikel 8, lid 1, onder d bedoelde overschrijvingen op girorekeningen bij De Nederlandsche Bank.
N.B. Art. 8, lid 1, onder d: ‘De rekeninghouders kunnen over het beschikbare tegoed op hunnen postrekeningen beschikken: I. voor het binnenland door middel van ... d. girobiljetten voor overschrijvingen op girorekeningen bij De Nederlandsche Bank’.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 9.5.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de bedragen die verschuldigd zijn voor elke overschrijving van de ene postrekening op de andere, welke worden uitgevoerd krachtens doorlopende machtiging aan de directeur van de PCGD.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.b.
Voorstel: b (5)
Het – onder voorwaarden – verlenen van vrijstelling van de betaling van rechten als bedoeld in artikel 35, lid 1, onder a en d (en in het geval van De Nederlandsche Bank ook onder c), aan houders van postrekeningen ten behoeve van openbare besturen of instellingen of De Nederlandsche Bank.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 37.3.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende goedkeuring van door de directeur der PCGD gestelde voorwaarden inzake de uitgifte van reispostchequeboekjes voor betalingen door buitenlandse postinstellingen, alsmede voor het uitbetalen van cheques uit soortgelijke boekjes uitgegeven door buitenlandse administraties.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 21.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de bedragen die verschuldigd zijn voor elk reispostchequeboekje voor het buitenland, alsmede van de wijze waarop de rechten voor reispostchequeboekjes voor het buitenland moeten worden voldaan.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.h.; art. 36.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende besluiten tot gehele/gedeeltelijke sluiting (cq. wederopenstelling) van girokantoren voor de behandeling van opdrachten tot bijschrijving of afschrijving in geval van gevaar voor ontreddering van de dienst, alsmede tot vaststelling van de voorwaarden waaronder en de wijze waarop rekeninghouders tijdens de sluiting over hun tegoed kunnen blijven beschikken.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 47.; Girobesluit 1955, art. 7.; Girobesluit 1966, art. 7.
Voorstel: b (6)
Het verlenen van ontheffingen van de verplichting van geheimhouding ten zake van ‘alle overige zaken, welke door hunne ambtsvervulling te hunner kennis komen’ aan ambtenaren die met de uitvoering van de dienst (PCGD) worden belast.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 45.2.; Girobesluit 1955, art. 26.; Girobesluit 1966, art. 25.; art.27 (1972)
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de ontheffing
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur inzake de vergoeding van rente over rekeningen bij de PCGD (sinds 1971, echter met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1970).
Periode: (1955)1970–1985
Grondslag: Postwet 1954, art. 7.3.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van de hoogte van de rente die vergoed wordt aan houders van particliere postrekeningen (1972 – 1974); tot vaststelling van de categorieën van rekeninghouders aan wie rente over het beschikbare tegoed wordt vergoed en tot vaststelling van de hoogte van die rentevoet (sinds 1974).
Periode: 1955–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1955, art. 20.1.; Girobesluit 1966, art. 20.1.
Voorstel: b (5)
Het verlenen van machtigingen aan de directeur van de Postcheque- en Girodienst tot het mogen weigeren van opdrachten tot verhoging van rentedragende tegoeden op postrekeningen, dan wel tot weigering van rentevergoeding over bedragen boven een door de directeur der PCGD te bepalen maximum.
Periode: 1982–(1985)
Grondslag: Beschikking van 30 juni 1982, Stcrt. 122, art. 4.; Beschikking van 26 april 1983, Stcrt. 88, art. 4.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de machtiging
Het verlenen van toestemming om het bij wijze van proef invoeren van nieuwe vormen van dienstverlening of het wijzigen van bestaande vormen van dienstverlening langer te laten voortduren dan een jaar.
Periode: 1972–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1966, art. 29.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na beëindiging van de proef
Het vaststellen van instructies voor de directeur van de PCGD.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het doen van voordrachten voor de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot benoeming van de directeur/onderdirecteur van de PCGD.
Periode: 1940–1983
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, art. 3.; Organiek Besluit PTT 1946, art. 4.;
Organiek Besluit PTT 1955, art. 25 (vervalt in 1983).
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na voordracht
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninklijke Besluiten) waarbij wordt bepaald op welke wijze de bewaring van bij de PCGD belegde gelden zal geschieden.
Periode: 1940–1954
Grondslag: Postwet 1919, art. 22.4.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels voor de belegging van gelden van de PCGD, alsmede voor het bewaren van de beleggingen en van de in pand genomen waarden.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 1.3.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van Koninklijke Besluiten tot vaststelling van instructies tot regeling van de werkzaamheden der Commissie van Advies betreffende de bemoeiïngen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen:
a. tot aanwijzing van een secretaris van de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936;
b. tot aanwijzing van een vervanger van de voorzitter van de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936, bij diens ontstentenis.
Periode: 1940–
Grondslag: Besluit van den 4den juni 1937, Stb. 288, art. 2.; art. 3.2.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming van de leden van de Commissie van Advies betreffende de bemoeiïngen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld; het aanwijzen van de voorzitter van die Commissie.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.2.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur regelende de wijze waarop de Commissie van Advies betreffende de bemoeiïngen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld van advies dient bij de uitvoering van deze wet.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.3.
Voorstel: b (4)
Het (mede)opstellen van en het zo nodig voeren van overleg met de andere Minister over adviesaanvragen die aan de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet, zullen worden voorgelegd.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 2.2.
Voorstel: b (5)
Het verlenen van toestemming aan de Commissie van Advies, ingesteld bij artikel 9 van de Girowet 1936, tot openbaarmaking van zijn adviezen.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 5.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na toestemming
Het verlenen en intrekken van vergunningen aan/van gemeenten die een girodienst willen oprichten/hebben opgericht.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 2.; art. 5.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende bepalingen ten aanzien van gemeentelijke girodiensten (o.a ten aanzien van de belegging van gelden, de deelneming aan het interlokale en internationale betalingsverkeer en de aan de PCGD voor diens bemoeiïngen te betalen vergoedingen).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 2.3; art. 2.4.; art. 2.5.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot goedkeuring van de voorwaarden voor het aanhouden van rekening-courant-tegoeden bij De Nederlandsche Bank door gemeentelijke girodiensten.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 3.4.
Voorstel: b (5)
Het verlenen van toestemming aan gemeentelijke girodiensten om rekeningen-courant ten name van natuurlijke of rechtspersonen die afkomstig zijn van buiten de gemeente te openen of aan te houden, terwijl deze natuurlijke of rechtspersonen in die gemeente geen bedrijf of beroep uitoefenen.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 4.1.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van het model volgens hetwelk gemeenten binnen een maand na afloop van het kalenderjaar opgaaf moeten doen van het aantal opdrachten dat hetzij in debet, hetzij in credit, door de PCGD is geboekt op de postrekening van gemeentelijke girodiensten (i.v.m. de vaststelling van de verschuldigde vergoeding).
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 5.3.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van het model volgens hetwelk gemeenten elk kwartaal opgaaf moeten doen van de namen, beroepen en de woonplaatsen van degenen, te wier behoeve in dat kwartaal door gemeentelijke girodiensten rekeningen-courant zijn geopend, en van de rekening-couranthouders in wier gegevens veranderingen zijn gekomen.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het beoordelen van periodiek door gemeenten verstrekte opgaven van nieuw geopende rekeningen-courant en van het gezamenlijk tegoed van lopende rekeningen-courant bij gemeentelijke girodiensten, alsmede van overzichten van de wijze waarop de gelden door gemeentelijke girodiensten zijn belegd.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 7.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beoordeling
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de rentevoet en van de voorwaarden in acht te nemen met betrekking tot de saldi-tegoeden welke bij gemeentelijke girodiensten worden aangehouden.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 2.6., zoals gewijzigd bij Wet van 13 april 1978, houdende bepalingen inzake het toezicht op het kredietwezen, art. 57.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen (?) waarin aan een gemeentelijke dienst, die al voor inwerkingtreding van de Girowet bestond, voorschriften worden gegeven terzake van de belegging van gelden, de deelneming aan het interlokale en internationale betalingsverkeer en de aan de PCGD voor diens bemoeiïngen te betalen vergoedingen.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 3.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende regels volgens welke door de Ministers belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en van Financiën toezicht wordt uitgeoefend op gemeentelijke girodiensten.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 4.
Voorstel: b (5)
Het beoordelen van door gemeenten verstrekte opgaven van alle bepalingen betreffende het gebruik van een gemeentelijke girodienst en van de in die bepalingen aangebrachte wijzigingen.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 8.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de bepalingen
Het aanwijzen van ambtenaren die inzage nemen in de boeken en bescheiden betreffende de administratie van gemeentelijke girodiensten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)