Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein regulering en toezicht bank- en kredietwezen vanaf 1940 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 9.1.
Voorstel: v Termijn: 1 jaar na vervallen van de aanwijzing
Het uitoefenen van toezicht op gemeentelijke girodiensten (door te onderzoeken of de voor de diensten geldende bepalingen en voorwaarden worden nageleefd, zich op de hoogte te stellen van de wijze waarop de diensten worden geëxploiteerd, zich te overtuigen van de juistheid van de door de diensten verstrekte opgaven en van de wijze, waarop beleggingen en in onderpand genomen waarden worden bewaard).
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Gemeentegirobesluit 1938, art. 9. (zie ook: Girowet 1936, art. 4.)
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende voorwaarden waaronder gemeentelijke stortings- en ophaaldiensten en gemeentelijke spaardiensten betalingen mogen verrichten aan openbare lichamen en daarmee gelijk te stellen begunstigden, ten behoeve van de daarbij aangeslotenen en ten laste van door dezen bij die diensten aan te houden tegoeden.
N.B. Wanneer diensten zich beperken tot het verrichten van dgl. betalingen vallen zij niet onder de werking van de wet.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 7.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van bijzondere voorwaarden waaraan een gemeentelijke stortings- of ophaaldienst of gemeentelijke spaarbank moet voldoen om te worden aangemerkt als dienst waarvoor de bepalingen van de Girowet niet gelden.
Periode: 1940–
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 18 september 1939/3 oktober 1939, Stcrt. 197, art. 2.;
Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 2.
Voorstel: b (5)
Het beoordelen van de bepalingen tot regeling van de werkzaamheden van een gemeentelijke stortings- of ophaaldienst of gemeentelijke spaarbank, alsmede van de wijzigingen daarin, voordat zij in werking treden.
Periode: 1940–
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 18 september 1939/3 oktober 1939, Stcrt. 197, art. 7.2.;
Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 7.2.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de bepalingen
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen houdende het model volgens hetwelk gemeentelijke stortings- of ophaaldiensten opgaaf moeten verstrekken aan de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT van de door hen verrichtte betalingen als bedoeld in artikel 4, onder III, letter f (aan ‘andere begunstigden, voor zover aan hen betalingen worden gedaan, die in het algemeen naar haar aard uit gespaarde gelden worden verricht’).
Periode: 1940–
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 18 september 1939/3 oktober 1939, Stcrt. 197, art. 8.1.;
Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 8.1.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van begunstigden waarvan de Minister (i.c. de secretaris-generaal) het bijzonder belang voor de gemeente erkent en aan wie op basis daarvan door rekeninghouders betalingen mogen worden gedaan.
Periode: 1941–(?)
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 4.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de beschikking
Het aanwijzen van tot andere gemeenten behorende gebieden waaruit aangeslotenen van een gemeentelijke dienst afkomstig mogen zijn (om tot uitvoering van betalingsopdrachten te kunnen overgaan).
Periode: 1941–
Grondslag: Beschikking BIZA/FIN 25 september/18 oktober 1940, art. 5.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de aanwijzing
Het vaststellen van beschikkingen waarin gemeenten worden vrijgesteld van de inzending van opgaven als bedoeld in artikel 8, lid 1, van de voorwaarden betreffende gemeentelijke stortings- en ophaaldiensten.
Periode: 1944–
Grondslag: Beschikking van 7 februari 1944, Ned. Stcrt. 153, art. 1.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de vrijstelling
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende gelijkstelling van andere met name aan te duiden openbare lichamen dan het Rijk en de gemeenten met gemeenten (voor de toepassing van deze wet).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 8.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regels voor het monetaire beleid van de PCGD (tot 1978); het vaststellen van de wijze waarop de bewaring van de beleggingen en van de in pand genomen waarden zal geschieden.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postwet 1954, art. 7.2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende:
a. het percentage van het bedrag hoger dan fl. 10 miljoen, dat op de postrekeningen gestort en nog niet terugbetaald is (met uitzondering van de tegoeden der rijkscomptabelen en van de saldi der dienstpostrekeningen), dat als kasreserve moet worden aangehouden bij De Nederlandsche Bank;
b. goedkeuring van onttrekkingen aan de kasreserve(s), anders dan bedoeld in art. 2, lid 3.
Periode: 1957–1972
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 2.1.; art. 2.2. (1972); art. 2.1. (1975); art. 2.6.; art 2.5. (1972); art. 2.4. (1975).
N.B. Art. 2.3. (art. 2.2. (1972)) luidt: ‘Telkens als door wijziging van het percentage voor de kasreserve of door wijziging van het bedrag der op postrekeningen gestorte en nog niet terugbetaalde bedragen als bedoeld in lid 1, het bedrag van de aldaar bedoelde kasreserve moet worden verhoogd of verlaagd, doet de Directeur-Generaal van het Staatsbedrijf der PTT daarvan mededeling aan de Minister van Financiën en De Nederlandsche Bank N.V.’
Voorstel: b (5)
11.7.1.4 Handelingen met betrekking tot de Rijkspostspaarbank
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninklijke) Besluiten:
a.` tot benoeming, schorsing en ontslag van de directeur/onderdirecteur van de RPS;
b. voorziening in de tijdelijke waarneming van hun functies bij verhindering, afwezigheid of ontstentenis van zowel de directeur als de onderdirecteur (tot 1942).
Periode: 1940–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 2.4.; art. 2.5.
Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.
Postspaarbankwet 1954, art. 3.4.
Organiek Besluit PTT 1928, art. 3.; Organiek Besluit PTT 1946, art. 4.; Organiek Besluit
PTT 1955, art. 25 (vervalt in 1983).
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninkklijke Besluiten tot vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van instructies voor de directeur van de RPS.
Periode: 1942–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.1. Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.a.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 8.
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur inzake de wijze van benoeming, schorsing en ontslag van de ambtenaren der RPS (m.u.v. de directeur en de onderdirecteur).
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 2.5.
Voorstel: b (4)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van (Koninkklijke) Besluiten tot benoeming en ontslag van de leden van de Raad van Toezicht op de RPS; .... voorbereiding van besluiten tot benoeming van een voorzitter van die Raad.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.2.
Voorstel: b (6)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot toekenning van presentiegelden (en bureaukosten) aan de leden (en de secretaris) van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.4.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninkklijke Besluiten tot vaststelling van voorschriften tot regeling der werkzaamheden van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.1.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot aanwijzing van de kantoren der posterijen waar inleg en terugbetaling uit de RPS kan geschieden.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 5.1.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. regelende de inleg en terugbetaling van gelden uit de RPS;
b. regelende toelating van bepalingen, welke hij, die een inleg doet op een nieuw boekje ten name van
een ander, kan stellen;
c. tot vaststelling van regelingen die afwijken van het bepaalde in de voorgaande leden van artikel 5;
d. inzake de voorwaarden waaronder gelegenheid wordt gegeven tot het openen van een spaarrekening en het daarop rentegevend inleggen van gelden, alsmede tot het sluiten van andere spaarcontracten bij de RPS.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; art. 5.5.; art. 5.6.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen houdende de openingsuren van de voor de spaarbankdienst opengestelde kantoren der posterijen.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 2.; Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot vaststelling van het model van het spaarbankboekje en van het Staatsschuldboekje.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 3.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels volgens welke inleg bij de RPS kan plaatsvinden door overschrijving of storting op een door de directeur der RPS aan te wijzen rekening ten name van de RPS bij de PCGD.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 10bis.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen houdende regels inzake het inleggen van gelden tot een bedrag van een gulden door middel van spaarbankzegels.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 11.1.
Voorstel: b (5)
Het onder bijzondere omstandigheden verlenen van machtigingen aan de directeur der RPS om terugbetaling bij andere kantoren dan eerder daartoe aangewezen te doen geschieden.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 13.2.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de machtiging
Het vaststellen van Ministeriële regelingen tot opschorting of beeindiging van de uitgifte van beleggingsbewijzen.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, zoals gewijzigd bij Besluit van 17 december 1973, Stb. 624, art. 10.c.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van Ministeriële regelingen waarin bij de vaststelling van de rentevoet voor spaardeposito’s wordt onderscheiden naar de duur van de inleg en het minimum bedrag van de inleg.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, zoals gewijzigd bij Besluit van 15 april 1975, Stb. 201, art. 10.e.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur houdende nadere voorschriften betreffende de inschrijving en doorhaling van de inschrijving in de bescheiden van de RPS van de rechterlijke uitspraak inzake het bevel of de toestemming tot het verbinden van gelden, welke zijn ingelegd om te dienen tot zekerheid van voogdijbeheer.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 10.9.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot verlenging – de raad van toezicht gehoord/de commissie van advies gehoord – van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. waarin wordt bepaald hoeveel de RPS als commissieloon en verdere kosten in rekening mag brengen aan rekeninghouders, die gebruik maken van de mogelijkheid om door tussenkomst van de RPS inschrijvingen op naam in een Grootboek van de Nationale Schuld, rentegevende obligatiën ten laste van de Staat, of certificaten aan toonder van inschrijving in een Grootboek te doen aankopen;
b. tot vaststelling van het formulier, waarbij de inlegger de directeur van de RPS machtigt om over te gaan tot invordering van de rente van het kapitaal, dat ten kantore van de Directeur van het Grootboek der Nationale Schuld op enig hoofd van rekening door tussenkomst van de RPS is ingeschreven (tot 1942).
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. art. 8.2.; art. 8.4.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. tot vaststelling van het percentage, waarmee de waarde van inschrijving in het Grootboek der Nationale Schuld mag worden vermeerderd in geval van op- of afschrijvingen van Staatschuldboekjes;
b. vaststelling van de regelen betreffende het in en afschrijven op Staatsschuldboekjes;
c. vaststelling van de hoogte van het commissieloon dat de RPS in rekening mag brengen in verband met inschrijvingen op of afschrijvingen van Staatsschuldboekjes.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 9.5.; art. 9.7.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur:
a. inzake de voorwaarden waaronder aan inleggers gelegenheid wordt gegeven tot het verkrijgen – ten laste van hun tegoed – van inschrijving in een staatsschuldboekje;
b. inzake de voorwaarden waaronder ten behoeve van inleggers bemiddeling wordt verleend voor het aankopen van nationale schuld ten laste van hun tegoed;
c. inzake de voorwaarden waaronder de rente van beleggingen in staatsschulden als inleg op een spaarrekening wordt bijgeschreven.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 7.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder duplicaatboekjes kunnen worden afgegeven of spaarbankboekjes kunnen worden vervangen.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 11.2.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de hoogte van de rente die wordt uitgekeerd op spaarrekeningen/tot vaststelling van de rentevoet, de wijze van berekening van het rentebedrag, het maximum rentegevend tegoed en de gevallen waarin de rentevergoeding kan worden beeindigd.
Periode: 1940–1971
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 13.2.; Postspaarbankwet 1954, art. 7.3.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van nadere voorschriften voor de uitvoering van de bepaling in art. 23.5. van het Postspaarbankbesluit: ‘Voor zoveel de door den directeur ingeleverde saldobiljetten in orde zijn bevonden, wordt op elken renteverschijndag te zijner beschikking gesteld de alsdan verschenen rente van alle door tusschenkomst van den RPS verkregen inschrijvingen, waarvan de rente, krachtens procuratie als in het tweede lid bedoeld, door den directeur wordt geïnd.’
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 23.6.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen houdende vaststelling van de rentevoet, de wijze van berekening van het rentebedrag, de gevallen waarin de rentevergoeding kan worden beeindigd en, zo nodig, een maximum rentegevend tegoed.
Periode: 1971–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, zoals gewijzigd bij Wet van 9 december 1970, Stb. 663, art. 7.3.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van (Ministeriële) regelingen tot vaststelling van de hoogte en de uitbetaling van het bedrag dat jaarlijks voor de verzending van brieven en andere stukken welke de dienst der RPS betreffen aan de PTT wordt uitgekeerd.
Periode: 1940–1942; 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 22.2.; Postspaarbankwet 1954, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarverslagen van de RPS.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 23.2.
Voorstel: b (3)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van Koninklijke Besluiten tot het uitgeven van spaarbankzegels.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 24
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van uitvoeringsbesluiten met betrekking tot het Besluit van 3 december 1942.
Periode: 1942–(?)
Grondslag: Besluit van 3 december 1942, art. 4.
Voorstel: b (6)
Het voorbereiden, vaststellen, wijzigen en intrekken van Ministeriële regelingen houdende:
a.algemene regels met betrekking tot het beleid terzake van de werkzaamheid van de RPS als spaarbank;
b.algemene aanwijzingen ter nadere regeling van het bepaalde in art. 4.2.
N.B. Artikel 4.2. luidt: ‘Terzake van de uitvoering van het beleid, bedoeld in artikel 2 – van de RPS als spaarinstelling -, is de Directeur-Generaal voornoemd – de DG van het Staatsbedrijf der PTT – verantwoording verschuldigd aan Onze Minister van Financiën.’
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 2.; art. 4.3.
Voorstel: b (1)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van nadere regels inzake de beperking van het vorderingsrecht bij het openen van een spaarbankrekening op naam van een ander (door het stellen van een tijdsbepaling voor de uitoefening van dat vorderingsrecht).
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 7.5.
Voorstel: b (5)
Het voorbereiden van de vaststelling, wijziging en intrekking van algemene maatregelen van bestuur tot vaststelling van de maximale omvang van het reservefonds van de RPS.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 13.1.
Voorstel: b (5)
11.7.1.5 Handelingen met betrekking tot de Postbank
Het vaststellen van Ministeriële regelingen waarin op verzoek van de Postbank wordt bepaald, dat bepaalde werkzaamheden, die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bij het Staatsbedrijf der PTT werden verricht ten behoeve van de PCGD en de RPS – met uitzondering van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 12 – ten behoeve van de Postbank worden voortgezet gedurende een door de Minister te bepalen periode van ten hoogste vijf jaar.
Periode: 1986–....
Grondslag: Postbankwet, art. 9.2.
Voorstel: b (5)
Het sluiten van overeenkomsten met de Postbank inzake de wijze waarop en de vergoedingen waartegen door het Staatsbedrijf der PTT werkzaamheden (anders dan bedoeld in artikel 12) zullen worden verricht ten behoeve van de Postbank.
Periode: 1986–....
Grondslag: Postbankwet, art. 9.2.
Voorstel: b (5)
Het – in overleg met de Postbank (en PTT Post BV. – 1988) – aanwijzen van postinrichtingen van het Staatsbedrijf der PTT (van PTT Post B.V. – 1988) waarvan de Postbank bij de uitoefening van haar bedrijf in elk geval gebruik moet maken.
Periode: 1986–....
Grondslag: Postbankwet, art. 12.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van overeenkomsten tussen de Postbank en de Staat (het Staatsbedrijf der PTT) (en PTT Post BV – 1988) inzake de rechtsbetrekkingen ten aanzien van het gebruik van de postinrichtingen.
Periode: 1986–....
Grondslag: Postbankwet, art. 12.2.
Voorstel: b (5)
11.7.2 Commissie van advies betreffende de bemoeiingen van de openbare lichamen met betrekking tot het betalingsverkeer zonder gereed geld
Het – desgevraagd of uit eigener beweging – adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT dan wel de Minister van Financiën, inzake de uitvoering van de Girowet.
N.B. De adviezen worden altijd toegezonden aan de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT, onder gelijktijdige toezending van een afschrift aan de Minister van Financiën.
Periode: 1940–1985
Grondslag: Girowet 1936, art. 9.; zie ook: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 2.1.; art. 3.; art. 4.; art. 6.
Voorstel: b (5)
Het opstellen van jaarlijkse verslagen inzake zijn werkzaamheden in het afgelopen jaar.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Besluit van den 6den augustus 1937, Stb. 354, art. 7.
Voorstel: b (3)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (1)
11.7.3 Commissie van advies inzake de Rijkspostspaarbank
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1946–1954
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het uitoefenen van toezicht op het beheer en de toestand van de RPS.
Periode: 1946–1954
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.1.
Voorstel: b (5)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de regeling der werkzaamheden van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1946–1954
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.1.
Voorstel: b (1)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1946–1954
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganiastie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (1)
11.7.4 Directeur-Generaal der PTT
Het ‘adviseren’ van de Minister van Financiën met betrekking tot de PCGD en de RPS in hun hoedanigheid van kredietinstelling.
N.B. De directeur-generaal der PTT is aangemerkt als representatieve organisatie.
Periode: 1979–1985
Grondslag: WTK 1978, art. 28.2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen op beroepschriften van personen aan wie (door de directeur van de PCGD) een machtiging tot het openen van een postrekening is geweigerd.
Periode: 1940–1966
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 2.1.; Girobesluit 1955, art. 2.4.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het vaststellen van regelingen waarbij wordt bepaald dat de rechten voor overschrijving op een rekening-courant bij een buitenlandse postcheque- en girodienst (geheel of ten dele) niet verschuldigd zijn.
Periode: 1949–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 35.1.g., zoals gewijzigd bij Besluit van 25 maart 1949, Stb. J. 136/Stb.
493, art. 1.
Voorstel: b (5)
Het verlenen van ontheffingen van de verplichting van geheimhouding ten zake van ‘alle overige zaken, welke door hunne ambtsvervulling te hunner kennis komen’ aan ambtenaren die met de uitvoering van de dienst (PCGD) worden belast.
Periode: 1940–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 45.2.; Girobesluit 1955, art. 26.; Girobesluit 1966, art. 25.; art.27 (1972)
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de ontheffing
Het vaststellen van regelingen houdende de bedragen waartegen lijsten van rekeninghouders beschikbaar kunnen worden gesteld.
Periode: 1955–1966
Grondslag: Girobesluit 1955, art. 5.3.
Voorstel: b (5)
Het beschikbaar stellen van lijsten van rekeninghouders.
Periode: 1955–1966
Grondslag: Girobesluit 1955, art. 5.3.
Voorstel: v Termijn: 1 jaar na datum
Het vaststellen van regelingen houdende vaststelling van de wijze van berekening van het rente-bedrag (en – tot 1974 – het maximum rentegevend tegoed) en de gevallen waarin op rentevergoeding geen aanspraak kan worden gemaakt (bij postrekeningen) (sinds 1972).
Periode: 1972–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1966, art. 22.2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende vaststelling van de verschuldigde rechten en vergoedingen voor diensten en werkzaamheden (anders dan in art. 20, lid 1 t/m 3 – 1955–of art. 19, lid 1 en 2 – 1966–genoemd).
Periode: 1955–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1955, art. 20.4.; Girobesluit 1966, art. 19.4.; art. 21.4. (1972)).
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van beschikkingen op bezwaarschriften van personen en instellingen tegen besluiten van de directeur van de PCGD.
Periode: 1966–(1985)
Grondslag: Girobesluit 1966, art. 26.; art. 28. (1972)
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na beschikking
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de PCGD.
Periode: 1945–1955
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 7.
Voorstel: b (4)
Het vaststellen van beschikkingen tot benoeming van de adjunct-directeur van de PCGD.
Periode: 1955–(1976)
Grondslag: Organiek Besluit PTT 1955, art. 25.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het doen van mededeling aan de Minister van Financiën van de noodzaak tot wijziging van het bedrag van de kasreserve als dat door wijziging van het percentage voor de kasreserve of door wijziging van het bedrag der op de postrekeningen gestorte en nog niet terugbetaalde bedragen noodzakelijk is.
Periode: 1957–1975
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 2.3.; art. 2.2. (1972);
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
Het doen van mededeling aan de directeur van de Rijkspostspaarbank van de mogelijkheid dat een bedrag voor belegging kan worden aangewend.
Periode: 1957–(1985)
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 3.1.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
Het wederzijds aangaan van overeenkomsten inzake het aanhouden van kasreserves van de PCGD bij De Nederlandsche Bank.
Periode: 1975–(1985)
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 1.1. (1975)
Voorstel: b (5)
Het doen van mededeling aan de Minister van Financiën van wijziging van de bedragen van de kasreserves die door de PCGD bij De Nederlandsche Bank moeten worden aangehouden.
Periode: 1975–(1985)
Grondslag: Beschikking van 8/17 april 1957, Stcrt. 81, art. 2.1. (1975)
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na datum
Het vaststellen van beschikkingen ter voorziening in de waarneming van de funktie van directeur of onderdirecteur der RPS in geval van beider afwezigheid.
Periode: 1942–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 2.3.
Voorstel: v Termijn: 75 jaar na geboortedatum
Het doen van voordrachten voor de vaststelling van instructies van de directeur van de RPS.
Periode: 1942–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 3.1.
Organiek Besluit PTT 1928, zoals gewijzigd bij Besluit van 3 september 1945, Stb. F 156, art. 8.; Organiek Besluit P.T.T. 1946, art. 8.
Voorstel: b (4)
Het voeren van het opperbevel/het beheer over de RPS/de directeur van de RPS; het medevertegenwoordigen (naast de directeur van de RPS) van het Staatsbedrijf der PTT in zaken de RPS betreffende.
Periode: 1942–1985
Grondslag: Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 2.1.; art. 4.1.; Postspaarbankwet 1954, art. 3.1.; art. 4.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot aanwijzing van de kantoren der posterijen waar inleg en terugbetaling uit de RPS kan geschieden.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 5.1.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 5.1.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende de openingsuren van de voor de spaarbankdienst opengestelde kantoren der posterijen.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 2.; Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij uitvoeringsbesluit
reorganisatie RPS, art. 2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen waarin wordt bepaald dat inleg en uitbetaling in contanten niet bij elk kantoor kunnen geschieden.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, art. 4.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen houdende regels volgens welke inleg bij de RPS kan plaatsvinden door overschrijving of storting op een door de directeur der RPS aan te wijzen rekening ten name van de RPS bij de PCGD.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankbesluit, art. 10bis.
Voorstel: b (5)
Het aanwijzen van een rekening ten name van de RPS bij de PCGD waarop kan worden ingelegd door overschrijving of storting.
Periode: 1942–1955
Grondslag: Postspaarbankbesluit, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 10bis.
Voorstel: v Termijn: 5 jaar na vervallen van de rekening
Het vaststellen van regelingen tot opschorting van de uitgifte van bepaalde soorten beleggingsbewijzen voor ten hoogste een maand.
Periode: 1974–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, zoals gewijzigd bij Besluit van 17 december 1973, Stb. 624, art. 10.c.2.
Voorstel: b (5)
Het vaststellen van regelingen tot opschorting van de gelegenheid tot de inleg van gelden met betrekking tot één of meer categorieën van spaardeposito’s voor ten hoogste een week.
Periode: 1975–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, zoals gewijzigd bij Besluit van 15 april 1975, Stb. 201, art. 10.e.7.
Voorstel: b (5)
Het verlenen van ontheffingen aan medewerkers van de RPS van de verplichting tot stipte geheimhouding van hetgeen bij de uitoefening van de dienst te hunner kennis komt.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankbesluit 1955, art. 20.
Voorstel: v Termijn: 2 jaar na vervallen van de ontheffing
Het opstellen van jaarverslagen inzake het gevoerde beheer over de RPS (ten behoeve van de Minister van Financiën en de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT).
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 18.
Voorstel: b (3)
Het opstellen van verantwoordingen inzake het beleid van de RPS als spaarinstelling ten behoeve van de Minister van Financiën.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 4.2.
Voorstel: b (3)
11.7.5 PTT-Raad
Het uitoefenen van toezicht op het beheer en de toestand van de Rijkspostspaarbank.
Periode: 1955–1985
Grondslag: Postspaarbankwet 1954, art. 6.
Voorstel: b (5)
11.7.6 Raad van toezicht op de Rijkspostspaarbank
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de vaststelling van de instructie van de directeur van de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.2.
Voorstel: b (4)
Het uitoefenen van toezicht op het beheer en de toestand van de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 3.1.
Voorstel: b (5)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT inzake de regeling der werkzaamheden van de Raad van Toezicht op de RPS.
Periode: 1940–1942
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 4.1.
Voorstel: b (1)
Het adviseren van de Minister belast met de zorg voor het Staatsbedrijf der PTT en de Minister van Financiën inzake het vaststellen van besluiten tot verlenging van de termijn waarbinnen aan elke aanvraag om terugbetaling van op spaarbankboekjes verschuldigde gelden moet worden voldaan.
Periode: 1940–1955
Grondslag: Postspaarbankwet, art. 16.2.; Postspaarbankwet, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit reorganisatie RPS, art. 16.2.
Voorstel: b (5)
11.8 VakMinister
Het (mede)goedkeuren van door de directeur van de PCGD verleende vrijstellingen van de betaling van rechten bedoeld in artikel 35, lid 1, onder a en d, aan de houders van postrekeningen, geopend ten behoeve van (de takken van) ’s Rijks dienst (die onder hun Ministerie ressorteren).
Periode: 1940–1955
Grondslag: Girobesluit 1934, art. 37.2.
Voorstel: v Termijn: 10 jaar na vervallen van de vrijstelling.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende selectielijst en toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)