← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 22 november 2007, houdende regels inzake de kwaliteit van de bodem (Besluit bodemkwaliteit)

Geldende tekst a fecha 2009-12-01

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2007, nr. DJZ2007057947, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op richtlijn nr. 89/106/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de voor de bouw bestemde produkten (PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 93/68/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 juli 1993 (PbEG L 220);

Gelet op richtlijn nr. 06/12/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEG, L 114), ter vervanging van richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PbEG L 194), zoals deze laatstelijk is gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschap van 29 september 2003 (PbEU L 284);

Gelet op de artikelen 1.1, zevende lid, 8.1, tweede lid, 8.5, 8.40, 8.45, 8.49, vijfde lid,10.2, tweede lid, 10.15, eerste lid, 10.17, eerste lid, 10.52, 11.1, 11.2 en 11.3 van de Wet milieubeheer, de artikelen 6, 7, 8, 12a, 12b, 15, 16a, 17, 36, 38, 39b, 70, 71, 72, 76o en 91 van de Wet bodembescherming, de artikelen 1 derde lid, 2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, artikel 12, tweede lid van de Wet belastingen op milieugrondslag en artikel 40a van de Woningwet;

De Raad van State gehoord (advies van 10 september 2007, nr. W08.07.0189/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 november 2007, nr. DJZ2007113029, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt voor het toepassen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee in werking op 1 oktober 2008 (Stb. 2008/382).

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;

Accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;

Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;

Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45 of 46, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van een of meer waterkwaliteitsbeheerders;

Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater, zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling;

Bodemfunctieklassen: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;

Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;

Certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de certificering geldende normdocument;

Erkende kwaliteitsverklaring: schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven wijze;

Erkenning: beschikking van Onze Ministers waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende voorwaarden;

Fabrikant-eigenverklaring: schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen;

Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;

IBC-bouwstof: bouwstof die vanwege de mate van emissie alleen met isolatie-, beheers-, en controlemaatregelen mag worden toegepast;

Instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere instelling, die beoordeelt of een persoon, een stof, een product, een installatie, een voorziening of een ander object overeenstemt met een normdocument;

Interventiewaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet bodembescherming;

Isolatie, beheers- en controlemaatregelen: maatregelen waardoor bij toepassing van een bouwstof nagenoeg geen contact optreedt van die bouwstof met hemelwater en grondwater;

Kwaliteitsklasse: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van de kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie;

Landbouwbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Meststoffenwet;

Milieuhygiënische verklaring:

Normdocument: een voor een werkzaamheid op grond van artikel 25 aangewezen beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen bevat ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 14 van toepassing is;

Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap;

Partij: identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast;

Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit is vastgesteld;

Persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;

Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht;

Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder «het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater» mede verstaan het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater;

Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater mede verstaan het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater;

Vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres en woonplaats waar een instelling zetelt;

Vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;

Waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.

Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstoffen.

Artikel 2
1.

Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.

2.

Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.

3.

De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een bouwstof toepast in oppervlaktewater.

4.

Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen, genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het toepassen van bouwstoffen.

Artikel 3
1.

Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast, het bevoegd gezag.

2.

Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.

3.

De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of baggerspecie toepast in oppervlaktewater.

Artikel 4
1.

Onze Minister treft de noodzakelijke voorzieningen voor een doelmatig toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, na afstemming met de bestuursorganen, bedoeld in het tweede tot en met derde lid, voorzover het daar andere bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De voorzieningen hebben betrekking op de strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden.

2.

Ingeval van toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een of meer bodembeheergebieden, waarvoor meerdere bestuursorganen bevoegd gezag zijn, wordt door de desbetreffende bestuursorganen één bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen.

3.

Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op:

4.

Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:

5.

Aan de artikelen 28, derde lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste, negende en elfde lid, en 58, eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan, indien door één van de daartoe verplichte personen aan de desbetreffende verplichting is voldaan.

Artikel 5
1.

Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover:

2.

De verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater die voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

3.

Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken van de bepalingen in dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.

Artikel 6

Het stellen van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onder b, 30, eerste en tweede lid, en 31, tweede lid, en het toetsen aan de maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 45, eerste lid, 46, 55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste lid, onderdeel a, onder i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde dat toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen.

Artikel 7

Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.

Artikel 8
1.

Degene die ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels onderzoek dient te verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid ontbreekt, kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld in artikel 71 van de Wet bodembescherming.

2.

De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:

Hoofdstuk 2. Kwaliteit van de uitvoering van een werkzaamheid

Afdeling 1. Erkenning van personen en instellingen

Artikel 9
1.

Onze Ministers kunnen op aanvraag voor een werkzaamheid een erkenning verlenen aan een persoon of een instelling.

2.

De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van de natuurlijk persoon die werkzaam is voor de erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze Ministers aangewezen handelingen uitvoert.

3.

Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.

4.

Onze Ministers stellen lijsten met erkende personen en instellingen beschikbaar via een door hen aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de Staatscourant geplaatst.

5.

Een erkenning is niet overdraagbaar.

Artikel 10
1.

Een aanvraag voor een erkenning wordt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers.

2.

Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

3.

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.

Artikel 11
1.

Onze Ministers beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Indien de beschikking niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn is bekendgemaakt, wordt de beschikking geacht te zijn geweigerd.

3.

Onze Ministers verlenen de erkenning geheel of gedeeltelijk, indien de desbetreffende persoon of instelling:

4.

Bij regeling van Onze Ministers wordt aangegeven of een erkenning voor een werkzaamheid wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie.

5.

Een erkenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien de desbetreffende persoon of instelling of een bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie jaren voorafgaande aan de aanvraag een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of krachtens één van de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.

Artikel 12
1.

Op verzoek van de erkende persoon of instelling kan de erkenning worden gewijzigd. Artikel 9, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Het verzoek wordt, door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers. Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

3.

Onze Ministers beslissen binnen vier weken na de datum van ontvangst van het verzoek. Artikel 11, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13
1.

Met een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, wordt gelijkgesteld een verklaring omtrent het gedrag afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of documenten wordt geboden, mits die verklaring niet ouder is dan zes maanden.

2.

Met een certificaat of accreditatie als bedoeld bij of krachtens dit besluit of in een normdocument wordt gelijkgesteld een certificaat of accreditatie afgegeven door een daartoe bevoegde instelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de nationale onderzoekingen of de normdocumenten wordt geboden.

3.

Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning of een vergelijkbare beschikking afgegeven door een daartoe bevoegde instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, op basis van voorwaarden die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de voorwaarden, genoemd in artikel 10, tweede lid, wordt geboden. De artikelen 9, vierde lid, en 24 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

Voor toepassing van de artikelen in Hoofdstuk 2 wordt onder «Onze Ministers» verstaan: Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Afdeling 2. Verboden en verplichtingen

Artikel 15
1.

Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren zonder daartoe verleende erkenning.

2.

De in artikel 9, tweede lid, bedoelde handelingen kunnen slechts worden uitgevoerd door een natuurlijke persoon die staat vermeld op de erkenning.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover de werkzaamheid wordt uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat of een accreditatie.

Artikel 16

Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te gebruiken of aan een ander ter beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.

Artikel 17
1.

Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, waarop deze instelling of persoon een persoonlijk of zakelijk recht heeft.

2.

Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een bij ministeriële regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon, een stof, een bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of ander object, waarmee deze instelling of persoon een organisatorische, financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding alleen voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de werkzaamheid.

3.

Het eerste lid geldt niet voor degene die door middel van organisatorische maatregelen, op aantoonbare, transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft gedragen dat de werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een onderdeel van de organisatie dat of een persoon die:

4.

Indien een normdocument eisen bevat ten aanzien van organisatorische maatregelen als bedoeld in het derde lid voldoet de persoon of instelling die voor de desbetreffende werkzaamheid is erkend aan het derde lid, indien hij aan het normdocument voldoet.

Artikel 18
1.

Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het afwijken van het normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan.

Artikel 19

De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen instantie zijn door de rechtbank uitgesproken faillissement of surseance van betaling. De melding geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

Artikel 20

Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een schorsing of intrekking van een certificaat, onderscheidenlijk een accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

Artikel 21
1.

Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking, die bij of krachtens wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd die afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.

Artikel 22
1.

Het is een ieder verboden om, ter voldoening aan bij of krachtens wettelijke voorschriften, gegevens te verstrekken aan een bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.

Afdeling 3. Sancties

Artikel 23
1.

Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken:

2.

Onze Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren, geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:

3.

Indien een besluit tot intrekking of schorsing betrekking heeft op een certificeringsinstelling blijven de door deze instelling afgegeven certificaten gedurende zes maanden geldig.

4.

Ingeval van aanwijzingen dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of instelling verzoeken binnen een redelijke termijn een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet ouder is dan twee maanden. Indien de desbetreffende persoon of instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of kan voldoen, kunnen Onze Ministers de erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren geheel of gedeeltelijk schorsen.

Artikel 24

Onze Ministers verwerken de schorsing en intrekking van de erkenning in de lijsten, bedoeld in artikel 9, vierde lid.

Artikel 25
1.

Onze Ministers kunnen normdocumenten aanwijzen voorzover deze:

2.

Met de normdocumenten worden gelijkgesteld documenten die zijn vastgesteld in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het beschermingsniveau dat met de normdocumenten wordt geboden.

Hoofdstuk 3. Bouwstoffen

Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 34
1.

Bij regeling van Onze Ministers wordt de wijze bepaald waarop wordt vastgesteld of een materiaal aan te merken is als grond of baggerspecie.

2.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan, grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal.

3.

Op grond van milieuhygiënische overwegingen kunnen onze Ministers voor een toepassing van grond of baggerspecie een lager gewichtspercentage bodemvreemd materiaal vaststellen dan genoemd in het derde lid en hierover en over soorten toegestaan bodemvreemd materiaal nadere regels stellen.

Artikel 35

Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:

Artikel 36
1.

Het is verboden grond of baggerspecie die gevaarlijke afvalstoffen zijn toe te passen.

2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende handelingen:

3.

Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan zonder inachtnemening van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.

Artikel 37
1.

Het is verboden om grond of baggerspecie toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.

2.

Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop een overschrijding wordt vastgesteld van waarden, gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd in het eerste lid.

Paragraaf 2. Algemene voorschriften voor degene die grond of baggerspecie toepast

Artikel 38
1.

Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63.

2.

De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.

3.

Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.

4.

De toe te passen grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.

5.

Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen grond of baggerspecie.

6.

Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:

Artikel 39

Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit hoofdstuk niet van toepassing.

Artikel 40
1.

Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning krachtens artikel 9, eerste lid.

2.

De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een milieuhygiënische verklaring.

Artikel 41

Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage 1 van dit besluit genoemde parameters voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen worden gemeten ten behoeve van:

Artikel 42
1.

Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister.

2.

Bij de melding van een toepassing als bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e en g, worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

3.

Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, is het tweede lid, onder a, c tot en met f, van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de toepassing vermeld.

4.

Indien de voorziene duur van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, langer is dan zes maanden, wordt de eindbestemming van de grond of baggerspecie binnen die termijn gemeld.

5.

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid bedoelde gegevens.

6.

De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model bij regeling van Onze Ministers wordt aangewezen. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.

7.

Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.

8.

Het eerste lid geldt niet voor:

9.

Degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang van ten minste 50 m3 toe te passen, meldt in afwijking van het tweede en derde lid eenmalig de gegevens, genoemd in het tweede lid, onder a en f.

10.

Het achtste lid, onder c, en het negende lid zijn niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

11.

De volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de in het tweede, onder a, c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten minste vijf jaren:

Artikel 43
1.

Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder g, kan de waterkwaliteitsbeheerder met betrekking tot de oppervlaktewateren onder zijn beheer verspreidingsvakken aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden verspreid.

2.

Het is verboden om baggerspecie toe te passen buiten een krachtens het vorige lid aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij aangegeven maximale hoeveelheid.

Afdeling 2. Toetsingskaders voor het toepassen van grond en baggerspecie

Paragraaf 2. Algemene voorschriften voor degene die grond of baggerspecie toepast

Artikel 44
1.

De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

2.

De lokale maximale waarden kunnen boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien:

Artikel 45
1.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 35, onderdeel a, c tot en met e en h voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden vaststellen voor de bodem onder oppervlaktewater, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

2.

De lokale maximale waarden kunnen voor het toepassen van baggerspecie boven de interventiewaarden en voor het toepassen van grond niet boven de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid.

Artikel 46
1.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor toepassingen als bedoeld in artikel 35, onderdeel g, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied, maximale waarden vaststellen voor de kwaliteit van de toe te passen baggerspecie die afwijken van de waarden, die krachtens artikel 60, eerste lid, voor die toepassing zijn vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

2.

Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald dat het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, voor daarbij aan te geven parameters geen hogere maximale waarden kan vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.

3.

Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in de Nederlandse territoriale zee kan het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid, vastgestelde waarden.

Artikel 47

Een besluit op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste lid, bevat:

Artikel 48

Een besluit op grond van artikel 46, eerste lid, bevat:

Artikel 49

Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 wordt toepassing gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 50

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 51

Op een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46, zijn de artikelen 47 tot en met 50 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 52
1.

Bij toepassing in een bodembeheergebied overschrijdt de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie niet de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en de maximale waarden, bedoeld in artikel 46.

2.

Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.

3.

Indien de grond of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, overschrijdt, kan deze grond of baggerspecie alleen worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.

4.

Het eerste tot en met derde lid geldt niet voor:

Artikel 53

Het bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46, overweegt ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre een aldaar bedoeld besluit herziening behoeft.

Paragraaf 2. Generiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Artikel 54

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing, indien geen besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 of 46 is genomen.

Artikel 55
1.

Burgemeester en wethouders leggen uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van dit besluit op een kaart de bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, van het gebied binnen hun gemeente, waarop of waarin de grond of baggerspecie zal worden toegepast, vast.

2.

Bij regeling van Onze Ministers worden voor de bodemfunctieklassen, bedoeld in het eerste lid, maximale waarden vastgesteld.

3.

Bij regeling van Onze Ministers worden de eisen vastgesteld waaraan de kaart, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen.

4.

Indien geen kaart is vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, kan alleen grond of baggerspecie worden toegepast, die de achtergrondwaarden niet overschrijdt.

5.

Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater.

Artikel 56
1.

Indien de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, voldoet aan de achtergrondwaarden, dan wel voor deze bodem niet de bodemfunctieklasse wonen of industrie geldt, is uitsluitend het toepassen van grond of baggerspecie toegestaan, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden niet overschrijdt.

2.

Het eerste lid geldt niet voor:

Artikel 57
1.

Bij regeling van Onze Ministers wordt de bodem ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen en worden voor de bodemkwaliteitsklassen maximale waarden vastgesteld.

2.

Het bevoegd gezag kan de bodemkwaliteitsklassen, bedoeld in het eerste lid, vastleggen op een kaart.

Artikel 58
1.

Indien het bevoegd gezag de bodemkwaliteitsklasse niet heeft vastgelegd op een kaart, stelt degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen de bodemkwaliteitsklasse vast op de bij regeling van Onze Ministers bepaalde wijze. Hierbij worden gegevens gebruikt die afkomstig zijn van een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning.

2.

Het eerste lid geldt niet voor:

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder h, met een duur van korter dan 6 maanden.

Artikel 59
1.

Voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, overschrijdt de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet:

2.

Voor het op of in de bodem onder oppervlaktewater toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a en c tot en met e, en het op of in de bodem toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h, overschrijdt de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet de waarden, bedoeld in het eerste lid, onder b.

3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij toepassing in oppervlaktewater de kwaliteit van de grond niet de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 60
1.

Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder f, g en i, overschrijdt de kwaliteit van de baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale waarden niet.

2.

Voor toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die door een weg, voetpad of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de watergang gescheiden zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.

Artikel 61

Onze Ministers overwegen ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre de waarden, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en 57, derde lid, herziening behoeven en stellen de Staten-Generaal in kennis van hun bevindingen daaromtrent.

Paragraaf 3. Toetsingskader voor grootschalige toepassingen

Artikel 62

Deze paragraaf is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

Artikel 63
1.

Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits

2.

De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling van Onze Ministers te bepalen gevallen.

3.

De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.

4.

Op het aanbrengen van een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan het toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.

5.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel 35, onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter, indien:

6.

In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit van de grond of baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan een fysieke afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed, aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 64
1.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen aan de toepassing van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid, nadere regels worden gesteld ter bescherming van de kwaliteit van de omliggende bodem en het grond- of oppervlaktewater.

2.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld met betrekking tot beheersmaatregelen met het oog op de instandhouding van de toepassing, bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid.

Hoofdstuk 5. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 65
1.

Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken, met dien verstande dat de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende tijdstippen kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in het besluit tot inwerkingtreding van het besluit bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 83, eerste lid.

Artikel 66
1.

Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt ingetrokken, met uitzondering van artikel 21, met dien verstande dat in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.

2.

Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing op:

Artikel 67

Wijzigt het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning.

Artikel 68

Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Artikel 69

Wijzigt het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Artikel 70

Wijzigt het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen.

Artikel 71

Wijzigt het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

Artikel 72

Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag.

Artikel 73

Wijzigt het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering.

Artikel 74

Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

Artikel 75

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft van toepassing op het houden van bouwstoffen, waaronder grond en baggerspecie, in een werk, indien de bouwstoffen voor dat tijdstip in het betreffende werk waren toegepast.

Artikel 76

De Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied waarop of waarin de grond wordt gebruikt een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de bodemkwaliteitskaart geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 77

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen en andere bewijsmiddelen, die krachtens het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de desbetreffende verklaring, maar ten hoogste voor drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 78

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor maximaal drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11, eerste lid, 18, tweede lid, of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met de toepassing.

Artikel 79
1.

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft geldig, indien voor dat tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een vergunning is verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning maar ten hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.

2.

Voorzover een vergunning op grond van artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35, onder g, vervalt het desbetreffende deel van de vergunning.

3.

In afwijking van het tweede lid vervallen de voorschriften van een vergunning waarbij verspreidingsvakken worden aangewezen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 80

Op het toepassen van tarragrond blijft de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.

Artikel 81

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 mei 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet verontreiniging zeewater en enige andere wetten, kamerstukken II, 2006/07, 31 049, nr. 1 nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit voor het toepassen van grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee, op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel 82

Onze Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk.

Artikel 83
1.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of het toepassen of toepassingen, als bedoeld in artikel 35, verschillend kan worden vastgesteld.

2.

Artikel 36 van de Wet bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 1 in werking treedt.

Artikel 84

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bodemkwaliteit.

Bijlage 1. behorende bij artikel 28, eerste en tweede lid en 41

Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie
1. Metalen CAS-nummers
Antimoon (Sb) 7440-36-0
Arseen (As) 7440-38-2
Barium (Ba) 7440-39-3
Beryllium (Be) 7440-41-7
Cadmium (Cd) 7440-43-9
Chroom (Cr) 7440-47-3
Kobalt (Co) 7440-48-2
Koper (Cu) 7440-50-8
Kwik (Hg) 7439-97-6
Lood (Pb) 7439-92-1
Molybdeen (Mo) 7439-98-7
Nikkel (Ni) 7440-02-0
Seleen (Se) 7782-49-2
Tellurium (Te) 13494-80-9
Thallium (Tl) 7440-28-0
Tin (Sn) 7440-31-5
Vanadium (V) 7440-62-2
Zilver (Ag) 7440-22-4
Zink (Zn) 7440-66-5
2. Overige anorganische stoffen 2. Overige anorganische stoffen
Bromide n.v.t
Chloride n.v.t
Cyanide (vrij) n.v.t
Cyanide-complex (ph < 5) n.v.t
Cyanide-complex (ph ≥ 5) n.v.t
Fluoride n.v.t
Thiocyanaten (som) n.v.t
Sulfaat n.v.t
3. Aromatische stoffen 3. Aromatische stoffen
Benzeen 71-43-2
Ethylbenzeen 100-41-4
Tolueen 108-88-3
Ortho-xyleen 95-47-6
Meta-xyleen 108-38-3
Para-xyleen 106-42-3
Styreen 100-42-5
Fenol 108-95-2
Catechol 120-80-9
Resorcinol 108-46-3
Hydrochinon 123-31-9
Ortho-Cresol 95-48-7
Meta-cresol 108-39-4
Para-Cresol 106-44-5
Dodecylbenzeen 123-01-3
1,2,3-trimethylbenzeen 526-73-8
1,2,4-trimethylbenzeen 95-63-6
1,3,5-trimethylbenzeen 108-67-8
2-ethyltolueen 611-14-3
3-ethyltolueen 620-14-4
4-ethyltolueen 622-96-8
Isopropylbenzeen 98-82-8
Propylbenzeen 103-65-1
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)
Naftaleen 91-20-3
Fenantreen 85-01-8
Antraceen 120-12-7
Fluorantheen 206-44-0
Chryseen 218-01-9
Benzo(a)antraceen 56-55-3
Benzo(a)pyreen 50-32-8
Benzo(k)fluorantheen 207-08-9
Indeno(1,2,3cd)pyreen 193-39-5
Benzo(ghi)peryleen 191-24-2
Pyrene 129-00-0
Acenaphthene 83-32-9
Benzo(b)fluoranthene 205-99-2
Benzo(j)fluoranthene 205-82-3
Dibenz(a,h)anthracene 53-70-3
9H-Fluorene 86-73-7
Acenaphthylene 208-96-8
5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen
A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen
Monochlooretheen 75-01-4
Dichloormethaan 75-09-2
1,1-dichloorethaan 75-34-3
1,2-dichloorethaan 107-06-2
1,1-dichlooretheen 75-35-4
Cis-1,2-dichlooretheen 156-59-2
Trans-1,2-dichlooretheen 156-60-5
1,1-dichloorpropaan 78-99-9
1,2-dichloorpropaan 78-87-5
1,3-dichloorpropaan 142-28-9
Trichloormethaan 67-66-3
1,1,1-trichloorethaan 71-55-6
1,1,2-trichloorethaan 79-00-5
Trichlooretheen 79-01-6
Tetrachloormethaan 56-23-5
Tetrachlooretheen 127-18-4
B. Chloorbenzenen B. Chloorbenzenen
Monochloorbenzeen 108-90-7
1,2-dichloorbenzeen 95-50-1
1,3-dichloorbenzeen 541-73-1
1,4-dichloorbenzeen 106-46-7
1,2,3-trichloorbenzeen 87-61-6
1,2,4-trichloorbenzeen 120-82-1
1,3,5-trichloorbenzeen 108-70-3
1,2,3,4-tetrachloorbenzeen 634-66-2
1,2,3,5-tetrachloorbenzeen 634-90-2
1,2,4,5-tetrachloorbenzeen 95-94-3
Pentachloorbenzeen 608-93-5
Hexachloorbenzeen 118-74-1
C. Chloorfenolen C. Chloorfenolen
2-chloorfenol 95-57-8
3-chloorfenol 108-43-0
4-chloorfenol 106-48-9
2,3-dichloorfenol 576-24-9
2,4-dichloorfenol 120-83-2
2,5-dichloorfenol 583-78-8
2,6-dichloorfenol 87-65-0
3,4-dichloorfenol 95-77-2
3,5-dichloorfenol 591-35-5
2,3,4-trichloorfenol 15950-66-0
2,3,5-trichloorfenol 933-78-8
2,3,6-trichloorfenol 933-75-5
2,4,5-trichloorfenol 95-95-4
2,4,6-trichloorfenol 88-06-2
3,4,5-trichloorfenol 609-19-8
2,3,4,5-tetrachloorfenol 4901-51-3
2,3,4,6-tetrachloorfenol 58-90-2
2,3,5,6-tetrachloorfenol 935-95-5
Pentachloorfenol 87-86-5
D. Polychloorbifenylen (PCB's) D. Polychloorbifenylen (PCB's)
PCB 28 7012-37-5
PCB 52 35693-99-3
PCB 101 37680-73-2
PCB 118 31508-00-6
PCB 138 35065-28-2
PCB 153 35065-27-1
PCB 180 35065-29-3
E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen
2-chlooraniline 95-51-2
3-chlooraniline 108-42-9
4-chlooraniline 106-47-8
2,3-dichlooraniline 608-27-5
2,4-dichlooraniline 554-00-7
2,5-dichlooraniline 95-82-9
2,6-dichlooraniline 608-31-1
3,4-dichlooraniline 95-76-1
3,5-dichlooraniline 626-43-7
2,3,4-trichlooraniline 634-67-3
2,3,5-trichlooraniline 18487-39-3
2,4,5-trichlooraniline 636-30-6
2,4,6-trichlooraniline 634-93-5
3,4,5-trichlooraniline 634-91-3
2,3,4,5-tetrachlooraniline 634-83-3
2,3,5,6-tetrachlooraniline 3481-20-7
Pentachlooraniline 527-20-8
EOX n.v.t.
2,3,7,8-TCDD 1746-01-6
1,2,3,7,8-PeCDD 40321-76-4
1,2,3,6,7,8-HxCDD 57653-85-7
1,2,3,7,8,9-HxCDD 19408-74-3
1,2,3,4,7,8-HxCDD 39227-28-6
1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 35822-46-9
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD 3268-87-9
2,3,7,8-TCDF 51207-31-9
1,2,3,7,8-PeCDF 57117-41-6
2,3,4,7,8-PeCDF 57117-31-4
1,2,3,6,7,8-HxCDF 57117-44-9
1,2,3,7,8,9-HxCDF 72918-21-9
1,2,3,4,7,8-HxCDF 70648-26-9
2,3,4,6,7,8-HxCDF 60851-34-5
1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 67562-39-4
1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 55673-89-7
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF 39001-02-0
α-Chloornaftaleen 90-13-1
β-Chloornaftaleen 91-58-7
C10-13-chlooralkanen 85535-84-8
6. Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen
A. Organochloorbestrijdingsmiddelen A. Organochloorbestrijdingsmiddelen
Aldrin 390-00-2
Dieldrin 60-57-1
Endrin 72-20-8
Isodrin 465-73-6
Telodrin 297-78-9
Cis-chloordaan 5103-71-9
Trans-chloordaan 5103-74-2
2,4-DDT 789-02-6
4,4-DDT 50-29-3
2,4-DDE 3424-82-6
4,4-DDE 72-55-9
2,4-DDD 53-19-0
4,4-DDD 72-54-8
α-Endosulfan 959-98-8
Endosulfansulfaat 1031-07-8
Endosulfan 115-29-7
α-HCH 319-84-6
β-HCH 319-85-7
γ-HCH 58-89-9
δ-HCH 319-86-8
ε-HCH 6108-10-7
Heptachloor 76-44-8
Cis-Heptachloorepoxide 280044-83-9
Trans-Heptachloorepoxide 1024-5703
Hexachloorbutadieen 87-68-3
B. Organofosforpesticiden B. Organofosforpesticiden
Azinfos-methyl 86-50-0
C. Organotin bestrijdingsmiddelen C. Organotin bestrijdingsmiddelen
Tributyltin 688-73-3
Trifenyltin 892-20-6
Tributyltin-kation 36643-28-4
D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden
MCPA 94-74-6
E. Overige bestrijdingsmiddelen E. Overige bestrijdingsmiddelen
Atrazine 1912-24-9
Carbaryl 63-25-2
Carbofuran 1563-66-2
Maneb 1247-38-2
4-chloor-3-methylfenol 59-50-7
4-chloor-2-methylfenol 1570-64-5
Propazine 139-40-2
Simazine 122-34-9
Terbutryn 886-50-0
Bromofos-ethyl 4824-78-6
Bromofos-methyl 2104-96-3
Chloorpyrifos-ethyl 2921-88-2
Dichloorvos 62-73-7
Disulfoton 298-04-4
Fenthion 55-38-9
Malathion 121-75-5
Parathion-ethyl 56-38-2
Parathion-methyl 298-00-0
Alachloor 15972-60-8
Chloorfenvinfos 470-90-6
Diuron 330-54-1
Isoproturon 34123-59-6
Trifluraline 1582-09-8
7. Overige parameters 7. Overige parameters
Acrylonitril 107-13-1
Asbest n.v.t.
Butanol 71-36-3
Butylacetaat 123-86-4
Cyclohexanon 108-94-1
Diethyleenglycol 111-46-6
Ethylacetaat 141-78-6
Ethyleenglycol 107-21-1
Formaldehyde 50-00-0
Dimethylftalaat 131-11-3
Diethylftalaat 84-66-2
Di-isobutylftalaat 84-69-5
Dibutylftalaat 84-74-2
Butylbenzylftalaat 85-68-7
Dihexylftalaat 84-75-3
Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7
Di-n-octylftalaat 117-84-0
Isopropanol 67-63-0
Methanol 67-56-1
Methylethylketon 78-93-3
MTBE 1634-04-4
Minerale olie n.v.t.
Vertakte en onvertakte alkanen bestaande uit minimaal 5 en maximaal 40 koolstofatomen(1) n.v.t.
Nutriënten n.v.t.
pH n.v.t.
Pyridine 110-86-1
Reducerend vermogen n.v.t.
Tetrahydrofuran 109-99-9
Tetrahydrothiofeen 110-01-0
Tribroommethaan 75-25-2
Zwevende stof n.v.t.
Nonylfenolen 25154-52-3
4-para-nonylfenol 104-40-5
Octylfenolen 1806-26-4
Para-tert-octylfenol 140-66-9

(1) De vertakte en onvertakte alkanen kunnen zowel als individuele stof als in verschillende deelverzamelingen in somparameters worden genormeerd.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 82a

Dit besluit berust mede op artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.

Bijlage 1. behorende bij artikel 28, eerste en tweede lid en 41

Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie
1. Metalen CAS-nummers
Antimoon (Sb) 7440-36-0
Arseen (As) 7440-38-2
Barium (Ba) 7440-39-3
Beryllium (Be) 7440-41-7
Cadmium (Cd) 7440-43-9
Chroom (Cr) 7440-47-3
Kobalt (Co) 7440-48-2
Koper (Cu) 7440-50-8
Kwik (Hg) 7439-97-6
Lood (Pb) 7439-92-1
Molybdeen (Mo) 7439-98-7
Nikkel (Ni) 7440-02-0
Seleen (Se) 7782-49-2
Tellurium (Te) 13494-80-9
Thallium (Tl) 7440-28-0
Tin (Sn) 7440-31-5
Vanadium (V) 7440-62-2
Zilver (Ag) 7440-22-4
Zink (Zn) 7440-66-5
2. Overige anorganische stoffen 2. Overige anorganische stoffen
Bromide n.v.t
Chloride n.v.t
Cyanide (vrij) n.v.t
Cyanide-complex (ph < 5) n.v.t
Cyanide-complex (ph ≥ 5) n.v.t
Fluoride n.v.t
Thiocyanaten (som) n.v.t
Sulfaat n.v.t
3. Aromatische stoffen 3. Aromatische stoffen
Benzeen 71-43-2
Ethylbenzeen 100-41-4
Tolueen 108-88-3
Ortho-xyleen 95-47-6
Meta-xyleen 108-38-3
Para-xyleen 106-42-3
Styreen 100-42-5
Fenol 108-95-2
Catechol 120-80-9
Resorcinol 108-46-3
Hydrochinon 123-31-9
Ortho-Cresol 95-48-7
Meta-cresol 108-39-4
Para-Cresol 106-44-5
Dodecylbenzeen 123-01-3
1,2,3-trimethylbenzeen 526-73-8
1,2,4-trimethylbenzeen 95-63-6
1,3,5-trimethylbenzeen 108-67-8
2-ethyltolueen 611-14-3
3-ethyltolueen 620-14-4
4-ethyltolueen 622-96-8
Isopropylbenzeen 98-82-8
Propylbenzeen 103-65-1
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)
Naftaleen 91-20-3
Fenantreen 85-01-8
Antraceen 120-12-7
Fluorantheen 206-44-0
Chryseen 218-01-9
Benzo(a)antraceen 56-55-3
Benzo(a)pyreen 50-32-8
Benzo(k)fluorantheen 207-08-9
Indeno(1,2,3cd)pyreen 193-39-5
Benzo(ghi)peryleen 191-24-2
Pyrene 129-00-0
Acenaphthene 83-32-9
Benzo(b)fluoranthene 205-99-2
Benzo(j)fluoranthene 205-82-3
Dibenz(a,h)anthracene 53-70-3
9H-Fluorene 86-73-7
Acenaphthylene 208-96-8
5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen
A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen
Monochlooretheen 75-01-4
Dichloormethaan 75-09-2
1,1-dichloorethaan 75-34-3
1,2-dichloorethaan 107-06-2
1,1-dichlooretheen 75-35-4
Cis-1,2-dichlooretheen 156-59-2
Trans-1,2-dichlooretheen 156-60-5
1,1-dichloorpropaan 78-99-9
1,2-dichloorpropaan 78-87-5
1,3-dichloorpropaan 142-28-9
Trichloormethaan 67-66-3
1,1,1-trichloorethaan 71-55-6
1,1,2-trichloorethaan 79-00-5
Trichlooretheen 79-01-6
Tetrachloormethaan 56-23-5
Tetrachlooretheen 127-18-4
B. Chloorbenzenen B. Chloorbenzenen
Monochloorbenzeen 108-90-7
1,2-dichloorbenzeen 95-50-1
1,3-dichloorbenzeen 541-73-1
1,4-dichloorbenzeen 106-46-7
1,2,3-trichloorbenzeen 87-61-6
1,2,4-trichloorbenzeen 120-82-1
1,3,5-trichloorbenzeen 108-70-3
1,2,3,4-tetrachloorbenzeen 634-66-2
1,2,3,5-tetrachloorbenzeen 634-90-2
1,2,4,5-tetrachloorbenzeen 95-94-3
Pentachloorbenzeen 608-93-5
Hexachloorbenzeen 118-74-1
C. Chloorfenolen C. Chloorfenolen
2-chloorfenol 95-57-8
3-chloorfenol 108-43-0
4-chloorfenol 106-48-9
2,3-dichloorfenol 576-24-9
2,4-dichloorfenol 120-83-2
2,5-dichloorfenol 583-78-8
2,6-dichloorfenol 87-65-0
3,4-dichloorfenol 95-77-2
3,5-dichloorfenol 591-35-5
2,3,4-trichloorfenol 15950-66-0
2,3,5-trichloorfenol 933-78-8
2,3,6-trichloorfenol 933-75-5
2,4,5-trichloorfenol 95-95-4
2,4,6-trichloorfenol 88-06-2
3,4,5-trichloorfenol 609-19-8
2,3,4,5-tetrachloorfenol 4901-51-3
2,3,4,6-tetrachloorfenol 58-90-2
2,3,5,6-tetrachloorfenol 935-95-5
Pentachloorfenol 87-86-5
D. Polychloorbifenylen (PCB's) D. Polychloorbifenylen (PCB's)
PCB 28 7012-37-5
PCB 52 35693-99-3
PCB 101 37680-73-2
PCB 118 31508-00-6
PCB 138 35065-28-2
PCB 153 35065-27-1
PCB 180 35065-29-3
E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen
2-chlooraniline 95-51-2
3-chlooraniline 108-42-9
4-chlooraniline 106-47-8
2,3-dichlooraniline 608-27-5
2,4-dichlooraniline 554-00-7
2,5-dichlooraniline 95-82-9
2,6-dichlooraniline 608-31-1
3,4-dichlooraniline 95-76-1
3,5-dichlooraniline 626-43-7
2,3,4-trichlooraniline 634-67-3
2,3,5-trichlooraniline 18487-39-3
2,4,5-trichlooraniline 636-30-6
2,4,6-trichlooraniline 634-93-5
3,4,5-trichlooraniline 634-91-3
2,3,4,5-tetrachlooraniline 634-83-3
2,3,5,6-tetrachlooraniline 3481-20-7
Pentachlooraniline 527-20-8
EOX n.v.t.
2,3,7,8-TCDD 1746-01-6
1,2,3,7,8-PeCDD 40321-76-4
1,2,3,6,7,8-HxCDD 57653-85-7
1,2,3,7,8,9-HxCDD 19408-74-3
1,2,3,4,7,8-HxCDD 39227-28-6
1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 35822-46-9
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD 3268-87-9
2,3,7,8-TCDF 51207-31-9
1,2,3,7,8-PeCDF 57117-41-6
2,3,4,7,8-PeCDF 57117-31-4
1,2,3,6,7,8-HxCDF 57117-44-9
1,2,3,7,8,9-HxCDF 72918-21-9
1,2,3,4,7,8-HxCDF 70648-26-9
2,3,4,6,7,8-HxCDF 60851-34-5
1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 67562-39-4
1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 55673-89-7
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF 39001-02-0
α-Chloornaftaleen 90-13-1
β-Chloornaftaleen 91-58-7
C10-13-chlooralkanen 85535-84-8
6. Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen
A. Organochloorbestrijdingsmiddelen A. Organochloorbestrijdingsmiddelen
Aldrin 390-00-2
Dieldrin 60-57-1
Endrin 72-20-8
Isodrin 465-73-6
Telodrin 297-78-9
Cis-chloordaan 5103-71-9
Trans-chloordaan 5103-74-2
2,4-DDT 789-02-6
4,4-DDT 50-29-3
2,4-DDE 3424-82-6
4,4-DDE 72-55-9
2,4-DDD 53-19-0
4,4-DDD 72-54-8
α-Endosulfan 959-98-8
Endosulfansulfaat 1031-07-8
Endosulfan 115-29-7
α-HCH 319-84-6
β-HCH 319-85-7
γ-HCH 58-89-9
δ-HCH 319-86-8
ε-HCH 6108-10-7
Heptachloor 76-44-8
Cis-Heptachloorepoxide 280044-83-9
Trans-Heptachloorepoxide 1024-5703
Hexachloorbutadieen 87-68-3
B. Organofosforpesticiden B. Organofosforpesticiden
Azinfos-methyl 86-50-0
C. Organotin bestrijdingsmiddelen C. Organotin bestrijdingsmiddelen
Tributyltin 688-73-3
Trifenyltin 892-20-6
Tributyltin-kation 36643-28-4
D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden
MCPA 94-74-6
E. Overige bestrijdingsmiddelen E. Overige bestrijdingsmiddelen
Atrazine 1912-24-9
Carbaryl 63-25-2
Carbofuran 1563-66-2
Maneb 1247-38-2
4-chloor-3-methylfenol 59-50-7
4-chloor-2-methylfenol 1570-64-5
Propazine 139-40-2
Simazine 122-34-9
Terbutryn 886-50-0
Bromofos-ethyl 4824-78-6
Bromofos-methyl 2104-96-3
Chloorpyrifos-ethyl 2921-88-2
Dichloorvos 62-73-7
Disulfoton 298-04-4
Fenthion 55-38-9
Malathion 121-75-5
Parathion-ethyl 56-38-2
Parathion-methyl 298-00-0
Alachloor 15972-60-8
Chloorfenvinfos 470-90-6
Diuron 330-54-1
Isoproturon 34123-59-6
Trifluraline 1582-09-8
7. Overige parameters 7. Overige parameters
Acrylonitril 107-13-1
Asbest n.v.t.
Butanol 71-36-3
Butylacetaat 123-86-4
Cyclohexanon 108-94-1
Diethyleenglycol 111-46-6
Ethylacetaat 141-78-6
Ethyleenglycol 107-21-1
Formaldehyde 50-00-0
Dimethylftalaat 131-11-3
Diethylftalaat 84-66-2
Di-isobutylftalaat 84-69-5
Dibutylftalaat 84-74-2
Butylbenzylftalaat 85-68-7
Dihexylftalaat 84-75-3
Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7
Di-n-octylftalaat 117-84-0
Isopropanol 67-63-0
Methanol 67-56-1
Methylethylketon 78-93-3
MTBE 1634-04-4
Minerale olie n.v.t.
Vertakte en onvertakte alkanen bestaande uit minimaal 5 en maximaal 40 koolstofatomen(1) n.v.t.
Nutriënten n.v.t.
pH n.v.t.
Pyridine 110-86-1
Reducerend vermogen n.v.t.
Tetrahydrofuran 109-99-9
Tetrahydrothiofeen 110-01-0
Tribroommethaan 75-25-2
Zwevende stof n.v.t.
Nonylfenolen 25154-52-3
4-para-nonylfenol 104-40-5
Octylfenolen 1806-26-4
Para-tert-octylfenol 140-66-9

(1) De vertakte en onvertakte alkanen kunnen zowel als individuele stof als in verschillende deelverzamelingen in somparameters worden genormeerd.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 26
1.

Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het percentage van de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal wordt vastgesteld.

2.

Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het volume per kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de duurzame vormvastheid daarvan, wordt vastgesteld.

3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede verstaan, een bouwstof die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie, voor zover deze grond of baggerspecie daar geen functioneel onderdeel van uitmaakt.

Artikel 27
1.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

2.

Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen van bouwstoffen is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 28 tot en met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk worden aangebracht.

Artikel 28
1.

Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing in Nederland of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen of toepassen van bouwstoffen is verboden, tenzij:

2.

Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald in welke gevallen een afleveringsbon als bedoeld in het eerste lid, onder d niet vereist is.

3.

Degene die de bouwstoffen toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen zijn toegepast en verstrekt die verklaring of afleveringsbon op verzoek van het bevoegd gezag.

4.

Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het samenvoegen en splitsen van partijen bouwstof.

5.

Het is verboden om bouwstoffen toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid en 7 van dit besluit.

Artikel 29
1.

In afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a en c, worden de samenstellings- en emissiewaarden van de toe te passen bouwstof niet bepaald en is geen milieuhygiënische verklaring vereist, indien sprake is van de volgende handelingen:

2.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien degene die de bouwstof toepast op grond van kennis of organoleptische waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had moeten aannemen dat niet is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder b.

Artikel 30
1.

Een bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof worden toegepast, indien:

2.

Het is verboden IBC-bouwstoffen in oppervlaktewater toe te passen.

Artikel 31
1.

Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis, gesteld in artikel 30, onder c, voor zover anders dan door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van bescherming van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken eis.

2.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent:

3.

Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze Minister vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Minister.

Artikel 32
1.

Degene die voornemens is een bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder c, meldt dit voornemen ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze Minister.

2.

Degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30 meldt dat voornemen tenminste vier weken voor het toepassen aan Onze Minister.

3.

Bij een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts vermeld:

Bij een melding als bedoeld in het tweede lid worden voorts verstrekt:

4.

Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het derde lid bedoelde gegevens.

5.

Indien bij een voorgenomen toepassing van een IBC-bouwstof de milieuhygiënische verklaring nog niet beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan, wordt deze uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de desbetreffende IBC-bouwstof aan Onze Minister verstrekt.

6.

De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier waarvan het model door Onze Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.

7.

Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch door aan het bevoegd gezag.

Artikel 33

Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die bouwstof:

Hoofdstuk 4. Grond en baggerspecie

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Algemeen

Afdeling 2. Toetsingskaders voor het toepassen van grond en baggerspecie

Paragraaf 1. Gebiedsspecifiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Paragraaf 2. Generiek toetsingskader voor de algemene toepassing

Paragraaf 3. Toetsingskader voor grootschalige toepassingen

Hoofdstuk 5. Slot- en overgangsbepalingen

Bijlage 1. behorende bij artikel 28, eerste en tweede lid en 41

Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie
1. Metalen CAS-nummers
Antimoon (Sb) 7440-36-0
Arseen (As) 7440-38-2
Barium (Ba) 7440-39-3
Beryllium (Be) 7440-41-7
Cadmium (Cd) 7440-43-9
Chroom (Cr) 7440-47-3
Kobalt (Co) 7440-48-2
Koper (Cu) 7440-50-8
Kwik (Hg) 7439-97-6
Lood (Pb) 7439-92-1
Molybdeen (Mo) 7439-98-7
Nikkel (Ni) 7440-02-0
Seleen (Se) 7782-49-2
Tellurium (Te) 13494-80-9
Thallium (Tl) 7440-28-0
Tin (Sn) 7440-31-5
Vanadium (V) 7440-62-2
Zilver (Ag) 7440-22-4
Zink (Zn) 7440-66-5
2. Overige anorganische stoffen 2. Overige anorganische stoffen
Bromide n.v.t
Chloride n.v.t
Cyanide (vrij) n.v.t
Cyanide-complex (ph < 5) n.v.t
Cyanide-complex (ph ≥ 5) n.v.t
Fluoride n.v.t
Thiocyanaten (som) n.v.t
Sulfaat n.v.t
3. Aromatische stoffen 3. Aromatische stoffen
Benzeen 71-43-2
Ethylbenzeen 100-41-4
Tolueen 108-88-3
Ortho-xyleen 95-47-6
Meta-xyleen 108-38-3
Para-xyleen 106-42-3
Styreen 100-42-5
Fenol 108-95-2
Catechol 120-80-9
Resorcinol 108-46-3
Hydrochinon 123-31-9
Ortho-Cresol 95-48-7
Meta-cresol 108-39-4
Para-Cresol 106-44-5
Dodecylbenzeen 123-01-3
1,2,3-trimethylbenzeen 526-73-8
1,2,4-trimethylbenzeen 95-63-6
1,3,5-trimethylbenzeen 108-67-8
2-ethyltolueen 611-14-3
3-ethyltolueen 620-14-4
4-ethyltolueen 622-96-8
Isopropylbenzeen 98-82-8
Propylbenzeen 103-65-1
4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) 4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)
Naftaleen 91-20-3
Fenantreen 85-01-8
Antraceen 120-12-7
Fluorantheen 206-44-0
Chryseen 218-01-9
Benzo(a)antraceen 56-55-3
Benzo(a)pyreen 50-32-8
Benzo(k)fluorantheen 207-08-9
Indeno(1,2,3cd)pyreen 193-39-5
Benzo(ghi)peryleen 191-24-2
Pyrene 129-00-0
Acenaphthene 83-32-9
Benzo(b)fluoranthene 205-99-2
Benzo(j)fluoranthene 205-82-3
Dibenz(a,h)anthracene 53-70-3
9H-Fluorene 86-73-7
Acenaphthylene 208-96-8
5. Gechloreerde koolwaterstoffen 5. Gechloreerde koolwaterstoffen
A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen
Monochlooretheen 75-01-4
Dichloormethaan 75-09-2
1,1-dichloorethaan 75-34-3
1,2-dichloorethaan 107-06-2
1,1-dichlooretheen 75-35-4
Cis-1,2-dichlooretheen 156-59-2
Trans-1,2-dichlooretheen 156-60-5
1,1-dichloorpropaan 78-99-9
1,2-dichloorpropaan 78-87-5
1,3-dichloorpropaan 142-28-9
Trichloormethaan 67-66-3
1,1,1-trichloorethaan 71-55-6
1,1,2-trichloorethaan 79-00-5
Trichlooretheen 79-01-6
Tetrachloormethaan 56-23-5
Tetrachlooretheen 127-18-4
B. Chloorbenzenen B. Chloorbenzenen
Monochloorbenzeen 108-90-7
1,2-dichloorbenzeen 95-50-1
1,3-dichloorbenzeen 541-73-1
1,4-dichloorbenzeen 106-46-7
1,2,3-trichloorbenzeen 87-61-6
1,2,4-trichloorbenzeen 120-82-1
1,3,5-trichloorbenzeen 108-70-3
1,2,3,4-tetrachloorbenzeen 634-66-2
1,2,3,5-tetrachloorbenzeen 634-90-2
1,2,4,5-tetrachloorbenzeen 95-94-3
Pentachloorbenzeen 608-93-5
Hexachloorbenzeen 118-74-1
C. Chloorfenolen C. Chloorfenolen
2-chloorfenol 95-57-8
3-chloorfenol 108-43-0
4-chloorfenol 106-48-9
2,3-dichloorfenol 576-24-9
2,4-dichloorfenol 120-83-2
2,5-dichloorfenol 583-78-8
2,6-dichloorfenol 87-65-0
3,4-dichloorfenol 95-77-2
3,5-dichloorfenol 591-35-5
2,3,4-trichloorfenol 15950-66-0
2,3,5-trichloorfenol 933-78-8
2,3,6-trichloorfenol 933-75-5
2,4,5-trichloorfenol 95-95-4
2,4,6-trichloorfenol 88-06-2
3,4,5-trichloorfenol 609-19-8
2,3,4,5-tetrachloorfenol 4901-51-3
2,3,4,6-tetrachloorfenol 58-90-2
2,3,5,6-tetrachloorfenol 935-95-5
Pentachloorfenol 87-86-5
D. Polychloorbifenylen (PCB's) D. Polychloorbifenylen (PCB's)
PCB 28 7012-37-5
PCB 52 35693-99-3
PCB 101 37680-73-2
PCB 118 31508-00-6
PCB 138 35065-28-2
PCB 153 35065-27-1
PCB 180 35065-29-3
E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen
2-chlooraniline 95-51-2
3-chlooraniline 108-42-9
4-chlooraniline 106-47-8
2,3-dichlooraniline 608-27-5
2,4-dichlooraniline 554-00-7
2,5-dichlooraniline 95-82-9
2,6-dichlooraniline 608-31-1
3,4-dichlooraniline 95-76-1
3,5-dichlooraniline 626-43-7
2,3,4-trichlooraniline 634-67-3
2,3,5-trichlooraniline 18487-39-3
2,4,5-trichlooraniline 636-30-6
2,4,6-trichlooraniline 634-93-5
3,4,5-trichlooraniline 634-91-3
2,3,4,5-tetrachlooraniline 634-83-3
2,3,5,6-tetrachlooraniline 3481-20-7
Pentachlooraniline 527-20-8
EOX n.v.t.
2,3,7,8-TCDD 1746-01-6
1,2,3,7,8-PeCDD 40321-76-4
1,2,3,6,7,8-HxCDD 57653-85-7
1,2,3,7,8,9-HxCDD 19408-74-3
1,2,3,4,7,8-HxCDD 39227-28-6
1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 35822-46-9
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD 3268-87-9
2,3,7,8-TCDF 51207-31-9
1,2,3,7,8-PeCDF 57117-41-6
2,3,4,7,8-PeCDF 57117-31-4
1,2,3,6,7,8-HxCDF 57117-44-9
1,2,3,7,8,9-HxCDF 72918-21-9
1,2,3,4,7,8-HxCDF 70648-26-9
2,3,4,6,7,8-HxCDF 60851-34-5
1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 67562-39-4
1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 55673-89-7
1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF 39001-02-0
α-Chloornaftaleen 90-13-1
β-Chloornaftaleen 91-58-7
C10-13-chlooralkanen 85535-84-8
6. Bestrijdingsmiddelen 6. Bestrijdingsmiddelen
A. Organochloorbestrijdingsmiddelen A. Organochloorbestrijdingsmiddelen
Aldrin 390-00-2
Dieldrin 60-57-1
Endrin 72-20-8
Isodrin 465-73-6
Telodrin 297-78-9
Cis-chloordaan 5103-71-9
Trans-chloordaan 5103-74-2
2,4-DDT 789-02-6
4,4-DDT 50-29-3
2,4-DDE 3424-82-6
4,4-DDE 72-55-9
2,4-DDD 53-19-0
4,4-DDD 72-54-8
α-Endosulfan 959-98-8
Endosulfansulfaat 1031-07-8
Endosulfan 115-29-7
α-HCH 319-84-6
β-HCH 319-85-7
γ-HCH 58-89-9
δ-HCH 319-86-8
ε-HCH 6108-10-7
Heptachloor 76-44-8
Cis-Heptachloorepoxide 280044-83-9
Trans-Heptachloorepoxide 1024-5703
Hexachloorbutadieen 87-68-3
B. Organofosforpesticiden B. Organofosforpesticiden
Azinfos-methyl 86-50-0
C. Organotin bestrijdingsmiddelen C. Organotin bestrijdingsmiddelen
Tributyltin 688-73-3
Trifenyltin 892-20-6
Tributyltin-kation 36643-28-4
D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden
MCPA 94-74-6
E. Overige bestrijdingsmiddelen E. Overige bestrijdingsmiddelen
Atrazine 1912-24-9
Carbaryl 63-25-2
Carbofuran 1563-66-2
Maneb 1247-38-2
4-chloor-3-methylfenol 59-50-7
4-chloor-2-methylfenol 1570-64-5
Propazine 139-40-2
Simazine 122-34-9
Terbutryn 886-50-0
Bromofos-ethyl 4824-78-6
Bromofos-methyl 2104-96-3
Chloorpyrifos-ethyl 2921-88-2
Dichloorvos 62-73-7
Disulfoton 298-04-4
Fenthion 55-38-9
Malathion 121-75-5
Parathion-ethyl 56-38-2
Parathion-methyl 298-00-0
Alachloor 15972-60-8
Chloorfenvinfos 470-90-6
Diuron 330-54-1
Isoproturon 34123-59-6
Trifluraline 1582-09-8
7. Overige parameters 7. Overige parameters
Acrylonitril 107-13-1
Asbest n.v.t.
Butanol 71-36-3
Butylacetaat 123-86-4
Cyclohexanon 108-94-1
Diethyleenglycol 111-46-6
Ethylacetaat 141-78-6
Ethyleenglycol 107-21-1
Formaldehyde 50-00-0
Dimethylftalaat 131-11-3
Diethylftalaat 84-66-2
Di-isobutylftalaat 84-69-5
Dibutylftalaat 84-74-2
Butylbenzylftalaat 85-68-7
Dihexylftalaat 84-75-3
Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7
Di-n-octylftalaat 117-84-0
Isopropanol 67-63-0
Methanol 67-56-1
Methylethylketon 78-93-3
MTBE 1634-04-4
Minerale olie n.v.t.
Vertakte en onvertakte alkanen bestaande uit minimaal 5 en maximaal 40 koolstofatomen(1) n.v.t.
Nutriënten n.v.t.
pH n.v.t.
Pyridine 110-86-1
Reducerend vermogen n.v.t.
Tetrahydrofuran 109-99-9
Tetrahydrothiofeen 110-01-0
Tribroommethaan 75-25-2
Zwevende stof n.v.t.
Nonylfenolen 25154-52-3
4-para-nonylfenol 104-40-5
Octylfenolen 1806-26-4
Para-tert-octylfenol 140-66-9

(1) De vertakte en onvertakte alkanen kunnen zowel als individuele stof als in verschillende deelverzamelingen in somparameters worden genormeerd.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.