← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 februari 2008, nr. P&O/2007/53275, houdende vaststelling van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 (Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008)

Geldende tekst a fecha 2022-08-01

Gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gehoord de departementale ondernemingsraad;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging

Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:

Artikel 3. Organisatie van het Ministerie
1.

Het Ministerie bestaat uit:

2.

De Dienst Uitvoering Onderwijs en het Nationaal Archief zijn baten-lastendienst.

3.

De organisatie van het Ministerie wordt nader vastgesteld door middel van de bij dit besluit behorende bijlage.

4.

Wijziging van de bijlage geschiedt door de secretaris-generaal.

5.

De directeur Organisatie & Bedrijfsvoering draagt zorg voor bekendmaking van de bijlage door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 4. Voorbehouden aan bewindspersonen
1.

Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:

2.

Aan de minister is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken houdende het sluiten van huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten voor een bedrag van meer dan € 2.500.000 voor de duur van de overeenkomst.

3.

De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de afspraken, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 5. Mandaat aan SG
1.

De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het Ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de minister en de secretaris-generaal.

2.

De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de directeuren-generaal en de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen.

3.

Voor zover de secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Mandaat aan DG’s
1.

De directeuren-generaal hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden op hun werkterrein.

2.

De directeuren-generaal geven rechtstreeks leiding aan de hoofden van volgens de bijlage onder hen ressorterende dienstonderdelen.

3.

De directeuren-generaal zijn budgethouder voor de hen door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De directeuren-generaal kennen aan de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden de budgetten toe waarover zij kunnen beschikken.

Artikel 7. Mandaat aan de hoofden van inspecties
1.

De inspecteur-generaal van het onderwijs heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht en binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

2.

De directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

3.

De hoofden van de inspecties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

4.

Onverminderd het eerste lid heeft de inspecteur-generaal van het onderwijs mandaat om:

Artikel 8. Mandaat aan het hoofd van de baten-lastendienst Nationaal Archief
1.

Het hoofd van het Nationaal Archief heeft, onverminderd artikel 4, eerste lid, onderdeel l, en de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeur-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.

2.

Het hoofd van het Nationaal Archief is budgethouder voor de hem door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 9. Mandaat aan directeuren
1.

De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.

2.

De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de directeur-generaal toegewezen budgetten.

Artikel 10. Managementafspraken
1.

De secretaris-generaal maakt managementafspraken met de directeuren-generaal en de volgens de bijlage onder hem ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.

2.

De directeuren-generaal maken managementafspraken met de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.

3.

De directeur Organisatie & Bedrijfsvoering draagt zorg voor bekendmaking van de managementafspraken voor zover het betreft daarin opgenomen beperkingen of uitbreidingen van een mandaat dat op grond van dit besluit is verleend, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 11. Ondermandaat en mandaatregister
1.

Ondermandaat van de in dit besluit gemandateerde bevoegdheden is mogelijk, tenzij in dit besluit anders is bepaald. Bij het verlenen van ondermandaat wordt aangegeven in hoeverre het verlenen van verder ondermandaat mogelijk is.

2.

Voor het verlenen van ondermandaat door een directeur is de goedkeuring vereist door de desbetreffende leidinggevende functionaris. Voor machtiging om op te treden in gerechtelijke procedures en ondermandaat inzake het passeren van notariële akten is de goedkeuring niet vereist.

3.

De directeur Organisatie & Bedrijfsvoering draagt zorg voor bekendmaking van krachtens dit besluit verleende algemene ondermandaten door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie. In afwijking hiervan dragen de hoofden van inspecties en de functionarissen die aan het hoofd staan van een baten-lastendienst zorg voor bekendmaking van de krachtens dit besluit door hen verleende ondermandaten door openbare ter inzage legging en plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie of het betreffende dienstonderdeel.

4.

De functionarissen genoemd in lid 3 houden een register bij van de handtekeningen van de functionarissen, waarvan het mandaat door hen bekend is gemaakt.

Artikel 12. Voorbehouden aan SG
1.

De secretaris-generaal is met uitsluiting van anderen gemandateerd met betrekking tot:

2.

Het verlenen van ondermandaat van de bevoegdheden in dit artikel is niet mogelijk, met uitzondering van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid onder c.

Artikel 13. Voorbehouden aan DG’s, hoofden inspecties en het hoofd van het Nationaal Archief
1.

De directeuren-generaal, de hoofden van inspecties en de hoofden van het Nationaal Archief zijn met uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot:

2.

De directeur-generaal DUO is gemandateerd met betrekking tot het nemen van beslissingen op bezwaar- en beroepschriften onverminderd artikel 7, vierde lid, onderdeel f.

3.

De directeur-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie, de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs en de directeur-generaal Cultuur en Media zijn met uitsluiting van anderen, met uitzondering van de secretaris-generaal, gemandateerd met betrekking tot het geven van toestemming voor schatkistbankieren.

4.

Met uitzondering van de bevoegdheid bedoeld in het tweede lid is ondermandaat van de bevoegdheden, bedoeld in dit artikel niet mogelijk.

Artikel 14. Personele bevoegdheden
1.

De secretaris-generaal heeft bij uitsluiting van anderen mandaat ten aanzien van:

2.

Onverminderd het eerste lid hebben de secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs mandaat ten aanzien van alle personele aangelegenheden betreffende onder hen ressorterende medewerkers tenzij bij wettelijk voorschrift anders is of wordt bepaald, met dien verstande dat ten aanzien van ontslag, waaronder de keuze van de ontslaggrond, de strafmaat bij straffen, ordemaatregelen en vaststellingsovereenkomsten, te voren een toetsing zal plaats vinden door een arbeidsjuridisch deskundige.

3.

De secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het onderwijs kunnen ondermandaat verlenen aan functionarissen binnen hun organisatieonderdeel ten aanzien van personele aangelegenheden als bedoeld in het tweede lid.

4.

Onverminderd het eerste tot en met het derde lid hebben direct-leidinggevenden binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de personele aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein voor zover deze worden afgehandeld via het P-direktportaal.

5.

Het bepaalde in artikel 16 is niet van toepassing op de in het vorige lid genoemde personele aangelegenheden die via het P-direktportaal worden afgehandeld.

Artikel 15. Afwezigheid of verhindering
1.

De secretaris-generaal voorziet in zijn vervanging bij afwezigheid of verhindering en voorts in de vervanging bij afwezigheid of verhindering van een directeur-generaal, met uitzondering van de directeur-generaal DUO. Bij afwezigheid of verhindering van een directeur-generaal wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger en bij diens afwezigheid door de tweede plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de eerste vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat en dat het mandaat van de tweede plaatsvervanger is beperkt tot het ondertekenen van stukken.

2.

De directeur-generaal DUO, de hoofden van inspecties, het hoofd van het Nationaal Archief en de directeuren voorzien in de vervanging bij hun afwezigheid of verhindering. Bij afwezigheid of verhindering wordt voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens bevoegdheid uitgeoefend door de plaatsvervanger, met dien verstande dat het mandaat van de vervanger niet de bevoegdheid omvat tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaat.

3.

De direct-leidinggevenden wijzen een plaatsvervanger aan door in het P-direktportaal twee leidinggevende medewerkers te registreren als plaatsvervanger.

4.

De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het eerste lid, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie. De directeur-generaal DUO, de hoofden van de inspecties, het hoofd van het Nationaal Archief en de directeuren dragen zorg voor bekendmaking van de vervanging, bedoeld in het tweede lid, door openbare ter inzage legging op het Ministerie en plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.

Artikel 16. Wijze van ondertekening
1.

De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze,

functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde.

2.

De gevolmachtigde is gehouden in de ondertekening van stukken inzake personele aangelegenheden als bedoeld in artikel 14 zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De Staat der Nederlanden,

vertegenwoordigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

namens deze,

functie van de gevolmachtigde,

handtekening van de gevolmachtigde,

naam van de gevolmachtigde

3.

De gemandateerde is gehouden in de ondertekening van stukken als bedoeld in artikel 14a zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de formule:

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

namens dezen, functie van de gemandateerde,

handtekening van de gemandateerde,

naam van de gemandateerde.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

4.

Ondertekening bij afwezigheid met de aanduiding ‘b/a’ is uitsluitend mogelijk indien de ondertekenaar ook zelf bevoegd is tot ondertekenen. In dat geval wordt ook de naam van de ondertekenaar vermeld.

5.

Indien het mandaat, bedoeld in het eerste lid, berust op een bevoegdheid van een andere bewindspersoon dan de Minister, dan wordt dit in de in het eerste lid bedoelde formule dienovereenkomstig tot uitdrukking gebracht. In het geval dat de in het eerste lid bedoelde gemandateerde ondertekent namens meerdere bewindspersonen, worden alle betrokken bewindspersonen in de eerder bedoelde formule opgenomen.

Artikel 17. Intrekking
1.

Het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 (Regeling van 2 juni 2005, Stcrt. 2005, nr. 113) wordt ingetrokken.

2.

Tot 1 mei 2008 blijft het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 van toepassing op besluiten door ambtenaren werkzaam bij Centrale Financiën Instellingen.

3.

Mandaten die zijn verleend op grond van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2005 en die gelden op de dag voor inwerkingtreding van dit besluit, worden geacht te zijn verleend op grond van dit besluit met dien verstande dat beperkingen op grond van dit besluit ook gelden voor de verleende ondermandaten.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2008.

Artikel 19. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008.

Bijlage. : Organisatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De bewindspersonen van het Ministerie zijn:

Het managementteam van het ministerie bestaat uit:

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

De SG wordt in de ambtelijke leiding van het departement bijgestaan door een PSG. Deze vervangt hem bij zijn afwezigheid in al zijn taken en behartigt, namens de SG, de SG-taken op het gebied van het beheer van het departement. De PSG is verantwoordelijk voor de directies binnen haar kolom. Voor de inhoudelijke beleidsthema's van de directies Kennis en IB is de SG echter eerste aanspreekpunt.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de directeuren-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie (DGHBWE), de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV), de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM) en de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs (DGDUO). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij kunnen daarnaast ambtelijk verantwoordelijk zijn voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend. DGDUO heeft zitting in het managementteam, om zo te waarborgen dat de onder hem ressorterende uitvoeringsinstantie betrokken is bij de voorbereiding van en de besluitvorming over nieuw beleid en om de betrokkenheid van de DG's bij de uitvoerbaarheid van beleid te waarborgen.

Het Ministerie bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

De ondersteunende directies hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De AD is verantwoordelijk voor het leveren van betrouwbare managementinformatie.

De AD kent drie strategische functies:

De AD werkt primair voor en in opdracht van het verantwoordelijk management van OCW, maar neemt bij de taakuitoefening overeenkomstig de eigen beroepsethiek een onafhankelijke positie in.

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties.

De directie COM is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

De directie CO is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en totstandkoming van de concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering op het gebied van de bedrijfsvoering ten behoeve van geheel OCW. In operationele zin betekent dit dat de directie Concernondersteuning zich primair bezig houdt met taken op het gebied van huisvesting, facility management, milieu & energie, inkoop, personeel en organisatie, informatievoorziening en ICT. Tevens is de directie Concernondersteuning verantwoordelijk voor de control op en het beheer van de formatie en APK budget voor het gehele OCW concern.

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het Ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

De directie Kennis is verantwoordelijk voor het verbinden van beleidsvorming, wetenschap en praktijk. Daarmee wordt de kwaliteit van de beleidsvorming vergroot en wordt de relevantie van wetenschappelijk onderzoek op OCW-gebied versterkt. Door te werken aan het vergroten van het inzicht in de prestaties van de OCW-stelsels bij alle actoren, worden die actoren in staat gesteld de eigen prestaties te verhogen.

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

De beleidsdirecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs. Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid t.a.v. burgerschap, het onderwijs in het buitenland en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Het beleidsterrein van het primair onderwijs omvat de scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs.

De directie VO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is ten slotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

De directie Jeugd en Onderwijszorg is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Jeugd en Zorg, voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, en beroepsonderwijs. De directie is in deze ook het aanspreekpunt voor de minister voor Jeugd en Gezin.

De directie Kinderopvang is verantwoordelijk voor het tot stand brengen van een stelsel van kwalitatief goede en toegankelijke kinderopvang, tussenschoolse opvang en peuterspeelzalen, zodat een dagarrangement ontstaat waardoor ouders arbeid en zorg kunnen combineren en kinderen zich kunnen ontwikkelen.

De directie Leraren is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van leraren voor alle onderwijssectoren. In het bijzonder is de directie gericht op de kwaliteitsbevordering van leraren en de terugdringing van het lerarentekort.

De directie VSV heeft als hoofddoel het coördineren van beleid om jongeren in de leeftijd tot 23 jaar met een startkwalificatie (mbo-2 diploma) van school te laten gaan.

De beleidsdirecties van het DGHBWE hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie BVE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

De directie HO&S is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van hoger onderwijs, academische ziekenhuizen en studiefinanciering. De directie draagt zorg voor het hoger onderwijsstelsel en beheert wet- en regelgeving omtrent hoger onderwijs en studiefinanciering.

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal.

DE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

De directie Kennis en Innovatie is een samenwerkingsverband met het ministerie van EZ, en valt onder de dagelijkse aansturing van dat departement. De directie is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Kennis en Innovatie. Hoofddoel is de kennis te ontwikkelen ter bevordering van de Nederlandse economie en samenleving.

De directie Leren en werken is een samenwerkingsverband met het ministerie van SZW, en valt onder de dagelijkse aansturing van dat departement. Hoofddoel is om, in lijn met de Lissabondoelstellingen, te bereiken dat in verschillende leeftijdscategorieën meer Nederlanders een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. Tevens is het doel om het aantal werkenden en werkzoekenden met een startkwalificatie substantieel te verhogen.

De directie VenR is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van veiligheid voor alle sectoren van OCW.

De beleidsdirecties van het DGCM hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

DCE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het cultureel erfgoed verdeeld over de sectoren: archiefdocumenten, museale voorwerpen, archeologische voorwerpen en monumenten.

DK is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van kunsten.

De directie MLB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van omroep, pers, nieuwe media, het boek en lezen (letteren, bibliotheken en leesbevordering). Doel is dat zoveel mogelijk burgers toegang hebben tot een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media- en informatieaanbod.

Het ICN beheert op basis van het KB 21, 1984 de Rijkscollectie voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea. Tevens is ICN (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert het op dat terrein als kenniscentrum.

De RCE voert, namens de minister, de Monumentenwet 1988 met uitzondering van de archeologische monumentenzorg, uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid m.b.t. de monumentenzorg.

Tevens voert de dienst namens de minister, de Monumentenwet 1988 uit voor zover het betreft de archeologische monumentenzorg. De dienst fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning en is (mede)verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en de uitvoering van het beleid voor archeologische monumentenzorg.

DUO is de hoofduitvoerder van OCW en voert de volgende kerntaken uit:

Hiernaast voert DUO aanvullende werkzaamheden uit voor tweeden en derden. De omvang werken voor tweeden en derden wordt jaarlijks in de MA tussen SG en DG DUO overeengekomen. De basis voor afspraken hierover wordt gevormd door het kader ‘werken voor tweeden en derden’.

Voor de uitvoering van de activiteiten beschikt DG DUO over een eigen bedrijfsvoering binnen de OCW- en rijkskaders. DG DUO komt in afstemming met de MT OCW leden tot een ondernemingsplan. Dit plan wordt tweejaarlijks herijkt. Tevens brengt DUO een publicitair jaarverslag uit.

De inspecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving van:

Zij rapporteert via de secretaris-generaal aan de bewindspersoon over de bevindingen en doet daarbij aanbevelingen.

De Ivho heeft de volgende taken:

Voor alle onderwijssectoren geldt dat de inspectie jaarlijks, op basis van artikel 23, lid 8 van de Grondwet, in het Onderwijsverslag rapporteert over de staat van het onderwijs.

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

Er zijn de volgende bureaus die onafhankelijke of zelfstandige organisaties ondersteunen:

Organisatie van het Ministerie van OCW

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het Ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

De SG wordt in de ambtelijke leiding van het departement bijgestaan door een vrijgestelde PSG. Deze vervangt hem bij zijn afwezigheid in al zijn taken en behartigt, namens de SG, de SG-taken op het gebied van het beheer van het departement.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de directeur-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs en Wetenschap (DGHBW), de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV) en de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij zijn daarnaast ambtelijk verantwoordelijk voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend.

Agentschap:

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is in het ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties.

De directie Communicatie is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk Minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het Ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

De directie Kennis i.o. is verantwoordelijk voor het verbinden van beleidsvorming, wetenschap en praktijk. Daarmee wordt de kwaliteit van de beleidsvorming vergroot en wordt de relevantie van wetenschappelijk onderzoek op OCW-gebied versterkt. Door te werken aan het vergroten van het inzicht in de prestaties van de OCW-stelsels bij alle actoren, worden die actoren in staat gesteld de eigen prestaties te verhogen.

De directie T&H is verantwoordelijk voor:

De directie T&H is verantwoordelijk voor de ontwikkeling (en het beheer) van de departementale expertisefunctie en voor het beleid en de instrumenten op het gebied van handhaving en toezicht.

Specifiek bestaat verantwoordelijkheid voor het houden van toezicht ex artikel 62 tot en met 64 van de Wet bescherming persoonsgegevens op departementale persoonsverwerkingen en de advisering op dit terrein.

Ten slotte is de directie verantwoordelijk voor het ondersteunen van de aansturing van de inspecties.

De Auditdienst is verantwoordelijk voor het leveren van betrouwbare managementinformatie.

De Auditdienst kent drie strategische functies:

De Auditdienst werkt primair voor en in opdracht van het verantwoordelijk management van OCW, maar neemt bij de taakuitoefening overeenkomstig de eigen beroepsethiek een onafhankelijke positie in.

De directie Concernondersteuning zal onder andere bestaan uit de directies Facilitair Management, Personeel & Organisatie en Informatiestrategie en -⁠diensten. Daartoe wordt de samenvoeging van de directies voorbereid. Op geleidelijke wijze zullen reeds voor de formele samenvoeging taken van deze directies door de directie CO worden uitgevoerd. Tevens is het beheer van de OCW-formatie een verantwoordelijkheid van de directie CO.

De directie DI is verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het realiseren van ambities en doelstellingen op het terrein van informatiestrategie, -beleid en het in stand houden van (geautomatiseerde) informatievoorziening.

De directie Facilitair Management is verantwoordelijk voor de facilitaire dienstverlening aan het Bestuursdepartement. De dienstverlening reikt van locatiegebonden faciliteiten via organisatiegerichte services tot en met persoonsgebonden diensten.

Tevens is de directie Facilitair Management verantwoordelijk voor de totstandkoming van de departementale concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering ten aanzien van inkoop, veiligheid, huisvesting, milieu en energie.

De directie P&O is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de departementale concernbrede visie, kaderstelling, advisering, toetsing en uitvoering op het gebied van personeel en organisatie. Zij ontwikkelt en onderhoudt daartoe beleid en instrumenten, ondersteunt bij de eenduidige toepassing daarvan en genereert managementinformatie.

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs. Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid t.a.v. burgerschap, het onderwijs in het buitenland en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Het beleidsterrein van het primair onderwijs omvat de scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs.

Ten slotte is de directie belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van kinderopvang.

De directie Voortgezet Onderwijs is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is ten slotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

De directie VSV heeft als hoofddoel het coördineren van beleid om jongeren in de leeftijd tot 23 jaar met een startkwalificatie (mbo-2 diploma) van school te laten gaan.

De directie Leraren is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van leraren voor alle onderwijssectoren. In het bijzonder is de directie gericht op de kwaliteitsbevordering van leraren en de terugdringing van het lerarentekort.

De directie Jeugd en Onderwijszorg is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Jeugd en Zorg, voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, en beroepsonderwijs. De directie is in deze ook het aanspreekpunt voor de Minister voor Jeugd en Gezin.

De directie BVE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

De directie HO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het Hoger Onderwijs en de Academische Ziekenhuizen.

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de Minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein veiligheid, voor alle sectoren van OCW.

De directie Emancipatie is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

De directie Kennis en Innovatie is een samenwerkingsverband met het Ministerie van EZ, en valt onder de dagelijkse aansturing van dat departement. De directie is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Kennis en Innovatie. Hoofddoel is de kennis te ontwikkelen ter bevordering van de Nederlandse economie en samenleving.

De directie Leren en werken is een samenwerkingsverband met het Ministerie van SZW, en valt onder de dagelijkse aansturing van dat departement. Hoofddoel is om, in lijn met de Lissabondoelstellingen, te bereiken dat in verschillende leeftijdscategorieën meer Nederlanders een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. Tevens is het doel om het aantal werkenden en werkzoekenden met een startkwalificatie substantieel te verhogen.

DCE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het cultureel erfgoed verdeeld over de sectoren: archiefdocumenten, museale voorwerpen, archeologische voorwerpen en monumenten.

Het ICN beheert op basis van het KB 21, 1984 de Rijkscollectie voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea. Tevens is ICN (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert het op dat terrein als kenniscentrum.

DK is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van kunsten.

De directie MLB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van omroep, pers, nieuwe media, het boek en lezen (letteren, bibliotheken en leesbevordering). Doel is dat zoveel mogelijk burgers toegang hebben tot een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media- en informatieaanbod.

De RACM voert, namens de Minister, de Monumentenwet 1988 met uitzondering van de archeologische monumentenzorg, uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid m.b.t. de monumentenzorg.

Tevens voert de dienst namens de Minister, de Monumentenwet 1988 uit voor zover het betreft de archeologische monumentenzorg. De dienst fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning en is (mede)verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en de uitvoering van het beleid voor archeologische monumentenzorg.

De Inspectie van het Onderwijs heeft de volgende taken:

Voor alle onderwijssectoren geldt dat de inspectie jaarlijks, op basis van artikel 23, lid 8 van de Grondwet, in het Onderwijsverslag rapporteert over de staat van het onderwijs.

De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving van:

Zij rapporteert via de secretaris-generaal aan de bewindspersoon over de bevindingen en doet daarbij aanbevelingen.

CFI is verantwoordelijk voor de bekostiging van onderwijsinstellingen, het informeren (verzamelen, beheren, bewerken en ontsluiten van gegevens waarvoor geen juridische beperkingen aan de openbaarheid gelden) van het bestuursdepartement, toezichthouders en instellingen en het in opdracht maken van informatieproducten om gegevens toegankelijk te maken. Tevens adviseert zij bij de beleidsontwikkeling van OCW conform de beleidswijzer en rapporteert zij over de bevindingen bij het uitvoeren van de bekostiging, bij beantwoording van vragen uit het veld en rapporteert zij over rechtmatigheidsignalen aan de inspectie van het onderwijs.

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 14a. Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten
1.

De directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is gemandateerd om, namens de secretaris-generaal, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a en d, van het Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten. Hij kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen.

2.

De directeur-generaal DUO is gemandateerd om, namens de secretaris-generaal, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten te nemen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b en c, van het Mandaatbesluit beschermde stads- en dorpsgezichten. De directeur-generaal DUO kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen.

Bijlage. : Organisatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De bewindspersonen van het Ministerie zijn:

Het managementteam van het ministerie bestaat uit:

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

De SG wordt in de ambtelijke leiding van het departement bijgestaan door een PSG. Deze vervangt hem bij zijn afwezigheid in al zijn taken en behartigt, namens de SG, de SG-taken op het gebied van het beheer van het departement. De PSG is verantwoordelijk voor de directies binnen haar kolom. Voor de inhoudelijke beleidsthema's van de directies Kennis en IB is de SG echter eerste aanspreekpunt.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de directeuren-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie (DGHBWE), de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV), de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM) en de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs (DGDUO). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij kunnen daarnaast ambtelijk verantwoordelijk zijn voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend. DGDUO heeft zitting in het managementteam, om zo te waarborgen dat de onder hem ressorterende uitvoeringsinstantie betrokken is bij de voorbereiding van en de besluitvorming over nieuw beleid en om de betrokkenheid van de DG's bij de uitvoerbaarheid van beleid te waarborgen.

Het Ministerie bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

De ondersteunende directies hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De AD is verantwoordelijk voor het leveren van betrouwbare managementinformatie.

De AD kent drie strategische functies:

De AD werkt primair voor en in opdracht van het verantwoordelijk management van OCW, maar neemt bij de taakuitoefening overeenkomstig de eigen beroepsethiek een onafhankelijke positie in.

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties. Verder is de directie verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van veiligheid voor alle sectoren van het Ministerie.

De directie COM is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

De directie FM/ICT verzorgt kaderstellend beleid en centrale regieorganisatie-taken voor het concern OCW naast decentrale regieorganisatie-taken en ondersteuning voor het bestuursdepartement op het gebied van Facilitair management, Huisvesting, Inkoop, Duurzaamheid en services (telefoon, receptie, vervoer, beveiliging, post, archief, huishoudelijke zaken) en ICT (beleid en beheer en diensten conform productdienstencatalogus).

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het Ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

De directie Kennis is verantwoordelijk voor het verbinden van beleidsvorming, wetenschap en praktijk. Daarmee wordt de kwaliteit van de beleidsvorming vergroot en wordt de relevantie van wetenschappelijk onderzoek op OCW-gebied versterkt. Door te werken aan het vergroten van het inzicht in de prestaties van de OCW-stelsels bij alle actoren, worden die actoren in staat gesteld de eigen prestaties te verhogen.

De directie P&O verzorgt binnen de door de rijksoverheid gegeven kaders:

Tevens is de directie P&O verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het beheer van managementinformatie en het uitvoeren van planning en control-taken inclusief advies en rapportages op het gebied van de bedrijfsvoering (apparaatskosten en centrale budgetten).

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

De beleidsdirecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs. Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid t.a.v. burgerschap, het onderwijs in het buitenland en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Het beleidsterrein van het primair onderwijs omvat de scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs.

De directie VO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is ten slotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

De directie Jeugd en Onderwijszorg is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Jeugd en Zorg, voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, en beroepsonderwijs. De directie is in deze ook het aanspreekpunt voor de minister voor Jeugd en Gezin.

De directie Leraren is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van leraren voor alle onderwijssectoren. In het bijzonder is de directie gericht op de kwaliteitsbevordering van leraren en de terugdringing van het lerarentekort.

De directie VSV heeft als hoofddoel het coördineren van beleid om jongeren in de leeftijd tot 23 jaar met een startkwalificatie (mbo-2 diploma) van school te laten gaan.

De beleidsdirecties van het DGHBWE hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie BVE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

De directie HO&S is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van hoger onderwijs, academische ziekenhuizen en studiefinanciering. De directie draagt zorg voor het hoger onderwijsstelsel en beheert wet- en regelgeving omtrent hoger onderwijs en studiefinanciering.

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal.

DE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

De beleidsdirecties van het DGCM hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

DCE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het cultureel erfgoed verdeeld over de sectoren: archiefdocumenten, museale voorwerpen, archeologische voorwerpen en monumenten.

DK is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van kunsten.

De directie MLB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van omroep, pers, nieuwe media, het boek en lezen (letteren, bibliotheken en leesbevordering). Doel is dat zoveel mogelijk burgers toegang hebben tot een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand media- en informatieaanbod.

De RCE voert, namens de minister, de Monumentenwet 1988 uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het archeologische, gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed en fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning.

De dienst draagt in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zorg voor de kunstcollectie van het Rijk voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea en streeft ernaar deze optimaal toegankelijk te maken.

De dienst is (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert op dat terrein als kenniscentrum.

De dienst ontwikkelt en verspreidt kennis die het beheer en behoud van de erfgoedcollectie ondersteunt en verbetert en die de betekenis daarvan duidt en kenbaar maakt.

DUO is de hoofduitvoerder van OCW en voert de volgende kerntaken uit:

Hiernaast voert DUO aanvullende werkzaamheden uit voor tweeden en derden. De omvang werken voor tweeden en derden wordt jaarlijks in de MA tussen SG en DG DUO overeengekomen. De basis voor afspraken hierover wordt gevormd door het kader ‘werken voor tweeden en derden’.

Voor de uitvoering van de activiteiten beschikt DG DUO over een eigen bedrijfsvoering binnen de OCW- en rijkskaders. DG DUO komt in afstemming met de MT OCW leden tot een ondernemingsplan. Dit plan wordt tweejaarlijks herijkt. Tevens brengt DUO een publicitair jaarverslag uit.

De inspecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving van:

Zij rapporteert via de secretaris-generaal aan de bewindspersoon over de bevindingen en doet daarbij aanbevelingen.

De Ivho heeft de volgende taken:

Voor alle onderwijssectoren geldt dat de inspectie jaarlijks, op basis van artikel 23, lid 8 van de Grondwet, in het Onderwijsverslag rapporteert over de staat van het onderwijs.

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

Er zijn de volgende bureaus die onafhankelijke of zelfstandige organisaties ondersteunen:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 14b. Voorbehouden aan de directeur Wetgeving en Juridische Zaken

De directeur Wetgeving en Juridische Zaken is gemandateerd te beslissen tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om informatie ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur. Hij kan met betrekking tot dit mandaat ondermandaat verlenen aan één of meer onder hem ressorterende functionarissen.

Artikel 14c. Bestedingsplan
1.

Aan de minister is voorbehouden het vaststellen van het departementale bestedingsplan.

2.

Aan de secretaris-generaal is voorbehouden het opstellen van het departementale bestedingsplan op basis van de bestedingsplannen van de directeuren-generaal.

3.

De secretaris-generaal heeft mandaat tot het aangaan van verplichtingen bij wijzigingen van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tussen € 2.000.000 en € 5.000.000.

4.

Aan de directeuren-generaal is voorbehouden het opstellen van het bestedingsplan voor hun directoraat-generaal op basis van de bestedingsplannen van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen.

5.

De directeuren-generaal hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen bij wijzigingen van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan tussen € 500.000 en € 2.000.000.

6.

Aan de directeuren is voorbehouden het opstellen van het bestedingsplan voor hun directie.

7.

De directeuren hebben mandaat tot het aangaan van verplichtingen op basis van het door de minister vastgestelde departementale bestedingsplan met dien verstande dat indien een verplichting zou leiden tot een verschuiving tussen de budgetten voor de verschillende thema's van het departementale bestedingsplan dit:

Bijlage. : Organisatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De bewindspersonen van het Ministerie zijn:

Het managementteam van het ministerie bestaat uit:

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

De SG wordt in de ambtelijke leiding van het departement bijgestaan door een PSG. Deze vervangt hem bij zijn afwezigheid in al zijn taken en behartigt, namens de SG, de SG-taken op het gebied van het beheer van het departement. De PSG is verantwoordelijk voor de directies binnen haar kolom. Voor de inhoudelijke beleidsthema's van de directie Kennis is de SG echter eerste aanspreekpunt.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de directeuren-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie (DGHBWE), de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV), de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM) en de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs (DGDUO). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij kunnen daarnaast ambtelijk verantwoordelijk zijn voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend. DGDUO heeft zitting in het managementteam, om zo te waarborgen dat de onder hem ressorterende uitvoeringsinstantie betrokken is bij de voorbereiding van en de besluitvorming over nieuw beleid en om de betrokkenheid van de DG's bij de uitvoerbaarheid van beleid te waarborgen.

De SG, de DGHBWE, de DGPV en de DGCM worden ondersteund door een stafbureau. Deze stafbureaus zijn verantwoordelijk voor de secretariële ondersteuning en/of persoonlijke ambtelijke ondersteuning aan de SG, de DGHBWE, de DGPV onderscheidenlijk de DGCM. De SG, de DGHBWE, de DGPV onderscheidenlijk de DGCM zijn direct-leidinggevende van de medewerkers van de stafbureaus.

Het Ministerie bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

De ondersteunende directies hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties. Verder is de directie verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van veiligheid voor alle sectoren van het Ministerie.

De directie COM is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

De directie FM/ICT verzorgt kaderstellend beleid en centrale regieorganisatie-taken voor het concern OCW naast decentrale regieorganisatie-taken en ondersteuning voor het bestuursdepartement op het gebied van Facilitair management, Huisvesting, Inkoop, Duurzaamheid en services (telefoon, receptie, vervoer, beveiliging, post, archief, huishoudelijke zaken) en ICT (beleid en beheer en diensten conform productdienstencatalogus).

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

De directie Kennis is verantwoordelijk voor het verbinden van beleidsvorming, wetenschap en praktijk. Daarmee wordt de kwaliteit van de beleidsvorming vergroot en wordt de relevantie van wetenschappelijk onderzoek op OCW-gebied versterkt. Door te werken aan het vergroten van het inzicht in de prestaties van de OCW-stelsels bij alle actoren, worden die actoren in staat gesteld de eigen prestaties te verhogen.

De directie P&O verzorgt binnen de door de rijksoverheid gegeven kaders:

Tevens is de directie P&O verantwoordelijk voor de ontwikkeling en het beheer van managementinformatie en het uitvoeren van planning en control-taken inclusief advies en rapportages op het gebied van de bedrijfsvoering (apparaatskosten en centrale budgetten).

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

De beleidsdirecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs. Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid t.a.v. burgerschap, het onderwijs in het buitenland en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Het beleidsterrein van het primair onderwijs omvat de scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs.

De directie VO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is ten slotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

De directie Jeugd en Onderwijszorg is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van Jeugd en Zorg, voor de sectoren primair onderwijs, voortgezet onderwijs, en beroepsonderwijs. De directie is in deze ook het aanspreekpunt voor de minister voor Jeugd en Gezin.

De directie Leraren is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van leraren voor alle onderwijssectoren. In het bijzonder is de directie gericht op de kwaliteitsbevordering van leraren en de terugdringing van het lerarentekort.

De beleidsdirecties van het DGHBWE hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie MBO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, en coördineert het beleid tegen voortijdig schoolverlaten.

De directie HO&S is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van hoger onderwijs, academische ziekenhuizen en studiefinanciering. De directie draagt zorg voor het hoger onderwijsstelsel en beheert wet- en regelgeving omtrent hoger onderwijs en studiefinanciering.

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal.

DE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

De beleidsdirecties van het DGCM hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie E&K is verantwoordelijk voor beleidsontwikkeling op het terrein van erfgoed en kunsten en voert beleid ten aanzien van instellingen waarmee een subsidierelatie wordt onderhouden. Het beleid omvat de volgende disciplines: monumentenzorg, archeologie, musea, beeldende kunst, dans, muziek, muziektheater en theater.

De directie M&C is verantwoordelijk voor het beleid op terrein van media, bibliotheken, archieven en creatieve industrie. Doel van de directie is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-en informatieaanbod, dat toegankelijk is en blijft voor alle lagen van de bevolking. Daarnaast is de directie verantwoordelijk voor de ondersteuning van de ontwikkeling van de creatieve industrie via fondsen, kennisborging en netwerkvorming. M&C coördineert het topsectorenbeleid creatieve industrie in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken.

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

De RCE voert, namens de minister, de Monumentenwet 1988 uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het archeologische, gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed en fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning.

De dienst draagt in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zorg voor de kunstcollectie van het Rijk voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea en streeft ernaar deze optimaal toegankelijk te maken.

De dienst is (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert op dat terrein als kenniscentrum.

De dienst ontwikkelt en verspreidt kennis die het beheer en behoud van de erfgoedcollectie ondersteunt en verbetert en die de betekenis daarvan duidt en kenbaar maakt.

De RCE voert, namens de minister, de wet- en regelgeving op het terrein van de erfgoedzorg uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het archeologische, gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed en fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning.

De dienst is (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert op dat terrein als kenniscentrum.

De dienst draagt in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zorg voor de kunstcollectie van het Rijk voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea en streeft ernaar deze optimaal toegankelijk te maken.

De dienst ontwikkelt en verspreidt kennis die het beheer en behoud van de erfgoedcollectie ondersteunt en verbetert en die de betekenis daarvan duidt en kenbaar maakt.

DUO is de hoofduitvoerder van OCW en voert de volgende kerntaken uit:

Hiernaast voert DUO aanvullende werkzaamheden uit voor tweeden en derden. De omvang werken voor tweeden en derden wordt jaarlijks in de MA tussen SG en DG DUO overeengekomen. De basis voor afspraken hierover wordt gevormd door het kader ‘werken voor tweeden en derden’.

Voor de uitvoering van de activiteiten beschikt DG DUO over een eigen bedrijfsvoering binnen de OCW- en rijkskaders. DG DUO komt in afstemming met de MT OCW leden tot een ondernemingsplan. Dit plan wordt tweejaarlijks herijkt. Tevens brengt DUO een publicitair jaarverslag uit.

De inspecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De Erfgoedinspectie ziet toe op de naleving van:

Zij rapporteert via de secretaris-generaal aan de bewindspersoon over de bevindingen en doet daarbij aanbevelingen.

De Ivho heeft de volgende taken:

Voor alle onderwijssectoren geldt dat de inspectie jaarlijks, op basis van artikel 23, lid 8 van de Grondwet, in het Onderwijsverslag rapporteert over de staat van het onderwijs.

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

Er zijn de volgende bureaus die onafhankelijke of zelfstandige organisaties ondersteunen:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 14d. Rijksinkoop en departementale inkoopfunctie
1.

De Coördinerend Directeur Inkoop (CDI) is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het CDI/CPO-stelsel binnen het Ministerie. De CDI wordt betrokken bij alle grote en/of risicovolle inkooptrajecten en wordt in de gelegenheid gesteld deze vooraf te beoordelen, conform de interdepartementale afspraken die dienaangaande gemaakt zijn in het Uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst en binnen het CDI/CPO-stelsel.

2.

De directeur-generaal DUO is gemandateerd tot het verrichten van aankopen ten behoeve van alle budgethouders van het Ministerie.

Bijlage. Organisatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

De bewindspersonen van het ministerie zijn:

Het managementteam van het ministerie bestaat uit:

De SG is ambtelijk verantwoordelijk voor het functioneren van het ministerie en voor de voorbereiding en uitvoering van het beleid waarvoor de politieke leiding de politieke verantwoordelijkheid draagt. De SG heeft als hoogste ambtenaar tot taak te zorgen voor een goede onderlinge afstemming van de verschillende beleidsterreinen en voor de uitvoering en uitvoerbaarheid van het ontwikkelde beleid.

Daarnaast wordt hij in zijn taak bijgestaan door de directeuren-generaal Hoger Onderwijs, Beroepsonderwijs, Wetenschap en Emancipatie (DGHBWE), de directeur-generaal Primair en Voortgezet Onderwijs (DGPV), de directeur-generaal Cultuur en Media (DGCM) en de directeur-generaal Dienst Uitvoering Onderwijs (DGDUO). Deze directeuren-generaal zijn ambtelijk verantwoordelijk voor de beleidsterreinen van de onder hen ressorterende directies en voor de samenhang tussen die beleidsterreinen. Zij kunnen daarnaast ambtelijk verantwoordelijk zijn voor één of meer specifieke beleidsonderwerpen of projecten, die niet zonder meer tot de hierboven genoemde beleidsterreinen kunnen worden gerekend.

DGDUO heeft zitting in het managementteam, om zo te waarborgen dat de onder hem ressorterende uitvoeringsinstantie betrokken is bij de voorbereiding van en de besluitvorming over nieuw beleid en om de betrokkenheid van de DG's bij de uitvoerbaarheid van beleid te waarborgen.

De SG, de DGHBWE, de DGPV en de DGCM worden ondersteund door een stafbureau. Deze stafbureaus zijn verantwoordelijk voor de secretariële ondersteuning en/of persoonlijke ambtelijke ondersteuning aan de SG, de DGHBWE, de DGPV onderscheidenlijk de DGCM.

Het Ministerie bestaat uit de volgende dienstonderdelen:

De ondersteunende directies hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie BOA is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de sturing op de politiek- bestuurlijke en organisatorische samenhang van het departement zodat het verkeer tussen de politieke top en de ambtelijke organisatie goed verloopt. De directie is tevens verantwoordelijk voor de inhoudelijke, procesmatige, instrumentele en logistieke ondersteuning van de bewindslieden en de ambtelijke top. De directie is ook verantwoordelijk voor de behandeling van burgerbrieven, daarin zo nodig inhoudelijk bijgestaan door beleidsdirecties. Verder is de directie verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van veiligheid voor alle sectoren van het Ministerie.

De directie COM is verantwoordelijk voor de interne en externe communicatie van het departement.

De Directie Organisatie & Bedrijfsvoering opereert vanuit de kaders die in SGO5-verband de afgelopen jaren zijn ontwikkeld voor een nieuwe inrichting van de hoofdtaken van de departementale bedrijfsvoering op de verschillende bedrijfsvoeringsdomeinen: strategisch advies en control, afnemer van generieke dienstverlening SSO, liaisonfunctie bij maatwerk en bedieningsgebied Hoftoren.

De directie is verantwoordelijk voor:

De directie FEZ is verantwoordelijk voor het begrotingsproces en bewaakt de uitkomsten daarvan. Tevens is de directie verantwoordelijk voor de interne planning & control cyclus van het Ministerie. Vanuit de financiële expertise ondersteunt zij bij alle aspecten van beleid en bedrijfsvoering. Dit gebeurt zowel op het niveau van de DG (DG control) als op het niveau van SG respectievelijk minister (Concern control). De directie is belast met de algemene beleidsvorming en advisering over toezicht. De directie is tevens verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein arbeidszaken.

De directie Kennis adviseert gevraagd en ongevraagd de ambtelijke en politieke top en de beleidsdirecties bij beleidsvorming voor de domeinen kennis, strategie, data, informatisering, projectmatig en programmatisch werken.

Kennis maakt analyses en verkenningen, ontsluit nationaal en internationaal onderzoek, data, en beleidsinformatie. De directie verbindt strategische vragen met beleidsopgaven, en bevordert via de Projectenpool goed projectmatig en programmatisch werken binnen OCW. Bovendien is Kennis verantwoordelijk voor advies over en het opstellen van strategisch informatiebeleid en controleert op de naleving daarvan.

De CIO-office ondersteunt de directeur Kennis in zijn rol als CIO OCW.

De directie WJZ is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet- en regelgeving van OCW. Voorts is de directie WJZ verantwoordelijk voor de advisering op het terrein van bestuurlijke en juridische aangelegenheden, voor de toetsing van internationale- en EU-regelgeving alsmede beleid en regels waarvan de totstandkoming tot de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de andere directies behoort.

De beleidsdirecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie PO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het primair onderwijs. Tevens is zij verantwoordelijk voor het OCW-beleid t.a.v. burgerschap, het onderwijs in het buitenland en de departementale inbreng ten aanzien van het minderheden- en asielzoekersbeleid.

Het beleidsterrein van het primair onderwijs omvat de scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs, en voortgezet speciaal onderwijs.

De directie VO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor het voortgezet onderwijs. In samenhang daarmee ontwikkelt de directie beleidsvoorstellen op onderwijsinhoudelijk, financieel, bekostigingstechnisch, juridisch en personeels gebied. Tevens is zij verantwoordelijk voor de coördinatie van de inzet van het departement rond het jeugdbeleid voor de hele onderwijssector en meer in het bijzonder voor de operatie Jong en sport.

De directie is ten slotte verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling voor de onderwijsondersteuning en coördineert dit beleid voor de directies PO, VO en BVE.

Het beleidsterrein van het voortgezet onderwijs omvat de scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo), het hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo), praktijkonderwijs en de landelijke ondersteunende instellingen (landelijke pedagogische centra: APS, CPS en KPC-groep, alsmede CITO en SLO).

De programmadirectie MDT is opgericht naar aanleiding van het Regeerakkoord van het Kabinet Rutte IV waarbij het programma is overgegaan van VWS naar OCW. Het programma beoogt jongeren in staat te stellen een bijdrage te leveren aan de samenleving door het invoeren van een vrijwillige maatschappelijke diensttijd (van maximaal 6 maanden). Het programma realiseert onder meer beleid dat gericht is op het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid en maatschappelijke kansen van jongeren.

De beleidsdirecties van het DGHBWE hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie MBO is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, en coördineert het beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

De directie HO&S is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van hoger onderwijs, academische ziekenhuizen en studiefinanciering. De directie draagt zorg voor het hoger onderwijsstelsel en beheert wet- en regelgeving omtrent hoger onderwijs en studiefinanciering.

De directie OWB is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling ten aanzien van het publiek gefinancierde onderzoeksbestel en het bestuur van de door OCW gefinancierde onderzoeksorganisaties, de interdepartementale aangelegenheden op het gebied van het wetenschapsbeleid (inclusief de OCW inbreng in het Innovatieplatform en de CWTI), en het internationale wetenschaps- en technologiebeleid voor zover de minister van OCW daarvoor verantwoordelijk is. Ook is de directie beleidsmatig verantwoordelijk voor de Nederlandse Taal.

DE is verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling op het terrein van emancipatie ter bevordering van de integratie van het emancipatiebeleid in het rijksbrede regeringsbeleid. De directie draagt tevens zorg voor de ondersteuning van het emancipatieproces in de samenleving (emancipatie subsidiebeleid).

Doel is de verhoging van de arbeidsparticipatie van vrouwen, meer vrouwen in topposities van overheid, onderwijs en bedrijfsleven, terugdringen van beloningsverschillen, maatschappelijke participatie van vrouwen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, meer meisjes in bèta, bestrijden van geweld tegen meisjes en vrouwen, actieve aanpak van homodiscriminatie, bevorderen combinatie arbeid en zorg tussen 7 en 7 en bijdragen aan verbetering van de positie van meisjes en vrouwen in de wereld.

De beleidsdirecties van het DGCM hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De directie E&K is verantwoordelijk voor beleidsontwikkeling op het terrein van erfgoed en kunsten en voert beleid ten aanzien van instellingen waarmee een subsidierelatie wordt onderhouden. Het beleid omvat de volgende disciplines: monumentenzorg, archeologie, musea, beeldende kunst, dans, muziek, muziektheater en theater.

De directie M&C is verantwoordelijk voor het beleid op terrein van media, bibliotheken, archieven en creatieve industrie. Doel van de directie is het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-en informatieaanbod, dat toegankelijk is en blijft voor alle lagen van de bevolking. Daarnaast is de directie verantwoordelijk voor de ondersteuning van de ontwikkeling van de creatieve industrie via fondsen, kennisborging en netwerkvorming. M&C coördineert het topsectorenbeleid creatieve industrie in samenwerking met het ministerie van Economische Zaken.

De directie IB is verantwoordelijk voor de inbreng van Nederland overal waar onderwerpen op het terrein van OCW in internationale verbanden aan de orde zijn. Omgekeerd brengt de directie relevante informatie uit het buitenland op de tafel van betrokken directies binnen het ministerie – en via hen – van relevante delen van het onderwijs-, onderzoek- en cultuurveld.

De RCE voert, namens de minister, de wet- en regelgeving op het terrein van de erfgoedzorg uit en fungeert als kenniscentrum voor de instandhouding van het archeologische, gebouwde en cultuurlandschappelijke erfgoed van Nederland. De dienst is (mede) verantwoordelijk voor de beleidsontwikkeling en het uitvoeren van het beleid met betrekking tot het cultureel erfgoed en fungeert als kennisinstituut voor de bescherming van waardevolle sporen van menselijke bewoning.

De dienst is (mede)verantwoordelijk voor de ontwikkeling en uitvoering van het beleid voor roerend cultureel erfgoed en fungeert op dat terrein als kenniscentrum.

De dienst draagt in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zorg voor de kunstcollectie van het Rijk voor zover niet ondergebracht bij rijksmusea en streeft ernaar deze optimaal toegankelijk te maken.

De dienst ontwikkelt en verspreidt kennis die het beheer en behoud van de erfgoedcollectie ondersteunt en verbetert en die de betekenis daarvan duidt en kenbaar maakt.

DUO is de hoofduitvoerder van OCW en voert de volgende kerntaken uit:

Hiernaast voert DUO aanvullende werkzaamheden uit voor tweeden en derden. De omvang werken voor tweeden en derden wordt jaarlijks in de MA tussen SG en DG DUO overeengekomen. De basis voor afspraken hierover wordt gevormd door het kader ‘werken voor tweeden en derden’.

Voor de uitvoering van de activiteiten beschikt DG DUO over een eigen bedrijfsvoering binnen de OCW- en rijkskaders. DG DUO komt in afstemming met de MT OCW leden tot een ondernemingsplan. Dit plan wordt tweejaarlijks herijkt. Tevens brengt DUO een publicitair jaarverslag uit.

De inspecties hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden:

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft als taak toe te zien op de naleving van:

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed verleent vergunningen voor uitvoer van cultuurgoederen die uit de EU worden uitgevoerd (artikel 4.23 Erfgoedwet, Verordening (EG) 116/2009), en is aangewezen als centrale autoriteit in de zin van Richtlijn 2014/60/EU.

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed beschikt over een aantal inspecteurs dat is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar. Zij zijn op grond van artikel 8.4 van de Erfgoedwet belast met de opsporing van bepaalde strafbare feiten met betrekking tot cultureel erfgoed.

De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed voert haar toezichtstaken uit overeenkomstig de Aanwijzingen inzake de rijksinspecties. Zij informeert de beleidsonderdelen van het ministerie en uitvoeringsdiensten over de uitvoering van bestaande regels en de werking van beleid in de praktijk, en informeert de beleidsinhoudelijk verantwoordelijke minister, zo nodig rechtstreeks, over haar bevindingen, oordelen, adviezen en andere relevante gegevens.

Op grond van genoemde Aanwijzingen en artikel 25b, tweede lid, van de Archiefwet biedt de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed jaarlijks een verslag aan over de wijze waarop toezicht is gehouden en over de resultaten van het toezicht.

De inspectie heeft de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht. Voor alle onderwijssectoren geldt voorts dat de inspectie jaarlijks het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet, vaststelt.

Het NA voert de Archiefwet en het Archiefbesluit uit en functioneert als kenniscentrum op het gebied van digitalisering, conservering en beheer van archieven, als gedocumenteerde verschijningsvorm van het cultureel erfgoed.

Er zijn de volgende bureaus die onafhankelijke of zelfstandige organisaties ondersteunen:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.