Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 november 2008, nr. PG/ZP-2.892.655, houdende nieuwe eisen inzake de publieke gezondheid (Regeling publieke gezondheid)
In overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 22, vierde lid, 24, vijfde lid, 25, zesde en zevende lid, 26, tweede lid, 48, 57, derde en vierde lid, 58, eerste en derde lid, 63, derde lid, van de Wet publieke gezondheid;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. de wet: de Wet publieke gezondheid;
- b. zorginstelling: instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating zorginstellingen, die beschikt over een eigen of gecontracteerde hygiënische dienst.
Hoofdstuk II. Infectieziektebestrijding
§ 1. Meldingen
Artikel 2
Voor de meldingsplicht van de arts op grond van artikel 22, tweede lid, van de wet, gelden voor de hieronder genoemde infectieziekten de volgende voorwaarden:
- a. mpox, behorende tot groep B1, en pest, tuberculose en infectieziekten behorende tot groep B2 en groep C: de vaststelling wordt op normale werktijden binnen 24 uur gemeld,
- b. hepatitis B: de vaststelling van chronisch dragerschap wordt alleen gemeld als de infectie voor de eerste keer wordt vastgesteld,
- c. vervallen,
- d. mrsa-infectie: alleen de vaststelling van een cluster van een mrsa-infectie veroorzaakt door een bron buiten een zorginstelling wordt gemeld,
- e. pneumokokkenziekte: alleen de vaststelling bij personen die zijn geboren na maart 2006 of bij een persoon van 60 jaar of ouder wordt gemeld,
- f. dengue en chikungunya: alleen de vaststelling in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba wordt gemeld.
Voor de meldingsplicht van de arts op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet, geldt voor het Middle East respiratory syndrome coronavirus (MERS-CoV) het volgende: de meldingsplicht wordt beperkt tot de vaststelling van een infectie bij een persoon, die op grond van de ernst van dit ziektebeeld is opgenomen in een ziekenhuis, door de behandelend arts van het ziekenhuis.
Artikel 3
Voor de meldingsplicht van het hoofd van het laboratorium op grond van artikel 25, tweede lid, van de wet, gelden de volgende termijnen:
- a. de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep A wordt onverwijld gemeld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst;
- b. de vaststelling van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B1, met uitzondering van pest en tuberculose, wordt binnen 24 uur gemeld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst;
- c. de vaststelling van pest of tuberculose, alsmede van een verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B2 of C wordt op normale werktijden binnen 24 uur gemeld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
Artikel 4
De meldingsplicht van het hoofd van een instelling op grond van artikel 26, eerste lid, van de wet, wordt binnen normale werktijden zo spoedig mogelijk uitgevoerd.
Artikel 5
De gegevensverwerking bij de meldingen, bedoeld in de artikelen 21, 22 en 25, alsmede bij de aanvraag, bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet, voldoet aan de NEN 7510 norm voor informatiebeveiliging in de zorg.
§ 2. Plaatsen van binnenkomst
Artikel 6
Ter uitvoering van artikel 48 van de wet worden de volgende havens aangewezen:
- a. als behorende tot categorie A: de burgerhaven van de gemeente Rotterdam,
- b. als behorende tot categorie B: de burgerhavens van de gemeenten Amsterdam, Beverwijk, Den Helder, Delfzijl, Dordrecht, Eemsmond, Harlingen, Maassluis, Moerdijk, Schiedam, Terneuzen, Velsen, Vlaardingen, Vlissingen en Zaandam, alsmede Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Ter uitvoering van artikel 48 van de wet worden de volgende burgerluchthavens aangewezen:
- a. als behorende tot categorie A: de burgerluchthaven van de gemeente Haarlemmermeer (Schiphol),
- b. als behorende tot categorie B: de burgerluchthavens van de gemeenten Beek (Maastricht Aachen Airport), Eindhoven (Eindhoven Airport), Rotterdam (Rotterdam Airport) en Tynaarloo (Groningen Airport Eelde), alsmede Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 7
De burgemeesters van de gemeenten met de volgende burgerhavens zijn bevoegd tot afgifte van het certificaat van sanitaire controle van schepen en van het certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen: Amsterdam, Beverwijk, Den Helder, Delfzijl, Dordrecht, Eemsmond, Harlingen, Maassluis, Moerdijk, Rotterdam, Schiedam, Terneuzen, Velsen, Vlaardingen, Vlissingen en Zaandam, alsmede Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 8
Ter verkrijging van een certificaat van sanitaire controle van schepen of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen, worden de inspecties uitgevoerd conform de bijlage bij deze regeling.
Indien vanwege buitengewone omstandigheden in de haven geen certificaat als bedoeld in het eerste lid kan worden afgegeven, en het schip is voorzien van een nog geldig certificaat van sanitaire controle van schepen of certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen, kan de burgemeester dit certificaat met één maand verlengen.
Artikel 9
Het tarief voor het onderzoek ter verkrijging van een certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen of een certificaat van sanitaire controle van schepen als bedoeld in artikel 57 van de wet, bedraagt:
- a. € 122,63 per uur, indien het onderzoek plaatsvindt op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 uur en 20.00 uur,
- b. € 183,95 per uur, indien het onderzoek plaatsvindt op maandag tot en met vrijdag tussen 20.00 uur en 06.00 uur, alsmede op zaterdag,
- c. € 245,26 per uur, indien het onderzoek plaatsvindt op zondag.
Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, dat in rekening wordt gebracht, bedraagt niet meer dan:
- –. 4 uur bij schepen met minder dan 50 opvarenden, anders dan bemanningsleden,
- –. 8 uur bij schepen met 50–500 opvarenden, anders dan bemanningsleden,
- –. 12 uur bij schepen met 500 en meer opvarenden, anders dan bemanningsleden.
Het tarief voor het verlengen van het certificaat, bedoeld in artikel 8, tweede lid, bedraagt € 122,63.
De in het eerste lid genoemde bedragen worden vermeerderd met voorrijkosten van € 30,65 per kwartier.
§ 3. Certificaten van inenting
Artikel 10
Organisaties mogen tegen gele koorts inenten indien de organisatie een certificaat ter zake van de reizigersadvisering heeft van de Stichting Harmonisatie Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector, dan wel
- a. een arts in dienst heeft die eindverantwoordelijk is voor de vaccinaties en toeziet op de toediening van de entstof,
- b. ervoor zorgt dat degene die de indicatiestelling voor de vaccinaties verricht, beschikt over het certificaat reizigersgeneeskunde of het certificaat reizigersverpleegkundige van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of op aantoonbare wijze een kwalitatief vergelijkbaar niveau van opleiding op het terrein van reizigersgeneeskunde heeft gevolgd, en
- c. een abonnement heeft op de landelijke protocollen reizigersadvisering van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of een abonnement heeft op een kwalitatief vergelijkbare bron van informatie.
Huisartsen mogen tegen gele koorts inenten als zij:
- a. beschikken over het certificaat reizigersgeneeskunde of het certificaat reizigersgeneeskundig huisarts van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of op aantoonbare wijze een kwalitatief vergelijkbaar niveau van opleiding op het terrein van reizigersgeneeskunde hebben gevolgd, en
- b. een abonnement hebben op de landelijke protocollen reizigersadvisering van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of een abonnement hebben op een kwalitatief vergelijkbare bron van informatie.
Artikel 11
De organisaties en huisartsen, bedoeld in artikel 10, laten zich voorafgaande aan het uitvoeren van de inentingen tegen gele koorts registreren bij het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, postbus 1008, 1000 BA Amsterdam.
Artikel 12
De inenting van personen tegen gele koorts geschiedt uitsluitend met een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) goedgekeurde entstof.
Artikel 13
Het internationaal certificaat, bedoeld in artikel 36 van de Internationale Gezondheidsregeling, van inenting tegen gele koorts dient:
- a. te worden ondertekend door de huisarts of, indien het een organisatie betreft, door de eindverantwoordelijke arts, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, of door de verpleegkundige, die de indicatiestelling voor de vaccinatie heeft verricht, onder verantwoordelijkheid van deze arts,
- b. volledig te zijn ingevuld in de Engelse of Franse taal,
- c. te zijn voorzien van een stempel, waarvan de afdruk voldoet aan de volgende voorwaarden:
- –. de afdruk is cirkelvormig met een middellijn van 25 millimeter,
- –. in het midden bevindt zich het Nederlandse wapen met daaronder op de eerste regel het woord ‘NEDERLAND’, op de tweede regel het woord ‘VACCINATION’ en op de derde regel ter linkerzijde de afkorting ‘NR’, met ruimte voor cijfers,
- –. tussen de buitenste rand en hetgeen hiervóór is aangegeven, bevinden zich boven de horizontale middellijn van links naar rechts de woorden ‘STAATSTOEZICHT OP DE VOLKSGEZONDHEID’ en onder deze middellijn van links naar rechts de woorden ‘PUBLIC HEALTH SERVICE’,
- –. tussen de eerste ‘S’ van STAATSTOEZICHT en de ‘P’ van PUBLIC, alsmede tussen de laatste ‘D’ van VOLKSGEZONDHEID en de laatste ‘E’ van SERVICE bevindt zich een punt.
Artikel 14
Het tarief voor de vaccinaties ter verkrijging van een internationaal certificaat, bedoeld in artikel 36 van de Internationale Gezondheidsregeling, van inenting tegen gele koorts is niet meer dan kostendekkend.
Hoofdstuk III. Overige bepalingen
Artikel 15
Wijzigt de Regeling Geneesmiddelenwet.
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2008.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling publieke gezondheid.
Bijlage. ex artikel 8 van de Regeling publieke gezondheid
Programma van eisen sanitaire controle van schepen
Programma van eisen sanitaire controle van schepen
In dit document staan de WHO-normen1WHO Interim technical advice for inspection and issuance of ship sanitation certificates, August 2007.http://www.who.int/csr/ihr/travel/TechnAdvSSC.pdf waaraan wordt getoetst opdat voor een schip een certificaat van sanitaire controle of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle kan worden afgegeven.
In dit document staan de WHO-normen1WHO Interim technical advice for inspection and issuance of ship sanitation certificates, August 2007.http://www.who.int/csr/ihr/travel/TechnAdvSSC.pdf waaraan wordt getoetst opdat voor een schip een certificaat van sanitaire controle of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle kan worden afgegeven.
Per WHO-norm worden controlepunten aangegeven waaruit kan blijken dat men aan deze norm voldoet. Deze controlepunten vormen de leidraad voor een inspectie ten behoeve van het verkrijgen van een certificaat.
In de WHO-normen zijn extra eisen opgenomen voor ‘grote schepen’. Met ‘grote schepen’ wordt door de WHO bedoeld ‘passagiersschepen’.
2. Kombuis en voedselvoorziening
2. Kombuis en voedselvoorziening
2.1. Kennis van hygiëne en voedselveiligheid
De keukenmedewerkers die zich bezig houden met het bereiden van voedsel, zijn op de hoogte van de reinigingsprocedures, de bewaarnormen van levensmiddelen en de bereidingswijzen. Als voorbeeld weten de betrokken keukenmedewerkers de minimum en maximum temperaturen voor het bewaren en bereiden van levensmiddelen en zijn ze in staat om zodanig te werken dat ze kruisbesmettingen voorkomen.
WHO-norm 1.3
De keukenmedewerkers laten zien wanneer en op welke wijze de handen moeten worden gewassen en dat hun persoonlijke hygiëne aan de normen voldoet.
Controlepunten
Controlepunten
Aaanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De keukenmedewerkers zijn in het bezit van de benodigde opleidingscertificaten verkregen bij een relevante opleiding voor het behandelen en het bereiding van voedsel. Het kennisniveau wordt bijgehouden en indien bijscholing vereist is, zal deze worden gevolgd. Hiervan worden registraties bijgehouden.
Controlepunten
Controlepunten
2.2. Ontvangst van voedsel
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Voedsel zal worden verkregen van bronnen aan de wal die door de lokale overheid daarvoor als geschikt worden bevonden. De producten dienen schoon, onbeschadigd en vrij van bederf te zijn en mogen niet op andere manieren een gevaar voor de gezondheid van de bemanning en of passagiers vormen. Rauwe producten en ingrediënten worden niet geaccepteerd aan boord wanneer bekend is dat deze parasieten, ongewenste micro-organismen, pesticiden, veterinaire contaminanten bevatten of zijn bedorven. Ook worden producten niet geaccepteerd als deze vreemde substanties bevatten die niet tot een acceptabel niveau zijn terug te brengen door normaal te sorteren of te verwerken. Waar toepasbaar zullen specificaties voor ontvangst worden opgesteld en gebruikt. Er wordt gewerkt volgens het first in, first out (FIFO) principe zodat de voorraad rouleert door oude producten eerder te gebruiken dan de nieuwe voorraad.
Controlepunten
Controlepunten
2.3. Opslag en bereiding
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Er worden registraties bijgehouden van de bewaartemperaturen.
WHO-norm 1.3.5
Levensmiddelen worden betrokken van veilige bronnen en worden op de juiste wijze opgeslagen, bereid en geserveerd.
Controlepunten
Controlepunten
2.4. Serveren
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’.
Levensmiddelen, verpakt of onverpakt, die uitgeserveerd worden in een buffet, een service-line of in een saladebar, dienen op een zodanige geschikte wijze te worden gepresenteerd dat er geen kans op besmetting van de medewerkers of de passagiers kan ontstaan.
WHO-norm 1.4.2
Zelfbedieningsbuffetten en salade bars waar niet verpakte producten ter consumptie worden aangeboden, zijn voorzien van serveergereedschap en uitgiftemethoden die de besmetting van levensmiddelen en dranken voorkomen.
WHO-norm 1.4.3
Levensmiddelen moeten tijdens opslag en transport worden beschermd tegen vervuiling door zeewater, lenswater, afvalwater, hydraulische vloeistoffen en brandstof.
WHO-norm 1.4.4
In een buffet of serveerruimte moeten warme levensmiddelen warm worden gehouden en koude producten gekoeld worden uitgegeven.
Controlepunten
Controlepunten
2.5. Handenwasgelegenheid
Er is minimaal één plaats toegewezen als handenwasgelegenheid en deze plek is uitgerust met wegwerphanddoeken/handblowers, een zeepdispenser en een afvalbak.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De kombuis/keuken en andere ruimten waar levensmiddelen worden voorbereid en verwerkt, zijn uitgerust met een gemakkelijk te bereiken wasbak die is aangewezen als handenwasgelegenheid. Deze handenwasgelegenheid is uitgerust met wegwerphanddoeken, zeep en een afvalbak.
WHO-norm 1.3.7
De handenwasgelegenheid is alleen en te allen tijde voor dit doel te gebruiken.
Controlepunten
Controlepunten
2.6. Schoonmaak, onderhoud en afval
Er is een schoonmaakschema aanwezig en er wordt periodiek onderhoud gepleegd. Dit geldt voor de inrichting, de installatie, de apparatuur en het materiaal dat wordt gebruikt voor de voedselbereiding.
WHO-norm 1.5
Alle gebruiksmiddelen zoals potten, pannen en materialen die in contact komen met voedsel, zijn voldoende schoon, gereinigd en zo nodig gedesinfecteerd.
WHO-norm 1.6
Er blijven geen voedselresten achter die plaagdieren aantrekken.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Er zijn geschreven schoonmaakschema’s en onderhoudsrichtlijnen voor elke kritieke ruimte in de kombuis/keuken die bij kan dragen aan de besmetting van levensmiddelen aan boord.
Controlepunten
Controlepunten
2.7. Bouw en inrichting
De kombuis/keuken is zo ingericht dat plaagdieren zich niet kunnen verschuilen.
WHO-norm 1.13
Alle ruimten waarin de bereiding van voedsel plaatsvindt, zijn gemaakt van ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak dat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt voor plaagdieren om een schuilplek te vormen.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Alle oppervlakken, materialen en inrichtingen zijn geschikt voor hun doel. Dit betekent dat ze niet vochtdoorlatend zijn, gemakkelijk kunnen worden gereinigd, goed af zijn te sluiten en beschermen tegen het binnendringen van plaagdieren.
Controlepunten
Controlepunten
2.8. Persoonlijke hygiëne
De voedselbereidingruimte is alleen bestemd voor voedselbereidingswerkzaamheden.
Controlepunten
Controlepunten
2.9. Drinkwater
Er is voldoende warm en koud water beschikbaar van drinkwaterkwaliteit. Dit is te allen tijde te gebruiken voor de bereiding van levensmiddelen.
Controlepunten
Controlepunten
2.10. Ventilatie- en afzuigvoorzieningen
Er zijn ventilatie- en afzuigvoorzieningen aanwezig. Deze moeten voldoende capaciteit hebben voor de aanwezige apparatuur en het aantal keukenmedewerkers.
Controlepunten
Controlepunten
2.11. Verlichting
Er is voldoende licht aanwezig.
Controlepunten
Controlepunten
3. Pantry en opslag
3.1. Bouwtechnische staat
De opslagruimten voor voedsel zijn gemaakt van een ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak wat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt om een schuilplaats voor plaagdieren te vormen.
Controlepunten
Controlepunten
3.2. Opslag van voedsel
Voedsel wordt bewaard op voldoende hoogte boven de vloer/dek (minimaal ongeveer 15 cm) en zodanig dat er geen water kan binnendringen en geen verontreiniging kan optreden.
WHO-norm 2.4
Het aanwezige voedsel is veilig voor consumptie en zonder versnijding/bijmengingen (met chemische of andere stoffen) en is verkregen van bronnen die voldoen aan de geldende wet- en regelgeving van de regio of het land van herkomst.
WHO-norm 2.5
Het systeem van opslag voorkomt verontreiniging van voedsel met vreemde voorwerpen, stof, schadelijke dampen, ongewenste chemicaliën en voorkomt kruisbesmetting tussen levensmiddelen.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De koel- en vriesruimten zijn geschikt om de gekoelde en of bevroren producten op de voorgeschreven temperatuur te houden. Temperaturen worden gecontroleerd en hiervan worden registraties bijgehouden.
WHO-norm 1.2.2
Chemische of giftige materialen worden gescheiden en veilig opgeslagen en zodanig dat deze niet in contact kunnen komen met levensmiddelen.
WHO-norm 1.2.3
Levensmiddelen worden opgeslagen op een daarvoor bestemde veilige plaats en afgeschermd tegen mogelijke besmetting en verontreiniging.
WHO-norm 1.2.4
Levensmiddelen worden opgeslagen in een schone, droge ruimte en worden niet blootgesteld aan water van buitenaf, stof of andere verontreinigingen op minimaal ongeveer 15 cm boven de vloer/dek.
Controlepunten
Controlepunten
3.3. Temperatuur
Voedsel wordt niet voor een langere periode blootgesteld aan de omgevingstemperatuur. Voorbeelden van aanbevolen bewaartemperaturen van bederfelijke producten zijn:
WHO-norm 2.3.1
Voedsel wordt zonodig warm bewaard met behulp van warmhoudapparatuur bij een temperatuur van tenminste 60 °C (145 °F) en wordt zolang als nodig op die temperatuur gehouden.
WHO-norm 2.3.2
Bederfelijke producten en dranken worden normaal koud bewaard op een temperatuur die lager is dan 4 °C (40 °F) behalve tijdens de bereiding of voor het opdienen onmiddellijk na de bereiding. Wanneer voedsel voor een langere periode wordt bewaard, dan wordt aanbevolen om dit te doen bij een temperatuur van 4 °C (40 °F). Groenten en fruit worden bewaard in een koele ruimte. De ideale bewaartermperaturen zijn voor vlees en vis tussen de 0 °C en de 3 °C (32–37 °F), voor zuivel en zuivelproducten 4 °C (40 °F) en voor fruit en groenten tussen de 7 °C en de 10 °C (45–50 °F). Om praktische redenen mogen vanwege beperkte koelcapaciteit, vlees en vleesproducten, vis en visproducten, eieren en eiproducten, zuivel en zuivelproducten opgeslagen worden bij < 5 °C (41 °F) en groente en fruit bij < 10 °C (50 °F)
WHO-norm 2.3.3
Diepvriesproducten worden bewaard bij een temperatuur lager dan –12 °C (10 °F).
Controlepunten
Controlepunten
4. Vrachtruim
4.1. Vrachtruim
Het vrachtruim, en zeker die bestemd is voor de opslag van consumptiegoederen, zijn afgeschermd tegen het binnendringen van water, plaagdieren, vectoren of andere verontreiniging of besmetting. In geval van een lading van consumptiegoederen wordt toezicht gehouden op de lading op sporen van plaagdieren of een tekenen van verontreiniging of bederf.
Controlepunten
Controlepunten
4.2. Ruim tijdens inspectie
Het ruim dient normaliter leeg te zijn bij een inspectie. Aanwezig ballastwater en materiaal in het ruim is van dien aard of zodanig opgeslagen, dat een grondige inspectie niet wordt verhinderd.
Controlepunten
Controlepunten
5. Verblijven van bemanning en officieren
5.1. Inrichtingseisen bemanningsverblijven
De bemanningsverblijven moeten zijn ingericht overeenkomstig de geldende ILO-conventie. De bemanningsverblijven mogen geen schuilplaats bieden aan plaagdieren en de ruimten moeten schoon zijn en voldoende verlicht.
Controlepunten
Controlepunten
6. Drinkwater
6.1. Bouw en materialen
Alle tanks, slangen, kleppen en apparatuur bedoeld voor het gebruik van drinkwater worden niet voor andere doeleinden gebruikt en zijn duidelijk gemarkeerd met de tekst ‘alleen bestemd voor drinkwater’. Het coderen van de leidingen met een kleur is toegestaan.
Controlepunten
Controlepunten
6.2. Drinkwatertanks
De drinkwatertanks delen geen gemeenschappelijke wand met de romp van het schip of met tanks en leidingen die voor andere doeleinden dan drinkwater worden gebruikt.
WHO-norm 5.3
Drinkwatertanks moeten geconstrueerd zijn met materialen die geen verontreiniging afgeven aan het water in de tank.
WHO-norm 5.4
Drinkwatertanks zijn zo geplaatst in een ruimte in een schip dat er geen verontreiniging kan plaatsvinden door vuil, plaagdieren, excessieve opwarming of andere contaminanten.
WHO-norm 5.5
De drinkwatertanks zijn toegankelijk voor inspectie, onderhoud en reiniging en moeten zijn uitgerust met een aparte aftapmogelijkheid.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Drinkwater wordt opgeslagen in tanks die zodanig zijn geconstrueerd en gelokaliseerd dat deze zijn beschermd tegen vervuiling van buitenaf.
WHO-norm 2.2.2
De behandeling van water aan boord gebeurt zodanig dat het ingenomen water voldoet aan de eisen voor drinkwater overeenkomstig de Guidelines for drinking-water quality 2004 (WHO 2004)4Guidelines for drinking-water quality 2004 (WHO 2004)http://www.who.int/water_sanitation_health/dwq/gdwq3rev/en/ of enige relevante lokale wetgeving. Wanneer het water gechloreerd wordt, moet de contacttijd voldoende lang zijn en moet er een meetbare hoeveelheid vrij chloor overblijven in de te vullen tank.
WHO-norm 2.2.3
Er wordt voorkomen dat drinkwater, dat via leidingen uit de tanks naar de technische installaties gaat, terug kan stromen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van onder andere terugslagkleppen.
WHO-norm 2.2.4
Drinkwatertanks delen geen gemeenschappelijke wand met de romp of met andere opslagtanks (anders dan drinkwatertanks).
WHO-norm 2.2.5
Er lopen geen leidingen door de drinkwateropslag die bedoeld zijn voor andere producten dan drinkwater.
Controlepunten
Controlepunten
6.3. Drinkwatersysteem
Drinkwatersystemen zijn uitgerust met een chloreer-/halogenatiesysteem of andere mogelijkheden om adequaat microbiële verontreiniging te verwijderen of af te doden en verontreiniging te verwijderen.
WHO-norm 5.7
Bij de inname van drinkwater moeten testrapporten van de drinkwaterkwaliteit opgevraagd worden bij de havenautoriteit. De waterkwaliteit aan boord moet regelmatig bemonsterd worden. Wanneer de kwaliteit van het ingenomen water niet door de autoriteiten kan worden gegarandeerd, volstaat het gebruik van een eigen test-kit aan boord van het schip mits deze voldoet aan de Standaardmethodes voor het Onderzoek van Water.
WHO-norm 5.8
Drinkwatersystemen zijn uitgerust met een systeem dat de terugstroom van water voorkomt.
Controlepunten
Controlepunten
6.4. Drinkwaterkwaliteit
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De drinkwaterkwaliteit van een bron aan land wordt beoordeeld voor het wordt ingenomen. Hierbij wordt minimaal de registraties van de kwaliteitscontrole gecontroleerd. De haven en de lokale autoriteiten onderzoeken of het drinkwater voldoet aan de minimale veiligheidseisen. Onderzoek van de drinkwaterkwaliteit maakt deel uit van de drinkwaterbehandeling routine aan boord van het schip.
WHO-norm 2.1.2
Schepen die aan boord het water zuiveren met behulp van verdampers of een omgekeerde osmose installatie, gebruiken deze niet in vervuilde gebieden, in havens of als ze voor anker liggen.
WHO-norm 2.1.3
Schepen nemen geen drinkwater aan uit voertuigen of schepen die voor meerdere doeleinden gebruikt worden dan als het vervoer van water alleen. Voor de inname van drinkwater wordt gebruik gemaakt van leveranciers die door de lokale autoriteiten daarvoor zijn aangewezen. De watermanagement procedures aan boord van een leverend schip verzekeren dat de ontvangst, verwerking, opslag en aflevering onder zulke sanitaire voorwaarden gebeuren, dat de veiligheid van het drinkwater kan worden gegarandeerd.
WHO-norm 2.1.4
(Vul)slangen die gebruikt worden voor het transport van drinkwater zijn zodanig ontworpen dat deze niet voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt.
Controlepunten
Controlepunten
7. Riolering
7.1. Rioleringsysteem
De riolering is solide, lekdicht en geïsoleerd van andere systemen om kruisbesmetting te voorkomen. De tanks dienen voldoende capaciteit te hebben om te voorkomen dat deze over kunnen lopen. Installaties voor de behandeling van het afvalwater, dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Er mag niet geloosd worden in gebieden waar dit niet is toegestaan (havens) en er mag geen afvalwater als lenswater in het ruim terecht kunnen komen.
Controlepunten
Controlepunten
Schepen vervoeren per jaar miljoenen tonnen ballastwater over de wereld. Ballastwater is essentieel om bij onbeladen schepen de schroef onder water te houden en tevens voldoende stabiliteit en dus de veiligheid te waarborgen. Het innemen, transporteren en weer lozen van ballastwater leidt tot het (ongewenst) vermengen van water uit verschillende regio’s van de wereld. Behalve een veilige vaart van het schip zorgt het lozen van ballastwater op een andere plaats dan waar het verkregen is voor milieu- en economische problemen:
Schepen vervoeren per jaar miljoenen tonnen ballastwater over de wereld. Ballastwater is essentieel om bij onbeladen schepen de schroef onder water te houden en tevens voldoende stabiliteit en dus de veiligheid te waarborgen. Het innemen, transporteren en weer lozen van ballastwater leidt tot het (ongewenst) vermengen van water uit verschillende regio’s van de wereld. Behalve een veilige vaart van het schip zorgt het lozen van ballastwater op een andere plaats dan waar het verkregen is voor milieu- en economische problemen:
8.1. Ballastwaterkleppen
8.1. Ballastwaterkleppen
De afsluiters van de ballastwatertanks in de haven zijn in de ‘off’ stand ter voorkoming van onbedoelde lozing. De verantwoordelijke havenautoriteit kan toestemming verlenen tot een lozing van ballastwater nadat er een risico inventarisatie is gemaakt en er gewerkt wordt overeenkomstig de eisen van de IHR en de International Convention on Control and Management of Ship Ballast Water and Sediments7International Convention on Control and Management of Ship Ballast Water and Sedimentshttp://www.imo.org/Conventions/mainframe.asp?topic_id=867.
Controlepunten
Controlepunten
9. Afval
9.1. Afvalruimten
De opslagruimten voor vast afval en voedselafval zijn ontoegankelijk voor plaagdieren.
Controlepunten
Controlepunten
9.2. Medisch afval
Er is een beschermde opslagmogelijkheid voor infectieus medisch afval.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Het (medisch) afval wordt opgeslagen in ruimten die alleen voor dat doel zijn aangewezen, ingericht en duidelijk gemarkeerd.
Controlepunten
Controlepunten
9.3. Verwijderen afval
Vast afval, voedselresten en medisch afval worden verwijderd overeenkomstig de geldende internationale en nationale regelgeving en verordeningen.
Controlepunten
Controlepunten
9.4. Afvalplan
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De eisen betreffende het bewaren en het verwijderen van het afval van boord zijn schriftelijk vastgelegd in de bedrijfsregels en procedures welke zijn opgenomen in een afvalbeheersplan. Dit afvalbeheersplan is afgestemd op de lokale regelgeving en protocollen voor de verwerking van afval die van kracht zijn in de te bezoeken havens.
WHO-norm 3.3
Voor de verwijdering van het afval worden contracten afgesloten met voor dit doel door de havenautoriteit goedgekeurde bedrijven of agenturen.
Controlepunten
Controlepunten
10. Stilstaand water
10.1. Plaatsen stilstaand water
In stilstaand water kunnen zich larven ophouden. Dergelijk stilstaand water mag niet aanwezig zijn aan boord. De ruimten in en rond de reddingsboten, de spuigaten, de goten, de gangboorden en de luchtzuiveringsinstallatie moeten geïnspecteerd worden op stilstaand water wanneer deze niet in gebruik zijn.
Controlepunten
Controlepunten
11. Machinekamer
11.1. Ruimte machinekamer
De machinekamer, de motorafdekking en isolatiemateriaal zijn vrij van plaagdieren.
Controlepunten
Controlepunten
12. Medische voorzieningen
12.1. Medische ruimten en faciliteiten
Ruimten die bedoeld zijn voor het onderzoek en de behandeling van zieke bemanningsleden zijn gescheiden van andere bemanningsactiviteiten. De ruimten zijn goed verlicht, schoon en bieden privacy. De onderzoek/behandelruimte is goed onderhouden en uitgerust met een drinkwatervoorziening en handenwasgelegenheid. Er worden registraties bijgehouden van medische handelingen. Medisch (scherp) afval wordt veilig ontdaan. Wanneer er geen gekwalificeerd medisch personeel (artsen en verpleegkundigen) aan boord is, zijn er gebruikshandleidingen van medische voorzieningen aanwezig en zijn er ook procedures aanwezig om extern medisch advies aan te vragen wanneer zich een medisch urgent probleem en/of een ziekte uitbraak voordoet aan boord.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De medische voorzieningen en apparatuur aan boord dienen in een goede staat te verkeren en worden onder hygiënische omstandigheden bewaard. Het onderhoud vindt plaats zoals is voorgeschreven door de fabrikant.
WHO-norm 5.2.4
In de behandelruimte zijn voldoende geschikte handenwasgelegenheden aanwezig.
Controlepunten
Controlepunten
12.2. Uitvoering medische handelingen
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Bevoegd en bekwaam medische personeel (artsen/verpleegkundigen) of andere bemanningsleden die aangewezen zijn voor deze werkzaamheden zijn getraind in het verlenen van eerste hulp.
Controlepunten
Controlepunten
12.3. Medicijnen
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Medicatie wordt alleen aan passagiers of de bemanning verstrekt door getraind en bevoegd en bekwaam personeel. Er worden registraties bijgehouden van het gebruik van medicijnen.
Controlepunten
Controlepunten
12.4. Registratie ziekte
Ziekte onder de bemanningsleden wordt geregistreerd.
Controlepunten
Controlepunten
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Er wordt een gestructureerd, leesbaar en actueel logboek bijgehouden en dit is te raadplegen en te gebruiken in de behandelruimten. In het logboek wordt bijgehouden welke ziekte bij wie (passagiers/bemanning) is geconstateerd en behandeld en welke medicatie is verstrekt. Registraties in het logboek bevatten minimaal:
WHO-norm 5.2.3
Het medisch logboek is in te zien tijdens inspecties.
Controlepunten
Controlepunten
12.5 Infectieziekten
De keukenmedewerkers vertonen geen symptomen van besmettelijke ziekten zoals geelzucht, braken, diarree, misselijkheid, koorts, zichtbare infectieuze huidaandoeningen of zweren of uitvloed uit neus, ogen of oren.
Controlepunten
Controlepunten
12.6. Vertrouwelijke behandeling van persoonsgegevens
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
De persoonlijke medische informatie betreffende de gezondheid van passagiers, bemanningsleden en anderen wordt vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving.
Controlepunten
Controlepunten
13. Zwembaden en spa’s in passagiersschepen
13.1. Technische eisen
Zwembaden en sauna’s voldoen aan de eisen die zijn omschreven in de WHO richtlijnen over Safe Recreational Water Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar Recreational Water Environments – WHO 200410Safe Recreational Water Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar Recreational Water Environments WHO 2004http://www.who.int/water_sanitation_health/bathing/bathing2/en/.
Controlepunten
Controlepunten
13.2. Watervoorziening
Zwembaden en spa’s worden gevuld met zeewater of drinkwater waarbij de aanvoerleiding een luchtslot of terugslagklep heeft of een vergelijkbaar systeem om terugstroom te voorkomen.
WHO-norm 4.3
Het zwemwater in zwembaden en whirlpools dient voor gebruik eerst een desinfectieproces te ondergaan zodat microbiële verontreiniging wordt verwijderd of geïnactiveerd. Dit kan chemisch (chloor) of fysisch (U.V./filtratie) gebeuren. Desinfectie is niet nodig indien het zwembad of de whirlpool voorzien is van een zodanig goed functionerende doorstroomvoorziening met zeewater, dat er geen reëel risico op besmetting van gebruikers is.
WHO-norm 4.4
Er worden geschreven of elektronische registraties bijgehouden van het onderhoud, het desinfectieproces en het gebruik van de zwembaden en spa’s. Dit gebeurt volgens aanwijzing van de fabrikant.
Controlepunten
Controlepunten
14. Overige beheerspunten
14.1. Transport (huis)dieren
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Er moeten (hygiëne)regels gesteld zijn en hygiënemaatregelen genomen zijn met betrekking tot eventuele dieren aan boord en hun ontlasting en overig afval.
Controlepunten
Controlepunten
14.2. Incident fecesvervuiling
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Op passagiersschepen dient overwogen te worden om een procedure te hebben waarin de te nemen maatregelen beschreven staan in geval van een incident met fecesvervuiling.
Controlepunten
Controlepunten
14.3. Dierplaagbeheersing
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
Er moeten maatregelen van kracht zijn (overeenkomstig de IHR 2005) om de passagiersverblijven op alle praktische uitvoerbare manieren permanent vrij te houden van bronnen van besmetting of verontreiniging. Dit gebeurt door vectoren en plaagdieren te weren en mogelijke broed- of schuilplaatsen voor vectoren en plaagdieren te voorkomen.
Controlepunten
Controlepunten
15. Begrippen
Ballastwater is water wat wordt ingenomen om het schip de juiste stabiliteit en trim te geven voor een veilige vaart. Ballastwater is vaak troebel water en bevat meestal allerlei micro-organismen. Er dient van uit gegaan te worden dat ballastwater ook ziekmakende micro-organismen bevat.
Bemanningsleden
Persoon die deel uit maakt van de bemanning.
BRT
Brutotonnage. De inhoud van een schip in gewichtstonnen.
Geautoriseerd personeel
Medewerkers die toestemming hebben gekregen tot een bepaalde taak of ruimte. Bijvoorbeeld: keukenmedewerkers zijn geautoriseerd om de kombuis/keuken te betreden tijdens werkzaamheden met voeding.
HACCP
HACCP staat voor Hazard Analysis Critical Control Points. Een HACCP-systeem is een voedselveiligheidssysteem waarin de risico’s op besmetting van het voedsel middels normen en controles tot een minimum worden gebracht.
ILO
International Labour Organisation (internationale arbeidsorganisatie van de VN).
IPM
IPM is gebaseerd op de internationale principes van het Integrated Pest Management. Het heeft als doel het duurzaam voorkomen van plaagdieren in productieprocessen, (groot)keukens, horeca en overige ruimten waar voedsel verbruikt en/of genuttigd wordt. IPM is gericht op een grondige inspectie van de omgeving, het uitvoeren van een maximaal maatregelenpakket om plaagdieren te weren en eventueel toepassing van alternatieve bestrijdingsmethodes. Chemische bestrijdingsmiddelen worden alleen als laatste hulpmiddel en zeer beperkt ingezet.
Kombuis
De kookplaats op een schip.
Lenswater
Water dat door lekkage of uit de ketels in het ruim is gelopen.
Luchtslot
Luchtsluis; dubbele luchtdichte sluis. Een luchtslot werkt hetzelfde als een schutsluis in een kanaal.
Medisch afval
Medisch afval kan worden verdeeld in twee categorieën: risicohoudend en niet-risicohoudend medisch afval. Voorbeelden van risicohoudend afval zijn al het afval met bloed, alle scherpe voorwerpen (naalden, mesjes, etc.) en anatomisch afval. Deze categorie dient verplicht te worden opgehaald door een gespecialiseerd en erkend bedrijf. Voorbeelden van niet-risicohoudend medisch afval: verbanden (ook in geval van geringe bevuiling met bloed e.d.), disposables, onderleggers, spuiten zonder naald en sondes. Dit afval mag tezamen met gewoon huishoudelijk afval worden verpakt in de gewone huisvuilzak en verwijderd worden.
Onderhoudsplan
Een plan waarin is omschreven welke onderdelen van de kombuis/keuken op welk moment worden nagekeken en/of worden vervangen.
Opvarenden
Alle aanwezige personen op een schip.
Passagiersschip
Een schip ingericht voor meer dan 12 opvarenden anders dan bemanningsleden.
Plaagdieren
Dieren die voor overlast kunnen zorgen zoals insecten of knaagdieren. De meest voorkomende plaagdieren zijn ratten, muizen, kakkerlakken, duiven, bedwantsen, wespen, muggen/muskieten en andere stekende insecten.
Vectoren
Vectoren zijn dieren die op zichzelf geen plaagdier hoeven te zijn, maar wel (andere) plaagdieren of ziekmakende micro-organismen bij zich kunnen dragen en over kunnen brengen.
Voedselcontactplaatsen
Plaatsen in de keuken die in aanraking komen met voedsel. Voorbeelden van voedselcontactplaatsen zijn werkbanken en keukenapparatuur.
Vrachtschip
Een vrachtschip is een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen. Vrachtschepen zijn te verdelen in schepen voor rivieren en binnenwateren en schepen voor de zeevaart.
WHO
De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties gevestigd in Genève met als doel wereldwijde aspecten van de gezondheidszorg in kaart te brengen, activiteiten op het gebied van de gezondheidszorg te coördineren en de gezondheid van de wereldbevolking te bevorderen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3a
Vervallen
§ 2. Plaatsen van binnenkomst
§ 3. Certificaten van inenting
Hoofdstuk III. Overige bepalingen
Bijlage. ex artikel 8 van de Regeling publieke gezondheid
1. Inleiding
De definitie van een passagiersschip is ‘een schip ingericht voor meer dan 12 opvarenden anders dan bemanningsleden’. In dit programma van eisen zijn de extra normen voor deze passagiersschepen aangegeven via een kader om de tekst.
WHO-norm 1.2
De keukenmedewerkers die zich bezig houden met het bereiden van voedsel, zijn op de hoogte van de reinigingsprocedures, de bewaarnormen van levensmiddelen en de bereidingswijzen. Als voorbeeld weten de betrokken keukenmedewerkers de minimum en maximum temperaturen voor het bewaren en bereiden van levensmiddelen en zijn ze in staat om zodanig te werken dat ze kruisbesmettingen voorkomen.
WHO-norm 1.3
De keukenmedewerkers laten zien wanneer en op welke wijze de handen moeten worden gewassen en dat hun persoonlijke hygiëne aan de normen voldoet.
WHO-norm 1.3.2
De keukenmedewerkers zijn in het bezit van de benodigde opleidingscertificaten verkregen bij een relevante opleiding voor het behandelen en het bereiding van voedsel. Het kennisniveau wordt bijgehouden en indien bijscholing vereist is, zal deze worden gevolgd. Hiervan worden registraties bijgehouden.
WHO-norm 1.1
Voedsel zal worden verkregen van bronnen aan de wal die door de lokale overheid daarvoor als geschikt worden bevonden. De producten dienen schoon, onbeschadigd en vrij van bederf te zijn en mogen niet op andere manieren een gevaar voor de gezondheid van de bemanning en of passagiers vormen. Rauwe producten en ingrediënten worden niet geaccepteerd aan boord wanneer bekend is dat deze parasieten, ongewenste micro-organismen, pesticiden, veterinaire contaminanten bevatten of zijn bedorven. Ook worden producten niet geaccepteerd als deze vreemde substanties bevatten die niet tot een acceptabel niveau zijn terug te brengen door normaal te sorteren of te verwerken. Waar toepasbaar zullen specificaties voor ontvangst worden opgesteld en gebruikt. Er wordt gewerkt volgens het first in, first out (FIFO) principe zodat de voorraad rouleert door oude producten eerder te gebruiken dan de nieuwe voorraad.
WHO-norm 1.3.3
Er worden registraties bijgehouden van de bewaartemperaturen.
WHO-norm 1.3.5
Levensmiddelen worden betrokken van veilige bronnen en worden op de juiste wijze opgeslagen, bereid en geserveerd.
WHO-norm 1.4.1
Levensmiddelen, verpakt of onverpakt, die uitgeserveerd worden in een buffet, een service-line of in een saladebar, dienen op een zodanige geschikte wijze te worden gepresenteerd dat er geen kans op besmetting van de medewerkers of de passagiers kan ontstaan.
WHO-norm 1.4.2
Zelfbedieningsbuffetten en salade bars waar niet verpakte producten ter consumptie worden aangeboden, zijn voorzien van serveergereedschap en uitgiftemethoden die de besmetting van levensmiddelen en dranken voorkomen.
WHO-norm 1.4.3
Levensmiddelen moeten tijdens opslag en transport worden beschermd tegen vervuiling door zeewater, lenswater, afvalwater, hydraulische vloeistoffen en brandstof.
WHO-norm 1.4.4
In een buffet of serveerruimte moeten warme levensmiddelen warm worden gehouden en koude producten gekoeld worden uitgegeven.
WHO-norm 1.4
Er is minimaal één plaats toegewezen als handenwasgelegenheid en deze plek is uitgerust met wegwerphanddoeken/handblowers, een zeepdispenser en een afvalbak.
WHO-norm 1.3.6
De kombuis/keuken en andere ruimten waar levensmiddelen worden voorbereid en verwerkt, zijn uitgerust met een gemakkelijk te bereiken wasbak die is aangewezen als handenwasgelegenheid. Deze handenwasgelegenheid is uitgerust met wegwerphanddoeken, zeep en een afvalbak.
WHO-norm 1.3.7
De handenwasgelegenheid is alleen en te allen tijde voor dit doel te gebruiken.
WHO-norm 1.1
Er is een schoonmaakschema aanwezig en er wordt periodiek onderhoud gepleegd. Dit geldt voor de inrichting, de installatie, de apparatuur en het materiaal dat wordt gebruikt voor de voedselbereiding.
WHO-norm 1.5
Alle gebruiksmiddelen zoals potten, pannen en materialen die in contact komen met voedsel, zijn voldoende schoon, gereinigd en zo nodig gedesinfecteerd.
WHO-norm 1.6
Er blijven geen voedselresten achter die plaagdieren aantrekken.
WHO-norm 1.3.1
Er zijn geschreven schoonmaakschema’s en onderhoudsrichtlijnen voor elke kritieke ruimte in de kombuis/keuken die bij kan dragen aan de besmetting van levensmiddelen aan boord.
WHO-norm 1.7
De kombuis/keuken is zo ingericht dat plaagdieren zich niet kunnen verschuilen.
WHO-norm 1.13
Alle ruimten waarin de bereiding van voedsel plaatsvindt, zijn gemaakt van ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak dat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt voor plaagdieren om een schuilplek te vormen.
WHO-norm 1.3.4
Alle oppervlakken, materialen en inrichtingen zijn geschikt voor hun doel. Dit betekent dat ze niet vochtdoorlatend zijn, gemakkelijk kunnen worden gereinigd, goed af zijn te sluiten en beschermen tegen het binnendringen van plaagdieren.
WHO-norm 1.8
De voedselbereidingruimte is alleen bestemd voor voedselbereidingswerkzaamheden.
WHO-norm 1.9
Er is voldoende warm en koud water beschikbaar van drinkwaterkwaliteit. Dit is te allen tijde te gebruiken voor de bereiding van levensmiddelen.
WHO-norm 1.11
Er zijn ventilatie- en afzuigvoorzieningen aanwezig. Deze moeten voldoende capaciteit hebben voor de aanwezige apparatuur en het aantal keukenmedewerkers.
WHO-norm 1.12
Er is voldoende licht aanwezig.
WHO-norm 2.1
De opslagruimten voor voedsel zijn gemaakt van een ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak wat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt om een schuilplaats voor plaagdieren te vormen.
WHO-norm 2.2
Voedsel wordt bewaard op voldoende hoogte boven de vloer/dek (minimaal ongeveer 15 cm) en zodanig dat er geen water kan binnendringen en geen verontreiniging kan optreden.
WHO-norm 2.4
Het aanwezige voedsel is veilig voor consumptie en zonder versnijding/bijmengingen (met chemische of andere stoffen) en is verkregen van bronnen die voldoen aan de geldende wet- en regelgeving van de regio of het land van herkomst.
WHO-norm 2.5
Het systeem van opslag voorkomt verontreiniging van voedsel met vreemde voorwerpen, stof, schadelijke dampen, ongewenste chemicaliën en voorkomt kruisbesmetting tussen levensmiddelen.
WHO-norm 1.2.1
De koel- en vriesruimten zijn geschikt om de gekoelde en of bevroren producten op de voorgeschreven temperatuur te houden. Temperaturen worden gecontroleerd en hiervan worden registraties bijgehouden.
WHO-norm 1.2.2
Chemische of giftige materialen worden gescheiden en veilig opgeslagen en zodanig dat deze niet in contact kunnen komen met levensmiddelen.
WHO-norm 1.2.3
Levensmiddelen worden opgeslagen op een daarvoor bestemde veilige plaats en afgeschermd tegen mogelijke besmetting en verontreiniging.
WHO-norm 1.2.4
Levensmiddelen worden opgeslagen in een schone, droge ruimte en worden niet blootgesteld aan water van buitenaf, stof of andere verontreinigingen op minimaal ongeveer 15 cm boven de vloer/dek.
WHO-norm 2.3
Voedsel wordt niet voor een langere periode blootgesteld aan de omgevingstemperatuur. Voorbeelden van aanbevolen bewaartemperaturen van bederfelijke producten zijn:
WHO-norm 2.3.1
Voedsel wordt zonodig warm bewaard met behulp van warmhoudapparatuur bij een temperatuur van tenminste 60 °C (145 °F) en wordt zolang als nodig op die temperatuur gehouden.
WHO-norm 2.3.2
Bederfelijke producten en dranken worden normaal koud bewaard op een temperatuur die lager is dan 4 °C (40 °F) behalve tijdens de bereiding of voor het opdienen onmiddellijk na de bereiding. Wanneer voedsel voor een langere periode wordt bewaard, dan wordt aanbevolen om dit te doen bij een temperatuur van 4 °C (40 °F). Groenten en fruit worden bewaard in een koele ruimte. De ideale bewaartermperaturen zijn voor vlees en vis tussen de 0 °C en de 3 °C (32–37 °F), voor zuivel en zuivelproducten 4 °C (40 °F) en voor fruit en groenten tussen de 7 °C en de 10 °C (45–50 °F). Om praktische redenen mogen vanwege beperkte koelcapaciteit, vlees en vleesproducten, vis en visproducten, eieren en eiproducten, zuivel en zuivelproducten opgeslagen worden bij < 5 °C (41 °F) en groente en fruit bij < 10 °C (50 °F)
WHO-norm 2.3.3
Diepvriesproducten worden bewaard bij een temperatuur lager dan –12 °C (10 °F).
WHO-norm 3.1
Het vrachtruim, en zeker die bestemd is voor de opslag van consumptiegoederen, zijn afgeschermd tegen het binnendringen van water, plaagdieren, vectoren of andere verontreiniging of besmetting. In geval van een lading van consumptiegoederen wordt toezicht gehouden op de lading op sporen van plaagdieren of een tekenen van verontreiniging of bederf.
WHO-norm 3.2
Het ruim dient normaliter leeg te zijn bij een inspectie. Aanwezig ballastwater en materiaal in het ruim is van dien aard of zodanig opgeslagen, dat een grondige inspectie niet wordt verhinderd.
WHO-norm 4.1
De bemanningsverblijven moeten zijn ingericht overeenkomstig de geldende ILO-conventie. De bemanningsverblijven mogen geen schuilplaats bieden aan plaagdieren en de ruimten moeten schoon zijn en voldoende verlicht.
WHO-norm 5.1
Alle tanks, slangen, kleppen en apparatuur bedoeld voor het gebruik van drinkwater worden niet voor andere doeleinden gebruikt en zijn duidelijk gemarkeerd met de tekst ‘alleen bestemd voor drinkwater’. Het coderen van de leidingen met een kleur is toegestaan.
WHO-norm 5.2
De drinkwatertanks delen geen gemeenschappelijke wand met de romp van het schip of met tanks en leidingen die voor andere doeleinden dan drinkwater worden gebruikt.
WHO-norm 5.3
Drinkwatertanks moeten geconstrueerd zijn met materialen die geen verontreiniging afgeven aan het water in de tank.
WHO-norm 5.4
Drinkwatertanks zijn zo geplaatst in een ruimte in een schip dat er geen verontreiniging kan plaatsvinden door vuil, plaagdieren, excessieve opwarming of andere contaminanten.
WHO-norm 5.5
De drinkwatertanks zijn toegankelijk voor inspectie, onderhoud en reiniging en moeten zijn uitgerust met een aparte aftapmogelijkheid.
WHO-norm 2.2.1
Drinkwater wordt opgeslagen in tanks die zodanig zijn geconstrueerd en gelokaliseerd dat deze zijn beschermd tegen vervuiling van buitenaf.
WHO-norm 2.2.2
De behandeling van water aan boord gebeurt zodanig dat het ingenomen water voldoet aan de eisen voor drinkwater overeenkomstig de Guidelines for drinking-water quality 2004 (WHO 2004)4Guidelines for drinking-water quality 2004 (WHO 2004)http://www.who.int/water_sanitation_health/dwq/gdwq3rev/en/ of enige relevante lokale wetgeving. Wanneer het water gechloreerd wordt, moet de contacttijd voldoende lang zijn en moet er een meetbare hoeveelheid vrij chloor overblijven in de te vullen tank.
WHO-norm 2.2.3
Er wordt voorkomen dat drinkwater, dat via leidingen uit de tanks naar de technische installaties gaat, terug kan stromen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van onder andere terugslagkleppen.
WHO-norm 2.2.4
Drinkwatertanks delen geen gemeenschappelijke wand met de romp of met andere opslagtanks (anders dan drinkwatertanks).
WHO-norm 2.2.5
Er lopen geen leidingen door de drinkwateropslag die bedoeld zijn voor andere producten dan drinkwater.
WHO-norm 5.6
Drinkwatersystemen zijn uitgerust met een chloreer-/halogenatiesysteem of andere mogelijkheden om adequaat microbiële verontreiniging te verwijderen of af te doden en verontreiniging te verwijderen.
WHO-norm 5.7
Bij de inname van drinkwater moeten testrapporten van de drinkwaterkwaliteit opgevraagd worden bij de havenautoriteit. De waterkwaliteit aan boord moet regelmatig bemonsterd worden. Wanneer de kwaliteit van het ingenomen water niet door de autoriteiten kan worden gegarandeerd, volstaat het gebruik van een eigen test-kit aan boord van het schip mits deze voldoet aan de Standaardmethodes voor het Onderzoek van Water.
WHO-norm 5.8
Drinkwatersystemen zijn uitgerust met een systeem dat de terugstroom van water voorkomt.
WHO-norm 2.1.1
De drinkwaterkwaliteit van een bron aan land wordt beoordeeld voor het wordt ingenomen. Hierbij wordt minimaal de registraties van de kwaliteitscontrole gecontroleerd. De haven en de lokale autoriteiten onderzoeken of het drinkwater voldoet aan de minimale veiligheidseisen. Onderzoek van de drinkwaterkwaliteit maakt deel uit van de drinkwaterbehandeling routine aan boord van het schip.
WHO-norm 2.1.2
Schepen die aan boord het water zuiveren met behulp van verdampers of een omgekeerde osmose installatie, gebruiken deze niet in vervuilde gebieden, in havens of als ze voor anker liggen.
WHO-norm 2.1.3
Schepen nemen geen drinkwater aan uit voertuigen of schepen die voor meerdere doeleinden gebruikt worden dan als het vervoer van water alleen. Voor de inname van drinkwater wordt gebruik gemaakt van leveranciers die door de lokale autoriteiten daarvoor zijn aangewezen. De watermanagement procedures aan boord van een leverend schip verzekeren dat de ontvangst, verwerking, opslag en aflevering onder zulke sanitaire voorwaarden gebeuren, dat de veiligheid van het drinkwater kan worden gegarandeerd.
WHO-norm 2.1.4
(Vul)slangen die gebruikt worden voor het transport van drinkwater zijn zodanig ontworpen dat deze niet voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt.
WHO-norm 6.1
De riolering is solide, lekdicht en geïsoleerd van andere systemen om kruisbesmetting te voorkomen. De tanks dienen voldoende capaciteit te hebben om te voorkomen dat deze over kunnen lopen. Installaties voor de behandeling van het afvalwater, dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Er mag niet geloosd worden in gebieden waar dit niet is toegestaan (havens) en er mag geen afvalwater als lenswater in het ruim terecht kunnen komen.
8. Ballasttanks
Ballastwater bevat micro-organismen en pathogenen (kiemen) die, indien zij in een andere dan de eigen habitat worden geloosd, veel schade aanrichten in een ander ecosysteem dan waar zij thuishoren. Via pathogene micro-organismen in ballastwater kunnen infectieziekten verspreid worden.
WHO-norm 7.1
De afsluiters van de ballastwatertanks in de haven zijn in de ‘off’ stand ter voorkoming van onbedoelde lozing. De verantwoordelijke havenautoriteit kan toestemming verlenen tot een lozing van ballastwater nadat er een risico inventarisatie is gemaakt en er gewerkt wordt overeenkomstig de eisen van de IHR en de International Convention on Control and Management of Ship Ballast Water and Sediments7International Convention on Control and Management of Ship Ballast Water and Sedimentshttp://www.imo.org/Conventions/mainframe.asp?topic_id=867.
WHO-norm 8.1
De opslagruimten voor vast afval en voedselafval zijn ontoegankelijk voor plaagdieren.
WHO-norm 8.2
Er is een beschermde opslagmogelijkheid voor infectieus medisch afval.
WHO-norm 3.1
Het (medisch) afval wordt opgeslagen in ruimten die alleen voor dat doel zijn aangewezen, ingericht en duidelijk gemarkeerd.
WHO-norm 8.3
Vast afval, voedselresten en medisch afval worden verwijderd overeenkomstig de geldende internationale en nationale regelgeving en verordeningen.
WHO-norm 3.2
De eisen betreffende het bewaren en het verwijderen van het afval van boord zijn schriftelijk vastgelegd in de bedrijfsregels en procedures welke zijn opgenomen in een afvalbeheersplan. Dit afvalbeheersplan is afgestemd op de lokale regelgeving en protocollen voor de verwerking van afval die van kracht zijn in de te bezoeken havens.
WHO-norm 3.3
Voor de verwijdering van het afval worden contracten afgesloten met voor dit doel door de havenautoriteit goedgekeurde bedrijven of agenturen.
WHO-norm 9.1
In stilstaand water kunnen zich larven ophouden. Dergelijk stilstaand water mag niet aanwezig zijn aan boord. De ruimten in en rond de reddingsboten, de spuigaten, de goten, de gangboorden en de luchtzuiveringsinstallatie moeten geïnspecteerd worden op stilstaand water wanneer deze niet in gebruik zijn.
WHO-norm 10.1
De machinekamer, de motorafdekking en isolatiemateriaal zijn vrij van plaagdieren.
WHO-norm 11.1
Ruimten die bedoeld zijn voor het onderzoek en de behandeling van zieke bemanningsleden zijn gescheiden van andere bemanningsactiviteiten. De ruimten zijn goed verlicht, schoon en bieden privacy. De onderzoek/behandelruimte is goed onderhouden en uitgerust met een drinkwatervoorziening en handenwasgelegenheid. Er worden registraties bijgehouden van medische handelingen. Medisch (scherp) afval wordt veilig ontdaan. Wanneer er geen gekwalificeerd medisch personeel (artsen en verpleegkundigen) aan boord is, zijn er gebruikshandleidingen van medische voorzieningen aanwezig en zijn er ook procedures aanwezig om extern medisch advies aan te vragen wanneer zich een medisch urgent probleem en/of een ziekte uitbraak voordoet aan boord.
WHO-norm 5.1.2
De medische voorzieningen en apparatuur aan boord dienen in een goede staat te verkeren en worden onder hygiënische omstandigheden bewaard. Het onderhoud vindt plaats zoals is voorgeschreven door de fabrikant.
WHO-norm 5.2.4
In de behandelruimte zijn voldoende geschikte handenwasgelegenheden aanwezig.
WHO-norm 5.2.1
Bevoegd en bekwaam medische personeel (artsen/verpleegkundigen) of andere bemanningsleden die aangewezen zijn voor deze werkzaamheden zijn getraind in het verlenen van eerste hulp.
WHO-norm 5.3.1
Medicatie wordt alleen aan passagiers of de bemanning verstrekt door getraind en bevoegd en bekwaam personeel. Er worden registraties bijgehouden van het gebruik van medicijnen.
WHO-norm 4.2
Ziekte onder de bemanningsleden wordt geregistreerd.
WHO-norm 5.2.2
Er wordt een gestructureerd, leesbaar en actueel logboek bijgehouden en dit is te raadplegen en te gebruiken in de behandelruimten. In het logboek wordt bijgehouden welke ziekte bij wie (passagiers/bemanning) is geconstateerd en behandeld en welke medicatie is verstrekt. Registraties in het logboek bevatten minimaal:
WHO-norm 5.2.3
Het medisch logboek is in te zien tijdens inspecties.
WHO-norm 1.10
De keukenmedewerkers vertonen geen symptomen van besmettelijke ziekten zoals geelzucht, braken, diarree, misselijkheid, koorts, zichtbare infectieuze huidaandoeningen of zweren of uitvloed uit neus, ogen of oren.
WHO-norm 5.4.1
De persoonlijke medische informatie betreffende de gezondheid van passagiers, bemanningsleden en anderen wordt vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving.
WHO-norm 4.1
Zwembaden en sauna’s voldoen aan de eisen die zijn omschreven in de WHO richtlijnen over Safe Recreational Water Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar Recreational Water Environments – WHO 200410Safe Recreational Water Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar Recreational Water Environments WHO 2004http://www.who.int/water_sanitation_health/bathing/bathing2/en/.
WHO-norm 4.2
Zwembaden en spa’s worden gevuld met zeewater of drinkwater waarbij de aanvoerleiding een luchtslot of terugslagklep heeft of een vergelijkbaar systeem om terugstroom te voorkomen.
WHO-norm 4.3
Het zwemwater in zwembaden en whirlpools dient voor gebruik eerst een desinfectieproces te ondergaan zodat microbiële verontreiniging wordt verwijderd of geïnactiveerd. Dit kan chemisch (chloor) of fysisch (U.V./filtratie) gebeuren. Desinfectie is niet nodig indien het zwembad of de whirlpool voorzien is van een zodanig goed functionerende doorstroomvoorziening met zeewater, dat er geen reëel risico op besmetting van gebruikers is.
WHO-norm 4.4
Er worden geschreven of elektronische registraties bijgehouden van het onderhoud, het desinfectieproces en het gebruik van de zwembaden en spa’s. Dit gebeurt volgens aanwijzing van de fabrikant.
WHO-norm 6.1
Er moeten (hygiëne)regels gesteld zijn en hygiënemaatregelen genomen zijn met betrekking tot eventuele dieren aan boord en hun ontlasting en overig afval.
WHO-norm 6.2
Op passagiersschepen dient overwogen te worden om een procedure te hebben waarin de te nemen maatregelen beschreven staan in geval van een incident met fecesvervuiling.
WHO-norm 6.3
Er moeten maatregelen van kracht zijn (overeenkomstig de IHR 2005) om de passagiersverblijven op alle praktische uitvoerbare manieren permanent vrij te houden van bronnen van besmetting of verontreiniging. Dit gebeurt door vectoren en plaagdieren te weren en mogelijke broed- of schuilplaatsen voor vectoren en plaagdieren te voorkomen.
Ballastwater
Ballastwater is water wat wordt ingenomen om het schip de juiste stabiliteit en trim te geven voor een veilige vaart. Ballastwater is vaak troebel water en bevat meestal allerlei micro-organismen. Er dient van uit gegaan te worden dat ballastwater ook ziekmakende micro-organismen bevat.
Bemanningsleden
Persoon die deel uit maakt van de bemanning.
BRT
Brutotonnage. De inhoud van een schip in gewichtstonnen.
Geautoriseerd personeel
Medewerkers die toestemming hebben gekregen tot een bepaalde taak of ruimte. Bijvoorbeeld: keukenmedewerkers zijn geautoriseerd om de kombuis/keuken te betreden tijdens werkzaamheden met voeding.
HACCP
HACCP staat voor Hazard Analysis Critical Control Points. Een HACCP-systeem is een voedselveiligheidssysteem waarin de risico’s op besmetting van het voedsel middels normen en controles tot een minimum worden gebracht.
ILO
International Labour Organisation (internationale arbeidsorganisatie van de VN).
IPM
IPM is gebaseerd op de internationale principes van het Integrated Pest Management. Het heeft als doel het duurzaam voorkomen van plaagdieren in productieprocessen, (groot)keukens, horeca en overige ruimten waar voedsel verbruikt en/of genuttigd wordt. IPM is gericht op een grondige inspectie van de omgeving, het uitvoeren van een maximaal maatregelenpakket om plaagdieren te weren en eventueel toepassing van alternatieve bestrijdingsmethodes. Chemische bestrijdingsmiddelen worden alleen als laatste hulpmiddel en zeer beperkt ingezet.
Kombuis
De kookplaats op een schip.
Lenswater
Water dat door lekkage of uit de ketels in het ruim is gelopen.
Luchtslot
Luchtsluis; dubbele luchtdichte sluis. Een luchtslot werkt hetzelfde als een schutsluis in een kanaal.
Medisch afval
Medisch afval kan worden verdeeld in twee categorieën: risicohoudend en niet-risicohoudend medisch afval. Voorbeelden van risicohoudend afval zijn al het afval met bloed, alle scherpe voorwerpen (naalden, mesjes, etc.) en anatomisch afval. Deze categorie dient verplicht te worden opgehaald door een gespecialiseerd en erkend bedrijf. Voorbeelden van niet-risicohoudend medisch afval: verbanden (ook in geval van geringe bevuiling met bloed e.d.), disposables, onderleggers, spuiten zonder naald en sondes. Dit afval mag tezamen met gewoon huishoudelijk afval worden verpakt in de gewone huisvuilzak en verwijderd worden.
Onderhoudsplan
Een plan waarin is omschreven welke onderdelen van de kombuis/keuken op welk moment worden nagekeken en/of worden vervangen.
Opvarenden
Alle aanwezige personen op een schip.
Passagiersschip
Een schip ingericht voor meer dan 12 opvarenden anders dan bemanningsleden.
Plaagdieren
Dieren die voor overlast kunnen zorgen zoals insecten of knaagdieren. De meest voorkomende plaagdieren zijn ratten, muizen, kakkerlakken, duiven, bedwantsen, wespen, muggen/muskieten en andere stekende insecten.
Vectoren
Vectoren zijn dieren die op zichzelf geen plaagdier hoeven te zijn, maar wel (andere) plaagdieren of ziekmakende micro-organismen bij zich kunnen dragen en over kunnen brengen.
Voedselcontactplaatsen
Plaatsen in de keuken die in aanraking komen met voedsel. Voorbeelden van voedselcontactplaatsen zijn werkbanken en keukenapparatuur.
Vrachtschip
Een vrachtschip is een schip dat uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen. Vrachtschepen zijn te verdelen in schepen voor rivieren en binnenwateren en schepen voor de zeevaart.
WHO
De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties gevestigd in Genève met als doel wereldwijde aspecten van de gezondheidszorg in kaart te brengen, activiteiten op het gebied van de gezondheidszorg te coördineren en de gezondheid van de wereldbevolking te bevorderen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.