Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)
Artikel 2.135
Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, gebruiken de NPO, de RPO en de publieke media-instellingen al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht.
De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, al hun inkomsten voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht gebruiken, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.
Artikel 2.136
Omroeporganisaties die een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 hebben verkregen, kunnen netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten en, tot ten hoogste een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bedrag en volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels uit programmabladen gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten.
Verenigingsactiviteiten zijn activiteiten die:
- a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de vereniging en haar organen;
- b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende vereniging om de band met en tussen de leden te versterken; of
- c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de vereniging.
Onder verenigingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid worden ook verstaan activiteiten van een stichting die samenwerkingsomroep is en die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, heeft verkregen, en welke activiteiten:
- a. redelijkerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de stichting en haar organen;
- b. gebruikelijk zijn in een actief functionerende stichting om de band met en tussen de contribuanten te versterken; of
- c. in de vorm van evenementen ondersteunend zijn aan het uitdragen van de missie van de stichting.
De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, netto inkomsten uit contributies en verenigingsactiviteiten gebruiken voor eigen verenigingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid, voor zover de omroepverenigingen van die bevoegdheid gebruik maken.
Artikel 2.137
Het is omroepverenigingen niet toegestaan in het kader van ledenwerving op geld waardeerbare voordelen aan leden te verstrekken.
Onverminderd het eerste lid kan het Commissariaat regels stellen over het verstrekken van op geld waardeerbare voordelen aan leden en over activiteiten in het kader van ledenwerving. De regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt de regels in acht nemen.
Artikel 2.138
Als een omroeporganisatie voornemens is na afloop van de periode waarvoor een erkenning of een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23 is verleend een commerciële omroepdienst te verzorgen of een belang te verwerven in een commerciële media-instelling, meldt zij dit aan het Commissariaat.
Na de melding kan de omroeporganisatie in het laatste jaar van de erkenningperiode activiteiten verrichten die noodzakelijk zijn om te zorgen dat zij of de rechtspersoon waarin zij een belang verwerft na afloop van de erkenningperiode een commerciële omroepdienst kan verzorgen.
Tijdens de periode dat een omroeporganisatie activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, is artikel 2.33, eerste lid, niet van toepassing en wordt zij beschouwd als omroeporganisatie.
Artikel 2.139
De landelijke publieke media-instellingen stellen de volgende gegevens van hun programma-aanbod ter beschikking van de NPO: per programma de titel, een korte omschrijving, de naam van de landelijke publieke media-instelling die het programma verzorgt, het programmakanaal waarop het programma wordt verspreid, de datum en het tijdstip van verspreiding, en de classificatie, bedoeld in artikel 4.2.
De landelijke publieke media-instellingen aanvaarden dat de NPO de gegevens voor vermenigvuldiging en openbaarmaking aan het publiek via gedrukte of elektronische programmagidsen ter beschikking stelt aan de omroeporganisaties en tegen een marktconforme vergoeding aan andere afnemers die daarom verzoeken.
De landelijke publieke media-instellingen stellen de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tijdig ter beschikking van de NPO. De NPO stelt die gegevens ten minste zes weken voorafgaand aan de verspreiding van het desbetreffende programma-aanbod ter beschikking van de omroeporganisaties en van de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid.
De NPO sluit met de andere afnemers, bedoeld in het tweede lid, een overeenkomst met betrekking tot de beschikbaarstelling van de gegevens. De overeenkomst bepaalt in elk geval dat de gegevens niet worden gewijzigd, en bevat overigens geen bepalingen of voorwaarden die de terbeschikkingstelling van de gegevens hinderen.
Het bedrag van de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, is voor zover het betreft afnemers die programmagidsen binnen Nederland uitbrengen:
- a. voor gedrukte programmagidsen: € 0,0195 voor elk afgezet exemplaar van een gedrukte programmagids;
- b. voor elektronische programmagidsen die door middel van technische voorzieningen die de ontvangst van televisieprogramma’s op digitale wijze mogelijk maken, gevoed of verspreid worden: per maand per huishouden € 0,006 voor elke zodanige technische voorziening; en
- c. voor overige elektronische programmagidsen: per jaar € 2.500 per elektronische programmagids.
Het Commissariaat kan bij regeling andere bedragen dan de bedragen, bedoeld in het vijfde lid, vaststellen, als de resultaten van zijn tweejaarlijks onderzoek naar de marktprijs van de vergoedingen daartoe aanleiding geven. Het Commissariaat maakt de resultaten van het onderzoek en de wijze van berekening van de marktprijs van de vergoedingen bekend.
Artikel 2.140
Vervallen
Artikel 2.141
De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zijn met al hun activiteiten niet dienstbaar aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.
De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, met al hun activiteiten niet dienstbaar zijn aan het maken van winst door derden en tonen dat desgevraagd naar genoegen van het Commissariaat aan.
Artikel 2.142
De NPO, de RPO en de publieke media-instellingen zorgen er voor dat leden van hun organen, werknemers en andere personen of rechtspersonen waarmee een overeenkomst is gesloten met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht, voor zichzelf of voor anderen geen op geld waardeerbaar voordeel van derden bedingen of aanvaarden dat direct of indirect verband houdt met werkzaamheden van de betrokkene voor de instelling, tenzij het daartoe bevoegde orgaan van de instelling daarvoor toestemming heeft gegeven.
Toestemming wordt alleen gegeven als de betrokkene aannemelijk maakt dat het voordeel niet is bedoeld als tegenprestatie voor het door hem in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de instelling bevoordelen van derden.
Een persoon of rechtspersoon die een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, wordt ten opzichte van degenen die in zijn dienst werken niet aangemerkt als een derde.
De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste tot en met derde lid handelen.
Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak
Afdeling 2.5.6. Nevenactiviteiten en overige bepalingen
Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Artikel 2.147
De NPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de landelijke publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.
De begroting bevat in elk geval:
- a. een beschrijving van de wijze waarop door de NPO en de landelijke publieke media-instellingen invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
- b. een overzicht van aard en aantal van de aanbodkanalen;
- c. de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de landelijke publieke mediadienst te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;
- d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en
- e. een beschrijving van de samenwerking met de regionale en lokale publieke media-instellingen en anderen.
De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:
- a. de financiële middelen voor de verzorging van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen;
- b. de eigen inkomsten van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod;
- c. de financiële middelen voor het verspreiden van het media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen; en
- d. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO.
Artikel 2.148
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.
Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.
De NPO maakt de begroting openbaar.
Paragraaf 2.5.4.3. Films
Artikel 2.149
Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december met inachtneming van artikel 2.148a de budgetten van de landelijke publieke mediadienst voor het komende jaar vast voor:
- a. de verzorging van het media-aanbod van de omroeporganisaties die een erkenning als bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, hebben verkregen, gezamenlijk;
- b. de verzorging van het media-aanbod van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen, gezamenlijk;
- c. de verzorging van het media-aanbod van de NOS;
- d. de verzorging van het media-aanbod van de NTR;
- e. de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de NPO; en
- f. de versterking van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst.
Onze Minister stelt de budgetten vast op tachtig procent van de overeenkomstige budgetten van het voorgaande jaar als de NPO de begroting niet volgens de daarvoor geldende regels heeft ingediend.
Artikel 2.150
Het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel f, bedraagt vijftig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen a en b, en dertig procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen c en d.
Onder versterking van het media-aanbod wordt verstaan stimulering van de verzorging van media-aanbod en samenwerking ter bevordering van de pluriformiteit van het media-aanbod.
Het budget komt geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS en de NTR.
Het media-aanbod, bedoeld in artikel 2.54, tweede lid, komt ten laste van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onder f.
Artikel 2.151
Onze Minister stelt de budgetten door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur.
De budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdelen e en f, besteedt de raad van bestuur aan de daar genoemde doelen.
Artikel 2.152
De raad van bestuur verdeelt het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder a, over de omroeporganisaties met een erkenning, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, zodanig dat elke omroeporganisatie een bedrag ontvangt dat gelijk is aan de som van de bedragen die worden toegerekend aan de organisaties waaruit de omroeporganisatie is samengesteld.
De organisaties waaruit een omroeporganisatie kan zijn samengesteld zijn:
- a. een samenwerkingsomroep als bedoeld in artikel 2.24a;
- b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 2.24;
- c. een omroepvereniging met een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid.
Bepalend voor de indeling, bedoeld in het tweede lid, is de organisatie waarvan sprake was bij aanvang van de erkenningperiode met begindatum 1 januari 2016, met dien verstande dat:
- a. een omroepvereniging die op dat moment was vertegenwoordigd in een samenwerkingsomroep voor de indeling niet afzonderlijk in aanmerking wordt genomen; en
- b. met een samenwerkingsomroep gelijk wordt gesteld een omroepvereniging die op 1 januari 2016 was gevormd uit twee of meer omroepverenigingen die afzonderlijk een erkenning hadden bij aanvang van de daaraan voorafgaande erkenningperiode.
Voor indeling bij het tweede lid, onder c, geldt ook een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, in een erkenningperiode later dan die, bedoeld in het derde lid, maar eerder dan de erkenningperiode waarin het jaar valt waarop op de budgetverdeling betrekking heeft.
De bedragen die worden toegerekend aan de organisaties, bedoeld in het tweede lid, onder respectievelijk a, b en c, verhouden zich tot elkaar als 3: 2: 1.
Artikel 2.153
Vervallen
Artikel 2.154
De raad van bestuur kan ten hoogste vijftien procent van het voor een instelling vastgestelde bedrag inhouden als:
- a. de desbetreffende instelling inbreuk heeft gemaakt op bindende besluiten van de raad van bestuur; of
- b. een omroeporganisatie naar de mening van de raad van bestuur onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst.
Ingehouden bedragen worden toegevoegd aan het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, aanhef en onder f.
Artikel 2.155
De raad van bestuur beslist jaarlijks vóór 1 januari over de verdeling van de budgetten.
Artikel 2.156
Vervallen
Artikel 2.157
De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels. De NTR en de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 2.26, eerste lid, onderdeel f, ontvangen tevens de bedragen ten beheer die zijn gemoeid met de bevoorschotting van de omroepverenigingen die een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, hebben verkregen.
Als een instelling zijn jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede lid, niet tijdig indient:
- a. verzoekt het Commissariaat de raad van bestuur de bevoorschotting met twintig procent te verminderen; en
- b. kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting verder te verminderen of te beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.
Als een instelling haar gelden in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet uitgeeft, kan het Commissariaat de raad van bestuur verzoeken de bevoorschotting te verminderen of te beëindigen.
De raad van bestuur voldoet meteen aan verzoeken als bedoeld in het tweede en derde lid.
Paragraaf 2.5.4.3. Films
Artikel 2.158
Vervallen
Artikel 2.159
Vervallen
Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep
Paragraaf 2.6.3.1. Begroting
Artikel 2.160
Vervallen
Artikel 2.161
Vervallen
Artikel 2.162
Vervallen
Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie
Artikel 2.163
Vervallen
Artikel 2.164
Vervallen
Artikel 2.165
Vervallen
Afdeling 2.6.3. Bekostiging Wereldomroep
Artikel 2.166
Onze Minister kan uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster een algemene mediareserve vormen die bestemd is voor:
- a. de opvang van dalende inkomsten van de Ster;
- b. bijdragen in reorganisatiekosten als gevolg van overheidsbesluiten; en
- c. de financiering van de door het Commissariaat aan te houden rekening-courantverhouding voor de betalingen ter uitvoering van deze wet.
Het Commissariaat beheert de algemene mediareserve.
Artikel 2.167
Onze Minister kan, voor zover dat de financiering van de rekening-courantverhouding niet in gevaar brengt, uit de algemene mediareserve gelden ter beschikking stellen ten behoeve van:
- a. de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen;
- b. het overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.146, onder l, het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, bedoeld in artikel 8.1, en de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie;
- c. het Commissariaat.
Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de NPO en de landelijke publieke media-instellingen door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking aan de raad van bestuur. Voor de landelijke publieke media-instellingen is artikel 2.152a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister stelt gelden ten behoeve van de RPO, de regionale publieke media-instellingen en de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, door tussenkomst van het Commissariaat aan hen ter beschikking.
Artikel 2.168
Renteopbrengsten uit het beheer van de algemene mediareserve zijn bestemd voor door Onze Minister te bepalen mediadoeleinden in brede zin.
Onze Minister kan uit de renteopbrengsten gelden ter beschikking stellen aan:
- a. de NPO, de RPO en de landelijke en regionale publieke media-instellingen;
- b. het overlegorgaan van lokale publieke media-instellingen, bedoeld in artikel 2.146, onder l, het Stimuleringsfonds voor de journalistiek, bedoeld in artikel 8.1, en de door hem aangewezen instellingen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie;
- c. het Commissariaat.
Artikel 2.167, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.169
Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden op grond van de artikelen 2.167 en 2.168 voorschriften verbinden.
De voorschriften hebben geen betrekking op de specifieke inhoud van media-aanbod.
Onze Minister kan een besluit tot het ter beschikking stellen van gelden intrekken of wijzigen, als de voorschriften niet worden nageleefd.
Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale publieke mediadiensten
Artikel 2.170
Onze Minister stelt jaarlijks vóór 1 december het totaalbudget vast dat voor het volgend jaar beschikbaar is voor de bekostiging van de regionale publieke mediadiensten. Onze Minister stelt het totaalbudget ter beschikking aan het Commissariaat.
Het Commissariaat kan op aanvraag van regionale publieke media-instellingen uit het budget, bedoeld in het eerste lid, een bijdrage verstrekken in de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van regionale publieke mediadiensten, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt. Het Commissariaat beslist jaarlijks vóór 1 januari op een aanvraag.
Aan de verstrekking van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden geen voorwaarden verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van een begroting die is afgestemd op de begroting, bedoeld in artikel 2.169a, eerste lid, voor dezelfde periode.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de verdeling van het totaalbudget over de regionale publieke media-instellingen;
- b. de inhoud, de inrichting en het tijdstip van indiening van een aanvraag; en
- c. de inhoud en de inrichting van de begroting.
Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begrotingen van de regionale publieke media-instellingen aan Onze Minister.
De regionale publieke media-instellingen besteden de ontvangen bedragen aan de verzorging van publieke mediadiensten op regionaal niveau.
De regionale publieke media-instellingen ontvangen voorschotten volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.
Als een regionale publieke media-instelling haar jaarrekening, bedoeld in artikel 2.173a, tweede lid, niet tijdig indient:
- a. vermindert het Commissariaat de bevoorschotting met twintig procent; en
- b. kan het Commissariaat de bevoorschotting verder verminderen of beëindigen wanneer ondanks herhaalde aanmaningen van het Commissariaat de instelling in gebreke blijft met het indienen van de jaarrekening.
Als een instelling voorschotten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet gebruikt, kan het Commissariaat de bevoorschotting verminderen of beëindigen.
Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke publieke mediadienst en Wereldomroep
Paragraaf 2.6.2.3. Gelden voor bijzondere doelen
Artikel 2.171
Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster.
De landelijke publieke media-instellingen en de Ster zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat en sturen gelijktijdig een afschrift daarvan aan de raad van bestuur. De NPO, de landelijke publieke media-instellingen en de Ster nemen in het bestuursverslag, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.34i, 2.40 en 2.103, in samenhang met de artikelen 48 en 300 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek een samengevatte jaarrekening op.
De raad van bestuur zendt vóór 1 juli de jaarrekening van de NPO aan het Commissariaat.
Artikel 2.172
Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekeningen, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening. Op deze rekening zijn de bepalingen over de winst- en verliesrekening zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Bepalingen over winst en verlies zijn zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
Het boekjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de jaarrekening, waaronder regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering.
Regels over de wijze waarop inzicht wordt gegeven in de kosten van de programmering of wijzigingen van die regels worden niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat een ontwerp daarvan aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 2.173
Het Commissariaat brengt als onderdeel van het financieel verslag, bedoeld in artikel 7.7, verslag uit over de rechtmatigheidstoetsing.
Paragraaf 2.6.2.1. Begroting
Artikel 2.174
De landelijke publieke media-instellingen kunnen met toestemming van de raad van bestuur en onder de door hem te stellen voorwaarden, die per instelling of categorie van instellingen kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De NPO kan gelden die bestemd zijn voor de verzorging van media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen, reserveren. De NPO kan tevens gelden die bestemd zijn voor de uitvoering van zijn taken en werkzaamheden, reserveren.
Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van de NPO en de landelijke publieke media-instellingen met uitzondering van de uitgaven aan verenigingsactiviteiten, zoals opgenomen in de jaarrekening, bedoeld in artikel 2.171, tweede en derde lid.
Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan de raad van bestuur.
Artikel 2.175
De regionale publieke media-instellingen kunnen met toestemming van het Commissariaat en onder door hem te stellen voorwaarden, die per instelling kunnen verschillen, gelden voor de verzorging van media-aanbod reserveren. De RPO kan gelden reserveren die bestemd zijn voor de uitvoering van haar taken en werkzaamheden.
Het totaal van de gereserveerde gelden in een kalenderjaar bedraagt niet meer dan tien procent van de uitgaven van een regionale publieke media-instelling of de RPO.
Gelden die in strijd met het eerste lid zijn gereserveerd, worden terugbetaald aan het Commissariaat.
Artikel 2.176
Gereserveerde gelden voor de verzorging van media-aanbod worden in het volgende kalenderjaar besteed aan de doelen waarvoor zij oorspronkelijk bestemd zijn.
Onze Minister kan voor de landelijke publieke media-instellingen op verzoek van de raad van bestuur ontheffing verlenen van het eerste lid. Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Het Commissariaat kan op verzoek van een regionale publieke media-instelling ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 2.177
Gelden die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gebruikt of die in strijd met de artikelen 2.174, tweede lid, 2.174a, eerste lid, en 2.175, eerste lid, zijn gereserveerd, of die in strijd met artikel 2.174a, tweede lid, tweede volzin, niet zijn ontvangen, vordert het Commissariaat van de NPO, de RPO of de landelijke of regionale publieke media-instelling terug.
Teruggevorderde gelden worden toegevoegd aan de algemene mediareserve.
Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten
Artikel 2.178
De landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Ster richten hun organisatie zodanig in dat een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van de bedrijfsprocessen gewaarborgd is.
De landelijke en regionale publieke media-instellingen en de Ster voeren een deugdelijke administratie waaruit te allen tijde Onze Minister, de raad van bestuur en het Commissariaat elk de benodigde informatie die zij voor de uitvoering van hun taken nodig hebben, op eenduidige wijze kunnen verkrijgen.
De landelijke publieke media-instelling die samenwerkingsomroep is, draagt ervoor zorg dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, overeenkomstig het eerste en tweede lid handelen.
De raad van bestuur en het Commissariaat bevorderen dat onderscheidenlijk de landelijke publieke media-instellingen en de regionale publieke media-instellingen een eenduidige financiële boekhouding voeren.
Artikel 2.179
Vervallen
Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak
Artikel 2.180
De instellingen die door Onze Minister zijn aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren, van een media-archief en van een expertisecentrum voor media-educatie dienen eenmaal per vijf jaar bij Onze Minister een meerjarenplan voor de volgende periode van vijf jaar in.
De meerjarenplannen zijn afgestemd op het voor de desbetreffende periode geldende concessiebeleidsplan voor de landelijke publieke mediadienst.
Artikel 2.181
De instellingen dienen jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.
De instellingen dienen jaarlijks vóór 1 mei bij Onze Minister een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in.
Artikel 2.182
De meerjarenplannen en de jaarrekeningen behoeven de instemming van Onze Minister.
Met betrekking tot de meerjarenplannen hoort Onze Minister de NPO.
Artikel 2.183
Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster, aan de instellingen een bijdrage in de kosten ter beschikking. Onze Minister stelt de bijdrage voor de instelling die is aangewezen voor het in stand houden en exploiteren van omroeporkesten en omroepkoren door tussenkomst van het Commissariaat ter beschikking van de raad van bestuur, die de bijdrage ter beschikking stelt aan de instelling.
Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.
Als een instelling niet voldoet aan de artikelen 2.180 en 2.181 of de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister:
- a. de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken; of
- b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzigen.
Titel 2.7. Evaluatie
Artikel 2.184
De NPO evalueert regelmatig de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de publieke mediaopdracht.
Een evaluatie vindt in elk geval eens in de vijf jaar plaats.
Als de evaluatiecommissie in haar rapportage, bedoeld in artikel 2.186, eerste lid, heeft vastgesteld dat er gegronde redenen zijn aan te nemen dat een omroeporganisatie onvoldoende heeft bijgedragen aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau door de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven aan de publieke taak, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel b, of 2.24a, eerste lid, onderdeel b, vindt in afwijking van het tweede lid in elk geval binnen twee jaar en vier jaar na het tijdstip waarop deze rapportage is uitgebracht een eerste respectievelijk tweede evaluatie plaats van de wijze waarop de betreffende omroeporganisatie uitvoering geeft aan deze publieke taak.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de NTR en de NOS en de wijze waarop zij uitvoering hebben gegeven aan hun wettelijke taak.
Artikel 2.185
De NPO stelt een commissie in die tot taak heeft de evaluatie te verrichten voor de duur van de evaluatie. De commissie bestaat uit ten minste vijf onafhankelijke deskundigen en is zo veel mogelijk representatief voor het kijk- en luisterpubliek.
De leden van de evaluatiecommissie worden op voordracht van de raad van bestuur benoemd door de raad van toezicht, gehoord Onze Minister.
Artikel 2.186
De evaluatiecommissie rapporteert in elk geval over:
- a. de wijze waarop de NPO en de landelijke publieke media-instellingen gezamenlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau;
- b. de mate waarin het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst tegemoet komt aan de interesses en inzichten van het algemene publiek en van specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen;
- c. de wijze waarop de omroepverenigingen waaraan een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, is verleend, een bijdrage hebben geleverd aan de vergroting van de verscheidenheid van het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst en daarmee een vernieuwende bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau; en
- d. andere onderwerpen die zijn opgenomen in het besluit tot instelling van de evaluatiecommissie of die door Onze Minister zijn aangegeven.
De evaluatiecommissie rapporteert over de wijze waarop omroeporganisaties, de NTR of de NOS afzonderlijk uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op landelijk niveau als bedoeld in artikel 2.184, derde en vierde lid.
Artikel 2.187
De evaluatiecommissie kan aanbevelingen doen over de wijze waarop aan de publieke mediaopdracht in de komende jaren uitvoering wordt gegeven.
De evaluatiecommissie brengt op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip rapport uit aan de raad van toezicht van de NPO, die het aan Onze Minister zendt en openbaar maakt.
Hoofdstuk 3. Commerciële omroepdiensten
Titel 3.1. Toestemming
Artikel 3.1
Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet is het verzorgen van een commerciële omroepdienst alleen toegestaan met toestemming van het Commissariaat.
In afwijking van het eerste lid is artikel 3.29b van overeenkomstige toepassing voor zover de commerciële omroepdienst bestaat uit het verzorgen van radioprogramma-aanbod via het open internet.
Als een commerciële media-instelling meerdere programmakanalen verzorgt, is voor ieder programmakanaal afzonderlijk toestemming nodig.
Als een commerciële media-instelling het door een derde aangeleverde programma-aanbod van een programmakanaal wijzigt, heeft die commerciële media-instelling voor het gewijzigde programmakanaal toestemming nodig.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop aanvragen voor een toestemming worden ingediend.
Artikel 3.2
Een toestemming wordt op aanvraag verleend en geldt voor vijf jaar.
Een toestemming is niet overdraagbaar en vervalt van rechtswege na afloop van de toestemmingsperiode.
In de toestemming wordt aangegeven of deze betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep.
Op grond van een toestemming voor televisieomroep is het tevens toegestaan teletekst te verzorgen.
Artikel 3.3
Het Commissariaat kan een aanvraag afwijzen als:
- a. de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn; of
- b. redelijkerwijs te verwachten is dat de aanvrager zich niet zal houden aan het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 3.4
Het Commissariaat trekt een toestemming in als de commerciële media-instelling:
- a. daarom verzoekt; of
- b. in gebreke blijft met de betaling van de verschuldigde toezichtskosten, bedoeld in artikel 3.30.
Het Commissariaat kan een toestemming intrekken als de commerciële media-instelling:
- a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt blijkt te hebben; of
- b. overigens niet voldoet aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Titel 2.7. Evaluatie
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid
Artikel 3.5
Een commerciële media-instelling bepaalt, onverminderd het bepaalde bij of krachtens deze wet, vorm en inhoud van het door haar verzorgde programma-aanbod en is daar verantwoordelijk voor.
Een commerciële media-instelling brengt in overeenstemming met de werknemers die zijn belast met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod een redactiestatuut tot stand waarin de journalistieke rechten en plichten van deze werknemers worden geregeld.
Een commerciële media-instelling neemt passende maatregelen om te voorkomen dat het aanbod van haar mediadiensten aanzet tot geweld of haat jegens een groep personen of een lid van een groep, op een van de gronden genoemd in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, of uitlokt tot het plegen van een terroristisch misdrijf.
Afdeling 2.6.4. Algemene mediareserve
Artikel 3.6
Een commerciële media-instelling die reclame- of telewinkelboodschappen in het programma-aanbod opneemt, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.
Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.
Artikel 3.7
Reclame- en telewinkelboodschappen zijn door akoestische, visuele of ruimtelijke middelen duidelijk onderscheiden van de overige inhoud van het programma-aanbod.
Het programma-aanbod bevat geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:
- a. medische behandelingen; en
- b. alcoholhoudende dranken tussen 06.00 uur en 21.00 uur.
In de naam van een programmakanaal mogen namen of (beeld-)merken van personen, bedrijven of instellingen op neutrale wijze worden vermeld of getoond.
Het Commissariaat kan nadere regels stellen voor de vermelding of vertoning, bedoeld in het derde lid, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.
Het televisieprogramma-aanbod bevat voorts geen reclame- en telewinkelboodschappen voor:
- a. kansspelen waarvoor een vergunning als bedoeld in de artikelen 14a, 15, 23, 27g en 31 van de Wet op de kansspelen vereist is, of die gespeeld worden op een automaat in een speelautomatenhal voor de aanwezigheid waarvan een vergunning vereist is, tussen 06.00 en 21.00 uur;
- b. overige kansspelen waarvoor ingevolge de Wet op de kansspelen een vergunning vereist is, tussen 06.00 en 19.00 uur.
Het vijfde lid, onder a, is van overeenkomstige toepassing op radioprogramma-aanbod.
Artikel 3.8
Het programma-aanbod op een programmakanaal bestaat voor niet meer dan twintig procent van de tijdvakken tussen 06:00 uur en 18:00 uur en tussen 18:00 uur en 24:00 uur uit reclame- of telewinkelboodschappen.
Met inachtneming van deze afdeling kunnen in het programma-aanbod bestaande uit het verslag of de weergave van sportevenementen afzonderlijke reclame- of telewinkelboodschappen worden geplaatst en in het overige programma-aanbod bij uitzondering.
Artikel 3.9
In het programma-aanbod op een programmakanaal duren blokken van telewinkelboodschappen zonder onderbreking ten minste vijftien minuten.
Blokken van telewinkelboodschappen zijn gedurende de gehele duur daarvan door visuele en akoestische middelen duidelijk als zodanig herkenbaar.
Artikel 3.8, eerste en tweede lid, is niet van toepassing op de telewinkelblokken.
Artikel 3.10
In programma’s worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen als deze geen afbreuk doen aan de integriteit, het karakter of de samenhang van het desbetreffende programma of aan de rechten van rechthebbenden.
In programma’s die bestaan uit de weergave van kerkelijke of geestelijke samenkomsten worden geen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen.
In programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden geen telewinkelboodschappen opgenomen.
Artikel 3.11
In de volgende programma’s worden ten hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen:
- a. programma’s bestaande uit films;
- b. programma’s bestaande uit nieuws of commentaar op het nieuws.
In programma’s die in het bijzonder bestemd zijn voor kinderen jonger dan twaalf jaar worden ten hoogste eenmaal per geprogrammeerd tijdvak van dertig minuten reclameboodschappen opgenomen, mits de geprogrammeerde duur van het programma meer dan dertig minuten bedraagt.
Artikel 3.12
Vervallen
Artikel 3.13
In televisieprogramma’s die bestaan uit het verslag van een evenement worden alleen reclame- of telewinkelboodschappen opgenomen tijdens de in het evenement voorkomende gebruikelijke pauzes of tussen de daarin voorkomende gebruikelijke zelfstandige onderdelen.
Artikel 3.14
In afwijking van de artikelen 3.8 en 3.11 mag een televisieprogrammakanaal worden verzorgd dat:
- a. uitsluitend bestaat uit ten behoeve van zelfpromotie uitgezonden reclameboodschappen; of
- b. uitsluitend bestaat uit telewinkelboodschappen.
In het programma-aanbod van een televisieprogrammakanaal als bedoeld in het eerste lid mogen andere reclameboodschappen worden opgenomen met inachtneming van de bepalingen die gelden voor het opnemen van reclameboodschappen in televisieprogramma-aanbod.
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid
Artikel 3.15
Programma-aanbod wordt alleen gesponsord als in het redactiestatuut, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, waarborgen zijn opgenomen voor de redactionele onafhankelijkheid van de werknemers die belast zijn met de verzorging en samenstelling van het programma-aanbod ten opzichte van de sponsors.
Programma-aanbod bestaande uit nieuws, actualiteiten of politieke informatie wordt niet gesponsord.
Artikel 3.16
Bij gesponsord programma-aanbod wordt ter informatie van het publiek duidelijk vermeld dat en door wie het programma-aanbod is gesponsord.
De vermelding is zodanig vormgegeven dat:
- a. tussen 06.00 uur en 21.00 uur de vermelding van sponsors die zich bezighouden met de productie of verkoop van alcoholhoudende dranken, geschiedt door neutrale vermelding of vertoning van naam of (beeld)merk; en
- b. in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a, de vermelding geschiedt door vermelding of vertoning van naam, (beeld)merk of ander onderscheidend teken en het publiek niet rechtstreeks door middel van specifieke aanprijzingen wordt aangespoord tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.
Bij een gesponsord programma vindt de vermelding plaats aan het begin of het einde van het programma en kan de vermelding daarnaast plaatsvinden aan het begin of het einde van de in het programma opgenomen reclameboodschap of reclameboodschappen.
Artikel 3.17
In gesponsord programma-aanbod mogen:
- a. onverminderd afdeling 3.2.3a, producten of diensten van sponsors worden vermeld of getoond; en
- b. in de titel de naam, het (beeld)merk, producten of diensten van sponsors worden vermeld of getoond.
Het vermelden en vertonen als bedoeld in het eerste lid mogen het publiek niet door middel van specifieke aanprijzingen aansporen tot het kopen of huren van producten of afname van diensten van de sponsors.
Het Commissariaat kan nadere regels stellen voor de vertoning of vermelding in de titel, welke regels de goedkeuring behoeven van Onze Minister.
Artikel 3.18
Artikel 3.16, eerste tot en met derde lid, is van overeenkomstige toepassing als een andere instelling dan bedoeld in de begripsomschrijving van sponsoring in artikel 1.1 een bijdrage heeft gegeven voor de productie of aankoop van programma-aanbod om de verspreiding daarvan te bevorderen of mogelijk te maken.
Artikel 3.19
Bij programma-aanbod dat bestaat uit het verslag of de weergave van een evenement dat niet voornamelijk bestemd is om als programma te worden uitgezonden, mogen de namen of (beeld)merken van die personen, bedrijven of instellingen, die een financiële of andere bijdrage hebben gegeven voor de totstandkoming van het evenement worden vermeld of getoond.
Artikel 3.16, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties die vallen onder het verbod op sponsoring op grond van artikel 5 van de Tabaks- en rookwarenwet.
Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten
Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Artikel 3.20
Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod voor ten minste vijftig procent van de duur uit Europese producties in de zin van artikel 1 van de Europese richtlijn.
Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen ten aanzien van een bepaalde commerciële media-instelling gedeeltelijke ontheffing verlenen van het eerste lid, met dien verstande dat het percentage niet lager gesteld kan worden dan tien. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 3.21
Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod uit ten minste tien procent van de duur uit producties als bedoeld in artikel 3.20, eerste lid, die kunnen worden aangemerkt als onafhankelijke producties.
Ten minste een derde deel van de producties, bedoeld in het eerste lid, is niet ouder dan vijf jaar.
Artikel 3.22
Als onafhankelijke productie wordt aangemerkt programma-aanbod dat niet geproduceerd is door:
- a. een publieke media-instelling;
- b. een commerciële media-instelling;
- c. een buitenlandse omroepinstelling;
- d. een rechtspersoon waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a, b of c, al dan niet door middel van een of meer dochtermaatschappijen, een belang van meer dan vijfentwintig procent heeft;
- e. een rechtspersoon waarin twee of meer instellingen als bedoeld in de onderdelen a, b of c, al dan niet door middel van een of meer van hun onderscheidene dochtermaatschappijen, samen een belang van meer dan vijftig procent hebben; of
- f. een vennootschap waarin een instelling als bedoeld in de onderdelen a, b, of c, of een of meer van haar dochtermaatschappijen, als vennoot volledig jegens schuldeisers aansprakelijk is voor de schulden.
Bij algemene maatregel van bestuur:
- a. kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van dit artikel en de artikelen 3.20 en 3.21; en
- b. kan worden bepaald dat in andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen programma-aanbod wordt aangemerkt als onafhankelijke productie.
Artikel 3.23
Voor de toepassing van de artikelen 3.20 tot en met 3.22 blijft buiten beschouwing programma-aanbod dat:
- a. bestaat uit nieuws;
- b. betrekking heeft op sport;
- c. het karakter van een spel heeft, met uitzondering van programma’s van culturele of educatieve aard, die mede het karakter van een spel hebben;
- d. bestaat uit reclameboodschappen en telewinkelboodschappen, inclusief omlijsting, en zelfpromotie;
- e. bestaat uit stilstaande beelden; en
- f. bestaat uit teletekst.
De artikelen 3.20 tot en met 3.22 zijn niet van toepassing op:
- a. programma-aanbod dat in slechts één gemeente of een beperkt aantal aan elkaar grenzende gemeenten kan worden ontvangen;
- b. programma-aanbod als bedoeld in artikel 3.14; en
- c. programma-aanbod dat uitsluitend bestemd is voor ontvangst in andere staten dan de lidstaten van de Europese Unie en dat niet direct of indirect kan worden ontvangen door het publiek in één of meer lidstaten van de Europese Unie.
Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering
Artikel 3.24
Op een televisieprogrammakanaal bestaat het programma-aanbod voor ten minste veertig procent uit oorspronkelijk Nederlands- of Friestalige producties.
Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Artikel 3.25
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de ondertiteling van televisieprogramma’s, waarbij onder meer kan worden bepaald welk percentage van het programma-aanbod, bedoeld in artikel 3.24, eerste lid, voorzien is van ondertiteling ten behoeve van personen met een auditieve beperking.
Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van een verplichting betreffende het percentage, bedoeld in het eerste lid. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen
Artikel 3.26
In het programma-aanbod worden geen films opgenomen buiten de met de rechthebbenden overeengekomen periodes.
Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten
Artikel 3.27
Een commerciële media-instelling brengt jaarlijks verslag uit aan het Commissariaat over de maatregelen die zij treft om de toegankelijkheid van het audiovisuele media-aanbod voor personen met een handicap verder te ontwikkelen.
Het Commissariaat brengt uiterlijk 19 december 2022 en vervolgens om de drie jaar verslag uit aan de Europese Commissie over de uitvoering van het eerste lid.
Artikel 3.28
Vervallen
Artikel 3.29
De artikelen 3.8, 3.9, eerste en derde lid, 3.10, tweede lid, 3.11 tot en met 3.14 en 3.19 tot en met 3.26 zijn niet van toepassing op programma-aanbod dat niet direct of indirect buiten Nederland ontvangen kan worden en dat:
- a. voor zover het de beeldinhoud betreft uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bestaat uit stilstaande beelden; of
- b. hoofdzakelijk bestaat uit informatie over programma-aanbod en andere diensten die via een omroepzender of omroepnetwerk worden aangeboden.
Titel 2.7. Evaluatie
Artikel 3.30
Een commerciële media-instelling is aan het Commissariaat jaarlijks kosten verbonden aan het toezicht verschuldigd voor elke verkregen toestemming en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de vaststelling van de toezichtskosten, bedoeld in het eerste lid, waarbij in elk geval:
- a. onderscheid kan worden gemaakt tussen omroepdiensten en mediadiensten op aanvraag;
- b. onderscheid kan worden gemaakt tussen toestemmingen voor radio-omroep en voor televisieomroep; en
- c. rekening kan worden gehouden met de gemiddelde duur van de uitzendingen en met het aantal huishoudens in Nederland, dat het programma-aanbod kan ontvangen.
Het Commissariaat kan de verschuldigde toezichtskosten invorderen bij dwangbevel.
Artikel 3.31
Vervallen
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Artikel 4.1
Het audiovisueel media-aanbod mag alleen dan aanbod bevatten dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar, als de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, en ter zake gebonden is aan de regels en het toezicht daarop van die organisatie met betrekking tot het verspreiden van het hiervoor bedoelde aanbod.
De instelling die is aangesloten bij de door Onze Minister erkende organisatie, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, toont dit aan door een schriftelijke verklaring van de erkende organisatie aan het Commissariaat over te leggen.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing voor zover het audiovisueel media-aanbod wordt aangeboden in een andere lidstaat van de Europese Unie en de aanbieder daarvan aan het Commissariaat heeft aangetoond dat de bescherming van personen jonger dan zestien jaar tegen het betreffende audiovisuele media-aanbod ten minste overeenkomstig is aan het beschermingsniveau als bedoeld in artikel 4.2.
Artikel 4.2
Onze Minister kan een organisatie erkennen die voorziet in regelingen omtrent classificatie en het verspreiden van aanbod als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, en het toezicht daarop.
De regelingen hebben in ieder geval betrekking op:
- a. criteria voor de classificatie van aanbod, waaronder in ieder geval de mate waarin:
- 1°. angst wordt opgewekt;
- 2°. brutaliserend geweld wordt vertoond of gerechtvaardigd;
- 3°. het gebruik van drugs aantrekkelijk wordt voorgesteld of vergoelijkt;
- 4°. sprake is van pornografie; en
- 5°. op andere gronden volgens algemeen geldende opvattingen producten niet geschikt zijn voor vertoning aan bepaalde categorieën personen jonger dan zestien jaar;
- b. de tijdstippen van verspreiding van het hiervoor bedoelde aanbod op een programmakanaal; en
- c. de wijze waarop de verspreiding van dit aanbod wordt voorafgegaan door of is voorzien van symbolen of waarschuwingen.
Artikel 4.3
Een organisatie komt slechts voor erkenning in aanmerking als:
- a. onafhankelijk toezicht door de organisatie op de naleving van de regelingen, bedoeld in artikel 4.2 , eerste lid, is gewaarborgd;
- b. voorzien is in voldoende betrokkenheid van belanghebbenden, onder wie in ieder geval vertegenwoordigers uit de consumentensfeer, publieke media-instellingen, deskundigen op het gebied van de audiovisuele media en producenten van audiovisuele media; en
- c. de financiële positie van de organisatie een adequate uitvoering van de werkzaamheden waarborgt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de eisen bedoeld in het eerste lid en kunnen andere eisen voor erkenning worden gesteld.
Aan een erkenning kunnen voorschriften worden verbonden.
Artikel 4.4
Onze Minister trekt een erkenning in als de erkende organisatie niet meer voldoet aan de artikelen 4.2 en 4.3, eerste lid.
Onze Minister kan een erkenning intrekken als de erkende organisatie niet voldoet aan de nadere regels en andere eisen, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, of de voorschriften, bedoeld in artikel 4.3, derde lid.
Artikel 4.5
Van een beschikking tot erkenning en intrekking van een erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 4.6
Vervallen
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving
Artikel 5.1
Bij algemene maatregel van bestuur wordt een lijst vastgesteld van evenementen die, wanneer zij als een televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal, en kan worden bepaald welke van die evenementen tevens worden aangemerkt als evenementen als bedoeld in artikel 14 van de Europese richtlijn.
Een evenement kan op de lijst worden geplaatst als in ieder geval wordt voldaan aan twee van de volgende voorwaarden:
- a. het evenement is van algemeen belang voor de Nederlandse samenleving;
- b. het evenement is van bijzondere culturele betekenis;
- c. het evenement werd in het verleden ook al op een open televisieprogrammakanaal uitgezonden en kon rekenen op een grote kijkdichtheid; en
- d. het gaat om een groot internationaal sportevenement waaraan een nationaal team deelneemt.
Artikel 5.2
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, waarbij in ieder geval wordt bepaald of de op de lijst genoemde evenementen, wanneer zij als televisieprogramma worden verspreid, in ieder geval worden verspreid op een open televisieprogrammakanaal door middel van volledige of gedeeltelijke rechtstreekse verslaggeving dan wel door middel van volledige of gedeeltelijke uitgestelde verslaggeving.
Artikel 5.3
Publieke media-instellingen en commerciële media-instellingen oefenen verworven verspreidingsrechten die betrekking hebben op evenementen die zijn vermeld op de lijst van evenementen uit overeenkomstig de krachtens artikel 5.2 gestelde regels.
De instellingen oefenen na 30 juli 1997 verworven uitzendrechten uit overeenkomstig de regels die door andere lidstaten van de Europese Unie overeenkomstig artikel 14, van de Europese richtlijn zijn gesteld.
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Titel 2.7. Evaluatie
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)