Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)
Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films
Artikel 6.1
Het Commissariaat wijst jaarlijks een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe aan politieke partijen die bij de laatstgehouden verkiezing van de leden van de Tweede of Eerste Kamer der Staten-Generaal een of meer zetels hebben verworven.
Het Commissariaat wijst een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe aan:
- a. politieke partijen die in ten minste negentien kieskringen aan de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal deelnemen; en
- b. politieke partijen die in Nederland aan de verkiezing van de leden van het Europese Parlement deelnemen.
De uren, bedoeld in het tweede lid, zijn beschikbaar in een door het Commissariaat te bepalen periode die onmiddellijk vooraf gaat aan de dag die in Nederland voor de desbetreffende verkiezing is vastgesteld.
Artikel 6.2
Als een politieke partij op grond van de artikelen 137c, 137d, 137e, 137f, 137g of 429quater van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete, wijst het Commissariaat in afwijking van artikel 6.1, eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden. Deze periode is:
- a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;
- b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250;
- c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en
- d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.
Als een politieke partij is veroordeeld wegens een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht is, wijst het Commissariaat in afwijking van artikel 6.1, eerste en tweede lid, aan deze politieke partij geen uren toe gedurende een periode van vier jaar die ingaat op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.
Als aan de lijst van een politieke partij aan de lijst waarvan op de dag waarop de veroordeling onherroepelijk wordt op grond van de Kieswet geen zetels zijn toegewezen, op grond van een verkiezing die plaatsvindt binnen een periode van twee jaar na die dag één of meer zetels worden toegewezen, gaat de periode gedurende welke aan deze politieke partij geen uren als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, worden toegewezen, in op de dag waarop de verkiezing heeft plaatsgevonden.
Artikel 6.3
Na een veroordeling als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, worden aan de politieke partij, zo nodig in afwijking van artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, in ieder geval geen uren als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, toegewezen binnen twee jaar na de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden.
Als aan een politieke partij met toepassing van artikel 6.2, eerste lid, geen uren meer worden toegewezen, dan vervallen met ingang van de dag waarop de veroordeling onherroepelijk is geworden van rechtswege ook de uren die al zijn toegewezen.
Artikel 6.4
Een politieke partij gebruikt de aan haar toegewezen uren geheel en alleen voor programma-aanbod op politiek terrein.
Afdeling 6.1.2. Overheid
Artikel 6.5
Het Commissariaat wijst jaarlijks op aanvraag van Onze Minister-President, Minister van Algemene Zaken, een aantal uren op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe ten behoeve van overheidsvoorlichting.
Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:
- a. het tijdstip waarop een aanvraag wordt ingediend; en
- b. de termijn waarbinnen een besluit op de aanvraag wordt genomen.
Artikel 6.6
De toegewezen uren zijn beschikbaar voor Onze Ministers voor gebruik door overheidsinstellingen of personen die door hen zijn aangewezen.
De toegewezen uren worden geheel gebruikt en alleen voor overheidsvoorlichting.
Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen
Artikel 6.7
Onze Minister stelt jaarlijks op advies van het Commissariaat en de NPO de totale hoeveelheid uren vast die op de algemene programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar zijn voor politieke partijen en de overheid.
Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen of voor bijzondere doelen meer uren vaststellen.
Artikel 6.8
De artikelen 2.53, 2.59, 2.60, 2.88, eerste lid, 2.89, 2.106 tot en met 2.109, 2.114, 2.124, 2.139 en 2.142 en hoofdstuk 4 zijn van overeenkomstige toepassing op politieke partijen en de overheid en het gebruik van de aan hen toegewezen uren. De artikelen 2.59 en 2.60 zijn daarbij slechts van overeenkomstige toepassing voor zover het betreft de activiteiten die verband houden met het gebruik van de toegewezen uren.
Titel 3.2. Programma-aanbod
Artikel 6.9
Het Commissariaat kan aan natuurlijke of rechtspersonen toestemming verlenen voor het via een omroepzender verzorgen van een omroepdienst voor een bijzonder doel, met een beperkt bereik en van beperkte duur. Het Commissariaat kan tevens de toestemming verlenen voor het verzorgen van een omroepdienst zonder beperkte duur voor zover dit aangewezen is gelet op de aard van de omroepdienst.
Het Commissariaat kan aan een toestemming voorschriften verbinden.
Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Afdeling 3.2.5. Overige bepalingen
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Artikel 6.10
De aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk verspreidt geen programma-aanbod als de instelling die verantwoordelijk is voor vorm en inhoud van het desbetreffende programma-aanbod, krachtens deze wet of krachtens de op die instelling van toepassing zijnde buitenlandse regelgeving niet gerechtigd is voor verspreiding bestemd programma-aanbod te verzorgen. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder.
Artikel 6.11
Het is de aanbieder van een omroepzender of een omroepnetwerk toegestaan via de omroepzender of het omroepnetwerk:
- a. programma-aanbod te verspreiden dat bestaat uit een onverkorte en rechtstreekse weergave van een openbare vergadering van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, van provinciale staten of van een gemeenteraad; en
- b. informatie over het via de omroepzender of het omroepnetwerk aangeboden programma-aanbod en diensten te verspreiden.
De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op een pakketaanbieder.
Hoofdstuk 4 is van overeenkomstige toepassing.
Paragraaf 6.3.1.2. Doorgifteverplichtingen omroepnetwerken
Artikel 6.12
Deze paragraaf is van toepassing op pakketaanbieders die een of meer programmapakketten naar ten minste 100.000 abonnees in Nederland verspreiden of laten verspreiden.
Als een pakketaanbieder programma-aanbod door middel van twee of meer omroepnetwerken of omroepzenders verspreidt of laat verspreiden, worden voor de toepassing van het eerste lid de desbetreffende aantallen abonnees samengevoegd.
Als een pakketaanbieder een rechtspersoon is, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die pakketaanbieder en de aantallen abonnees van de dochtermaatschappijen die de pakketaanbieder in stand houdt. Als de pakketaanbieder een rechtspersoon is en een dochtermaatschappij die door een andere pakketaanbieder in stand wordt gehouden, worden voor de toepassing van dit artikel samengevoegd het aantal abonnees van die dochtermaatschappij, het aantal abonnees van de pakketaanbieder die deze dochtermaatschappij in stand houdt, en de aantallen abonnees van de andere dochtermaatschappijen die deze pakketaanbieder in stand houdt.
Artikel 6.13
Als een pakketaanbieder een of meer digitale programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer digitale programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een digitaal standaardprogrammapakket.
Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste dertig televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. Bij ministeriële regeling kunnen diensten worden aangewezen waarvan het signaal als integraal onderdeel van de programmakanalen moet worden doorgegeven en kunnen nadere regels worden gesteld voor de doorgifte van deze diensten.
Voor zover het betreft televisieprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval:
- a. de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst, bedoeld in artikel 2.50, onder a, en een derde algemeen televisieprogrammakanaal voor zover dat door de landelijke publieke mediadienst wordt verzorgd;
- b. één televisieprogrammakanaal van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincie of het deel van de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn;
- c. de televisieprogrammakanalen van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincies aangrenzend aan de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn;
- d. één televisieprogrammakanaal van de lokale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen de abonnees woonachtig zijn en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van televisieprogrammakanalen;
- e. ten hoogste twee televisieprogrammakanalen van de lokale publieke mediadienst met ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel d, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat is gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van televisieprogrammakanalen; en
- f. drie televisieprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst.
Voor zover het betreft radioprogrammakanalen, bevat het standaardprogrammapakket in elk geval:
- a. vijf algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst;
- b. één radioprogrammakanaal van de regionale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de provincie of het deel van de provincie waarbinnen de abonnees woonachtig zijn;
- c. één radioprogrammakanaal van de lokale publieke mediadienst met programma-aanbod als bedoeld in artikel 2.70, dat bestemd is voor de gemeente waarbinnen de abonnees woonachtig zijn en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van radioprogrammakanalen;
- d. ten hoogste vijf radioprogrammakanalen van de lokale publieke mediadienst met ander programma-aanbod dan bedoeld in onderdeel c, dat een lokale publieke media-instelling verzorgt en dat is gericht op specifieke bevolkings- en leeftijdsgroepen waaronder minderheden en dat door de pakketaanbieder wordt verspreid vanaf een in de markt gebruikelijk en geschikt centraal overnamepunt in Nederland voor de aanlevering en verspreiding van radioprogrammakanalen; en
- e. vijf radioprogrammakanalen van de Nederlandstalige landelijke Belgische openbare omroepdienst.
Bij de vaststelling of een pakketaanbieder heeft voldaan aan het vereiste, bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, worden de volgende regels in acht genomen:
- a. ten minste dertig unieke televisieprogrammakanalen worden aangeboden in een door de pakketaanbieder te bepalen uitzendkwaliteit;
- b. als televisieprogrammakanalen in verschillende uitzendkwaliteit worden aangeboden, worden programmakanalen met dezelfde naam en ordening van het programma-aanbod als één programmakanaal aangemerkt;
- c. als televisieprogrammakanalen in verschillende uitzendkwaliteit worden aangeboden, worden programmakanalen met dezelfde naam maar met een verschillende ordening van het programma-aanbod als afzonderlijke programmakanalen aangemerkt; en
- d. als televisieprogrammakanalen via omroepzenders worden verspreid zonder dat voor de ontvangst andere kosten moeten worden betaald dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken, en deze programmakanalen zijn opgenomen in de elektronische programmagids die onderdeel van de technische voorzieningen is, worden deze programmakanalen aangemerkt als televisieprogrammakanalen als bedoeld in onderdeel a.
Artikel 6.14
Als een pakketaanbieder een of meer analoge programmapakketten verspreidt of laat verspreiden, ontvangen alle abonnees die met hem een overeenkomst met betrekking tot de ontvangst van een of meer analoge programmapakketten hebben gesloten, in elk geval een analoog standaardprogrammapakket.
Het standaardprogrammapakket bestaat uit ten minste vijftien televisieprogrammakanalen en een door de pakketaanbieder met inachtneming van het vierde lid te bepalen aantal radioprogrammakanalen. De programmakanalen worden ongewijzigd verspreid.
Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdelen a, b, d en e, is van toepassing. Artikel 6.13, derde lid, aanhef en onderdeel f, is van toepassing met dien verstande dat het aantal televisieprogrammakanalen twee bedraagt.
Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdelen a, b, c en d, is van toepassing. Artikel 6.13, vierde lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing met dien verstande dat het aantal radioprogrammakanalen twee bedraagt.
Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Artikel 6.15
Artikel 6.12 is van toepassing.
Artikel 6.16
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een pakketaanbieder voorziet in de instelling van een geschillencommissie voor de behandeling van klachten van abonnees over de samenstelling van het digitale standaardprogrammapakket.
Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, kunnen twee of meer pakketaanbieders besluiten gezamenlijk een geschillencommissie als bedoeld in het eerste lid in te stellen.
Als het eerste lid toepassing heeft gevonden, worden bij ministeriële regeling tevens voorschriften gegeven over de wijze van behandeling van de klachten, de samenstelling van de geschillencommissie en over de gevolgen van de beslissing van de geschillencommissie in geval van gegrondheid van een klacht.
Artikel 6.17
Vervallen
Artikel 6.18
Vervallen
Artikel 6.19
Vervallen
Artikel 6.20
Vervallen
Artikel 6.21
Vervallen
Artikel 6.22
Vervallen
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Artikel 6.23
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, wijst de frequentieruimte in de FM-band aan die wordt gebruikt voor het verspreiden van radioprogramma-aanbod dat overwegend bestaat uit Nederlandstalige muziek. Bij ministeriële regeling wordt nader omschreven in welke gevallen radioprogramma-aanbod aan deze eis voldoet.
Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, wijst andere frequentieruimte in de FM-band aan die slechts mag worden gebruikt voor het verspreiden van bij die aanwijzing vast te stellen categorieën radioprogramma-aanbod dat, gelet op de aard, inhoud of doelgroep, verhoudingsgewijs lage inkomsten uit reclame of verhoudingsgewijs hoge kosten meebrengt.
Als aard en omvang van de frequentieruimte in de FM-band die beschikbaar is voor het verspreiden van radioprogramma-aanbod daartoe aanleiding geven, kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken, afzien van het aanwijzen van frequentieruimte in de FM-band op grond van het eerste en tweede lid.
Artikel 6.24
Vervallen
Artikel 6.25
Artikel 6.23 is niet van toepassing op:
- a. de frequentieruimte die wordt gebruikt voor de verspreiding van programma-aanbod van de publieke mediadiensten; en
- b. frequentieruimte die wordt gebruikt ten behoeve van verspreiding via een satelliet.
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Titel 6.1. Politieke partijen en overheid
Artikel 7.1
Er is een Commissariaat voor de Media.
Het Commissariaat heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente Hilversum.
Het Commissariaat is belast met de uitvoering van taken die hem zijn opgedragen bij of krachtens deze wet en andere wetten.
Artikel 7.2
Op het Commissariaat is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering van artikel 17 voor zover het betreft het bepaalde in artikel 2.139, zesde lid, van de Mediawet 2008.
Artikel 7.3
Het Commissariaat bestaat uit een voorzitter en twee of vier andere leden.
Een benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
Onverminderd artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gebeurt benoeming door Onze Minister van de leden van het Commissariaat op de zwaarwegende voordracht van het Commissariaat en met inachtneming van het vierde tot en met twaalfde lid.
Bij een vacature draagt het Commissariaat zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het derde lid.
Het Commissariaat stelt profielschetsen op voor de vacature en voor het Commissariaat als geheel.
De profielschetsen behoeven de instemming van Onze Minister.
Het Commissariaat maakt de profielschetsen na de instemming openbaar.
Voor de selectie van kandidaten stelt het Commissariaat een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in.
De benoemingsadviescommissie is samengesteld uit een gelijk aantal onafhankelijke leden, leden namens het Commissariaat en leden namens Onze Minister.
Het advies van de benoemingsadviescommissie berust op unanieme besluitvorming.
De benoemingsadviescommissie brengt aan het Commissariaat een bindend advies uit.
De voordracht van het Commissariaat aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.
Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:
- a. deze wet;
- b. eisen van zorgvuldigheid; of
- c. andere zwaarwegende belangen.
Artikel 7.4
Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn onverenigbaar met het lidmaatschap van het Commissariaat:
- a. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
- b. een dienstbetrekking bij een ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
- c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, de RPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.
Artikel 7.5
Het Commissariaat neemt besluiten bij meerderheid van stemmen.
Het Commissariaat kan alleen met instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en machtiging verlenen voor het uitvoeren van delen van zijn taak.
Het Commissariaat stelt inzake zijn besluitvorming en werkwijze een bestuursreglement vast.
Artikel 7.6
De kosten van het Commissariaat worden door Onze Minister vergoed op basis van de door hem goedgekeurde begroting.
Artikel 7.7
Onverminderd artikel 34 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen dient het Commissariaat jaarlijks voor 1 september bij Onze Minister een financieel verslag in over het beheer van de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.
Het financieel verslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en behoeft de instemming van Onze Minister.
Het Commissariaat maakt het financieel verslag openbaar.
Artikel 7.8
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Artikel 7.9
Het Commissariaat zendt besluiten zo spoedig mogelijk na de bekendmaking aan Onze Minister.
Besluiten van het Commissariaat kunnen binnen acht weken na ontvangst daarvan door Onze Minister dan wel gedurende de tijd dat het besluit is geschorst worden vernietigd.
Besluiten van het Commissariaat kunnen binnen acht weken na ontvangst daarvan door Onze Minister worden geschorst.
Van een besluit tot schorsing, opheffing of verlenging van de schorsing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 7.10
Het Commissariaat plaatst besluiten tot vaststelling van nadere regels op grond van deze wet en tot vaststelling van beleidsregels over de uitvoering van zijn taken in de Staatscourant.
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Artikel 7.11
Het Commissariaat is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van:
- a. de artikelen 2.2, eerste lid en tweede lid, onderdelen a tot en met h, j tot en met l, 2.3, eerste tot en met vierde lid, 2.4 tot en met 2.16, 2.18 tot en met 2.27, 2.29 tot en met 2.33, 2.34a tot en met 2.34j, 2.36 tot en met 2.41, 2.53 tot en met 2.57, 2.59, 2.60, 2.60a tot en met 2.60o, 2.125 tot en met 2.131, 2.143 tot en met 2.145, 2.148a, 2.149, 2.150, eerste lid, 2.151, eerste lid, 2.166 tot en met 2.168, 2.169c, eerste tot en met vierde lid, 2.170c, 2.170d, 2.180 tot en met 2.187, 4.2 tot en met 4.5 en 6.26; en
- b. hoofdstuk 8.
Met het toezicht op de naleving zijn belast de leden van het Commissariaat en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat.
Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Artikel 7.12
Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, eerste lid, 2.58, onderdelen a tot en met c, en e, 2.170, eerste tot en met zesde lid, en achtste en negende lid, en 2.170b, of van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat aan de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 225 000 per overtreding.
De bestuurlijke boete bij overtreding van het bepaalde in artikel 2.34, eerste lid, bedraagt tien procent van het totale bedrag aan gelden dat gemiddeld in de kalenderjaren voorafgaand aan de overtreding tijdens de lopende erkenningperiode aan de omroeporganisatie ter beschikking is gesteld voor de verzorging van media-aanbod voor de landelijke publieke mediadienst.
Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van de artikelen 2.34, tweede lid, 2.35, 2.58, onderdeel d, 2.70, 2.71, derde en vierde lid, 2.88b tot en met 2.92, 2.94 tot en met 2.99, 2.106 tot en met 2.108, 2.111, eerste lid, 2.115 tot en met 2.124, 2.150, tweede en derde lid, 2.151, tweede lid, 2.169c, vijfde lid, 2.170, eerste tot en met zesde lid, en achtste en negende lid en 2.170b, 3.5b tot en met 3.14, 3.15, tweede lid, 3.16, 3.17, 3.19 tot en met 3.19b, 3.20 tot en met 3.26, 3.29, 3.29d, 3a.5, 4.1, 4.6, 5.1 tot en met 5.4, 6.4, 6.6, tweede lid, en 6.23 tot en met 6.25 kan het Commissariaat aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Artikel 7.13
De te betalen geldsommen van de bestuurlijke boeten en dwangsommen komen toe aan Onze Minister en zijn bestemd voor door hem te bepalen mediadoelen in brede zin, met uitzondering van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 7.12, tweede lid, die wordt toegevoegd aan de algemene mediareserve, bedoeld in artikel 2.166.
Artikel 7.14
Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet of artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het Commissariaat, naast of in plaats van het opleggen van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom:
- a. de in de artikelen 6.1 en 6.5 bedoelde uren van de desbetreffende instelling verminderen of intrekken; en
- b. de uren intrekken of verminderen die de Ster op grond van artikel 2.95 op de programmakanalen van de landelijke publieke mediadienst ter beschikking heeft.
Artikel 7.15
Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2013/570.
Bij een onherroepelijke veroordeling tot een onvoorwaardelijke geldboete op grond van artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht verbiedt het Commissariaat:
- a. een omroepvereniging, de educatieve media-instelling en een kerkgenootschap of genootschap op geestelijke grondslag tijdelijk een erkenning of aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2.2.2 respectievelijk afdeling 2.2.4, te gebruiken;
- b. een regionale of lokale publieke media-instelling tijdelijk een aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.1, te gebruiken; en
- c. een commerciële media-instelling tijdelijk een toestemming als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3.1, te gebruiken.
Een verbod geldt voor een periode van:
- a. één jaar, bij een geldboete van minder dan € 1 125;
- b. twee jaar, bij een geldboete van € 1 125 of meer, maar minder dan € 2 250;
- c. drie jaar, bij een geldboete van € 2 250 of meer, maar minder dan € 3 375; en
- d. vier jaar, bij een geldboete van € 3 375 of meer.
Artikel 7.16
Vervallen
Artikel 7.17
Bij intrekking of vermindering van uren kan het Commissariaat als dat nodig is de verdeling van de uren, bedoeld in de artikelen 6.1 en 6.5, herzien.
Artikel 7.18
De publieke en commerciële media-instellingen, alsmede politieke partijen en de overheid bewaren gedurende twee weken na de uitzending opnamen van het door hen verzorgde programma-aanbod en stellen deze desgevraagd ter beschikking van het Commissariaat.
Een media-instelling die een mediadienst op aanvraag verzorgt, bewaart haar media-aanbod nog gedurende twee weken vanaf het moment dat het aanbod niet meer op aanvraag kan worden afgenomen en stelt het desgevraagd ter beschikking van het Commissariaat.
Artikel 7.19
De in artikel 7.11, tweede lid, bedoelde toezichthouders zijn bevoegd:
- a. met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner; en
- b. bedrijfsruimten en voorwerpen te verzegelen gedurende de tijd gelegen tussen 18.00 uur en 08.00 uur voor zover dat voor de uitoefening van de in artikel 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde bevoegdheden redelijkerwijs nodig is.
De toezichthouders oefenen de in het eerste lid genoemde bevoegdheden zo nodig uit met behulp van de sterke arm.
Artikel 7.20
Het Commissariaat stelt jaarlijks vóór 1 november Onze Minister in kennis van het voorgenomen handhavingsbeleid in het volgende kalenderjaar.
Het Commissariaat oefent geen voorafgaand toezicht uit op de inhoud van media-aanbod.
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Artikel 8.1
Er is een Stimuleringsfonds voor de journalistiek.
Het Stimuleringsfonds heeft rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente ’s-Gravenhage.
Artikel 8.2
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- Stimuleringsfonds: Stimuleringsfonds voor de journalistiek.
Op het Stimuleringsfonds is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing met uitzondering van artikel 22.
Artikel 8.3
Het Stimuleringsfonds heeft tot doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.
Het Stimuleringsfonds is belast met:
- a. het verstrekken van subsidies;
- b. het verrichten of doen verrichten van onderzoek met betrekking tot het functioneren van de pers; en
- c. de uitvoering van overige taken die hem zijn opgedragen bij of krachtens deze wet en andere wetten.
Artikel 8.4
Het Stimuleringsfonds heeft een bestuur dat bestaat uit een voorzitter en ten hoogste zes andere leden.
Een benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
Onverminderd artikel 12 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen gebeurt benoeming door Onze Minister van de leden van het bestuur op de voordracht van het bestuur en met inachtneming van het vierde tot en met negende lid.
Bij een vacature draagt het bestuur zorg voor de procedure die leidt tot de voordracht, bedoeld in het derde lid.
Het bestuur stelt profielschetsen op voor de vacature en voor het bestuur als geheel.
De profielschetsen behoeven de instemming van Onze Minister.
Het bestuur maakt de profielschetsen na de instemming openbaar.
De voordracht van het bestuur aan Onze Minister is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot de voordracht.
Onze Minister neemt de voordracht over, tenzij deze in strijd is met:
- a. deze wet;
- b. eisen van zorgvuldigheid;
- c. andere zwaarwegende belangen; of
- d. een redelijke verwachting dat de voorgedragen kandidaat geschikt zal zijn voor de vervulling van de taak van lid van het bestuur en het bestuur bij benoeming overeenkomstig de voordracht naar behoren zal zijn samengesteld.
Artikel 8.5
Onverminderd artikel 13 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen zijn met het lidmaatschap van het bestuur van het Stimuleringsfonds onverenigbaar:
- a. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
- b. een dienstbetrekking bij een ministerie, een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een minister; en
- c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij de NPO, een publieke media-instelling, een omroepvereniging die in een samenwerkingsomroep vertegenwoordigd is, een commerciële media-instelling of een uitgever van een persorgaan.
Artikel 8.6
Het Stimuleringsfonds neemt besluiten bij meerderheid van stemmen.
Het Stimuleringsfonds kan slechts met instemming van alle leden aan één of meer van zijn leden mandaat en machtiging verlenen voor het uitvoeren van delen van zijn taak.
Het Stimuleringsfonds stelt inzake zijn besluitvorming en werkwijze een bestuursreglement vast.
Artikel 8.7
Onze Minister vergoedt uit de in artikel 8.8 bedoelde inkomsten en uit andere beschikbare financiële middelen de kosten van het Stimuleringsfonds op basis van de door hem goedgekeurde begroting.
Artikel 8.8
Bij ministeriële regeling:
- a. kan worden bepaald welk percentage, dat ten hoogste vier procent bedraagt, van de inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen van onderscheidenlijk de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten en de commerciële media-instellingen jaarlijks wordt uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds; en
- b. kunnen regels worden gesteld over de vaststelling van de in onderdeel a bedoelde inkomsten.
Regionale en lokale publieke media-instellingen en commerciële media-instellingen voldoen jaarlijks het met toepassing van het eerste lid vastgestelde bedrag aan het Commissariaat, dat het ter beschikking stelt aan Onze Minister.
Artikel 8.9
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inrichting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.
Titel 7.1. Commissariaat voor de Media
Artikel 8.10
Het Stimuleringsfonds kan binnen de door Onze Minister beschikbaar gestelde bedragen subsidie verstrekken op grond van deze titel.
Subsidie wordt alleen verstrekt ten behoeve van persorganen die voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a. zij worden in Nederland uitgegeven en zijn bestemd voor het publiek in Nederland;
- b. zij bevatten in belangrijke mate nieuws, analyse, commentaar en achtergrondinformatie over een gevarieerd deel van de maatschappelijke actualiteit, mede in het belang van politieke meningsvorming;
- c. zij worden geredigeerd door een zelfstandige redactie op basis van een statuut waarin de redactionele identiteit is neergelegd;
- d. zij verschijnen regelmatig en ten minste maandelijks;
- e. zij zijn voor iedereen verkrijgbaar;
- f. vervallen;
- g. zij worden niet uitgegeven door of vanwege de overheid; en
- h. zij worden niet uitgegeven of verspreid in samenhang met het lidmaatschap, donateurschap of deelnemerschap van een vereniging, kerkgenootschap of andere organisatie.
Artikel 8.11
Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken in de vorm van kredieten of kredietfaciliteiten voor de uitvoering van een project dat gericht is op een rendabele exploitatie van het persorgaan.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
- a. de continuïteit van het persorgaan in gevaar is;
- b. de noodzakelijke financiële middelen niet of niet afdoende op andere wijze kunnen worden verkregen;
- c. het project wordt uitgevoerd volgens een activiteitenplan dat uitzicht biedt op een rendabele exploitatie van het persorgaan binnen een redelijke periode; en
- d. het activiteitenplan door het Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
Uitsluitend ten behoeve van een eenmalige reorganisatie van een persorgaan kan de subsidie worden verstrekt in de vorm van een uitkering als het activiteitenplan niet op doeltreffende wijze kan worden uitgevoerd met kredieten of kredietfaciliteiten.
Artikel 8.12
Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van het starten van de exploitatie van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken in de vorm van kredieten of kredietfaciliteiten.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
- a. het persorgaan regelmatig en ten minste maandelijks verschijnt;
- b. het starten van de exploitatie zonder subsidie niet mogelijk is;
- c. het starten van de exploitatie plaatsvindt volgens een activiteitenplan dat uitzicht biedt op een rendabele exploitatie binnen een redelijke periode; en
- d. het activiteitenplan door het Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
Subsidie kan worden verstrekt tot ten hoogste de helft van de in het activiteitenplan begrote kosten die zijn berekend volgens door het Stimuleringsfonds vast te stellen richtlijnen over een periode van ten hoogste vier jaar vanaf de start van de exploitatie.
Als de werkelijke exploitatietekorten lager zijn dan de voorziene exploitatiekosten kan de subsidie lager worden vastgesteld tot ten hoogste vijfentwintig procent van de werkelijke exploitatietekorten.
Artikel 8.13
Het Stimuleringsfonds kan ten behoeve van twee of meer persorganen gezamenlijk aan de uitgever of uitgevers daarvan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project gericht op het verbeteren van de exploitatiepositie van die persorganen.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
- a. het project wordt uitgevoerd volgens een activiteitenplan dat door de verantwoordelijke uitgever of door de verantwoordelijke uitgevers gezamenlijk is opgesteld en dat uitzicht biedt op een structurele verbetering van de exploitatiepositie van de persorganen binnen een redelijke termijn;
- b. het project past in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds; en
- c. het activiteitenplan door het Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
Artikel 8.14
Het Stimuleringsfonds kan voor het verrichten van organisatieonderzoek dat gericht is op structurele verbetering van de exploitatiepositie van een persorgaan aan de uitgever daarvan subsidie verstrekken.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
- a. de exploitatie in het boekjaar voorafgaand aan de aanvraag van de subsidie verliesgevend is geweest of dreigde te worden;
- b. door de uitgever een voorstel is ingediend dat de opzet en uitvoering van het onderzoek bevat;
- c. het voorgestelde onderzoek past in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds; en
- d. het voorstel voor het onderzoek door het Stimuleringsfonds is goedgekeurd.
Subsidie kan worden verstrekt tot ten hoogste tweederde deel van de kosten van het onderzoek.
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Artikel 8.15
Het Stimuleringsfonds kan subsidie verstrekken voor het verrichten van onderzoek ten behoeve van de persbedrijfstak als geheel.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
- a. een voorstel is ingediend dat de opzet en uitvoering van het onderzoek bevat;
- b. het voorgestelde onderzoek betrekking heeft op de bedrijfstak als geheel en past in de doelstellingen van het Stimuleringsfonds; en
- c. het voorstel voor het onderzoek is goedgekeurd door het Stimuleringsfonds.
Titel 6.1. Politieke partijen en overheid
Artikel 8.16
Het Stimuleringsfonds kan ieder jaar subsidieplafonds vaststellen voor de verschillende activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt.
Een besluit tot vaststelling van een subsidieplafond wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.
Artikel 8.17
Subsidies worden verstrekt op aanvraag.
Het Stimuleringsfonds kan een aanvraag voorleggen aan een externe adviesinstantie.
Het Stimuleringsfonds waarborgt dat vertrouwelijke gegevens betreffende de bedrijfsvoering van de aanvrager als zodanig behandeld worden.
Artikel 8.18
Verplichtingen die het Stimuleringsfonds aan een subsidieontvanger oplegt hebben geen betrekking op de inhoud van een persorgaan.
Artikel 8.19
Het Stimuleringsfonds doet van een besluit tot verlening van een subsidie binnen een week nadat het besluit is genomen mededeling in de Staatscourant, met vermelding van de hoogte van de subsidie.
Artikel 8.20
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over:
- a. de nadere voorwaarden voor het verkrijgen van subsidie;
- b. de verplichtingen die het Stimuleringsfonds bij de subsidieverstrekking kan opleggen;
- c. de indiening en wijze van behandeling van aanvragen;
- d. de hoogte van subsidies en de wijze van berekening daarvan;
- e. de wijze waarop de beschikbare financiële middelen voor de verschillende subsidies worden verdeeld als een subsidieplafond is vastgesteld;
- f. de verstrekking van voorschotten; en
- g. de intrekking, wijziging en terugvordering van subsidies.
Voorwaarden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben geen betrekking op de inhoud van een persorgaan.
Artikel 8.21
Met het toezicht op de naleving van de bepalingen en voorschriften die op grond van dit hoofdstuk gelden voor subsidieontvangers zijn belast de leden van het Stimuleringsfonds en de bij besluit van het Stimuleringsfonds aangewezen medewerkers van het Stimuleringsfonds.
Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Artikel 9.7
Voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 kan Onze Minister met inachtneming van afdeling 2.2.2 en onverminderd artikel 9.8a de erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste lid, alleen verlenen aan:
- a. de omroepverenigingen Evangelische Omroep, MAX en VPRO;
- b. de omroeporganisaties die gevormd zijn uit de omroepverenigingen Algemene Omroepvereniging AVRO en TROS, BNN en VARA onderscheidenlijk KRO en NCRV; en
- c. de omroeporganisaties van de in de onderdelen a en b genoemde samenstelling met inbegrip van een of beide omroepverenigingen PowNed en WNL.
Artikel 9.8
In afwijking van artikel 2.32, eerste lid, onderdeel a, wijst Onze Minister een aanvraag voor een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens af, als de aanvrager niet voldoet aan artikel 9.7.
In afwijking van artikel 2.33, eerste lid, onderdeel a, trekt Onze Minister een erkenning voor de periode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 eveneens in, als de aanvrager niet meer voldoet aan artikel 9.7.
Artikel 9.9
De leden van de raad van toezicht van de Nederlandse Programma Stichting, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.36 van de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, zijn met ingang van dat tijdstip van inwerkingtreding, lid van de raad van toezicht van de NTR, bedoeld in artikel 2.36, zoals dat artikel luidt op dat tijdstip, voor het resterende gedeelte van hun benoemingstermijn. Deze leden van de raad van toezicht van de NTR kunnen voor een aansluitende periode van maximaal vier jaar eenmaal herbenoemd worden.
Artikel 9.10
Ten behoeve van de financiële verantwoording over het jaar 2015 blijven met betrekking tot kerkgenootschappen, genootschappen op geestelijke grondslag en rechtspersonen waarin twee of meer van deze genootschappen samenwerken waaraan een aanwijzing was verleend, bedoeld in artikel 2.42, zoals dat artikel luidde op 31 december 2015, de artikelen 2.171 tot en met 2.174 en 2.176 tot en met 2.178 van toepassing. De artikelen 2.138b en 2.179 zoals die artikelen luidden op 31 december 2015 zijn eveneens van toepassing.
Artikel 9.11
De vaststelling van het budget, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, onderdeel d, is voor de kalenderjaren 2014 en 2015 ten minste gebaseerd op de wettelijke grondslagen zoals die golden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het onderdeel betreffende artikel 2.149 van de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren, ten aanzien van de vaststelling van het budget van de Nederlandse Programma Stichting en de educatieve media-instelling die een erkenning had verkregen op grond van artikel 2.28, zoals dat artikel toen luidde.
Artikel 9.12
In afwijking van artikel 2.150, derde lid, komt:
- a. jaarlijks voor de kalenderjaren 2016 tot en met 2020 vijf procent van het totaal van de budgetten, bedoeld in artikel 2.149, eerste lid, dat is vastgesteld voor het kalenderjaar 2016 ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b, of van de omroeporganisaties van de in dat onderdeel genoemde samenstelling met inbegrip van een of beide omroepverenigingen PowNed en WNL; en
- b. het overige budget geheel ten goede aan media-aanbod van de omroeporganisaties, de NOS, en de NTR.
Aan elk van de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde omroeporganisaties wordt een gelijk deel van het budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, besteed.
Artikel 9.13
De artikelen 2.184 tot en met 2.187 blijven buiten toepassing voor de vijfjaarlijkse periode van de concessie, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, die loopt van 1 september 2010 tot en met 31 december 2015.
Artikel 9.14
Van overdrachtsbelasting zijn vrijgesteld verkrijgingen van onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, bij vorming van een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, aanhef en onderdelen b en c.
Het eerste lid is alleen van toepassing als de onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen uiterlijk 1 juli 2015 worden verkregen vanwege fusie tot een omroepvereniging of oprichting van een samenwerkingsomroep.
Als onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen, die zijn verkregen onder toepassing van het eerste en tweede lid, als gevolg van het niet finaal tot stand komen van een omroeporganisatie worden verkregen door de inbrenger, is die verkrijging vrijgesteld van overdrachtsbelasting.
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen
Artikel 9.16
Onze Minister stelt regels ter uitvoering van artikel 22 van de Europese richtlijn, voor zover naar het oordeel van Onze Minister een of meer van deze artikelen niet, niet voldoende, niet juist of niet tijdig zijn uitgewerkt in de Nederlandse Reclame Code of in een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling, dan wel de Stichting Reclame Code in gebreke blijft met het toezicht daarop.
Artikel 9.17
Een wijziging van de Europese richtlijn gaat voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 1.2, 2.115 tot en met 2.121, 3.20 tot en met 3.23, en hoofdstuk 5 gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Artikel 9.18
Na inwerkingtreding van deze wet:
- a. vervallen;
- b. berust het besluit van 23 juni 1988 (Stb. 341), houdende regelen ter uitvoering van artikel 173 van de Mediawet, op artikel 6.26, eerste lid;
- c. berust de Regeling toezichtskosten commerciële omroep op artikel 3.30, tweede lid;
- d. berust de Regeling aanwijzing en gebruik frequentieruimte commerciële radio-omroep 2003 op artikel 6.23, eerste en tweede lid.
Artikel 9.19
De Mediawet wordt ingetrokken.
Artikel 9.20
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Als deze wet na 31 december 2008 in werking treedt, werken de artikelen 2.143, 2.144 en 9.1, onderdeel a, terug tot en met 1 januari 2008.
Artikel 9.21
Deze wet wordt aangehaald als: Mediawet 2008.
Bij plaatsing in het Staatsblad wordt de in deze wet voorkomende aanduiding «20..» telkens vervangen door het jaartal van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.21a
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)