Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 9.14a
In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van:
- a. omroepverenigingen als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b, voor zover dat leidt tot de in dat onderdeel bedoelde omroeporganisaties; of
- b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel c, met een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel a, of met een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b.
Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Titel 8.4. Overige bepalingen
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.148a
Voorafgaand aan elke periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, wordt door Onze Minister het bedrag vastgesteld dat de landelijke publieke mediadienst in die periode jaarlijks ten minste ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van zijn taakvervulling.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag is voor het eerste jaar van de genoemde periode gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar. Het aandeel van de rijksmediabijdrage in dat bedrag wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig:
- a. de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor het desbetreffende jaar geraamde index voor de groei van het aantal huishoudens in Nederland; en
- b. de door het Centraal Planbureau voor het desbetreffende jaar geraamde consumentenprijsindex.
Indien na aanvang van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de met inachtneming van het eerste en tweede lid vastgestelde bedragen, kan Onze Minister de hoogte van het voor resterende jaren ter beschikking te stellen bedrag wijzigen met inachtneming van een redelijke termijn. De hoogte van het aldus gewijzigde bedrag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende jaar waarin het gewijzigde bedrag voor het eerst van toepassing is ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig de onderdelen a en b van het tweede lid.
In geval van een wijziging van het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, vergoedt Onze Minister de schade die de landelijke publieke mediadienst lijdt doordat hij in vertrouwen op het eerder vastgestelde bedrag anders heeft gehandeld dan hij met inachtneming van het gewijzigde bedrag zou hebben gedaan.
Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst
Artikel 2.173a
Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de RPO en de regionale publieke media-instellingen.
De RPO en de regionale publieke media-instellingen zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat.
De artikelen 2.172 en 2.173 zijn van toepassing.
Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering
Paragraaf 2.6.3.1. Begroting
Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie
Titel 2.7. Evaluatie
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.2. Programma-aanbod
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Paragraaf 3.2.4.3. Films
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Titel 3.3. Toezichtskosten
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag
Afdeling 6.1.2. Overheid
Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Artikel 6.9a
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- «abonnee»: natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij een overeenkomst met een pakketaanbieder met betrekking tot de ontvangst van een of meer programmapakketten;
- «pakketaanbieder»: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een of meer programmapakketten tegen betaling verspreidt of laat verspreiden door middel van een omroepnetwerk of een omroepzender;
- «programmapakket»: een door een natuurlijk persoon of rechtspersoon samengesteld geheel van televisie- en radioprogrammakanalen die hoofdzakelijk door derden zijn geproduceerd;
- «standaardprogrammapakket»: een programmapakket als bedoeld in artikel 6.13 of in artikel 6.14.
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Artikel 6.14b
Het digitale standaardprogrammapakket dat een pakketaanbieder door middel van een satelliet verspreidt of laat verspreiden, bevat in afwijking van artikel 6.13, derde en vierde lid, niet het programma-aanbod op programmakanalen als bedoeld in de onderdelen b, c, d en e van artikel 6.13, derde lid, onderscheidenlijk de onderdelen b, c en d van artikel 6.13, vierde lid.
Artikel 6.14c
Vervallen
Artikel 6.14d
Het Commissariaat kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.13, 6.14 en 6.14b en de op die artikelen berustende voorschriften, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.1.2. Overheid
Titel 6.1. Politieke partijen en overheid
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Artikel 7.16a
Het Commissariaat kan aan een landelijke of regionale publieke media-instelling een aanwijzing geven, als:
- a. sprake is van wanbeheer van een of meer leden van het bestuur of van het toezichthoudende orgaan; of
- b. deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn.
Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:
- a. financieel wanbeleid;
- b. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de instelling, van de leden van het bestuur of het toezichthoudende orgaan zelf of van een derde; of
- c. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen of de kennelijke geest van wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de instelling, van de leden van het bestuur of het toezichthoudende orgaan zelf of van een derde.
In de aanwijzing geeft het Commissariaat gemotiveerd aan op welke punten sprake is van wanbeheer en de in verband daarmee te nemen maatregelen.
De instelling voldoet aan de aanwijzing. In de aanwijzing wordt daarvoor een termijn gesteld.
Voordat het Commissariaat een aanwijzing geeft, stelt hij de instelling vier weken in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen.
Een aanwijzing kan inhouden de opdracht om bestuurders of toezichthouders te vervangen.
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen
Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Titel 7.3. Overige taken
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 2.2.2. Omroeporganisaties
Artikel 2.24a
Een samenwerkingsomroep is een vereniging of stichting waarin twee of meer omroepverenigingen vertegenwoordigd zijn, die gericht is op het voeren van een landelijke publieke media-instelling en die:
- a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid is;
- b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stelt ter uitvoering van de publieke mediaopdracht op landelijk niveau media-aanbod te verzorgen en alle activiteiten te verrichten die nodig zijn om daarmee een publieke taak van algemeen nut te vervullen;
- c. zich volgens de statuten ten doel stelt in het media-aanbod bepaalde, in de statuten aangeduide maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke stromingen te vertegenwoordigen, overeenkomstig de statuten van de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, en zich in het media-aanbod te richten op de bevrediging van in de samenleving levende maatschappelijke, culturele of godsdienstige dan wel geestelijke behoeften;
- d. als de samenwerkingsomroep een vereniging is, zijn leden op democratisch aanvaardbare wijze invloed geeft op het beleid; en
- e. ervoor zorg draagt dat de omroepverenigingen die hij vertegenwoordigt, een jaarlijkse contributie heffen van ten minste € 8,50, waarin de verstrekking van een programmablad niet is begrepen.
Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.
Artikel 9.8a
De omroepverenigingen PowNed en WNL kunnen afzien van deelname aan de procedure tot verlening van de erkenningen, bedoeld in artikel 9.7, door het indienen van een aanvraag voor een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid. In afwijking van artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020, een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, verlenen aan een of beide van de omroepverenigingen.
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting
Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.170b
Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.
De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.
Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de colleges van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid.
Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.
Paragraaf 2.6.3.1. Begroting
Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten
Titel 2.7. Evaluatie
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.2. Programma-aanbod
Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten
Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen
Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Paragraaf 3.2.4.3. Films
Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting
Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen
Artikel 9.15
De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.60a
Onze Minister wijst een stichting aan als het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau, bedoeld in artikel 2.1.
De stichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als de RPO.
De RPO wordt belast met de volgende taken:
- a. het bevorderen van samenwerking en coördinatie met het oog op de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau;
- b. het behartigen van zaken die van gemeenschappelijk belang zijn voor de regionale publieke mediadienst en de regionale publieke media-instellingen;
- c. het sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten en het vaststellen van normen voor de honorering van freelancers, mede in naam van de regionale publieke media-instellingen;
- d. het bevorderen van een doelmatige inzet van de gelden die bestemd zijn voor de verzorging en verspreiding van het media-aanbod en het bevorderen van geïntegreerde financiële verslaglegging en verantwoording;
- e. het inrichten, in stand houden, beheren en exploiteren en regelen van het gebruik van organen, diensten en faciliteiten, waaronder studio’s en distributie-infrastructuren, die nodig zijn voor een goede uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau; en
- f. andere taken waarmee zij bij de wet wordt belast.
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op de RPO.
Artikel 2.60b
De organen van de RPO zijn een raad van toezicht en een bestuur.
Artikel 2.60c
De raad van toezicht van de RPO bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.
Bij een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel op waarover hij in ieder geval het bestuur van de RPO en de gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen in de gelegenheid stelt binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven.
Na betrekking van de zienswijzen stelt de raad van toezicht de profielschetsen vast en maakt deze openbaar.
Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht.
De raad van toezicht geeft een zwaarwegend advies aan Onze Minister voor de voordracht, bedoeld in het eerste lid.
Het advies, bedoeld in het vijfde lid, is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot het advies.
Onze Minister neemt het advies over, tenzij het in strijd is met:
- a. deze wet;
- b. eisen van zorgvuldigheid; of
- c. andere zwaarwegende belangen.
Indien Onze Minister het advies niet overneemt, verzoekt hij onder opgave van een schriftelijke motivering de raad van toezicht ervoor te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen en informeert hij de Tweede Kamer dat een advies niet is overgenomen en de grond hiervoor.
Ten behoeve van de ondersteuning bij het opstellen van de profielschetsen door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten door de benoemingsadviescommissie, schakelt de raad van toezicht een wervingsadviesbureau in.
De gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen kunnen voor benoeming van een van de andere leden als bedoeld in het eerste lid, personen aanbevelen aan de benoemingsadviescommissie.
Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
Artikel 2.60d
Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de RPO is onverenigbaar met:
- a. het lidmaatschap van het bestuur van de RPO;
- b. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling;
- c. het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een commerciële media-instelling;
- d. het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal, een provinciaal bestuur of een gemeentebestuur;
- e. een dienstbetrekking bij een ministerie of bij een dienst, instelling of bedrijf vallende onder de verantwoordelijkheid van een Minister; en
- f. het hebben van financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en het vervullen van nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van het betrokken lid of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:
- a. ongeschiktheid;
- b. disfunctioneren; en
- c. onverenigbaarheid als bedoeld in het eerste lid.
Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.
De leden van de raad van toezicht van de RPO ontvangen van de RPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.
Artikel 2.60e
De raad van toezicht van de RPO houdt toezicht op het beleid van het bestuur van de RPO, de algemene gang van zaken bij de RPO en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau en staat het bestuur van de RPO met advies terzijde.
De raad van toezicht van de RPO is verder belast met:
- a. het vaststellen van de jaarrekening van de RPO; en
- b. het wijzigen van de statuten van de RPO, op voorstel van het bestuur van de RPO.
Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht van de RPO zich naar het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst.
De raad van toezicht stelt een rooster van aftreden voor zijn leden op waarin wordt voorzien dat de leden niet allen gelijktijdig aftreden.
Artikel 2.60f
Het bestuur van de RPO bestaat uit ten hoogste zes leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de RPO.
Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.
Artikel 2.60g
Voor het bestuur van de RPO is artikel 2.60d, eerste lid, onder c tot en met f, van overeenkomstige toepassing.
Het lidmaatschap van het bestuur van de RPO is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling, de regionale publieke media-instellingen uitgezonderd.
De leden van het bestuur van de RPO zijn in dienst van de RPO. De raad van toezicht van de RPO stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.
Artikel 668a, eerste tot en met vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de leden van het bestuur van de RPO.
Een lid van het bestuur van de RPO kan niet na beëindiging van dat lidmaatschap voor een aansluitende periode worden benoemd als lid van de raad van toezicht van de RPO.
Artikel 2.60h
Het bestuur van de RPO is belast met de uitvoering van de taken van de RPO.
Naast de andere taken en bevoegdheden die het bestuur van de RPO heeft op grond van deze wet, is hij belast met:
- a. de dagelijkse leiding over de werkzaamheden van de RPO;
- b. het vaststellen van de regelingen die nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de RPO;
- c. het vaststellen van het concessiebeleidsplan RPO;
- d. het aangaan van de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.60n;
- e. het vaststellen van de begroting, bedoeld in artikel 2.169a; en
- f. het vaststellen van het bestuursverslag, bedoeld in artikel 2.17, in samenhang met artikel 2.60j, eerste lid.
Artikel 2.60i
De volgende besluiten van het bestuur van de RPO behoeven de instemming van de raad van toezicht van de RPO:
- a. de besluiten, bedoeld in het artikel 2.60h, tweede lid, onder c tot en met f;
- b. het doen van investeringen die een in de statuten van de RPO vastgesteld bedrag te boven gaan;
- c. het door de RPO aangaan of verbreken van duurzame samenwerking met een andere rechtspersoon of vennootschap als die samenwerking van ingrijpende betekenis is voor de RPO of de regionale publieke media-instellingen;
- d. collectief ontslag van een aanmerkelijk aantal werknemers; en
- e. het vaststellen van ingrijpende wijzigingen in de arbeidsomstandigheden van een aanmerkelijk aantal werknemers.
De verdere werkwijze van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO wordt geregeld in de statuten en reglementen van de RPO.
In de statuten wordt in ieder geval geregeld op welke wijze de regionale publieke media-instellingen worden betrokken bij de besluitvorming van het bestuur van de RPO.
Artikel 2.60j
De artikelen 2.15 tot en met 2.18, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor de RPO.
De raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO kunnen niet besluiten tot ontbinding van de RPO.
Artikel 2.60k
Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau wordt bij koninklijk besluit aan de RPO een concessie verleend die geldt voor tien jaar en in werking treedt met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 2.60l
Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de RPO een concessiebeleidsplan RPO voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.
Het concessiebeleidsplan RPO bevat in elk geval:
- a. een beschrijving van de wijze waarop in de komende vijf jaar de publieke mediaopdracht op regionaal niveau wordt uitgevoerd, tevens uitgewerkt in kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de regionale publieke mediadienst;
- b. aard en aantal van de programmakanalen en de daarvoor gewenste frequentieruimte;
- c. aard en aantal van de overige aanbodkanalen;
- d. een onderbouwd overzicht van de naar verwachting benodigde organisatorische, personele, materiële en financiële middelen; en
- e. een beschrijving van de samenwerking met de landelijke en lokale publieke media-instellingen en anderen.
Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan RPO en het tijdstip van indiening.
Het bestuur van de RPO stelt het concessiebeleidsplan RPO vast na overleg met in elk geval de regionale publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken landelijke en lokale publieke media-instellingen.
Artikel 2.60m
De RPO maakt het concessiebeleidsplan RPO openbaar.
Over het concessiebeleidsplan RPO vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur. Bij toepassing van het vierde lid wordt het advies gevraagd na afloop van de termijn, genoemd in dat lid, onder a.
Het concessiebeleidsplan RPO behoeft de instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.60l, tweede lid, onder b en c, waarbij de instemming geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in de Telecommunicatiewet.
Voor zover de instemming, bedoeld in het derde lid, betrekking heeft op een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal:
- a. kunnen belanghebbenden gedurende vier weken na openbaarmaking van het concessiebeleidsplan mondeling of schriftelijk zienswijzen naar voren brengen bij Onze Minister; en
- b. kan Onze Minister de Autoriteit Consument en Markt na afloop van de termijn, genoemd onder a, verzoeken een rapportage uit te brengen met een analyse van de mogelijke effecten van het aanbodkanaal op de daarvoor relevante markten.
Bij toepassing van het vierde lid maken het Commissariaat, de Raad voor cultuur en de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van hun adviezen dan wel rapportage gebruik van de zienswijzen, bedoeld in dat lid, onder a. Onze Minister doet die zienswijzen aan hen toekomen.
Het Commissariaat kan de Autoriteit Consument en Markt de gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de analyse, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b.
Op de voorbereiding van een besluit over instemming als bedoeld in het vierde lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Als de RPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan RPO, dan neemt zij die op in de begroting. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.60n
Mede op basis van het concessiebeleidsplan RPO sluiten Onze Minister en de RPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan RPO.
De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:
- a. kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de regionale publieke mediadienst;
- b. maatregelen bij niet naleving, voor zover mogelijk binnen het bepaalde bij of krachtens deze wet; en
- c. tussentijdse wijziging in verband met veranderende inzichten of omstandigheden.
De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de regionale publieke mediadienst.
Artikel 2.60o
De regionale publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de RPO, het bestuur van de RPO en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de RPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO redelijkerwijs nodig is.
Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst
Titel 2.4. Wereldomroep
Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten
Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen
Afdeling 2.5.3. Sponsoring
Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films
Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie
Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak
Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten
Artikel 2.169a
De RPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de regionale publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.
De begroting bevat in elk geval:
- a. een beschrijving van de wijze waarop door de RPO en de regionale publieke media-instellingen invulling wordt gegeven aan het voorgenomen media-aanbod op de verschillende aanbodkanalen, met in achtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet;
- b. een overzicht van aard en aantal van de aanbodkanalen;
- c. de financiële middelen die voor het volgende kalenderjaar nodig zijn om de voornemens met betrekking tot de regionale publieke mediadienst te verwezenlijken en een raming voor de daarop volgende vier jaar;
- d. een toelichting op de onderscheiden onderdelen en begrotingsposten; en
- e. een beschrijving van de samenwerking met de landelijke en lokale publieke media-instellingen en anderen.
De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:
- a. de eigen inkomsten van de regionale publieke media-instellingen, die gebruikt moeten worden voor de verzorging van het media-aanbod; en
- b. de financiële middelen voor de uitvoering van de taken en werkzaamheden van de RPO.
Artikel 2.169b
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.
Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.
De RPO maakt de begroting openbaar.
Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten
Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen
Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films
Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Titel 3.3. Toezichtskosten
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Afdeling 6.1.2. Overheid
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid
Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen
Afdeling 6.1.2. Overheid
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen
Hoofdstuk 8. De journalistiek
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen
Artikel 9.14b
In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van:
- a. omroepverenigingen als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b, voor zover dat leidt tot de in dat onderdeel bedoelde omroeporganisaties; of
- b. een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel c, met een omroepvereniging als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel a, of met een omroeporganisatie als bedoeld in artikel 9.7, onderdeel b.
Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Artikel 9.14c
In afwijking van artikel 2.60k kan de eerste concessie die wordt verleend aan de RPO gelden voor een periode korter dan tien jaar.
In geval van toepassing van het eerste lid heeft het eerste concessiebeleidsplan RPO, in afwijking van artikel 2.60l, betrekking op de volledige periode van de eerste concessie.
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Artikel 9.14d
De concessie van de NPO, de concessieperiode en de tweede van de twee perioden van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, de tweede periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, de erkenningen en de voorlopige erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste, respectievelijk tweede lid, en de erkenningperiode die gelden op het moment van inwerkingtreding van dit artikel worden, voor zover van toepassing in afwijking van deze wet, van rechtswege met een jaar verlengd.
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.170c
Het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.
Het overlegorgaan dient jaarlijks vóór 1 mei een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in bij Onze Minister.
Artikel 2.170d
Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster aan het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, een bijdrage in de kosten ter beschikking.
Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.
Als het overlegorgaan niet voldoet aan artikel 2.170c of indien hij de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister:
- a. de beschikking waarbij de desbetreffende instelling is aangewezen, intrekken; of
- b. het besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen intrekken of wijzigen.
Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening
Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering
Titel 2.7. Evaluatie
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten
Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen
Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties
Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties
Titel 3.3. Toezichtskosten
Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten
Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid
Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Titel 7.1. Commissariaat voor de Media
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen
Titel 7.3. Overige taken
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Hoofdstuk 8. De journalistiek
Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Titel 9.1. Overgangsbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 3a.1
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- aanbieder van een videoplatform: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een videoplatformdienst aanbiedt;
- audiovisuele commerciële communicatie: beelden, al dan niet met geluid, die dienen om direct of indirect de goederen, de diensten of het imago van een natuurlijke of rechtspersoon die een economische activiteit verricht, te promoten en deel uitmaken van audiovisueel media-aanbod of van een door gebruikers gegenereerde video, tegen betaling of een soortgelijke vergoeding of ten behoeve van zelfpromotie;
- door gebruiker gegenereerde video: een reeks bewegende beelden, al dan niet met geluid, die ongeacht de duur ervan een afzonderlijk element vormt, die door een gebruiker is gecreëerd en door die gebruiker of een andere gebruiker naar een videoplatform is geüpload;
- gedragscode: gedragscode voor een of meer videoplatformen, gericht op de gebruikers van een videoplatformdienst, waarin in ieder geval regels als bedoeld in artikel 3a.3 zijn opgenomen.
- productplaatsing: het tegen betaling of soortgelijke vergoeding opnemen van of het verwijzen naar een product, dienst of (beeld)merk binnen het kader van een programma, met een programma overeenkomend onderdeel van het media-aanbod, of door een gebruiker gegenereerde video;
- sponsoring: het verstrekken van financiële of andere bijdragen door een onderneming of een natuurlijke persoon die zich gewoonlijk niet bezighoudt met de verzorging van mediadiensten of videoplatformdiensten, of met de vervaardiging van audiovisuele werken, ten behoeve van de totstandkoming of aankoop van media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video’s, teneinde de verspreiding daarvan naar het algemene publiek of een deel daarvan te bevorderen of mogelijk te maken;
- videoplatformdienst: dienst of een losstaand gedeelte daarvan,
- a. waarvan het hoofddoel of een essentiële functie bestaat uit het aan het algemene publiek aanbieden van audiovisueel media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video’s ter informatie, vermaak of educatie;
- b. waarvoor de aanbieder van het videoplatform geen redactionele verantwoordelijkheid draagt;
- c. waarvan de organisatie met automatische middelen of algoritmen wordt bepaald door de aanbieder van het videoplatform; en
- d. die wordt aangeboden door middel van openbare elektronische communicatienetwerken als bedoeld in artikel 1.1 van de Telecommunicatiewet.
Artikel 3a.2
Onder de bevoegdheid van Nederland valt een aanbieder van een videoplatformdienst die krachtens artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn in Nederland is gevestigd of geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd.
Een aanbieder van een videoplatform stelt, gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ten minste de volgende gegevens beschikbaar voor het publiek:
- a. naam;
- b. plaats van vestiging;
- c. contactgegevens waaronder e-mailadres of internetadres; en
- d. de naam van het Commissariaat als het orgaan dat is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk.
Artikel 3a.3
Een aanbieder van een videoplatform heeft een gedragscode die maatregelen voorschrijft als bedoeld in artikel 28ter, eerste lid, en tweede lid, tweede en vierde alinea, van de Europese richtlijn, en past deze gedragscode en maatregelen op dit videoplatform toe.
De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, omvat daartoe naargelang het geval de maatregelen als genoemd in artikel 28ter, derde lid, van de Europese richtlijn.
De gedragscode, bedoeld in eerste lid, bevat duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen en voorziet in:
- a. regelmatige, transparante en onafhankelijke toezicht- en evaluatiemaatregelen ten aanzien van de mate waarin de doelstellingen worden bereikt; en
- b. doeltreffende handhaving, met inbegrip van doeltreffende en evenredige sancties.
De aanbieder van een videoplatform zorgt ervoor dat de gedragscode voldoende draagvlak heeft onder de belangrijkste betrokkenen.
Artikel 3a.4
Een aanbieder van een videoplatform die audiovisuele commerciële communicatie in de handel brengt, verkoopt of organiseert, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.
Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.
Artikel 3a.5
Audiovisuele commerciële communicatie op een videoplatformdienst is als zodanig herkenbaar.
In audiovisuele commerciële communicatie wordt geen subliminale technieken gebruikt.
Audiovisuele commerciële communicatie wordt niet aangeboden in de vorm van sluikreclame.
Indien audiovisueel media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten en de aanbieder van een videoplatform daarvan op de hoogte is, informeert de aanbieder van een videoplatform de gebruiker van de videoplatformdienst hierover op een manier die voor de gebruiker duidelijk is.
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Artikel 4.1a
Audiovisueel media-aanbod dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod zodanig beschikbaar gesteld dat personen jonger dan zestien jaar deze normaliter niet te horen of te zien krijgen.
De meest schadelijke inhoud als nodeloos geweld en pornografie wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod ontoegankelijk gemaakt voor personen jonger dan zestien jaar.
Voor zover het televisieprogramma-aanbod betreft dat niet als meest schadelijke inhoud kan worden gekwalificeerd, worden de maatregelen die volgen uit de regelingen als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, beschouwd als maatregelen als bedoeld in het eerste lid.
De op grond van dit artikel door media-instellingen verzamelde of anderszins gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden.
Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten
Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen
Titel 6.1. Politieke partijen en overheid
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Afdeling 6.1.1. Politieke partijen
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod
Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie
Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte
Artikel 6.25a
Het media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling wordt ongewijzigd verspreid, tenzij de betreffende publieke of commerciële media-instelling toestemming heeft gegeven voor een gewijzigde vorm van verspreiding.
Gewijzigde verspreiding van audiovisueel media-aanbod door de toevoeging van een overlay is mogelijk indien:
- a. de ontvanger van de dienst daartoe voor privégebruik het initiatief heeft genomen of toestemming heeft gegeven;
- b. het besturingselementen van gebruikersinterfaces of waarschuwingen, informatie van algemeen belang of ondertiteling betreft;
- c. in geval van commerciële doeleinden: door de publieke of commerciële media-instelling uitdrukkelijk toestemming is gegeven; of
- d. het commerciële communicatie betreft die door de publieke of commerciële media-instelling van de mediadienst wordt aangeboden.
Artikel 6.28
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verzorgen van omroepdiensten die uitsluitend bestemd zijn voor de in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.
Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving
Artikel 7:22
Het Commissariaat houdt een lijst bij met publieke en commerciële media-instellingen die op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder de bevoegdheid van Nederland vallen, met de vermelding op welk criterium als bedoeld in artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Europese richtlijn de rechtsmacht van de betreffende aanbieder is gebaseerd.
Het Commissariaat houdt een lijst bij met de aanbieders van videoplatformen die op grond van artikel 3a.2, eerste lid, onder de bevoegdheid van Nederland vallen, met de vermelding op welk criterium als bedoeld in artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn de rechtsmacht van de betreffende aanbieder is gebaseerd.
Hoofdstuk 8. De pers
Titel 7.2. Toezicht en handhaving
Titel 7.3. Overige taken
Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Titel 9.1. Overgangsbepalingen
Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016
Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR
Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Titel 9.3. Slotbepalingen
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Artikel 2.11a
De raad van toezicht en het college van omroepen hebben ten minste tweemaal per jaar overleg.
Artikel 2.14a
De raad van bestuur benoemt, op voordracht van het college van omroepen, een ombudsman voor de publieke omroep voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is mogelijk.
De raad van bestuur kan de ombudsman tussentijds ontslaan indien deze, ondanks een voorafgaande waarschuwing van het college van omroepen, naar het oordeel van dit college structureel in gebreke blijft.
De raad van bestuur kan voorzien in tijdelijke vervanging van de ombudsman indien deze wegens ziekte of verlof langdurig niet in staat is zijn functie te vervullen.
De ombudsman heeft geen financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en vervult geen nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van de ombudsman of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.
De ombudsman beoordeelt na een klacht of uit eigen beweging het journalistieke handelen van de landelijke publieke media-instellingen bij de verzorging van media-aanbod op het gebied van nieuws, informatie en educatie. Dit oordeel is niet bindend en de ombudsman kan geen rectificatie afdwingen.
Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, bestuursverslag en statuten
Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst
Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting
Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen
Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten
Paragraaf 2.3.1. Stichting Regionale Publieke Omroep
Paragraaf 2.3.1a. Aanwijzing van regionale of lokale publieke media-instelling
Titel 2.4. Wereldomroep
Paragraaf 2.4.1. Taken
Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten
Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten
Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen
Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften
Afdeling 2.5.3. Sponsoring
Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties
Paragraaf 2.5.5.1. Taak
Paragraaf 2.5.4.3. Films
Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten
Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak
Artikel 2.150a
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)