Wet van 29 december 2008 tot vaststelling van een nieuwe Mediawet (Mediawet 2008)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 433
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 9.14a
1.

In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van:

2.

Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Titel 8.4. Overige bepalingen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.148a
1.

Voorafgaand aan elke periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, wordt door Onze Minister het bedrag vastgesteld dat de landelijke publieke mediadienst in die periode jaarlijks ten minste ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van zijn taakvervulling.

2.

Het in het eerste lid bedoelde bedrag is voor het eerste jaar van de genoemde periode gelijk aan het bedrag dat ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar. Het aandeel van de rijksmediabijdrage in dat bedrag wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig:

3.

Indien na aanvang van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, veranderde omstandigheden zich in overwegende mate verzetten tegen ongewijzigde voortzetting van het ter beschikking stellen van de met inachtneming van het eerste en tweede lid vastgestelde bedragen, kan Onze Minister de hoogte van het voor resterende jaren ter beschikking te stellen bedrag wijzigen met inachtneming van een redelijke termijn. De hoogte van het aldus gewijzigde bedrag is gelijk aan het bedrag dat voor het betreffende jaar waarin het gewijzigde bedrag voor het eerst van toepassing is ten behoeve van de landelijke publieke mediadienst beschikbaar wordt gesteld in de rijksbegroting voor dat jaar en wordt voor de daaropvolgende jaren bijgesteld overeenkomstig de onderdelen a en b van het tweede lid.

4.

In geval van een wijziging van het bedrag zoals bedoeld in het derde lid, vergoedt Onze Minister de schade die de landelijke publieke mediadienst lijdt doordat hij in vertrouwen op het eerder vastgestelde bedrag anders heeft gehandeld dan hij met inachtneming van het gewijzigde bedrag zou hebben gedaan.

Afdeling 2.6.2. Bekostiging landelijke publieke mediadienst

Artikel 2.173a
1.

Het Commissariaat is belast met de rechtmatigheidstoetsing van de uitgaven van de RPO en de regionale publieke media-instellingen.

2.

De RPO en de regionale publieke media-instellingen zenden jaarlijks vóór 1 mei de jaarrekening aan het Commissariaat.

3.

De artikelen 2.172 en 2.173 zijn van toepassing.

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Afdeling 2.6.7. Omroeporkesten, omroepkoren, media-archief en expertisecentrum voor media-educatie

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Artikel 6.9a

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Artikel 6.14b

Het digitale standaardprogrammapakket dat een pakketaanbieder door middel van een satelliet verspreidt of laat verspreiden, bevat in afwijking van artikel 6.13, derde en vierde lid, niet het programma-aanbod op programmakanalen als bedoeld in de onderdelen b, c, d en e van artikel 6.13, derde lid, onderscheidenlijk de onderdelen b, c en d van artikel 6.13, vierde lid.

Artikel 6.14c

Vervallen

Artikel 6.14d

Het Commissariaat kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.13, 6.14 en 6.14b en de op die artikelen berustende voorschriften, als het onverkort nakomen daarvan leidt tot disproportionele kosten, tot een belemmering van innovatie of tot anderszins onredelijke uitkomsten. Het Commissariaat kan aan een ontheffing voorschriften verbinden.

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.1.2. Overheid

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Artikel 7.16a
1.

Het Commissariaat kan aan een landelijke of regionale publieke media-instelling een aanwijzing geven, als:

Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.

2.

Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:

3.

In de aanwijzing geeft het Commissariaat gemotiveerd aan op welke punten sprake is van wanbeheer en de in verband daarmee te nemen maatregelen.

4.

De instelling voldoet aan de aanwijzing. In de aanwijzing wordt daarvoor een termijn gesteld.

5.

Voordat het Commissariaat een aanwijzing geeft, stelt hij de instelling vier weken in de gelegenheid haar zienswijze naar voren te brengen.

6.

Een aanwijzing kan inhouden de opdracht om bestuurders of toezichthouders te vervangen.

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van PM tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Titel 7.3. Overige taken

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 2.2.2. Omroeporganisaties

Artikel 2.24a
1.

Een samenwerkingsomroep is een vereniging of stichting waarin twee of meer omroepverenigingen vertegenwoordigd zijn, die gericht is op het voeren van een landelijke publieke media-instelling en die:

2.

Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur naar aanleiding van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde consumentenprijsindex worden aangepast.

Artikel 9.8a

De omroepverenigingen PowNed en WNL kunnen afzien van deelname aan de procedure tot verlening van de erkenningen, bedoeld in artikel 9.7, door het indienen van een aanvraag voor een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid. In afwijking van artikel 2.26, eerste lid, onderdeel a, kan Onze Minister voor de erkenningperiode die loopt van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020, een voorlopige erkenning als bedoeld in artikel 2.23, tweede lid, verlenen aan een of beide van de omroepverenigingen.

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting

Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.8. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.170b
1.

Het college van burgemeester en wethouders zorgt voor de bekostiging van het functioneren van de lokale publieke media-instelling als de gemeenteraad een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid heeft uitgebracht en daarbij positief heeft geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c.

2.

De bekostiging betreft vergoeding van de kosten die rechtstreeks verband houden met het verzorgen van de lokale publieke mediadienst, voor zover die kosten niet op andere wijze zijn gedekt, op zodanige wijze dat op lokaal niveau in een toereikend media-aanbod kan worden voorzien en continuïteit van bekostiging is gewaarborgd.

3.

Als twee of meer gemeenteraden gezamenlijk een advies als bedoeld in artikel 2.61, derde lid hebben uitgebracht, en daarbij positief hebben geadviseerd over de vraag of de instelling voldoet aan de eis, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, zorgen de colleges van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeenten gezamenlijk voor de bekostiging, bedoeld in het eerste lid.

4.

Aan de bekostiging worden geen voorschriften verbonden die in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet.

5.

Onze Minister zendt telkens na drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het bepaalde in dit artikel in de praktijk.

Paragraaf 2.6.3.1. Begroting

Afdeling 2.6.5. Bekostiging regionale en lokale publieke mediadiensten

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.2. Programma-aanbod

Afdeling 2.6.6. Financiële verantwoording landelijke en regionale publieke mediadiensten

Afdeling 3.2.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.3. Films

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Titel 6.3. Omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.7. Overgangsrecht vrijstelling overdrachtsbelasting

Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Titel 8.2. Subsidieverstrekking ten behoeve van persorganen

Artikel 9.15

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.21a, 2.34a, 2.116 of 2.136 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.60a
1.

Onze Minister wijst een stichting aan als het samenwerkings- en coördinatieorgaan voor de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau, bedoeld in artikel 2.1.

2.

De stichting, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als de RPO.

3.

De RPO wordt belast met de volgende taken:

4.

De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op de RPO.

Artikel 2.60b

De organen van de RPO zijn een raad van toezicht en een bestuur.

Artikel 2.60c
1.

De raad van toezicht van de RPO bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier andere leden die op voordracht van Onze Minister bij koninklijk besluit worden benoemd, geschorst en ontslagen.

2.

Bij een vacature stelt de raad van toezicht profielschetsen voor de vacature en voor de raad als geheel op waarover hij in ieder geval het bestuur van de RPO en de gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen in de gelegenheid stelt binnen een redelijke termijn zienswijzen te geven.

3.

Na betrekking van de zienswijzen stelt de raad van toezicht de profielschetsen vast en maakt deze openbaar.

4.

Voor de selectie van kandidaten stelt de raad van toezicht een onafhankelijke benoemingsadviescommissie in. De benoemingsadviescommissie adviseert de raad van toezicht.

5.

De raad van toezicht geeft een zwaarwegend advies aan Onze Minister voor de voordracht, bedoeld in het eerste lid.

6.

Het advies, bedoeld in het vijfde lid, is gemotiveerd, waarbij in elk geval wordt ingegaan op de geschiktheid, de profielschetsen, de positie van de kandidaat in het rooster van aftreden en de procedure die heeft geleid tot het advies.

7.

Onze Minister neemt het advies over, tenzij het in strijd is met:

8.

Indien Onze Minister het advies niet overneemt, verzoekt hij onder opgave van een schriftelijke motivering de raad van toezicht ervoor te zorgen dat tot een nieuw advies wordt gekomen en informeert hij de Tweede Kamer dat een advies niet is overgenomen en de grond hiervoor.

9.

Ten behoeve van de ondersteuning bij het opstellen van de profielschetsen door de raad van toezicht en de selectie van kandidaten door de benoemingsadviescommissie, schakelt de raad van toezicht een wervingsadviesbureau in.

10.

De gezamenlijke ondernemingsraden van de regionale publieke media-instellingen kunnen voor benoeming van een van de andere leden als bedoeld in het eerste lid, personen aanbevelen aan de benoemingsadviescommissie.

11.

Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.60d
1.

Het lidmaatschap van de raad van toezicht van de RPO is onverenigbaar met:

2.

Schorsing en ontslag zijn mogelijk wegens:

3.

Ontslag is verder mogelijk op eigen verzoek.

4.

De leden van de raad van toezicht van de RPO ontvangen van de RPO een door Onze Minister vast te stellen vergoeding.

Artikel 2.60e
1.

De raad van toezicht van de RPO houdt toezicht op het beleid van het bestuur van de RPO, de algemene gang van zaken bij de RPO en de uitvoering van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau en staat het bestuur van de RPO met advies terzijde.

2.

De raad van toezicht van de RPO is verder belast met:

3.

Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht van de RPO zich naar het gemeenschappelijke belang van de regionale publieke mediadienst.

4.

De raad van toezicht stelt een rooster van aftreden voor zijn leden op waarin wordt voorzien dat de leden niet allen gelijktijdig aftreden.

Artikel 2.60f
1.

Het bestuur van de RPO bestaat uit ten hoogste zes leden die worden benoemd, geschorst en ontslagen door de raad van toezicht van de RPO.

2.

Benoeming geschiedt voor vijf jaar en herbenoeming voor een aansluitende periode is eenmaal mogelijk.

Artikel 2.60g
1.

Voor het bestuur van de RPO is artikel 2.60d, eerste lid, onder c tot en met f, van overeenkomstige toepassing.

2.

Het lidmaatschap van het bestuur van de RPO is onverenigbaar met het lidmaatschap van een orgaan van of een dienstbetrekking bij een publieke media-instelling, de regionale publieke media-instellingen uitgezonderd.

3.

De leden van het bestuur van de RPO zijn in dienst van de RPO. De raad van toezicht van de RPO stelt hun arbeidsvoorwaarden vast.

4.

Artikel 668a, eerste tot en met vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de leden van het bestuur van de RPO.

5.

Een lid van het bestuur van de RPO kan niet na beëindiging van dat lidmaatschap voor een aansluitende periode worden benoemd als lid van de raad van toezicht van de RPO.

Artikel 2.60h
1.

Het bestuur van de RPO is belast met de uitvoering van de taken van de RPO.

2.

Naast de andere taken en bevoegdheden die het bestuur van de RPO heeft op grond van deze wet, is hij belast met:

Artikel 2.60i
1.

De volgende besluiten van het bestuur van de RPO behoeven de instemming van de raad van toezicht van de RPO:

2.

De verdere werkwijze van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO wordt geregeld in de statuten en reglementen van de RPO.

3.

In de statuten wordt in ieder geval geregeld op welke wijze de regionale publieke media-instellingen worden betrokken bij de besluitvorming van het bestuur van de RPO.

Artikel 2.60j
1.

De artikelen 2.15 tot en met 2.18, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor de RPO.

2.

De raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO kunnen niet besluiten tot ontbinding van de RPO.

Artikel 2.60k

Voor de verwezenlijking van de publieke mediaopdracht op regionaal niveau wordt bij koninklijk besluit aan de RPO een concessie verleend die geldt voor tien jaar en in werking treedt met ingang van een in het koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 2.60l
1.

Voorafgaand aan de concessieverlening en vóór aanvang van de tweede periode van vijf jaar van de concessieperiode dient de RPO een concessiebeleidsplan RPO voor de komende vijf jaar in bij Onze Minister.

2.

Het concessiebeleidsplan RPO bevat in elk geval:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de inrichting van het concessiebeleidsplan RPO en het tijdstip van indiening.

4.

Het bestuur van de RPO stelt het concessiebeleidsplan RPO vast na overleg met in elk geval de regionale publieke media-instellingen en, voor zover het de samenwerking betreft, de betrokken landelijke en lokale publieke media-instellingen.

Artikel 2.60m
1.

De RPO maakt het concessiebeleidsplan RPO openbaar.

2.

Over het concessiebeleidsplan RPO vraagt Onze Minister advies aan het Commissariaat en de Raad voor cultuur. Bij toepassing van het vierde lid wordt het advies gevraagd na afloop van de termijn, genoemd in dat lid, onder a.

3.

Het concessiebeleidsplan RPO behoeft de instemming van Onze Minister voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 2.60l, tweede lid, onder b en c, waarbij de instemming geschiedt in overeenstemming met het bepaalde in de Telecommunicatiewet.

4.

Voor zover de instemming, bedoeld in het derde lid, betrekking heeft op een nieuw of significant gewijzigd aanbodkanaal:

5.

Bij toepassing van het vierde lid maken het Commissariaat, de Raad voor cultuur en de Autoriteit Consument en Markt ten behoeve van hun adviezen dan wel rapportage gebruik van de zienswijzen, bedoeld in dat lid, onder a. Onze Minister doet die zienswijzen aan hen toekomen.

6.

Het Commissariaat kan de Autoriteit Consument en Markt de gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn voor de analyse, bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder b.

7.

Op de voorbereiding van een besluit over instemming als bedoeld in het vierde lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.

Als de RPO wijzigingen wil aanbrengen in het door Onze Minister goedgekeurde deel van het concessiebeleidsplan RPO, dan neemt zij die op in de begroting. Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.60n
1.

Mede op basis van het concessiebeleidsplan RPO sluiten Onze Minister en de RPO een prestatieovereenkomst voor de duur van het concessiebeleidsplan RPO.

2.

De prestatieovereenkomst bevat afspraken over:

3.

De prestatieovereenkomst heeft geen betrekking op de inhoud van het media-aanbod van de regionale publieke mediadienst.

Artikel 2.60o

De regionale publieke media-instellingen verstrekken desgevraagd aan de raad van toezicht van de RPO, het bestuur van de RPO en de door hem daartoe aangewezen medewerkers van de RPO alle inlichtingen voor zover dat voor de vervulling van de taken van de raad van toezicht van de RPO en het bestuur van de RPO redelijkerwijs nodig is.

Paragraaf 2.3.2. Media-aanbod van regionale of lokale publieke mediadienst

Titel 2.4. Wereldomroep

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 2.5.2.1. Algemene bepalingen

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Paragraaf 2.5.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 2.5.5.2. Organisatie

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Paragraaf 2.6.2.2. Vaststelling budgetten

Artikel 2.169a
1.

De RPO dient jaarlijks vóór 15 september een begroting voor de regionale publieke mediadienst in bij Onze Minister en het Commissariaat.

2.

De begroting bevat in elk geval:

3.

De financiële middelen worden als volgt onderverdeeld:

Artikel 2.169b
1.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud en inrichting van de begroting.

2.

Het Commissariaat zendt vóór 15 oktober zijn opmerkingen met betrekking tot de begroting aan Onze Minister.

3.

De RPO maakt de begroting openbaar.

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.6.3. Overige bepalingen

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Afdeling 3.2.4. Europese producties, onafhankelijke producties, Nederlands- en Friestalige producties en films

Titel 3.2a. Commerciële mediadiensten op aanvraag

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Hoofdstuk 5. Evenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving en evenementen van groot belang

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Titel 3.3. Toezichtskosten

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.2. Overheid

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Titel 6.2. Toestemming omroepdiensten voor bijzondere doelen

Afdeling 6.1.2. Overheid

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Hoofdstuk 8. De journalistiek

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.8*. Overgangsrecht vrijstelling melding van voorgenomen concentratie door omroepverenigingen

Artikel 9.14b
1.

In afwijking van artikel 34 van de Mededingingswet is geen melding vereist voor een voornemen tot concentratie van:

2.

Dit artikel is van toepassing in de periode vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015.

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Artikel 9.14c
1.

In afwijking van artikel 2.60k kan de eerste concessie die wordt verleend aan de RPO gelden voor een periode korter dan tien jaar.

2.

In geval van toepassing van het eerste lid heeft het eerste concessiebeleidsplan RPO, in afwijking van artikel 2.60l, betrekking op de volledige periode van de eerste concessie.

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Artikel 9.14d

De concessie van de NPO, de concessieperiode en de tweede van de twee perioden van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, de tweede periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, de erkenningen en de voorlopige erkenningen, bedoeld in artikel 2.23, eerste, respectievelijk tweede lid, en de erkenningperiode die gelden op het moment van inwerkingtreding van dit artikel worden, voor zover van toepassing in afwijking van deze wet, van rechtswege met een jaar verlengd.

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.170c
1.

Het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, dient jaarlijks vóór 15 september een begroting in bij Onze Minister.

2.

Het overlegorgaan dient jaarlijks vóór 1 mei een jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar in bij Onze Minister.

Artikel 2.170d
1.

Onze Minister stelt uit de rijksmediabijdrage en de inkomsten van de Ster aan het overlegorgaan, bedoeld in artikel 2.146, onderdeel l, een bijdrage in de kosten ter beschikking.

2.

Onze Minister kan aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen voorschriften verbinden.

3.

Als het overlegorgaan niet voldoet aan artikel 2.170c of indien hij de aan een besluit tot het ter beschikking stellen van bijdragen verbonden voorschriften niet naleeft, kan Onze Minister:

Paragraaf 2.6.6.1. Rechtmatigheidstoetsing en jaarrekening

Paragraaf 2.6.6.2. Reservering en terugvordering

Titel 2.7. Evaluatie

Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten

Titel 3.1. Toestemming omroepdiensten

Afdeling 3.2.2. Reclame en telewinkelen

Paragraaf 3.2.4.1. Europese en onafhankelijke producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Paragraaf 3.2.4.2. Nederlands- en Friestalige producties

Titel 3.3. Toezichtskosten

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen over politieke partijen, overheid, beperkte omroepdiensten, omroepzenders, omroepnetwerken en frequentieruimte

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Afdeling 6.3.1. Gebruik omroepzenders en omroepnetwerken

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.2. Verspreiding van pakketten televisie- en radioprogrammakanalen

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.1.3. Overige bepalingen politieke partijen en overheid

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 7.1. Commissariaat voor de Media

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Titel 6.4. Buitengewone omstandigheden, crisiscommunicatie en omroepdiensten voor buitenlandse militairen

Titel 7.3. Overige taken

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 8. De journalistiek

Titel 8.1. Stimuleringsfonds voor de journalistiek

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 3a.1

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 3a.2
1.

Onder de bevoegdheid van Nederland valt een aanbieder van een videoplatformdienst die krachtens artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn in Nederland is gevestigd of geacht wordt in Nederland te zijn gevestigd.

2.

Een aanbieder van een videoplatform stelt, gemakkelijk, rechtstreeks en permanent ten minste de volgende gegevens beschikbaar voor het publiek:

Artikel 3a.3
1.

Een aanbieder van een videoplatform heeft een gedragscode die maatregelen voorschrijft als bedoeld in artikel 28ter, eerste lid, en tweede lid, tweede en vierde alinea, van de Europese richtlijn, en past deze gedragscode en maatregelen op dit videoplatform toe.

2.

De gedragscode, bedoeld in het eerste lid, omvat daartoe naargelang het geval de maatregelen als genoemd in artikel 28ter, derde lid, van de Europese richtlijn.

3.

De gedragscode, bedoeld in eerste lid, bevat duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen en voorziet in:

4.

De aanbieder van een videoplatform zorgt ervoor dat de gedragscode voldoende draagvlak heeft onder de belangrijkste betrokkenen.

Artikel 3a.4
1.

Een aanbieder van een videoplatform die audiovisuele commerciële communicatie in de handel brengt, verkoopt of organiseert, is aangesloten bij de Nederlandse Reclame Code of een vergelijkbare door de Stichting Reclame Code tot stand gebrachte regeling en ter zake onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code.

2.

Aansluiting wordt aangetoond door een schriftelijke verklaring van de Stichting Reclame Code aan het Commissariaat over te leggen.

Artikel 3a.5
1.

Audiovisuele commerciële communicatie op een videoplatformdienst is als zodanig herkenbaar.

2.

In audiovisuele commerciële communicatie wordt geen subliminale technieken gebruikt.

3.

Audiovisuele commerciële communicatie wordt niet aangeboden in de vorm van sluikreclame.

4.

Indien audiovisueel media-aanbod of door gebruikers gegenereerde video's audiovisuele commerciële communicatie bevatten en de aanbieder van een videoplatform daarvan op de hoogte is, informeert de aanbieder van een videoplatform de gebruiker van de videoplatformdienst hierover op een manier die voor de gebruiker duidelijk is.

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Artikel 4.1a
1.

Audiovisueel media-aanbod dat schade kan toebrengen aan de lichamelijke, geestelijke of morele ontwikkeling van personen jonger dan zestien jaar wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod zodanig beschikbaar gesteld dat personen jonger dan zestien jaar deze normaliter niet te horen of te zien krijgen.

2.

De meest schadelijke inhoud als nodeloos geweld en pornografie wordt door de instelling die verantwoordelijk is voor de inhoud van het aanbod ontoegankelijk gemaakt voor personen jonger dan zestien jaar.

3.

Voor zover het televisieprogramma-aanbod betreft dat niet als meest schadelijke inhoud kan worden gekwalificeerd, worden de maatregelen die volgen uit de regelingen als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, beschouwd als maatregelen als bedoeld in het eerste lid.

4.

De op grond van dit artikel door media-instellingen verzamelde of anderszins gegenereerde persoonsgegevens van minderjarigen worden niet verwerkt voor commerciële doeleinden.

Hoofdstuk 3a. Videoplatformdiensten

Hoofdstuk 4. Bescherming jeugdigen

Titel 6.1. Politieke partijen en overheid

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Afdeling 6.1.1. Politieke partijen

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.1. Verspreiding programma-aanbod

Paragraaf 6.3.1.3. Geschillencommissie

Afdeling 6.3.2. Gebruik frequentieruimte

Artikel 6.25a
1.

Het media-aanbod van een publieke of commerciële media-instelling wordt ongewijzigd verspreid, tenzij de betreffende publieke of commerciële media-instelling toestemming heeft gegeven voor een gewijzigde vorm van verspreiding.

2.

Gewijzigde verspreiding van audiovisueel media-aanbod door de toevoeging van een overlay is mogelijk indien:

Artikel 6.28

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het verzorgen van omroepdiensten die uitsluitend bestemd zijn voor de in Nederland gelegerde militairen van buitenlandse strijdkrachten en hun gezinnen.

Hoofdstuk 7. Toezicht en bestuursrechtelijke handhaving

Artikel 7:22
1.

Het Commissariaat houdt een lijst bij met publieke en commerciële media-instellingen die op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder de bevoegdheid van Nederland vallen, met de vermelding op welk criterium als bedoeld in artikel 2, tweede tot en met vijfde lid, van de Europese richtlijn de rechtsmacht van de betreffende aanbieder is gebaseerd.

2.

Het Commissariaat houdt een lijst bij met de aanbieders van videoplatformen die op grond van artikel 3a.2, eerste lid, onder de bevoegdheid van Nederland vallen, met de vermelding op welk criterium als bedoeld in artikel 28bis, eerste tot en met vierde lid, van de Europese richtlijn de rechtsmacht van de betreffende aanbieder is gebaseerd.

Hoofdstuk 8. De pers

Titel 7.2. Toezicht en handhaving

Titel 7.3. Overige taken

Titel 8.3. Overige vormen subsidieverstrekking

Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen

Titel 9.1. Overgangsbepalingen

Titel 9.2. Overgangsbepalingen bij de Wet van 6 november 2013 tot wijziging van de Mediawet 2008 teneinde het stelsel van de landelijke publieke omroep te moderniseren

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 9.2.4. Overgangsrecht vaststelling budget NTR voor de periode 2014–2016

Afdeling 9.2.5. Overgangsrecht programmaversterkingsbudget voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.6. Overgangsrecht evaluatie landelijke publieke mediadienst voor de periode 2010–2016

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.1. Overgangsrecht verlening van erkenningen voor de periode 2016–2021

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.2. Overgangsrecht raad van toezicht NTR

Afdeling 9.2.3. Overgangsrecht financiële verantwoording kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Titel 9.3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.11a

De raad van toezicht en het college van omroepen hebben ten minste tweemaal per jaar overleg.

Artikel 2.14a
1.

De raad van bestuur benoemt, op voordracht van het college van omroepen, een ombudsman voor de publieke omroep voor een periode van drie jaar. Herbenoeming is mogelijk.

2.

De raad van bestuur kan de ombudsman tussentijds ontslaan indien deze, ondanks een voorafgaande waarschuwing van het college van omroepen, naar het oordeel van dit college structureel in gebreke blijft.

3.

De raad van bestuur kan voorzien in tijdelijke vervanging van de ombudsman indien deze wegens ziekte of verlof langdurig niet in staat is zijn functie te vervullen.

4.

De ombudsman heeft geen financiële of andere belangen bij bedrijven of instellingen en vervult geen nevenfuncties waardoor een goede vervulling van de functie of de handhaving van de onafhankelijkheid van de ombudsman of van het vertrouwen daarin in het geding kan zijn.

5.

De ombudsman beoordeelt na een klacht of uit eigen beweging het journalistieke handelen van de landelijke publieke media-instellingen bij de verzorging van media-aanbod op het gebied van nieuws, informatie en educatie. Dit oordeel is niet bindend en de ombudsman kan geen rectificatie afdwingen.

Paragraaf 2.2.1.3. Informatieverstrekking, taakverwaarlozing, bestuursverslag en statuten

Paragraaf 2.2.1.4. Concessie, beleidsplan en prestatieovereenkomst

Afdeling 2.2.2a. Nederlandse Omroep Stichting

Afdeling 2.2.4. Kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag

Afdeling 2.2.5. Coördinatie en ordening aanbodkanalen

Titel 2.3. Regionale en lokale publieke mediadiensten

Paragraaf 2.3.1. Stichting Regionale Publieke Omroep

Paragraaf 2.3.1a. Aanwijzing van regionale of lokale publieke media-instelling

Titel 2.4. Wereldomroep

Paragraaf 2.4.1. Taken

Paragraaf 2.4.3. Informatie, jaarverslag en statuten

Titel 2.5. Nadere voorschriften media-aanbod publieke mediadiensten

Afdeling 2.5.1. Verantwoordelijkheid en verplichtingen

Paragraaf 2.5.2.2. Specifieke voorschriften

Afdeling 2.5.3. Sponsoring

Afdeling 2.5.5. Stichting Stimuleringsfonds Nederlandse culturele mediaproducties

Paragraaf 2.5.5.1. Taak

Paragraaf 2.5.4.3. Films

Titel 2.6. Bekostiging publieke mediadiensten

Afdeling 2.6.1. Algemene bekostigingsaanspraak

Artikel 2.150a

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)