Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 377
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Installatie Volgnr. Soort Merk Type Plaats
Deze verklaring is geldig tot ..........
--- ---
.......... , .......... (Plaats) (Datum) .......... Stempel Commissie van Deskundigen .......... Erkend deskundige*)
.......... (Handtekening)
*)Wijziging(en) onder nummer(s): .......... Nieuwe tekst: .......... .......... ..........
*)Deze bladzijde is vervangen. Plaats en datum .......... Stempel De Commissie van Deskundigen te ..........
.......... (Handtekening)
*) Doorhalen wat niet van toepassing is.

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot ..........
.......... , .......... (Plaats) (Datum) Stempel Commissie van Deskundigen ..........
.......... (Handtekening)
51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot ..........
.......... , .......... (Plaats) (Datum) Stempel Commissie van Deskundigen ..........
.......... (Handtekening)
51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot ..........
.......... , .......... (Plaats) (Datum) Stempel Commissie van Deskundigen ..........
.......... (Handtekening)

ROSR

Stempel

Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........

52. Aanhangsel bij het certificaat van onderzoek .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... 52. Aanhangsel bij het certificaat van onderzoek .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... ..........
)Wijziging(en) onder nummer(s): .......... Nieuwe tekst: .......... .......... .......... )Deze bladzijde is vervangen.
Plaats en datum .......... Stempel De Commissie van Deskundigen te ..........
.......... (handtekening)
*) Doorhalen wat niet van toepassing is.
Vervolg op bladzijde) .......... Einde van het certificaat van onderzoek) Vervolg op bladzijde) .......... Einde van het certificaat van onderzoek)

Bijlage C. Model van het register der certificaten van onderzoek

In dit geval moeten de betreffende bescheiden, waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijken, aan boord aanwezig zijn. Bovendien moet zich een persoon aan boord bevinden die houder is van het Grote Patent bedoeld in het RSP, dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uren per tijdvak van 24 uren moet deze houder van dit patent vervangen worden door een andere houder van dit patent.

Bijlage F

Vervallen

Bijlage J. Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren – Aanvullende voorschriften en modellen van certificaten2De onderhavige bijlage blijft tot 1 januari 2020 van kracht. Vanaf die datum zullen met betrekking tot de binnenschepen de voorschriften van Verordening (EU) 2016/1628 in werking treden.

Vervallen

Bijlage K

Vervallen

Bijlagen

2 De tolerantie aangeven.

Testresultaten

Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn

Deel VIII

Proces-verbaal van de motorkenmerken

Gegevensformulier voor motoren met een typegoedkeuring

De keuring is geschied aan de hand van het ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’.

Overige onderdelen betrekking hebbend op de uitlaatgassen, die in het ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’ zijn opgesomd, moeten worden ingevuld.

Bijlage L

Vervallen

Bijlage M

Vervallen

Bijlage N

Vervallen

Inhoud

Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties enbochtaanwijzers in de Rijnvaart

Artikel 4. Typekeuring

Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties in de Rijnvaart

De aangegeven waarde mag niet méér dan 2% van de eindwaarde van het bereik, respectievelijk niet meer dan 10% van de werkelijke waarde afwijken. Daarbij is de hogere waarde van afwijking toegestaan (zie aanhangsel).

90 °/min

300 °/min.

.....

Bijlage N

Bijlage N, deel I

2. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Bijlage N, deel II (Model)

Verklaring over de inbouw en het functioneren van Inland AIS-apparatuur

De Rijnoeverstaten en België brengen onverwijld de volgende gegevens ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart:

Tel.:

1. Lijst van het volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van Inland AIS-apparatuur bevoegde autoriteiten

Bijlage O

Nr. Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen Modaliteiten van de erkenning Datum van de erkenning
1 Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. 27 november 2008

Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip

  • A. Voor alle vaartuigen:
    1. bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
    1. de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
    1. de schepper van het gegevensbestand.
  • B. Indien beschikbaar:
    1. nationaal scheepsnummer;
    1. type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
    1. enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
    1. bruto tonnage (voor zeeschepen);
    1. IMO-nummer (voor zeeschepen);
    1. Oproepsignaal (voor zeeschepen);
    1. MMSI-nummer;
    1. ATIS-code;
    1. type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.

Bijlage Q

(Zonder inhoud)

Bijlage R

2. Lijst van de volgens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn toegelaten Inland AIS-apparatuur

Aanvullende voorschriften

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.

Deel I

Bijlage R. , Deel I

Deel I. Aanvullende voorschriften

1. Merktekens van de boordzuiveringsinstallaties

2. Keuringen

Deel III

3. Beoordeling van de conformiteit van de productie

Bijlage R. , Deel I

Deel I. Aanvullende voorschriften

Schema voor de nummering van de typegoedkeuringen

Deel V

1. Merktekens van de boordzuiveringsinstallaties

Deel VI

Lijst van gefabriceerde boordzuiveringsinstallaties (model)

3. Beoordeling van de conformiteit van de productie

Bijlage R. , Deel II (Model)

Deel II. Inlichtingenformulier Nr1Het nummer van het inlichtingenformulier wordt door de bevoegde autoriteit toegekend... betreffende de typegoedkeuring van boordzuiveringsinstallaties die bestemd zijn voor inbouw in vaartuigen behorend tot de Rijnvaart

Bijlagen

3. Dimensionering van de boordzuiveringsinstallatie

Bijlage R. , Deel I

Deel I. Aanvullende voorschriften

.....

Typegoedkeuringsnummer: ..... Uitbreidingsnummer: .....

De procedure voor de keuring van de voor de keuring ter beschikking gestelde boordzuiveringsinstallatie is in bijlage S vastgelegd.

Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):

.....

Deel II. Inlichtingenformulier Nr1Het nummer van het inlichtingenformulier wordt door de bevoegde autoriteit toegekend... betreffende de typegoedkeuring van boordzuiveringsinstallaties die bestemd zijn voor inbouw in vaartuigen behorend tot de Rijnvaart

Bijlage R. , Deel III (Model)

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Datum, handtekening van de fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie

.....

Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):

.....

De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1Doorhalen wat niet van toepassing is.:

Plaats:

De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1Doorhalen wat niet van toepassing is.:

Bijlage R. , Deel III (Model)

Deel III. Certificaat van typegoedkeuring

0. Algemeen

1. Gegevens betreffende de uitvoering van de test(s)1Bij meer dan één testcyclus voor iedere cyclus afzonderlijk aangeven.

Mededeling betreffende

Bijlage R. , Deel IV (Model)

Bijlage R. , Deel III, Aanhangsel 1 (Model)

Onderdeel I

Het nummer bestaat uit vier, door het teken ‘*’ gescheiden onderdelen.

De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1Doorhalen wat niet van toepassing is.:

Plaats:

.....

Datum:

Bijlage R. , Deel IV (Model)

DEEL IV. Nummeringssysteem voor de typegoedkeuringen

1. Systematiek

Bijlagen: Informatiedossier

Testresultaten (zie aanhangsel 1)

Onderdeel 2: aanduiding van het niveau waaraan wordt voldaan. Men kan ervan uitgaan dat de eisen wat het reinigingsvermogen betreft, in de toekomst strenger zullen zijn. De verschillende niveaus van de eisen worden door Romeinse cijfers aangegeven. De basisnorm wordt aangeduid door het cijfer I.

Onderdeel 3: een uit vier cijfers bestaand volgnummer (met aan het begin eventueel nullen) om het nummer van de basisgoedkeuring aan te geven. De reeks begint met 0001.

Onderdeel 4: Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (met eventueel een nul aan het begin) om de uitbreiding aan te geven. De reeks begint met 01 voor elk nummer van de basisgoedkeuring.

1. Gegevens betreffende de uitvoering van de test(s)1Bij meer dan één testcyclus voor iedere cyclus afzonderlijk aangeven.

Bijlage R. , Bijlage R, Deel V (Model)

Lijstnummer: .....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijstnummer: .....

Het nummer bestaat uit vier, door het teken ‘*’ gescheiden onderdelen.

Onderdeel 1: De hoofdletter ‘R’, gevolgd door het kenmerkend nummer van de staat die de goedkeuring heeft verleend:

Onderdeel 2: aanduiding van het niveau waaraan wordt voldaan. Men kan ervan uitgaan dat de eisen wat het reinigingsvermogen betreft, in de toekomst strenger zullen zijn. De verschillende niveaus van de eisen worden door Romeinse cijfers aangegeven. De basisnorm wordt aangeduid door het cijfer I.

Onderdeel 3: een uit vier cijfers bestaand volgnummer (met aan het begin eventueel nullen) om het nummer van de basisgoedkeuring aan te geven. De reeks begint met 0001.

Onderdeel 4: Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (met eventueel een nul aan het begin) om de uitbreiding aan te geven. De reeks begint met 01 voor elk nummer van de basisgoedkeuring.

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijstnummer:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijstnummer: .....

Voor de periode van: ..... tot .....

Bijlage R. , Deel VII (Model)

DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring

.....

DEEL VI. Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties

Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring

1.. Algemene gegevens

Bijlage R. , Deel VII (Model)

Voor de periode van: ..... tot: .....

Wat betreft boordzuiveringsinstallatietypes en typegoedkeuringsnummers van de in de bovengenoemde periode overeenkomstig het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn vervaardigde boordzuiveringsinstallaties, worden de volgende gegevens verstrekt:

Fabrieksmerk (firmanaam van de fabrikant):

....

Aanduiding door de fabrikant van het boordzuiveringsinstallatietype:

.....

Nummer van de typegoedkeuring:

.....

Datum van afgifte .....

Eerste datum van afgifte (in geval van addenda.:

.....

Naam van de tester:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

.....

Handtekening:

.....

Test erkend door

Dit document bevestigt dat de kenmerken van de geteste boordzuiveringsinstallatie niet ontoelaatbaar van de voorgeschreven kenmerken afwijken en de controlewaarden voor het gebruik niet hoger zijn dan de in artikel 14a.02, tweede lid, tabel 2, voorgeschreven waarden.

Naam en adres van de keuringsinstantie:

.....

Naam van de tester:

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Test erkend door

bevoegde autoriteit:

....

Plaats en datum

.....

Handtekening:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Naam en adres van de keuringsinstantie:

.....

Naam van de tester:

....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Test erkend door

bevoegde autoriteit

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)

Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties

Naam en adres van de keuringsinstantie:

.....

A. Test van de onderdelen

.....

Plaats en datum:

Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties

Handtekening:

.....

A. Test van de onderdelen

bevoegde autoriteit:

.....

Plaats en datum:

.....

Handtekening:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Bijlage S

Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties

– Testprocedure –

1. Algemene gegevens

A. Test van de onderdelen

3. Testprocedure

4. Testverslag

B.. Resultaten van de steekproefmeting

– Testprocedure –

2 TOC wordt vanaf de grenswaarde van fase 2 van tabel 2 in artikel 14a.02, tweede lid, getest.

C. Opmerkingen

1. Algemene gegevens

.....

.....

.....

Tel.:

3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten Inland AIS-apparatuur

4. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor de inbouw of het vervangen van Inland AIS-apparatuur erkende bedrijven

Bijlage O

Nr. Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen Modaliteiten van de erkenning Datum van de erkenning
1 Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. 27 november 2008

Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip

  • A. Voor alle vaartuigen:
    1. bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
    1. de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
    1. de schepper van het gegevensbestand.
  • B. Indien beschikbaar:
    1. nationaal scheepsnummer;
    1. type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
    1. enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
    1. bruto tonnage (voor zeeschepen);
    1. IMO-nummer (voor zeeschepen);
    1. Oproepsignaal (voor zeeschepen);
    1. MMSI-nummer;
    1. ATIS-code;
    1. type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.

Bijlage O

Nr. Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen Modaliteiten van de erkenning Datum van de erkenning
1 Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. 27 november 2008

Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip

  • A. Voor alle vaartuigen:
    1. bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
    1. de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
    1. de schepper van het gegevensbestand.
  • B. Indien beschikbaar:
    1. nationaal scheepsnummer;
    1. type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
    1. enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
    1. bruto tonnage (voor zeeschepen);
    1. IMO-nummer (voor zeeschepen);
    1. Oproepsignaal (voor zeeschepen);
    1. MMSI-nummer;
    1. ATIS-code;
    1. type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.

Inhoud

Aanvullende voorschriften

Deel II

Inlichtingenformulier (model)

Aanhangsel 1 – Essentiële eigenschappen van een boordzuiveringsinstallatietype (model)

Certificaat van goedkeuring (model)

Bijlage R. , Deel I

Deel I. Aanvullende voorschriften

Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties

2. Keuringen

Bijlage R. , Deel II (Model)

Gegevensformulier van boordzuiveringsinstallaties met typegoedkeuring (model)

Deel VIII

Aanhangsel 1 – Bijlage bij het proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties

.....

1. Merktekens van de boordzuiveringsinstallaties

2. Keuringen

Essentiële eigenschappen van het boordzuiveringsinstallatietype

3. Beoordeling van de conformiteit van de productie

Bijlage R. , Deel II (Model)

Boordzuiveringsinstallatietype:

Bijlage R. , Deel II, Aanhangsel 1 (Model)

Essentiële eigenschappen van het boordzuiveringsinstallatietype

Plaats:

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Typegoedkeuringsnummer: ..... Uitbreidingsnummer: .....

Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):

Onderdeel II

Testresultaten voor de typegoedkeuring

1. Gegevens betreffende de uitvoering van de test(s)1Bij meer dan één testcyclus voor iedere cyclus afzonderlijk aangeven.

DEEL IV. Nummeringssysteem voor de typegoedkeuringen

Handtekening:

.....

Testresultaten voor de typegoedkeuring

0. Algemeen

Plaats, datum: ..... Handtekening: .....

Bijlage R. , Deel VI (Model)

DEEL VI. Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties

1 Overeenkomstig het certificaat van typegoedkeuring.

2 Invullen wat van toepassing is.

Nummer van de typegoedkeuring:

Stempel van de bevoegde autoriteit

Lijstnummer:

DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring

DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring

Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring

Bijlage R. , Deel VIII (Model)

Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring

.....

Stempel van de bevoegde autoriteit

Naam van de tester:

Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)

B.. Resultaten van de steekproefmeting

C. Opmerkingen

.....

(De volgende afwijkende instellingen, modificaties of wijzigingen aan de ingebouwde boordzuiveringsinstallatie zijn geconstateerd.)

De boordzuiveringsinstallatie en de onderdelen daarvan betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging zijn aan de hand van het typeplaatje geïdentificeerd.

De keuring heeft plaatsgevonden aan de hand van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie.

.....

Overige onderdelen betrekking hebbend op de reiniging van afvalwater, die in het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie, respectievelijk in Deel II, aanhangsel 4 zijn opgesomd, moeten worden ingevuld.

Bijlage S

Boordzuiveringsinstallaties

2. Voorbereidende maatregelen voor de uitvoering van de keuring

3. Testprocedure

4. Testverslag

Naam van de tester: .....

Voorbeelden van het verloop van een test

Opmerkingen over de bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen (BZB5) in 24u-mengmonsters

De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.

Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.

De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.

Inland AIS -apparaat

Bijlage N, Deel III (Model)

3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten Inland AIS-apparatuur

1. Lijst van het volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van Inland AIS-apparatuur bevoegde autoriteiten

Bijlage Q

(Zonder inhoud)

Bijlage R

Aanhangsel 1 – Testresultaten voor de typegoedkeuring (model)

Deel IV

Proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties voor de inbouw, tussentijdse en bijzondere keuring (model)

Datum, handtekening van de fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie

Deel III. Certificaat van typegoedkeuring

1. Beschrijving van de boordzuiveringsinstallatie

2. Criteria voor het concept en de dimensionering (met inbegrip van specifieke inbouwinstructies of beperkingen in het gebruik)

.....

Testresultaten (zie aanhangsel 1)

0. Algemeen

Bijlage R. , Deel IV (Model)

Bijlage R. , Deel VI (Model)

DEEL VI. Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties

.....

Bijlage R. , Deel VII (Model)

1.. Algemene gegevens

2. Kenmerken

.....

Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)

Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties

Test erkend door

A. Test van de onderdelen

B.. Resultaten van de steekproefmeting

Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)

1 Aankruisen wat van toepassing is.

Handtekening: .....

Bijlage S

Bijlage S. , aanhangsel 1

Handtekening: .....

Bijlage S. , aanhangsel 2

Boordzuiveringsinstallaties

Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.

De daartoe benodigde monsternemingapparatuur zijn op de markt beschikbaar.

Artikel 8b.01. Algemeen

Vervallen

Artikel 8b.02. Keuring

Vervallen

Artikel 8b.03. Veiligheidsorganisatie

Vervallen

Artikel 8b.04. Milieuvereisten

Vervallen

Artikel 8b.05. Markeringen

Vervallen

Artikel 8b.06. Autonome voortstuwing

Vervallen

Artikel 8b.07. Technische diensten

Vervallen

Hoofdstuk 9. Elektrische installaties

Hoofdstuk 10. Uitrusting

Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek

Hoofdstuk 13. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen

Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik

Hoofdstuk 14a. Boordzuiveringsinstallaties

Hoofdstuk 15. Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen

Hoofdstuk 18. Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden

Hoofdstuk 20. Bijzondere bepalingen voor zeeschepen

Hoofdstuk 21. Bijzondere bepalingen voor pleziervaartuigen

Hoofdstuk 22a. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een lenge van meer dan 110 m

Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen

Deel III. Bepalingen met betrekking tot de bemanning

Hoofdstuk 23. Uitrusting van schepen met het oog op de bemanning

Deel IV

Hoofdstuk 24. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage B. Model van het certificaat van onderzoek

Vervallen

Bijlage C. Model van het register der certificaten van onderzoek

Vervallen

Bijlage N

Vervallen

Bijlage R

Vervallen

Bijlage S

Vervallen

Bijlage J, Deel VIII (Model)

Bijlage T. Aanvullende bepalingen voor vaartuigen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 ˚C of minder

Vervallen

Bijlage L

A A A X X X X X
Code van de bevoegde autoriteit die het Europees scheepsnummer toewijst Code van de bevoegde autoriteit die het Europees scheepsnummer toewijst Code van de bevoegde autoriteit die het Europees scheepsnummer toewijst Serienummer Serienummer Serienummer Serienummer Serienummer

In dit model staat ‘AAA’ voor de code van drie cijfers die de bevoegde autoriteit toekent bij de toewijzing van het Europees scheepsidentificatienummer, waarbij de volgende nummers moeten worden gerespecteerd voor de landen in kwestie:

Cijferreeks voor de bevoegde autoriteiten

001–019 Frankrijk

020–039 Nederland

040–059 Duitsland

060–069 België

070–079 Zwitserland

080–099 gereserveerd voor de schepen van landen die geen verdragspartijen van de Akte van Mannheim zijn, en waarvoor vóór 1 april 2007 een Rijnvaartcertificaat is afgegeven.

100–119 Noorwegen

120–139 Denemarken

140–159 Verenigd Koninkrijk

160–169 IJsland

170–179 Ierland

180–189 Portugal

190–199 gereserveerd

200–219 Luxemburg

220–239 Finland

240–259 Polen

260–269 Estland

270–279 Littouwen

280–289 Letland

290–299 gereserveerd

300–309 Oostenrijk

310–319 Liechtenstein

320–329 Tschechische Republiek

330–339 Slowakije

340–349 gereserveerd

350–359 Croatie

360–369 Serbië

370–379 Bosnië-Herzegovina

380–399 Hongarije

400–419 Russische Federatie

420–439 Ukraïne

440–449 Wit-Rusland

450–459 Republiek Moldavië

460–469 Roemenië

470–479 Bulgarije

480–489 Georgië

490–499 gereserveerd

500–519 Turkije

520–539 Griekenland

540–549 Cyprus

550–559 Albanië

560–569 Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

570–579 Slovenië

580–589 Montenegro

590–599 gereserveerd

600–619 Italië

620–639 Spanje

640–649 Andorra

650–659 Malta

660–669 Monaco

670–679 San Marino

680–699 gereserveerd

700–719 Zweden

720–739 Canada

740–759 Verenigde Staten van Amerika

760–769 Israël

770–799 gereserveerd

800–809 Azerbaidjan

810–819 Kazachstan

820–829 Kirghizistan

830–839 Tadzjikistan

840–849 Turkmenistan

850–859 Oezbekistan

860–869 Iran

870–999 gereserveerd

‘xxxxx’ staat voor het door de bevoegde autoriteit toegekende serienummer van vijf cijfers.

Bijlage M

Inhoud

Deel III

Deel IV

30 °/min

180 °/min

Het reactiepunt moet lager liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend met 1% van de aangegeven waarde.

Bijlage M. , Deel V

1. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers bevoegde autoriteiten

3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

4. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor de inbouw of het vervangen van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers erkende bedrijven

Bijlage N

Bijlage N, Deel III (Model)

3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten Inland AIS-apparatuur

Bijlage O

Nr. Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen Modaliteiten van de erkenning Datum van de erkenning
1 Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. 27 november 2008

Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip

  • A. Voor alle vaartuigen:
    1. bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
    1. de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
    1. de schepper van het gegevensbestand.
  • B. Indien beschikbaar:
    1. nationaal scheepsnummer;
    1. type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
    1. enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
    1. bruto tonnage (voor zeeschepen);
    1. IMO-nummer (voor zeeschepen);
    1. Oproepsignaal (voor zeeschepen);
    1. MMSI-nummer;
    1. ATIS-code;
    1. type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.

Bijlage Q

(Zonder inhoud)

Bijlage R

Inhoud

Deel VII

Bijlagen

3. Dimensionering van de boordzuiveringsinstallatie

....

Bijlage R. , Deel III, Aanhangsel 1 (Model)

DEEL IV. Nummeringssysteem voor de typegoedkeuringen

1. Systematiek

2. Voorbeelden

Bijlage R. , Bijlage R, Deel V (Model)

DEEL V. Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties

Bijlage R. , Deel VI (Model)

Bijlage R. , Deel VII (Model)

DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring

Bijlage R. , Deel VIII (Model)

Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring

1.. Algemene gegevens

2. Kenmerken

1 Aankruisen wat van toepassing is.

(De volgende afwijkende instellingen, modificaties of wijzigingen aan de ingebouwde boordzuiveringsinstallatie zijn geconstateerd.)

Plaats en datum: .....

Bijlage S

– Testprocedure –

1. Algemene gegevens

2. Voorbereidende maatregelen voor de uitvoering van de keuring

3. Testprocedure

4. Testverslag

Bijlage S. , aanhangsel 1

Voorbeelden van het verloop van een test

Tag = dag

Bijlage S. , aanhangsel 2

Opmerkingen over de bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen (BZB5) in 24u-mengmonsters

De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.

Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.

De daartoe benodigde monsternemingapparatuur zijn op de markt beschikbaar.

Bijlage T. Aanvullende bepalingen voor vaartuigen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 ˚C of minder

  • 1.1. Toepassingsgebied
  • 1.1.1. De bepalingen van deel I zijn van toepassing op vaartuigen uitgerust met voortstuwingsof hulpsystemen die worden aangedreven met vloeibaar aardgas (LNG) volgens onderdeel 1.2.1 en hebben betrekking op alle gebieden die bijzondere aandacht vereisen met het oog op het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof.
  • 1.2. Begripsbepalingen In dit deel wordt verstaan onder:
  • 1.2.1. ‘Vloeibaar aardgas (LNG)’: aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C.
  • 1.2.2. ‘LNG-systeem’: alle delen van het vaartuig die vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas kunnen bevatten, zoals motoren, brandstoftanks en bunkerleidingen.
  • 1.2.3. ‘LNG-bunkersysteem’: de installatie voor het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) aan boord (bunkerstation en bunkerleidingen).
  • 1.2.4. ‘Bunkerstation’: de zone aan boord waar zich alle voor het bunkeren gebruikte apparatuur zoals manifolds, afsluiters, meetinstrumenten, veiligheidsapparatuur, controlepanelen, werktuig, enz., bevindt.
  • 1.2.5. ‘LNG-opslagsysteem’: de voorzieningen voor het opslaan van vloeibaar aardgas (LNG), tankaansluitingen inbegrepen.
  • 1.2.6. ‘Gastoevoersysteem’: de installatie, met inbegrip van gasverwerkingsysteem, gastoevoerleidingen en -ventielen, voor de gasvoorziening van alle gas verbruikende inrichtingen aan boord.
  • 1.2.7. ‘Gasverwerkingsysteem’: de eenheid voor het vergassen van vloeibaar aardgas (LNG), met inbegrip van leidingen en toebehoren.
  • 1.2.8. ‘Gevaarlijke zones’: zones 0, 1 en 2 zoals ingedeeld hier onder:
  • 1.2.8.1. Zone 0: een zone waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk aanwezig is,
  • 1.2.8.2. Zone 1: een zone waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf waarschijnlijk af en toe aanwezig kan zijn,
  • 1.2.8.3. Zone 2: een zone waar de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf niet waarschijnlijk is en waar, wanneer dit toch gebeurt, het verschijnsel van korte duur is.
  • 1.2.9. ‘Gesloten ruimte’: een ruimte waarin de luchtverversing door gebrek aan mechanische ventilatie beperkt zal zijn en een explosieve atmosfeer niet vanzelf wordt verdreven.
  • 1.2.10. ‘Halfgesloten ruimte’: een ruimte die op zodanige wijze door dekken en/of schotten wordt begrensd dat de natuurlijke ventilatieomstandigheden sterk van de omstandigheden op open dek verschillen.
  • 1.2.11. ‘Overdrukventiel’: (PRV, Pressure Relief Valve): een voorziening met veerwerking, die automatisch door druk wordt geactiveerd om de tank of leidingen tegen ontoelaatbaar hoge interne druk te beschermen.
  • 1.2.12. ‘Dual-fuelmotoren’: motoren die hetzij met vloeibaar aardgas (LNG) of met een brandstof met een vlampunt van meer dan 55 °C kunnen worden aangedreven.
  • 1.2.13. ‘ESD’ (emergency shutdown): uitschakeling in noodsituaties.
  • 1.2.14. ‘Hoofdbrandstofafsluiter’: een automatische afsluiter in de gastoevoerleiding naar een motor.
  • 1.2.15. ‘Secundaire barrière’: de voorziening aan de buitenzijde van een LNG-brandstofopslagsysteem of -leiding bestemd voor tijdelijke opslag in geval van mogelijke lekkage van de primaire barrière.
  • 1.2.16. ‘Maximale werkdruk’: de hoogste druk die in een LNG-brandstoftank of LNG-leiding tijdens het bedrijf toelaatbaar is. Deze druk is gelijk aan de openingsdruk van overdrukventielen of -voorzieningen.
  • 1.2.17. ‘Ontwerpdruk’: de druk op basis waarvan de LNG-brandstoftank of LNG-leidingen ontworpen en gebouwd zijn.
  • 1.2.18. ‘Dubbele afsluiter met afblaasventiel’: twee in serie in een leiding geplaatste kleppen en een derde klep waarmee de druk in de leiding tussen deze twee kleppen kan worden afgeblazen. Deze voorziening kan ook bestaan uit de combinatie van één tweewegklep en één afsluiter in plaats van drie afzonderlijke kleppen.
  • 1.2.19. ‘Luchtsluis’: een door gasdichte, stalen schotten begrensde ruimte met twee gasdichte deuren, bedoeld om een niet-gevaarlijke zone van een gevaarlijke zone af te zonderen.
  • 1.2.20. ‘Dubbelwandige leidingen’: leiding met een dubbele wand waarbij de ruimte tussen de wanden met inert gas onder druk is gezet en is uitgerust om eventuele lekkage vaneen van de twee wanden te detecteren.
  • 1.2.21. ‘Systeemonderdelen’: alle onderdelen van de installatie die vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas kunnen bevatten (brandstoftanks, pijpleidingen, afsluiters, slangen, cilinders, pompen, filters, instrumenten, enz.).
  • 1.2.22. ‘Leiding met ventilatietussenruimte’: een gasleiding die van een mechanische afvoerventilatie voorzien is en in een pijpleiding of schacht geïnstalleerd is.
  • 1.2.23. ‘Gasalarminstallatie’: een alarminstallatie voor de bescherming van personen en materiële goederen tegen gevaarlijke gassen en lucht/gasmengsels. De installatie bestaat uit gasdetectoren voor de identificatie van de gassen, een stuureenheid voor de verwerking van de signalen en een weergave/alarmeenheid voor de weergave van de status.
  • 1.3. Risicobeoordeling
  • 1.3.1. Nieuwe of significant gewijzigde ontwerpen of configuraties vereisen een risicobeoordeling. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de uit het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) voortvloeiende risico’s voor personen aan boord, met inbegrip van passagiers, het milieu, de geschiktheid en de veiligheid van het vaartuig. De gevaren gerelateerd aan de ruimtelijke indeling, het bedrijf en onderhoud na een storing moeten redelijkerwijs in aanmerking worden genomen.
  • 1.3.2. De risico's moeten worden geïdentificeerd en beoordeeld door middel van een door de Commissie van deskundigen erkende methode voor het analyseren van risico’s, zoals internationale normen ISO 31000 : 2009 en ISO 31010 : 2010. Hierbij moeten ten minste bedrijfsuitval, schade aan onderdelen, brand, explosie, vollopen van het tankruim, zinken van het vaartuig, evenals elektrische overspanning in aanmerking worden genomen. Deze analyse moet ertoe bijdragen dat risico’s zoveel mogelijk worden voorkomen. Risico's die niet volledig kunnen worden voorkomen, moeten tot een aanvaardbaar niveau worden gereduceerd. De belangrijkste mogelijkheden en maatregelen voor het voorkomen, respectievelijk reduceren van de risico’s moeten beschreven worden.
  • 1.3.3. De indeling van de gevaarlijke zones aan boord in zones 0, 1 en 2 overeenkomstig onderdeel 1.2.8, moet in de risicobeoordeling worden gestaafd.
  • 1.4. Algemene eisen
  • 1.4.1. Één enkele storing in het LNG-systeem mag niet tot een onveilige situatie leiden.
  • 1.4.2. Het LNG-systeem moet qua ontwerp, bouw, inbouw, onderhoud en bescherming een veilig en betrouwbaar functioneren van het systeem kunnen verzekeren.
  • 1.4.3. De onderdelen van het LNG-systeem moeten tegen externe beschadigingen worden beschermd.
  • 1.4.4. De toegang tot gevaarlijke zones moet, voor zover dit in de praktijk uitvoerbaar is, worden beperkt om potentiële risico’s die de veiligheid van het vaartuig, personen aan boord, het milieu en de apparatuur nadelig kunnen beïnvloeden, zoveel mogelijk te reduceren. Meer specifiek zijn gevaarlijke zones van het schepen overeenkomstig artikel 15.06, onderdeel 11 niet bestemd voor passagiers.
  • 1.4.5. Er moeten geëigende maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat passagiers niet in de buurt van gevaarlijke zones komen.
  • 1.4.6. De in gevaarlijke zones geïnstalleerde apparatuur moet zo veel mogelijk tot bedrijfsapparatuur worden beperkt, en moet op daarvoor passende en adequate wijze gecertificeerd zijn.
  • 1.4.7. Onopzettelijke ophoping van explosieve of brandbare gasconcentraties moet worden verhinderd.
  • 1.4.8. Ontstekingsbronnen in gevaarlijke zones moeten ter vermindering van de kans op explosies worden beperkt.
  • 1.4.9. Aan boord van vaartuigen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moet een gedetailleerde gebruiksaanwijzing van het LNG-systeem aanwezig zijn, waarin ten minste:
  • a). praktische uitleg over het bunker-, opslag- en leidingsysteem voor het LNG, over het gastoevoersysteem, de machinekamer, het ventilatiesysteem, het voorkomen van en controleren op lekkage, evenals het bewakings- en beveiligingssysteem is opgenomen;
  • b). de bunkerhandelingen, in het bijzonder de bediening van de ventielen, het ontluchten, inertiseren en ontgassen is beschreven;
  • c). de belangrijkste maatregelen voor de aarding tijdens het bunkeren zijn beschreven;
  • d). de risico’s die in de risicobeoordeling als bedoeld onder 1.3 zijn geïdentificeerd en de wijze waarop zij worden beperkt, in detail worden beschreven.
  • 1.4.10. Brand of explosie veroorzaakt door vrijgekomen gas in LNG-opslagsystemen en machinekamers mag de essentiële machines of apparatuur in andere ruimten niet onbruikbaar maken.
  • 1.5. Vakkennis van een technische dienst De vakkennis van een technische dienst als bedoeld in artikel 8b.01, vierde lid, moet ten minste de volgende gebieden beslaan:
  • a). brandstofsysteem inclusief tanks, warmtewisselaars, pijpleidingen;
  • b). sterkte (in lengterichting en plaatselijk) en stabiliteit van het vaartuig;
  • c). elektrische systemen en besturingssystemen;
  • d). ventilatiesysteem;
  • e). brandveiligheid;
  • f). gasalarminstallatie.
  • 1.6. Kentekening Deuren van ruimten waar vloeibaar aardgas (LNG) wordt gebruikt, moeten aan de buitenkant zijn voorzien van een teken ‘Waarschuwing voor LNG’ met een hoogte van ten minste 10 cm overeenkomstig schets 11 van bijlage I.
  • 2.1. LNG- opslagsysteem
  • 2.1.1. Het LNG-opslagsysteem moet gescheiden zijn van machinekamers en andere ruimten met een hoog brandrisico.
  • 2.1.2. LNG-brandstoftanks moeten zo dicht mogelijk bij de overlangse middellijn van het vaartuig worden opgesteld.
  • 2.1.3. De afstand tussen de wand van het vaartuig en de LNG-brandstoftank mag niet minder zijn dan 1,00 m. Wanneer LNG-brandstoftanks zijn geplaatst:
  • a). onderdeks, dan moet het vaartuig zijn voorzien van een dubbele romp en eendubbele bodem op de plaats waar de LNG-brandstoftanks zijn opgesteld. De afstand tussen de buiten- en binnenwand van het vaartuig mag niet minder zijn dan 0,60 m. De diepte van een dubbele bodem mag niet minder zijn dan 0,60 m;
  • b). op open dek, dan moet de afstand ten minste overeenkomen met B/5 van de verticale vlakken begrensd door de huid van het vaartuig.
  • 2.1.4. De LNG-brandstoftank moet een losstaande tank zijn, ontworpen in overeenstemming met EN 13530: 2002, EN 13458-2: 2002 in combinatie met dynamische belasting, of de IGC-Code (tank van het type C). De Commissie van deskundigen kan andere gelijkwaardige normen van één van de Rijnoeverstaten en België aanvaarden.
  • 2.1.5. Tankaansluitingen dienen boven het maximale vloeistofniveau in de tanks te worden geplaatst. De Commissie van deskundigen kan aansluitingen beneden het maximale vloeistofniveau aanvaarden.
  • 2.1.6. Bij tankaansluitingen onder het maximale vloeistofniveau van de LNG-brandstoftanks,moeten onder de tanks lekbakken worden geplaatst, die aan de volgende eisen voldoen:
  • a). de capaciteit van de lekbak moet voldoende zijn om het volume te kunnen opvangen dat zou kunnen vrijkomen bij een niet correct functionerende leidingaansluiting;
  • b). de lekbak moet zijn vervaardigd uit geschikt roestvrij staal;
  • c). de lekbak moet op voldoende afstand van de romp of dekstructuren worden geplaatst of voldoende worden geïsoleerd zodat de romp of dekstructuren niet ontoelaatbaar afkoelen als er vloeibaar aardgas (LNG) zou lekken.
  • 2.1.7. Het LNG-opslagsysteem moet zijn voorzien van een secondaire barrière. Voor LNG-opslagsystemen met een zeer geringe kans op schade aan de draagstructuur en lekken van de primaire barrière is een secondaire barrière niet vereist.
  • 2.1.8. Ingeval de secundaire barrière van het LNG-opslagsysteem deel uitmaakt van de romp, mag ook een scheidingswand van het tankruim als secundaire barrière worden gebruikt, voor zover voldoende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om lekken van cryogene vloeistof te voorkomen.
  • 2.1.9. De plaats en de constructie van het LNG-opslagsysteem en de andere installaties op open dek moeten voldoende ventilatie garanderen. Ophoping van vrijgekomen aardgas moet worden voorkomen.
  • 2.1.10. Indien condensatie en ijsvorming op koude oppervlakken van LNG-brandstoftanks tot veiligheidsproblemen of functionele problemen kunnen leiden, moeten er passende preventieve of remediërende maatregelen worden genomen.
  • 2.1.11. Elke LNG-brandstoftank wordt uitgerust met ten minste twee overdrukventielen waarmee overdruk kan worden voorkomen, zodat in geval van een defect, een lek of onderhoud één overdrukventiel kan worden afgesloten.
  • 2.1.12. Als niet kan worden uitgesloten dat er brandstof vrijkomt in de vacuümruimte van een vacuümgeïsoleerde LNG-brandstoftank, moet de vacuümruimte worden beschermd door een gepaste overdrukventiel. Indien LNG-brandstoftanks in een (half)gesloten ruimte zijn geplaatst, moet de overdrukinrichting op een afblaassysteem worden aangesloten.
  • 2.1.13. De uitlaatbuizen van de overdrukventielen moeten zich ten minste 2,00 m boven het dek bevinden, op een afstand van ten minste 6,00 m van de verblijven, passagiersruimten en werkplekken buiten het laadruim. Deze hoogte kan worden verlaagd wanneer er binnen een straal van 1,00 m rond de uitlaat van het overdrukventiel geen apparatuur aanwezig is, er geen werkzaamheden worden verricht, deze zone door borden gekenmerkt is en gepaste maatregelen genomen worden om het dek te beschermen.
  • 2.1.14. LNG-brandstoftanks moeten veilig geleegd kunnen worden, zelfs wanneer het LNG-systeem is uitgeschakeld.
  • 2.1.15. LNG-brandstoftanks moeten, net als gasleidingsystemen, afgeblazen en met spoelgas gereinigd kunnen worden. Om een explosiegevaarlijke atmosfeer in de LNGbrandstoftanks en gasleidingen uit te sluiten moet, voordat met droge lucht wordt afgeblazen, met inert gas (bijv. stikstof of argon) geïnertiseerd kunnen worden.
  • 2.1.16. De druk en temperatuur in de LNG- brandstoftanks moeten te allen tijden binnen de toegelaten waarden blijven.
  • 2.1.17. Wanneer het LNG-systeem uitgeschakeld is, moet de druk in de LNG-brandstoftank gedurende een periode van twee weken beneden de maximale werkdruk van de LNG-brandstoftank blijven. Hierbij wordt uitgegaan van een LNG-brandstoftank die overeenkomstig de in onderdeel 2.9 vastgelegde maximale vullingsgraad is gevuld, en een vaartuig dat stilligt.
  • 2.1.18. Een LNG-brandstoftank moet elektrisch met de constructie van het vaartuig worden verbonden.
  • 2.2. Machinekamers
  • 2.2.1. Voor machinekamers moet een van de volgende concepten toegepast worden:
  • a). gasveilige machinekamer;
  • b). explosieveilige machinekamer, of
  • c). ESD-beschermde machinekamer.
  • 2.2.2. Voorschriften voor gasveilige machinekamers
  • 2.2.2.1. De gasveilige machinekamers moeten in alle omstandighedengasveilig blijven (‘inherently gas safe’). Eén enkele storing in het LNG-systeem mag niet tot gaslekkage in de machinekamer leiden. Alle gasleidingen in de machinekamer moeten omhuld zijn met een gasdicht omhulsel, bijv. dubbelwandige leidingen of dubbelwandige leidingen met ventilatietussenruimte.
  • 2.2.2.2. Raakt een van de barrières defect, moet de gastoevoer naar dat betreffende deel van het LNG-systeem automatisch worden afgesloten.
  • 2.2.2.3. De afvoerventilatie van de ventilatiekanalen moet:
  • a). een capaciteit van ten minste 30 luchtwisselingen per uur van het bruto luchtvolume binnen de ventilatiekanalen kunnen waarborgen;
  • b). uitgerust zijn om te allen tijde de aanwezigheid van gassen in de ruimte tussen de binnen- en buitenleidingen te detecteren;
  • c). onafhankelijk zijn van alle andere ventilatiesystemen, in het bijzonder het ventilatiesysteem van de machinekamer.
  • 2.2.2.4. Een gasveilige machinekamer wordt als een niet-gevaarlijke zone beschouwd tenzij de risicobeoordeling volgens onderdeel 1.3 anders uitwijst.
  • 2.2.3. Voorschriften voor explosieveilige machinekamers
  • 2.2.3.1. De explosieveilige machinekamers moeten zodanig zijn ingericht dat de ruimten in normale omstandigheden als gasveilig kunnen worden beschouwd. Één enkele storing in het LNG-systeem mag niet leiden tot een concentratie van meer dan 20% van de onderste explosiegrens (LEL, lower explosive limit) in de machinekamer.
  • 2.2.3.2. Bij het detecteren van gas of het uitvallen van de ventilatie, moet de gastoevoer naar dat betreffende deel van het LNG-systeem automatisch worden afgesloten.
  • 2.2.3.3. Het ventilatiesysteem moet:
  • a). een voldoende capaciteit hebben om te waarborgen dat de gasconcentratie in de machinekamer onder 20% van de LEL blijft, en ervoor te zorgen dat het bruto luchtvolume binnen de machinekamer ten minste 30 maal per uur geheel kan worden ververst;
  • b). onafhankelijk zijn van alle andere ventilatiesystemen.
  • 2.2.3.4. Onder normale bedrijfsomstandigheden wordt de machinekamer constant geventileerd met ten minste 15 luchtwisselingen per uur van het bruto luchtvolume binnen de machinekamer.
  • 2.2.3.5. Explosieveilige machinekamers moeten zo zijn ontworpen dat de geometrische vorm de ophoping van gassen of het ontstaan van gasbellen tot een minimumbeperkt. Een goede luchtcirculatie moet worden verzekerd.
  • 2.2.3.6. Een explosieveilige machinekamer wordt als een Zone 2. beschouwd tenzij de risicobeoordeling volgens onderdeel 1.3 anders uitwijst.
  • 2.2.4. Voorschriften voor machinekamers voorzien van een noodstopinrichting (ESD)
  • 2.2.4.1. De machinekamers voorzien van een noodstopinrichting (ESD) moeten zodanig zijn ingericht dat de ruimten in normale omstandigheden als gasveilig kunnen worden beschouwd, terwijl deze ruimten in bepaalde abnormale omstandigheden wel vanwege aanwezig gas gevaarlijk kunnen worden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)