Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
| Installatie | Volgnr. | Soort | Merk | Type | Plaats |
|---|---|---|---|---|---|
| Deze verklaring is geldig tot .......... | |||||
| --- | --- | ||||
| .......... , .......... (Plaats) (Datum) .......... Stempel | Commissie van Deskundigen .......... Erkend deskundige*) | ||||
| .......... (Handtekening) | |||||
| *)Wijziging(en) onder nummer(s): .......... Nieuwe tekst: .......... .......... .......... | |||||
| *)Deze bladzijde is vervangen. Plaats en datum .......... Stempel | De Commissie van Deskundigen te .......... | ||||
| .......... (Handtekening) | |||||
| *) Doorhalen wat niet van toepassing is. |
ROSR
Stempel
Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........
| 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... | 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... |
|---|---|
| .......... , .......... (Plaats) (Datum) Stempel | Commissie van Deskundigen .......... |
| .......... (Handtekening) | |
| 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... | 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... |
| .......... , .......... (Plaats) (Datum) Stempel | Commissie van Deskundigen .......... |
| .......... (Handtekening) | |
| 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... | 51. Verlenging van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) De geldigheidsduur van de verklaring betreffende de vloeibaargasinstallatie(s) d.d. .......... geldig tot .......... wordt – na gehouden controle door de erkende deskundige .......... – gezien de verklaring nr. .......... d.d. .......... verlengd tot .......... |
| .......... , .......... (Plaats) (Datum) Stempel | Commissie van Deskundigen .......... |
| .......... (Handtekening) |
ROSR
Stempel
Certificaat van Onderzoek nr. .......... van de Commissie van Deskundigen te ..........
| 52. Aanhangsel bij het certificaat van onderzoek .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... | 52. Aanhangsel bij het certificaat van onderzoek .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... .......... |
|---|---|
| )Wijziging(en) onder nummer(s): .......... Nieuwe tekst: .......... .......... .......... )Deze bladzijde is vervangen. | |
| Plaats en datum .......... Stempel | De Commissie van Deskundigen te .......... |
| .......... (handtekening) | |
| *) Doorhalen wat niet van toepassing is. | |
| Vervolg op bladzijde) .......... Einde van het certificaat van onderzoek) | Vervolg op bladzijde) .......... Einde van het certificaat van onderzoek) |
Bijlage C. Model van het register der certificaten van onderzoek
In dit geval moeten de betreffende bescheiden, waaruit de bekwaamheid van de bemanningsleden en hun aantal blijken, aan boord aanwezig zijn. Bovendien moet zich een persoon aan boord bevinden die houder is van het Grote Patent bedoeld in het RSP, dat geldig is voor het te bevaren riviergedeelte. Na een vaartijd van ten hoogste 14 uren per tijdvak van 24 uren moet deze houder van dit patent vervangen worden door een andere houder van dit patent.
Bijlage F
Vervallen
Bijlage J. Uitstoot van schadelijke gassen en luchtverontreinigende deeltjes door dieselmotoren – Aanvullende voorschriften en modellen van certificaten2De onderhavige bijlage blijft tot 1 januari 2020 van kracht. Vanaf die datum zullen met betrekking tot de binnenschepen de voorschriften van Verordening (EU) 2016/1628 in werking treden.
Vervallen
Bijlage K
Vervallen
Bijlagen
2 De tolerantie aangeven.
Testresultaten
Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn
Deel VIII
Proces-verbaal van de motorkenmerken
Gegevensformulier voor motoren met een typegoedkeuring
De keuring is geschied aan de hand van het ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’.
Overige onderdelen betrekking hebbend op de uitlaatgassen, die in het ‘Inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de uitlaatgassen en de motorkenmerken’ zijn opgesomd, moeten worden ingevuld.
Bijlage L
Vervallen
Bijlage M
Vervallen
Bijlage N
Vervallen
Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers in de Rijnvaart
Inhoud
Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties enbochtaanwijzers in de Rijnvaart
Artikel 4. Typekeuring
Minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties in de Rijnvaart
De aangegeven waarde mag niet méér dan 2% van de eindwaarde van het bereik, respectievelijk niet meer dan 10% van de werkelijke waarde afwijken. Daarbij is de hogere waarde van afwijking toegestaan (zie aanhangsel).
90 °/min
300 °/min.
.....
Bijlage N
Bijlage N, deel I
2. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers
Bijlage N, deel II (Model)
Verklaring over de inbouw en het functioneren van Inland AIS-apparatuur
De Rijnoeverstaten en België brengen onverwijld de volgende gegevens ter kennis van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart:
Tel.:
1. Lijst van het volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van Inland AIS-apparatuur bevoegde autoriteiten
Bijlage O
| Nr. | Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen | Modaliteiten van de erkenning | Datum van de erkenning |
|---|---|---|---|
| 1 | Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. | Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | 27 november 2008 |
Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip
- A. Voor alle vaartuigen:
-
- uniek Europees scheepsidentificatienummer overeenkomstig artikel 2.18 (Bijlage B, derde lid, en Bijlage C, vijfde kolom);
-
- type vaartuig, bedoeld in artikel 1.01, lid 1 tot en met 25, (Bijlage B, tweede lid);
-
- lengte over alles overeenkomstig artikel 1.01, lid 56 (Bijlage B, lid 17a);
-
- totale breedte overeenkomstig artikel 1.01, lid 59 (Bijlage B, lid 18a);
-
- diepgang overeenkomstig artikel 1.01, lid 62 (Bijlage B, lid 19);
-
- bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
-
- waterverplaatsing overeenkomstig artikel 1.01, lid 46 (Bijlage B, lid 21, en Bijlage C, dertiende kolom) voor andere vaartuigen dan motorvrachtschepen;
-
- de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
-
- de schepper van het gegevensbestand.
- B. Indien beschikbaar:
-
- nationaal scheepsnummer;
-
- type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
-
- enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
-
- holte overeenkomstig artikel 1.01, lid 61;
-
- bruto tonnage (voor zeeschepen);
-
- IMO-nummer (voor zeeschepen);
-
- Oproepsignaal (voor zeeschepen);
-
- MMSI-nummer;
-
- ATIS-code;
-
- type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.
Bijlage Q
(Zonder inhoud)
Bijlage R
2. Lijst van de volgens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn toegelaten Inland AIS-apparatuur
Aanvullende voorschriften
Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.
Is geen bedrijf vermeld, dan betekent dat geen enkel bedrijf in dat land werd erkend.
Deel I
Bijlage R. , Deel I
Deel I. Aanvullende voorschriften
1. Merktekens van de boordzuiveringsinstallaties
2. Keuringen
Deel III
3. Beoordeling van de conformiteit van de productie
Bijlage R. , Deel I
Deel I. Aanvullende voorschriften
Schema voor de nummering van de typegoedkeuringen
Deel V
1. Merktekens van de boordzuiveringsinstallaties
Deel VI
Lijst van gefabriceerde boordzuiveringsinstallaties (model)
3. Beoordeling van de conformiteit van de productie
Bijlage R. , Deel II (Model)
Deel II. Inlichtingenformulier Nr1Het nummer van het inlichtingenformulier wordt door de bevoegde autoriteit toegekend... betreffende de typegoedkeuring van boordzuiveringsinstallaties die bestemd zijn voor inbouw in vaartuigen behorend tot de Rijnvaart
Bijlagen
3. Dimensionering van de boordzuiveringsinstallatie
Bijlage R. , Deel I
Deel I. Aanvullende voorschriften
.....
Typegoedkeuringsnummer: ..... Uitbreidingsnummer: .....
De procedure voor de keuring van de voor de keuring ter beschikking gestelde boordzuiveringsinstallatie is in bijlage S vastgelegd.
Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):
.....
Deel II. Inlichtingenformulier Nr1Het nummer van het inlichtingenformulier wordt door de bevoegde autoriteit toegekend... betreffende de typegoedkeuring van boordzuiveringsinstallaties die bestemd zijn voor inbouw in vaartuigen behorend tot de Rijnvaart
Bijlage R. , Deel III (Model)
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Datum, handtekening van de fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie
.....
Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):
.....
De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1Doorhalen wat niet van toepassing is.:
Plaats:
De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1Doorhalen wat niet van toepassing is.:
Bijlage R. , Deel III (Model)
Deel III. Certificaat van typegoedkeuring
0. Algemeen
1. Gegevens betreffende de uitvoering van de test(s)1Bij meer dan één testcyclus voor iedere cyclus afzonderlijk aangeven.
Mededeling betreffende
Bijlage R. , Deel IV (Model)
Bijlage R. , Deel III, Aanhangsel 1 (Model)
Onderdeel I
Het nummer bestaat uit vier, door het teken ‘*’ gescheiden onderdelen.
De typegoedkeuring is verleend/uitgebreid/geweigerd/ingetrokken1Doorhalen wat niet van toepassing is.:
Plaats:
.....
Datum:
Bijlage R. , Deel IV (Model)
DEEL IV. Nummeringssysteem voor de typegoedkeuringen
1. Systematiek
Bijlagen: Informatiedossier
Testresultaten (zie aanhangsel 1)
Onderdeel 2: aanduiding van het niveau waaraan wordt voldaan. Men kan ervan uitgaan dat de eisen wat het reinigingsvermogen betreft, in de toekomst strenger zullen zijn. De verschillende niveaus van de eisen worden door Romeinse cijfers aangegeven. De basisnorm wordt aangeduid door het cijfer I.
Onderdeel 3: een uit vier cijfers bestaand volgnummer (met aan het begin eventueel nullen) om het nummer van de basisgoedkeuring aan te geven. De reeks begint met 0001.
Onderdeel 4: Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (met eventueel een nul aan het begin) om de uitbreiding aan te geven. De reeks begint met 01 voor elk nummer van de basisgoedkeuring.
1. Gegevens betreffende de uitvoering van de test(s)1Bij meer dan één testcyclus voor iedere cyclus afzonderlijk aangeven.
Bijlage R. , Bijlage R, Deel V (Model)
Lijstnummer: .....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Lijstnummer: .....
Het nummer bestaat uit vier, door het teken ‘*’ gescheiden onderdelen.
Onderdeel 1: De hoofdletter ‘R’, gevolgd door het kenmerkend nummer van de staat die de goedkeuring heeft verleend:
Onderdeel 2: aanduiding van het niveau waaraan wordt voldaan. Men kan ervan uitgaan dat de eisen wat het reinigingsvermogen betreft, in de toekomst strenger zullen zijn. De verschillende niveaus van de eisen worden door Romeinse cijfers aangegeven. De basisnorm wordt aangeduid door het cijfer I.
Onderdeel 3: een uit vier cijfers bestaand volgnummer (met aan het begin eventueel nullen) om het nummer van de basisgoedkeuring aan te geven. De reeks begint met 0001.
Onderdeel 4: Een uit twee cijfers bestaand volgnummer (met eventueel een nul aan het begin) om de uitbreiding aan te geven. De reeks begint met 01 voor elk nummer van de basisgoedkeuring.
Stempel van de bevoegde autoriteit
Lijstnummer:
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Lijstnummer: .....
Voor de periode van: ..... tot .....
Bijlage R. , Deel VII (Model)
DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring
.....
DEEL VI. Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties
Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring
1.. Algemene gegevens
Bijlage R. , Deel VII (Model)
Voor de periode van: ..... tot: .....
Wat betreft boordzuiveringsinstallatietypes en typegoedkeuringsnummers van de in de bovengenoemde periode overeenkomstig het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn vervaardigde boordzuiveringsinstallaties, worden de volgende gegevens verstrekt:
Fabrieksmerk (firmanaam van de fabrikant):
....
Aanduiding door de fabrikant van het boordzuiveringsinstallatietype:
.....
Nummer van de typegoedkeuring:
.....
Datum van afgifte .....
Eerste datum van afgifte (in geval van addenda.:
.....
Naam van de tester:
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
.....
Handtekening:
.....
Test erkend door
Dit document bevestigt dat de kenmerken van de geteste boordzuiveringsinstallatie niet ontoelaatbaar van de voorgeschreven kenmerken afwijken en de controlewaarden voor het gebruik niet hoger zijn dan de in artikel 14a.02, tweede lid, tabel 2, voorgeschreven waarden.
Naam en adres van de keuringsinstantie:
.....
Naam van de tester:
.....
Plaats en datum:
.....
Handtekening:
.....
Test erkend door
bevoegde autoriteit:
....
Plaats en datum
.....
Handtekening:
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Naam en adres van de keuringsinstantie:
.....
Naam van de tester:
....
Plaats en datum:
.....
Handtekening:
.....
Test erkend door
bevoegde autoriteit
.....
Plaats en datum:
.....
Handtekening:
Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)
Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties
Naam en adres van de keuringsinstantie:
.....
A. Test van de onderdelen
.....
Plaats en datum:
Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties
Handtekening:
.....
A. Test van de onderdelen
bevoegde autoriteit:
.....
Plaats en datum:
.....
Handtekening:
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Bijlage S
Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties
– Testprocedure –
1. Algemene gegevens
A. Test van de onderdelen
3. Testprocedure
4. Testverslag
B.. Resultaten van de steekproefmeting
– Testprocedure –
2 TOC wordt vanaf de grenswaarde van fase 2 van tabel 2 in artikel 14a.02, tweede lid, getest.
C. Opmerkingen
1. Algemene gegevens
.....
.....
.....
Tel.:
3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten Inland AIS-apparatuur
4. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor de inbouw of het vervangen van Inland AIS-apparatuur erkende bedrijven
Bijlage O
| Nr. | Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen | Modaliteiten van de erkenning | Datum van de erkenning |
|---|---|---|---|
| 1 | Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. | Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | 27 november 2008 |
Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip
- A. Voor alle vaartuigen:
-
- uniek Europees scheepsidentificatienummer overeenkomstig artikel 2.18 (Bijlage B, derde lid, en Bijlage C, vijfde kolom);
-
- type vaartuig, bedoeld in artikel 1.01, lid 1 tot en met 25, (Bijlage B, tweede lid);
-
- lengte over alles overeenkomstig artikel 1.01, lid 56 (Bijlage B, lid 17a);
-
- totale breedte overeenkomstig artikel 1.01, lid 59 (Bijlage B, lid 18a);
-
- diepgang overeenkomstig artikel 1.01, lid 62 (Bijlage B, lid 19);
-
- bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
-
- waterverplaatsing overeenkomstig artikel 1.01, lid 46 (Bijlage B, lid 21, en Bijlage C, dertiende kolom) voor andere vaartuigen dan motorvrachtschepen;
-
- de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
-
- de schepper van het gegevensbestand.
- B. Indien beschikbaar:
-
- nationaal scheepsnummer;
-
- type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
-
- enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
-
- holte overeenkomstig artikel 1.01, lid 61;
-
- bruto tonnage (voor zeeschepen);
-
- IMO-nummer (voor zeeschepen);
-
- Oproepsignaal (voor zeeschepen);
-
- MMSI-nummer;
-
- ATIS-code;
-
- type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.
Bijlage O
| Nr. | Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen | Modaliteiten van de erkenning | Datum van de erkenning |
|---|---|---|---|
| 1 | Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. | Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | 27 november 2008 |
Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip
- A. Voor alle vaartuigen:
-
- uniek Europees scheepsidentificatienummer overeenkomstig artikel 2.18 (Bijlage B, derde lid, en Bijlage C, vijfde kolom);
-
- type vaartuig, bedoeld in artikel 1.01, lid 1 tot en met 25, (Bijlage B, tweede lid);
-
- lengte over alles overeenkomstig artikel 1.01, lid 56 (Bijlage B, lid 17a);
-
- totale breedte overeenkomstig artikel 1.01, lid 59 (Bijlage B, lid 18a);
-
- diepgang overeenkomstig artikel 1.01, lid 62 (Bijlage B, lid 19);
-
- bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
-
- waterverplaatsing overeenkomstig artikel 1.01, lid 46 (Bijlage B, lid 21, en Bijlage C, dertiende kolom) voor andere vaartuigen dan motorvrachtschepen;
-
- de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
-
- de schepper van het gegevensbestand.
- B. Indien beschikbaar:
-
- nationaal scheepsnummer;
-
- type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
-
- enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
-
- holte overeenkomstig artikel 1.01, lid 61;
-
- bruto tonnage (voor zeeschepen);
-
- IMO-nummer (voor zeeschepen);
-
- Oproepsignaal (voor zeeschepen);
-
- MMSI-nummer;
-
- ATIS-code;
-
- type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.
Inhoud
Aanvullende voorschriften
Deel II
Inlichtingenformulier (model)
Aanhangsel 1 – Essentiële eigenschappen van een boordzuiveringsinstallatietype (model)
Certificaat van goedkeuring (model)
Bijlage R. , Deel I
Deel I. Aanvullende voorschriften
Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties
2. Keuringen
Bijlage R. , Deel II (Model)
Gegevensformulier van boordzuiveringsinstallaties met typegoedkeuring (model)
Deel VIII
Aanhangsel 1 – Bijlage bij het proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties
.....
1. Merktekens van de boordzuiveringsinstallaties
2. Keuringen
Essentiële eigenschappen van het boordzuiveringsinstallatietype
3. Beoordeling van de conformiteit van de productie
Bijlage R. , Deel II (Model)
Boordzuiveringsinstallatietype:
Bijlage R. , Deel II, Aanhangsel 1 (Model)
Essentiële eigenschappen van het boordzuiveringsinstallatietype
Plaats:
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Typegoedkeuringsnummer: ..... Uitbreidingsnummer: .....
Reden voor de uitbreiding (indien van toepassing):
Onderdeel II
Testresultaten voor de typegoedkeuring
1. Gegevens betreffende de uitvoering van de test(s)1Bij meer dan één testcyclus voor iedere cyclus afzonderlijk aangeven.
DEEL IV. Nummeringssysteem voor de typegoedkeuringen
Handtekening:
.....
Testresultaten voor de typegoedkeuring
0. Algemeen
Plaats, datum: ..... Handtekening: .....
Bijlage R. , Deel VI (Model)
DEEL VI. Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties
1 Overeenkomstig het certificaat van typegoedkeuring.
2 Invullen wat van toepassing is.
Nummer van de typegoedkeuring:
Stempel van de bevoegde autoriteit
Lijstnummer:
DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring
DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring
Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring
Bijlage R. , Deel VIII (Model)
Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring
.....
Stempel van de bevoegde autoriteit
Naam van de tester:
Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)
B.. Resultaten van de steekproefmeting
C. Opmerkingen
.....
(De volgende afwijkende instellingen, modificaties of wijzigingen aan de ingebouwde boordzuiveringsinstallatie zijn geconstateerd.)
De boordzuiveringsinstallatie en de onderdelen daarvan betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging zijn aan de hand van het typeplaatje geïdentificeerd.
De keuring heeft plaatsgevonden aan de hand van het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie.
.....
Overige onderdelen betrekking hebbend op de reiniging van afvalwater, die in het inlichtingenformulier van de fabrikant ter controle van de componenten betrekking hebbend op de afvalwaterreiniging en kenmerken van de boordzuiveringsinstallatie, respectievelijk in Deel II, aanhangsel 4 zijn opgesomd, moeten worden ingevuld.
Bijlage S
Boordzuiveringsinstallaties
2. Voorbereidende maatregelen voor de uitvoering van de keuring
3. Testprocedure
4. Testverslag
Naam van de tester: .....
Voorbeelden van het verloop van een test
Opmerkingen over de bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen (BZB5) in 24u-mengmonsters
De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.
Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.
De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.
Inland AIS -apparaat
Bijlage N, Deel III (Model)
3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten Inland AIS-apparatuur
1. Lijst van het volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van Inland AIS-apparatuur bevoegde autoriteiten
Bijlage Q
(Zonder inhoud)
Bijlage R
Aanhangsel 1 – Testresultaten voor de typegoedkeuring (model)
Deel IV
Proces-verbaal van de kenmerken van de boordzuiveringsinstallaties voor de inbouw, tussentijdse en bijzondere keuring (model)
Datum, handtekening van de fabrikant van de boordzuiveringsinstallatie
Deel III. Certificaat van typegoedkeuring
1. Beschrijving van de boordzuiveringsinstallatie
2. Criteria voor het concept en de dimensionering (met inbegrip van specifieke inbouwinstructies of beperkingen in het gebruik)
.....
Testresultaten (zie aanhangsel 1)
0. Algemeen
Bijlage R. , Deel IV (Model)
Bijlage R. , Deel VI (Model)
DEEL VI. Lijst van vervaardigde boordzuiveringsinstallaties
.....
Bijlage R. , Deel VII (Model)
1.. Algemene gegevens
2. Kenmerken
.....
Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)
Bijlage bij het proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties
Test erkend door
A. Test van de onderdelen
B.. Resultaten van de steekproefmeting
Bijlage R. , Deel VIII, Aanhangsel 1 (Model)
1 Aankruisen wat van toepassing is.
Handtekening: .....
Bijlage S
Bijlage S. , aanhangsel 1
Handtekening: .....
Bijlage S. , aanhangsel 2
Boordzuiveringsinstallaties
Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.
De daartoe benodigde monsternemingapparatuur zijn op de markt beschikbaar.
Artikel 8b.01. Algemeen
Vervallen
Artikel 8b.02. Keuring
Vervallen
Artikel 8b.03. Veiligheidsorganisatie
Vervallen
Artikel 8b.04. Milieuvereisten
Vervallen
Artikel 8b.05. Markeringen
Vervallen
Artikel 8b.06. Autonome voortstuwing
Vervallen
Artikel 8b.07. Technische diensten
Vervallen
Hoofdstuk 9. Elektrische installaties
Hoofdstuk 10. Uitrusting
Hoofdstuk 11. Veiligheid op de werkplek
Hoofdstuk 13. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties die werken op brandstoffen
Hoofdstuk 14. Vloeibaargasinstallaties voor huishoudelijk gebruik
Hoofdstuk 14a. Boordzuiveringsinstallaties
Hoofdstuk 15. Bijzondere bepalingen voor passagiersschepen
Hoofdstuk 18. Bijzondere bepalingen voor schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden
Hoofdstuk 20. Bijzondere bepalingen voor zeeschepen
Hoofdstuk 21. Bijzondere bepalingen voor pleziervaartuigen
Hoofdstuk 22a. Bijzondere bepalingen voor vaartuigen met een lenge van meer dan 110 m
Hoofdstuk 22b. Bijzondere bepalingen voor snelle schepen
Deel III. Bepalingen met betrekking tot de bemanning
Hoofdstuk 23. Uitrusting van schepen met het oog op de bemanning
Deel IV
Hoofdstuk 24. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage B. Model van het certificaat van onderzoek
Vervallen
Bijlage C. Model van het register der certificaten van onderzoek
Vervallen
Bijlage N
Vervallen
Bijlage R
Vervallen
Bijlage S
Vervallen
Bijlage J, Deel VIII (Model)
Bijlage T. Aanvullende bepalingen voor vaartuigen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 ˚C of minder
Vervallen
Bijlage L
| A | A | A | X | X | X | X | X |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Code van de bevoegde autoriteit die het Europees scheepsnummer toewijst | Code van de bevoegde autoriteit die het Europees scheepsnummer toewijst | Code van de bevoegde autoriteit die het Europees scheepsnummer toewijst | Serienummer | Serienummer | Serienummer | Serienummer | Serienummer |
In dit model staat ‘AAA’ voor de code van drie cijfers die de bevoegde autoriteit toekent bij de toewijzing van het Europees scheepsidentificatienummer, waarbij de volgende nummers moeten worden gerespecteerd voor de landen in kwestie:
Cijferreeks voor de bevoegde autoriteiten
001–019 Frankrijk
020–039 Nederland
040–059 Duitsland
060–069 België
070–079 Zwitserland
080–099 gereserveerd voor de schepen van landen die geen verdragspartijen van de Akte van Mannheim zijn, en waarvoor vóór 1 april 2007 een Rijnvaartcertificaat is afgegeven.
100–119 Noorwegen
120–139 Denemarken
140–159 Verenigd Koninkrijk
160–169 IJsland
170–179 Ierland
180–189 Portugal
190–199 gereserveerd
200–219 Luxemburg
220–239 Finland
240–259 Polen
260–269 Estland
270–279 Littouwen
280–289 Letland
290–299 gereserveerd
300–309 Oostenrijk
310–319 Liechtenstein
320–329 Tschechische Republiek
330–339 Slowakije
340–349 gereserveerd
350–359 Croatie
360–369 Serbië
370–379 Bosnië-Herzegovina
380–399 Hongarije
400–419 Russische Federatie
420–439 Ukraïne
440–449 Wit-Rusland
450–459 Republiek Moldavië
460–469 Roemenië
470–479 Bulgarije
480–489 Georgië
490–499 gereserveerd
500–519 Turkije
520–539 Griekenland
540–549 Cyprus
550–559 Albanië
560–569 Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
570–579 Slovenië
580–589 Montenegro
590–599 gereserveerd
600–619 Italië
620–639 Spanje
640–649 Andorra
650–659 Malta
660–669 Monaco
670–679 San Marino
680–699 gereserveerd
700–719 Zweden
720–739 Canada
740–759 Verenigde Staten van Amerika
760–769 Israël
770–799 gereserveerd
800–809 Azerbaidjan
810–819 Kazachstan
820–829 Kirghizistan
830–839 Tadzjikistan
840–849 Turkmenistan
850–859 Oezbekistan
860–869 Iran
870–999 gereserveerd
‘xxxxx’ staat voor het door de bevoegde autoriteit toegekende serienummer van vijf cijfers.
Bijlage M
Inhoud
Deel III
Deel IV
30 °/min
180 °/min
Het reactiepunt moet lager liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend met 1% van de aangegeven waarde.
Bijlage M. , Deel V
1. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor het toelaten van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers bevoegde autoriteiten
3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers
4. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn voor de inbouw of het vervangen van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers erkende bedrijven
Bijlage N
Bijlage N, Deel III (Model)
3. Lijst van de volgens het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn op grond van gelijkwaardige typegoedkeuringen toegelaten Inland AIS-apparatuur
Bijlage O
| Nr. | Aan het certificaat van onderzoek volgens artikel 1.03 als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen | Modaliteiten van de erkenning | Datum van de erkenning |
|---|---|---|---|
| 1 | Na 30 december 2008 afgegeven of hernieuwde communautaire certificaten voor binnenschepen, die bevestigen dat de desbetreffende schepen, onverminderd de overgangsvoorschriften volgens hoofdstuk 24, bijlage II, volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II van de laatst geldende versie van Richtlijn 2006/87/EG inzake vaststelling van de technische voorschriften voor binnenvaartschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG. | Schepen op de Rijn, waaraan na 30 december 2008 een communautair certificaat is afgegeven, moeten van motoren zijn voorzien, die voldoen aan ofwel de grenswaarden van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zoals vastgelegd in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, ofwel aan vergelijkbare grenswaarden krachtens Richtlijn 97/68/EG in zijn laatst geldende versie. | 27 november 2008 |
Bijlage P. Vereiste gegevens voor de identificatie van een schip
- A. Voor alle vaartuigen:
-
- uniek Europees scheepsidentificatienummer overeenkomstig artikel 2.18 (Bijlage B, derde lid, en Bijlage C, vijfde kolom);
-
- type vaartuig, bedoeld in artikel 1.01, lid 1 tot en met 25, (Bijlage B, tweede lid);
-
- lengte over alles overeenkomstig artikel 1.01, lid 56 (Bijlage B, lid 17a);
-
- totale breedte overeenkomstig artikel 1.01, lid 59 (Bijlage B, lid 18a);
-
- diepgang overeenkomstig artikel 1.01, lid 62 (Bijlage B, lid 19);
-
- bron van de gegevens (=certificaat van onderzoek schepen op de Rijn);
-
- waterverplaatsing overeenkomstig artikel 1.01, lid 46 (Bijlage B, lid 21, en Bijlage C, dertiende kolom) voor andere vaartuigen dan motorvrachtschepen;
-
- de exploitant (de eigenaar of de vertegenwoordiger, artikel 2.02);
-
- de schepper van het gegevensbestand.
- B. Indien beschikbaar:
-
- nationaal scheepsnummer;
-
- type vaartuig overeenkomstig de standaard van technische specificaties voor elektronisch melden in de binnenvaart;
-
- enkel- of dubbelwandig overeenkomstig het ADN/ADNR;
-
- holte overeenkomstig artikel 1.01, lid 61;
-
- bruto tonnage (voor zeeschepen);
-
- IMO-nummer (voor zeeschepen);
-
- Oproepsignaal (voor zeeschepen);
-
- MMSI-nummer;
-
- ATIS-code;
-
- type, nummer, autoriteit die het certificaat afgeeft en de geldigheidsdatum van andere certificaten.
Bijlage Q
(Zonder inhoud)
Bijlage R
Inhoud
Deel VII
Bijlagen
3. Dimensionering van de boordzuiveringsinstallatie
....
Bijlage R. , Deel III, Aanhangsel 1 (Model)
DEEL IV. Nummeringssysteem voor de typegoedkeuringen
1. Systematiek
2. Voorbeelden
Bijlage R. , Bijlage R, Deel V (Model)
DEEL V. Lijst van afgegeven typegoedkeuringen voor boordzuiveringsinstallaties
Bijlage R. , Deel VI (Model)
Bijlage R. , Deel VII (Model)
DEEL VII. Gegevensformulier voor boordzuiveringsinstallaties met een typegoedkeuring
Bijlage R. , Deel VIII (Model)
Deel VIII. Proces-verbaal van kenmerken van boordzuiveringsinstallaties voor de bijzondere keuring
1.. Algemene gegevens
2. Kenmerken
1 Aankruisen wat van toepassing is.
(De volgende afwijkende instellingen, modificaties of wijzigingen aan de ingebouwde boordzuiveringsinstallatie zijn geconstateerd.)
Plaats en datum: .....
Bijlage S
– Testprocedure –
1. Algemene gegevens
2. Voorbereidende maatregelen voor de uitvoering van de keuring
3. Testprocedure
4. Testverslag
Bijlage S. , aanhangsel 1
Voorbeelden van het verloop van een test
Tag = dag
Bijlage S. , aanhangsel 2
Opmerkingen over de bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen (BZB5) in 24u-mengmonsters
De Europese norm ISO 5815-1 en 5815-2 : 2003 schrijft voor, dat ter bepaling van de biochemische zuurstofbehoefte na 5 dagen de watermonsters onmiddellijk na de monsterneming in een tot de rand gevulde, goed gesloten fles bij een temperatuur van 0 tot 4°C tot de uitvoering van de analyse moet worden bewaard. De bepaling van de BZB55-waarde moet zo snel mogelijk of binnen 24 uur na beëindiging van de monsterneming worden gestart.
Teneinde te voorkomen dat het biochemische afbraakproces in de 24u-mengmonsters begint, wordt in de praktijk tijdens de periode van monsterneming het watermonster tot uiterlijk 4°C afgekoeld en op deze temperatuur gehouden totdat de monsterneming is voltooid.
De daartoe benodigde monsternemingapparatuur zijn op de markt beschikbaar.
Bijlage T. Aanvullende bepalingen voor vaartuigen die worden aangedreven met brandstoffen met een vlampunt van 55 ˚C of minder
- 1.1. Toepassingsgebied
- 1.1.1. De bepalingen van deel I zijn van toepassing op vaartuigen uitgerust met voortstuwingsof hulpsystemen die worden aangedreven met vloeibaar aardgas (LNG) volgens onderdeel 1.2.1 en hebben betrekking op alle gebieden die bijzondere aandacht vereisen met het oog op het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof.
- 1.2. Begripsbepalingen In dit deel wordt verstaan onder:
- 1.2.1. ‘Vloeibaar aardgas (LNG)’: aardgas dat vloeibaar is gemaakt door afkoeling tot een temperatuur van -161 °C.
- 1.2.2. ‘LNG-systeem’: alle delen van het vaartuig die vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas kunnen bevatten, zoals motoren, brandstoftanks en bunkerleidingen.
- 1.2.3. ‘LNG-bunkersysteem’: de installatie voor het bunkeren van vloeibaar aardgas (LNG) aan boord (bunkerstation en bunkerleidingen).
- 1.2.4. ‘Bunkerstation’: de zone aan boord waar zich alle voor het bunkeren gebruikte apparatuur zoals manifolds, afsluiters, meetinstrumenten, veiligheidsapparatuur, controlepanelen, werktuig, enz., bevindt.
- 1.2.5. ‘LNG-opslagsysteem’: de voorzieningen voor het opslaan van vloeibaar aardgas (LNG), tankaansluitingen inbegrepen.
- 1.2.6. ‘Gastoevoersysteem’: de installatie, met inbegrip van gasverwerkingsysteem, gastoevoerleidingen en -ventielen, voor de gasvoorziening van alle gas verbruikende inrichtingen aan boord.
- 1.2.7. ‘Gasverwerkingsysteem’: de eenheid voor het vergassen van vloeibaar aardgas (LNG), met inbegrip van leidingen en toebehoren.
- 1.2.8. ‘Gevaarlijke zones’: zones 0, 1 en 2 zoals ingedeeld hier onder:
- 1.2.8.1. Zone 0: een zone waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk aanwezig is,
- 1.2.8.2. Zone 1: een zone waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf waarschijnlijk af en toe aanwezig kan zijn,
- 1.2.8.3. Zone 2: een zone waar de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf niet waarschijnlijk is en waar, wanneer dit toch gebeurt, het verschijnsel van korte duur is.
- 1.2.9. ‘Gesloten ruimte’: een ruimte waarin de luchtverversing door gebrek aan mechanische ventilatie beperkt zal zijn en een explosieve atmosfeer niet vanzelf wordt verdreven.
- 1.2.10. ‘Halfgesloten ruimte’: een ruimte die op zodanige wijze door dekken en/of schotten wordt begrensd dat de natuurlijke ventilatieomstandigheden sterk van de omstandigheden op open dek verschillen.
- 1.2.11. ‘Overdrukventiel’: (PRV, Pressure Relief Valve): een voorziening met veerwerking, die automatisch door druk wordt geactiveerd om de tank of leidingen tegen ontoelaatbaar hoge interne druk te beschermen.
- 1.2.12. ‘Dual-fuelmotoren’: motoren die hetzij met vloeibaar aardgas (LNG) of met een brandstof met een vlampunt van meer dan 55 °C kunnen worden aangedreven.
- 1.2.13. ‘ESD’ (emergency shutdown): uitschakeling in noodsituaties.
- 1.2.14. ‘Hoofdbrandstofafsluiter’: een automatische afsluiter in de gastoevoerleiding naar een motor.
- 1.2.15. ‘Secundaire barrière’: de voorziening aan de buitenzijde van een LNG-brandstofopslagsysteem of -leiding bestemd voor tijdelijke opslag in geval van mogelijke lekkage van de primaire barrière.
- 1.2.16. ‘Maximale werkdruk’: de hoogste druk die in een LNG-brandstoftank of LNG-leiding tijdens het bedrijf toelaatbaar is. Deze druk is gelijk aan de openingsdruk van overdrukventielen of -voorzieningen.
- 1.2.17. ‘Ontwerpdruk’: de druk op basis waarvan de LNG-brandstoftank of LNG-leidingen ontworpen en gebouwd zijn.
- 1.2.18. ‘Dubbele afsluiter met afblaasventiel’: twee in serie in een leiding geplaatste kleppen en een derde klep waarmee de druk in de leiding tussen deze twee kleppen kan worden afgeblazen. Deze voorziening kan ook bestaan uit de combinatie van één tweewegklep en één afsluiter in plaats van drie afzonderlijke kleppen.
- 1.2.19. ‘Luchtsluis’: een door gasdichte, stalen schotten begrensde ruimte met twee gasdichte deuren, bedoeld om een niet-gevaarlijke zone van een gevaarlijke zone af te zonderen.
- 1.2.20. ‘Dubbelwandige leidingen’: leiding met een dubbele wand waarbij de ruimte tussen de wanden met inert gas onder druk is gezet en is uitgerust om eventuele lekkage vaneen van de twee wanden te detecteren.
- 1.2.21. ‘Systeemonderdelen’: alle onderdelen van de installatie die vloeibaar aardgas (LNG) of aardgas kunnen bevatten (brandstoftanks, pijpleidingen, afsluiters, slangen, cilinders, pompen, filters, instrumenten, enz.).
- 1.2.22. ‘Leiding met ventilatietussenruimte’: een gasleiding die van een mechanische afvoerventilatie voorzien is en in een pijpleiding of schacht geïnstalleerd is.
- 1.2.23. ‘Gasalarminstallatie’: een alarminstallatie voor de bescherming van personen en materiële goederen tegen gevaarlijke gassen en lucht/gasmengsels. De installatie bestaat uit gasdetectoren voor de identificatie van de gassen, een stuureenheid voor de verwerking van de signalen en een weergave/alarmeenheid voor de weergave van de status.
- 1.3. Risicobeoordeling
- 1.3.1. Nieuwe of significant gewijzigde ontwerpen of configuraties vereisen een risicobeoordeling. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met de uit het gebruik van vloeibaar aardgas (LNG) voortvloeiende risico’s voor personen aan boord, met inbegrip van passagiers, het milieu, de geschiktheid en de veiligheid van het vaartuig. De gevaren gerelateerd aan de ruimtelijke indeling, het bedrijf en onderhoud na een storing moeten redelijkerwijs in aanmerking worden genomen.
- 1.3.2. De risico's moeten worden geïdentificeerd en beoordeeld door middel van een door de Commissie van deskundigen erkende methode voor het analyseren van risico’s, zoals internationale normen ISO 31000 : 2009 en ISO 31010 : 2010. Hierbij moeten ten minste bedrijfsuitval, schade aan onderdelen, brand, explosie, vollopen van het tankruim, zinken van het vaartuig, evenals elektrische overspanning in aanmerking worden genomen. Deze analyse moet ertoe bijdragen dat risico’s zoveel mogelijk worden voorkomen. Risico's die niet volledig kunnen worden voorkomen, moeten tot een aanvaardbaar niveau worden gereduceerd. De belangrijkste mogelijkheden en maatregelen voor het voorkomen, respectievelijk reduceren van de risico’s moeten beschreven worden.
- 1.3.3. De indeling van de gevaarlijke zones aan boord in zones 0, 1 en 2 overeenkomstig onderdeel 1.2.8, moet in de risicobeoordeling worden gestaafd.
- 1.4. Algemene eisen
- 1.4.1. Één enkele storing in het LNG-systeem mag niet tot een onveilige situatie leiden.
- 1.4.2. Het LNG-systeem moet qua ontwerp, bouw, inbouw, onderhoud en bescherming een veilig en betrouwbaar functioneren van het systeem kunnen verzekeren.
- 1.4.3. De onderdelen van het LNG-systeem moeten tegen externe beschadigingen worden beschermd.
- 1.4.4. De toegang tot gevaarlijke zones moet, voor zover dit in de praktijk uitvoerbaar is, worden beperkt om potentiële risico’s die de veiligheid van het vaartuig, personen aan boord, het milieu en de apparatuur nadelig kunnen beïnvloeden, zoveel mogelijk te reduceren. Meer specifiek zijn gevaarlijke zones van het schepen overeenkomstig artikel 15.06, onderdeel 11 niet bestemd voor passagiers.
- 1.4.5. Er moeten geëigende maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat passagiers niet in de buurt van gevaarlijke zones komen.
- 1.4.6. De in gevaarlijke zones geïnstalleerde apparatuur moet zo veel mogelijk tot bedrijfsapparatuur worden beperkt, en moet op daarvoor passende en adequate wijze gecertificeerd zijn.
- 1.4.7. Onopzettelijke ophoping van explosieve of brandbare gasconcentraties moet worden verhinderd.
- 1.4.8. Ontstekingsbronnen in gevaarlijke zones moeten ter vermindering van de kans op explosies worden beperkt.
- 1.4.9. Aan boord van vaartuigen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken, moet een gedetailleerde gebruiksaanwijzing van het LNG-systeem aanwezig zijn, waarin ten minste:
- a). praktische uitleg over het bunker-, opslag- en leidingsysteem voor het LNG, over het gastoevoersysteem, de machinekamer, het ventilatiesysteem, het voorkomen van en controleren op lekkage, evenals het bewakings- en beveiligingssysteem is opgenomen;
- b). de bunkerhandelingen, in het bijzonder de bediening van de ventielen, het ontluchten, inertiseren en ontgassen is beschreven;
- c). de belangrijkste maatregelen voor de aarding tijdens het bunkeren zijn beschreven;
- d). de risico’s die in de risicobeoordeling als bedoeld onder 1.3 zijn geïdentificeerd en de wijze waarop zij worden beperkt, in detail worden beschreven.
- 1.4.10. Brand of explosie veroorzaakt door vrijgekomen gas in LNG-opslagsystemen en machinekamers mag de essentiële machines of apparatuur in andere ruimten niet onbruikbaar maken.
- 1.5. Vakkennis van een technische dienst De vakkennis van een technische dienst als bedoeld in artikel 8b.01, vierde lid, moet ten minste de volgende gebieden beslaan:
- a). brandstofsysteem inclusief tanks, warmtewisselaars, pijpleidingen;
- b). sterkte (in lengterichting en plaatselijk) en stabiliteit van het vaartuig;
- c). elektrische systemen en besturingssystemen;
- d). ventilatiesysteem;
- e). brandveiligheid;
- f). gasalarminstallatie.
- 1.6. Kentekening Deuren van ruimten waar vloeibaar aardgas (LNG) wordt gebruikt, moeten aan de buitenkant zijn voorzien van een teken ‘Waarschuwing voor LNG’ met een hoogte van ten minste 10 cm overeenkomstig schets 11 van bijlage I.
- 2.1. LNG- opslagsysteem
- 2.1.1. Het LNG-opslagsysteem moet gescheiden zijn van machinekamers en andere ruimten met een hoog brandrisico.
- 2.1.2. LNG-brandstoftanks moeten zo dicht mogelijk bij de overlangse middellijn van het vaartuig worden opgesteld.
- 2.1.3. De afstand tussen de wand van het vaartuig en de LNG-brandstoftank mag niet minder zijn dan 1,00 m. Wanneer LNG-brandstoftanks zijn geplaatst:
- a). onderdeks, dan moet het vaartuig zijn voorzien van een dubbele romp en eendubbele bodem op de plaats waar de LNG-brandstoftanks zijn opgesteld. De afstand tussen de buiten- en binnenwand van het vaartuig mag niet minder zijn dan 0,60 m. De diepte van een dubbele bodem mag niet minder zijn dan 0,60 m;
- b). op open dek, dan moet de afstand ten minste overeenkomen met B/5 van de verticale vlakken begrensd door de huid van het vaartuig.
- 2.1.4. De LNG-brandstoftank moet een losstaande tank zijn, ontworpen in overeenstemming met EN 13530: 2002, EN 13458-2: 2002 in combinatie met dynamische belasting, of de IGC-Code (tank van het type C). De Commissie van deskundigen kan andere gelijkwaardige normen van één van de Rijnoeverstaten en België aanvaarden.
- 2.1.5. Tankaansluitingen dienen boven het maximale vloeistofniveau in de tanks te worden geplaatst. De Commissie van deskundigen kan aansluitingen beneden het maximale vloeistofniveau aanvaarden.
- 2.1.6. Bij tankaansluitingen onder het maximale vloeistofniveau van de LNG-brandstoftanks,moeten onder de tanks lekbakken worden geplaatst, die aan de volgende eisen voldoen:
- a). de capaciteit van de lekbak moet voldoende zijn om het volume te kunnen opvangen dat zou kunnen vrijkomen bij een niet correct functionerende leidingaansluiting;
- b). de lekbak moet zijn vervaardigd uit geschikt roestvrij staal;
- c). de lekbak moet op voldoende afstand van de romp of dekstructuren worden geplaatst of voldoende worden geïsoleerd zodat de romp of dekstructuren niet ontoelaatbaar afkoelen als er vloeibaar aardgas (LNG) zou lekken.
- 2.1.7. Het LNG-opslagsysteem moet zijn voorzien van een secondaire barrière. Voor LNG-opslagsystemen met een zeer geringe kans op schade aan de draagstructuur en lekken van de primaire barrière is een secondaire barrière niet vereist.
- 2.1.8. Ingeval de secundaire barrière van het LNG-opslagsysteem deel uitmaakt van de romp, mag ook een scheidingswand van het tankruim als secundaire barrière worden gebruikt, voor zover voldoende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om lekken van cryogene vloeistof te voorkomen.
- 2.1.9. De plaats en de constructie van het LNG-opslagsysteem en de andere installaties op open dek moeten voldoende ventilatie garanderen. Ophoping van vrijgekomen aardgas moet worden voorkomen.
- 2.1.10. Indien condensatie en ijsvorming op koude oppervlakken van LNG-brandstoftanks tot veiligheidsproblemen of functionele problemen kunnen leiden, moeten er passende preventieve of remediërende maatregelen worden genomen.
- 2.1.11. Elke LNG-brandstoftank wordt uitgerust met ten minste twee overdrukventielen waarmee overdruk kan worden voorkomen, zodat in geval van een defect, een lek of onderhoud één overdrukventiel kan worden afgesloten.
- 2.1.12. Als niet kan worden uitgesloten dat er brandstof vrijkomt in de vacuümruimte van een vacuümgeïsoleerde LNG-brandstoftank, moet de vacuümruimte worden beschermd door een gepaste overdrukventiel. Indien LNG-brandstoftanks in een (half)gesloten ruimte zijn geplaatst, moet de overdrukinrichting op een afblaassysteem worden aangesloten.
- 2.1.13. De uitlaatbuizen van de overdrukventielen moeten zich ten minste 2,00 m boven het dek bevinden, op een afstand van ten minste 6,00 m van de verblijven, passagiersruimten en werkplekken buiten het laadruim. Deze hoogte kan worden verlaagd wanneer er binnen een straal van 1,00 m rond de uitlaat van het overdrukventiel geen apparatuur aanwezig is, er geen werkzaamheden worden verricht, deze zone door borden gekenmerkt is en gepaste maatregelen genomen worden om het dek te beschermen.
- 2.1.14. LNG-brandstoftanks moeten veilig geleegd kunnen worden, zelfs wanneer het LNG-systeem is uitgeschakeld.
- 2.1.15. LNG-brandstoftanks moeten, net als gasleidingsystemen, afgeblazen en met spoelgas gereinigd kunnen worden. Om een explosiegevaarlijke atmosfeer in de LNGbrandstoftanks en gasleidingen uit te sluiten moet, voordat met droge lucht wordt afgeblazen, met inert gas (bijv. stikstof of argon) geïnertiseerd kunnen worden.
- 2.1.16. De druk en temperatuur in de LNG- brandstoftanks moeten te allen tijden binnen de toegelaten waarden blijven.
- 2.1.17. Wanneer het LNG-systeem uitgeschakeld is, moet de druk in de LNG-brandstoftank gedurende een periode van twee weken beneden de maximale werkdruk van de LNG-brandstoftank blijven. Hierbij wordt uitgegaan van een LNG-brandstoftank die overeenkomstig de in onderdeel 2.9 vastgelegde maximale vullingsgraad is gevuld, en een vaartuig dat stilligt.
- 2.1.18. Een LNG-brandstoftank moet elektrisch met de constructie van het vaartuig worden verbonden.
- 2.2. Machinekamers
- 2.2.1. Voor machinekamers moet een van de volgende concepten toegepast worden:
- a). gasveilige machinekamer;
- b). explosieveilige machinekamer, of
- c). ESD-beschermde machinekamer.
- 2.2.2. Voorschriften voor gasveilige machinekamers
- 2.2.2.1. De gasveilige machinekamers moeten in alle omstandighedengasveilig blijven (‘inherently gas safe’). Eén enkele storing in het LNG-systeem mag niet tot gaslekkage in de machinekamer leiden. Alle gasleidingen in de machinekamer moeten omhuld zijn met een gasdicht omhulsel, bijv. dubbelwandige leidingen of dubbelwandige leidingen met ventilatietussenruimte.
- 2.2.2.2. Raakt een van de barrières defect, moet de gastoevoer naar dat betreffende deel van het LNG-systeem automatisch worden afgesloten.
- 2.2.2.3. De afvoerventilatie van de ventilatiekanalen moet:
- a). een capaciteit van ten minste 30 luchtwisselingen per uur van het bruto luchtvolume binnen de ventilatiekanalen kunnen waarborgen;
- b). uitgerust zijn om te allen tijde de aanwezigheid van gassen in de ruimte tussen de binnen- en buitenleidingen te detecteren;
- c). onafhankelijk zijn van alle andere ventilatiesystemen, in het bijzonder het ventilatiesysteem van de machinekamer.
- 2.2.2.4. Een gasveilige machinekamer wordt als een niet-gevaarlijke zone beschouwd tenzij de risicobeoordeling volgens onderdeel 1.3 anders uitwijst.
- 2.2.3. Voorschriften voor explosieveilige machinekamers
- 2.2.3.1. De explosieveilige machinekamers moeten zodanig zijn ingericht dat de ruimten in normale omstandigheden als gasveilig kunnen worden beschouwd. Één enkele storing in het LNG-systeem mag niet leiden tot een concentratie van meer dan 20% van de onderste explosiegrens (LEL, lower explosive limit) in de machinekamer.
- 2.2.3.2. Bij het detecteren van gas of het uitvallen van de ventilatie, moet de gastoevoer naar dat betreffende deel van het LNG-systeem automatisch worden afgesloten.
- 2.2.3.3. Het ventilatiesysteem moet:
- a). een voldoende capaciteit hebben om te waarborgen dat de gasconcentratie in de machinekamer onder 20% van de LEL blijft, en ervoor te zorgen dat het bruto luchtvolume binnen de machinekamer ten minste 30 maal per uur geheel kan worden ververst;
- b). onafhankelijk zijn van alle andere ventilatiesystemen.
- 2.2.3.4. Onder normale bedrijfsomstandigheden wordt de machinekamer constant geventileerd met ten minste 15 luchtwisselingen per uur van het bruto luchtvolume binnen de machinekamer.
- 2.2.3.5. Explosieveilige machinekamers moeten zo zijn ontworpen dat de geometrische vorm de ophoping van gassen of het ontstaan van gasbellen tot een minimumbeperkt. Een goede luchtcirculatie moet worden verzekerd.
- 2.2.3.6. Een explosieveilige machinekamer wordt als een Zone 2. beschouwd tenzij de risicobeoordeling volgens onderdeel 1.3 anders uitwijst.
- 2.2.4. Voorschriften voor machinekamers voorzien van een noodstopinrichting (ESD)
- 2.2.4.1. De machinekamers voorzien van een noodstopinrichting (ESD) moeten zodanig zijn ingericht dat de ruimten in normale omstandigheden als gasveilig kunnen worden beschouwd, terwijl deze ruimten in bepaalde abnormale omstandigheden wel vanwege aanwezig gas gevaarlijk kunnen worden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)