Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
6-1-p. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p
Paragraaf 2. Toets aan unierechtelijk evenredigheidsbeginsel na van rechtswege verlies van het Unieburgerschap
Paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring
Paragraaf 1. Algemeen
7-alg. Toelichting algemeen
paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets
3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
3.4. Algemeen belang
3.6. Weging belangen
15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid
15a-alg. Toelichting algemeen
15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Artikel 29
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Model 1.24. 1HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over naamsvaststelling kind(eren)
Bijlage 3
Paragraaf 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’
Paragraaf 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
Paragraaf 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating
1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid
2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid
Paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijk vertegenwoordiger
2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3. Overgangsregeling
6-1-g. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g
1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind
1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964
2.2. Personele en territoriale werkingssfeer
2.4. Mee te wegen rechten en factoren
Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3.13.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen
Paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit
3.3. Individueel belang
16a-alg. Toelichting
Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
15-2. Toelichting ad artikel 15, tweede lid
Artikel 23
15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Artikel 16
16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 1. Algemeen
Bijlage 1
Bijlage 3
Model 1.25. HRWN-A: Verklaring ‘Ingelicht over betaling van optiegelden’, tevens inverzuimstelling;
Bijlage 4
Model 1.36. : Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid
Paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing
3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets
Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit
Artikel 15a
15a-alg. Toelichting algemeen
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
24-alg. Toelichting algemeen
Artikel 16
15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Artikel 27
16-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 1. Algemeen
16-alg. Toelichting algemeen
Bijlage 1
Bijlage 2
Model 1.35. HRWN-A: Uitwisselingsformulier
Model 1.27. : Besluit tot ontheffing betaling optiegelden
Model 1.46. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder n, RWN
Bijlage 3
Bijlage 4
3.6. Weging belangen
Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit
15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
16-alg. Toelichting algemeen
16-alg. Toelichting algemeen
16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 1. Algemeen
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Bijlage 4
3.6. Weging belangen
Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit
Paragraaf 5. Gevolgen van de intrekking
15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e
15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)
Paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
Bijlage 1
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Bijlage 3
Bijlage 4
Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit
Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit
15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar
Paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
Paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar
Bijlage 1
Bijlage 2
Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Bijlage 3
Bijlage 3
1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid
2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid
Paragraaf 1. Algemeen
3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid
3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid
6-1-a. Ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 11. Ontheffing van het doen van afstand van de oorspronkelijke nationaliteit na het koninklijk besluit
23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Artikel 16
Paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Bijlage 1
Bijlage 1
Bijlage 3
Bijlage 4
Paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige 12 tot 16 jaar over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 4
Paragraaf 4. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap
16-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige 12 tot 16 jaar over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap
Paragraaf 1
Paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
Paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 4
1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h
1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid
2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger
3-alg. Toelichting algemeen
4-5. Toelichting ad artikel 4, vijfde lid
4-4. Toelichting ad artikel 4, vierde lid
6-1-g. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g
Paragraaf 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen
Paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens
Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten
Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid
16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand
Paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Bijlage 1
Bijlage 2
Bijlage 3
Model 1.57. HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger omtrent herkrijging Nederlanderschap van minderjarige(n)
Bijlage 4
Model 2.25. HRWN-A: Afwijzing ontheffing naturalisatiegelden
Landsverordening Toelating, Uitzetting en Verwijdering (LTUV): Artikelen 1, 3, 6, 7 en 7a1Inwerking getreden op 1 oktober 2006.
Paragraaf 4. Toelating minderjarigen
2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid
2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid
3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid
Artikel 4
4-6. Toelichting ad artikel 4, zesde lid
Artikel 6
1. Algemeen
2.4.1. Beroep op schending van het familie- of gezinsleven en het belang van het kind
3.2.1. Soorten bewijsmiddelen
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond
Paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Paragraaf 1. Algemeen
14-2. Toelichting artikel 14, tweede lid, RWN
Bijlage 1
Bijlage 2
Model 2.4 HRWN-A: Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het verzoek om naturalisatie tot Nederlander
Model 2.7 HRWN-A: Verzoek om naamswijziging bij naturalisatie
Bijlage 3
Bijlage 4
3.2. Bewijslast
Paragraaf 2.2.5.7. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten
Paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden
22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
24-alg. Toelichting algemeen
Paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen
Paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
Paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Paragraaf 1. Algemeen
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
Paragraaf 1. Algemeen
Paragraaf 1. Algemeen
16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c
16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 1. Algemeen
Bijlage 1
Bijlage 2
Model 2.17. behorend bij artikel 4 Besluit bericht omtrent toelating
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
Model 2.12. : Brief verzoek om instemming (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 16 jaar of ouder)
Bijlage 3
Model 2.26
Model 2.27
Model 2.17. behorend bij artikel 4 Besluit bericht omtrent toelating
Paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder
16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Paragraaf 1
28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Paragraaf 1
Algemeen
16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
Bijlage 2
Model 2.24. : Besluit tot ontheffing betaling naturalisatiegelden
Bijlage 3
Bijlage 4
Paragraaf 10. Afstand tijdens bezwaarprocedure maar na intrekking van het Nederlanderschap
Paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Paragraaf 1
16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 1
IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Artikel 29
29-alg. Toelichting algemeen
16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
II RRWN-alg. Toelichting algemeen
16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
Bijlage 1
Model 2.15 HRWN-A: Formulier zienswijze andere ouder / wettelijk vertegenwoordiger over naamsvaststelling kind(eren)
Bijlage 3
Bijlage 4
Model 2.23. HRWN-A: Buitenbehandelingstelling verzoek om naturalisatie wegens nietbetaling van naturalisatiegelden
Model 2.25. HRWN-A: Afwijzing ontheffing naturalisatiegelden
16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a
Paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar
Paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar
16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid
Algemeen
16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e
16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b
16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
Bijlage 2
Model 2.22. HRWN-A: Adviesblad naturalisatie Aruba
Model 2.26
Model 2.29a. : Terugmeldformulier Naturalisatie – verzoek om medenaturalisatie
Bijlage 3
Model 3.2. : Verklaring van afstand van het Nederlanderschap (geldig vanaf 1 maart 2009)
Model 3.2. : Verklaring van afstand van het Nederlanderschap (geldig vanaf 1 maart 2009)
Op grond van het tweede artikellid heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie afleggen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en komt evenmin in aanmerking voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel ‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (...) heeft bezeten’. Voor de toepassing van laatstbedoelde bepalingen wordt hij geacht het Nederlanderschap niet te hebben bezeten.
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde. Zie ook de toelichting bij artikel 14 RWN.
Verder is sedert 1 april 2003 in artikel 14, tweede lid, RWN tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge de onderhavige bepaling geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
RWN: artikelen 3; 4; 5; 14.2 en 16
WNI: artikel 2.a
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, RWN intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 14, tweede lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
Echter, als gevolg van de onderhavige bepaling moet, wat betreft de toepassing van artikel 14, tweede lid, RWN, ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend (ingevolge bijvoorbeeld artikel 3, eerste lid, RWN), zulks ondanks bijvoorbeeld dat de minderjarige het Nederlanderschap tevens ontleende aan artikel 3, derde lid, RWN, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Verder is sedert 1 april 2003 in artikel 14, tweede lid, RWN tot uitdrukking gebracht dat de betreffende verliesbepaling alleen van toepassing is op minderjarigen. Ook dat moet ingevolge de onderhavige bepaling geacht worden te gelden sedert 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een meerderjarige, op grond van het toen geldende artikel 14, eerste lid, RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap door het als gevolg van bijvoorbeeld herroeping van adoptie vervallen van de familierechtelijke betrekking waaraan het werd ontleend, dan moet die persoon thans geacht worden het Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het thans geldende artikel 14, tweede lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, 4 of 5 RWN. De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892. Uit Rechtbank ’s-Gravenhage 16 april 1999, nr. 98.637 blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen, waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
Model 1.4. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef onder b, RWN (bij minderjarige optant afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, RWN intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
Echter, op grond van de onderhavige overgangsbepaling moet, wat betreft de toepassing van artikel 16, tweede lid, RWN, ervan worden uitgegaan dat bedoelde uitzonderingen reeds gelden vanaf 1 januari 1985. Zou dus vóór 1 april 2003 ten aanzien van een minderjarige, op grond van het destijds geldende artikel 16 RWN, zijn geconcludeerd tot verlies van het Nederlanderschap en kunnen we nu vaststellen, dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën, genoemd onder b, c of d van het tweede lid van het huidige artikel 16 RWN, dan moet die persoon thans geacht worden zijn Nederlanderschap nimmer te hebben verloren.
Bijlage 4
Model 1.8. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN
WNI: artikel 2.a
Model 1.10. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in artikel V, eerste lid, RRWN eindigde op 31 maart 2005.
6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h
1. Algemeen
1. Algemeen
3.4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND
16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b
Paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap
Artikel 16a
Artikel III
16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a
16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f
16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
Artikel VI. RRWN
17-alg. Toelichting algemeen
Bijlage 1
Bijlage 2
Model 2.21. HRWN-A: Verklaring ‘geïnformeerd over negatief advies’
Bijlage 3
Indien vóór inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, RWN (nieuw) de naturalisatie heeft plaatsgevonden, werkt intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Aldus bepaalt artikel II RRWN.Een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap heeft geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór 1 april 2003. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap wordt betrokkene geacht dat hij tot 1 april 2003 wél in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, en na deze datum niet meer.
Model 1.3. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN (afgelegd door meerderjarige optant)
Ingevolge artikel IV, eerste lid, RRWN >vangt de verliestermijn van tien jaren uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
Bijlage 4
Model 1.7. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Model 1.9. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, onder f, juncto artikel 26 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Ingevolge artikel IV, eerste lid, RRWN >vangt de verliestermijn van tien jaren uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN niet eerder aan dan op 1 april 2003. Dit betekent, dat pas op 1 april 2013 voor de eerste maal verlies van het Nederlanderschap kan intreden op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid
3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid
4-1. Toelichting ad artikel 4, eerste lid
Artikel 5b
Paragraaf 2.8. Weigering bevestiging
Artikel 8
16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d
Paragraaf 1
16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c
Artikel 18
16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e
Artikel 21
21-alg. Toelichting algemeen
Artikel 17
Artikel 16a
18-alg. Toelichting algemeen
16a-alg. Toelichting
Artikel 20
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 20
20-alg. Toelichting algemeen
22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
Artikel 22a
Artikel 23
Artikel 22a
22-1. Toelichting ad artikel 22, eerste lid
Artikel 22a
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
Artikel 25
24-alg. Toelichting algemeen
Artikel 26
24-alg. Toelichting algemeen
Artikel 25
26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
Artikel 28
Artikel II
Artikel 28
Artikel III
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Artikel IV
28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Artikel V
V RRWN-alg. Toelichting algemeen
Artikel 29
29-alg. Toelichting algemeen
RWN: artikelen 1, 6, 8, 10, 11, 26 en 28
Op grond van dit artikel telt de periode van hoofdverblijf die vóór 10 oktober 2010 is doorgebracht in de toenmalige Nederlandse Antillen mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in het land Curaçao, het land Sint Maarten, het land Aruba en in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.
RWN: artikelen 6.1f; 8.2 en 14.1
Artikel III
16-2. Toelichting artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
Bijlage 1
Model 1.1. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Model 1.2. HRWN-A: Bijlage bij optieverklaring (aanvullende gegevens kinderen, van oud naar jong)
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.11. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h, RWN
Model 1.12. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 28 van de Rijkswet op het Nederlanderschap
Model 1.13. : Optieverklaring op grond van artikel V, eerste lid, RRWN (overgangsbepaling)
Aangezien de verliestermijn van het oude artikel 15, onder c, RWN ingevolge artikel 26 RWN (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. Artikel V RRWN bood wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005
Gold het verlies van het Nederlanderschap ook voor een op het moment van verlies minderjarig kind van de persoon als hier bedoeld, dan wordt ook dat kind geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Het maakt niet uit of het kind inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig is geworden.
De meerderjarige die vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Rijkswet op grond van of, als minderjarige, wegens artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn Nederlanderschap heeft verloren, herkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring binnen een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van deze Rijkswet. Deze herkrijging werkt terug tot het moment van verlies. Artikel 6, tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een verklaring tot herkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt in die verkrijging indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een kind dat in die verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging. Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt. De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, genoemde periode vangt aan op de dag van de bevestiging als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in artikel V, eerste lid, RRWN eindigde op 31 maart 2005.
F, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon G, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon H, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). F is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
Hij die op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze Rijkswet, zijn Nederlanderschap heeft verloren en aan wie na 1 januari 1990 een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel een reisdocument in de zin van de Paspoortwet is verstrekt, wordt geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren.
Artikel V, tweede lid, RRWN is in werking getreden op 1 februari 2001 (koninklijk besluit van 21 december 2000,Stb. 2001, 2). Ingevolge deze bepaling wordt de persoon die vóór 1 april 2002 op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, zijn Nederlanderschap verloren heeft door tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit én aan wie na 1 januari 1990 – en vóór het verlies van de Nederlandse nationaliteit – een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument is verstrekt, geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren. Een nieuwe verliestermijn van tien jaar gaat voor deze persoon lopen op de dag van verstrekking van een van beide voormelde documenten; echter nooit eerder dan op 1 januari 1994.
Model 1.14. HRWN-A: Verklaring verblijf en gedrag
Model 1.14-1a. HRWN-A: Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het afleggen van de optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Model 1.14-1b. HRWN-A: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese, Oostenrijkse, Sri Lankaanse of Zuid-Afrikaanse nationaliteit
Model 1.15. HRWN-A: Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.16. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)
Model 1.17. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)
Model 1.18. : Brief zienswijze (mede)verkrijging Nederlanderschap (aan minderjarigen van 12 tot en met 15 jaar)
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
Voor E is op 1 april 2003 een nieuwe verliestermijn van 10 jaar gaan lopen. Voor een inmiddels (na aanvankelijk verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig geworden kind van E, dat ook geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verloren en dat in zijn geboorteland is blijven wonen, begint de verliestermijn van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN te lopen op de dag waarop hij meerderjarig is geworden, maar niet eerder dan op 1 januari 2003.
G, geboren op 10 januari 1967 in Venezuela, van Nederlandse en Venezolaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Venezuela. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt E geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van E op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
G, geboren op 10 januari 1967 in Venezuela, van Nederlandse en Venezolaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Venezuela. Op 15 maart 1994 wordt G in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest G zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert G naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Model 1.5. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.6. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN (afgelegd door wettelijk vertegenwoordiger)
Model 1.1. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, RWN
Voor E is op 1 april 2003 een nieuwe verliestermijn van 10 jaar gaan lopen. Voor een inmiddels (na aanvankelijk verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig geworden kind van E, dat ook geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verloren en dat in zijn geboorteland is blijven wonen, begint de verliestermijn van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN te lopen op de dag waarop hij meerderjarig is geworden, maar niet eerder dan op 1 januari 2003.
Vrouwen die vóór 1 maart 1964 het Nederlanderschap hebben verloren door of ten gevolge van het huwelijk met een niet-Nederlander, konden tot 1 april 2003 een beroep doen op de Rijkswet betrekking hebbende op gehuwde en gehuwd geweest zijnde vrouwen van 14 november 1963 (Stb. 467). Op grond van voorgenoemde wet konden deze vrouwen onder voorwaarden het Nederlanderschap herkrijgen door het afleggen van een optieverklaring. Het onderhavige artikel bepaalt dat de Rijkswet van 14 november 1963 wordt ingetrokken.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt G geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. G moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
G wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan G het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
E, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. E is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
(VERVALLEN PER 1 APRIL 2005)
Verklaart de Nederlandse nationaliteit te willen herkrijgen.
Model 1.10. HRWN-A: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN
Deze verklaring strekt tot de medeverkrijging van de Nederlandse nationaliteit van mijn hierna genoemde minderjarige kind(eren).1Doorhalen wat niet van toepassing is.
Zie voor overige gegevens kind(eren) de bijlage bij deze verklaring.
Ik verklaar alle gegevens naar waarheid te hebben verstrekt en geen voor de beoordeling van mijn optieverklaring relevant gegeven te hebben verzwegen. Ik ben mij ervan bewust dat het verstrekken van een onjuist gegeven of het verzwijgen van een relevant gegeven er toe kan leiden dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit wordt ingetrokken, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.
(VERVALLEN PER 1 APRIL 2005)
Verklaart de Nederlandse nationaliteit te willen herkrijgen.
Ik verklaar de Nederlandse nationaliteit te hebben verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals dit artikel luidde tot 1 april 2003.
Deze verklaring strekt tot de medeverkrijging van de Nederlandse nationaliteit van mijn hierna genoemde minderjarige kind(eren).1Doorhalen wat niet van toepassing is.
Zie voor overige gegevens kind(eren) de bijlage bij deze verklaring.
Model 1.16. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)
Model 1.17. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door kind (voor kind van 16 jaar en ouder)
Model 1.14. HRWN-A: Verklaring verblijf en gedrag
Model 1.14-1a. HRWN-A: Bereidheidsverklaring tot afstand huidige nationaliteit bij het afleggen van de optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN
Model 1.14-1b. HRWN-A: Verklaring in verband met verlies van de Egyptische, Georgische, Libische, Mauritaanse, Oegandese, Oostenrijkse of Sri Lankaanse nationaliteit
Model 1.15. HRWN-A: Verzoek om naamsvaststelling bij optie
Model 1.16. HRWN-A: Verklaring naamskeuze door ouders (voor kind jonger dan 16 jaar)
Indien u binnen de bovengenoemde termijn geen gebruik maakt van de mogelijkheid om uw mening naar voren te brengen, ga ik ervan dat u de Nederlandse nationaliteit wenst te verkrijgen.
Hoogachtend,
Beste.....,
Uw vader/moeder/wettelijk vertegenwoordiger1Doorhalen wat niet van toepassing is. heeft voor u verzocht om verkrijging van de Nederlandse nationaliteit. In verband daarmee deel ik u het volgende mee.
Ik stel u in de gelegenheid om binnen drie/...2Een periode langer dan drie weken kan hier worden ingevuld. weken na de dag volgend op het versturen van deze brief uw mening over de verkrijging van het Nederlanderschap (1Doorhalen wat niet van toepassing is.en/of de vaststelling van uw voor- en/of geslachtsnaam) in persoon naar voren te brengen. U kunt hiervoor een afspraak maken met ..... , telefonisch bereikbaar onder nummer ..... (telefoonnummer).
U kunt ook binnen bovengenoemde termijn het/de1Doorhalen wat niet van toepassing is. bij deze brief gevoegde formulier(1Doorhalen wat niet van toepassing is.en) volledig ingevuld en ondertekend toezenden aan ..... (adres). U moet daarbij een kopie van uw geldig identiteitsbewijs (geldig paspoort, voorzien van foto, personalia en handtekening) voegen.
Indien u binnen de bovengenoemde termijn geen gebruik maakt van de mogelijkheid om uw mening naar voren te brengen, ga ik ervan dat u de Nederlandse nationaliteit wenst te verkrijgen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)