Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in Aruba
BVVN: artikel 24; hoofdstuk III en artikel 72
8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d
Bdr: artikelen 5; 6; 8 en 9
BWA: artikelen 1:33 en 1:69
paragraaf 1. Algemeen
WNI: artikel 7
LTU en LTUV: artikelen 1, 3, 7, 7a en overgangsbepalingen IV, V en VI
paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets
BNT: artikelen 2; 3; 5 en 7
Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in artikel 9, eerste lid, RWN. Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in artikel 11 RWN.
Om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap dient de verzoeker als hoofdregel niet alleen te voldoen aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, maar ook op het moment waarop de IND beslist op het verzoek. Een verzoek van een persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek nog voldeed aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen voor naturalisatie, maar die op het moment van de beslissing op het verzoek inmiddels niet meer voldoet aan deze vereisten, wordt dus afgewezen. Hierbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de verblijfstitel na de indiening van het verzoek is gewijzigd of niet meer geldt, of aan de omstandigheid dat er inmiddels niet meer sprake is van een huwelijk of samenwoning met een Nederlander of aan mee te naturaliseren kinderen die na de indiening van het verzoek meerderjarig zijn geworden. Voorts kan worden gedacht aan de omstandigheid dat na de indiening van het verzoek ernstige vermoedens zijn ontstaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde.
Een verzoeker die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c of d, RWN kan, uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden, verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 RWN. Echter, toepassing van artikel 10 RWN is niet mogelijk indien de verzoeker niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN. Immers, uit de tekst van artikel 10 RWN vloeit voort dat niet kan worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e RWN. Een verzoeker die een beroep doet op toepassing van artikel 10 RWN dient daarom te allen tijde in het bezit te zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is en zich te allen tijde bereid te verklaren bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en deze verklaring ook te allen tijde daadwerkelijk af te leggen.
8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden (of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan) of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 1, tweede lid, RWN). De Gouverneur onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de PIVA. Indien de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de PIVA, bevordert de Gouverneur dat de PIVA zo mogelijk wordt aangepast. Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie de toelichting bij dat artikel). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie ook artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.
LTU en LTUV: artikelen 1, 3, 7, 7a en overgangsbepalingen IV, V en VI
Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de LTU gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.
Let op: Per 1 juli 2006 is de LTU gewijzigd in Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (LTUV). Sinds 1 december 2018 (AB 2018, no. 70 en AB 2018, no.71) is weer sprake van de Landsverordening toelating en uitzetting (artikel 37 LTU).
In paragraaf 2 wordt aangegeven welke verblijfstitels er op grond van de LTU in Aruba bestaan. In paragraaf 3 wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van het verblijfsdocument van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Voor een naturalisatieverzoek (maar ook voor een optieverzoek) moet de niet-Nederlander tot Aruba zijn toegelaten in overeenstemming met de in de LTU geldende bepalingen. Jegens houders van een niet-conform de LTU verstrekte toelating bestaan in het kader van de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd, tenzij het op 1 december 2018 ingevoerde overgangsrecht van toepassing is (zie par. 2.1 voor de verklaring van toelating van rechtswege (artikel 3 g LTU).
Verder wordt beschreven hoe te handelen wanneer de verzoeker niet beschikt over een verblijfsdocument, hij niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, het verblijfsrecht behoort te worden ingetrokken of het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. In die gevallen kan de vraag of er bedenkingen bestaan in bovenbedoelde zin niet (eenvoudig) aan de hand van een verblijfsdocument worden beantwoord. Zie hiervoor paragraaf 5.
Een verzoeker die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c of d, RWN kan, uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden, verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 RWN. Echter, toepassing van artikel 10 RWN is niet mogelijk indien de verzoeker niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b en e, RWN. Immers, uit de tekst van artikel 10 RWN vloeit voort dat niet kan worden afgeweken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, en van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e RWN. Een verzoeker die een beroep doet op toepassing van artikel 10 RWN dient daarom te allen tijde in het bezit te zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is en zich te allen tijde bereid te verklaren bij verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen en deze verklaring ook te allen tijde daadwerkelijk af te leggen.
8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a
(Artikel 2, 3, 6, 7en 7a van de Landsverordening Toelating en Uitzetting jo. de overgangsbepalingen II, III, IV, V, VI en VII wijziging LTU (AB 2018 no 70 en 71).
Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden (of voordien in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan) of buiten Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN (zie de toelichting bij artikel 1, tweede lid, RWN). De Gouverneur onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de PIVA. Indien de geboortedatum in de overgelegde stukken niet overeenstemt met de PIVA, bevordert de Gouverneur dat de PIVA zo mogelijk wordt aangepast. Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie de toelichting bij dat artikel). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie ook artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.
Van rechtswege toelating wordt toegekend aan degene die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3 van de LTU (zie ook hierna paragraaf 3.1). Daarvan wordt op aanvraag een verklaring afgegeven (artikel 3, tweede lid, LTU).
De volgende personen hebben van rechtswege toelating tot verblijf in Aruba:
Ad g
Paragraaf 1. Algemeen
Degene die op 1 december 2018 van rechtswege toelating tot verblijf had op grond van dit artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van de LTUV zoals dat ingevolge Artikel VI van de LTUV AB 2018 no. 70 van 1 juli 2012 tot 1 december 2018 luidde, behield deze verblijfstitel, onverminderd artikel 5, eerste lid, van de LTUV (AB 1993 no. GT 33).
Dit is van overeenkomstige toepassing op de uit het bedoelde huwelijk geboren of staande dat huwelijk geadopteerde of erkende minderjarige inwonende kinderen (zie artikel VI en VII van de LTUV 2018, no. 70).
Verder wordt beschreven hoe te handelen wanneer de verzoeker niet beschikt over een verblijfsdocument, hij niet beschikt over het juiste verblijfsdocument, het verblijfsrecht behoort te worden ingetrokken of het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen. In die gevallen kan de vraag of er bedenkingen bestaan in bovenbedoelde zin niet (eenvoudig) aan de hand van een verblijfsdocument worden beantwoord. Zie hiervoor paragraaf 5.
De LTU onderscheidt twee soorten verblijfsvergunningen:
De vergunning tot tijdelijk verblijf komt voorafgaand aan het verlenen van een vergunning tot verblijf.
In de beleidsinstructie van de DIMAS, gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 12 maart 2021, jaargang 21, editie no. 6, zijn de verblijfsdoelen voortvloeiende uit de artikelen 3, 7 en 7a van de LTU, geclassificeerd naar tijdelijke dan wel niet-tijdelijke aard. Als uitgangspunt geldt dat een verblijfsdoel van een vergunning tot tijdelijk verblijf dat als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie ook leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als sprake zou zijn van het daarmee doorkruisen van een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie.
(Artikel 2, 3, 6, 7en 7a van de Landsverordening Toelating en Uitzetting jo. de overgangsbepalingen II, III, IV, V, VI en VII wijziging LTU (AB 2018 no 70 en 71).
Verblijfsdoelen/vergunningen van tijdelijke aard op grond van LTU:
Andere verblijfsdocumenten/statussen/verklaringen van tijdelijke aard op grond van de LTU:
paragraaf 1. Algemeen
Verblijfsdoelen/vergunningen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:
Andere verblijfsdocumenten/statussen/verklaringen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:
Van rechtswege hebben toelating tot verblijf van niet tijdelijke aard in Aruba:
Paragraaf 3. (Geen) bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
De uiteindelijke beslissing of al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba van een verzoeker om naturalisatie ligt bij Onze Minister die oordeelt over de afwijzing of de inwilliging van het verzoek. Daartoe hanteert Onze Minister de in de Nederlandse handleiding verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein. Dit betekent dat een als vóórtdurend gekenmerkt verblijfsrecht (doel van het verblijfsrecht is niet-tijdelijk van aard) een verblijfsrecht is waarbij geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland (dat hiervoor aansluit bij het Vreemdelingenbesluit), Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aanwezig zijn. Daarbij maakt het niet uit of de verblijfsvergunning met dat verblijfsdoel steeds moet worden verlengd. Het maakt daarbij ook niet uit of het verblijfsrecht zelf mogelijk afloopt en weer (met hetzelfde verblijfsdoel) moet worden verlengd.
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hiervoor geldt voor de verschillende verblijfstitels het volgende.
In de beleidsinstructie van de DIMAS, gepubliceerd in de Landscourant van Aruba van 12 maart 2021, jaargang 21, editie no. 6, zijn de verblijfsdoelen voortvloeiende uit de artikelen 3, 7 en 7a van de LTU, geclassificeerd naar tijdelijke dan wel niet-tijdelijke aard. Als uitgangspunt geldt dat een verblijfsdoel van een vergunning tot tijdelijk verblijf dat als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie ook leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als sprake zou zijn van het daarmee doorkruisen van een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie.
Paragraaf 2.3. Onderscheid van verblijfsrecht naar tijdelijke en niet-tijdelijke aard
Paragraaf 2.3. Onderscheid van verblijfsrecht naar tijdelijke en niet-tijdelijke aard
Ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, lid 1, sub a LTU (in Aruba gestationeerde personen die in dienst zijn van Aruba, van een van de andere landen van het Koninkrijk of van een internationale organisatie of een door een van de landen van het Koninkrijk gesubsidieerde instelling) geldt dat zij in beginsel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moeten hebben om te kunnen aannemen dat er geen bedenkingen bestaan tegen hun verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba. Verder bestaan er ook geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd voor vreemdelingen die een verklaring van rechtswege overleggen waaruit volgt dat het tijdelijke arbeidscontract telkens met een jaar wordt verlengd. Dit is anders voor vreemdelingen die werken voor een internationale organisatie. Zij hebben de intentie om tijdelijk te verblijven dus er bestaan wel bedenkingen tegen hun verblijfsdoel.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN:
Verblijfsdoelen/vergunningen van niet-tijdelijke aard op grond van de LTU:
Als uitgangspunt geldt dat een vergunning tot tijdelijk verblijf die als van tijdelijke aard is geclassificeerd in de beleidsinstructie van de DIMAS van 12 maart 2021 (zie paragraaf 2.2) leidt tot het bestaan van bedenkingen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b RWN. Dit kan echter anders zijn als een uit de RWN voortkomend recht op naturalisatie daarmee wordt doorkruist.
Geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN bestaan bij de volgende vergunningen:
Van rechtswege hebben toelating tot verblijf van niet tijdelijke aard in Aruba:
Ten aanzien van verzoekers om naturalisatie die in het bezit zijn van een vergunning tot verblijf bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba (zie hierboven paragraaf 2.2, sub 2).
Bij de beoordeling van een verzoek om naturalisatie zal steeds de vraag moeten worden beantwoord of er op grond van de verblijfstitel van de vreemdeling bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hiervoor geldt voor de verschillende verblijfstitels het volgende.
Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of ophet moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie1Vergelijk ABRvS 18 juni 1998, H01.97.0969, ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270; ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028.. Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de DIMAS. Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal de Gouverneur het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21 (Advies geen inwilliging van verzoek om naturalisatie).
Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede, derde, vierde of vijfde lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek.
Ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen in artikel 3 LTU bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN, mits jegens de hoofdverblijfgever zelf ook geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, RWN bestaan:
2.3.2.3. Rol van en procedure bij Examenbureau Aruba
Bestaan aanwijzingen dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd, dan bestaan – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Dat geldt ook voor een houder van een verklaring van toelating van rechtswege waarbij het vermoeden bestaat dat de toelating is geëindigd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de vreemdelingendienst. Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 4 van de toelichting op dit artikellid. De Gouverneur zal de verblijfsrechtelijke status van verzoeker nader onderzoeken. Na dit onderzoek en na vaststelling van de juiste verblijfsrechtelijke status wordt advies uitgebracht aan de IND. Aan de hand van dit advies zal de IND beoordelen of bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd van verzoeker.
Paragraaf 3.2. De vergunning tot tijdelijk verblijf (vttv)
De verklaring van toelating van rechtswege eindigt eveneens met het vervallen van de status waarvoor de toelating van rechtswege is verleend. Een toelating van rechtswege vervalt:
8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
Paragraaf 3.3. De vergunning tot verblijf
Ten aanzien van verzoekers om naturalisatie die in het bezit zijn van een vergunning tot verblijf bestaan geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in Aruba (zie hierboven paragraaf 2.2, sub 2).
Paragraaf 4. Beoordelingsmoment
Vóór 1 april 2003 was in dit artikellid als voorwaarde opgenomen dat een verzoeker voor naturalisatie in aanmerking kon komen, indien hij of zij ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek woonplaats of werkelijk verblijf in het Koninkrijk had. De vraag of verzoeker in deze periode was toegelaten, speelde daarbij geen rol (ook niet-rechtmatig verblijf werd meegeteld).
2.3.2.3. Rol van en procedure bij Examenbureau Aruba
Van toelating in Aruba als bedoeld in de RWN is sprake indien verzoeker rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 3, artikel 6, tweede en derde lid, LTUV. Verzoeker dient dit verblijf aan de hand van een verblijfsdocument aan te tonen (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN en bij artikel 8, eerste lid aanhef en onder b RWN). De datum van eerste toelating is de datum van de beslissing (ondertekening) van de eerste vergunning tot (tijdelijk) verblijf.
Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in het Europese deel van Nederland, Curaçao, Sint Maarten, Aruba of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf in Aruba wordt getoetst aan de hand van de gegevens uit de PIVA. Indien deze gegevens niet afdoende blijken uit de PIVA, dient de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de periode van vijf jaar voorafgaande aan het verzoek tot de beslissing daarop zelf aan te tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie de toelichting bij dat artikellid).
2.3.2.2. Te volgen procedure bij de Gouverneur
Het is uiteindelijk aan Onze Minister (lees: de IND) die beslist tot afwijzing of inwilliging van het verzoek om naturalisatie, om te bepalen aan de hand van het BOT en de meegestuurde stukken of sprake is van onafgebroken toelating in de zin van de Rijkswet.
De verklaring van toelating van rechtswege eindigt eveneens met het vervallen van de status waarvoor de toelating van rechtswege is verleend. Een toelating van rechtswege vervalt:
paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling
Het gaat te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een vergunning tot verblijf die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld2Vergelijk onder meer ABRvS 5 november 1998, H01.98.0270 en ABRvS 26 maart 1999, H01.98.1028. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de vergunning tot (tijdelijk) verblijf die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure (dit is een procedure ingevolge de LAR). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bezien of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfstitel om voor onbepaalde tijd in Aruba te verblijven, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Indien vreemdelingrechtelijke vragen zich bij het indienen van een verzoek voordoen, dient de verzoeker te worden verwezen naar de vreemdelingendienst (artikel 48, eerste lid BVVN). Bij de vreemdelingendienst kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfstitel en zonodig een vreemdelingrechtelijke procedure volgen. In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsdocument, niet bereid is om een verblijfsdocument te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, kan het verzoek door de IND met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, Awb buiten behandeling worden gesteld (zie toelichting bij artikel 7 RWN, paragraaf 3.7.4).
In dit artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Dit gebeurt aan de hand van een tweedeling: aan de ene kant moet de vreemdeling die in Aruba woont, over voldoende kennis van het Nederlands en het Papiaments beschikken, aan de andere kant moet hij zich hebben doen opnemen in de samenleving van Aruba en kennis hebben van de Arubaanse staatsinrichting en maatschappij.
De vreemdeling dient de kennis van de taal, staatsinrichting en maatschappij op een zodanig niveau te beheersen dat hij zelfstandig in de samenleving van Aruba kan functioneren. Dit algemeen geformuleerde niveau is bepaald door een algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 2, vierde lid, Regeling naturalisatietoets Aruba 2011 concretiseert dit niveau als niveau A2 van het Europese Raamwerk voor moderne talen. Dit is ook in Nederland het vereiste niveau van de naturalisatietoets.
Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander
Vanaf 1 januari 2011 bestaat de naturalisatietoets uit drie onderdelen, die elk worden getoetst:
Het vereiste van kennis van de Nederlandse taal naast het Papiaments geldt vanaf 1 januari 2011 (Stb. 2010, 292). Vanaf deze datum is eveneens de taalkeuze vervallen voor de toetsing van deel I; de kennis van de Arubaanse staatsinrichting en maatschappij wordt uitsluitend getoetst in het Papiaments ( artikel 2, tweede lid, Regeling naturalisatietoets Aruba 2011).
Op verzoeken om naturalisatie ingediend vóór 1 januari 2011blijft de Regeling Naturalisatietoets Aruba d.d. 7 april 2006 (Stc. 2006, 80) van toepassing. Voor deze verzoeken geldt dus dat de verzoeker slechts ingeburgerd hoeft te zijn in één van beide talen, ofwel in het Nederlands ofwel in het Papiaments, en dat hij kan kiezen in welke van deze twee talen hij de naturalisatietoets aflegt.
Voor vreemdelingen die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen en die vóór 1 januari 2011 al deel I of de gehele naturalisatietoets hebben afgelegd zoals die gold vóór 1 januari 2011, gelden gedeeltelijke vrijstellingen. Hiervoor wordt verwezen naar par. 2.2.2.
paragraaf 3. Opneming in de Arubaanse samenleving
Het is uiteindelijk aan Onze Minister (lees: de IND) die beslist tot afwijzing of inwilliging van het verzoek om naturalisatie, om te bepalen aan de hand van het BOT en de meegestuurde stukken of sprake is van onafgebroken toelating in de zin van de Rijkswet.
Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de Gouverneur de aspirant-verzoeker informeert over de voorwaarden voor naturalisatie, waaronder het afleggen van de naturalisatietoets. In dit stadium kan en hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook nog geen naturalisatiegelden te voldoen. De Gouverneur legt dan ook geen dossier aan totdat het verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dat pas nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft gehaald en het Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen.
Het Examenbureau Aruba van de Directie Onderwijs van Aruba is bevoegd om de naturalisatietoets af te nemen en om de uitslag daarvan vast te stellen (artikel 3 Regeling Naturalisatietoets Aruba 2011).
De aspirant-verzoeker meldt zich aan bij het Examenbureau Aruba en betaalt voorafgaande aan het afleggen van de naturalisatietoets de verschuldigde examengelden op een door het Examenbureau Aruba aangehouden bankrekening. Het Examenbureau Aruba roept de aspirant-verzoeker vervolgens schriftelijk op om de toets af te leggen, onder vermelding van het tijdstip, de locatie en vereisten voor toetsafname.
In het geval van digitale examinering van een taalvaardigheid waarbij het examensysteem de mogelijkheid kent tot het verlengen van de standaard examentijd stelt de examinator deze verlengingsmogelijkheid bij alle kandidaten in. Een verlenging van maximaal 30 minuten is op deze manier toegestaan. Voor zover geen computergestuurde beoordeling plaatsvindt, worden de resultaten van de naturalisatietoets standaard door twee correctoren beoordeeld. Tegen het oordeel van het Examenbureau Aruba staat geen afzonderlijke bezwaar- en beroepsprocedure open omdat de naturalisandus, los van zijn verzoek om naturalisatie, daardoor niet rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Het oordeel over de resultaten van de naturalisatietoets is voor hem uitsluitend van belang in het kader van de uiteindelijke beslissing op zijn verzoek om naturalisatie. Tegen de afwijzing van het verzoek om naturalisatie staat bezwaar en beroep open (op grond van de Algemene wet bestuursrecht) in het Europese deel van Nederland.
Als de kandidaat na deel I ook de delen II en III in hun geheel met goed gevolg heeft afgelegd, reikt de Directeur van het Examenbureau Aruba het Certificaat Naturalisatietoets aan hem uit.
2.3.2.1. Beleidskader doelgroep en voorwaarden regeling
De examengelden bedragen:
De bedragen voor de delen I en II zijn vastgesteld in het Retributiebesluit naturalisatietoets Aruba1Afkondigingsblad van Aruba 2006 no. 73. Het bedrag voor deel III is bepaald in de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
Soms komt een verzoeker in aanmerking voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van de naturalisatietoets. Op basis van een advies van de Gouverneur, zie hierna paragraaf 2.2 en 2.3, bepaalt de IND of de verzoeker is vrijgesteld of is ontheven. Ook kan het gaan om gedeeltelijke vrijstelling of gedeeltelijke ontheffing.
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het Certificaat Naturalisatietoets over (artikel 5 BNT) tenzij hij voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing in aanmerking komt (artikel 46, eerste lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Indien verzoeker niet voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing in aanmerking komt (of daar moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek naar plaatsvinden), noch het Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen, ontraadt de Gouverneur hem een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wijst de Gouverneur verzoeker erop dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
Indien verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets overlegt, neemt de Gouverneur dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel in het dossier dat aan de IND wordt gezonden. Een kopie conform origineel behoudt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.
Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin de Gouverneur de aspirant-verzoeker informeert over de voorwaarden voor naturalisatie, waaronder het afleggen van de naturalisatietoets. In dit stadium kan en hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook nog geen naturalisatiegelden te voldoen. De Gouverneur legt dan ook geen dossier aan totdat het verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dat pas nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft gehaald en het Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen.
8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e
De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Hij moet aantonen dat hij behoort tot een van de volgende categorieën vrijgestelde personen:
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij zijn verzoek om naturalisatie het originele diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor dat vak.
De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, als van toepassing, voor de vertalingen, legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dan moet de verzoeker zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler. Deze vertaling moet gehecht zijn aan het originele (afschrift van het) document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de Gouverneur summier of het overgelegde document dat recht op vrijstelling kan geven origineel is, of de personalia overeenkomen met die van verzoeker en of de inhoud juist is. Als hij van oordeel is dat het document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij deze stukken in ontvangst. Het verzoek om naturalisatie wordt op dat moment in behandeling genomen. De Gouverneur maakt een kopie van het document en voegt die met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat de verzoeker naar zijn oordeel is vrijgesteld van de naturalisatietoets en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document mee aan de IND. In deze gevallen wordt uiteraard geen Certificaat Naturalisatietoets verlangd.
Als de Gouverneur in dit stadium twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of de juistheid van de personalia of de inhoud, deelt hij dit mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens, ná het in behandeling nemen van het verzoek, nader zal onderzoeken. De Gouverneur neemt het verzoek – als de verzoeker dit nog steeds wenst in te dienen – wel in behandeling. Als de Gouverneur onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van de verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dat geval wordt er conform deel 2.1.2 gehandeld.
In het geval de Gouverneur, ná het in behandeling nemen van het verzoek, de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document nader wil onderzoeken, kan hij daarover het advies van het Examenbureau Aruba inwinnen. In dat geval wordt het originele document tijdelijk ingenomen. Als de Gouverneur tot de conclusie komt dat de gegevens op het document niet juist zijn of het document zelf niet authentiek is, neemt hij dat op in zijn advies. De eventuele verklaring van het Examenbureau Aruba en een kopie van het document zelf, worden aan de IND meegezonden. Als het contact met het Examenbureau Aruba leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is bevonden, maakt de Gouverneur een kopie van het door de verzoeker overgelegde document en voegt hij die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het dossier van verzoeker, met daarbij de aantekening over de visie van het Examenbureau Aruba. De Gouverneur stuurt het hele dossier door aan de IND. In zijn advies wordt opgenomen of de verzoeker naar zijn oordeel is vrijgesteld van de naturalisatietoets.
In het geval dat verzoeker slechts een kopie van de hierboven genoemde documenten kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. In het geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld, neemt de Gouverneur ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven. Als de Gouverneur tot de conclusie komt dat de kopie of de verklaring (of beide documenten) niet authentiek zijn, neemt hij dit op in zijn advies. Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de Gouverneur de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut op in het dossier. Het hele dossier stuurt hij door naar de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat de verzoeker naar het oordeel van de Gouverneur is vrijgesteld van de naturalisatietoets. Wordt een dergelijke verklaring niet afgelegd, dan moet betrokkene alsnog de naturalisatietoets afleggen.
De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het Certificaat Naturalisatietoets over (artikel 5 BNT) tenzij hij voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing in aanmerking komt (artikel 46, eerste lid, Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Indien verzoeker niet voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing in aanmerking komt (of daar moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek naar plaatsvinden), noch het Certificaat Naturalisatietoets kan overleggen, ontraadt de Gouverneur hem een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wijst de Gouverneur verzoeker erop dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Gouverneur kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.
Artikel 3, derde lid BNT bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets op grond van andere diploma’s of certificaten dan de hiervoor genoemde. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011 geeft hieraan uitwerking.
Van het afleggen van het deel dat de mate van kennis van de Nederlandse taal (deel III) toetst is vrijgesteld de verzoeker die beschikt over één van de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal:
In artikel 3 BNT zijn de gronden voor vrijstelling van de naturalisatietoets opgenomen. Op onderdelen zijn deze ontleend aan de in het Europese deel van Nederland geldende Wet inburgering, maar van toepassing in het gehele Koninkrijk. In de praktijk zullen verschillende van de hieronder genoemde gronden niet voorkomen bij verzoeken in Aruba.
8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid
Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij zijn verzoek om naturalisatie het originele diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor dat vak.
Nadat de verzoeker, die recht heeft op een gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als bedoeld in paragraaf 2.2.1 en 2.2.2, geslaagd is voor het deel of de delen die hij nog wel moet afleggen, ontvangt hij van de directeur van de Directie Onderwijs in Aruba een Certificaat naturalisatietoets waarop is aangetekend welk deel of welke delen hij niet heeft afgelegd (artikel 9 Regeling naturalisatietoets Aruba 2011).Deze aantekening geschiedt alleen op verzoek van degene aan wie het Certificaat wordt afgegeven. De directeur van de Directie Onderwijs in Aruba treedt niet in een beoordeling of de verzoeker terecht afziet van het afleggen van een deel van de naturalisatietoets. Daarover oordeelt uiteindelijk immers de IND. De verzoeker overlegt bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan de Gouverneur dit Certificaat en de bewijsstukken op grond waarvan hij gedeeltelijke vrijstelling heeft.
Voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie beoordeelt de Gouverneur summier of het overgelegde document dat recht op vrijstelling kan geven origineel is, of de personalia overeenkomen met die van verzoeker en of de inhoud juist is. Als hij van oordeel is dat het document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij deze stukken in ontvangst. Het verzoek om naturalisatie wordt op dat moment in behandeling genomen. De Gouverneur maakt een kopie van het document en voegt die met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het dossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. Hij stelt een advies op waarin hij de IND meedeelt dat de verzoeker naar zijn oordeel is vrijgesteld van de naturalisatietoets en stuurt het advies met de kopie van het overgelegde document mee aan de IND. In deze gevallen wordt uiteraard geen Certificaat Naturalisatietoets verlangd.
Bijlage
Voor het toepassen van artikel 4 BNT moet de verzoeker aantonen dat:
In het geval dat verzoeker slechts een kopie van de hierboven genoemde documenten kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. In het geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld, neemt de Gouverneur ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven. Als de Gouverneur tot de conclusie komt dat de kopie of de verklaring (of beide documenten) niet authentiek zijn, neemt hij dit op in zijn advies. Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de Gouverneur de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut op in het dossier. Het hele dossier stuurt hij door naar de IND. In het advies wordt nu ook opgenomen dat de verzoeker naar het oordeel van de Gouverneur is vrijgesteld van de naturalisatietoets. Wordt een dergelijke verklaring niet afgelegd, dan moet betrokkene de naturalisatietoets afleggen.
Relevante bepaling: Artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanige psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is de naturalisatietoets af te leggen, is ontheven van het afleggen van de naturalisatietoets.
Verzoeker is ontheven van de volledige toets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10), als hij fysiek niet in staat is om (een of meer delen van) de naturalisatietoets af te leggen en/of binnen vijf jaar te halen vanwege een:
Een beroep op deze ontheffingsmogelijkheid vangt alleen aan met een verwijzing van de verzoeker door de Gouverneur naar de aangewezen medisch adviseur. Voor een medisch advies dat de belemmering of handicap aantoont, kan de naturalisatieverzoeker alleen terecht bij de door de Gouverneur aangewezen adviserende instantie.
De aanwijzing van de adviserende instantie, die adviseert over het al dan niet bestaan van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel over een verstandelijke handicap, is bekendgemaakt in de Landscourant van Aruba van 4 maart 2011.
Als de medisch adviseur van oordeel is dat sprake is van een medische belemmering of verstandelijke handicap, legt hij dit vast in een medisch advies. Het advies wordt door de medisch adviseur rechtstreeks naar betrokkene gestuurd. Het medisch advies is als model 2.26 opgenomen in de Handleiding. In het advies dienen de volgende gegevens ingevuld te zijn: persoonlijke gegevens van betrokkene, de naam van de medische adviseur, onderzoeksactiviteiten, probleemanalyse, conclusie en advies. Medische adviezen opgemaakt anders dan conform dit model, dan wel onvolledige adviezen, worden niet geaccepteerd.
paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling
In de voorlichtende sfeer wijst de Gouverneur betrokkene op het feit dat het medisch advies afkomstig moet zijn van de daarvoor aangewezen medisch adviseur.
De Gouverneur kan zonder nadere inhoudelijke controle afgaan op het medisch advies, en op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen dat ontheffing van het examen wordt geadviseerd. Mocht het advies niet conform het advies (model 2.26) of onvolledig zijn, dan adviseert de Gouverneur betrokkene een nieuw advies te krijgen. Wenst betrokkene toch een verzoek om naturalisatie in te dienen, onder overlegging van een advies dat onvolledig of onduidelijk is, dan wordt op het adviesblad naturalisatie bij inburgering ‘niet akkoord’ aangetekend. Overleg met de IND over overgelegde adviezen is voor de Gouverneur altijd mogelijk.
Voor het toepassen van artikel 4 BNT moet de verzoeker aantonen dat:
Relevante bepaling: Artikel 11 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
Relevante bepaling: Artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
Het gaat hier alleen om een verzoeker:
Let op! De voorwaarden 1 en 2 worden hier direct onder nader toegelicht. Voorwaarde 3 wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3.2.3 'Rol van en procedure bij het Examenbureau Aruba'.
Betrokkene is ontheven van de volledige naturalisatietoets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10).
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Urdu schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet-gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn.
Een verzoeker die ‘anders’ gealfabetiseerd is, kan geen ontheffing krijgen van de naturalisatietoets. Er hoeft dan ook geen gesprek plaats te vinden naar het vermogen van deze verzoeker om het Papiaments nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven, want betrokkene komt niet in aanmerking voor deze regeling.
Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van de naturalisatietoets als niet-gealfabetiseerd beschouwd. Om die reden verklaart betrokkene op model 2.27 dat hij in het herkomstland (of het land/de landen waar hij woonde tussen zijn zesde en dertiende jaar) niet naar school is geweest dan wel voor zijn dertiende van school te zijn gegaan.
Onder deze omstandigheden moet een ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’ worden verondersteld. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) in het Papiaments en/of het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet-gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.27 aangeeft dat hij tussen zijn zesde en dertiende jaar in het herkomstland in het geheel niet naar school is geweest of dat hij voor zijn dertiende van school is gegaan, wordt als uitgangspunt aangenomen dat hij in zijn eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft hiervoor geen stukken te overleggen.
Let op! Mogelijk is de verzoeker tijdens de jeugd niet of kort naar school zijn geweest, als gevolg van een nog steeds voortdurende psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap. In dat geval dient betrokkene een beroep te doen op een medische belemmering, zoals bedoeld in artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets Aruba 2011.
De eigen verklaring van ongeletterdheid door betrokkene moet natuurlijk wel stroken met de dagelijkse activiteit van betrokkene en daarnaar zal dan ook worden gevraagd. De vraag of het aannemelijk is dat een ongeletterde een goede invulling kan geven aan het type verblijfsrecht dat betrokkene heeft, komt ook aan de orde. Alleen als aannemelijk is dat betrokkene in het dagelijkse leven functioneert zonder daarbij te hoeven lezen en schrijven wordt model 2.27 ingevuld.
Blijkt evenwel later toch dat betrokkene in een eerdere procedure anders heeft verklaard of indien anderszins blijkt dat betrokkene toch niet voldeed aan de hierboven vermelde beleidscriteria, dan wordt bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie gemotiveerd van het advies van het Examenbureau Aruba afgeweken. Ook bestaat tot twaalf jaar na de naturalisatie de mogelijkheid om op grond van artikel 14, 1 RWN het Nederlanderschap in te trekken.
Betrokkene moet bij de Gouverneur aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aantonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd in het Latijnse schrift te raken. Het moet wel ten minste gaan om één of meer leergangen of cursussen Papiaments (inclusief lezen en schrijven) in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.
Alleen als betrokkene aantoont dat hij/zij in de drie voorafgaande jaren één of meer leergangen of cursussen heeft gevolgd, wordt model 2.27 ingevuld. Uit de stukken moet tevens blijken dat het gaat om ten minste in totaal 600 les- en leeruren taalcursus Papiaments. Het aantal uren dat een leergang of cursus bevat, staat vaak in het onderwijsmateriaal van de cursusinstelling. De stukken die betrokkene hiervoor overlegt, worden later bij het naturalisatieverzoek gevoegd.
Er is gekozen voor een periode van drie jaren voorafgaande aan het moment waarop model 2.27 wordt ingevuld voor de vraag, wanneer de te leveren inspanning van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus moet hebben plaatsgehad. Daarmee is niet gezegd dat in ieder van die drie jaar een of meer alfabetiseringsuren moeten zijn gevolgd. De ten minste 600 uren kunnen ook in het jaar van of direct voorafgaande aan het invullen van model 2.27 zijn volgemaakt. De reden voor het stellen van deze voorwaarde is dat in het geval van een alfabetiseringspoging van langer dan drie jaar geleden het niet plausibel is dat aan de alfabetisering is gewerkt met het oog op het kunnen halen van de naturalisatietoets en het daarmee op reguliere wijze kunnen voldoen aan een wettelijke voorwaarde tot naturalisatie. Onder die omstandigheid ontbreekt het directe verband tussen de (ooit) geleverde inspanning en de naturalisatietoets, zoals deze is bedoeld in artikel 4, eerste lid en onder b BNT.
Sprake moet zijn van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is. Ook om beter in de samenleving te kunnen functioneren, mag worden verwacht dat de alfabetiseringscursus in het Papiaments zal worden gevolgd. Het volgen van een eventuele alfabetiseringscursus in het Nederlands, een taal die in het dagelijkse leven en de samenleving niet wordt gesproken of gelezen, betekent een keuze die minder snel zal leiden naar het op A2 kunnen lezen en schrijven van een van de talen van de naturalisatietoets. Om te kunnen spreken van een serieuze inspanning om toch te kunnen voldoen aan de naturalisatietoets moet daarom sprake zijn van een inspanning tot het leren lezen en schrijven in de in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is.
Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Urdu schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet-gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn.
De in paragraaf 2.3.2.1 genoemde voorwaarden zijn relevant op het moment dat bij de Gouverneur tezamen met betrokkene moet worden bezien of model 2.27 moet worden ingevuld.
Een beroep op deze ontheffingsmogelijkheid vangt alleen aan met een bij de Gouverneur ingevuld model 2.27. Model 2.27 wordt bij de Gouverneur ingevuld en door betrokkene ondertekend.
Bij het invullen van model 2.27 komt aan de orde:
8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid
Is betrokkene 65 jaar of ouder en voldoet hij aan de beleidsregels om model 2.27 naar juistheid in te vullen, dan wordt dat model ingevuld. Met de bewijsstukken erbij dat betrokkene in Aruba in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een taalcursus Papiaments en op die wijze heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift kan het naturalisatieverzoek worden ingediend. Een advies van het Examenbureau Aruba blijft in dat geval achterwege. De reden hiervoor is dat mag worden aangenomen dat onder deze omstandigheden en bij deze leeftijd het advies van het Examenbureau Aruba altijd zal luiden dat betrokkene niet voldoende leervermogen bezit om nog het Papiaments op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen te leren schrijven en lezen en derhalve niet in staat moet worden geacht de naturalisatietoets in Aruba te kunnen halen. De Gouverneur kan op het adviesblad naturalisatie bij ‘inburgering’ aantekenen: ontheffing naturalisatietoets wegens ongeletterdheid, leeftijd en aantoonbaar geleverde inspanningen.
Blijkt evenwel later toch dat betrokkene in een eerdere procedure anders heeft verklaard of indien anderszins blijkt dat betrokkene toch niet voldeed aan de hierboven vermelde beleidscriteria, dan wordt bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie gemotiveerd van het advies van het Examenbureau Aruba afgeweken. Ook bestaat tot twaalf jaar na de naturalisatie de mogelijkheid om op grond van artikel 14, 1 RWN het Nederlanderschap in te trekken.
Het Examenbureau Aruba is aangewezen om te adviseren over ontheffing als een verzoeker zich beroept op geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b, BNT (artikel 11 Regeling naturalisatietoets Aruba 2011).
Met het ingevulde model 2.27 meldt betrokkene (die jonger is dan 65 jaar) zich binnen een jaar bij het Examenbureau Aruba voor een gesprek over zijn leervermogen (studievaardigheden). Komt betrokkene later dan dat jaar, dan is model 2.27 niet meer geldig.
Een ingevuld model 2.27 betekent voor het Examenbureau Aruba dat het hier gaat om iemand die niet-gealfabetiseerd is in zijn eigen taal/schrift en die in Aruba ten minste in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift.
Naar deze twee aspecten doet Examenbureau Aruba dan ook geen onderzoek. Wel houdt het Examenbureau Aruba met betrokkene een gesprek. Aan de hand van dit gesprek wordt ingeschat of betrokkene (ondanks alles) toch het leervermogen (studievaardigheden) bezit om nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven in het Papiaments. Indien gewenst kan het te houden gesprek plaats vinden door of in samenwerking met een in volwassene-educatie en alfabetisering gespecialiseerde organisatie.
Beleidsregel 3 luidt: ‘van wie, gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, in een gesprek bij het Examenbureau Aruba is beoordeeld dat niet kan worden verwacht dat hij (nog) Papiaments leert lezen en schrijven op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen’.
De vormgeving van het gesprek met de vreemdeling is niet nader bepaald. Dit betekent dat naast aanwezigheid van een medewerker die betrokken is bij het examineren van de naturalisatietoets het mogelijk is om bijvoorbeeld een psycholoog of een deskundige in volwasseneneducatie en/of alfabetiseringsvraagstukken te betrekken. In de situatie dat de betrokken specialisten kosten in rekening brengen voor hun werkzaamheden komen deze kosten voor rekening van de vreemdeling.
In het gesprek moet worden onderzocht of van betrokkene nog kan worden verwacht dat hij nog leert lezen en schrijven in het Latijnse schrift op een niveau, dat het halen van een taalexamen Papiaments op taalbeheersingsniveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen mogelijk maakt.
Minimaal 30, maximaal 60 minuten.
In de afweging om te komen tot een advies voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid worden in ieder geval betrokken:
Paragraaf 4.4. Voeging
Let op! Niet in de afweging hoort thuis dat dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap ontheven zou moeten zijn van de naturalisatietoets. In het geval van een beroep door een vreemdeling om wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap te zijn ontheven, heeft het Examenbureau géén rol. Dat geldt ook voor het geval dat de reden voor het tijdens de jeugd niet of kort naar school zijn geweest, werd veroorzaakt door de psychische of lichamelijke belemmering, dan wel het verstandelijke handicap.
Na het gesprek stelt het Examenbureau Aruba een advies op voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Er zijn twee adviesmogelijkheden [A) of B)]:
Een advies A) kan betrokkene gebruiken in zijn te starten naturalisatieprocedure. Ontvangt betrokkene advies B) dan krijgt hij geen ontheffing van de naturalisatietoets.
Het origineel van het advies geeft het Examenbureau aan de vreemdeling. Een kopie van het advies stuurt het Examenbureau per mail aan het Kabinet van de Gouverneur en het Examenbureau bewaart de verstuurde mail.
Naar deze twee aspecten doet Examenbureau Aruba dan ook geen onderzoek. Wel houdt het Examenbureau Aruba met betrokkene een gesprek. Aan de hand van dit gesprek wordt ingeschat of betrokkene (ondanks alles) toch het leervermogen (studievaardigheden) bezit om nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven in het Papiaments. Indien gewenst kan het te houden gesprek plaats vinden door of in samenwerking met een in volwassene-educatie en alfabetisering gespecialiseerde organisatie.
Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse en van de Papiamentse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Arubaanse samenleving. Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.
De vormgeving van het gesprek met de vreemdeling is niet nader bepaald. Dit betekent dat naast aanwezigheid van een medewerker die betrokken is bij het examineren van de naturalisatietoets het mogelijk is om bijvoorbeeld een psycholoog of een deskundige in volwasseneneducatie en/of alfabetiseringsvraagstukken te betrekken. In de situatie dat de betrokken specialisten kosten in rekening brengen voor hun werkzaamheden komen deze kosten voor rekening van de vreemdeling.
Paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Het rechtsbeginsel van monogamie komt onder andere tot uiting in artikel 1:33 BW-A en artikel 1:69 BW-A. Deze artikelen bepalen respectievelijk dat een man slechts met een vrouw, de vrouw slechts met een man kan zijn gehuwd en dat een polygaam huwelijk nietig kan worden verklaard. Het beginsel van monogamie komt ook tot uitdrukking in artikel 10:28 BW-NL die in Aruba niet van toepassing is. Dit artikel verbiedt het voltrekken van een polygaam huwelijk in Europees Nederland voor zowel Nederlanders als vreemdelingen.
De Arubaanse openbare orde verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met een één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn. Dit kan ook een in Europees Nederland gesloten huwelijk zijn tussen personen van gelijk geslacht.
Paragraaf 1. Algemeen
De vraag of een verzoeker monogaam is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, evenals huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: bijlage 1 bij paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid RWN.
Artikel 10:28 BW-NL geeft onder meer aan dat een in het buitenland uitgesproken verstoting in Europees Nederland slechts dan als een rechtsgeldige ontbinding van het huwelijk wordt aangemerkt, eerst dan naar Europees Nederlands recht erkend kan worden, als de verstoting onherroepelijk is en de vrouw hiermee (uitdrukkelijk of stilzwijgend) heeft ingestemd of zich erbij heeft neergelegd, door middel van bijvoorbeeld een bewijs van verstotingshandeling (waaruit de instemming van de vrouw kan worden afgeleid), een bewijs van instemming of berusting, een bewijs dat de ex-echtgenote hertrouwd is of een huwelijksakte van de man betreffende een huwelijk gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand in Europees Nederland. Als bewijs dat een polygaam huwelijk niet meer in stand is geldt uiteraard ook de overlijdensakte van de verstoten vrouw. Verstotingen van vóór de inwerkingtreding van artikel 10:27 BW-NL tot en met 10:53 BW-NL worden analoog behandeld.
9-alg. Toelichting algemeen
Het origineel van het advies geeft het Examenbureau aan de vreemdeling. Een kopie van het advies stuurt het Examenbureau per mail aan het Kabinet van de Gouverneur en het Examenbureau bewaart de verstuurde mail.
Bij de behandeling van een verzoek om naturalisatie worden moeilijkheden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de PIVA van buitenlandse verstotingsakten. Het blijkt namelijk dat bij de inschrijving in de PIVA van eenzijdige verstotingen, in het verleden veelal is nagelaten na te gaan of de vrouw met de verstoting heeft ingestemd dan wel zich daarbij heeft neergelegd. De omstandigheid dat een verstoting in de PIVA staat ingeschreven als ontbinding van een huwelijk levert dan ook geen bewijs op dat de verstoting rechtsgeldig tot stand is gekomen. Dit kan tot gevolg hebben dat de ongeldigheid van een verstoting jaren na inschrijving alsnog aan de betrokken persoon wordt tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo lange tijd nog een bewijs van de berusting van de vrouw te verkrijgen.
Mede teneinde een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, moeten de ambtenaren van de PIVA steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door de wet gestelde criteria te toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE), die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:54 BW-NL tot en met artikel 10:59 BW-NL van toepassing. Op grond van artikel 10:58 BW-NL wordt een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen in Europees Nederland erkend als:
De instemming of berusting van de vrouw kan wel worden afgeleid uit onder meer de volgende omstandigheden:
Paragraaf 4.10. Sepots en voorwaardelijke sepots
Paragraaf 4.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen
Als een verzoeker zich niet wenst te conformeren aan de in de Aruba geldende fundamentele rechtsbeginselen, is hij eigenlijk niet voldoende ingeburgerd. Bovendien is zijn situatie dan niet in overeenstemming met de Arubaanse civielrechtelijke openbare (rechts)orde (zie bij artikel 6 en 9 RWN).
Inburgering veronderstelt in algemene zin een zekere aanvaarding van de Arubaanse samenleving.
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Arubaanse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
Echter, indien duidelijk blijkt dat verzoeker zich buiten deze vereisten om opzettelijk afzijdig houdt van – of afzet tegen – alles wat Arubaans is of op Aruba betrekking heeft, of bijvoorbeeld weigert zijn kinderen naar school te laten gaan, zal hij niet kunnen worden beschouwd als te zijn opgenomen in de Arubaanse samenleving en zal zijn verzoek om naturalisatie worden afgewezen. Gedacht wordt hier bijvoorbeeld ook aan het doen van uitlatingen die zich richten tegen de democratische rechtsorde of oproepen tot feitelijk handelen in strijd met de geldende wet- en regelgeving, of die een gevaar opleveren voor de goede betrekkingen van Aruba met andere mogendheden. Er moeten in het geval van weigering tot opneming dus omstandigheden zijn die blijk geven van onvoldoende inburgering, van contra-indicaties als het ware.
Een Colombiaanse vrouw die in 1981 is gehuwd met een Nederlandse man, sindsdien in Aruba woont en op grond van dit huwelijk over een geldige verblijfstitel beschikt, wil een verzoek om naturalisatie indienen. Zij is bereid de naturalisatietoets af te leggen. Wat dient haar geadviseerd te worden?
Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten
Mede teneinde een adequate afhandeling van verzoeken tot naturalisatie te bevorderen, moeten de ambtenaren van de PIVA steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van de door de wet gestelde criteria te toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.
Op 1 januari 2012 is de Wet conflictenrecht echtscheiding (WCE), die niet van toepassing is in Aruba, vervallen. Vanaf die datum is in Europees Nederland artikel 10:54 BW-NL tot en met artikel 10:59 BW-NL van toepassing. Op grond van artikel 10:58 BW-NL wordt een ontbinding van het huwelijk die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van één van de echtgenoten tot stand is gekomen in Europees Nederland erkend als:
Paragraaf 5. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden
De hierboven gegeven criteria zijn uiteraard vatbaar voor rechterlijke toetsing. De hierboven genoemde lijst van omstandigheden, waaruit de instemming of de berusting blijkt, is niet limitatief. Er kunnen andere feitelijke omstandigheden zijn die er mede op wijzen dat de vrouw zich bij de verstoting heeft neergelegd.
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.109Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
Met betrekking tot de in deze paragraaf genoemde buitenlandse documenten geldt ook hier dat deze pas na legalisatie (en eventueel inhoudelijke verificatie) of voorzien van een apostille in het Nederlands rechtsverkeer kunnen worden gebruikt en geaccepteerd (zie toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.5.3 en 3.5.4).
De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige naturalisandus. Daarnaast geldt de verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid ook voor de minderjarige die zelfstandig een verzoek om naturalisatie op grond van artikel 11, vierde lid, RWN indient en ten tijde van de indiening zestien jaar of ouder is. Medenaturalisandi van zestien of zeventien jaar (artikel 11, derde lid, RWN) zijn niet verplicht om de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid af te leggen, dit is nog niet geregeld door de wetgever. Hier wordt op termijn door de wetgever in voorzien.
Inburgering wordt met name getoetst aan de hand van de naturalisatietoets en het vereiste van een monogaam huwelijk. Als verzoeker aan deze voorwaarden voldoet, wordt in beginsel aangenomen dat hij de Arubaanse rechtsorde in algemene zin heeft aanvaard.
Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige naturalisandus als de minderjarige die een verzoek om naturalisatie op grond van artikel 11, vierde lid, RWN indient en ten tijde van de indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is, zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie bereid verklaren de verklaring van verbondenheid af te leggen bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit.
9-alg. Toelichting algemeen
Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60b, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de verzoeker niet mogelijk is om de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verzoeker wel bereid is de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar vanwege zijn fysieke of psychische toestand model 2.30 niet zelf kan invullen of dat bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie duidelijk is dat de verzoeker niet in staat zal zijn de verklaring van verbondenheid mondeling af te leggen. Zie de toelichting op artikel 7 RWN, paragraaf 3.4.1Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30) hoe met deze uitzonderingssituaties moet worden omgegaan.
Beslissing: De Colombiaanse vrouw komt in beginsel in aanmerking voor de verkrijging van het Nederlanderschap door optie ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g, RWN. Zij hoeft niet te voldoen aan de voorwaarde van inburgering die de wetgever onder verlening van het Nederlanderschap beschrijft en hoeft dientengevolge ook geen naturalisatietoets af te leggen. Overigens staat het haar vrij de toets toch te doen. Voor de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap door optie speelt de toets echter geen rol.
Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd.
8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e
Voor een enkele verzoeker kan echter een uitzondering gemaakt worden. Indien van de verzoeker door omstandigheden redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling uitspreekt tegenover de bevoegde autoriteit, wordt een schriftelijke verklaring van verbondenheid ondertekend. De beoordeling of sprake is van de hier bedoelde omstandigheden, ligt bij de Gouverneur110Zie artikel 60b, vijfde lid, BVVN en paragraaf 3.13.4 Zwaarwegende redenen en uitzonderingen. en wordt gestaafd door ten minste één door of namens de verzoeker overgelegd bewijsstuk.
Paragraaf 1. Algemeen
Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door naturalisatie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij de indiening van het verzoek om naturalisatie een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van deze verklaring. De eis om een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als het verzoek om naturalisatie op of ná 1 maart 2009 wordt ingediend. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd.109Zie ook toelichting bij artikel 60b, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 6, tweede lid , artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN.
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt de bekendmaking niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die hetzij te eniger tijd het Nederlanderschap of de staat van Nederlands onderdaan-niet-Nederlander heeft bezeten, hetzij sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander, hetzij tijdens zijn meerderjarigheid in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten is geadopteerd door ouders van wie in elk geval één het Nederlanderschap bezit.
Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 2.30). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in persoon, in beginsel op een naturalisatieceremonie, doorgaans mondeling af voordat het uittreksel van het naturalisatiebesluit aan hem wordt uitgereikt (zie tevens de toelichting bij artikel 7 RWN paragraaf 3.13.3Afleggen verklaring van verbondenheid).
Paragraaf 7.1. Verklaring verblijf en gedrag
Echter, indien de verzoeker hoofdverblijf heeft in het land waarvan hij onderdaan is, wordt het verzoek om naturalisatie afgewezen (zie de toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, RWN).
Hieronder worden de eerste en tweede categorie nader toegelicht.
Uitzonderingen (zie tevens de toelichting bij artikel 7, paragraaf 3.13.4.2‘Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen’)
Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld:
N.B. Een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, RWN komt niet in aanmerking voor versnelde naturalisatie met toepassing van het onderhavige artikellid (en evenmin voor optie krachtens artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN). Immers, artikel II, tweede lid, RRWN bepaalt dat een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben bezeten. Hij kan daarom géén aanspraak maken op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Zie ook de
toelichting bij artikel 14, eerste lid, RWN en artikel II, RRWN.
Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en er is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan wordt de bekendmaking niet uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen. Immers, pas door de bekendmaking kan iemand Nederlander worden door naturalisatie.
8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid
Een periode van ongehuwd samenwonen binnen het Koninkrijk, onmiddellijk voorafgaand aan het huwelijk, mag worden meegerekend voor de toepassing van het onderhavige artikellid. Echter, een periode waarin de verzoeker buiten het Koninkrijk ongehuwd heeft samengewoond met een Nederlander, telt niet mee.
Paragraaf 1. Algemeen
Rogelio is in 1968 geboren in Suriname als zoon van Nederlandse ouders. Op 25 november 1975 heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op grond van de toescheidingsovereenkomst tussen Nederland en Suriname (TOS). Rogelio kan als oud-Nederlander onmiddellijk na vestiging in Aruba een verzoek om naturalisatie indienen. Hij hoeft voorafgaand aan de indiening van zijn verzoek geen toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben gehad. Uiteraard dient hij wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie te voldoen. Zodra Rogelio een jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in Aruba heeft gehad kan hij er overigens ook voor kiezen om een optieverklaring af te leggen. Zie hiervoor artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN.
Dolores heeft de Spaanse nationaliteit en woont met haar Nederlandse echtgenoot in Spanje. Na drie jaar huwelijk vestigt Dolores zich met haar echtgenoot in Aruba. Als Dolores kan aantonen dat zij gedurende haar huwelijk tenminste drie jaren in Spanje heeft samengewoond met haar Nederlandse echtgenoot, kan zij onmiddellijk na vestiging in Aruba een verzoek om naturalisatie indienen. Zij hoeft voorafgaand aan de indiening van haar verzoek geen toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben gehad. Uiteraard moet Dolores wel aan alle overige voorwaarden voor naturalisatie voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. Het huwelijk en de samenwoning van Dolores en haar echtgenoot dienen voort te duren tot en met de beslissing op het verzoek.
Regina heeft de Nederlandse nationaliteit en woont al haar hele leven in Aruba. Op 1 november 2021 heeft zij in Aruba met de Colombiaan Fernando een geregistreerd partnerschap gesloten. Fernando woont pas een half jaar in Aruba. Aangezien aan een in Aruba geregistreerd partnerschap beperktere rechtsgevolgen zijn verbonden dan aan een geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN, kan Fernando op 1 november 2024 niet met toepassing van artikel 8, tweede lid, RWN naturaliseren
8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid
De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toelating en hoofdverblijf heeft gehad.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)