Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. WJZ/204802 (8258), houdende regels voor de subsidiëring van cultuuruitingen (Regeling op het specifiek cultuurbeleid)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-08-21
State In force
Source BWB
artikelen 205
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De accountant stelt vast dat het bestuursverslag alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2013–2016. Als de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit bij wijze van uitzonderingsrapportage op in zijn rapport van bevindingen.

2.3. Financiële rechtmatigheid

De accountant stelt vast of de instelling de subsidie van OCW rechtmatig heeft verkregen en besteed. Het referentiekader voor het accountantsoordeel over de financiële rechtmatigheid wordt gevormd door de relevante categorieën van wet- en regelgeving (paragraaf 1.3). Indien een financiële transactie, naar het oordeel van de accountant, met het bovenstaande in strijd is, merkt hij het totale bedrag van de financiële transactie als een fout in de verantwoording aan.

3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens

Zij zijn:

Model IIC voor de categoriale exploitatierekening

(Overige instellingen waaronder presentatie-instellingen, sectorinstituten, postacademische instellingen, ontwikkelinstellingen).

Model IID voor de categoriale exploitatierekening (Musea)

De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.

4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie

De aankoopfondsen krijgen een afzonderlijke vermelding en maken geen deel uit van het eigen vermogen.

Algemeen

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Algemeen

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

<>, <>

Algemeen

Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

G. Musea

<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste professionele oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.

Toelichting op model III voor de prestatieverantwoording

Naar ons oordeel is de financiële verantwoording betreffende het project (naam project) van (naam entiteit) over (verantwoordingsperiode), in alle van materieel belang zijnde aspecten, juist en rechtmatig en in overeenstemming met de voorwaarden en regelgeving zoals genoemd in de beschikking van (datum, kenmerk) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Beperking in gebruik en verspreidingskring

De financiële verantwoording is opgesteld voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met als doel ... (naam entiteit(en) in staat te stellen te voldoen aan de voorwaarden en regelgeving van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Toelichting op model III voor de prestatieverantwoording

<>

Controleprotocol cultuursubsidies fondsen 2013-2016

mei 2013

Inhoudsopgave

(Toneelgezelschappen, dansgezelschappen, operagezelschappen en orkesten)

1.1. Begripsbepalingen

In dit controleprotocol wordt verstaan onder:

1.2. Doelstelling van het controleprotocol

Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.

F. Sectorinstituten

In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:

Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid

1.4. Accountantsproducten

Van de accountant van het fonds worden de volgende producten verwacht:

1.4. Procedure controleprotocol

Het fonds stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven controleverklaring, naar OCW. Daarbij kan het bestuur aangeven hoe het heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.

1.5. Controlecriteria

Uw fonds dient jaarlijks verantwoording af te leggen aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) over de besteding van de subsidie. Dit is een verplichting die geldt voor ieder boekjaar waarvoor subsidie is verleend.

2.1.1. De jaarlijkse verantwoording

De jaarlijkse verantwoording van het fonds voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie indient, bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een activiteitenverslag of een bestuursverslag en een financieel verslag of een jaarrekening.

2.1. Algemeen

– De controlecriteria

Modellen voor de verantwoording

– De verslaggevingscriteria

2.1.3. Omgaan met afwijkingen (fouten en onzekerheden, foutdefinities)

Van een onzekerheid in de controle is sprake als er onvoldoende (controle-)informatie beschikbaar is om een (gedeelte van een) post als goed of fout aan te merken. Bijvoorbeeld als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de wet- en regelgeving. Voor een adequate onderbouwing van het oordeel is het noodzakelijk dat de accountant fouten en onzekerheden zoveel mogelijk kwantificeert.

2.2. Jaarrekening per post

De jaarlijkse verantwoording wordt conform artikel 2.27 van de Rsc door uw accountant voorzien van de volgende producten:

2.2.1. Verslaggevingscriteria

Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2013–2016. De accountant stelt vast dat de jaarrekening aan deze eisen voldoet. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.

2.2.2. WNT getrouwheid

De accountant stelt, aan de hand van de administratie van de instelling integraal vast of de opgave in de toelichting van de jaarrekening van de instelling op grond van de Wet normering en bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) juist en volledig is. Indien dit niet het geval is, geeft de accountant een ander dan goedkeurend getrouwheidsoordeel af en vermeldt hij de ontbrekende informatie in zijn verklaring. Hiervoor geldt een rapportagetolerantie van 0%. Daarbij zijn de volgende artikelen van de WNT van bijzonder belang: artikel 1.7, lid 2, artikel 4.1, lid 1 en 2, artikel 4.2, lid 1 tot en met 6 en artikel 7.5.

Projectsubsidie kleiner dan € 25.000

De accountant stelt vast of het fonds de subsidie van OCW rechtmatig heeft verkregen en besteed. Het referentiekader voor het accountantsoordeel over de financiële rechtmatigheid wordt gevormd door de relevante categorieën van wet- en regelgeving (paragraaf 1.3). Indien een financiële transactie, naar het oordeel van de accountant, met het bovenstaande in strijd is, merkt hij het totale bedrag van de financiële transactie als een fout in de verantwoording aan.

3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens

Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.

Uit te voeren specifieke werkzaamheden

Aan: <>

Rapportage

Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet – en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet – en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.

Verklaring betreffende de jaarrekening

Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomenjaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.

Verantwoordelijkheid van het bestuur

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd. Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)*

Subsidieverplichtingen

<>

Oordeel

**Indien niet wordt voldaan aan de WNT vervalt de optie van een goedkeurend getrouwheidsoordeel.

5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie

Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Baten

<>, <>

Nog te verlenen subsidies en Nog te realiseren beheerslasten

Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <> van <> te <> over <> gecontroleerd.

Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever

<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

<>, <>

Lasten

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft het financieel verslag een getrouw beeld van de baten en lasten van <> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].

1.2. Uitgangspunten

Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.

Overige aangelegenheden

<>, <>

1.2. Uitgangspunten

Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.

1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole

De prestatieverantwoording van de instelling geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. De prestatieverantwoording maakt deel uit van de jaarrekening en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.

Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid

2. Controle op de verantwoording

De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan de instelling opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.

2.1.1. De jaarlijkse verantwoording

Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.

2. Controle op de verantwoording

De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1A bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

2.1.2. Referentiekader

– De controlecriteria

2.2.2. Exploitatierekening

Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.

2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.

2.2. Jaarrekening per post

– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies

Verantwoordelijkheid van de accountant

De accountant stelt vast dat de instelling een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .

Doelstelling

Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

De accountant stelt vast dat de instelling geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.

3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens

– WOPT

4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie

Aan: <>

Verklaring betreffende de jaarrekening

Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomenjaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.

Doelstelling

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Controleverklaring van de onafhankelijke accountant

Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)

Verklaring betreffende het financieel verslag

Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd.1De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op winst gerichte rechtspersonen.Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)

Verantwoordelijkheid van de accountant

Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)

Verklaring betreffende het financieel verslag

<>

5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie

<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.

Overige aangelegenheden

<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.

Overige aangelegenheden

Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

<>

2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)

De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van het fonds verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen. Het rechtmatigheidsbegrip houdt bij een fonds in het bijzonder in, dat het fonds de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen juist toepast en daarover verantwoording aflegt.

1. Algemene uitgangspunten

Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van de cultuurfondsen (hierna te noemen ‘fonds’) die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van het fonds een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van het fonds, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van het Koninklijk NIVRA en de NOvAA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

1.2. Uitgangspunten

De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van het fonds verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen. Het rechtmatigheidsbegrip houdt bij een fonds in het bijzonder in, dat het fonds de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen juist toepast en daarover verantwoording aflegt.

1.4. Procedure controleprotocol

Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.

1.5. Wet- en regelgeving

Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.

Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Toelichting op model II voor de functionele exploitatierekening

Verantwoordelijkheid van de accountant

1.1. Doelstelling

1.4. Procedure controleprotocol

Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever

Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen

2.2.2. Exploitatierekening

2.1.1. De jaarlijkse verantwoording

Afdeling 3.1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1. Reikwijdte

De artikelen van dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op de verstrekking van subsidies op grond van artikel 4a van de wet, niet zijnde een subsidie als bedoeld in artikel 3.14 van de Regeling beheer rijkscollectie en subsidiëring museale instellingen.

Artikel 3.2. Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • Brabantstad: gemeente Breda, gemeente ’s-Hertogenbosch, gemeente Eindhoven, gemeente Helmond of gemeente Tilburg, dan wel een randgemeente daarvan, voor zover in de provincie Noord-Brabant gelegen;
  • grote gemeente: gemeente Amsterdam, gemeente Rotterdam of gemeente Den Haag;
  • kernpunt: gemeente Groningen, gemeente Arnhem, gemeente Utrecht, gemeente Maastricht, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam, gemeente Amsterdam of Brabantstad;
  • ontwerp: architectuur, digitale cultuur of vormgeving;
  • ontwerpsector: sector die zich bezighoudt met ontwerp;
  • podium: voorziening in een gebouw die bestemd of geschikt is voor de presentatie van podiumkunsten;
  • regio Noord: provincies Groningen, Friesland en Drenthe;
  • regio Oost: provincies Overijssel en Gelderland;
  • regio Midden: provincies Flevoland en Utrecht;
  • regio Zuid: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;
  • sectorcollectie: voor het cultuurbestel relevante verzameling of archieven, niet zijnde museale cultuurgoederen van de Staat of andere cultuurgoederen als bedoeld in artikel 2.8 van de Erfgoedwet;
  • standplaats: gemeente waar de instelling haar huisvesting heeft en in de lokale culturele infrastructuur is ingebed.
Artikel 3.3. In te dienen documenten subsidieaanvraag

In aanvulling op artikel 2.3 gaat de subsidieaanvraag vergezeld van:

  • a. een verklaring waaruit blijkt dat de instelling de Fair Practice Code, de Governance Code Cultuur, alsmede de Code Diversiteit en Inclusie onderschrijft;
  • b. een verklaring waaruit blijkt dat de instelling zich met ingang van 1 januari 2025 zal aansluiten bij de bestaande collectieve afspraken over honorering binnen haar sector, dan wel, indien er in haar sector geen bestaande afspraken over honorering zijn, een verklaring waaruit blijkt welke honoreringsrichtlijn de instelling met ingang van 1 januari 2025 zal volgen; en
  • c. een verklaring waaruit blijkt dat de instelling zich aansluit bij de sociale dialoog tussen werkgevers of opdrachtgevers en werknemers of opdrachtnemers.
Artikel 3.4. Nadere eisen activiteitenplan

In aanvulling op artikel 2.4 bevat het activiteitenplan een omschrijving waaruit blijkt:

  • a. op welke wijze de instelling de Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur naleeft; en
  • b. welke doelstellingen de instelling heeft om de implementatie van de Code Diversiteit en Inclusie, de Fair Practice Code en de Governance Code Cultuur binnen haar organisatie gedurende de subsidieperiode voort te zetten en welke stappen de instelling wil gaan zetten om deze doelstellingen te bereiken.
Artikel 3.5. Indieningstermijn aanvraag
1.

Een aanvraag voor subsidie voor de jaren 2025 tot en met 2028 op grond van dit hoofdstuk kan worden ingediend na 2 december 2023 tot en met uiterlijk 31 januari 2024 om 23.59 uur.

2.

In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag voor subsidie voor de jaren 2025 tot en met 2028 op grond van artikel 3.29 worden ingediend na 2 december 2023 tot en met uiterlijk 28 februari 2024 om 23.59 uur.

3.

Indien het door technische problemen aan de kant van de minister onverhoopt onmogelijk is om de aanvraag tijdig in te dienen op de door de minister te bepalen wijze, bedoeld in artikel 3.6, besluit de minister om de desbetreffende aanvraagperiode te verlengen met een door hem te bepalen redelijke termijn.

Artikel 3.6. Wijze van indiening
1.

De indiening van een aanvraag voor subsidie geschiedt op een door de minister te bepalen elektronische wijze, met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat de minister daartoe op www.cultuursubsidie.nl beschikbaar heeft gesteld.

2.

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, kan tevens worden aangemerkt als een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 3.12, derde lid.

Artikel 3.7. Wijze verdeling beschikbare middelen
1.

De minister beslist gelijktijdig op alle aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de bij of krachtens de wet gestelde regels, aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 3.9, en de afwegingsaspecten, bedoeld in artikel 3.10.

2.

De minister vraagt de Raad om advies omtrent de te nemen besluiten op de aanvragen. De Raad stelt ten behoeve van zijn advisering een beoordelingskader vast aan de hand van de criteria, bedoeld in artikel 3.9 en de afwegingsaspecten, bedoeld in artikel 3.10.

3.

Indien na beoordeling van alle aanvragen een bepaald beschikbaar bedrag niet geheel wordt verleend, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan een ander subsidieplafond binnen die paragraaf onderscheidenlijk afdeling.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op paragraaf 3.2.3.

Artikel 3.8. Weigeringsgronden en intrekkingsgrond
1.

Onverminderd artikel 2.9 en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidieverlening in ieder geval geweigerd, voor zover de aanvraag niet voldoet aan het bepaalde in de artikelen 3.3 en 3.4.

2.

Onverminderd artikel 2.9 en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidieverlening tevens geweigerd, indien de aanvrager een instelling is waaraan voor het jaar 2023 subsidie is verstrekt voor haar exploitatie en subsidie uitsluitend is verstrekt afkomstig uit middelen van de begrotingsstaat, met uitzondering van de artikelen 14 en 15, behorende bij de Wet van 21 december 2022 tot vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2023 (Stb. 2023, 19).

3.

Onverminderd artikel 2.9 en artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan subsidie worden geweigerd, indien de activiteiten waarvoor de subsidie is aangevraagd naar het oordeel van de minister onlosmakelijk verbonden zijn met de kernactiviteiten van de instelling waarvoor deze in de periode 2025–2028 meerjarige subsidie van een fonds ontvangt.

4.

Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht kan de minister een reeds op grond van dit hoofdstuk verleende subsidie intrekken, indien de subsidieontvanger zich niet met ingang van 1 januari 2025 heeft aangesloten bij de in artikel 3.3, onderdeel b, bedoelde collectieve afspraken, onderscheidenlijk de in dat onderdeel bedoelde honoreringsrichtlijn.

Afdeling 3.2. Podiumkunsten

§ 3.2.1. Theater

Artikel 3.9. Algemene beoordelingscriteria
1.

De minister beoordeelt de aanvragen op basis van het ingediende activiteitenplan en het functioneren van de aanvrager aan de hand van de volgende criteria:

  • a. artistieke of inhoudelijke kwaliteit;
  • b. maatschappelijke betekenis;
  • c. toegankelijkheid;
  • d. bedrijfsmatige gezondheid; en
  • e. geografische spreiding.
2.

In afwijking van het eerste lid beoordeelt de minister de aanvragen voor subsidie op grond van afdeling 3.9 op basis van het ingediende activiteitenplan en het functioneren van de aanvrager aan de hand van de volgende criteria:

  • a. inhoudelijke kwaliteit;
  • b. relevantie voor de doelgroep;
  • c. wendbaarheid;
  • d. bedrijfsmatige gezondheid; en
  • e. geografische spreiding in relatie tot de opdracht.
3.

Indien de minister een aanvraag als onvoldoende beoordeelt op ten minste één van de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, onderscheidenlijk het tweede lid, onderdelen a tot en met d, wijst de minister de aanvraag af.

Artikel 3.10. Nadere afwegingaspecten
1.

Indien meerdere aanvragen zijn ingediend die subsidiabel worden geacht op basis van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdelen a tot en met d, onderscheidenlijk het tweede lid, onderdelen a tot en met d, terwijl het desbetreffende subsidieplafond niet toereikend is om alle daarvoor in aanmerking komende aanvragen te kunnen toewijzen, worden de desbetreffende aanvragen gerangschikt aan de hand van het criterium, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel e, onderscheidenlijk tweede lid, onderdeel e.

2.

Indien met toepassing van het eerste lid niet kan worden gekomen tot een rangschikking van twee of meer van de desbetreffende aanvragen, worden deze aanvragen gerangschikt aan de hand van een integrale afweging van de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 3.9, alsmede de volgende aspecten:

  • a. pluriformiteit; en
  • b. nieuwe disciplines en genres.
3.

Indien met toepassing van het tweede lid eveneens niet een rangschikking van de desbetreffende aanvragen kan worden bepaald, bepaalt de minister de rangschikking tussen de desbetreffende aanvragen door loting.

Artikel 3.11. Afwijking in verband met geografische spreiding
1.

Indien in de navolgende afdelingen een maximum is gesteld aan het aantal instellingen waaraan per regio of kernpunt subsidie kan worden verstrekt, en geen van de subsidieaanvragen die is ingediend voor die regio of dat kernpunt voldoet aan alle daarvoor in deze regeling gestelde vereisten, kan de minister niettemin aan ten hoogste het voor de betreffende regio of kernpunt gestelde aantal instellingen subsidie verstrekken, voor zover het met deze regeling te dienen doel van geografische spreiding naar zijn oordeel in onvoldoende mate zou worden bereikt ingeval van het niet verstrekken van subsidie.

2.

Het eerste lid vindt in ieder geval geen toepassing, voor zover een aanvraag naar het oordeel van de minister in onvoldoende mate beantwoordt aan het criterium, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 3.12. Theater
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van theatervoorstellingen, indien de instelling:

  • a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft, in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
  • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
  • c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van theater; en
  • d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier grote instellingen in de kernpunten subsidie, waarvan ten hoogste twee instellingen hun standplaats hebben in de grote gemeenten, voor zover de instelling:

  • a. per jaar gemiddeld twee producties bestemd voor een podium met meer dan 400 zitplaatsen uitvoert; en
  • b. een beleid voert dat doorstroming van talent naar de grote zaal bevordert.
3.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier middelgrote instellingen in de kernpunten subsidie, waarvan niet meer dan één instelling haar standplaats heeft in de grote gemeenten, voor zover de instelling ten minste per jaar één productie bestemd voor een podium met meer dan 400 zitplaatsen uitvoert.

4.

De minister kan op grond van het eerste lid subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Noord en haar theatervoorstellingen in de Friese taal verzorgt.

5.

Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.

Artikel 3.13. Subsidieplafonds
1.

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.12 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is ten hoogste 110 procent van het daar genoemde bedrag beschikbaar voor ten hoogste één instelling die zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.

§ 3.2.2. Dans

Artikel 3.14. Dans
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire, indien de instelling:

  • a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
  • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
  • c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en
  • d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen, waarvan:

  • a. één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
  • b. één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;
  • c. één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en
  • d. twee instellingen die voorzien in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.
3.

Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.

Artikel 3.15. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.14 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

Artikel 3.16. Symfonieorkesten
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:

  • a. een breed repertoire aanbiedt;
  • b. haar activiteiten geografisch op een geconcentreerde wijze spreidt in de regio of het verzorgingsgebied waarin zij haar standplaats heeft;
  • c. ten minste eenmaal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een subsidie ontvangt op grond van artikel 3.22 of 3.23;
  • d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert; en
  • e. een beleid voert dat samenwerking met andere orkesten en derden bevordert.
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste zes instellingen subsidie, waarbij in de regio Noord, de regio Oost, de regio Zuid, de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam en de gemeente Den Haag er telkens ten hoogste één instelling haar standplaats heeft.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, zijn de instellingen in regio Oost en in regio Zuid ten minste tweemaal per jaar om niet beschikbaar voor de begeleiding van een productie van een instelling die een subsidie ontvangt op grond van artikel 3.22 of 3.23.

Artikel 3.17. Symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten primair voor opera

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteiten het begeleiden van operaproducties en het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:

  • b. in aanvulling op haar activiteiten een relevante seizoensprogrammering aanbiedt van symfonische concerten in het verzorgingsgebied van de gemeente Haarlem; en
  • c. ten minste zes maal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een subsidie ontvangt op grond van artikel 3.22.
Artikel 3.18. Symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten voor dans

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het begeleiden van dansproducties, indien de instelling:

voor zover de begeleiding in de basisbezetting van haar orkest om niet plaatsvindt, en niet meer dan een redelijke prijs in rekening wordt gebracht voor de kosten die verband houden met een aanvullende bezetting bij repertoire waarbij een basisbezetting naar algemeen gangbare artistieke maatstaven niet volstaat.

Artikel 3.19. Symfonieorkest met aanbod van pop- en jazzmuziek

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verzorgen van pop- en jazzaanbod in een symfonische bezetting, indien de instelling voldoet aan artikel 3.16, eerste lid, onderdelen a en d.

Artikel 3.20. Muziekensembles en koren
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van muziekaanbod van een ensemble of koor, niet zijnde aanbod of begeleiding als bedoeld in de artikelen 3.16 tot en met 3.19 onderscheidenlijk aanbod als bedoeld in paragraaf 3.2.3.2, indien de instelling:

  • a. in een internationale context een repertoire aanbiedt van:
  • 1°. oude muziek;
  • 2°. klassieke of modern-klassieke muziek; of
  • 3°. eigentijdse muziek;
  • b. een eigen, herkenbare artistieke signatuur heeft die niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders; en
  • c. regelmatig in vaste samenstelling optreedt;
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste zeven instellingen subsidie.

§ 3.2.4. Festival

Artikel 3.21. Subsidieplafonds
1.

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.16 tot en met 3.20 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.16, tweede lid, in de regio Oost, gemeente Den Haag en de gemeente Rotterdam gezamenlijk en de regio Zuid: € 9.459.400;
  • d. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.17: € 13.517.700;
  • e. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.18: € 5.600.400;
  • f. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.19: € 4.956.600; en
  • g. voor instellingen als bedoeld in artikel 3.20: in totaal € 7.167.200.
2.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a, b of c, is ten hoogste 110 procent van het daar genoemde bedrag beschikbaar voor ten hoogste één instelling die zich:

  • a. internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau; en
  • b. profileert op de relevante internationale concertpodia.
Artikel 3.22. Grootschalig opera-aanbod

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van grootschalig opera-aanbod, indien de instelling:

  • a. een breed repertoire aanbiedt;
  • b. zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
  • c. een beleid voert dat, in samenwerking met de instellingen, bedoeld in artikel 3.23, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert en coördinerende activiteiten op dit gebied uitvoert; en
  • d. zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.

Afdeling 3.3. Musea

Artikel 3.23. Overig opera-aanbod
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Oost en met als kernactiviteit het verzorgen van opera-aanbod, indien de instelling:

  • b. haar activiteiten geografisch op een geconcentreerde wijze spreidt; en
  • c. een beleid voert dat, in samenwerking met de instelling, bedoeld in artikel 3.22, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert.
2.

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Zuid en met als kernactiviteit het verzorgen van opera-aanbod, indien de instelling:

  • b. haar activiteiten geografisch in haar regio op een geconcentreerde wijze spreidt;
  • c. samenwerkt met andere instellingen die opera-aanbod verzorgen; en
  • d. een beleid voert dat, in samenwerking met een instelling als bedoeld in artikel 3.22, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert.
Artikel 3.24. Subsidieplafonds opera

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.22 en 3.23 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.22: € 30.760.300;
Artikel 3.25. Festivals
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in internationale context primair op het terrein van de podiumkunsten, indien de activiteiten van de instelling:

  • a. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten of gericht zijn op het bevorderen van talentontwikkeling;
  • b. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
  • c. niet aan te merken zijn als activiteiten van één specifieke schouwburg, concertzaal of andere instelling die zich primair richt op de presentatie van cultuuruitingen.
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste negen instellingen subsidie, waarbij in de regio Midden, de regio Zuid en de regio Noord telkens ten minste twee instellingen hun standplaats hebben.

Artikel 3.26. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.25 is jaarlijks in totaal ten hoogste € 9.054.400 beschikbaar.

Artikel 3.27. Jeugdpodiumkunsten
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van repertoire op een of meerdere deelgebieden van de podiumkunsten voor de jeugd tot achttien jaar, indien de instelling:

  • a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium; en
  • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste dertien instellingen subsidie, waarbij in de regio Noord ten minste één, in de regio Zuid ten minste twee, in de regio Oost ten minste één, en in de regio Midden ten minste twee instellingen hun standplaats hebben.

3.

Aan een instelling waaraan subsidie wordt verstrekt op grond van artikel 3.14, eerste lid, juncto tweede lid, onderdeel c, verstrekt de minister geen subsidie op grond van het eerste lid.

Artikel 3.28. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.27 is jaarlijks in totaal ten hoogste € 14.231.700 beschikbaar.

Afdeling 3.3. Regionale musea en sectorcollecties

Artikel 3.29. Regionale musea
1.

Aan een instelling met als kernactiviteit het beheer en behoud van een gemeentelijke of provinciale collectie van cultureel erfgoed van nationaal of internationaal belang kan de minister, op enkelvoudige voordracht van gedeputeerde staten van de provincie waar de instelling haar standplaats heeft, subsidie verstrekken voor het uitvoeren van publieksactiviteiten die verband houden met de collectie, voor zover deze aanvullend zijn op de activiteiten waarvoor subsidie door overige bestuursorganen wordt verstrekt.

2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste één instelling per provincie subsidie.

Artikel 3.30. Beheer, behoud en ontsluiting sectorcollecties podiumkunsten en vormgeving

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling ten behoeve van het beheer, behoud en de ontsluiting van sectorcollecties op het terrein van de podiumkunsten en de vormgeving, indien:

  • a. de minister daarvoor in het verleden subsidie heeft verstrekt;
  • b. nadien voor een vergelijkbaar doeleinde niet door andere bestuursorganen financiële middelen beschikbaar zijn gesteld; en
  • c. voor zover het gaat om digitale collecties, deze duurzaam verbonden en toegankelijk worden gemaakt volgens de uitgangspunten van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed.
Artikel 3.31. Netwerk- of platformfunctie sectorcollecties podiumkunsten

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling waarvan de activiteiten zijn gericht op het vervullen van twee netwerk- of platformfuncties voor sectorcollecties op het terrein van theater en dans onderscheidenlijk muziek, waarbij:

  • a. bewustwording, deskundigheidsbevordering en kennisdeling over behoud en beheer, ontsluiting en netwerkvorming worden gestimuleerd;
  • b. de sectorcollecties in samenwerking met een instelling als bedoeld in artikel 3.51 duurzaam digitaal verbonden en toegankelijk worden gemaakt volgens de uitgangspunten van de Nationale Strategie Digitaal Erfgoed; en
  • c. de activiteiten van de instelling afgestemd worden met die van relevante partijen, waaronder de instelling die subsidie ontvangt op grond van artikel 3.51 van deze regeling.

Afdeling 3.4. Beeldende kunst

Artikel 3.32. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.29 tot en met 3.31 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.29: € 298.100;
  • b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.30: € 596.100;
  • c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.31: € 1.192.200.
Artikel 3.33. Presentatie-instellingen
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een grote gemeente of een regio heeft en als kernactiviteit heeft de presentatie van een vernieuwend aanbod van hedendaagse beeldende kunst in een internationale context, indien de instelling:

  • a. beschikt over een ruimte die geschikt is voor het tonen van de presentaties;
  • b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
  • c. een toonaangevende programmering verzorgt;
  • d. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders; en
  • e. niet overwegend gericht is op het beheer van een collectie van cultureel erfgoed.
2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste zes instellingen subsidie.

3.

Op grond van dit artikel wordt aan ten hoogste één instelling per grote gemeente subsidie verstrekt.

Artikel 3.34. Postacademische instellingen
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van een begeleidingsprogramma op het terrein van beeldende kunst, dat een vervolg is op een bachelor- of masteropleiding op het gebied van de kunst, indien de instelling een internationaal toonaangevend programma verzorgt en ten minste tien deelnemers begeleidt.

2.

De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste vijf instellingen subsidie.

Afdeling 3.4. Beeldende kunst

Artikel 3.35. Subsidieplafonds

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.33 en 3.34 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor instellingen als bedoeld in artikel 3.33: in totaal € 4.784.100; en
  • b. voor instellingen als bedoeld in artikel 3.34: in totaal € 7.009.800 en per deelnemer ten hoogste € 66.760.
Artikel 3.36. Festivals
1.

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van arthousefilms en aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van documentaires, indien:

  • a. de instelling een beleid voert dat talentontwikkeling alsmede vernieuwing van en voor de filmsector bevordert;
  • b. de activiteiten van de instelling:
  • 1°. een breed en divers publiek bereiken;
  • 2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
  • 3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
  • 4°. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.
2.

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de Nederlandse film, indien:

  • a. de instelling een beleid voert dat talentontwikkeling alsmede vernieuwing van en voor de filmsector bevordert;
  • b. de activiteiten van de instelling:
  • 1°. een breed en divers publiek bereiken;
  • 2°. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en
  • 3°. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.
3.

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de jeugdfilm, indien de activiteiten van de instelling voldoen aan de subonderdelen 1° tot en met 4° van onderdeel b van het eerste lid.

Afdeling 3.7. Creatieve industrie (architectuur, vormgeving en nieuwe media)

Artikel 3.37. Ondersteunende instelling

De minister kan subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van de film, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

  • a. het in samenwerking met relevante partners ontwikkelen en delen van kennis op het gebied van filmeducatie en mediawijsheid alsmede het verzorgen van een landelijke coördinatie en afstemming op deze terreinen;
  • b. de internationale samenwerking en versterking van de internationale positie van de Nederlandse film en de Nederlandse filmsector, een en ander in:
  • 1°. samenwerking met stichting Nederlands Fonds voor de Film, door gezamenlijke beleidsvorming, uitvoering en verantwoording; en
  • 2°. afstemming met overige relevante partijen in de filmsector.
Artikel 3.38. Subsidieplafonds
1.

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.36 en 3.37 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

  • a. voor instellingen als bedoeld in artikel 3.36: in totaal € 5.827.100; en
  • b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.37: € 2.481.000.

Afdeling 3.8. Bibliotheken

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)