Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. WJZ/204802 (8258), houdende regels voor de subsidiëring van cultuuruitingen (Regeling op het specifiek cultuurbeleid)
Gelet op artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 5 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor verstrekking van jaarlijkse instellingssubsidies en vierjaarlijkse instellingssubsidies
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen voor verstrekking van jaarlijkse instellingssubsidies en vierjaarlijkse instellingssubsidies
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan aangewezen instellingen en fondsen op grond van artikel 4b en 4c van de wet
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 6.1. Algemeen
§ 6.2. Overgangsbepalingen
§ 6.3. Wijziging van andere regelingen
Artikel 6.3. Subsidieregeling ‘Digitaliseren met beleid’
Vervallen
Artikel 6.4. Subsidieregeling indemniteit bruiklenen 2008
Vervallen
Artikel 6.5. Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen
Vervallen
Artikel 6.6. Subsidieregeling innovatie cultuuruitingen
Vervallen
Artikel 6.7. Mandaatbesluit FCP
Vervallen
Artikel 6.8. Mandaatbesluit NFPK
Vervallen
Artikel 6.9. Subsidieregeling Bibliotheekinnovatie
Vervallen
§ 6.4. Slotbepalingen
Bijlage Ia. , als bedoeld in artikel 2.28 van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- instelling: privaatrechtelijke rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- projectsubsidie: subsidie als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid;
- instellingssubsidie: subsidie aan een instelling op grond van artikel 4a of 4c van de wet;
§ 2.1. Algemeen
Artikel 2.1. Reikwijdte
De artikelen van dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op de verstrekking van instellingssubsidies.
Instellingssubsidies worden niet verstrekt voor een subsidiebedrag dat minder dan € 125.000 bedraagt.
§ 2.2. Subsidieaanvraag
Artikel 2.2. Aanvraagtermijnen
Om in aanmerking te komen voor een instellingssubsidie, dient de instelling overeenkomstig de aanvraagtermijn in hoofdstuk 3 een subsidieaanvraag in.
Artikel 2.3. In te dienen documenten
De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:
- a. een activiteitenplan; en
- b. een begroting.
Artikel 2.4. Activiteitenplan
Het activiteitenplan omvat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven doelstellingen.
Artikel 2.5. Begroting
De begroting behelst een overzicht van de voor het kalenderjaar onderscheidenlijk de kalenderjaren geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
De begroting bevat een postgewijze toelichting.
De begroting bij de aanvraag voor een instellingssubsidie omvat tevens een prestatieoverzicht dat een beknopt inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de te verrichten activiteiten in ieder van de vier jaren van de periode waarvoor de subsidie wordt gevraagd.
De minister kan aangeven dat de begroting uitgaat van een prijspeil van een door hem bepaald jaar.
Artikel 2.6. Aanvullende bescheiden
De aanvraag gaat voorts vergezeld van een document waaruit de financiële positie van de aanvrager blijkt alsmede een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd.
Een document als bedoeld in het eerste lid is de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of, indien geen jaarrekening voor handen is, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.
Documenten als bedoeld in het eerste lid gaan niet bij de aanvraag voor zover de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze reeds in het bezit zijn van de minister.
Artikel 2.7. Melden gelijke subsidieaanvragen
Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote lasten tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, maakt hij dat inzichtelijk in de aanvraag.
§ 2.3. Subsidieverlening
Artikel 2.8. beslistermijn
De minister beslist op de aanvraag voor een instellingssubsidie binnen 40 weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend en uiterlijk dertien weken voor de periode van vier kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.
Artikel 2.9. Weigeringsgronden
De subsidieverlening wordt geweigerd voor zover de minister van oordeel is dat het verstrekken daarvan het door hem openbaar gemaakte cultuurbeleid, mede gelet op de beschikbare financiële middelen, niet of onvoldoende ondersteunt.
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening voorts in ieder geval geweigerd voor zover:
- a. naar het oordeel van de minister mag worden verwacht dat de met subsidieverlening beoogde doeleinden niet zullen worden bereikt; of
- b. de aanvrager naar het oordeel van de minister de behoefte aan subsidie niet heeft aangetoond, tenzij de aanvrager een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is.
Artikel 2.10. Voorschotten
De minister betaalt als voorschot per kwartaal een gelijk deel van het subsidiebedrag dat aan een instelling is verleend.
Een kwartaal als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan de periode van de eerste drie maanden, de tweede drie maanden, de derde drie maanden of de vierde drie maanden van een kalenderjaar.
Indien de liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger om een ander betaalritme vraagt, kan de minister in afwijking van het eerste lid een groter of kleiner deel van de subsidie als voorschot betalen in door hem te bepalen termijnen.
De liquiditeitsbehoefte, bedoeld in het derde lid, volgt uit documenten van de aanvrager, dan wel wordt ambtshalve vastgesteld door de minister.
Artikel 2.11. Bijstelling subsidiebedrag vierjaarlijkse instellingssubsidie
Bij de verlening van een instellingssubsidie kan de minister bepalen dat het subsidiebedrag jaarlijks door hem wordt bijgesteld, rekening houdend met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden.
Jaarlijks kan de minister een instellingssubsidie tevens bijstellen, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil.
Met het oog op de toepassing van het eerste en tweede lid bepaalt de minister jaarlijks welk deel van de subsidie in aanmerking zal worden genomen voor bijstelling in verband met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden en, voor zover van toepassing, van de ontwikkeling van het prijspeil.
Als de subsidie met toepassing van het eerste of tweede lid wordt bijgesteld, kan de bevoorschotting overeenkomstig die bijstelling worden gewijzigd.
Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van hoofdstuk 3 kan bij de verlening, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een bedrag worden toegevoegd, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden in het jaar 2015 onderscheidenlijk 2016.
§ 2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 2.12. Besteding van de subsidie
De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de werkzaamheden op een zodanige manier worden uitgevoerd dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.
Artikel 2.13. Te voeren administratie
De subsidieontvanger stelt het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.
De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen evenals de baten en lasten kunnen worden nagegaan.
De subsidieontvanger bewaart de administratie en de daartoe behorende documenten gedurende zeven jaren.
Artikel 2.14. Meldingsplicht
Indien gedurende de subsidieperiode aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan tussen de werkelijke baten en lasten en de begrote baten en lasten, doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan de minister onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.
De subsidieontvanger doet onverwijld een melding aan de minister van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidieverstrekking. Bij de melding worden de stukken overgelegd die betrekking hebben op de gemelde feiten en omstandigheden en wordt de oorzaak van de gemelde feiten en omstandigheden toegelicht.
Aan het tweede lid wordt in ieder geval toepassing gegeven indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat:
- a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht, of
- b. niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.
Artikel 2.15. Periodieke verslaglegging bij vierjaarlijkse instellingssubsidie
De ontvanger van een instellingssubsidie dient na het eerste, tweede en derde jaar van de periode waarvoor subsidie is verleend, over het betreffende jaar, binnen dertien weken een bestuursverslag en een jaarrekening in.
Het bestuursverslag geeft in ieder geval toelichting op:
- a. het exploitatieresultaat van de subsidieontvanger;
- b. de financiële positie van de subsidieontvanger, waarbij tevens wordt ingegaan op het beleggingsbeleid, voor zover de instelling of de gelieerde instelling beleggingen heeft;
- c. het al dan niet realiseren van de voorgenomen activiteiten;
- d. de zaken die nu en in de toekomst van invloed kunnen zijn op het functioneren van de subsidieontvanger;
- e. de specifieke aandachtspunten die in de beschikking tot subsidieverlening zijn vermeld;
- f. de samenstelling van het bestuur, de directie en, indien van toepassing, van de Raad van Toezicht, inclusief data van aan- en aftreden;
- g. voor zover de verplichting tot het aansluiten bij een code als bedoeld in artikel 2.21 aan de subsidie is verbonden: de wijze waarop het bestuur toepassing heeft gegeven aan die code;
- h. de uitvoering van de Wet normering topinkomens;
- i. de educatieve activiteiten;
- j. ondernemerschap en in het bijzonder de samenstelling van de eigen inkomsten en de strategie bij tegenvallende inkomsten; en
- k. indien van toepassing de activiteiten op het gebied van talentontwikkeling en internationaal belang.
Voorts bevat het bestuursverslag een beknopte inzichtelijke kwalitatieve beschrijving van de verrichte activiteiten in het afgelopen jaar.
Op het bestuursverslag is artikel 2.28 van toepassing. Het bestuur van de subsidieontvanger ondertekent het bestuursverslag.
Op de jaarrekening zijn de artikelen 2.26, 2.27 en 2.28 van toepassing.
Artikel 2.16. Bestemmingsfonds OCW
Indien het resultaat van het boekjaar positief is, vindt toevoeging plaats aan een bestemmingsfonds OCW. Aan het bestemmingsfonds OCW wordt slechts onttrokken, indien het resultaat van het boekjaar negatief is.
Een toevoeging of onttrekking als bedoeld in het eerste lid, geschiedt naar rato van het aandeel subsidie in de totale baten van de instelling.
Een toevoeging of onttrekking als bedoeld in het eerste lid, wordt toegelicht in de verantwoordingsbescheiden, bedoeld in de artikelen 2.15, eerste lid, en 2.22, eerste lid.
De minister kan geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van het eerste of het tweede lid.
Dit artikel is niet van toepassing op een subsidie aan een fonds.
Artikel 2.17. Vergoeding voor vermogensvorming
In de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan de minister een door hem te bepalen vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de waarde van goederen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van zaken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger wordt ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één of drie onafhankelijke deskundigen.
Toepassing van het eerste lid blijft achterwege als de activiteiten van de subsidieontvanger, na toestemming van de minister, door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
Artikel 2.18. Vergoeding derden
De vergoeding die een subsidieontvanger betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer instellingen die op grond van de wet subsidie ontvangen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de subsidieontvanger ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de historische kostprijs berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.
De vergoeding die een subsidieontvanger betaalt aan een organisatie als bedoeld in het eerste lid voor door die organisatie aan de subsidieontvanger geleverde diensten, is als het diensten betreft die in het algemeen door soortgelijke instellingen als de subsidieontvanger in eigen beheer worden verricht, niet hoger dan het bedrag dat gelijk is aan de kosten die de subsidieontvanger zou hebben gehad bij het verrichten van de diensten in eigen beheer.
De vergoeding die een subsidieontvanger betaalt aan een organisatie als bedoeld in het eerste lid voor door die organisatie aan de subsidieontvanger geleverde diensten, andere dan de in het tweede lid bedoelde diensten, is niet hoger dan het bedrag dat voor het doen verrichten van dergelijke diensten door andere organisaties gebruikelijk kan worden geacht.
Artikel 2.19. Vergoeding van derden
De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.
Artikel 2.20. Onderzoeken
De subsidieontvanger werkt mee aan door of namens de minister ingestelde onderzoeken die erop zijn gericht de minister inlichtingen te verschaffen ten behoeve van de ontwikkeling van zijn beleid.
Als bij de minister het vermoeden is gerezen dat artikel 2.18 niet is nageleefd, spant de subsidieontvanger zich desgevraagd in de jaarrekening van de desbetreffende organisatie te overleggen.
Artikel 2.21. Code
Indien subsidie wordt verstrekt voor activiteiten op een terrein van cultuur waarvoor een code is vastgesteld, kan de minister bij de subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger zich dient aan te sluiten bij de betreffende code.
Onder een code als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een samenstel van afspraken opgesteld door of in samenwerking met vertegenwoordigers van instellingen op het betreffende terrein van cultuur.
§ 2.5. Subsidievaststelling
Artikel 2.22. Termijn aanvraag voor vaststelling
Tussen acht en dertien weken na afloop van de subsidieperiode dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
Aanvragen die worden ingediend voorafgaand aan de termijn, bedoeld in het eerste lid, worden geacht ontvangen te zijn op de eerste dag van die termijn.
Artikel 2.23. Aanvraag voor vaststelling van subsidie
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een jaarrekening en een bestuursverslag als bedoeld in artikel 2.15. Het bestuursverslag geeft een toelichting op het vierde jaar van de subsidie.
Op het bestuursverslag is artikel 2.15, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.24. Aanvraag voor vaststelling van subsidie onder € 125.000
Vervallen
Artikel 2.25. Activiteitenverslag
Vervallen
Artikel 2.26. Jaarrekening
Titel 9, met uitzondering van de afdelingen 1 en 11 tot en met 16, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de jaarrekening met dien verstande dat de winst- en verliesrekening wordt vervangen door een exploitatierekening; op deze exploitatierekening zijn de bepalingen omtrent de winst- en verliesrekening van overeenkomstige toepassing. Bepalingen omtrent winst en verlies zijn van overeenkomstige toepassing op het exploitatiesaldo.
De minister kan bepalen dat bepalingen van titel 9 of onderdelen daarvan niet van toepassing zijn op bepaalde subsidieontvangers of categorieën van subsidieontvangers.
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening, en gaat vergezeld van een toelichting op beide.
In de jaarrekening van een ontvanger van instellingssubsidie wordt tevens een prestatieverantwoording opgenomen die een beknopt inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft.
Een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is opgericht behoeft geen jaarrekening in te zenden.
De jaarrekening van een ontvanger van instellingssubsidie gaat vergezeld van de jaarrekeningen van dochtermaatschappijen van de instelling als bedoeld in artikel 24a van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of andere rechtspersonen waarop zij een overheersende zeggenschap kan uitoefenen of waarover zij de centrale leiding heeft.
Artikel 2.27. Accountantsverklaring en rapport van feitelijke bevindingen
De jaarrekening is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
De jaarrekening van een ontvanger van instellingssubsidie is tevens voorzien van een rapport van feitelijke bevindingen over de prestatieverantwoording.
In de verklaring, bedoeld in het eerste lid, doet de accountant een uitspraak over de naleving van de subsidiebepalingen door de subsidieontvanger overeenkomstig de controleprotocollen gepubliceerd op de website www.cultuursubsidie.nl met gebruikmaking van de daarbij opgenomen modellen voor accountantsverklaringen.
De verklaring, bedoeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op een in de jaarrekening opgenomen prestatieverantwoording.
Artikel 2.28. Modellen voor in te dienen documenten
De minister kan modellen vaststellen voor het bestuursverslag en de jaarrekening, waaronder de prestatieverantwoording. De modellen worden gepubliceerd op de website www.cultuursubsidie.nl.
Artikel 2.29. Vaststelling
Na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie stelt de minister de subsidie binnen 22 weken vast.
Tegelijkertijd met de vaststelling van de subsidie neemt de minister een besluit over de besteding van het bedrag van het bestemmingsfonds OCW, bedoeld in artikel 2.16 of artikel 4.3.
Artikel 2.30. Terugvordering
Vervallen
Hoofdstuk 3. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies op grond van artikel 4a van de wet voor de periode 2017–2020
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan aangewezen instellingen en fondsen op grond van artikel 4b en 4c van de wet
§ 4.1. Indiening van bescheiden
Artikel 4.1. Toepassing
Paragraaf 2.2 is niet van toepassing op de verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen.
Artikel 4.2. Indiening van de begroting
Een fonds dient uiterlijk op 1 februari in het jaar voorafgaand aan de aanvang van de subsidieperiode van vier kalenderjaren een begroting en een beleidsplan in.
Op de begroting is artikel 2.5 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.7 is van overeenkomstige toepassing op de fondsen bij de indiening van de begroting.
Een fonds stelt zijn beleidsplan op aan de hand van het voor het desbetreffende fonds door de minister bekendgemaakte beleidskader.
§ 4.2. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 4.3. Bestemmingsfonds OCW
Een fonds houdt een bestemmingsfonds OCW aan.
De minister kan voorschriften verbinden aan het toevoegen of onttrekken van middelen aan het bestemmingsfonds OCW. Hij maakt deze bekend op de website www.cultuursubsidie.nl.
Toevoegingen of onttrekkingen aan het bestemmingsfonds OCW worden toegelicht in de verantwoordingsbescheiden, bedoeld in de artikelen 2.15, eerste lid, en 2.22, eerste lid.
§ 4.3. Subsidievaststelling
Artikel 4.4. Eisen aan de in te dienen bescheiden voor fondsen
Vervallen
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
§ 3.2.1. Theater
Artikel 5.1. Reikwijdte
De artikelen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de verstrekking van projectsubsidies voor zover voor de subsidie geen specifieke regeling bestaat.
§ 5.2. Subsidie op aanvraag en ambtshalve
Artikel 5.2. Subsidieverstrekking
De minister kan op aanvraag een projectsubsidie verstrekken.
De minister kan ambtshalve aan een fonds een projectsubsidie verstrekken.
Artikel 5.3. In te dienen documenten
Een aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan en een begroting.
Op het activiteitenplan is artikel 2.4 van overeenkomstige toepassing.
De begroting behelst een overzicht van de geraamde baten en lasten van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.
De begroting bevat een postgewijze toelichting.
Indien de minister hierom verzoekt, verstrekt de aanvrager tevens een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd.
Artikel 2.7 is van overeenkomstige toepassing.
In afwijking van het eerste lid gaat een subsidieaanvraag voor reeds verrichte activiteiten vergezeld van een verslag van de aard, duur en omvang van de gerealiseerde activiteiten en een jaarrekening of financieel verslag. Op de jaarrekening of het financieel verslag zijn de artikelen 2.26, met uitzondering van het vierde lid, en 2.27, eerste en derde lid, onderscheidenlijk artikel 5.12 van overeenkomstige toepassing.
§ 3.2.2. Dans
Artikel 5.4. Beslistermijn en de beschikking
De minister beslist binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.
De termijn, genoemd in het eerste lid, bedraagt 22 weken, indien de minister over de aanvraag advies inwint of een nader onderzoek naar de aanvraag instelt. Indien toepassing wordt gegeven aan de vorige volzin, doet de minister hiervan mededeling aan de aanvrager.
Een beschikking tot subsidieverlening vermeldt de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend, het subsidiebedrag en de datum waarop de activiteiten uiterlijk zijn afgerond.
Indien de minister op een aanvraag als bedoeld in artikel 5.3, zevende lid, beslist tot subsidieverstrekking, stelt hij de subsidie zonder voorafgaande verlening vast.
In gevallen waarbij de minister besluit tot subsidieverstrekking zonder daarvoor een financiële of inhoudelijke verantwoording noodzakelijk te achten, kan hij, onverminderd het vierde lid, de subsidie zonder voorafgaande verlening vaststellen.
Artikel 5.5. Weigeringsgronden
Artikel 2.9 is van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van projectsubsidies.
Artikel 5.6. Voorschotten en betaling
Artikel 2.10 is van overeenkomstige toepassing op de bevoorschotting van projectsubsidies.
In afwijking van het eerste lid wordt een verleend subsidiebedrag dat minder dan € 25.000 bedraagt bij de subsidieverlening in één keer als voorschot betaald.
§ 5.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 5.7. Overeenkomstige verplichtingen
De verplichtingen, bedoeld in de artikelen 2.12, 2.13, tweede tot en met derde lid, 2.14 en 2.17 tot en met 2.20, zijn van overeenkomstige toepassing op de ontvanger van een verleende projectsubsidie die € 25.000 of meer bedraagt.
De minister kan bij de verlening van een projectsubsidie die € 25.000 of meer bedraagt, artikel 2.21 toepassen.
Artikel 5.8. Publicaties en auteursrecht
Indien een gesubsidieerd project leidt tot een publicatie, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat bij de publicatie wordt aangegeven wie de uitvoerder en de subsidieverstrekker van het project zijn geweest.
Indien de subsidie gericht is of mede gericht is op de totstandkoming van een werk als bedoeld in artikel 10, onder 1, van de Auteurswet, draagt de subsidieontvanger er zorg voor auteursrechthebbende te zijn ter zake van dat werk.
De subsidieontvanger vrijwaart de Staat der Nederlanden voor aanspraken van derden ter zake van alle schade die zij lijden ten gevolge van de door of vanwege de subsidieontvanger verrichte publicaties.
Artikel 5.9. Verplichtingen bij subsidies van minder dan € 25.000
Dit artikel is slechts van toepassing op een ontvanger van een subsidie die minder dan € 25.000 bedraagt.
Op verzoek van de minister toont de subsidieontvanger aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. De subsidieontvanger toont dit zoveel mogelijk aan de hand van concrete en meetbare eenheden aan.
De subsidieontvanger doet onverwijld een melding aan de minister, indien aannemelijk is dat:
- a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet voor de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, zijn verricht; of
- b. voor de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
§ 5.5. Subsidievaststelling
Artikel 5.10. Aanvraag
De ontvanger van een subsidie die € 25.000 of meer bedraagt, dient binnen 13 weken na de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag tot vaststelling door een subsidieontvanger die tevens een instellingssubsidie ontvangt, geschieden door verantwoording van de subsidie met de:
- a. bescheiden die vergezeld gaan van de aanvraag tot vaststelling van de instellingssubsidie, of
- b. periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15,
voor zover de verantwoording van de subsidie daarin voldoende inzichtelijk is.
Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid en de activiteiten van de projectsubsidie zijn afgerond in het eerste, tweede of derde jaar van de subsidieperiode van de instellingssubsidie, geschiedt de aanvraag tot vaststelling uiterlijk met de periodieke verslaglegging, bedoeld in artikel 2.15, over het jaar waarin de activiteiten waarvoor de projectsubsidie is verleend, zijn afgerond.
In afwijking van het eerste lid en onverminderd het tweede en derde lid, kan de minister bij de subsidieverlening bepalen dat de ontvanger van een subsidie die twee of meer jaren bestrijkt, jaarlijks voor een in de beschikking tot verlening van de subsidie op te nemen datum een aanvraag tot vaststelling indient.
Artikel 5.11. In te dienen bescheiden
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van een activiteitenverslag of bestuursverslag.
Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, gaat de aanvraag tot vaststelling van de subsidie tevens vergezeld van een jaarrekening of financieel verslag.
Het activiteitenverslag beschrijft de aard, duur en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend. De minister kan een model vaststellen voor het activiteitenverslag op de website www.cultuursubsidie.nl.
Op het bestuursverslag is artikel 2.15, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Op de jaarrekening zijn de artikelen 2.26, met uitzondering van het vierde lid, en 2.27, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.12. Financieel verslag
Het financieel verslag geeft een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de besteding van de subsidie door de subsidieontvanger. Het financieel verslag sluit aan op de indeling van de begroting, die voorafgaand aan de subsidieverlening is overgelegd. Belangrijke verschillen tussen financieel verslag en begroting worden toegelicht.
Op het financieel verslag is artikel 2.27, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.13. Vaststelling
Na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie stelt de minister de subsidie binnen 22 weken vast.
Indien het verleende subsidiebedrag minder dan € 25.000 bedraagt, stelt de minister de subsidie binnen 22 weken na de datum, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, ambtshalve vast.
Met betrekking tot terugvordering van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten is artikel 2.30 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 3.2.5. Festivals
Artikel 6.1. Hardheidsclausule
De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen of onderdelen daarvan buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
§ 6.2. Overgangsbepalingen
Artikel 6.2. Overgangsrecht
Vervallen
§ 6.3. Wijziging van andere regelingen
§ 6.4. Slotbepalingen
Artikel 6.10. Intrekking
De Regeling subsidies en uitkeringen cultuuruitingen wordt ingetrokken.
Artikel 6.11. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2010, met uitzondering van artikel 6.5, onderdeel C, dat in werking treedt met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst.
Artikel 6.12. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Bijlage Ia. , als bedoeld in artikel 2.28 van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
Handboek verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012 (inclusief musea en sectorinstituten)
Deze publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat op de websites www.rijksoverheid.nl, www.cultuursubsidie.nl en www.wetten.nl.
Inleiding
Het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen (hierna: handboek) is bedoeld voor rechtspersonen (zowel aangewezen als niet aangewezen instellingen) die op grond van de artikelen 4, 4a en 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen. Daarnaast geldt dit handboek voor rechtspersonen die alleen een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. Als uw instelling een van dergelijke subsidies ontvangt, dient u over de besteding van de subsidie jaarlijks verantwoording aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) af te leggen. Dit is een verplichting die geldt voor ieder boekjaar waarvoor subsidie is verleend. Hoofdstuk 5 ‘wetgeving en richtlijnen’ van dit handboek verwijst naar de kaders waarbinnen deze verantwoordingsverplichting bestaat.
Rapportage van de besteding van ontvangen projectsubsidies vindt bij voorkeur plaats door middel van uw reguliere jaarverantwoording. Voor instellingen die op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie ontvangen geldt het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
Doel van de verantwoording
De verantwoording van uw instelling dient om na te gaan of de subsidie is besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt. Ook wordt nagegaan of aan de eisen uit wetgeving is voldaan en of de subsidievoorwaarden zijn nageleefd (rechtmatigheid). Daarnaast bieden de gegevens van instellingen belangrijke beleidsinformatie m.b.t. ontwikkelingen in de sector.
Uitgangspunten voor de verantwoording
Uitgangspunten voor de verantwoording van de subsidie(s) zijn uw geaccordeerde prestatieoverzicht en meerjarenbegroting en de door de minister van OCW verleende subsidie(s).
Verantwoording voor instellingen met een vierjaarlijkse subsidie
In het verantwoordingsproces wordt een onderscheid gemaakt tussen instellingen die een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen en instellingen die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangen (aangewezen- én niet aangewezen instellingen). Op de verantwoording van vierjaarlijkse instellingssubsidies wordt in dit hoofdstuk verder ingegaan. Voor de verantwoording door instellingen die een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van dit handboek.
U dient binnen dertien weken na het eerste, tweede en derde jaar van de vierjaarlijkse subsidieperiode, over het betreffende boekjaar de verantwoording digitaal aan te leveren. De verantwoording over het vierde jaar van de vierjaarlijkse subsidieperiode dient u tussen acht en dertien weken na afloop van het betreffende boekjaar digitaal aan te leveren.
Als u naast de vierjaarlijkse instellingssubsidie een (of meer) projectsubsidie(s) heeft ontvangen, dan dient u tevens rekening te houden met de aanwijzingen in hoofdstuk 4 ‘verantwoording projectsubsidie’.
De jaarlijkse verantwoording voor vierjaarlijkse instellingssubsidies bestaat uit twee onderdelen: de jaarrekening (inclusief prestatieverantwoording) en het bestuursverslag. Daarnaast voegt de accountant een aantal accountantsproducten toe.
Jaarrekening
De jaarrekening, als bedoeld in artikel 2.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Rsc), omvat de volgende onderdelen:
Bestuursverslag
Het bestuursverslag is zakelijk van aard en wordt ondertekend door het bestuur. Al dan niet in aanvulling op elementen die zijn voorgeschreven in de RJ 640, bevat het bestuursverslag een toelichting op de volgende onderwerpen:
Voorts bevat het bestuursverslag:
Accountantsproducten
De jaarlijkse verantwoording wordt conform artikel 2.27 van de Rsc door uw accountant voorzien van de volgende producten:
De jaarlijkse verantwoording wordt conform artikel 2.27 van de Rsc door uw accountant voorzien van de volgende producten:
Verantwoording voor instellingen met een jaarlijkse subsidie
Bij de verantwoording van jaarlijkse instellingssubsidies wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies tot € 125.000 en subsidies vanaf € 125.000 (zie hierna).
De verantwoording van de jaarlijkse instellingssubsidie dient u tussen acht en dertien weken na afloop van het betreffende boekjaar digitaal aan te leveren.
Als u naast de jaarlijkse instellingssubsidie een (of meer) projectsubsidie(s) heeft ontvangen, dan dient u tevens rekening te houden met de aanwijzingen in hoofdstuk 4 ‘verantwoording projectsubsidie’.
Jaarlijkse subsidie OCW kleiner dan € 125.000
Als het van OCW ontvangen jaarlijkse subsidiebedrag (exclusief eventuele projectsubsidies) kleiner is dan € 125.000, dan voegt u bij de aanvraag tot subsidievaststelling enkel een activiteitenverslag. Voor een toelichting op de inhoud van het activiteitenverslag: zie volgende paragraaf.
Jaarlijkse subsidie OCW vanaf € 125.000
Als het van OCW ontvangen jaarlijkse subsidiebedrag (exclusief eventuele projectsubsidies) € 125.000 of meer bedraagt, dan voegt u bij de aanvraag tot subsidievaststelling de volgende verantwoordingsstukken:
Verantwoording projectsubsidie
Voor het indienen van een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie geldt in beginsel de termijn genoemd in het eerste lid van artikel 5.10 van de Rsc. Het tweede lid van dit artikel geeft u, als ontvanger van een jaarlijkse of vierjaarlijkse instellingssubsidie, echter de mogelijkheid in plaats daarvan uw aanvraag tot subsidievaststelling voor een projectsubsidie tegelijk in te dienen met de aanvraag tot vaststelling van de jaarlijkse instellingssubsidie of met de jaarlijkse verantwoording over uw vierjaarlijkse instellingssubsidie. U doet dit bij de verantwoording over het jaar waarin de activiteiten van het project, volgens de beschikking waarmee de projectsubsidie is verleend, uiterlijk worden afgerond.
Voor het indienen van een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie geldt in beginsel de termijn genoemd in het eerste lid van artikel 5.10 van de Rsc. Het tweede lid van dit artikel geeft u, als ontvanger van een jaarlijkse of vierjaarlijkse instellingssubsidie, echter de mogelijkheid in plaats daarvan uw aanvraag tot subsidievaststelling voor een projectsubsidie tegelijk in te dienen met de aanvraag tot vaststelling van de jaarlijkse instellingssubsidie of met de jaarlijkse verantwoording over uw vierjaarlijkse instellingssubsidie. U doet dit bij de verantwoording over het jaar waarin de activiteiten van het project, volgens de beschikking waarmee de projectsubsidie is verleend, uiterlijk worden afgerond.
Aandachtspunten:
Projectsubsidie kleiner dan € 25.000
Als een projectsubsidie over de gehele looptijd kleiner is dan € 25.000 zal de minister de subsidie ambtshalve vaststellen binnen 22 weken na afloop van de (in de beschikking tot subsidieverlening vermelde) datum waarop de gesubsidieerde activiteiten uiterlijk zijn afgerond. Dit betekent dat u geen aanvraag tot subsidievaststelling hoeft in te dienen en over het project ook geen specifieke verantwoording of toelichting in uw jaarrekening, bestuursverslag of activiteitenverslag hoeft op te nemen. De minister kan u echter verzoeken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden.
Projectsubsidie vanaf € 25.000 tot € 125.000
Als een projectsubsidie over de gehele looptijd € 25.000 of meer bedraagt, maar minder dan € 125.000, dan dient u een aanvraag tot subsidievaststelling in vergezeld van een activiteitenverslag. Zie voor de inhoud van het activiteitenverslag hoofdstuk 3 bij Jaarlijkse subsidie OCW vanaf € 125.000.
U kunt voor het project een afzonderlijk activiteitenverslag indienen, maar het is ook toegestaan deze op te nemen in:
In beide gevallen geldt als voorwaarde dat de activiteiten van het project afzonderlijk herkenbaar moeten zijn.
Projectsubsidie vanaf € 125.000
U dient na afloop van het project een aanvraag tot subsidievaststelling in, voorzien van een eindverantwoording die bestaat uit een activiteitenverslag (zie hoofdstuk 3 bij Jaarlijkse subsidie OCW vanaf € 125.000) en een financieel verslag (artikel 5.12 Rsc). Het financieel verslag:
U dient na afloop van het project een aanvraag tot subsidievaststelling in, voorzien van een eindverantwoording die bestaat uit een activiteitenverslag (zie hoofdstuk 3 bij Jaarlijkse subsidie OCW vanaf € 125.000) en een financieel verslag (artikel 5.12 Rsc). Het financieel verslag:
In plaats van de hiervoor genoemde wijze van verantwoorden is het ook toegestaan om de verantwoording over de projectsubsidie op te nemen in de jaarlijkse verantwoording over uw instellingssubsidie. Dat betekent het volgende:
Een afzonderlijke accountantsverklaring bij het project is in dit geval niet nodig.
Wetgeving en richtlijnen
De volgende wet- en regelgeving is van toepassing op de verantwoording:
U vindt de eerste vier documenten op de websites www.rijksoverheid.nl, www.cultuursubsidie.nl of www.wetten.nl.
Krachtens artikel 2.26, eerste lid, van de Rsc, is BW 2 Titel 9 overeenkomstig van toepassing op deze verantwoording, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening.
Krachtens artikel 2.26, eerste lid, van de Rsc, is BW 2 Titel 9 overeenkomstig van toepassing op deze verantwoording, met dien verstande dat de winst- en verliesrekening vervangen wordt door een exploitatierekening.
Sica
Modellen voor de verantwoording
Toelichting op de modellen
Toelichting op model I voor de balans
Algemeen
Het is niet toegestaan van model I af te wijken. Voor specificaties van de in het model vermelde hoofdposten gelden geen voorschriften.
Vaste activa
Als u subsidie ontvangt voor investering in vaste activa, dan vindt verantwoording van de subsidie niet plaats in de exploitatierekening. U neemt de investering op in de balans. De ontvangen subsidie neemt u op onder de Langlopende schulden met als subpost ‘Investeringssubsidie’. Deze post ‘Investeringssubsidie’ valt vrij via de exploitatierekening, gelijk lopend met de afschrijvingstermijn van de investering.
U kunt activa verkregen uit sponsoring activeren. De daarvoor verkregen sponsoring neemt u, analoog aan de hierboven beschreven methode, op als subpost Sponsoring onder de Langlopende schulden. Het is voor musea niet toegestaan collectieonderdelen te activeren.
Vlottende activa
Alleen variabele voorbereidingslasten voor een activiteit (Onderhanden werk) die plaatsvindt in een op het verslagjaar volgend boekjaar, kunnen worden geactiveerd. Het is niet toegestaan personeelslasten en andere vaste lasten te activeren.
Handboek verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012
Deze publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat op de websites www.rijksoverheid.nl, www.cultuursubsidie.nl en www.wetten.nl.
Over de bestemming van de, aan het einde van de betreffende subsidieperiode resterende middelen in het ‘Bestemmingsfonds OCW’, zal bij de vaststelling van de subsidie van de betreffende subsidieperiode een beslissing worden genomen.
Aankoopfondsen (musea)
Rapportage van de besteding van ontvangen projectsubsidies vindt bij voorkeur plaats door middel van uw reguliere jaarverantwoording. Voor instellingen die op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie ontvangen geldt het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
Doel van de verantwoording
Handboek verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012
Deze publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat op de websites www.rijksoverheid.nl, www.cultuursubsidie.nl en www.wetten.nl.
Inleiding
Het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen (hierna: handboek) is bedoeld voor rechtspersonen (zowel aangewezen als niet aangewezen instellingen) die op grond van de artikelen 4, 4a en 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen in de periode 2009–2012. Daarnaast geldt dit handboek voor rechtspersonen die alleen een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. Als uw instelling een van dergelijke subsidies ontvangt, dient u over de besteding van de subsidie jaarlijks verantwoording aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) af te leggen. Dit is een verplichting die geldt voor ieder boekjaar waarvoor subsidie is verleend. Hoofdstuk 5 ‘wetgeving en richtlijnen’ van dit handboek verwijst naar de kaders waarbinnen deze verantwoordingsverplichting bestaat.
Rapportage van de besteding van ontvangen projectsubsidies vindt bij voorkeur plaats door middel van uw reguliere jaarverantwoording. Voor instellingen die op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie ontvangen geldt het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
Doel van de verantwoording
De verantwoording van uw instelling dient om na te gaan of de subsidie is besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt. Ook wordt nagegaan of aan de eisen uit wetgeving is voldaan en of de subsidievoorwaarden zijn nageleefd (rechtmatigheid). Daarnaast bieden de gegevens van instellingen belangrijke beleidsinformatie m.b.t. ontwikkelingen in de sector.
Deze publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat op de websites www.rijksoverheid.nl, www.cultuursubsidie.nl en www.wetten.nl.
Controleprotocol cultuursubsidies instellingen 2013-2016
mei 2013
Inhoudsopgave
Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van instellingen die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een jaarlijkse instellingssubsidie vanaf € 125.000, een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van de instelling een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van de instelling, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van het Koninklijk NIVRA en de NOvAA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
De verantwoording van uw instelling dient om na te gaan of de subsidie is besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt. Ook wordt nagegaan of aan de eisen uit wetgeving is voldaan en of de subsidievoorwaarden zijn nageleefd (rechtmatigheid). Daarnaast bieden de gegevens van instellingen belangrijke beleidsinformatie m.b.t. ontwikkelingen in de sector.
In dit controleprotocol wordt verstaan onder:
1.2. Doelstelling van het controleprotocol
Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van de instelling die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangt. De Minister van OCW verlangt van de accountant van de instelling een controleverklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van de instelling, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van de NBA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. In deze vernieuwde versie is getracht het begrip financiële rechtmatigheid en de daarmee samenhangende accountantswerkzaamheden te verduidelijken. Verder zijn in deze versie een aantal technische wijzigingen meegenomen en geactualiseerde modellen.
1.3. Wettelijk kader
Voor de accountantscontrole is de specifieke wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) relevant die in hoofdstuk 3 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2013–2016 op de verantwoording van de cultuurinstellingen is vermeld. In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:
Volledige teksten van de geldende wet- en regelgeving zijn onder andere te vinden via www.wetten.nl.
Toelichting op model III voor de prestatieverantwoording
Jaarrekening
Waar instellingsaccountants hun controlewerkzaamheden ontoereikend hebben uitgevoerd, zal een sanctiebeleid worden toegepast. Dit sanctiebeleid is opgenomen in een brief van de minister van Financiën aan de Tweede Kamer uit 2003 (Kamerstuk 28 779, nr.1).
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
Van de accountant worden de volgende producten verwacht:
Verantwoording projectsubsidie
Ad 2. Dit vormvrije rapport van bevindingen is bedoeld voor het melden van bevindingen bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol.
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
Jaarlijkse subsidie OCW kleiner dan € 125.000
1.5. Controlecriteria
2.1. Definities
Bij de verantwoording van jaarlijkse instellingssubsidies wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies tot € 125.000 en subsidies vanaf € 125.000 (zie hierna).
Verantwoording projectsubsidie
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1A bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
2.1.2. Referentiekader
– De controlecriteria
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Handboek verantwoording cultuursubsidies fondsen 2009–2012
Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een redelijke mate van zekerheid kan verklaren dat in de jaarrekening geen afwijkingen (fouten en onzekerheden) voorkomen met een belang groter dan de voorgeschreven toleranties. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95 procent. Voor de strekking van het accountantsoordeel geldt de volgende tolerantietabel:
Projectsubsidies kunnen in de jaarrekening worden verantwoord. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert, in geval de projectsubsidies € 125.000 te boven gaan, de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Het totaalbedrag van de bestedingen van de projectsubsidies vormt een afzonderlijke massa waarop de toleranties van de bovenstaande tabel moeten worden toegepast. Als deze toleranties worden overschreden, maar de grens voor de jaarrekeningcontrole niet, heeft dit geen invloed op de controleverklaring bij de jaarrekening. In dat geval is sprake van uitzonderingsrapportage in het rapport van bevindingen.
Als een projectsubsidie over de gehele looptijd kleiner is dan € 25.000 zal de minister de subsidie ambtshalve vaststellen binnen 22 weken na afloop van de (in de beschikking tot subsidieverlening vermelde) datum waarop de gesubsidieerde activiteiten uiterlijk zijn afgerond. Dit betekent dat u geen aanvraag tot subsidievaststelling hoeft in te dienen en over het project ook geen specifieke verantwoording of toelichting in uw jaarrekening, bestuursverslag of activiteitenverslag hoeft op te nemen. De minister kan u echter verzoeken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden.
2.2.1. Balans
Van een onzekerheid in de controle is sprake als er onvoldoende (controle-)informatie beschikbaar is om een (gedeelte van een) post als goed of fout aan te merken. Bijvoorbeeld als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de wet- en regelgeving. Voor een adequate onderbouwing van het oordeel is het noodzakelijk dat de accountant fouten en onzekerheden zoveel mogelijk kwantificeert.
SICA
Voor wat betreft het omgaan met geconstateerde fouten geldt voor de accountantscontrole van de jaarrekening:
2.1.4. Controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie
Een (meerjarig) projectsubsidie kan, na afloop van de projectperiode, in een financieel verslag over de projectperiode worden verantwoord. De aanwijzingen voor de accountant in dit controleprotocol gelden ook in die situatie, tenzij de aanwijzingen alleen betrekking hebben op de controle van de jaarrekening. De accountant maakt gebruik van het model controleverklaring projectsubsidie (onderdeel 5) en hanteert daarbij de volgende tolerantietabel:
De accountant stelt vast dat de instelling een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de instelling om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.
SICA
Het Ministerie van OCW steunt bij de berekening van de entreenorm met betrekking tot het verdienvermogen (eigen inkomsten/structurele subsidies) in belangrijke mate op de juiste rubricering en specificatie van de (eigen) inkomsten en overige bijdragen. Indien uit de jaarrekeningcontrole blijkt dat de instelling fouten in deze rubrieken niet heeft hersteld, meldt de accountant deze in zijn rapport van bevindingen. Hiervoor geldt een rapportagetolerantie van 0%.
2.2.2. WNT getrouwheid
De accountant stelt, aan de hand van de administratie van de instelling integraal vast of de opgave in de toelichting van de jaarrekening van de instelling op grond van de Wet normering en bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) juist en volledig is. Indien dit niet het geval is, geeft de accountant een ander dan goedkeurend getrouwheidsoordeel af en vermeldt hij de ontbrekende informatie in zijn verklaring. Hiervoor geldt een rapportagetolerantie van 0%. Daarbij zijn de volgende artikelen van de WNT van bijzonder belang: artikel 1.7, lid 2, artikel 4.1, lid 1 en 2, artikel 4.2, lid 1 tot en met 6 en artikel 7.5.
Projectsubsidies vanaf € 125.000 worden bij voorkeur verantwoord in de jaarrekening. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Voor de toepassing van de tabel in 2.1.3 geldt hier als omvangsbasis het totaalbedrag van de geoormerkte subsidies.
Model IIB voor de categoriale exploitatierekening
– WOPT
De financiële rechtmatigheid heeft betrekking op publieke middelen. Financiële rechtmatigheid houdt in dat een financiële transactie betrekking hebbende op publieke middelen waarvan de uitkomst in de jaarrekening dient te worden verantwoord, in overeenstemming is met de in internationale regelgeving, Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriele regelingen opgenomen bepalingen die de uitkomst van de financiële transactie beïnvloeden.
2.3. Het bestuursverslag
De accountant stelt vast dat het bestuursverslag verenigbaar is met de jaarrekening en alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. Als de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
(Podiumkunsten: toneelgezelschap, productiehuis, orkest, operagezelschap, jeugdgezelschap, dansgezelschap)
De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen.
Model III voor de prestatieverantwoording (1)
Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.
Uit te voeren specifieke werkzaamheden
Het onderzoek omvat de volgende specifieke werkzaamheden:
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
Voor de verdeling van baten en lasten over de vijf hoofdfuncties gebruikt u verdeelsleutels. De controleerbaarheid ten aanzien van het gebruik van deze verdeelsleutels staat voorop. U formuleert uw eigen verdeelsleutels, beschrijft en onderbouwt ze in de jaarrekening en hanteert ze consistent over de jaren heen.
Model III voor de prestatieverantwoording (1)
Het is niet toegestaan van model I af te wijken. Voor specificaties van de in het model vermelde hoofdposten gelden geen voorschriften.
Bij het maken van onderscheid tussen algemene reserve, bestemmingsreserves en bestemmingsfondsen volgt u de actuele Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving, RJ 640 (640.305-313). De resultaatbestemming, dit is de wijze waarop het exploitatieresultaat aan een bestemmingsreserve of bestemmingsfonds wordt toegerekend en/of op een andere wijze wordt aangewend, voorziet u van een toelichting.
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aan: <>
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de in dit [verslag][rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomen jaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
Het is niet toegestaan van model I af te wijken. Voor specificaties van de in het model vermelde hoofdposten gelden geen voorschriften.
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet – en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Als u subsidie ontvangt voor investering in vaste activa, dan vindt verantwoording van de subsidie niet plaats in de exploitatierekening. U neemt de investering op in de balans. De ontvangen subsidie neemt u op onder de Langlopende schulden met als subpost ‘Investeringssubsidie’. Deze post ‘Investeringssubsidie’ valt vrij via de exploitatierekening, gelijklopend met de afschrijvingstermijn van de investering.
Aankoopfondsen (musea)
Vlottende activa
Toelichting op de modellen IIA t/m F voor de categoriale en/of functionele exploitatierekening
Oordeel **)
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van <> per 31 december <> en van het resultaat over <> in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
Opzet voor model IIE (Musea)
Het voorgeschreven model IIE bestaat in grote lijnen uit een gecombineerde kostensoorten- en kostenplaatsen overzicht. De in model IID opgenomen baten en lasten van het huidig boekjaar neemt u over in model IIE, in de kolom Totaal. U rekent vervolgens de baten en lasten uit de kolom Totaal toe aan de in het model opgenomen kostenplaatsen; de museale functies. Daarbij houdt u rekening met de omschrijvingen van de museale functies, zoals vermeld in de Toelichting op model IIE – definities van museale functies, hierna. Het saldo van de kolom Algemeen beheer rekent u ook toe aan de overige functies (zie de pijl in het model).
Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd. Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)*
Toelichting op de modellen IIA t/m F voor de categoriale en/of functionele exploitatierekening
<>
- De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op op winst gerichte rechtspersonen.
**Indien niet wordt voldaan aan de WNT vervalt de optie van een goedkeurend getrouwheidsoordeel.
Het voorgeschreven model IIE bestaat in grote lijnen uit een gecombineerde kostensoorten- en kostenplaatsen overzicht. De in model IID opgenomen baten en lasten van het huidig boekjaar neemt u over in model IIE, in de kolom Totaal. U rekent vervolgens de baten en lasten uit de kolom Totaal toe aan de in het model opgenomen kostenplaatsen; de museale functies. Daarbij houdt u rekening met de omschrijvingen van de museale functies, zoals vermeld in de Toelichting op model IIE – definities van museale functies, hierna. Het saldo van de kolom Algemeen beheer rekent u ook toe aan de overige functies (zie de pijl in het model).
Voor de verdeling van baten en lasten over de museale functies gebruikt u verdeelsleutels. De controleerbaarheid ten aanzien van het gebruik van deze verdeelsleutels staat voorop. U formuleert uw eigen verdeelsleutels, beschrijft en onderbouwt ze in de jaarrekening en hanteert ze consistent over de jaren heen. U kiest zoveel mogelijk voor objectieve gronden. Baten en lasten die niet zijn toe te rekenen aan de museale functies vermeldt u in de kolom Algemeen Beheer.
Opzet voor model IIF (Sectorinstituten)
Aan: <>
Wij hebben de bijgaande financiële verantwoording betreffende het project (naam project) van (naam entiteit) te ... (statutaire vestigingsplaats) over ...(periode/jaar) gecontroleerd.
Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <> van <> te <> over <> gecontroleerd.
Het bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het opstellen van de financiële verantwoording in overeenstemming met de voorwaarden en regelgeving van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de bestedingen die zijn opgenomen in de financiele verantwoording. Dit houdt in dat deze bestedingen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is ten slotte verantwoordelijk voor een zodanig interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opstellen van de financiële verantwoording en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Subsidieverplichtingen
Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het opstellen van de financiële verantwoording.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Onder bijdragen van private partijen waarvan bedrijven verantwoordt u alle contributies, schenkingen, donaties of legaten en bijdragen van vriendenverenigingen van bedrijven. Deze bijdragen hoeft u verder niet te specificeren.
Toelichting op model IIE – definities van museale functies
Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
<>, <>
Overige aangelegenheden
C. Productiehuizen
<>, <>
E. Overige instellingen
Deze functies zijn onderverdeeld in zes taakgebieden. Hieronder treft u daarvan een korte omschrijving ten behoeve van de toerekening van baten en lasten in model IIE.
1. Algemene uitgangspunten
Volg bij de kwantitatieve verantwoording van uw activiteiten de indeling volgens de eerder bij model IIF genoemde vijf hoofdfuncties. Vermeld de specifieke activiteiten die binnen uw instituut worden verricht op de wijze zoals opgenomen in uw activiteitenplan of prestatieoverzicht. Vermeld indien mogelijk ook het bereik in termen van aantal bezoekers, gebruikers of deelnemers.
1.1. Doelstelling
Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van de cultuurfondsen (hierna te noemen ‘fonds’) die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van het fonds een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van het fonds, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van het Koninklijk NIVRA en de NOvAA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van de cultuurfondsen (hierna te noemen ‘fonds’) die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van het fonds een controleverklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van het fonds, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van de NBA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. In deze vernieuwde versie is getracht het begrip financiële rechtmatigheid en de daarmee samenhangende accountantswerkzaamheden te verduidelijken. Verder zijn in deze versie een aantal technische wijzigingen meegenomen en geactualiseerde modellen.
1.3. Wettelijk kader
Voor de accountantscontrole is de specifieke wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) relevant die in hoofdstuk 3 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2013–2016 op de verantwoording van de cultuurinstellingen is vermeld.
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.3. Accountantsproducten
D. Presentatie-instellingen
E. Overige instellingen
De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het controleprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra dit afwijkt van het standaardpercentage van 0,1% van de totale subsidie van OCW. Indien de accountant, bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol, tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage en is vormvrij.
F. Sectorinstituten
Ad 1. De accountantscontrole op de financiële verantwoording mondt uit in een controleverklaring. De accountant maakt gebruik van de bij dit controleprotocol gevoegde modelteksten en betrekt de financiële rechtmatigheid in zijn oordeel. Van de accountant wordt verwacht dat hij zijn controle in het kader van de financiële rechtmatigheid zo inricht, dat hij met inachtneming van de gegeven controletolerantie tot een oordeel over de financiële rechtmatigheid kan komen. Bij een controle van een jaarrekening maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 4 toegevoegde modeltekst. De verklaring heeft geen betrekking op de in een jaarrekening opgenomen prestatieverantwoording (Regeling op het specifiek cultuurbeleid, artikel 2.27, vierde lid). Bij de controle van een financieel verslag van een projectsubsidie maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 5 toegevoegde modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde "WG-verklaring" af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de accountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van het fonds worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NIVRA).
Ad 2. Dit vormvrije rapport van bevindingen is bedoeld voor het melden van bevindingen bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol.
Ad 3. De jaarrekening is tevens voorzien van een rapport van feitelijke bevindingen over de prestatieverantwoording (Regeling op het specifiek cultuurbeleid, artikel 2.27, tweede lid). De prestatieverantwoording van het fonds geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2013–2016. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in NV COS 4400.
Onderdelen van de verantwoording
In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:
De accountant laat zich bij zijn werkzaamheden leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS).
Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2013 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2016 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
1.7. Dossiervorming
Voor de documentatie van verrichte controlewerkzaamheden, de bevindingen en de conclusie daarbij gelden de eisen zoals genoemd in Standaard 230. In het controledossier van de instellingsaccountant dient per aandachtspunt van het controleprotocol minimaal aanwezig te zijn: de uitgevoerde werkzaamheden, de identificatie van het gecontroleerde stuk (opschrift, totaalsaldo) of een kopie van de laatste pagina, de bevindingen en de conclusie. Indien bijvoorbeeld proceduretests zijn uitgevoerd, dan zijn niet kopieën van de inkoopfacturen in het dossier aanwezig, maar wel een lijst met factuurnummers en van items waarop de facturen zijn gecontroleerd.
2. De controleverklaring bij de financiële verantwoording
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1B bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Dit onderdeel bevat nadere aanwijzingen voor de inrichting van de accountantscontrole en bestaat uit de volgende onderdelen
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
De jaarlijkse verantwoording van het fonds voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van het fonds verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen.
2.1.2. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningcontrole
Toelichting op model I voor de balans
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.
Van een fout in de verantwoording is sprake indien naar aanleiding van de uitgevoerde controle is gebleken dat een (gedeelte van een) post niet in overeenstemming is met één of meer aspecten van de wet- en regelgeving. Fouten worden in absolute zin opgevat voor zover het de naleving van de wet- en regelgeving betreft. Saldering van fouten is daarom niet toegestaan.
2.1.2. Referentiekader
Het uitgangspunt is dat geconstateerde fouten zoveel mogelijk door het fonds moeten worden gecorrigeerd. Ten aanzien van fouten, die betrekking hebben op rechtmatigheid geldt dat correctie veelal niet mogelijk is omdat de besteding reeds plaats heeft gevonden.
Voor wat betreft het omgaan met geconstateerde fouten geldt voor de accountantscontrole van de jaarrekening:
– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies
Een (meerjarig) projectsubsidie kan, na afloop van de projectperiode, in een financieel verslag over de projectperiode worden verantwoord. De aanwijzingen voor de accountant in dit controleprotocol gelden ook in die situatie, tenzij de aanwijzingen alleen betrekking hebben op de controle van de jaarrekening. De accountant maakt gebruik van het model controleverklaring projectsubsidie (onderdeel 5) en hanteert daarbij de volgende tolerantietabel:
2.2. Getrouwheid
– Indirecte opbrengsten
Verantwoording projectsubsidie
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het fonds om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.
2.2. Jaarrekening per post
2.2.3. Het bestuursverslag
De accountant stelt vast dat het bestuursverslag alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2013–2016. Als de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit bij wijze van uitzonderingsrapportage op in zijn rapport van bevindingen.
Voorts stelt de accountant vast dat indien het fonds subsidieverplichtingen voor de volgende vierjaarlijkse subsidieperiode heeft aangegaan, in de desbetreffende beschikkingen een voorbehoud is gemaakt voor het verkrijgen van subsidie van het ministerie van OCW. Daarnaast stelt hij vast dat deze subsidieverplichtingen niet ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht maar in de toelichting zijn opgenomen als ‘Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen’.
De financiële rechtmatigheid heeft betrekking op publieke middelen. Financiële rechtmatigheid houdt in dat een financiële transactie betrekking hebbende op publieke middelen waarvan de uitkomst in de jaarrekening dient te worden verantwoord, in overeenstemming is met de in internationale regelgeving, Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriele regelingen opgenomen bepalingen die de uitkomst van de financiële transactie beïnvloeden.
2.2.2. Exploitatierekening
De accountant stelt vast dat het fonds geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
– Projectsubsidies vanaf € 125.000
De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen.
Zij zijn:
Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.
De accountant stelt integraal vast of de opgave van het fonds op grond van de Wet openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) juist en volledig is. De accountant neemt geconstateerde fouten op in zijn rapport van bevindingen. In aanvulling hierop neemt de accountant, ongeacht de materialiteit, indien niet voldaan is aan de WOPT de standaard tekstpassage hieromtrent op in de accountantsverklaring onder de ‘Verklaring betreffende andere wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende instanties’.
Het onderzoek omvat de volgende specifieke werkzaamheden:
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
De volgende wet- en regelgeving is van toepassing op de verantwoording:
De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen. Zij zijn:
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Toelichting op de modellen
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de in dit [verslag][rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomen jaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Als u subsidie ontvangt voor investering in vaste activa, dan vindt verantwoording van de subsidie niet plaats in de exploitatierekening. U neemt de investering op in de balans. De ontvangen subsidie neemt u op onder de Langlopende schulden met als subpost ‘Investeringssubsidie’. Deze post ‘Investeringssubsidie’ valt vrij via de exploitatierekening, gelijk lopend met de afschrijvingstermijn van de investering.
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Vlottende activa
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Oordeel **)
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van <> per 31 december <> en van het resultaat over <> in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Van OCW ontvangen subsidievoorschotten komen in mindering op de post ‘Vordering subsidie OCW’. Als toelichting daarbij meldt u het kenmerk van de subsidiebeschikkingen.
Eigen vermogen
<>, <>
Verantwoordelijkheid van het bestuur
- De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op op winst gerichte rechtspersonen.
Algemeen
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Bij deze post staat het u vrij subposten te gebruiken naar eigen inzicht. Volg bij het treffen van voorzieningen de bepalingen in artikel 374 BW 2 Titel 9 en tevens de actuele Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving, RJ 252. Deze richtlijn geeft aan terughoudend te zijn in het treffen van voorzieningen, vooral waar het gaat om voorzieningen voor meer algemene bedrijfsrisico’s.
Subsidieverplichtingen
Aan: <>
Wij hebben de bijgaande financiële verantwoording betreffende het project (naam project) van (naam entiteit) te ... (statutaire vestigingsplaats) over ...(periode/jaar) gecontroleerd.
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Het bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het opstellen van de financiële verantwoording in overeenstemming met de voorwaarden en regelgeving van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de bestedingen die zijn opgenomen in de financiele verantwoording. Dit houdt in dat deze bestedingen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is ten slotte verantwoordelijk voor een zodanig interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opstellen van de financiële verantwoording en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Zie voor deze posten de toelichting bij de post ‘Vordering subsidie OCW’ in de paragraaf ‘Vlottende activa’, hiervoor. In de toelichting wordt het verloop van deze posten aangegeven in relatie tot de gematchte bijdrage OCW in de exploitatierekening. Zie verder ook de toelichting bij de post ‘Subsidie OCW’ in de paragraaf ‘Toelichting op model II voor de functionele exploitatierekening’, hierna.
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste professionele oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.
Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het opstellen van de financiële verantwoording.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Oordeel
Naar ons oordeel is de financiële verantwoording betreffende het project (naam project) van (naam entiteit) over (verantwoordingsperiode), in alle van materieel belang zijnde aspecten, juist en rechtmatig en in overeenstemming met de voorwaarden en regelgeving zoals genoemd in de beschikking van (datum, kenmerk) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Beperking in gebruik en verspreidingskring
De financiële verantwoording is opgesteld voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met als doel ... (naam entiteit(en) in staat te stellen te voldoen aan de voorwaarden en regelgeving van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.
Verklaring betreffende het financieel verslag
<>
1. Algemene uitgangspunten
Aandachtspunt:
Saldo bijzondere baten en lasten
Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
Controleprotocol cultuursubsidies instellingen
Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
1.5. Wet- en regelgeving
<>
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van de instelling verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen.
Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
De accountantscontrole op de financiële verantwoording mondt uit in een accountantsverklaring. De accountant maakt gebruik van de bij dit controleprotocol gevoegde modelteksten en betrekt de financiële rechtmatigheid in zijn oordeel. Bij een controle van een jaarrekening maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 4 toegevoegde modeltekst. Bij de controle van een financieel verslag van een projectsubsidie maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 5 toegevoegde modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde ‘WG-verklaring’ af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de accountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van de instelling worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NIVRA).
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
Controleprotocol cultuursubsidies fondsen
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
1.4. Procedure controleprotocol
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
1.5. Wet- en regelgeving
Voor de accountantscontrole is de specifieke wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) relevant die in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012 op de verantwoording van de cultuurinstellingen van toepassing is verklaard.
In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1A bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
2.1.2. Referentiekader
– De controlecriteria
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan de instelling opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
– De verslaggevingscriteria
De jaarlijkse verantwoording van de instelling voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording van een instelling die een aanvraag tot vaststelling van een jaarlijkse instellingssubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een jaarrekening en een activiteitenverslag. De verantwoording van een instelling die een aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie indient, bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De verantwoording van een instelling die een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een activiteitenverslag of een bestuursverslag en een financieel verslag of een jaarrekening.
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan de instelling opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
– De verslaggevingscriteria
2.2.1. Balans
– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies
2. Controle op de verantwoording
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
2.2.2. Exploitatierekening
– Indirecte opbrengsten
De accountant stelt vast dat de instelling een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .
2.1.2. Referentiekader
De accountant stelt vast dat een aan het eind van een jaar nog niet besteed deel van een projectsubsidie op de balans is opgenomen als vooruit ontvangen subsidie, zoals aangegeven in RJ 221 ‘onderhanden projecten in opdracht van derden’, met name 221.304.
Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
De accountant stelt vast dat de instelling geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
– Indirecte opbrengsten
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van de instelling om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
– Activiteitenlasten
2.3. Het bestuursverslag
2.2.1. Balans
Projectsubsidies vanaf € 125.000 worden bij voorkeur verantwoord in de jaarrekening. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Voor de toepassing van de tabel in 2.1.3 geldt hier als omvangsbasis het totaalbedrag van de geoormerkte subsidies.
Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen
2.2.2. Exploitatierekening
De accountant stelt integraal vast of de opgave van de instelling op grond van de Wet openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) juist en volledig is. De accountant neemt geconstateerde fouten op in zijn rapport van bevindingen. In aanvulling hierop neemt de accountant, ongeacht de materialiteit, indien niet voldaan is aan de WOPT de standaard tekstpassage hieromtrent op in de accountantsverklaring onder de ‘Verklaring betreffende andere wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende instanties’.
De accountant stelt vast dat het fonds een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .
De accountant stelt vast dat het bestuursverslag verenigbaar is met de jaarrekening en alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. Als de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
– Activiteitenlasten
De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen. Zij zijn:
Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Het onderzoek omvat de volgende specifieke werkzaamheden:
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Overige aangelegenheden
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Oordeel
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van <> per 31 december <> en van het resultaat over <> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].
1.2. Uitgangspunten
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag. (alleen van toepassing bij jaarlijkse instellingssubsidie)
1.3. Accountantsproducten
<>, <>
Verantwoordelijkheid van het bestuur
De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het controleprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra dit afwijkt van het standaardpercentage van 0,1% van de totale subsidie van OCW. Indien de accountant, bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol, tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage en is vormvrij.
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Aan: <>
Verklaring betreffende het financieel verslag
Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <> van <> te <> over <> gecontroleerd.
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over het financieel verslag op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat het financieel verslag geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Naar ons oordeel geeft het financieel verslag een getrouw beeld van de baten en lasten van <> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].
1.2. Uitgangspunten
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
Controleprotocol cultuursubsidies fondsen
Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.
1.1. Doelstelling
<>, <>
1.2. Uitgangspunten
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
Controleprotocol cultuursubsidies fondsen
Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
1.5. Wet- en regelgeving
De prestatieverantwoording van het fonds geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. De prestatieverantwoording maakt deel uit van de jaarrekening en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
Dit controleprotocol is opgesteld met de door het NIVRA uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007) als basis en wordt afgestemd met de werkgroep COPRO van het NIVRA.
1.3. Accountantsproducten
De accountantscontrole op de financiële verantwoording mondt uit in een accountantsverklaring. De accountant maakt gebruik van de bij dit controleprotocol gevoegde modelteksten en betrekt de financiële rechtmatigheid in zijn oordeel. Bij een controle van een jaarrekening maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 4 toegevoegde modeltekst. Bij de controle van een financieel verslag van een projectsubsidie maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 5 toegevoegde modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde ‘WG-verklaring’ af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de accountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van het fonds worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NIVRA).
De prestatieverantwoording van het fonds geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. De prestatieverantwoording maakt deel uit van de jaarrekening en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het controleprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra dit afwijkt van het standaardpercentage van 0,1% van de totale subsidie van OCW. Indien de accountant, bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol, tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage en is vormvrij.
Het fonds stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het eventueel afgegeven rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven accountantsverklaring, naar OCW. Daarbij kan worden aangegeven hoe het bestuur heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 6.2a. Overgangsrecht vierjaarlijkse instellingssubsidies onder € 125.000
Vervallen
§ 6.3. Wijziging van andere regelingen
§ 6.4. Slotbepalingen
Bijlage Ia. , als bedoeld in artikel 2.28 van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
Handboek verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012 (inclusief musea en sectorinstituten)
Deze publicatie van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat op de websites www.rijksoverheid.nl, www.cultuursubsidie.nl en www.wetten.nl.
Inleiding
Rapportage van de besteding van ontvangen projectsubsidies vindt bij voorkeur plaats door middel van uw reguliere jaarverantwoording. Voor instellingen die op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie ontvangen geldt het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
Doel van de verantwoording
De verantwoording van uw instelling dient om na te gaan of de subsidie is besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt. Ook wordt nagegaan of aan de eisen uit wetgeving is voldaan en of de subsidievoorwaarden zijn nageleefd (rechtmatigheid). Daarnaast bieden de gegevens van instellingen belangrijke beleidsinformatie m.b.t. ontwikkelingen in de sector.
Uitgangspunten voor de verantwoording
Uitgangspunten voor de verantwoording van de subsidie(s) zijn uw geaccordeerde prestatieoverzicht en meerjarenbegroting en de door de minister van OCW verleende subsidie(s).
Verantwoording voor instellingen met een vierjaarlijkse subsidie
De jaarlijkse verantwoording voor vierjaarlijkse instellingssubsidies bestaat uit twee onderdelen: de jaarrekening (inclusief prestatieverantwoording) en het bestuursverslag. Daarnaast voegt de accountant een aantal accountantsproducten toe.
Jaarrekening
De jaarrekening, als bedoeld in artikel 2.26 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid (hierna: Rsc), omvat de volgende onderdelen:
Bestuursverslag
Voorts bevat het bestuursverslag:
Accountantsproducten
Bij de Rsc is in bijlage IIA het Controleprotocol Cultuursubsidies Instellingen opgenomen. Onderdeel van dit protocol is het verplichte model voor de accountantsverklaring. Indien de accountant een rapport van bevindingen heeft opgesteld omtrent de naleving van de subsidiebepalingen, voegt u dat bij uw jaarverantwoording. Het rapport van feitelijke bevindingen bij de prestatieverantwoording dient altijd opgemaakt en bijgevoegd te worden. Op ontvangers van een vierjaarlijkse instellingssubsidie, waarvan het verleende bedrag minder dan € 125.000 bedraagt, is een ander regime van toepassing. Zie daarvoor artikel 6.2a van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Verantwoording voor instellingen met een jaarlijkse subsidie
Als u naast de jaarlijkse instellingssubsidie een (of meer) projectsubsidie(s) heeft ontvangen, dan dient u tevens rekening te houden met de aanwijzingen in hoofdstuk 4 ‘verantwoording projectsubsidie’.
Jaarlijkse subsidie OCW kleiner dan € 125.000
Als het van OCW ontvangen jaarlijkse subsidiebedrag (exclusief eventuele projectsubsidies) kleiner is dan € 125.000, dan voegt u bij de aanvraag tot subsidievaststelling enkel een activiteitenverslag. Voor een toelichting op de inhoud van het activiteitenverslag: zie volgende paragraaf.
Jaarlijkse subsidie OCW vanaf € 125.000
Als het van OCW ontvangen jaarlijkse subsidiebedrag (exclusief eventuele projectsubsidies) € 125.000 of meer bedraagt, dan voegt u bij de aanvraag tot subsidievaststelling de volgende verantwoordingsstukken:
Verantwoording projectsubsidie
Aandachtspunten:
Projectsubsidie kleiner dan € 25.000
Als een projectsubsidie over de gehele looptijd kleiner is dan € 25.000 zal de minister de subsidie ambtshalve vaststellen binnen 22 weken na afloop van de (in de beschikking tot subsidieverlening vermelde) datum waarop de gesubsidieerde activiteiten uiterlijk zijn afgerond. Dit betekent dat u geen aanvraag tot subsidievaststelling hoeft in te dienen en over het project ook geen specifieke verantwoording of toelichting in uw jaarrekening, bestuursverslag of activiteitenverslag hoeft op te nemen. De minister kan u echter verzoeken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden.
Projectsubsidie vanaf € 25.000 tot € 125.000
In beide gevallen geldt als voorwaarde dat de activiteiten van het project afzonderlijk herkenbaar moeten zijn.
Projectsubsidie vanaf € 125.000
Een afzonderlijke accountantsverklaring bij het project is in dit geval niet nodig.
Wetgeving en richtlijnen
Artikel 2.26, tweede lid, van de Rsc, laat aan de minister ruimte om bepalingen van BW 2 Titel 9 of onderdelen daarvan buiten toepassing te verklaren op bepaalde instellingen of categorieën van instellingen. Op basis van deze bevoegdheid zijn de afdelingen 1, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 van Boek 2 Titel 9 BW niet van toepassing op de jaarlijkse verantwoording. Afdeling 7 is van toepassing met dien verstande dat het jaarverslag bij vierjaarlijkse instellingssubsidies wordt vervangen door een bestuursverslag conform artikel 2.15 van de Rsc.
Algemeen
Het is niet toegestaan van model I af te wijken. Voor specificaties van de in het model vermelde hoofdposten gelden geen voorschriften.
Vaste activa
U kunt activa verkregen uit sponsoring activeren. De daarvoor verkregen sponsoring neemt u, analoog aan de hierboven beschreven methode, op als subpost Sponsoring onder de Langlopende schulden. Het is voor musea niet toegestaan collectieonderdelen te activeren.
Vlottende activa
Alleen variabele voorbereidingslasten voor een activiteit (Onderhanden werk) die plaatsvindt in een op het verslagjaar volgend boekjaar, kunnen worden geactiveerd. Het is niet toegestaan personeelslasten en andere vaste lasten te activeren.
Eigen vermogen
Het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen (hierna: handboek) is bedoeld voor rechtspersonen (zowel aangewezen als niet aangewezen instellingen) die op grond van de artikelen 4, 4a en 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen in de periode 2009–2012. Daarnaast geldt dit handboek voor rechtspersonen die alleen een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. Als uw instelling een van dergelijke subsidies ontvangt, dient u over de besteding van de subsidie jaarlijks verantwoording aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) af te leggen. Dit is een verplichting die geldt voor ieder boekjaar waarvoor subsidie is verleend. Hoofdstuk 5 ‘wetgeving en richtlijnen’ van dit handboek verwijst naar de kaders waarbinnen deze verantwoordingsverplichting bestaat.
Aankoopfondsen (musea)
De aankoopfondsen krijgen een afzonderlijke vermelding en maken geen deel uit van het eigen vermogen.
Uitgangspunten voor de verantwoording
Uitgangspunten voor de verantwoording van de subsidie(s) zijn uw geaccordeerde prestatieoverzicht en meerjarenbegroting en de door de minister van OCW verleende subsidie(s).
Verantwoording voor instellingen met een vierjaarlijkse subsidie
U dient binnen dertien weken na het eerste, tweede en derde jaar van de vierjaarlijkse subsidieperiode, over het betreffende boekjaar de verantwoording digitaal aan te leveren. De verantwoording over het vierde jaar van de vierjaarlijkse subsidieperiode dient u tussen acht en dertien weken na afloop van het betreffende boekjaar digitaal aan te leveren.
Handboek verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012
Uitgangspunten voor de verantwoording van de subsidie(s) zijn uw geaccordeerde prestatieoverzicht en meerjarenbegroting en de door de minister van OCW verleende subsidie(s).
1. Algemene uitgangspunten
Rapportage van de besteding van ontvangen projectsubsidies vindt bij voorkeur plaats door middel van uw reguliere jaarverantwoording. Voor instellingen die op grond van artikel 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie ontvangen geldt het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen.
1. Algemene uitgangspunten
De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van de instelling verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen.
Verantwoording voor instellingen met een vierjaarlijkse subsidie
In het verantwoordingsproces wordt een onderscheid gemaakt tussen instellingen die een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen en instellingen die een vierjaarlijkse instellingssubsidie ontvangen (aangewezen- én niet aangewezen instellingen). Op de verantwoording van vierjaarlijkse instellingssubsidies wordt in dit hoofdstuk verder ingegaan. Voor de verantwoording door instellingen die een jaarlijkse instellingssubsidie ontvangen wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van dit handboek.
Bestuursverslag
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
1.4. Procedure controleprotocol
Ad 1. De accountantscontrole op de financiële verantwoording mondt uit in een controleverklaring. De accountant maakt gebruik van de bij dit controleprotocol gevoegde modelteksten en betrekt de financiële rechtmatigheid in zijn oordeel. Van de accountant wordt verwacht dat hij zijn controle in het kader van de financiële rechtmatigheid zo inricht, dat hij met inachtneming van de gegeven controletolerantie tot een oordeel over de financiële rechtmatigheid kan komen. Bij een controle van een jaarrekening maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 4 toegevoegde modeltekst. De verklaring heeft geen betrekking op de in een jaarrekening opgenomen prestatieverantwoording (Regeling op het specifiek cultuurbeleid, artikel 2.27, vierde lid). Bij de controle van een financieel verslag van een projectsubsidie maakt de accountant gebruik van de als onderdeel 5 toegevoegde modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van OCW een zogenaamde "WG-verklaring" af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de accountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van het fonds worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NIVRA).
Verantwoording projectsubsidie
Ad 3. De jaarrekening is tevens voorzien van een rapport van feitelijke bevindingen over de prestatieverantwoording (Regeling op het specifiek cultuurbeleid, artikel 2.27, tweede lid). De prestatieverantwoording geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2013–2016. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in NV COS 4400.
1.6. Procedure controleprotocol
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2013 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2016 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
1.7. Dossiervorming
Voor de documentatie van verrichte controlewerkzaamheden, de bevindingen en de conclusie daarbij gelden de eisen zoals genoemd in Standaard 230. In het controledossier van de instellingsaccountant dient per aandachtspunt van het controleprotocol minimaal aanwezig te zijn: de uitgevoerde werkzaamheden, de identificatie van het gecontroleerde stuk (opschrift, totaalsaldo) of een kopie van de laatste pagina, de bevindingen en de conclusie. Indien bijvoorbeeld proceduretests zijn uitgevoerd, dan zijn niet kopieën van de inkoopfacturen in het dossier aanwezig, maar wel een lijst met factuurnummers en van items waarop de facturen zijn gecontroleerd.
2. De controleverklaring bij de financiële verantwoording
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan de instelling opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
De jaarlijkse verantwoording van de instelling voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van de instelling verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen.
2.1.2. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de jaarrekeningcontrole
Van een fout in de verantwoording is sprake indien naar aanleiding van de uitgevoerde controle is gebleken dat een (gedeelte van een) post niet in overeenstemming is met één of meer aspecten van de wet- en regelgeving. Fouten worden in absolute zin opgevat voor zover het de naleving van de wet- en regelgeving betreft. Saldering van fouten is daarom niet toegestaan.
Sica
Het uitgangspunt is dat geconstateerde fouten zoveel mogelijk door de instelling moeten worden gecorrigeerd. Ten aanzien van fouten, die betrekking hebben op rechtmatigheid geldt dat correctie veelal niet mogelijk is omdat de besteding reeds plaats heeft gevonden.
Wetgeving en richtlijnen
De volgende wet- en regelgeving is van toepassing op de verantwoording:
Model IIA voor de categoriale exploitatierekening
Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2013–2016. De accountant stelt vast dat de jaarrekening aan deze eisen voldoet. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.
Wetgeving en richtlijnen
De accountant stelt vast dat de instelling geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
Model IIA voor de categoriale exploitatierekening
De accountant stelt vast dat het bestuursverslag alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2013–2016. Als de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit bij wijze van uitzonderingsrapportage op in zijn rapport van bevindingen.
2.3. Financiële rechtmatigheid
De accountant stelt vast of de instelling de subsidie van OCW rechtmatig heeft verkregen en besteed. Het referentiekader voor het accountantsoordeel over de financiële rechtmatigheid wordt gevormd door de relevante categorieën van wet- en regelgeving (paragraaf 1.3). Indien een financiële transactie, naar het oordeel van de accountant, met het bovenstaande in strijd is, merkt hij het totale bedrag van de financiële transactie als een fout in de verantwoording aan.
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
Zij zijn:
Model IIC voor de categoriale exploitatierekening
(Overige instellingen waaronder presentatie-instellingen, sectorinstituten, postacademische instellingen, ontwikkelinstellingen).
Model IID voor de categoriale exploitatierekening (Musea)
De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
De aankoopfondsen krijgen een afzonderlijke vermelding en maken geen deel uit van het eigen vermogen.
Algemeen
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Algemeen
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
<>, <>
Algemeen
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
G. Musea
<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste professionele oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.
Toelichting op model III voor de prestatieverantwoording
Naar ons oordeel is de financiële verantwoording betreffende het project (naam project) van (naam entiteit) over (verantwoordingsperiode), in alle van materieel belang zijnde aspecten, juist en rechtmatig en in overeenstemming met de voorwaarden en regelgeving zoals genoemd in de beschikking van (datum, kenmerk) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Beperking in gebruik en verspreidingskring
De financiële verantwoording is opgesteld voor het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met als doel ... (naam entiteit(en) in staat te stellen te voldoen aan de voorwaarden en regelgeving van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en) en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.
Toelichting op model III voor de prestatieverantwoording
<>
Controleprotocol cultuursubsidies fondsen 2013-2016
mei 2013
Inhoudsopgave
(Toneelgezelschappen, dansgezelschappen, operagezelschappen en orkesten)
1.1. Begripsbepalingen
In dit controleprotocol wordt verstaan onder:
1.2. Doelstelling van het controleprotocol
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
F. Sectorinstituten
In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.4. Accountantsproducten
Van de accountant van het fonds worden de volgende producten verwacht:
1.4. Procedure controleprotocol
Het fonds stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven controleverklaring, naar OCW. Daarbij kan het bestuur aangeven hoe het heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.
1.5. Controlecriteria
Uw fonds dient jaarlijks verantwoording af te leggen aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) over de besteding van de subsidie. Dit is een verplichting die geldt voor ieder boekjaar waarvoor subsidie is verleend.
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
De jaarlijkse verantwoording van het fonds voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie indient, bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een activiteitenverslag of een bestuursverslag en een financieel verslag of een jaarrekening.
2.1. Algemeen
– De controlecriteria
Modellen voor de verantwoording
– De verslaggevingscriteria
2.1.3. Omgaan met afwijkingen (fouten en onzekerheden, foutdefinities)
Van een onzekerheid in de controle is sprake als er onvoldoende (controle-)informatie beschikbaar is om een (gedeelte van een) post als goed of fout aan te merken. Bijvoorbeeld als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de wet- en regelgeving. Voor een adequate onderbouwing van het oordeel is het noodzakelijk dat de accountant fouten en onzekerheden zoveel mogelijk kwantificeert.
2.2. Jaarrekening per post
De jaarlijkse verantwoording wordt conform artikel 2.27 van de Rsc door uw accountant voorzien van de volgende producten:
2.2.1. Verslaggevingscriteria
Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2013–2016. De accountant stelt vast dat de jaarrekening aan deze eisen voldoet. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.
2.2.2. WNT getrouwheid
De accountant stelt, aan de hand van de administratie van de instelling integraal vast of de opgave in de toelichting van de jaarrekening van de instelling op grond van de Wet normering en bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) juist en volledig is. Indien dit niet het geval is, geeft de accountant een ander dan goedkeurend getrouwheidsoordeel af en vermeldt hij de ontbrekende informatie in zijn verklaring. Hiervoor geldt een rapportagetolerantie van 0%. Daarbij zijn de volgende artikelen van de WNT van bijzonder belang: artikel 1.7, lid 2, artikel 4.1, lid 1 en 2, artikel 4.2, lid 1 tot en met 6 en artikel 7.5.
Projectsubsidie kleiner dan € 25.000
De accountant stelt vast of het fonds de subsidie van OCW rechtmatig heeft verkregen en besteed. Het referentiekader voor het accountantsoordeel over de financiële rechtmatigheid wordt gevormd door de relevante categorieën van wet- en regelgeving (paragraaf 1.3). Indien een financiële transactie, naar het oordeel van de accountant, met het bovenstaande in strijd is, merkt hij het totale bedrag van de financiële transactie als een fout in de verantwoording aan.
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.
Uit te voeren specifieke werkzaamheden
Aan: <>
Rapportage
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet – en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet – en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomenjaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet – en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies Fondsen zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd. Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)*
Subsidieverplichtingen
<>
Oordeel
**Indien niet wordt voldaan aan de WNT vervalt de optie van een goedkeurend getrouwheidsoordeel.
5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Baten
<>, <>
Nog te verlenen subsidies en Nog te realiseren beheerslasten
Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <> van <> te <> over <> gecontroleerd.
Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever
<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
<>, <>
Lasten
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Oordeel
Naar ons oordeel geeft het financieel verslag een getrouw beeld van de baten en lasten van <> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].
1.2. Uitgangspunten
Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.
Overige aangelegenheden
<>, <>
1.2. Uitgangspunten
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
De prestatieverantwoording van de instelling geeft een inzichtelijk kwantitatief overzicht van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. De prestatieverantwoording maakt deel uit van de jaarrekening en wordt opgesteld volgens model III van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. De accountant toetst de beheersingsmaatregelen van het proces van totstandkoming van de prestatiegegevens, zoals uitgewerkt in onderdeel 3 van dit controleprotocol. De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
2. Controle op de verantwoording
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan de instelling opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.
2. Controle op de verantwoording
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1A bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
2.1.2. Referentiekader
– De controlecriteria
2.2.2. Exploitatierekening
Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 5 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Instellingen 2009–2012. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.
2.2. Jaarrekening per post
– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies
Verantwoordelijkheid van de accountant
De accountant stelt vast dat de instelling een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .
Doelstelling
Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
De accountant stelt vast dat de instelling geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of de instelling toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
– WOPT
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Aan: <>
Verklaring betreffende de jaarrekening
Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomenjaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
Doelstelling
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)
Verklaring betreffende het financieel verslag
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd.1De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op winst gerichte rechtspersonen.Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)
Verantwoordelijkheid van de accountant
Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)
Verklaring betreffende het financieel verslag
<>
5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie
<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.
Overige aangelegenheden
<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.
Overige aangelegenheden
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
<>
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van het fonds verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen. Het rechtmatigheidsbegrip houdt bij een fonds in het bijzonder in, dat het fonds de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen juist toepast en daarover verantwoording aflegt.
1. Algemene uitgangspunten
Dit controleprotocol heeft betrekking op de accountantscontrole van de financiële verantwoording (jaarrekening of financieel verslag) van de cultuurfondsen (hierna te noemen ‘fonds’) die krachtens de Wet op het specifiek cultuurbeleid een vierjaarlijkse instellingssubsidie of een projectsubsidie vanaf € 125.000 ontvangen. De Minister van OCW verlangt van de accountant van het fonds een verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de financiële verantwoording. Daarnaast verlangt de Minister dat de werkzaamheden van de accountant zich uitstrekken tot de prestatieverantwoording van het fonds, die onderdeel is van de jaarrekening. Het controleprotocol is bedoeld om, aanvullend op de geldende beroepsvoorschriften van het Koninklijk NIVRA en de NOvAA, limitatief vast te leggen welke onderwerpen door de accountant moeten worden gecontroleerd. Het controleprotocol is als bijlage opgenomen bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
1.2. Uitgangspunten
De accountant moet controleren of de subsidie rechtmatig is besteed. Hiertoe stelt hij vast dat de in de financiële verantwoording van het fonds verantwoorde baten, lasten en balansmutaties voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen en met de eventueel in de subsidiebeschikking opgenomen aanvullende verplichtingen. Het rechtmatigheidsbegrip houdt bij een fonds in het bijzonder in, dat het fonds de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen juist toepast en daarover verantwoording aflegt.
1.4. Procedure controleprotocol
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
1.5. Wet- en regelgeving
Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Toelichting op model II voor de functionele exploitatierekening
Verantwoordelijkheid van de accountant
1.1. Doelstelling
1.4. Procedure controleprotocol
Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
2.2.2. Exploitatierekening
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
Afdeling 3.1. Algemene bepalingen
Artikel 3.1. Definities
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- Brabantstad: gemeente Den Bosch, gemeente Eindhoven of gemeente Tilburg;
- grote gemeente: gemeente Amsterdam, gemeente Rotterdam of gemeente Den Haag;
- kernpunt: gemeente Groningen, gemeente Arnhem, gemeente Utrecht, gemeente Maastricht, gemeente Den Haag, gemeente Rotterdam, gemeente Amsterdam of Brabantstad;
- podium: voorziening in een gebouw die bestemd of geschikt is voor de presentatie van podiumkunsten;
- Regio Noord: provincies Groningen, Friesland en Drenthe;
- Regio Oost: provincies Overijssel en Gelderland;
- Regio Midden: provincies Flevoland en Utrecht;
- Regio Zuid: provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg;
- standplaats: gemeente waar de instelling haar huisvesting heeft en in de lokale culturele infrastructuur is ingebed.
Onder eigen inkomsten worden in dit hoofdstuk de volgende baten, welke terug te vinden zijn in de jaarrekening aan de batenkant van de exploitatierekening, verstaan:
- a. publieksinkomsten; en
- b. overige inkomsten zijnde:
- 1°. directe opbrengsten: sponsorinkomsten en overige inkomsten;
- 2°. indirecte opbrengsten; en
- 3°. overige bijdragen.
Onder eigen inkomsten worden in elk geval niet begrepen de volgende baten:
- a. subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan;
- b. overige bijdragen uit publieke middelen;
- c. rentebaten;
- d. bijdragen in natura;
- e. kapitalisatie van vrijwilligers;
- f. waardering vrijkaarten; en
- g. overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap.
Artikel 3.2. Indieningstermijn aanvraag en in te dienen bescheiden
Een aanvraag voor instellingssubsidie voor de jaren 2017 tot en met 2020 op grond van dit hoofdstuk wordt ontvangen na 30 november 2015 en uiterlijk ontvangen op 1 februari 2016 om 17:00 uur.
Onverminderd de artikelen 2.3 en 2.6 dienen instellingen, bedoeld in artikel 3.5, eerste en tweede lid, tevens de jaarrekeningen van de instelling over de jaren 2013, 2014 en 2015 in. Deze zijn voorzien van een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 2.27.
In afwijking van het tweede lid wordt de jaarrekening over het jaar 2015 voor 1 april 2016 door de minister ontvangen.
De jaarrekeningen over de jaren 2013 en 2014 gaan niet bij de aanvraag voor zover de instelling er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze al in het bezit van de minister zijn.
Artikel 3.3. Wijze van indiening
Voor de indiening van een aanvraag voor een instellingssubsidie wordt gebruik gemaakt van het hiervoor bestemde aanvraagformulier dat wordt bekend gemaakt op de website www.cultuursubsidie.nl.
Een subsidieaanvraag voor een instellingssubsidie wordt bij voorkeur elektronisch ingediend. De elektronische indiening geschiedt via de website www.cultuursubsidie.nl. Bij verzending van de aanvraag per post wordt de aanvraag gestuurd naar postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.
Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid, kan tevens worden aangemerkt als een aanvraag op grond van artikel 3.8, derde lid.
Artikel 3.4. Wijze verdeling beschikbare middelen
De minister beslist gelijktijdig op alle aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de bij of krachtens de wet gestelde regels.
Indien na beoordeling van alle aanvragen een bepaald beschikbaar bedrag niet geheel wordt verleend, kan de minister het resterende bedrag toevoegen aan een ander subsidieplafond binnen die paragraaf onderscheidenlijk afdeling.
Het tweede lid is niet van toepassing op paragraaf 3.2.3.
Artikel 3.5. Weigeringsgronden
Aan een instelling als bedoeld in afdeling 3.2 – met uitzondering van de artikelen 3.9, 3.11 en 3.17, – en artikel 3.35 wordt geen subsidie op grond van dit hoofdstuk verleend indien de eigen inkomsten van de instelling gemiddeld over de jaren 2013, 2014 en 2015 minder dan 23,5 procent bedragen van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die instelling, met uitzondering van:
- a. subsidies verstrekt op grond van de Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap; en
- b. het deel van de subsidie van een orkest dat verhoudingsgewijs bestemd is voor begeleidende activiteiten om niet.
Aan een instelling als bedoeld in de artikelen 3.9, 3.11, 3.26 en 3.31 wordt geen subsidie op grond van dit hoofdstuk verleend indien de eigen inkomsten van de instelling gemiddeld over de jaren 2013, 2014 en 2015 minder dan 19,5 procent bedragen van het totaal aan structurele subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die instelling, met uitzondering van subsidies verstrekt op grond van de Kaderregeling exploitatiesubsidies onderzoek en wetenschap.
Indien een instelling die subsidie aanvraagt de rechtsopvolger of feitelijke opvolger is van een instelling die in de jaren 2013, 2014 en 2015 subsidie van bestuursorganen ontving ten behoeve van de exploitatie van die instelling, wordt het percentage eigen inkomsten van de aanvrager vastgesteld aan de hand van de gegevens van die verdwenen onderscheidenlijk aanvankelijk gesubsidieerde instelling.
Indien bij een instelling die subsidie aanvraagt sprake is van fusie van twee of meer instellingen die in de jaren 2013, 2014 en 2015 subsidie voor de exploitatie van bestuursorganen ontvingen, wordt het percentage eigen inkomsten van de aanvrager vastgesteld aan de hand van het totaal van eigen inkomsten in verhouding tot het totaal van ontvangen subsidies van bestuursorganen ten behoeve van de exploitatie van die gefuseerde instellingen in 2013, 2014 en 2015.
Van fusie als bedoeld in het vierde lid is sprake indien de te fuseren instellingen bij de aanvraag om subsidie een voorstel tot fusie als bedoeld in artikel 312 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek overleggen en de fusie voor 1 september 2016 tot stand is gekomen en uiterlijk van kracht wordt met ingang van 1 januari 2017.
De minister kan bij het vaststellen van het percentage eigen inkomsten:
- a. bepaalde eigen inkomsten buiten beschouwing laten, indien deze door de instelling in de jaarrekening zijn verantwoord op een wijze die het karakter vertoont van oneigenlijk gebruik van deze regeling; of
- b. bepaalde bedragen beschouwen als onderdeel van de subsidies ten behoeve van de exploitatie van die instelling, indien die bedragen onderdeel uitmaakten van een beschikking tot subsidieverlening ten behoeve van die exploitatie en deze beschikking later is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd op grond van artikel 4:48 of artikel 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht.
Indien een instelling in het jaar 2013, 2014 of 2015 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid grotendeels niet in staat is geweest publieksactiviteiten te ontplooien, kan de minister in ieder geval het eerste of het tweede lid buiten toepassing laten als bedoeld in artikel 6.1.
Aan een instelling wordt tevens geen subsidie verleend op grond van dit hoofdstuk, indien aan de instelling voor het jaar 2014 subsidie is verstrekt voor de exploitatie van die instelling en subsidie uitsluitend is verstrekt afkomstig uit middelen van de begrotingsstaat, met uitzondering van de artikelen 14 en 15, behorende bij de Wet van 10 december 2014, houdende vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2015 (Stb. 2015, 4).
Een instelling maakt bij de aanvraag om subsidie in het activiteitenplan en de begroting aannemelijk dat zij gedurende de periode 2017–2020 aan het eigen inkomstenpercentage, bedoeld in het eerste of tweede lid, blijft voldoen.
Artikel 3.6. Algemene beoordelingscriteria
Bij de beoordeling van aanvragen voor subsidie houdt de minister in ieder geval rekening met:
- a. artistieke kwaliteit;
- b. bevordering van educatie en participatie;
- c. maatschappelijke waarde; en
- d. geografische spreiding.
Artikel 3.7. Afwijking in verband met geografische spreiding
Indien in de navolgende afdelingen een maximum is gesteld aan het aantal instellingen waaraan per regio of kernpunt subsidie kan worden verstrekt, en geen van de subsidieaanvragen ingediend voor die regio of dat kernpunt voldoet aan alle daarvoor in deze regeling gestelde vereisten, kan de minister niettemin aan ten hoogste het voor de betreffende regio of kernpunt gestelde aantal instellingen subsidie verstrekken, voor zover het met deze regeling te dienen doel van geografische spreiding naar zijn oordeel in onvoldoende mate zou worden bereikt ingeval van het niet verstrekken van subsidie.
Het eerste lid vindt in ieder geval geen toepassing, voor zover een aanvraag naar het oordeel van de minister in onvoldoende mate beantwoordt aan het criterium, bedoeld in artikel 3.6, onderdeel a.
Artikel 3.8. Algemeen theater
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van theatervoorstellingen, indien de instelling:
- a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
- b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
- c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van theater; en
- d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
De minister kan op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier grote instellingen in de kernpunten subsidie verstrekken, waarvan ten hoogste twee instellingen hun standplaats hebben in de grote gemeenten, voor zover de instelling:
- a. per jaar ten minste drie producties bestemd voor een podium met meer dan 400 zitplaatsen uitvoert; en
- b. een beleid voert dat doorstroming van talent naar de grote zaal bevordert.
De minister kan op grond van het eerste lid aan ten hoogste vier middelgrote instellingen in de kernpunten subsidie verstrekken, waarvan niet meer dan één instelling haar standplaats heeft in de grote gemeenten, voor zover de instelling ten minste per jaar één productie bestemd voor een podium met meer dan 400 zitplaatsen uitvoert.
De minister kan op grond van het eerste lid subsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Noord en haar theatervoorstellingen in de Friese taal verzorgt.
Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.
Afdeling 3.2. Podiumkunsten
§ 3.2.1. Theater
Artikel 3.9. Jeugdtheater
De minister kan aan een instelling een instellingssubsidie of een aanvullend bedrag naast subsidie op grond van artikel 3.8 verstrekken voor het verzorgen van repertoire op het terrein van de podiumkunsten voor de jeugd tot 18 jaar, indien de instelling:
- a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium; en
- b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert.
Voor subsidie op grond van dit artikel komen ten hoogste negen instellingen in aanmerking, met dien verstande dat er per regio aan tenminste één instelling en aan ten hoogste één instelling per gemeente subsidie wordt versterkt.
Indien een instelling een subsidieaanvraag indient voor zowel subsidie op grond van artikel 3.8 als op grond van dit artikel dan wordt dit duidelijk in de aanvraag vermeld.
Artikel 3.10. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.8 en 3.9 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.8, tweede lid: € 2.670.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.8, derde en vierde lid: € 1.600.000; en
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.9: € 585.000.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, is ten hoogste 110 procent van het daar genoemde bedrag beschikbaar voor ten hoogste één instelling die zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.
Artikel 3.11. Productiehuizen
De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de ontwikkeling en presentatie door makers van vernieuwende of experimentele activiteiten op het terrein van de podiumkunsten niet zijnde festivals en concoursen, een instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:
- a. beschikt over voorzieningen die geschikt zijn om makers van podiumkunsten te begeleiden;
- b. de presentatie van de te verrichten activiteiten op een podium kan garanderen;
- c. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert; en
- d. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders en structureel samenwerkt met professionele podiumkunstinstellingen aan begeleiding en ontwikkeling van talenten.
Artikel 3.12. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.11 is voor instellingen gezamenlijk jaarlijks ten hoogste € 1.600.000 beschikbaar, met een maximum van € 533.000 per instelling.
Artikel 3.13. Dans
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van dansrepertoire, indien de instelling:
- a. een substantieel deel van haar voorstellingen realiseert op een podium, dat meer dan 400 zitplaatsen heeft in de regio of de gemeente waar de instelling haar standplaats heeft;
- b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
- c. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één maker of een groep van makers van dans; en
- d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert.
Aan ten hoogste vier instellingen wordt subsidie verstrekt, waarvan:
- a. één instelling voorziet in een voor Nederland onderscheidend grootschalig repertoire op het gebied van ballet in een internationale context en zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
- b. één instelling voorziet in de verzorging van grootschalig, onderscheidend modern dansaanbod in een internationale context;
- c. één instelling voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod en in de productie en distributie van jeugddans; en
- d. één instelling die voorziet in de productie en distributie van grootschalig, onderscheidend dansaanbod.
Per kernpunt verstrekt de minister op grond van dit artikel aan niet meer dan één instelling subsidie.
§ 3.2.3. Muziek en muziektheater
Artikel 3.14. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.13 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, onder a: € 6.950.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, onder b: € 6.510.000;
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, onder c: € 2.810.000; en
- d. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, onder d: € 1.650.000.
Artikel 3.15. Symfonieorkesten
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:
- a. een breed repertoire aanbiedt;
- b. haar activiteiten geografisch op een geconcentreerde wijze spreidt in de regio of het verzorgingsgebied waarin zij haar standplaats heeft;
- c. ten minste eenmaal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.20 of 3.21;
- d. een beleid voert dat talentontwikkeling bevordert; en
- e. een beleid voert dat samenwerking met andere orkesten en derden bevordert.
De minister kan op grond van het eerste lid aan ten hoogste zeven instellingen subsidie verstrekken, waarbij in de regio Noord, de regio Oost, de regio Zuid, de gemeente Amsterdam, de gemeente Rotterdam en de gemeente Den Haag er telkens tenminste één instelling haar standplaats heeft.
Artikel 3.16. Symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten primair voor opera
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteiten het begeleiden van operaproducties en het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:
- a. voldoet aan artikel 3.15, eerste lid, onderdelen a en d;
- b. in aanvulling op haar activiteiten een relevante seizoensprogrammering aanbiedt van symfonische concerten in het verzorgingsgebied van de gemeente Haarlem; en
- c. ten minste zes maal per jaar om niet beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.20.
Artikel 3.17. Subsidie symfonieorkest met begeleidingsactiviteiten voor dans
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het begeleiden van dansproducties, indien de instelling:
- a. beschikbaar is voor de begeleiding van de producties van een instelling die een instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.13, tweede lid, onder a; en
- b. ten minste eenmaal per jaar beschikbaar is voor de begeleiding van een productie van een instelling die een instellingssubsidie ontvangt op grond van artikel 3.13, tweede lid, onder b;
voor zover de begeleiding in de basisbezetting van haar orkest om niet plaatsvindt, en niet meer dan een redelijke prijs in rekening wordt gebracht voor de kosten die verband houden met een aanvullende bezetting bij repertoire waarbij een basisbezetting naar algemeen gangbare artistieke maatstaven niet volstaat.
Artikel 3.18. Subsidie symfonieorkest met aanbod van pop en jazz muziek
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één pop en jazz orkest met een symfonische bezetting, indien de instelling voldoet aan artikel 3.15, eerste lid, onderdelen a en d.
Artikel 3.19. Subsidieplafonds symfonieorkesten
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.15 tot en met 3.18 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling, bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, in de regio Noord: € 6.090.000;
- b. voor een instelling, bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, in de regio Oost, gemeente Den Haag en de gemeente Rotterdam gezamenlijk en de regio Zuid: € 7.110.000;
- c. voor een instelling, bedoeld in artikel 3.15, tweede lid, in de gemeente Amsterdam: € 6.320.000;
- d. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.16: € 10.160.000;
- e. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.17: € 3.550.000; en
- f. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.18: € 3.000.000.
In afwijking van het eerste lid, onder a, b of c, is ten hoogste 110 procent van het daar genoemde bedrag beschikbaar voor ten hoogste één instelling die zich:
- a. internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau; en
- b. profileert op de relevante internationale concertpodia.
Artikel 3.20. Grootschalig opera-aanbod
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van grootschalig opera-aanbod, indien de instelling:
- a. een breed repertoire aanbiedt;
- b. zich richt op een groot landelijk publieksbereik;
- c. een beleid voert dat, in samenwerking met de instellingen, bedoeld in artikel 3.21, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert en coördinerende activiteiten op dit gebied uitvoert; en
- d. zich internationaal onderscheidt door een excellent uitvoeringsniveau.
§ 3.2.4. Festival
Artikel 3.21. Overig opera-aanbod
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Oost en met als kernactiviteit het verzorgen van opera-aanbod, indien de instelling:
- a. voldoet aan artikel 3.20, onderdelen a en b;
- b. haar activiteiten geografisch op een geconcentreerde wijze spreidt; en
- c. een beleid voert dat, in samenwerking met de instelling, bedoeld in artikel 3.20, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert.
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in de regio Zuid en met als kernactiviteit het verzorgen van opera-aanbod, indien de instelling:
- a. voldoet aan artikel 3.20, onderdeel a;
- b. haar activiteiten geografisch in ieder geval in haar regio op een geconcentreerde wijze spreidt;
- c. samenwerkt met andere instellingen die opera-aanbod verzorgen; en
- d. een beleid voert dat, in samenwerking met een instelling als bedoeld in artikel 3.20, en bij voorkeur in samenwerking met derden talentontwikkeling bevordert.
Artikel 3.22. Subsidieplafonds opera
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.20 en 3.21 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.20: € 24.420.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.21, eerste lid: € 3.550.000; en
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.21, tweede lid: € 1.020.000.
Afdeling 3.3. Musea
Artikel 3.23. Festivals podiumkunsten
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in de regio Noord heeft en als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend, grootschalig aanbod in een internationale context op het terrein van locatietheater, dans, opera en muziek, indien de activiteiten van de instelling:
- a. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
- b. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
- c. niet zijn aan te merken als activiteiten van één specifieke schouwburg, concertzaal of andere organisatie die zich primair richt op de presentatie van cultuuruitingen.
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats heeft in een kernpunt, en als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend, grootschalig aanbod in een internationale context op het terrein van theater, dans, opera en muziek, waaronder symfonisch repertoire, indien de activiteiten van de instelling voldoen aan het eerste lid, onderdelen a, b en c.
De minister kan een instellingsubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling in de regio Zuid met als kernactiviteit de presentatie van actueel en vernieuwend aanbod op het gebied van dans, indien de activiteiten van de instelling voldoen aan het eerste lid, onderdelen a, b en c.
Artikel 3.24. Festival oude muziek
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in zowel een nationale als een internationale context op het terrein van oude muziek, indien de activiteiten van de instelling:
- a. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor nationale en internationale uitwisseling tussen vakgenoten en het stimuleren van nieuwe en innovatieve ontwikkelingen op het gebied van oude muziek;
- b. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
- c. niet zijn aan te merken als activiteiten van één specifieke schouwburg, concertzaal of andere instantie die zich primair richt op de presentatie van cultuuruitingen.
Artikel 3.25. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.23 en 3.24 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid: € 500.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.23, tweede lid: € 3.180.000;
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.23, derde lid: € 200.000; en
- d. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.24: € 650.000.
Artikel 3.26. Musea
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken voor publieksactiviteiten en andere activiteiten – niet behorende tot beheer van de collectie in de zin van de Erfgoedwet – aan een instelling met als kernactiviteit het beheer van een collectie van cultureel erfgoed.
De minister kan een aanvullend bedrag verstrekken aan één instelling die op grond van het eerste lid subsidie ontvangt voor het bevorderen van de bescherming en kennis van immaterieel erfgoed.
Artikel 3.27. Ondersteunende instelling
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het beheren van een collectie van cultureel erfgoed op het gebied van kunsthistorische documentatie.
Artikel 3.28. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.26 en 3.27 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor instellingen als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, gezamenlijk: € 58.650.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.26, tweede lid: € 790.000; en
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.27: € 1.490.000.
Aan een instelling aan welke een vierjaarlijkse instellingssubsidie is verleend voor de jaren 2013 tot en met 2016, verleent de minister op grond van artikel 3.26, eerste lid, niet minder dan 90% van de subsidie voor de activiteiten, genoemd in artikel 3.26, eerste lid, die aan de instelling is verleend in die periode.
Afdeling 3.4. Beeldende kunst
Artikel 3.29. Specifieke weigeringsgrond
Een instelling komt niet voor een instellingssubsidie op grond van deze afdeling in aanmerking indien de instelling in de vier jaar voorafgaand aan de periode waarvoor subsidie wordt gevraagd, subsidie voor het beheer en behoud van haar collectie van cultureel erfgoed ontvangt of heeft ontvangen en subsidie uitsluitend verstrekt is door een ander bestuursorgaan dan de minister.
Onder subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstaan subsidie voor een afgerond geheel van activiteiten, dat beperkt is in de tijd.
Artikel 3.30. Rangorde
Ten behoeve van de beslissing aan welke instellingen instellingssubsidie wordt verleend, maakt de minister een rangorde van de instellingen die voor subsidie in aanmerking komen op grond van artikel 3.26, eerste lid.
In de rangorde hebben instellingen die op grond van artikel 2.8 van de Erfgoedwet zijn belast voorrang.
Artikel 3.31. Presentatie-instellingen
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een grote gemeente of een regio heeft en als kernactiviteit de presentatie van een vernieuwend of experimenteel aanbod van hedendaagse beeldende kunst in een internationale context, indien de instelling:
- a. beschikt over een ruimte die geschikt is voor het tonen van de presentaties;
- b. haar activiteiten verspreid over het jaar realiseert;
- c. een toonaangevende programmering verzorgt;
- d. voor haar artistieke continuïteit niet afhankelijk is van één of enkele artistiek leiders; en
- e. niet overwegend gericht is op het beheer van een collectie van cultureel erfgoed.
De minister verstrekt op grond van het eerste lid aan ten hoogste zes instellingen subsidie.
Op grond van dit artikel wordt aan ten hoogste één instelling per grote gemeente subsidie verstrekt.
Afdeling 3.5. Film
Artikel 3.32. Subsidieplafond presentatie-instellingen
Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.31 zijn voor instellingen als bedoeld in het tweede lid gezamenlijk jaarlijks ten hoogste € 2.560.000 beschikbaar, met een maximum van € 530.000 per instelling.
Aan een instelling als bedoeld in het eerste lid en indien de instelling in de periode 2013 tot en met 2016 subsidie heeft ontvangen, verleent de minister niet minder dan 90% van de subsidie zoals die was verleend in de genoemde periode.
Artikel 3.33. Postacademische instellingen
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van een begeleidingsprogramma op het terrein van beeldende kunst, dat een vervolg is op een bachelor- of masteropleiding op het gebied van de kunst, indien de instelling een internationaal toonaangevend programma verzorgt en ten minste tien deelnemers begeleidt.
Artikel 3.34. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.33 is jaarlijks voor een instelling per deelnemer ten hoogste € 50.000 beschikbaar en is in totaal jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 4.300.000 beschikbaar.
Afdeling 3.5. Film
Artikel 3.35. Festivals
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van art housefilms en aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in een internationale context op het terrein van documentaires, indien de activiteiten van de instelling:
- a. een groot publiek bereiken;
- b. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor internationale uitwisseling tussen vakgenoten;
- c. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden; en
- d. een aantoonbare impuls leveren aan het aanbod en de regionale spreiding van films in het commerciële en niet-commerciële bioscoopcircuit.
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de Nederlandse film, indien de activiteiten van de instelling:
- a. een groot publiek bereiken;
- b. er mede op gericht zijn een platform te bieden voor uitwisseling tussen vakgenoten; en
- c. jaarlijks of tweejaarlijks gedurende een in de tijd beperkte periode plaatsvinden.
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de jeugdfilm, indien de activiteiten van de instelling voldoen aan de onderdelen a, b en c van het tweede lid.
Artikel 3.36. Ondersteunende instelling
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van de film, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:
- a. publieksactiviteiten voor het beheer van een collectie van cultureel erfgoed op het gebied van film;
- b. ontwikkelen en delen van kennis op het gebied van filmeducatie en mediawijsheid; en
- c. internationale promotie en versterken van de internationale marktpositie van de Nederlandse filmsector.
Afdeling 3.7. Creatieve industrie (architectuur, vormgeving en nieuwe media)
Artikel 3.37. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.35 en 3.36 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor instellingen als bedoeld in artikel 3.35, eerste en tweede lid, gezamenlijk: € 2.570.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.35, derde lid € 910.000; en
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.36: € 5.150.000.
Artikel 3.38. Ondersteunende instellingen
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de landelijke coördinatie van de leesbevordering en literatuureducatie.
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de landelijke bemiddeling tussen schrijvers, scholen en bibliotheken voor het geven van lezingen over en rond het werk van die schrijvers ter bevordering van het lezen.
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit de landelijke ondersteuning van bijzondere journalistieke projecten die leiden tot journalistieke producten of andere non-fictie werken.
Afdeling 3.8. Bibliotheken
Artikel 3.39. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.38 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling als bedoeld in het eerste lid: € 1.870.000;
- b. voor een instelling als bedoeld in het tweede lid: € 650.000; en
- c. voor een instelling als bedoeld in het derde lid: € 400.000.
Artikel 3.40. Ondersteunende instelling
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van architectuur, vormgeving en e-cultuur, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:
- a. publieksactiviteiten voor het beheer en behoud van een collectie van cultureel erfgoed op het gebied van architectuur;
- b. bevorderen van culturele, maatschappelijke en economische meerwaarde van de architectuur-, vormgeving- en e-cultuursector in samenwerking met de sector;
- c. coördinatie van internationale promotie en versterking van de internationale marktpositie van de Nederlandse architectuur-, vormgeving- en e-cultuursector;
- d. hebben van overzicht van het aanbod en van de ontwikkelingen in de architectuur-, vormgeving- en e-cultuursector, zowel binnen de discipline als discipline-overstijgend en het verspreiden van die kennis, zowel binnen als buiten die sectoren; en
- e. kennisontwikkeling en kennisdeling op het gebied van educatie op het terrein van architectuur, vormgeving en e-cultuur.
Afdeling 3.9. Amateurkunst en cultuureducatie
Artikel 3.41. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekking op grond van deze afdeling is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 5.640.000 beschikbaar.
Artikel 3.42. Amateurkunst en Cultuureducatie
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van amateurkunst en cultuureducatie, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:
- a. professionalisering van de educatiefunctie in de culturele sector;
- b. landelijke informatie- en netwerkfunctie voor zowel amateurkunst als cultuureducatie; en
- c. onderzoek en monitoring voor zowel amateurkunst als cultuureducatie.
Afdeling 3.10. Bovensectorale ondersteunende instellingen
Artikel 3.43. Internationaal cultuurbeleid
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit coördinatie van de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid en het stimuleren van de uitwisseling van kennis en ervaring op het gebied van erfgoed tussen organisaties en landen, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:
- a. de coördinatie van internationale sectoroverschrijdende activiteiten;
- b. het stimuleren van de mobiliteit van kunstenaars en instellingen; en
- c. voorlichting over en ondersteuning van subsidieprogramma's van de Europese Unie.
Artikel 3.44. Digitalisering
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het ontwikkelen en verspreiden van kennis over digitalisering en beheer en het digitaal beschikbaar stellen van culturele informatie, indien de activiteiten van de instelling bijdragen aan:
- a. een duurzame nationale ICT-infrastructuur voor culturele informatie; en
- b. een samenwerking tussen culturele sectoren en tussen collectiebeheerders en gebruikers.
Artikel 3.45. Onderzoek en statistiek
De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over kunst en cultuur in beleid en praktijk, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:
- a. het bevorderen en faciliteren van onderzoek over de productie, distributie en afname van kunst en cultuur en over het nationale en internationale kunst- en cultuurbeleid; en
- b. het bevorderen en faciliteren van meningsvorming over de productie, distributie en afname van kunst en cultuur en over het nationale en internationale kunst- en cultuurbeleid.
Artikel 3.46. Subsidieplafonds
Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.39 tot en met 3.42 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:
- a. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.42: € 5.060.000;
- b. voor een instelling als bedoel in artikel 3.43: € 930.000;
- c. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.44: € 580.000; en
- d. voor een instelling als bedoeld in artikel 3.45: € 720.000.
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen op grond van artikel 4c van de wet
§ 4.1. Indiening van bescheiden
§ 4.2. Verplichtingen van de subsidieontvanger
§ 4.3. Subsidievaststelling
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
§ 5.1. Algemeen
§ 5.2. Subsidie op aanvraag en ambtshalve
§ 5.3. Subsidieverlening
§ 5.3. Subsidieverlening
§ 5.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 5.5. Subsidievaststelling
§ 5.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
§ 6.3. Wijziging van andere regelingen
§ 6.4. Slotbepalingen
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Inleiding
De verantwoording van uw instelling dient om na te gaan of de subsidie is besteed aan het doel waarvoor deze is verstrekt. Ook wordt nagegaan of aan de eisen uit wetgeving is voldaan en of de subsidievoorwaarden zijn nageleefd (rechtmatigheid). Daarnaast bieden de gegevens van instellingen belangrijke beleidsinformatie m.b.t. ontwikkelingen in de sector.
Uitgangspunten voor de verantwoording
1.4. Accountantsproducten
De instelling stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven controleverklaring, naar OCW. Daarbij kan het bestuur aangeven hoe het heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.
De accountant laat zich bij zijn werkzaamheden leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS).
Dit onderdeel bevat nadere aanwijzingen voor de inrichting van de accountantscontrole en bestaat uit de volgende onderdelen
2.2.1. Verslaggevingscriteria
2.2.3. Het bestuursverslag
MODELLEN VOOR DE VERANTWOORDING
Doelstelling
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Vaste activa
Het voorgeschreven model IIF bestaat in grote lijnen uit een gecombineerde kostensoorten- en kostenplaatsenoverzicht. De in model IIC opgenomen baten en lasten van het huidig boekjaar neemt u over in model IIF, in de kolom Totaal. U rekent vervolgens de baten en lasten uit de kolom Totaal toe aan de in het model opgenomen kostenplaatsen; de vijf hoofdfuncties.
D. Presentatie-instellingen
Opzet voor model IIE (Musea)
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
1.2. Uitgangspunten
B. Internationale Festivals
Volledige teksten van de geldende wet- en regelgeving zijn onder andere te vinden via www.wetten.nl.
Het referentiekader voor de controle ligt vast in de wet- en regelgeving. Het controleprotocol treedt niet in de plaats van de oorspronkelijke wet- en regelgeving, maar verduidelijkt voor zover nodig de in de oorspronkelijke wet- en regelgeving opgenomen criteria. Het controleprotocol geeft een limitatieve opsomming van de relevante bepalingen die in de controle moeten worden betrokken, met aanwijzingen over de reikwijdte en de diepgang van de accountantscontrole.
Dit controleprotocol is opgesteld naar analogie van de door het NIvRA (nu: NBA) uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007). De daarin opgenomen uitgangspunten zijn specifiek gemaakt voor het cultuurbeleidsterrein. Voor de controle van de jaarrekening is in dit controleprotocol een verplichte tekst voor de controleverklaring opgenomen. De beschreven (minimale) controlewerkzaamheden zijn bedoeld als aanvulling op de ’Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden’ (NV COS).
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
2.2.1. Balans
– Activiteitenlasten
Projectsubsidie vanaf € 25.000 tot € 125.000
Nog te verlenen subsidies en Nog te realiseren beheerslasten
2.3. Het bestuursverslag
Rapportage
Doelstelling
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Toelichting op model II voor de functionele exploitatierekening
Verklaring betreffende het financieel verslag
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden. Het controleprotocol geeft per onderdeel aan welke rapportagetolerantie van toepassing is zodra dit afwijkt van het standaardpercentage van 0,1% van de totale subsidie van OCW. Indien de accountant, bij het uitvoeren van de aanwijzingen in dit controleprotocol, tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in een rapport van bevindingen. Dit rapport van bevindingen heeft het karakter van een uitzonderingsrapportage en is vormvrij.
De instelling stuurt het rapport van feitelijke bevindingen en het eventueel afgegeven rapport van bevindingen samen met de financiële verantwoording, inclusief de daarbij afgegeven accountantsverklaring, naar OCW. Daarbij kan worden aangegeven hoe het bestuur heeft gereageerd op de bevindingen van de accountant.
Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
2.1. Definities
Indien de accountant tekortkomingen constateert die de instelling niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
2.2.1. Balans
– Projectsubsidies vanaf € 125.000
2.3. Het bestuursverslag
Doelstelling
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Verantwoordelijkheid van de accountant
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
1. Algemene uitgangspunten
Controleprotocol cultuursubsidies fondsen
Overige aangelegenheden
1.1. Doelstelling
Dit controleprotocol geldt voor de cultuursubsidies vanaf 2009 en zal tot en met het verantwoordingsjaar 2012 of tot nader order van toepassing zijn. Het controleprotocol is afgestemd met vertegenwoordigers uit het gesubsidieerde cultuurveld.
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan het fonds opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
Voor de accountantscontrole is de specifieke wet- en regelgeving (incl. eventuele wijzigingen) relevant die in hoofdstuk 3 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012 op de verantwoording van de cultuurinstellingen van toepassing is verklaard.
In deze subsidierelatie is verder de volgende algemene regelgeving van toepassing:
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1B bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
Deze procedureregeling beschrijft de maatregelen vanuit OCW in het geval uit een onderzoek als bedoeld in artikel 43a van de Comptabiliteitswet tekortkomingen in de accountantscontrole blijken. De tekst van de procedureregeling is te vinden via cfi.nl/public/controleprotocol.
– De controlecriteria
2.1. Definities
– De verslaggevingscriteria
2.2.1. Balans
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.
– De controlecriteria
Uit te voeren specifieke werkzaamheden
– De verslaggevingscriteria
Uitgangspunt zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (Boek 2 Titel 9), de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder RJ 640, nader van toepassing verklaard in hoofdstuk 3 van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. RJ 660 geldt voor de onderwijssector van OCW en is hier niet van toepassing.
2.1.3. Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een betrouwbaarheid van 95 procent de uitspraak kan doen dat in de financiële verantwoording geen onjuistheden en onzekerheden voorkomen met een belang dat groter is dan de voorgeschreven toleranties. Voor de strekking van de accountantsverklaring gelden de volgende toleranties.
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
De accountant stelt vast dat het fonds een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het fonds om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.
Verklaring betreffende de jaarrekening
De accountant stelt vast dat een aan het eind van een jaar nog niet besteed deel van een projectsubsidie op de balans is opgenomen als vooruit ontvangen subsidie, zoals aangegeven in RJ 221 ‘onderhanden projecten in opdracht van derden’, met name 221.304. Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
2.2.2. Exploitatierekening
– Indirecte opbrengsten
Verantwoordelijkheid van de accountant
Het is de verantwoordelijkheid van het bestuur van het fonds om kostendekkende afspraken te maken. Van de accountant wordt geen marktonderzoek verlangd. De accountant beoordeelt wel of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn hanteert om deze vergoedingen te berekenen.
Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
– Activiteitenlasten
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
Voorts stelt de accountant vast dat indien het fonds subsidieverplichtingen voor de volgende vierjaarlijkse subsidieperiode heeft aangegaan, in de desbetreffende beschikkingen een voorbehoud is gemaakt voor het verkrijgen van subsidie van het ministerie van OCW. Daarnaast stelt hij vast dat deze subsidieverplichtingen niet ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht maar in de toelichting zijn opgenomen als ‘Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen’.
De accountant werkt deze toetspunten uit in de opzet en de uitvoering van zijn controle.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
De accountant stelt vast dat het fonds geen hoger bedrag betaalt aan een organisatie in de situaties als bedoeld in artikel 2.18 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De accountant beoordeelt of het fonds toereikende procedures hanteert en een bestendige gedragslijn volgt om deze vergoedingen te bepalen. Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
– Projectsubsidies vanaf € 125.000
Projectsubsidies vanaf € 125.000 worden bij voorkeur verantwoord in de jaarrekening. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Voor de toepassing van de tabel in 2.1.3 geldt hier als omvangsbasis het totaalbedrag van de geoormerkte subsidies.
Indien de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen
– WOPT
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
2.3. Het bestuursverslag
De accountant stelt vast dat het bestuursverslag verenigbaar is met de jaarrekening en alle elementen bevat die zijn voorgeschreven in artikel 2.15 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid en in hoofdstuk 2, onder ‘bestuursverslag’ van het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies Fondsen 2009–2012. Als de accountant tekortkomingen constateert die het fonds niet herstelt, neemt hij dit op in zijn rapport van bevindingen.
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
Doelstelling
De prestatiegegevens dienen te voldoen aan de onderstaande eisen. Zij zijn:
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Verantwoordelijkheid van de accountant
Het behoort niet tot de taak van de accountant om de prestatiegegevens opnieuw te meten en te onderzoeken, om daarmee ook een uitspraak te doen over de uitkomsten van het proces. Het beoordelen van deze uitkomsten vormt geen onderdeel van de taak van de accountant.
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
De accountant meldt zijn onderzoeksbevindingen in een rapport van feitelijke bevindingen, als bedoeld in COS 4400.
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Overige aangelegenheden
Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)
Het bestuur van de <> is verantwoordelijk voor het opmaken van de jaarrekening die het vermogen en het resultaat getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het bestuursverslag (alleen van toepassing bij een vierjaarlijkse instellingssubsidie), beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in de jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. Het bestuur is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van de jaarrekening en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Dit controleprotocol is opgesteld naar analogie van de door de NBA (destijds NIvRA) uitgegeven ‘Handreiking Controleprotocollen’ (februari 2007). De daarin opgenomen uitgangspunten zijn specifiek gemaakt voor de OCW-situatie. Voor de controle van de jaarrekening is in dit controleprotocol een verplichte tekst voor de controleverklaring opgenomen. De beschreven (minimale) controlewerkzaamheden zijn bedoeld als aanvulling op de ’Nadere voorschriften Controle- en overige standaarden’ (NV COS).
1.5. Wet- en regelgeving
Bij de Rsc is in bijlage IIA het Controleprotocol Cultuursubsidies Instellingen opgenomen. Onderdeel van dit protocol is het verplichte model voor de controleverklaring. Indien de accountant een rapport van bevindingen heeft opgesteld omtrent de naleving van de subsidiebepalingen, voegt u dat bij uw jaarverantwoording. Het rapport van feitelijke bevindingen bij de prestatieverantwoording dient altijd opgemaakt en bijgevoegd te worden.
2.1. Algemeen
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
Doelstelling
Rapportage
Toelichting op de modellen
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Verantwoordelijkheid van de accountant
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet – en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Baten
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Lasten
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
G. Musea
2. Controle op de verantwoording
2.1.2. Referentiekader
De accountant richt zijn controle zodanig in, dat hij met een redelijke mate van zekerheid kan verklaren dat in de jaarrekening geen afwijkingen (fouten en onzekerheden) voorkomen met een belang groter dan de voorgeschreven toleranties. Indien dit begrip voor het gebruik van statistische technieken gekwantificeerd moet worden, moet uitgegaan worden van een betrouwbaarheid van 95 procent. Voor de strekking van het accountantsoordeel geldt de volgende tolerantietabel:
Projectsubsidies kunnen in de jaarrekening worden verantwoord. Indien in de subsidiebeschikking expliciete voorwaarden zijn gesteld aan de besteding van de subsidie is sprake van een geoormerkte subsidie. De accountant controleert, in geval de projectsubsidies € 125.000 te boven gaan, de rechtmatigheid van de besteding van de geoormerkte subsidie. Het totaalbedrag van de bestedingen van de projectsubsidies vormt een afzonderlijke massa waarop de toleranties van de bovenstaande tabel moeten worden toegepast. Als deze toleranties worden overschreden, maar de grens voor de jaarrekeningcontrole niet, heeft dit geen invloed op de controleverklaring bij de jaarrekening. In dat geval is sprake van uitzonderingsrapportage in het rapport van bevindingen.
Doelstelling
Projectsubsidie vanaf € 125.000
Algemeen
Uit te voeren specifieke werkzaamheden
Voorzieningen
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.3. Accountantsproducten
1.5. Wet- en regelgeving
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
2.2.1. Balans
Voor het omgaan met geconstateerde fouten geldt de volgende gedragslijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen fouten die wel en fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid van de baten en de lasten. Geconstateerde fouten die wel invloed hebben, moeten voor zover mogelijk door de instelling worden gecorrigeerd. Het betreft hier fouten als gevolg van onrechtmatige besteding van de subsidie. Hierbij is het niet van belang of de tolerantiegrenzen worden overschreden. Voor het omgaan met geconstateerde fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid gelden de toleranties die in het schema staan. De instelling dient deze fouten te corrigeren indien de tolerantiegrens wordt overschreden. De accountant vermeldt alle fouten groter dan 0,1 % van de totale subsidie van OCW, die niet zijn gecorrigeerd, in het rapport van bevindingen. Hij vermeldt daarbij de aard en de omvang van de geconstateerde fouten. Fouten worden in absolute zin opgevat, voor zover het de financiële rechtmatigheid betreft. Salderen van fouten is daarom niet toegestaan.
2.2.2. Exploitatierekening
Doelstelling
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
Oordeel
1.4. Procedure controleprotocol
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
2. Controle op de verantwoording
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan het fonds opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
De jaarrekening omvat de balans en de exploitatierekening met de daarbij behorende toelichtingen, alsmede de prestatieverantwoording. Het bestuursverslag, de jaarrekening en het activiteitenverslag voldoen aan de eisen genoemd in bijlage 1B bij de Regeling op het specifiek cultuurbeleid.
2.1.4. Omgaan met fouten (foutdefinities)
De minister van OCW gaat er van uit dat de accountant zich bij zijn werkzaamheden laat leiden door de geldende beroepsvoorschriften, in het bijzonder de VGC (Verordening GedragsCode) en de Nadere Voorschriften Controle- en Overige Standaarden (NV COS). De accountant betrekt de eventueel in de subsidiebeschikking aan het fonds opgenomen aanwijzingen en vereisten in zijn controle.
– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies
De accountant stelt vast dat de door het fonds verantwoorde subsidies rechtmatig zijn, dat wil zeggen in overeenstemming met de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen. De essentie is dat de subsidieontvangers van een fonds zich houden aan deze reglementen en regelingen en dat het fonds die regels consequent toepast bij het subsidiëren van de activiteiten van de subsidieontvanger. Ook stelt de accountant vast dat het fonds in voorkomende gevallen het eigen sanctiebeleid ten uitvoer brengt, indien de subsidieontvanger zich niet houdt aan de gestelde voorwaarden. De controle van de accountant bevat op dit onderdeel van de financiële verantwoording van een fonds minimaal de volgende toetspunten:
Voor het omgaan met geconstateerde fouten geldt de volgende gedragslijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen fouten die wel en fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid van de baten en de lasten. Geconstateerde fouten die wel invloed hebben, moeten voor zover mogelijk door het fonds worden gecorrigeerd. Het betreft hier fouten als gevolg van onrechtmatige besteding van de subsidie. Hierbij is het niet van belang of de tolerantiegrenzen worden overschreden. Voor het omgaan met geconstateerde fouten die geen invloed hebben op de financiële rechtmatigheid gelden de toleranties die in het schema staan. Het fonds dient deze fouten te corrigeren indien de tolerantiegrens wordt overschreden. De accountant vermeldt alle fouten groter dan 0,1 % van de totale subsidie van OCW, die niet zijn gecorrigeerd, in het rapport van bevindingen. Hij vermeldt daarbij de aard en de omvang van de geconstateerde fouten. Fouten worden in absolute zin opgevat, voor zover het de financiële rechtmatigheid betreft. Salderen van fouten is daarom niet toegestaan.
– Kortlopende schulden/vooruit ontvangen projectsubsidies
De accountant stelt vast dat de door het fonds verantwoorde subsidies rechtmatig zijn, dat wil zeggen in overeenstemming met de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen. De essentie is dat de subsidieontvangers van een fonds zich houden aan deze reglementen en regelingen en dat het fonds die regels consequent toepast bij het subsidiëren van de activiteiten van de subsidieontvanger. Ook stelt de accountant vast dat het fonds in voorkomende gevallen het eigen sanctiebeleid ten uitvoer brengt, indien de subsidieontvanger zich niet houdt aan de gestelde voorwaarden. De controle van de accountant bevat op dit onderdeel van de financiële verantwoording van een fonds minimaal de volgende toetspunten:
De accountant stelt vast dat het fonds een kostendekkende vergoeding in rekening brengt in de situaties als bedoeld in artikel 2.19 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid .
2.3. Het bestuursverslag
Doelstelling
– Overige lasten
2.3. Het bestuursverslag
Doelstelling
Wij hebben de in dit [verslag] [rapport] op pagina <> tot en met pagina <> opgenomenjaarrekening <> van <> te <> gecontroleerd. Deze jaarrekening bestaat uit de balans per 31 december <> en de exploitatierekening over <> met de toelichting, waarin zijn opgenomen een overzicht van de gehanteerde grondslagen voor financiële verslaggeving en andere toelichtingen.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)
Verklaring betreffende het financieel verslag
Voorts zijn wij van oordeel dat de in deze jaarrekening verantwoorde baten, lasten en balansmutaties over <> voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Ingevolge artikel 2:393 lid 5 onder e en f BW vermelden wij dat ons geen tekortkomingen zijn gebleken naar aanleiding van het onderzoek of het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, overeenkomstig Titel 9 Boek 2 BW en het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] is opgesteld, en of de in artikel 2:392 lid 1 onder b tot en met h BW vereiste gegevens zijn toegevoegd.1De onder lid 1 genoemde punten b tot en met f zijn van toepassing op winst gerichte rechtspersonen.Tevens vermelden wij dat het bestuursverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met de jaarrekening zoals vereist in artikel 2:391 lid 4 BW. (alleen van toepassing bij vierjaarlijkse instellingssubsidie)
Verantwoordelijkheid van de accountant
Voorts merken wij op dat niet is voldaan aan de wettelijke verplichting tot vermelding van de informatie over topinkomens (artikel 6 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde Topinkomens). (alleen opnemen indien van toepassing)
<>, <>
<>
5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie
<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Afgegeven ten behoeve van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.
Overige aangelegenheden
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
<> is verantwoordelijk voor het opmaken van het financieel verslag dat de baten en lasten van het project getrouw dient weer te geven, alsmede voor het opstellen van het activiteitenverslag, beide in overeenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. <> is tevens verantwoordelijk voor de financiële rechtmatigheid van de in het financieel verslag verantwoorde baten en lasten. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming dienen te zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen. <> is tenslotte verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het opmaken van het financieel verslag en de naleving van de relevante wet- en regelgeving mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.
Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 3.11. Aanvullende aanvraagronde
Artikel 3.47. Indieningstermijn en reikwijdte
In afwijking van artikel 3.2, eerste lid, kunnen aanvragen om subsidie op grond van de volgende artikelen tevens tussen het tijdstip van inwerkingtreding van de Regeling aanvullende aanvraagronde culturele basisinfrastructuur 2017–2020 en voor 11 juli 2016 om 17:00 uur worden ontvangen:
- a. artikel 3.8, voor zover de instelling in het kernpunt gemeente Utrecht is gevestigd, en
- b. artikel 3.31.
Artikel 3.48. Bijzondere bepaling algemeen theater
In afwijking van artikel 3.8, derde lid, kan de minister één instelling in het kernpunt gemeente Utrecht subsidie verstrekken voor zover aan die instelling subsidie wordt verstrekt op basis van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.47, onderdeel a.
Artikel 3.49. Bijzondere bepaling presentatie instelling
In afwijking van artikel 3.31, eerste lid, onderdeel a, is voor één aanvraag als bedoeld in artikel 3.47, onder b, ten hoogste € 225.000 beschikbaar.
Artikel 3.50. Specifieke weigeringsgrond
Onverminderd artikel 3.5 komen aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 3.47, slechts voor subsidie in aanmerking voor zover na beoordeling van de aanvragen ingediend in de eerdere periode, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, het beschikbare bedrag voor de desbetreffende activiteiten niet geheel wordt verleend.
Artikel 3.51. Specifieke weigeringsgrond
Onverminderd artikel 3.5 komen aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 3.47, slechts voor subsidie in aanmerking voor zover na beoordeling van de aanvragen ingediend in de eerdere periode, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, het beschikbare bedrag voor de desbetreffende activiteiten niet geheel wordt verleend.
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen op grond van artikel 4c van de wet
§ 4.1. Indiening van bescheiden
§ 4.3. Subsidievaststelling
§ 4.3. Subsidievaststelling
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
§ 5.2. Subsidie op aanvraag en ambtshalve
§ 5.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
§ 5.3. Subsidieverlening
§ 5.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 6.2. Overgangsbepalingen
§ 6.2. Overgangsbepalingen
§ 6.3. Wijziging van andere regelingen
§ 6.4. Slotbepalingen
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Uitgangspunten voor de verantwoording
Projectsubsidie kleiner dan € 25.000
Model IIE voor de categoriale en functionele exploitatierekening (Musea)
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
Wetgeving en richtlijnen
Baten
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
2.2. Jaarrekening per post
Uit te voeren specifieke werkzaamheden
Rapportage
Verantwoordelijkheid van de accountant
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.6. Procedure ontoereikende accountantscontrole
2. Controle op de verantwoording
1.5. Wet- en regelgeving
2.1.1. De jaarlijkse verantwoording
2.1.2. Referentiekader
De jaarlijkse verantwoording van het fonds voor het ministerie van OCW vindt zijn grondslag in de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een vierjaarlijkse instellingssubsidie indient, bestaat uit een jaarrekening en een bestuursverslag. De verantwoording van een fonds dat een aanvraag tot vaststelling van een projectsubsidie vanaf € 125.000 indient, bestaat uit een activiteitenverslag of een bestuursverslag en een financieel verslag of een jaarrekening.
2.2. Jaarrekening per post
2.2.1. Balans
De accountant stelt vast dat de door het fonds verantwoorde subsidies rechtmatig zijn, dat wil zeggen in overeenstemming met de door de minister goedgekeurde reglementen en regelingen. De essentie is dat de subsidieontvangers van een fonds zich houden aan deze reglementen en regelingen en dat het fonds die regels consequent toepast bij het subsidiëren van de activiteiten van de subsidieontvanger. Ook stelt de accountant vast dat het fonds in voorkomende gevallen het eigen sanctiebeleid ten uitvoer brengt, indien de subsidieontvanger zich niet houdt aan de gestelde voorwaarden. De controle van de accountant bevat op dit onderdeel van de financiële verantwoording van een fonds minimaal de volgende toetspunten:
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
De accountant stelt integraal vast of de opgave van het fonds op grond van de Wet openbaarmaking uit Publieke middelen gefinancierde Topinkomens (WOPT) juist en volledig is. De accountant neemt geconstateerde fouten op in zijn rapport van bevindingen. In aanvulling hierop neemt de accountant, ongeacht de materialiteit, indien niet voldaan is aan de WOPT de standaard tekstpassage hieromtrent op in de accountantsverklaring onder de ‘Verklaring betreffende andere wettelijke voorschriften en/of voorschriften van regelgevende instanties’.
Uit te voeren specifieke werkzaamheden
Het onderzoek omvat de volgende specifieke werkzaamheden:
Rapportage
Verantwoordelijkheid van de accountant
Aan: <>
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de jaarrekening. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de jaarrekening een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van de jaarrekening en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door het bestuur van de <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de jaarrekening.
Naar ons oordeel geeft de jaarrekening een getrouw beeld van de grootte en de samenstelling van het vermogen van <> per 31 december <> en van het resultaat over <> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag. (alleen van toepassing bij jaarlijkse instellingssubsidie)
Verklaring betreffende het financieel verslag
Verantwoordelijkheid van de accountant
Aan: <>
Wij hebben het bijgevoegde financieel verslag over de besteding van de projectsubsidie voor <> van <> te <> over <> gecontroleerd.
Verantwoordelijkheid van de opdrachtgever
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in het financieel verslag. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat het financieel verslag een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten. Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het opmaken van het financieel verslag en voor het getrouwe beeld daarvan alsmede voor de naleving van de relevante wet- en regelgeving, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van <>. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor financiële verslaggeving en de gebruikte financiële rechtmatigheidcriteria en van de redelijkheid van de door <> gemaakte schattingen, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van het financieel verslag.
Overige aangelegenheden
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Naar ons oordeel geeft het financieel verslag een getrouw beeld van de baten en lasten van <> inovereenstemming met het Handboek Verantwoording Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen].
Voorts zijn wij van oordeel dat de in dit financieel verslag verantwoorde baten en lasten over voldoen aan de eisen van financiële rechtmatigheid. Dit houdt in dat deze bedragen in overeenstemming zijn met de in de relevante wet- en regelgeving opgenomen bepalingen, zoals die in de subsidiebeschikking en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen] zijn vermeld.
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 3.12. Bijzondere bijstelling bedragen
Artikel 3.52. Aanvullend bedrag loon-/prijspeil 2011–2012
Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van dit hoofdstuk kan bij de verlening, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een bedrag worden toegevoegd, rekening houdend met de ontwikkeling van het prijspeil en met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden in het jaar 2011 onderscheidenlijk 2012.
Artikel 3.53. Aanvullend bedrag specifieke arbeidsvoorwaarden
Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van de artikelen 3.9, 3.10, 3.12, 3.21, 3.29, 3.32, 3.33, 3.37, 3.41 en 3.43 kunnen bij de verlening, al dan niet in afwijking van de desbetreffende subsidieplafonds, een of meer bedragen worden toegevoegd als tegemoetkoming in de kosten van een of meer door de minister te bepalen specifieke arbeidsvoorwaarden.
Artikel 3.54. Aanvullend bedrag vervanging en verbetering huisvesting
Aan de bedragen van de subsidies die worden verleend op grond van dit hoofdstuk kan aan de volgende instellingen, al dan niet in afwijking van het desbetreffende subsidieplafond, bij de verlening een bedrag worden toegevoegd in verband met vervangingen en verbeteringen aan de huisvesting:
- a. een instelling waarmee de Staat der Nederlanden een overeenkomst heeft voor de huur van een gebouw en de Staat als verhuurder de urgentie van de vervanging of verbetering heeft erkend en de door de verhuurder en instelling opgestelde offerte door de minister is goedgekeurd; of
- b. een instelling waaraan op grond van afdeling 3.3 subsidie wordt verleend en waaraan in de periode daaraan voorafgaand op grond van artikel 4b van de Wet op het specifiek cultuurbeleid subsidie is verleend en voor zover die vervangingen of verbeteringen voortbouwen op vervangingen of verbeteringen waarvoor ook in de voorafgaande periode subsidie is verleend.
Artikel 3.55. Tussentijds aanvullend bedrag vervanging en verbetering huisvesting
Het bedrag van een vierjaarlijkse instellingssubsidie die is verleend aan een instelling waarmee de Staat der Nederlanden een overeenkomst heeft voor de huur van een gebouw kan tussentijds worden bijgesteld in verband met vervangingen of verbeteringen aan de huisvesting, al dan niet in afwijking van het desbetreffende subsidieplafond, voor zover de Staat der Nederlanden als verhuurder de urgentie van de vervanging of verbetering heeft erkend en de door de verhuurder en instelling opgestelde offerte door de minister is goedgekeurd.
Artikel 3.56. Hoogte aanvullende bedragen
Een op grond van artikel 3.53 toe te voegen bedrag wordt berekend aan de hand van een door de minister vast te stellen percentage van het na de beoordeling van de aanvraag te verlenen subsidiebedrag.
Een op grond van de artikelen 3.54 en 3.55 toe te voegen bedrag is gelijk aan de daadwerkelijke kosten die voor de vervanging of verbetering van de huisvesting door de instelling worden gemaakt.
Ingeval van toepassing van artikel 3.52 kan de minister bepalen welk deel van de subsidie in aanmerking wordt genomen voor toevoeging in verband met de ontwikkeling van het prijspeil onderscheidenlijk van de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden.
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
§ 5.1. Algemeen
§ 4.2. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
§ 5.5. Subsidievaststelling
§ 5.2. Subsidie op aanvraag en ambtshalve
§ 5.5. Subsidievaststelling
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 6.4. Slotbepalingen
§ 6.2. Overgangsbepalingen
§ 6.4. Slotbepalingen
§ 6.4. Slotbepalingen
Bijlage Ia. , als bedoeld in artikel 2.28 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Model III voor de prestatieverantwoording (4)
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.6. Procedure controleprotocol
Accountantsproducten
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Verantwoordelijkheid van de accountant
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
2.1.2. Referentiekader
2.2. Jaarrekening per post
2.2.1. Balans
3. Het onderzoek naar de verantwoording van de prestatiegegevens
Ordelijk wil zeggen opgezet in overeenstemming met de in de administratieve organisatie en interne controle vastgelegde procedures en functionerend in overeenstemming daarmee. Controleerbaar wil zeggen dat de beschikbare informatie de controlerende instanties van een organisatie in staat stelt om de besluitvorming en de administratieve verwerking hiervan te beoordelen en op werking te toetsen. Deugdelijk betreft de mate waarin de totstandkoming voldoet aan de daaraan te stellen technische en systeemgerichte eisen.
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Verklaring betreffende de jaarrekening
Verantwoordelijkheid van de accountant
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de jaarrekening op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de jaarrekening geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Oordeel
Controleverklaring van de onafhankelijke accountant
Verklaring betreffende het financieel verslag
Verantwoordelijkheid van de accountant
Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over het financieel verslag op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het Controleprotocol Cultuursubsidies [Instellingen] [Fondsen]. Dit vereist dat wij voldoen aan voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat het financieel verslag geen afwijkingen van materieel belang bevat.
Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.
Oordeel
Verklaring betreffende overige bij of krachtens de wet gestelde eisen
Verder melden wij dat het activiteitenverslag, voor zover wij dat kunnen beoordelen, verenigbaar is met het financieel verslag.
Overige aangelegenheden
Het financieel verslag van <> en onze verklaring daarbij zijn uitsluitend bedoeld voor <> ter verantwoording aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en kunnen derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
<>, <>
<>
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.1. Begripsbepalingen
2.1.3. Omgaan met afwijkingen (fouten en onzekerheden, foutdefinities)
5. Model controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie
Verklaring betreffende het financieel verslag
Oordeel
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de regeling op het specifiek cultuurbeleid
1.5. Wet- en regelgeving
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
2.2. Getrouwheid
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
2.1.4. Controleverklaring bij het financieel verslag over een projectsubsidie
2.3. Financiële rechtmatigheid
4. Model controleverklaring bij de jaarrekening over een (vier)jaarlijkse instellingssubsidie
Verantwoordelijkheid van het bestuur
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 3.2. Podiumkunsten
§ 3.2.2. Productiehuizen
§ 3.2.3. Dans
§ 3.2.4. Muziek en muziektheater
Afdeling 3.3. Musea
Afdeling 3.4. Beeldende kunst
Afdeling 3.6. Letteren
Afdeling 3.7. Creatieve industrie (architectuur, vormgeving en nieuwe media)
Afdeling 3.8. Bovensectorale ondersteunende instellingen
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen op grond van artikel 4c van de wet
§ 4.1. Indiening van bescheiden
§ 4.2. Verplichtingen van de subsidieontvanger
§ 4.1. Indiening van bescheiden
Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen voor verstrekking van projectsubsidies
§ 4.2. Verplichtingen van de subsidieontvanger
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 6.1. Algemeen
§ 6.2. Overgangsbepalingen
§ 6.1. Algemeen
Bijlage Ia. , als bedoeld in artikel 2.28 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Bijlage IIa. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 3.9. Aanvullende aanvraagronde
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen voor verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen op grond van artikel 4c van de wet
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
§ 6.3. Wijziging van andere regelingen
Bijlage Ia. , als bedoeld in artikel 2.28 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Bijlage Ib. , als bedoeld in artikel 4.4 van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Bijlage IIb. , als bedoeld in artikel 2.27, derde lid, van de Regeling op het specifiek cultuurbeleid
Vervallen
Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.