Regeling specificaties en typegoedkeuring boordcomputer taxi
In de onderstaande figuren zijn schematisch een beveiligd commando en een beveiligd antwoord weergegeven. Voor een verdere beschrijving hiervan wordt verwezen naar Referentie [7], section 7.1.9 en section 7.1.10.
4.2. Fouten bij de beveiligde gegevensoverdracht
In het geval van een Secure Messaging-fout vervallen de sessiesleutels en SSC.
4.3. Sessiesleutels
Voor beveiligde gegevensoverdracht tussen de boordcomputerlogica en de systeemkaart worden twee 16 bytes lange sessiesleutels gebruikt. De methode om deze sessiesleutels SKENC en SKMAC te genereren wordt beschreven in Referentie [7], section 7.1.4.
4.4. Zendsequentieteller (SSC)
De SSC wordt iedere keer voordat een MAC berekend wordt met 1 verhoogd, dus voor de eerste MAC-berekening wordt de waarde SSC + 1 gebruikt.
4.5. Algoritmes
Iedere keer voordat er een MAC berekend wordt, wordt de zendsequentieteller (SSC) met 1 verhoogd.
4.6. Authenticatiescenario Systeemkaart-Boordcomputer
Er is dan een secure messaging kanaal tussen de systeemkaart en de boordcomputer (MAC-ENC mode) en alle volgende commando’s en antwoorden moeten beveiligde gegevensoverdracht gebruiken.
5. Gegevens op chauffeurskaart (EF.Driver_Activity_Data)
Op de chauffeurskaart worden de arbeids- rij- en rusttijden van een chauffeur opgeslagen in de bestandsstructuur EF.Driver_Activity_Data. De grootte van die bestandsstructuur wordt door de Personalisator op elke chauffeurskaart gemaximeerd (zie ook § 7.1, § 9.5 en Referentie [9] in hoofdstuk 10).
5.1. Opbouw van EF.Driver_Activity_Data
EF.Driver_Activity_Data is opgebouwd uit de volgende elementen:
5.1.1. DailyRecord
Een DailyRecord bestaat uit de volgende elementen:
5.1.2. SessionRecord
Een SessionRecord bestaat uit de volgende elementen:
5.1.3. ActivityRecord
Noot 3: Bij iedere toevoeging van een ActivityRecord bestaat de mogelijkheid dat er een nieuw DailyRecord en/of nieuw SessionRecord aangemaakt moet worden. Zie hiervoor ook § 7.5 en § 0.
5.1.4. Overzicht
In Figuur 7 staat een overzicht van EF.Driver_Activity_Data en hoe de verschillende records hier onder vallen.
5.2. Schrijven naar EF.Driver_Activity_Data
Activiteiten van de chauffeur worden opgeslagen in ActivityRecords. In Figuur 6 worden de verschillende typen van ActivityRecords genoemd. Het verloop van een sessie staat in hoofdstuk 7 beschreven. Het exacte verloop van het toevoegen van een ActivityRecord staat in § 0.
5.2.1. Toevoegen van de eerste activiteit binnen een SessionRecord
Elk van de navolgende subparagrafen (5.2.2 t/m 5.2.7) gaat er van uit dat de toe te voegen activiteit niet de eerste activiteit binnen het betreffende SessionRecord is. Indien dat echter wél het geval is, moeten de instructies voor het overschrijven van de PointerLastActivityRecord en de DayRecordLength velden telkens worden vervangen door de volgende:
5.2.2. Toevoegen “Login” activiteit
In het huidige DailyRecord wordt
5.2.3. Toevoegen “Start pauze” activiteit
In het huidige DailyRecord wordt
5.2.4. Toevoegen “Start werk” activiteit
In het huidige DailyRecord wordt
5.2.5. Toevoegen “Afsluiting” activiteit
In het huidige DailyRecord wordt
5.2.6. Toevoegen “Nieuwe eindtijd” (=handmatige Afsluiting) activiteit
In het huidige DailyRecord wordt
5.2.7. Toevoegen “Dagovergang (handmatig/automatisch)” activiteit
NB. Indien de invoeging van de dagovergang en de nieuwe kalenderdag het gevolg is van het toevoegen van een handmatige activiteit, dan kán het zo zijn dat er meer dan één kalenderdag tussen de huidige activiteit en de toe te voegen activiteit bestaat. Indien dat zo blijkt te zijn dan dienen de instructies in deze paragraaf te worden herhaald voor iedere betreffende (kalender)dagovergang.
5.3. Algemene opmerkingen bij lezen en schrijven naar EF.Driver_Activity_Data
Bij lees- en schrijfacties (Read Binary en Update Binary) dient met de volgende punten rekening te worden gehouden:
5.4. Digitale handtekening
NB3. Indien bij het valideren van de SessionRecord-data de betreffende EF.BCT_Certificates aanwezig is en het betreffende boordcomputercertificaat is daarin ook (nog) aanwezig, kan de validatie direct worden uitgevoerd. Indien het betreffende boordcomputercertificaat niet (meer) in EF.BCT_Certificates is opgeslagen of indien EF.BCT_Certificates niet voorhanden is, dan kan het betreffende boordcomputercertificaat via de Kaartuitgever worden verkregen.
6. Gegevens op chauffeurskaart (EF.BCT_Certificates)
Een boordcomputer dient een bestuurder (tijdig) te waarschuwen dat de momenteel op de chauffeurskaart opgeslagen arbeids-, rij- en rusttijden moeten worden geëxporteerd (ook wel “gedownload”). Aan EF.BCT_Certificates is daarom een extra gegevensstructuur toegevoegd die vermeldt wanneer en naar welke boordcomputer welke dailyrecords zijn geëxporteerd.
6.1. Opbouw van EF.BCT_Certificates
De opbouw van een DownloadLog_X gegevensstructuur is opgenomen in de onderstaande figuur.
7. Kaartsessie
De wijzigingen in de arbeids- rij- en rusttijden worden tijdens een kaartsessie op de chauffeurskaart opgeslagen in ActivityRecords (zie Figuur 6 en paragrafen 5.2 en 0). Hieronder wordt aangegeven welke informatie op welk ogenblik opgeslagen wordt. Voor voorbeelden van kaartsessies wordt verwezen naar Bijlage A.
7.1. Begin van een kaartsessie
Het begin van een kaartsessie gaat als volgt:
7.2. Tijdens een kaartsessie
“Start werk” moet regelmatig bijgewerkt worden met het aantal secondes dat er met het voertuig gereden is (zie Noot 1 in § 5.1.3). “Start werk” en “Start pauze” moeten regelmatig bijgewerkt worden met het aantal secondes dat de betreffende activiteit duurt (zie Noot 2 in § 5.1.3).
7.3. Afsluiten van een kaartsessie
Direct nadat de “Afsluiting” activiteit is toegevoegd en nog voordat de chauffeur zijn kaart uitneemt, dient de boordcomputer:
7.4. Niet afgesloten kaartsessie
In alle gevallen wordt na het inloggen de chauffeur de mogelijkheid geboden voor het handmatig toevoegen van activiteiten die hebben plaatsgevonden tussen de laatstgeboekte “Start werk” of “Start pauze” activiteit en het login-tijdstip. Pas nadat dergelijke handmatige boekingen op de kaart zijn bijgeschreven, wordt het Login-tijdstip vastgelegd door het toevoegen van een “Login” ActivityRecord die aangeeft wanneer de kaart weer in de boordcomputer ingebracht is (zie 5.2.1). Direct aansluitend wordt (met hetzelfde tijdstempel) een “Start werk” activiteit toegevoegd.
7.5. Dagoverschrijdende kaartsessie
Hiervoor wordt
8. Functies
Bij deze functies moeten ook de punten uit 5.3 (Algemene opmerkingen bij lezen en schrijven) in acht worden genomen.
8.1. PIN wijzigen
Het gebruikte commando is Change Reference Data, waarbij de PIN reference de waarde ‘01’H heeft en oude PIN || nieuwe PIN als data meegegeven wordt.
8.2. SM keyset wijzigen
waarbij Kmac en Kenc de 16 bytes sleutels zijn voor de MAC resp. de ENC.
8.3. PIN deblokkeren
Voorafgaand aan dit commando moet een succesvol Verify commando uitgevoerd worden met P1 = ‘00’H en P2 = ‘02’H (de PUK reference). Voor de PUK wordt PIN formaat 2 gebruikt (zie onder 8.1).
8.4. PIN deblokkeren en wijzigen
Voorafgaand aan dit commando moet een succesvol Verify commando uitgevoerd worden met P1 = ‘00’H en P2 = ‘02’H (de PUK reference). Voor de PUK wordt PIN formaat 2 gebruikt (zie onder 8.1).
8.5. Elektronische handtekening zetten met een chauffeurs- of inspectiekaart
8.6. Elektronische handtekening zetten met een systeemkaart
8.7. Authenticiteit handtekening zetten met een boordcomputerkaart
Voor de vermelde SDO ID wordt verwezen naar de kaartstructuur documenten in Referenties [9] t/m [12]. Omdat dit SDO een lokaal object is, moet de in de kaartstructuur documenten gespecificeerde keyReference niet letterlijk worden overgenomen, maar met bit8 hoog (dus ‘85’H in plaats van ‘05’H).
8.8. Authenticeren boordcomputerkaart aan boordcomputer
8.9. Schrijf nieuw ActivityRecord
8.10. Schrijf nieuw SessionRecord
8.16. Lees huidige / geselecteerde DailyRecord
Hiervoor moeten de volgende stappen doorlopen worden:
8.17. Controleer EF.Driver_Activity_Data structuur
Voor deze functie moeten de volgende stappen doorlopen worden:
8.21. Sla boordcomputercertificaat op
Voor deze functie moeten de volgende stappen doorlopen worden:
8.22. Geef meest recente DownloadLog
8.23. Sla DownloadLog op
9.3. Uitlezen van de huidige EF vanaf een offset kleiner 32768
9.4. In de huidige DF Uitlezen van een EF vanaf een offset groter dan 32767
De onderstaande referenties worden in dit document gebruikt:
De onderstaande begrippen en afkortingen worden in dit document gebruikt:
Hieronder volgt een aantal scenario’s die het wegschrijven van gegevens op de chauffeurskaart tijdens een kaartsessie toelichten.
Bijlage B. Referentie data
B.1. Het opzetten van Secure Messaging
Voor het opzetten van Secure Messaging, zoals beschreven staat in 4.6, worden de volgende stappen uitgevoerd:
Zie de tabel hieronder voor een voorbeeld van een commando, het commando met secure messaging en het antwoord met secure messaging.
B.3.1. SignDataLegally
Voor het zetten van een elektronische handtekening met een boordcomputerkaart, zoals beschreven staat in 8.5, worden de volgende stappen uitgevoerd:
B.3.2. SignDataForAuthenticity
Voor het zetten van een elektronische handtekening met de sleutel-certificaatcombinatie PKI.CH.AUT van een boordcomputerkaart, zoals beschreven staat in 8.7, worden de volgende stappen uitgevoerd:
B.4. Het zetten van een handtekening met een systeemkaart
Voor het zetten van een elektronische handtekening met een systeemkaart, zoals beschreven staat in 8.6, worden de volgende stappen uitgevoerd:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)