Wetboek van Koophandel BES
Indien gedurende de reis iemand aan boord wordt ontdekt, die niet in het bezit is van een geldig reisbiljet en niet bereid of niet in staat is op eerste aanmaning van de kapitein vracht te betalen, heeft deze het recht hem aan boord werk te laten verrichten, waartoe hij in staat is, en hem bij de eerste gelegenheid, welke zich voordoet, van boord te verwijderen.
Artikel 472
Noch de kapitein, noch een opvarende mag voor eigen rekening goederen in het schip vervoeren, tenzij krachtens overeenkomst met of krachtens verlof van de zeewerkgever en, indien het schip is vervracht, ook van de bevrachter.
Artikel 474
Op ten minste twintig kubieke meters bruto-inhoud metende, langs de kusten varende vaartuigen zijn in het algemeen en naar de omstandigheden de voorgaande artikelen van deze Titel van toepassing, met uitzondering evenwel van artikel 444, het tweede lid van artikel 445, het eerste lid van artikel 446 en artikel 449.
Aan boord moeten aanwezig zijn een uittreksel uit het scheepsregister, de monsterrol, indien deze is opgemaakt, en de wettelijke regelingen op deze schepen van toepassing.
Artikel 475
Een door de zeewerkgever vastgesteld reglement betreffende de dienst aan boord is voor de kapitein verbindend, mits hem een exemplaar daarvan is verstrekt en voor zover de inhoud niet in strijd is met de door hem aangegane arbeidsovereenkomst.
Artikel 476
Boete mag de kapitein slechts worden opgelegd krachtens beding in de arbeidsovereenkomst wegens overtreding van daarin omschreven bepalingen en tot het daarin vastgestelde maximum. De bestemming van de boete moet in de overeenkomst worden aangegeven. De boete mag niet aan de zeewerkgever ten goede komen.
Artikel 477
Van het ogenblik, waarop volgens de arbeidsovereenkomst de dienstbetrekking aanvangt, heeft de kapitein zich te houden ter beschikking van de zeewerkgever tot het voeren van het in de overeenkomst aangewezen schip, of, bij stilzwijgen van deze, van een door de zeewerkgever daartoe aangewezen schip, mits dit behoort tot de schepen, welke de zeewerkgever voor de vaart ter zee gebruikt. Is omtrent de aanvang van de dienstbetrekking niets bepaald, dan wordt die voor de toepassing van dit voorschrift geacht samen te vallen met het sluiten van de overeenkomst.
De kapitein wordt geacht te zijn aan boord van een schip van de dag, waarop hij zijn taak aan boord op zich neemt, tot de dag, waarop hij daarvan wordt ontheven.
Artikel 478
De kapitein heeft gedurende de tijd dat hij in dienst is aan boord van een schip, recht op voeding en logies.
Artikel 479
Behalve in de gevallen, genoemd in artikel 537 onder 1°. tot en met 8°., kunnen voor de zeewerkgever dringende redenen aanwezig worden geacht:
- 1°. indien de kapitein een opvarende van het door hem gevoerde schip mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt of verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met wettelijke regelingen of met de goede zeden;
- 2°. indien de kapitein weigert te voldoen aan een opdracht hem gegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel 477;
- 3°. indien aan de kapitein, hetzij tijdelijk, hetzij voorgoed, de bevoegdheid is ontnomen, als zodanig op een schip dienst te doen;
- 4°. indien de kapitein, buiten weten van de zeewerkgever, smokkelwaren aan boord heeft gebracht of daar heeft toegelaten.
Artikel 480
De kapitein, die de dienstbetrekking doet eindigen terwijl het door hem gevoerde schip zich op reis bevindt, is, op straffe van schadevergoeding, verplicht die maatregelen te nemen, welke in verband daarmede nodig zijn voor de veiligheid van het schip, de opvarenden en de zaken aan boord.
Artikel 481
De bepalingen van de vorige artikelen laten onaangetast de bevoegdheid van de zeewerkgever, om aan de kapitein te allen tijde het gezag over het schip te ontnemen.
Artikel 482
Na afloop van een reis is de kapitein verplicht de scheepspapieren tegen ontvangstbewijs aan de zeewerkgever af te geven.
Artikel 483
De zeewerkgever verbeurt ten behoeve van de kapitein voor iedere dag, dat hij deze, gedurende of bij het einde van zijn dienst aan boord van een schip, zonder wettige reden ophoudt in het verkrijgen van het in geld vastgestelde deel van zijn loon, drie gulden.
Artikel 484
Artikel 530 vindt toepassing ten aanzien van de artikelen 476, 480 en 539 in verband met artikel 484, eerste lid.
Als gewichtige redenen worden, behalve die, genoemd in artikel 540, ook beschouwd omstandigheden, na de aanvang van de dienst aan boord aan de verzoeker gebleken of nadien opgekomen, waardoor de voortzetting van de reis, waarop het schip zich bevindt, de kapitein of de opvarenden aan onvoorzien, groot levensgevaar zou blootstellen.
Artikel 485
Bij overeenkomst mogen partijen niet afwijken van het bepaalde in de artikelen 475, 476, 478 en 483, noch ook ten nadele van de kapitein van het bepaalde in artikel 484, laatste lid.
Artikel 486
De bepalingen van de artikelen 475–485 gelden niet voor kapiteins van ten minste twintig kubieke meters bruto-inhoud metende, langs de kusten varende vaartuigen.
titel Vierde. Van de schepelingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 487
Scheepsofficieren zijn de schepelingen, aan wie de monsterrol de rang van officier toekent.
Scheepsgezellen zijn alle overige schepelingen.
Artikel 488
Voor zover de zeewerkgever de verhouding tussen de scheepsofficieren onderling, tussen de scheepsgezellen onderling en tussen de scheepsofficieren en de scheepsgezellen niet heeft geregeld, beslist de kapitein daaromtrent.
Artikel 489
Wanneer de monsterrol bepaalt, dat er aan boord een commissie van schepelingen zal zijn, stelt zij daarvan tevens de samenstelling en de bevoegdheid vast.
§ 2. Van de arbeidsovereenkomst tussen zeewerkgever en schepelingen
Artikel 490
Als schepelingen worden alleen aangemerkt personen, die een arbeidsovereenkomst met de zeewerkgever hebben aangegaan.
De kapitein vertegenwoordigt de zeewerkgever in de uitvoering van de arbeidsovereenkomsten met de schepelingen, die in dienst zijn aan boord van het door hem gevoerde schip.
Artikel 491
Op de arbeidsovereenkomst tussen de zeewerkgever en de schepeling zijn de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek BES met uitzondering evenwel van die van de zevende Titel van het derde Boek, van toepassing, voor zover daarvan bij algemene verordening niet is afgeweken.
Artikel 492
De arbeidsovereenkomst tussen de zeewerkgever en de schepeling moet, op straffe van nietigheid, schriftelijk worden aangegaan.
De kosten van de akte en andere bijkomende kosten zijn ten laste van de zeewerkgever.
Artikel 493
De overeenkomst moet worden aangegaan hetzij voor een bepaalde tijd, hetzij voor één of meer reizen (bij de reis), hetzij voor onbepaalde tijd of tot wederopzegging.
Artikel 494
Indien de duur van een dienstbetrekking noch bij overeenkomst of reglement, noch bij wettelijk voorschrift, noch ook door het gebruik, is aangegeven, wordt zij geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.
Artikel 495
Indien partijen de dienstbetrekking na het verstrijken van de tijd, waarvoor zij is aangegaan, zonder tegenspraak voortzetten, wordt die overeenkomst geacht voor dezelfde tijd op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan.
Hetzelfde geldt, indien de bedongen opzegging achterwege blijft en partijen de gevolgen daarvan niet opzettelijk hebben geregeld.
Artikel 496
De overeenkomst moet, behalve hetgeen elders bij algemene verordening daartoe is voorgeschreven, behelzen:
- 1°. de naam en de voornamen van de schepeling, de dag van zijn geboorte of zijn leeftijd, en zijn geboorteplaats;
- 2°. de plaats en de dag van het sluiten van de overeenkomst;
- 3°. de aanduiding van het schip of de schepen, waarop de schepeling zich verbindt dienst te doen;
- 4°. de te ondernemen reis of reizen, indien deze reeds vaststaan;
- 5°. de hoedanigheid, waarin de schepeling in dienst zal treden;
- 6°. indien mogelijk, de plaats waar en de dag waarop de dienst aan boord aanvangt;
- 7°. het bepaalde bij artikel 515 nopens het recht op vrije dagen;
- 8°. de beëindiging van de dienstbetrekking, namelijk:
- a. indien de overeenkomst voor een bepaalde tijd wordt aangegaan, de dag waarop de dienstbetrekking eindigt, met vermelding van de inhoud van artikel 532;
- b. indien de overeenkomst bij de reis wordt aangegaan, de haven overeengekomen voor de beëindiging van de dienstbetrekking, met vermelding van de inhoud van artikel 533, tweede lid, alsmede, indien de haven een haven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is, van het eerste of van het tweede lid van artikel 534, naar gelang de haven al of niet met name is genoemd;
- c. indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan, de inhoud van artikel 535, eerste lid.
Artikel 497
Voor zover de namen, de plaats of de dag van geboorte van de schepeling niet bekend zijn, wordt dit in de overeenkomst vermeld.
De aanduiding in de overeenkomst van het schip of de schepen, waarop de schepeling zich verbindt dienst te doen, kan ook geschieden door te bepalen, dat hij dienst zal doen op een of meer door de zeewerkgever aangewezen schepen, behorende tot die, welke de zeewerkgever voor de vaart ter zee gebruikt.
Indien partijen van het bepaalde bij de artikelen 515, 532, 533, tweede lid, 534, eerste of tweede lid, of 535, eerste lid, wensen af te wijken, voor zover wettelijk geoorloofd, wordt in plaats daarvan die afwijkende regeling in de overeenkomst opgenomen.
Artikel 498
Een minderjarige is bekwaam als schepeling overeenkomsten aan te gaan, indien hij daartoe door zijn wettelijke vertegenwoordiger, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, is gemachtigd.
Een mondelinge machtiging strekt slechts tot het aangaan van een bepaalde overeenkomst. Zij wordt verleend in tegenwoordigheid van de zeewerkgever of van degene, die namens deze handelt. Zij mag niet voorwaardelijk worden verleend.
Indien de machtiging schriftelijk is verleend, is de minderjarige verplicht de volmacht ter hand te stellen aan de zeewerkgever, die de minderjarige onverwijld een gewaarmerkt afschrift daarvan doet toekomen en de volmacht bij het einde van de dienstbetrekking aan de minderjarige of diens rechtverkrijgenden teruggeeft.
Voor zover zulks niet door het stellen van bepaalde voorwaarden in de machtiging uitdrukkelijk is uitgesloten, staat de minderjarige in alles, wat betrekking heeft op de overeenkomst, door hem ingevolge de verleende machtiging aangegaan, met een meerderjarige gelijk. Echter mag hij niet in rechte verschijnen zonder bijstand van zijn wettelijke vertegenwoordiger, behalve wanneer aan de rechter gebleken is, dat de wettelijke vertegenwoordiger niet bij machte is zich te verklaren.
Artikel 499
Indien een daartoe niet bekwaam minderjarige een overeenkomst heeft aangegaan en dientengevolge gedurende vier weken, zonder verzet van zijn wettelijke vertegenwoordiger, in dienst arbeid heeft verricht, wordt hij geacht door die vertegenwoordiger mondeling tot het aangaan van die overeenkomst gemachtigd te zijn geweest.
Artikel 500
Indien in de in artikel 498 genoemde schriftelijke machtiging de voorwaarde is opgenomen, dat het in geld vastgesteld loon, geheel of gedeeltelijk, in stede van aan de minderjarige, aan de wettelijke vertegenwoordiger zelf moet worden voldaan, wordt deze ten opzichte van de voldoening van het loon, of van het gedeelte hetwelk hem moet worden uitgekeerd, als de schepeling aangemerkt.
Ook indien een zodanige voorwaarde niet in de machtiging is opgenomen, wordt het aan de minderjarige verschuldigd in geld vastgesteld loon aan de wettelijke vertegenwoordiger voldaan, wanneer deze zich tegen de voldoening aan de minderjarige schriftelijk verzet.
In andere gevallen dan die, bedoeld in het eerste en het tweede lid van dit artikel, is de zeewerkgever door betaling aan de minderjarige behoorlijk gekweten.
Artikel 501
Een door de zeewerkgever vastgesteld reglement betreffende de dienst aan boord is voor de schepeling verbindend, mits een in de Nederlandse taal en in Bonaire onderscheidenlijk in Sint Eustatius en Saba bovendien onderscheidenlijk in het Papiaments en in de Engelse taal gesteld exemplaar daarvan in een mede voor hem bestemd dagverblijf der schepelingen is en blijft opgehangen en behoorlijk leesbaar is, en voor zover de inhoud niet in strijd is met de door hem aangegane arbeidsovereenkomst.
Artikel 502
Een verklaring van de schepeling, waarbij hij zich verbindt zich met elk in de toekomst vastgesteld reglement of met elke toekomstige wijziging van een bestaand reglement te verenigen, is nietig.
Artikel 503
Nietig is een beding waarbij de schepeling wordt beperkt in zijn vrijheid om na het einde van de dienstbetrekking arbeid te verrichten.
Artikel 504
Van het ogenblik waarop volgens de arbeidsovereenkomst de dienstbetrekking aanvangt is de schepeling verplicht zich te houden ter beschikking van de zeewerkgever om gemonsterd te worden op een in de overeenkomst aangeduid schip. Is omtrent de aanvang van de dienstbetrekking niets bepaald, dan wordt die voor de toepassing van dit voorschrift geacht samen te vallen met het sluiten van de overeenkomst.
Artikel 505
De schepeling wordt geacht in dienst te zijn aan boord van een schip van de daarvoor in de monsterrol aangewezen dag of, bij gebreke daarvan, van de dag, waarop de monsterrol is opgemaakt, tot en met de dag, waarop hij van zijn werkzaamheden aan boord wordt ontheven of bij deze neerlegt.
Artikel 506
Schepelingen-dienst mogen niet verrichten:
- 1°. zij die niet met de zeewerkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan;
- 2°. zij, die, hoewel zij met de zeewerkgever een arbeidsovereenkomst hebben aangegaan, niet in de monsterrol zijn genoemd.
Het onder 2°. bedoeld verbod geldt niet voor opstappers, mits zij in de eerste haven, welke het schip aandoet, op de monsterrol worden gebracht.
Artikel 507
De zeewerkgever is verplicht te zorgen voor behoorlijke voeding en voor behoorlijk dag- en nachtverblijf van de schepelingen aan boord.
In geen geval mag de zeewerkgever de voeding of de levering van de daarvoor benodigde eet- en drinkwaren bij wijze van aanbesteding opdragen aan de kapitein of aan een schepeling.
Artikel 508
De schepeling heeft voor iedere dag, waarop hem de verschuldigde voeding niet of niet ten volle wordt verstrekt, recht op een vergoeding, waarvan het bedrag bij de arbeidsovereenkomst of, bij stilzwijgen van deze, door het gebruik of de billijkheid wordt bepaald.
Artikel 509
Ten verzoeke van een derde van de schepelingen heeft buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba een onderzoek plaats naar de deugdelijkheid en voldoende hoeveelheid van de eet- en drinkwaren. Het onderzoek wordt door de Nederlandse consulaire ambtenaar of bij gebreke van deze, en in het Europese deel van Nederland, Curaçao, Sint Maarten of Aruba door het bevoegde gezag ingesteld.
De kapitein is verplicht onbruikbare eet- en drinkwaren, op last van deze autoriteiten, tegen bruikbare te verwisselen en het nodige zich aan te schaffen.
Artikel 510
Een gelijk deel van de schepelingen is bevoegd om bij dezelfde autoriteiten buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba over onvoldoende ligging of ruimte, na de afreis ontstaan, te klagen; ook hiernaar wordt een onderzoek ingesteld.
De kapitein is op last van de autoriteiten verplicht in het gebrekkige te voorzien.
De kapitein, die aan de hem, overeenkomstig dit en het vorige artikel, gegeven bevelen niet heeft voldaan, wordt geacht zich jegens de schepelingen te hebben misdragen.
Artikel 511
De schepeling mag noch sterke drank noch wapens aan boord brengen of hebben zonder toestemming van de kapitein.
De kapitein is bevoegd om hetgeen hij in strijd met deze bepaling aan boord aantreft, in beslag te nemen en, voor zover zulks niet met de ter zake en ter plaatse bestaande wettelijke voorschriften in strijd is, te vernietigen of ten bate van één of meer door de voorzitter van de Raad voor de Scheepvaart aangewezen instellingen ten behoeve van zeelieden te verkopen.
Dezelfde bevoegdheid heeft de kapitein ten aanzien van smokkelwaren, contrabande en opium of andere verdovende middelen, welke de schepeling aan boord brengt of heeft.
Artikel 512
De overeenkomst moet, op straffe van nietigheid, het bedrag van het in geld uit te betalen loon bevatten dan wel aangeven hoe het zal worden bepaald. De bepaling mag niet aan het goedvinden van een der partijen worden overgelaten.
Bij de toepassing van het bepaalde in de artikelen 516 eerste lid, 524 eerste lid, 526 derde lid, 531, 534 derde lid, 539 en 541 wordt loon, vastgesteld bij de reis, geacht te zijn vastgesteld voor een tijdruimte gelijk aan de gemiddelde duur van de reis.
Artikel 513
Ongeoorloofd en nietig is elk beding tussen de zeewerkgever en een schepeling, waarbij deze zich verbindt, het loon of zijn overige inkomsten of een gedeelte daarvan op een bepaalde wijze te besteden, of zich zijn benodigdheden op een bepaalde plaats of bij een bepaalde persoon aan te schaffen.
Van deze bepaling zijn uitgezonderd;
- 1°. het beding, waarbij de schepeling deel neemt in enig aan wettelijke voorschriften voldoend fonds;
- 2°. ten aanzien van minderjarige schepelingen het beding, dat de zeewerkgever een gedeelte van het gedurende de minderjarigheid verdiende loon ten name van de schepeling plaats in de Postspaarbank of in een aan wettelijke voorschriften voldoend spaarfonds, met bepaling, dat de schepeling het eerst mag opvorderen, nadat hij meerderjarig is geworden of nadat de rechter in eerste aanleg in het openbaar lichaam, waar de minderjarige werkelijk verblijf houdt, op verzoek van diens wettelijke vertegenwoordiger en na verhoor of behoorlijke oproeping van de minderjarige en van de zeewerkgever tot de uitbetaling machtiging heeft verleend.
Artikel 514
Bestaat het loon voor het geheel of voor een gedeelte in een bedrag, dat afhankelijk is gesteld van enig gegeven, dat uit de boekhouding van de zeewerkgever moet kunnen blijken, dan heeft de schepeling het recht van de zeewerkgever mededeling te verlangen van zodanige bewijsstukken, als voor hem nodig zijn om tot de kennis van dat gegeven te geraken.
Bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement mag worden bepaald, dat mededeling van de genoemde bewijsstukken, in plaats van aan iedere schepeling afzonderlijk zal geschieden aan een bepaald aantal schepelingen in dienst van de zeewerkgever of aan een of meer deskundigen inzake boekhouding, allen door de schepelingen bij schriftelijke keuze aangewezen.
De mededeling van de bewijsstukken door of vanwege de zeewerkgever geschiedt desverlangd onder uitdrukkelijke verplichting van geheimhouding door de schepeling en degene, die hem overeenkomstig het voorgaande lid vervangt; deze mag echter niet tot geheimhouding tegenover de schepeling worden verplicht.
De verplichting tot geheimhouding is voor zover nodig opgeheven, indien de opgave in rechte wordt betwist.
Voor zover het gegeven, in het eerste lid bedoeld, betreft de winst, in de onderneming van de zeewerkgever of in een deel daarvan behaald, mag van de bepalingen van het eerste lid bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement, ook op andere wijze dan in het tweede lid omschreven, worden afgeweken.
Artikel 515
De schepeling heeft voor ieder jaar, dat hij zonder onderbreking in dienst is van de wederpartij, recht op ten minste zeven of tweemaal vijf achtereenvolgende vrije dagen met behoud van loon, tenzij de arbeidsovereenkomst is aangegaan bij de reis. Deze vrije dagen moeten zó worden gegeven, dat de schepeling telkens na afloop van twee jaren of, indien de dienstbetrekking korter duurt, bij het eindigen van die betrekking alle dagen heeft genoten, waarop hij recht heeft. De schepeling, die in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuis behoort, worden, indien hij zulks verlangt, de vrije dagen in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba gegeven.
Artikel 516
De schepeling die in het buitenland ziek wordt, heeft, zolang hij niet is hersteld, ook wanneer de dienstbetrekking eerder eindigt, recht op tegemoetkoming bestaande uit:
- a. behoorlijke geneeskundige behandeling en verpleging, vervoer in verband met de ziekte, genees- en verbandmiddelen, (1) indien hij in het buitenland wordt achtergelaten, tot zijn herstel of, indien hij eerder in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba terugkeert, tot ten hoogste tien weken na zijn terugkeer, doch in geen geval gedurende meer dan zesentwintig weken, (2) indien hij aan boord van het schip blijft, tot ten hoogste tien weken na zijn terugkomst daarmede in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- b. een uitkering in geld, ziekengeld genaamd, welke wordt genoten gedurende ten hoogste twaalf weken en welke bedraagt 50% van het naar tijdruimte in geld vastgesteld loon, dat de schepeling genoot toen hij ziek werd. Deze termijn van twaalf weken gaat in (1) indien de schepeling ziek wordt, terwijl hij niet aan boord van een schip is, op de dag, waarop hij ziek wordt, (2) indien hij ziek wordt, terwijl hij aan boord van een schip is, op de dag, waarop hij aan de wal ter verpleging wordt achtergelaten of waarop hij, nog niet hersteld, met het schip terugkomt.
Zolang hij aan boord is, blijft hij in het genot van het volle loon.
Wordt de schepeling in het buitenland ter verpleging achtergelaten, dan heeft hij bovendien recht op vrij vervoer tot een haven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba te zijner keuze. Onder het vrij vervoer zijn begrepen de kosten van onderhoud en nachtverblijf gedurende de reis.
Indien de ziekte een gevolg is van opzet of grove schuld, wordt het ziekengeld verbeurd of verminderd, ter beoordeling van de rechter in eerste aanleg binnen wiens gebied de zetel van het scheepsbedrijf is gevestigd.
De schepeling, die in het buitenland door een ongeval als bedoeld in de Wet ongevallenverzekering BES wordt getroffen, heeft hetzelfde recht op geneeskundige behandeling en verpleging en op vrij vervoer als de schepeling die in het buitenland ziek wordt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt:
- a. met ziekte gelijkgesteld een ongeval als bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet Ziekteverzekering BES;
- b. de schepeling geacht mede in het buitenland te zijn, indien hij aan boord is van een vertrekkend schip, dat zich bevindt binnen de territoriale wateren van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, terwijl hij niet hier te lande ter verpleging wordt achtergelaten.
Artikel 517
Indien de schepeling buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba overlijdt terwijl hij in dienst is aan boord van een schip, wordt het lijk begraven of overboord gezet op kosten van de zeewerkgever.
Artikel 518
Gedurende de tijd, dat de schepeling in dienst is aan boord van een schip, is hij verplicht de bevelen van de kapitein met stiptheid op te volgen.
Indien hij meent, dat deze bevelen onrechtmatig zijn, is hij bevoegd om in de eerste haven, die het schip aandoet de tussenkomst in te roepen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van de scheepvaartinspectie of de betrokken gezaghebber, in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten van het bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk, indien dit redelijkerwijze zonder oponthoud van het schip kan geschieden, van de Nederlandse diplomatieke of bezoldigde consulaire ambtenaar, die het eerst te bereiken is.
Artikel 519
De kapitein is verplicht de arbeid van de schepeling te regelen in overeenstemming met de daaromtrent bij wet en, binnen de grenzen der wetgeving, bij de arbeidsovereenkomst gestelde bepalingen.
Op zondag behoort de arbeid in ieder geval beperkt te blijven tot het noodzakelijke.
Artikel 520
De schepeling is verplicht het hem door de kapitein opgedragen werk te verrichten, doch heeft recht op een bijslag op het loon voor de tijd, gedurende welke hij langer dan de bij wet of bij arbeidsovereenkomst bepaalde normale arbeidsduur werk verricht, tenzij de kapitein het werk noodzakelijk acht tot behoud van het schip, de opvarenden of de zaken aan boord. Het bedrag van die bijslag wordt bepaald door de arbeidsovereenkomst of, bij haar stilzwijgen, door het gebruik of de billijkheid.
De kapitein doet van ieder geval van overwerk aantekening houden in een daartoe bestemd register. Elke aantekening wordt door de daarbij betrokken schepeling mede-ondertekend.
Het recht, betaling van de bijslag te vorderen, vervalt door verloop van één maand na het eindigen van de dienst aan boord in een een haven in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en van zes maanden na het eindigen van de dienst aan boord buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Op de scheepsofficier, tevens hoofd van dienst, de geneeskundige en de marconist zijn de bepalingen van dit artikel niet van toepassing.
Artikel 521
Indien aan de schepeling andere werkzaamheden worden opgedragen dan hij heeft te verrichten overeenkomstig de hoedanigheid, waarin hij volgens de arbeidsovereenkomst aan boord dienst doet, en deze werkzaamheden volgens overeenkomst of gebruik hoger worden beloond, heeft hij eventueel aanspraak op het daarmede overeenkomend hoger loon.
Artikel 522
Zonder toestemming van de kapitein mag de schepeling het schip niet verlaten.
Weigert de kapitein toestemming, dan is hij verplicht de reden voor zijn weigering in het dagboek te vermelden en aan de schepeling, op diens verlangen, deze weigering binnen twaalf uur schriftelijk te bevestigen.
Artikel 523
De kapitein heeft disciplinair gezag over de schepeling. Hij is bevoegd om tot handhaving van dit gezag de redelijkerwijze nodige maatregelen te nemen.
Artikel 524
De kapitein is bevoegd om aan de schepeling in geval van verwijdering van boord zonder zijn toestemming, van niet tijdig terugkeren aan boord, van dienstweigering, van gebrekkige dienstvervulling, van onbehoorlijk optreden tegen een lid van de bemanning of een van de andere opvarenden en van ordeverstoring, een boete op te leggen ten bedrage van het naar tijdruimte in geld vastgestelde loon over ten hoogste tien dagen; echter mag de boete niet meer bedragen dan een derde van dat loon voor de gehele duur van de reis. In een tijdverloop van tien dagen mag aan dezelfde schepeling in totaal niet meer aan boeten worden opgelegd dan de genoemde hoogste bedragen.
De oplegging van de boete mag voorwaardelijk geschieden.
Indien de kapitein wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 536 de dienstbetrekking doet eindigen, mag hij te dier zake niet tevens een disciplinaire straf opleggen.
De bestemming van de boeten moet in de arbeidsovereenkomst worden aangegeven. De boete mag noch aan de zeewerkgever noch aan de kapitein ten goede komen.
Artikel 525
Alvorens boete op te leggen is de kapitein verplicht de betrokkene en de getuigen te horen in het bijzijn, zo mogelijk, van ten minste twee schepelingen van gelijke of hogere rang, overeenkomstig de monsterrol daartoe aangewezen. Het proces-verbaal van dit verhoor moet door allen, die daarbij tegenwoordig zijn geweest, worden ondertekend. Van weigering om te ondertekenen wordt daarin melding gemaakt.
Boete mag niet vroeger worden opgelegd dan twaalf uren en niet later dan een week, nadat het feit heeft plaats gehad, tenzij bijzondere omstandigheden afwijking noodzakelijk maken.
Elke boete moet onverwijld worden ingeschreven in een daartoe bestemd register, met vermelding van het feit, dat tot de oplegging aanleiding heeft gegeven, en van de dag waarop het heeft plaats gehad, alsmede van de dag waarop de boete is opgelegd. Iedere inschrijving moet worden ondertekend door de kapitein en de in het eerste lid bedoelde schepelingen.
Een niet in het register ingeschreven boete wordt geacht ten onrechte te zijn opgelegd.
De schepeling is bevoegd om van de oplegging van boete in beroep te komen bij de rechter in eerste aanleg, binnen wiens rechtsgebied het schip is aangekomen of de monsterrol is opgemaakt. Het derde lid van artikel 520 vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 526
Gedurende de tijd, dat de schepeling in dienst van de zeewerkgever aan boord van een schip of buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijft, heeft zijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenote recht op uitbetaling, op de voet als in de volgende leden bepaald, van ten hoogste het twee derde gedeelte van het in geld vastgesteld loon, tot onderhoud van haar en haar kinderen, die niet in staat zijn in hun onderhoud te voorzien.
De uitbetaling door de zeewerkgever geschiedt aan de echtgenote tegen overlegging van een met het oog op de laatste monstering afgegeven verklaring van haar man of beschikking van de rechter in eerste aanleg van haar woonplaats en wel voor het in die verklaring of die beschikking genoemde gedeelte van het aan de schepeling verschuldigde loon. Wanneer een onmiddellijke voorziening wordt vereist, bepaalt de rechter in eerste aanleg aanstonds het gedeelte van het loon van de schepeling, op welks uitbetaling de echtgenote voorlopig recht heeft tot onderhoud van haar en de in het eerste lid bedoelde kinderen. Deze beschikking behoudt tegenover de zeewerkgever haar kracht gedurende een maand na de dag van haar dagtekening, voor zoveel hem niet vóór de afloop van die termijn de eindbeschikking van de rechter in eerste aanleg is overlegd.
Het gedeelte van het loon, op welks uitbetaling de echtgenote recht heeft, wordt haar uitgekeerd op de tijdstippen voor de uitbetaling bepaald door de arbeidsovereenkomst of, bij stilzwijgen van deze, door het gebruik of de billijkheid, met dien verstaande, dat, indien het loon naar tijdruimte is vastgesteld, de hierbedoelde uitbetaling uiterlijk telkens na een maand geschiedt.
Artikel 527
De uitbetaling van het in geld vastgesteld deel van het in dienst aan boord van een schip verdiend loon moet geschieden in de munt, waarin het bij de arbeidsovereenkomst is uitgedrukt, of in de munt, gangbaar ter plaatse van de uitbetaling. De koers waartegen in het laatste geval de herleiding is geschied moet de schepeling schriftelijk worden medegedeeld.
Onverminderd het bepaalde in artikel 546, is de schepeling, indien hij meent, dat de hem medegedeelde koers niet juist is, bevoegd om zich na afloop van de reis deswege te wenden tot de rechter in eerste aanleg, binnen wiens rechtsgebied het schip is aangekomen of de monsterrol is opgemaakt.
Artikel 528
Behoudens het bepaalde in artikel 526 heeft de schepeling recht op uitbetaling van het in dienst aan boord van een schip verdiend loon:
- 1°. indien het naar tijdruimte is vastgesteld, in iedere haven, welke het schip gedurende de reis aandoet, mits ten minste zeven dagen verlopen zijn sedert de laatste uitbetaling;
- 2°. indien het niet naar tijdruimte is vastgesteld, op de tijdstippen voor de uitbetaling bepaald door de arbeidsovereenkomst of, bij haar stilzwijgen, door het gebruik of de billijkheid.
Zolang de reis niet is geëindigd, is de zeewerkgever niet verplicht in het geheel meer dan vijf zesde gedeelte van het loon uit te betalen.
De uitbetaling van het in het eerste lid onder 1°. bedoeld loon geschiedt uiterlijk op de dag volgende op die van de aankomst, de in artikel 451 bedoelde dagen niet medegerekend, doch in ieder geval vóór het vertrek uit de haven.
Artikel 529
De schepeling mag zijn recht op het in geld vastgesteld deel van zijn in dienst aan boord van een schip verdiend loon, voor zover dit te zijner beschikking is, alleen afstaan, in pand geven daaronder begrepen, ten behoeve van zijn echtgenote voor ten hoogste één derde, van zijn kinderen, de verzorgers van zijn kinderen en zijn ouders voor ten hoogste de helft, en van andere bloedverwanten tot de vierde graad en van aanverwanten tot dezelfde graad voor ten hoogste één derde; alles met dien verstaande, dat het bedrag van hetgeen hij afstaat, gevoegd bij het ingevolge artikel 526 aan de echtgenote uit te betalen bedrag, twee derde gedeelte van het gehele in geld vastgesteld loon niet mag overtreffen.
Artikel 530
De boeten en de schadeloosstelling, bedoeld in de artikel 524 en 539, zijn bevoorrecht op het in geld vastgestelde deel van het loon van de schepeling, hetwelk tot het bedrag daarvan mag worden ingehouden.
Boete en schadeloosstelling komen in de eerste plaats ten laste van het deel van het loon, dat aan de schepeling persoonlijk moet worden uitbetaald.
Artikel 531
De dienstbetrekking eindigt door de dood van de schepeling.
Indien de schepeling overlijdt in dienst aan boord van een schip, wordt het naar tijdruimte in geld vastgestelde deel van het loon uitbetaald tot het einde van de maand, waarin het overlijden heeft plaats gehad, doch niet langer dan tot de dag, waarop de dienst aan boord van het schip volgens de overeenkomst zou zijn geëindigd.
Artikel 532
Indien de dienstbetrekking is aangegaan voor een bepaalde tijd en deze verstrijkt terwijl het schip, waarop de schepeling in dienst is, zich op reis bevindt, eindigt de dienstbetrekking in de eerste haven, welke het schip daarna aandoet.
Artikel 533
De dienstbetrekking, aangegaan bij de reis, eindigt als de reis of de reizen, waarvoor zij is aangegaan, is of zijn afgelopen.
Evenwel is de schepeling bevoegd om, na verloop van anderhalf jaar, de dienstbetrekking zonder schadeloosstelling door opzegging te doen eindigen in iedere haven, welke het schip daarna aandoet. Bij de opzegging moet hij de termijn in acht nemen, welke redelijkerwijze nodig is voor zijn vervanging in die haven.
Artikel 534
Indien is overeengekomen, dat de dienstbetrekking zal eindigen bij terugkomst van het schip in een met name genoemde een haven in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, is de zeewerkgever bevoegd haar te doen eindigen in een haven, van waaruit de genoemde een haven in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, anders dan met een luchtvaartuig, binnen vierentwintig uur kan worden bereikt.
Is de haven in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waarop het schip zal terugkomen, niet met name genoemd, dan is de zeewerkgever bevoegd de dienstbetrekking te doen eindigen in een haven buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van waaruit het eiland waar de overeenkomst is aangegaan op de in het eerste lid bedoelde wijze kan worden bereikt.
Behalve de reiskosten heeft de zeewerkgever de schepeling voor de dagen na de beëindiging van de dienstbetrekking tot de dag, volgende op die, waarop deze ter plaatse had kunnen aankomen, loon te betalen op de voet van het in de arbeidsovereenkomst naar tijdruimte in geld vastgestelde deel van het loon, alsmede de kosten van onderhoud en zo nodig van nachtverblijf.
Artikel 535
De dienstbetrekking, aangegaan voor onbepaalde tijd, mag ieder der partijen gedurende de tijd, dat de schepeling in dienst is aan boord van een schip door opzegging, met inachtneming van de daarvoor gestelde termijn, doen eindigen in iedere haven, waar het schip laadt of lost. Tenzij een langere termijn van opzegging is overeengekomen, bedraagt deze vierentwintig uren. De opzegging geschiedt schriftelijk.
De opzeggingstermijn mag voor de zeewerkgever niet korter worden gesteld dan voor de schepeling.
Dit artikel is mede van toepassing indien, bij een dienstbetrekking voor een bepaalde tijd of voor een of meer reizen aangegaan, de zeewerkgever overlijdt gedurende de tijd, dat de schepeling in dienst is aan boord van een schip en hetzij de erfgenamen van de reder hetzij de schepeling de dienstbetrekking willen doen eindigen als ware zij aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 536
Ieder der partijen is bevoegd om de dienstbetrekking zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen en zonder schadeloosstelling te doen eindigen om een dringende, aan de wederpartij onverwijld medegedeelde, reden.
Gedurende een reis van het schip, waarop de schepeling in dienst is, is een der partijen bevoegd om de dienstbetrekking om een dringende reden als bedoeld in het eerste lid, alleen te doen eindigen tegen het tijdstip, op hetwelk het schip zich in een haven bevindt.
Artikel 537
Voor de zeewerkgever worden als dringende redenen in de zin van het voorgaande artikel beschouwd de volgende daden, eigenschappen of gedragingen van schepeling, welke ten gevolge hebben, dat van de zeewerkgever redelijkerwijze niet mag gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren, te weten:
- 1°. indien de schepeling bij de afsluiting van de overeenkomst de zeewerkgever heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven, omtrent de wijze waarop zijn vorige dienstbetrekking is geëindigd;
- 2°. indien hij, in ernstige mate, de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid, waarvoor hij zich heeft verbonden;
- 3°. indien hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag;
- 4°. indien hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de zeewerkgever onwaardig wordt;
- 5°. indien hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zichzelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt of de eigendom van de zeewerkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
- 6°. indien hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de zeewerkgever verstrekt;
- 7°. indien hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
- 8°. indien hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten;
- 9°. indien hij de kapitein of een opvarende van het schip mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt of hem verleidt of tracht te verleiden tot handelingen strijdig met de wet of met de goede zeden;
- 10°. indien hij, na de aanvang van de dienstbetrekking, zich niet op de door de zeewerkgever aangegeven tijd doet monsteren of zich na de monstering aan boord van het schip aanmeldt;
- 11°. indien de schepeling hetzij tijdelijk, hetzij voorgoed de bevoegdheid wordt ontnomen, op een schip dienst te doen in de hoedanigheid, waarin hij zich heeft verbonden dienst te doen;
- 12°. indien de schepeling, buiten weten van de zeewerkgever of de kapitein, sterke drank, wapens, smokkelwaren, contrabande, opium of andere verdovende middelen aan boord heeft gebracht of daar onder zijn berusting heeft.
Bedingen, waardoor aan de zeewerkgever de beslissing zou worden overgelaten, of er een dringende reden aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 538
Voor de schepeling worden als dringende redenen in de zin van artikel 536 beschouwd de volgende omstandigheden, welke ten gevolge hebben, dat van de schepeling redelijkerwijze niet mag gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren, te weten:
- 1°. indien de zeewerkgever de schepeling, diens familieleden of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt, dat dergelijke handelingen door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
- 2°. indien de zeewerkgever de schepeling, diens familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wet of met de goede zeden, of gedoogt dat dergelijke verleiding of poging tot verleiding door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
- 3°. indien het loon niet op de bepaalde tijd wordt voldaan;
- 4°. indien de schepeling door ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten;
- 5°. indien de zeewerkgever de schepeling orders geeft welke in strijd zijn met de arbeidsovereenkomst of met verplichtingen, welke de wet de schepeling oplegt;
- 6°. indien de zeewerkgever het schip bestemt naar een haven van een land, dat in een zee-oorlog is gewikkeld, of naar een haven welke is geblokkeerd, tenzij de arbeidsovereenkomst dit uitdrukkelijk voorziet en is gesloten na het uitbreken van de oorlog of na het afkondigen van de blokkade;
- 7°. indien in het geval van artikel 466 de reder orders geeft te vertrekken naar een vijandelijke haven;
- 8°. indien de zeewerkgever het schip gebruikt of laat gebruiken voor slavenhandel, zeeroof, strafbare kaapvaart of het vervoer van goederen waarvan de invoer verboden is in het land van bestemming;
- 9°. indien de zeewerkgever het schip bestemt voor vervoer van contrabande, tenzij de arbeidsovereenkomst dit duidelijk voorziet en is gesloten na het uitbreken van de oorlog;
- 10°. indien voor hem aan boord gevaar voor mishandeling van de zijde van de kapitein of van een opvarende dreigt;
- 11°. indien het logies aan boord in een toestand verkeert, welke schadelijk is voor de gezondheid der bemanning;
- 12°. indien hem de voeding, waarop hij recht heeft, niet of niet in deugdelijke toestand wordt verstrekt, of indien de zeewerkgever handelt in strijd met het bepaalde bij het tweede lid van artikel 507.
- 13°. indien het schip het recht verliest om de Nederlandse vlag te voeren;
- 14°. indien de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor één of meer bepaalde reizen en de reder het schip andere reizen laat maken.
Bedingen waardoor aan de schepelingen de beslissing zou worden overgelaten, of er een dringende reden aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 539
Indien een voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking gedurende een reis van het schip wordt beëindigd zonder inachtneming van het daaromtrent bepaalde bij de arbeidsovereenkomst of bij de wet, is een schadeloosstelling verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het voor de dienst aan boord van een schip in geld vastgestelde loon voor de tijd, dat de dienstbetrekking volgens de overeenkomst of volgens de wet had behoren voort te duren, doch niet langer dan drie maanden. Hetzelfde geldt wanneer de dienstbetrekking bij de reis is aangegaan.
Bij een dienstbetrekking, voor een onbepaalde tijd aangegaan, is de schadeloosstelling ten minste gelijk aan het bedrag van het voor de dienst aan boord van een schip in geld vastgestelde loon voor één maand.
Artikel 540
Ieder van de partijen is te allen tijde, ook vóórdat de dienstbetrekking is aangevangen, bevoegd zich wegens gewichtige redenen te wenden tot de rechter in eerste aanleg, binnen wiens gebied de plaats van haar werkelijk verblijf gelegen is, of het schip zich bevindt, of in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten het bevoegde gezag of buiten het Koninkrijk tot de eerst bereikte Nederlandse diplomatieke of bezoldigde consulaire ambtenaar, met het verzoek de overeenkomst ontbonden te verklaren.
Als gewichtige redenen worden, behalve de dringende redenen, ook beschouwd veranderingen in de persoonlijke of vermogenstoestand van de verzoeker of van de wederpartij of in de omstandigheden, waaronder de arbeid wordt verricht welke van dien aard zijn, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, zomede omstandigheden, na de aanvang van de dienst aan boord aan de verzoeker gebleken of nadien opgekomen, waardoor de voortzetting van de reis, welke het schip maakt, hem aan onvoorzien, groot levensgevaar zou blootstellen.
Indien het de schepeling mogelijk is een hogere betrekking te verkrijgen, is hij steeds bevoegd het in het eerste lid bedoelde te doen, mits hij zorgt voor zijn vervanging zonder nieuwe kosten voor de zeewerkgever en te diens genoegen.
De rechter willigt het verzoek niet in dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de wederpartij.
Indien de rechter het verzoek inwilligt, bepaalt hij op welk ogenblik de dienstbetrekking eindigt.
Tegen deze beschikking is generlei voorziening toegelaten.
Artikel 541
Indien de dienstbetrekking is aangegaan bij de reis en tengevolge van een maatregel van hogerhand of van andere overmacht de reis niet wordt aangevangen of, nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt, neemt de dienstbetrekking een einde. De schepeling heeft in het laatstbedoelde geval recht op het naar tijdruimte in geld vastgestelde loon, totdat hij in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan zijn teruggekomen of totdat hij eerder werk heeft gevonden. In geval van geschil wordt het bedrag van het loon vastgesteld door de rechter in eerste aanleg, binnen wiens gebied de monsterrol is opgemaakt of de zetel van het scheepsbedrijf is gevestigd.
Indien de schepeling zich heeft verbonden om uitsluitend aan boord van een bepaald schip dienst te doen en dit schip vergaat, geldt het in het eerste lid bepaalde, ook al is de dienstbetrekking niet bij de reis aangegaan.
Artikel 542
Voor zover het in geld uitgedrukte deel van het loon is vastgesteld bij de reis, heeft de schepeling recht op een evenredige verhoging van het loon, indien de reis door toedoen van de zeewerkgever, door molest of door verblijf in een noodhaven of een andere soortgelijke reden in het belang van het schip en zaken aan boord wordt verlengd.
Artikel 543
Indien de dienstbetrekking is aangegaan bij de reis en de reis door toedoen van de zeewerkgever niet wordt aangevangen of, nadat zij is aangevangen, wordt gestaakt, neemt de dienstbetrekking een einde. De schepeling heeft alsdan het recht op de schadeloosstelling, bepaald in artikel 539, eerste lid.
Artikel 544
Eindigt de dienstbetrekking buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan heeft de schepeling recht op vrij vervoer, indien hij Nederlander of Nederlands onderdaan is, tot een haven te zijner keuze in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, indien hij niet Nederlander of Nederlands onderdaan is, ter keuze van de zeewerkgever, tot de plaats waar de dienst aan boord van het schip is begonnen of tot een haven van het land waar hij thuis behoort, mits de schepeling zijn verlangen daartoe te kennen geeft uiterlijk op de dag volgende op die, waarop de dienstbetrekking eindigt, de in artikel 451 bedoelde dagen niet medegerekend, doch in ieder geval vóór het vertrek van het schip. Echter heeft de schepeling dit recht niet, indien hij de dienstbetrekking onrechtmatig doet eindigen of de zeewerkgever haar doet eindigen om een dringende, aan de schepeling onverwijld medegedeelde reden, of de arbeidsovereenkomst is ontbonden op verzoek van de schepeling, op grond van gewichtige redenen, welke niet tevens zijn dringende redenen in de zin van artikel 538.
Onder het vrij vervoer zijn begrepen de kosten van onderhoud en nachtverblijf van het eindigen van de dienstbetrekking af tot de aankomst van de schepeling in de plaats van zijn bestemming.
Artikel 545
De kapitein tekent iedere beëindiging van de dienst aan boord van het schip aan op de monsterrol. Deze aantekening wordt, indien de kapitein of de schepeling zulks verzoekt, door de ambtenaar van aanmonstering voor gezien getekend.
Artikel 546
De zeewerkgever is verplicht om bij het einde van de dienst aan boord aan de schepeling een schriftelijke afrekening ter hand te stellen. Indien geschil ontstaat over de afrekening, is de meest gerede partij bevoegd zich te wenden tot de rechter in eerste aanleg, binnen wiens rechtsgebied het schip is aangekomen of de monsterrol is opgemaakt, met het verzoek de afrekening te onderzoeken en vast te stellen.
Eindigt de dienst buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dan mag ieder van de partijen, ter verkrijging van een voorlopige beslissing, zich wenden in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten tot het bevoegde gezag, en buiten het Koninkrijk, tot de Nederlandse diplomatieke of bezoldigde consulaire ambtenaar, die hij het eerst heeft bereikt.
Artikel 547
Na het eindigen van de reis is de schepeling, wiens dienstbetrekking is afgelopen, niettemin gedurende drie werkdagen gehouden op verlangen van de kapitein mede te werken tot het opmaken van een scheepsverklaring.
Artikel 548
De zeewerkgever verbeurt voor iedere dag, dat hij een officier of een scheepsgezel, gedurende of bij het einde van de dienst aan boord van een schip, zonder wettige redenen, ophoudt in het verkrijgen van het in geld vastgestelde deel van zijn loon, ten behoeve van de officier drie gulden en ten behoeve van de scheepsgezel een gulden vijftig cent.
Artikel 549
De zeewerkgever is verplicht om aan de schepeling bij het eindigen van de dienstbetrekking op diens verlangen een getuigschrift uit te reiken.
Het getuigschrift moet een juiste opgave bevatten omtrent de aard van de verrichte arbeid en de duur van de dienstbetrekking, alsmede, doch alleen op bijzonder verzoek van degene, aan wie het getuigschrift moet worden uitgereikt, omtrent de wijze, waarop de schepeling aan zijn verplichtingen heeft voldaan en de wijze, waarop de dienstbetrekking geëindigd is; heeft de zeewerkgever de dienstbetrekking echter zonder het aanvoeren van redenen doen eindigen, dan is hij slechts gehouden zulks te vermelden, zonder verplicht te zijn de reden zelf mede te delen; heeft de schepeling de dienstbetrekking onrechtmatig doen eindigen, dan is de zeewerkgever gerechtigd zulks in het getuigschrift te vermelden.
De zeewerkgever, die weigert het gevraagde getuigschrift af te geven, die in het getuigschrift tegen beter weten onjuiste mededelingen opneemt, of die het getuigschrift van een kenmerk voorziet, bestemd om aangaande de schepeling enige mededeling te doen, welke niet in de bewoordingen van het getuigschrift is vervat, is zowel jegens de schepeling als jegens derden aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
Elk beding, waardoor deze verplichtingen van de zeewerkgever zouden worden uitgesloten of beperkt, is nietig.
Artikel 550
De schepelingen zijn verplicht om aan het behoud van het schip en de zaken aan boord mede te werken. Zij hebben het recht op buitengewone beloning voor de dagen, gedurende welke zij hiertoe werkzaam zijn geweest.
In geval van geschil stelt de rechter in eerste aanleg, binnen wiens gebied de werkzaamheden tot behoud hebben plaats gehad, de beloning vast. In het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten geschiedt de vaststelling door het bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk door de Nederlandse diplomatieke of bezoldigde consulaire ambtenaar, die het eerst bereikt is.
Artikel 551
Indien een schip, dat tot het verrichten van sleepdienst niet is bestemd, aan een ander in open zee aangetroffen schip sleepdienst bewijst onder omstandigheden, welke aanspraak op hulploon uitsluiten, hebben niettemin de schepelingen recht op een aandeel in het sleeploon. De reder is verplicht aan iedere schepeling vóór de uitbetaling desverlangd het bedrag van het sleeploon en de verdeling daarvan schriftelijk mede te delen.
In geval van geschil stelt de rechter in eerste aanleg, binnen wiens gebied het schip is aangekomen of de monsterrol is opgemaakt, het aandeel van de schepelingen in het sleeploon naar billijkheid vast.
Artikel 552
In geval van verlies van het schip door schipbreuk, is de zeewerkgever verplicht om aan de schepeling zolang deze dientengevolge werkloos is doch ten hoogste gedurende twee maanden een schadeloosstelling te betalen tot een bedrag gelijk aan het bij de arbeidsovereenkomst in geld vastgestelde deel van het loon. Is het loon geheel of voor een deel niet naar tijdruimte vastgesteld, dan is een bedrag verschuldigd gelijk aan het loon, dat volgens het gebruik wegens een reis als die waarop het schip is verloren gegaan, bij vaststelling van het gehele loon naar tijdruimte, wordt betaald. In geval van geschil beslist de rechter in eerste aanleg binnen wiens gebied de monsterrol is opgemaakt of de zetel van het scheepsbedrijf is gevestigd.
Voor zover de schepeling krachtens het bepaalde in artikel 541 recht heeft op loon, komt dit loon in mindering van de hierbedoelde schadeloosstelling.
De vordering tot schadeloosstelling is bevoorrecht op alle goederen van de zeewerkgever; het voorrecht staat in rang gelijk met dat bedoeld in artikel 288, onder e, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.
De zeewerkgever, die vermeent, dat een of meer van de schepelingen ten aanzien van de schipbreuk grove schuld treft, is bevoegd om zich te wenden tot de rechter in eerste aanleg met verzoek zijn in het eerste lid bedoelde verplichting tegenover bepaalde schepelingen voor een bij zijn beslissing bepaalde en op dezelfde wijze verlengbare tijd op te schorten, totdat omtrent de oorzaak van de ramp uitspraak is gedaan. De rechter in eerste aanleg mag naar aanleiding van die uitspraak de zeewerkgever voorgoed van zijn verplichting ontheffen.
Artikel 553
De zeewerkgever, die verplicht is tot vrij vervoer van de schepelingen naar een haven, heeft het recht om zich van die verplichting te kwijten door hem, mits hij tot werken in staat is, aan boord van een naar die haven bestemd schip een betrekking te verschaffen overeenkomstig die, welke hij in dienst van de reder bekleedde.
Geschillen over de uitvoering van deze bepaling beslist in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten het bevoegde gezag en buiten het Koninkrijk de Nederlandse diplomatieke of bezoldigde consulaire ambtenaar, die het eerst te bereiken is.
Artikel 554
Bij overeenkomst mogen partijen niet afwijken van het bepaalde in de artikelen 492, 493, 496, 497, 507, 508, 512, 517–520, 522–527, 529, 540, eerste en tweede lid, 546, 550 en 551, noch ook ten nadele van schepelingen van het bepaalde in de artikelen 501, 515, 516, 521, 528, 531, 533–535, 539, 540, derde lid, 541–544, 548, 552 en 553.
Bepalingen in de arbeidsovereenkomst, welke afwijkingen bevatten van de algemene verordeningen betreffende de bevoegdheid van de rechter om kennis te nemen van geschillen betrekkelijk deze overeenkomst, zijn nietig, met uitzondering van die, waarbij partijen zich verbinden om dergelijke geschillen aan de uitspraak van scheidslieden te onderwerpen.
Artikel 555
Een beschikking ingevolge de artikelen 516 vierde lid, 525 laatste lid, 540, 546, 550, 551 en 552 geeft de rechter in eerste aanleg niet dan na verhoor, althans na behoorlijke oproeping door de griffier, van partijen. Bij de oproeping van de wederpartij wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
In de gevallen van de artikelen 516, vierde lid, 525, vijfde lid, 546, 550, 551 en 552 kan de beschikking worden gegeven in de vorm bij artikel 430 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaald.
§ 3. Van de monsterrol en het monsterboekje
Artikel 556
De monsterrol is een, ten overstaan van de bevoegde ambtenaar opgemaakte, staat van de bemanning van een schip. Zij wordt in tweevoud opgemaakt en vermeldt, onverminderd hetgeen elders is voorgeschreven, de naam van het schip, de met het schip te maken reis of reizen, de namen van de zeewerkgever, van de kapitein en van de schepelingen, de hoedanigheid in welke iedere schepeling aan boord dienst zal doen, wie hunner de rang van officier zullen hebben, en hetgeen partijen daarin verder verlangen op te nemen.
Zij wordt door of namens de zeewerkgever, door de kapitein en door de schepelingen ondertekend.
Nietig zijn bepalingen in de monsterrol, welke afwijken van de met een schepeling gesloten arbeidsovereenkomst of welke deze aanvullen.
Artikel 557
Bij het opmaken van de monsterrol is de rechter verplicht de met de schepelingen gesloten arbeidsovereenkomst aan de ambtenaar van aanmonstering over te leggen.
De ambtenaar van aanmonstering vergewist zich, dat de schepelingen de inhoud van de arbeidsovereenkomst hebben begrepen en dat partijen de overeenkomsten hebben ondertekend. Hij neemt daaromtrent een verklaring in de monsterrol op.
De ambtenaar voegt gewaarmerkte afschriften van de overeenkomsten als bijlagen bij de monsterrol. Iedere schepeling moet aan boord in de gelegenheid worden gesteld van de hem betreffende overeenkomst inzage te nemen.
Artikel 558
De ambtenaren van aanmonstering geven aan ieder, die zich daartoe aanmeldt en aan wie niet reeds eerder een nog geldig monsterboekje is afgegeven, een monsterboekje af.
Zij kunnen de afgifte van een monsterboekje weigeren, wanneer hij, die zich daartoe aanmeldt, bij rechterlijk vonnis, in het Koninkrijk of in het buitenland gewezen, onherroepelijk veroordeeld is geworden wegens het door de wetten van het betreffende land strafbaar gestelde, onbevoegd in- of uitvoeren van in die wetten bepaalde verdovende middelen en er sinds de dagtekening van vorenbedoeld vonnis geen vijf jaren verstreken zijn.
Het boekje bevat de nodige gegevens omtrent de persoon van de houder.
Artikel 559
Onverminderd het bepaalde in het volgende artikel en in andere wetten, laat de ambtenaar van aanmonstering alleen hen, die een monsterboekje overleggen, toe om als schepeling een monsterrol te ondertekenen.
De ambtenaar van aanmonstering vermeldt in het boekje de ondertekening van de monsterrol en de hoedanigheid, waarin de schepeling dienst zal doen.
Artikel 560
De schepeling moet met het monsterboekje overleggen een bewijs van gezondheid, niet langer dan een jaar tevoren afgegeven door een in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba tot de uitoefening van de geneeskunst bevoegde geneeskundige en vaststellende, dat de schepeling niet lichamelijk ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden aan boord, waartoe hij zich wenst te verbinden, en dat zijn tegenwoordigheid aan boord geen gevaar voor de gezondheid van de overige opvarenden oplevert.
Indien de monsterrol in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten door de daartoe bevoegde autoriteit wordt opgemaakt, worden de ter plaatse geldende voorschriften gevolgd.
Artikel 561
De ambtenaar van aanmonstering stelt na afloop van de monstering het monsterboekje in handen van de kapitein; deze geeft het de schepeling terug bij het einde van de dienst aan boord van het schip.
De kapitein vermeldt in het boekje de datum waarop en de plaats waar de dienst aan boord van het schip is geëindigd. Deze vermelding wordt, indien de kapitein of de schepeling zulks verzoekt, door de ambtenaar van aanmonstering voor gezien getekend.
De Commissie van Onderzoek, als bedoeld in artikel 26 bis van de Schepenwet, is bevoegd, op verzoek van de zeewerkgever, de Inspecteur voor de Scheepvaart gehoord, het monsterboekje gedurende de tijd van ten hoogste één jaar in te houden, ingeval de schepeling de overeenkomst onrechtmatig heeft doen eindigen. De schepeling wordt vooraf opgeroepen om te worden gehoord; hij mag ook verschijnen bij een bijzonder gemachtigde of vergezeld van een raadsman.
De ambtenaar van aanmonstering kan het monsterboekje gedurende de tijd van ten hoogste drie jaar inhouden, ingeval de schepeling bij rechterlijk vonnis, in het Koninkrijk of in het buitenland gewezen, onherroepelijk veroordeeld is geworden wegens het door de wetten van het betreffende land strafbaar gestelde, onbevoegd in- of uitvoeren van in die wetten bepaalde verdovende middelen en er sinds de dagtekening van vorenbedoeld vonnis geen vijf jaren verstreken zijn.
De officier van Justitie verschaft aan de ambtenaar van aanmonstering inlichtingen omtrent de namen der personen die bij rechterlijk vonnis onherroepelijk veroordeeld zijn geworden wegens het onbevoegd in- of uitvoeren van verdovende middelen.
De bevoegdheid van de zeewerkgever tot het doen van het verzoek vervalt door verloop van één maand na het eindigen van de arbeidsovereenkomst in een haven in Bonaire, Sint Eustatius of Saba en van zes maanden na het eindigen van die overeenkomst buiten Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 562
Het monsterboekje mag het loon niet noemen en gedragsbeoordelingen niet bevatten.
Artikel 563
Indien de schepelingen van mening is, dat de kapitein in zijn monsterboekje onjuiste feiten heeft vermeld, mag hij zich daarover beklagen bij de Commissie van Onderzoek, als bedoeld in artikel 26 bis van de Schepenwet. Deze beslist, de Inspecteur voor de Scheepvaart gehoord, na verhoor of behoorlijke oproeping van de kapitein en brengt de door haar nodig geachte verbetering in het boekje aan.
Het laatste lid van artikel 561 vindt overeenkomstige toepassing.
Artikel 564
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)