Wet educatie en beroepsonderwijs BES
- b. de regelingen, bedoeld in de artikelen 45, derde lid, 46, vierde lid,47, eerste lid, 50, vierde lid, en 60, derde lid, 61, derde lid, 62, eerste lid;
- c. besluiten tot inwilliging van een aanvraag om bekostiging van een cursus educatie, genomen op grond van artikel 61, eerste lid;
- d. besluiten tot stopzetting van bekostiging van een cursus educatie, genomen op grond van artikel 62, eerste lid.
Artikel 64
Onze Minister stelt de eilandsraad in kennis van:
- a. beschikkingen tot inwilliging en tot afwijzing van een aanvraag om erkenning van een opleiding, genomen op grond van artikel 3;
- b. beschikkingen tot inwilliging en afwijzing van een aanvraag ter verkrijging van een licentie voor een cursus educatie, genomen op grond van artikel 4;
- c. beschikkingen tot intrekking van de erkenning van een opleiding, genomen op grond van artikel 7;
- d. gegeven waarschuwingen op grond van artikel 8;
- e. beschikkingen tot ontneming van de licentie voor een cursus educatie, genomen op grond van artikel 9;
- f. beschikkingen tot beëindiging van de registratie in het Centraal register, genomen op grond van artikel 11.
Titel 2. Het beroepsonderwijs
Artikel 65
[vervallen]
Artikel 66
[vervallen]
Artikel 67
[vervallen]
Artikel 68
[vervallen]
Titel 3. Toezicht overige opleidingen en cursussen educatie
Artikel 69
[vervallen]
Titel 4. Beleidsoverleg
Artikel 70
Onze Minister pleegt in elk geval tweemaal per jaar overleg met een vertegenwoordiging van de bevoegde gezagsorganen en het personeel van de instellingen waaraan erkende opleidingen en cursussen educatie met licentie worden verzorgd over aangelegenheden van algemeen beleid met betrekking tot het secundair beroepsonderwijs en de educatie.
Bij eilandsbesluit wordt een Raad van Onderwijs en Arbeidsmarkt ingesteld, welke in elk geval is belast met de taken die in deze wet aan die Raad zijn toebedeeld.
Hoofdstuk 8. Wijzigingen overige landsverordeningen
Artikel 71
[vervallen]
Artikel 72
[vervallen]
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 73
[vervallen]
Artikel 74
De opleidingen die in het schooljaar 2003/2004 werden bekostigd als middelbaar beroepsonderwijs in de zin van de Landsverordening voortgezet onderwijs, worden met ingang van 1 augustus 2004 aangemerkt als erkende en bekostigde opleidingen voor secundair beroepsonderwijs.
De niet bekostigde opleidingen die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 53, eerste lid, van de Landsverordening voortgezet onderwijs zijn aangewezen als middelbaar beroepsonderwijs, worden aangemerkt als erkende niet bekostigde opleidingen voor secundair beroepsonderwijs.
Artikel 75
Voorzover deze wet daarin niet voorziet, alsmede indien nodig in afwijking van het bij of krachtens deze wet bepaalde, kan Onze Minister, desgewenst per openbaar lichaam gedurende maximaal twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet voor bepaalde tijd regels vaststellen ten behoeve van de goede invoering van deze wet.
Artikel 76
[vervallen]
Artikel 77
Voor zover deze wet betrekking heeft op educatie, treedt hij in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 78
Deze wet wordt aangehaald als: Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
Artikel 1.1.1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid;
beroepsopleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid;
beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.6, vierde lid;
beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg: beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.6, derde lid;
beroepspraktijkvorming: het onderricht in de praktijk van het beroep, bedoeld in artikel 7.2.7, eerste lid;
bevoegd gezag:
- a. van een openbare instelling: bestuurscollege, voor zover de eilandsraad niet anders bepaalt, en, indien de eilandsraad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regelen, dan wel het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan;
- b. van een bijzondere instelling: natuurlijke persoon of rechtspersoon die de instelling in stand houdt als bedoeld in artikel 1.3.4, eerste lid;
- c. van een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1: rechtspersoon die de exameninstelling in stand houdt;
bijzondere instelling: een instelling in stand gehouden door een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon;
deelnemer: degene die een opleiding educatie volgt, met uitzondering van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;
deskundige: een deskundige als bedoeld in artikel 121, zesde lid, van Boek 2, van het Burgerlijk Wetboek BES;
doorlopende leerroute vmbo-mbo: route als bedoeld in artikel 8.4a.2, tweede lid;
educatie: onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid;
eindtermen: de eindtermen, bedoeld in artikel 7.3.2;
exameninstelling: een instelling als bedoeld in artikel 1.6.1;
examinering: het nemen van beslissingen over inhoud en niveau van examens van een beroepsopleiding in relatie tot de eindtermen, procedures en voorwaarden waaronder examens worden afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van examens;
expertisecentrum onderwijszorg: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid;
ho-student: degene die hoger onderwijs volgt, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
instelling: een organisatorische eenheid die opleidingen educatie of opleidingen beroepsonderwijs verzorgt;
kwalificatie: de kwalificatie, bedoeld in artikel 7.1.3;
kwalificatiedossier: een document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven;
leerlingen: leerlingen als bedoeld in de WPO BES en WVO BES;
leerweg: een leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid;
onderwijs: educatie en beroepsonderwijs;
Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
openbare instelling: een instelling in stand gehouden door een openbaar lichaam;
opleiding educatie: een opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid;
opleidingsdomein BES: een samenhangend geheel van kwalificaties die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken;
persoonsgebonden nummer BES: het administratienummer van de deelnemer, vavo-student of student, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 8.1.3, vierde lid;
raad: Raad onderwijs arbeidsmarkt als bedoeld in artikel 1.5.1, eerste lid;
Registratie instellingen en opleidingen: Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid;
student: degene die beroepsonderwijs volgt;
studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar;
vavo-student: degene die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgt;
volwassene: een in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder.
Titel 2. Doelstellingen onderwijs
Artikel 1.4.1. Erkenning beroepsopleidingen
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg erkennen indien de kwalificatie waarop de beroepsopleiding is gebaseerd, is opgenomen in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7.2.4, eerste lid.
Erkenning houdt in dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een diploma als bedoeld in artikel 7.4.8 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 is verbonden.
Voorwaarde voor erkenning is dat de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.2,
- b. het onderwijs, de examens en de verklaring, bedoeld in hoofdstuk 7 met uitzondering van artikel 7.1.4, met uitzondering van artikel 7.2.4a, derde lid, mits het aantal begeleide onderwijsuren en het aantal uren beroepspraktijkvorming op grond van de studieduur, naar evenredigheid ten minste gelijk is aan het aantal uren, bedoeld in artikel 7.2.6, tweede tot en met vierde lid,
- c. de commissie van beroep voor de examens, bedoeld in artikel 7.5.3,
- d. vervallen,
- e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 8.2.1,
- f. de eisen, bedoeld in de artikelen 4.2.1 tot en met 4.2.4, en
- g. het toezicht door de inspectie.
De aanvraag om erkenning gaat in elk geval vergezeld van een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.2, tweede lid alsmede het ontwerp van de in artikel 7.4.9 bedoelde onderwijs- en examenregeling van de opleiding.
De aanvraag om erkenning wordt ingediend bij Onze Minister. Indien de gegevens bij de aanvraag onjuist of niet volledig zijn, stelt Onze Minister binnen twee weken na indiening van de aanvraag de aanvrager in de gelegenheid om binnen een door Onze Minister te bepalen termijn alsnog te voorzien in de vereiste gegevens.
Onze Minister beslist binnen zes maanden na de aanvraag om erkenning. Indien de beschikking niet binnen zes maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister en, indien het betreft op grond van artikel 2.1.1 bekostigde opleidingen, de desbetreffende eilandsraad jaarlijks vóór 1 februari een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op opleidingen. Het verslag bevat tevens het aantal studenten per opleiding en het aantal uitgereikte diploma’s en certificaten, bedoeld in artikel 7.4.8 respectievelijk 7.2.3.
Een aanvraag om erkenning geldt mede als aanmelding voor registratie in de Registratie instellingen en opleidingen.
Het eerste tot en met achtste lid zijn van overeenkomstige toepassing op een beroepsopleiding in andere dan in het eerste lid genoemde leerwegen, met dien verstande dat voor die opleiding artikel 7.2.2, tweede lid, niet van toepassing is en ten aanzien van het onderwijs artikel 7.2.6, eerste lid, niet in acht behoeft te worden genomen voor wat betreft de eisen met betrekking tot voldoende begeleide onderwijsuren en uren beroepspraktijkvorming en artikel 7.2.6, tweede tot en met achtste lid, niet in acht behoeft te worden genomen.
Artikel 1.4.2. Erkenning opleidingen educatie
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag een opleiding educatie erkennen.
Erkenning houdt in dat de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een diploma als bedoeld in artikel 7.4.8 of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3 is verbonden.
Voorwaarde voor erkenning is dat de instelling voor die opleiding in acht neemt artikel 8.1.1c, artikel 8.1.2a en hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.2,
- b. het onderwijs en de examens, bedoeld in hoofdstuk 7, met uitzondering van de artikelen 7.1.4 en 7.4.7, achtste lid,
- c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5, met uitzondering van de artikelen 7.5.1, 7.5.5 en 7.5.6,
- d. de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 8.1.5, eerste tot en met derde lid, en
- e. het toezicht door de inspectie.
De aanvraag om erkenning gaat in elk geval vergezeld van een beschrijving van het stelsel van kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.2, tweede lid alsmede het ontwerp van de in artikel 7.4.9 bedoelde onderwijs- en examenregeling van de opleiding.
Onze Minister beslist binnen 3 maanden na de aanvraag.
Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling.
Hoofdstuk 2. Erkenning opleidingen; licenties cursussen educatie
Artikel 2.1.1. Vestiging bekostigingsaanspraak beroepsopleidingen
Onze Minister kan, de eilandsraad gehoord, op aanvraag van het bevoegd gezag besluiten dat een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg of een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende leerweg ten aanzien waarvan het bevoegd gezag een erkenning heeft verkregen op grond van artikel 1.4.1, voor bekostiging in aanmerking komt. Bij inwilliging van de aanvraag ontstaat de aanspraak op bekostiging met ingang van het kalenderjaar daaropvolgend.
Bekostiging van een beroepsopleiding vindt slechts plaats indien:
- a. de beroepsopleiding wordt aangeboden door een instelling in stand gehouden door een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die niet het maken van winst tot oogmerk heeft,
- b. er maatschappelijke behoefte aan de beroepsopleiding bestaat,
- c. er arbeidsmarktperspectieven zijn voor afgestudeerden,
- d. de inhoud van de beroepsopleiding bijdraagt aan een duurzame en brede beroepskwalificatie, alsmede
- e. de beroepsopleiding bijdraagt aan het tot stand komen van een samenhangend aanbod met het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs dat wordt bekostigd op grond van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 2.2.1. Rijksbijdrage beroepsonderwijs
De rijksbijdrage voor beroepsopleidingen waarop de in artikel 2.1.1, eerste lid, bedoelde aanspraak betrekking heeft, wordt per instelling berekend en bestaat uit een bedrag per student, waarbij onderscheid kan worden gemaakt naar leerweg.
De rijksbijdrage is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van een instelling. De bekostiging wordt per instelling berekend aan de hand van een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde berekeningswijze.
De rijksbijdrage wordt verstrekt voor:
- a. personeel wegens voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens de Ambtenarenwet BES,
- b. onderhoud en vervanging van inventaris,
- c. onderhoud van gebouwen en terreinen,
- d. energie,
- e. administratie, beheer en bestuur,
- f. schoonmaken,
- g. heffingen
- h. inkoop van diensten,
- i. loopbaanoriëntatie en -begeleiding,
- j. studenten met een handicap of chronische ziekte, alsmede
- k. zorg voor studenten met specifieke onderwijsbehoefte te verlenen door de instelling.
Artikel 2.2.2. Berekeningswijze
De in artikel 2.2.1 bedoelde berekeningswijze bevat voor elke instelling en elke beroepsopleiding een gelijkelijk geldende maatstaf.
De maatstaf voorziet in bekostiging aan de hand van de instroom van studenten.
Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 oktober de bedragen, bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, vastgesteld, die per leerweg kunnen verschillen en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend.
Voor de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, geldt inschrijving van een student voor twee of meer voltijdse dan wel twee of meer deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar als inschrijving voor één voltijdse respectievelijk één deeltijdse beroepsopleiding. Inschrijving van een student voor zowel voltijdse als deeltijdse beroepsopleidingen in enig studiejaar geldt voor de toepassing van die maatstaf als inschrijving voor een voltijdse opleiding.
Bij de toepassing van de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, blijven buiten beschouwing studenten aan een deeltijdse opleiding waarvoor het bevoegd gezag een in instellingstijd verzorgd onderwijsprogramma, met inbegrip van de beroepspraktijkvorming, heeft ingericht dat minder dan 300 uren per volledig studiejaar omvat.
In de maatstaf, bedoeld in het tweede lid, kan onderscheid worden gemaakt naar groepen van studenten en naar opleidingen. De maatstaf, bedoeld in het tweede lid, kan verschillend worden vastgesteld voor opleidingen die worden verzorgd door een instelling die deel uitmaakt van een scholengemeenschap als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 2.2.3. Aanvullende middelen
Onze Minister kan aan de rijksbijdrage, berekend op grond van artikel 2.2.2, een bedrag toevoegen in verband met:
- a. bijzondere omstandigheden die in redelijkheid niet door de instelling binnen de rijksbijdrage voor het betreffende bekostigingsjaar of binnen de normale bedrijfsvoering kunnen worden opgevangen; of
- b. de ontwikkelingen van het bestel van het beroepsonderwijs op de onderscheiden openbare lichamen.
Het bedrag bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan op de rijksbijdrage van een later jaar geheel of gedeeltelijk in mindering worden gebracht. Indien dat het geval is wordt dit vermeld in de beschikking en wordt in die beschikking tevens de hoogte vermeld van het bedrag dat in mindering zal worden gebracht of de criteria voor de bepaling van dat bedrag.
Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven voor de verstrekking bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.
Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels omtrent de verdeling vastgesteld.
Artikel 2.2.5. Bekendmaking, verstrekking en betaling rijksbijdrage
Onze Minister maakt aan elke instelling jaarlijks in december bekend welke rijksbijdrage voor het daarop volgende kalenderjaar wordt verstrekt. Hij deelt daarbij mee op welke wijze de rijksbijdrage is berekend en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder a.
De rijksbijdrage wordt betaald volgens een door Onze Minister te bepalen kasritme.
Zolang de rijksbijdrage niet is vastgesteld of nader vastgesteld, wordt daarop door Onze Minister een voorschot betaald. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven met betrekking tot de uitvoering van deze paragraaf. Deze voorschriften hebben in elk geval betrekking op aard, inrichting en wijze van verstrekking van gegevens met betrekking tot de studenten.
De in het vierde lid bedoelde gegevens die op enigerlei wijze een rol spelen in de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2, gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige. Deze gegevens en de verklaring worden ingediend voor een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip.
Titel 5. Raad onderwijs arbeidsmarkt
Titel 6. De exameninstellingen
Titel 1. Planning
Hoofdstuk 3. Het onderwijs en de examens
Titel 1. Onderwijskundige structuur
Titel 4. Stimuleringsmiddelen voor educatie en beroepsonderwijs en voor afstemming onderwijs-arbeidsmarkt
Titel 4. Stimuleringsmiddelen voor educatie en beroepsonderwijs en voor afstemming onderwijs-arbeidsmarkt
Titel 5. Beroep bij examens
Titel 6. Kwaliteitseisen onderwijsgevenden
Titel 2. Vereisten benoeming of tewerkstelling
Hoofdstuk 5. Bekostiging en rechtspositie opleidingen
Titel 3. Benoembaarheidsvereiste voor overig personeel van instellingen
Titel 4. Einde bekostiging
Titel 1. Het Centraal register
Titel 2. Beëindiging van rechten; erkenningen beroepsopleidingen en erkenningen opleidingen educatie
Titel 1. Het onderwijs
Hoofdstuk 6. Bekostiging cursussen educatie
Hoofdstuk 7. Informatieverkeer en toezicht
Titel 5. Commissie van beroep voor de examens
Titel 6. Practicumplaatsen voor studenten in opleiding
Titel 3. De educatie
Titel 3. De educatie
Hoofdstuk 8. Wijzigingen overige landsverordeningen
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 9.1. Beroep
In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tegen een besluit van Onze Minister jegens een bepaalde instelling op grond van de in het tweede lid genoemde artikelen. De artikelen 54 en 55 van de Wet administratieve rechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Het eerste lid heeft betrekking op de artikelen:
- a. 1.6.1,
- c. 2.3.11,
- e. 6.3.1, en
- f. 10.2.
Artikel 9.2. Intreden gevolgen van toekennen van rechten na sprongberoep
Indien de uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9.1 strekt tot examinering als bedoeld in artikel 1.6.1, of registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt in het jaar waarin de uitspraak is gedaan.
Artikel 1.1.2. Aard bepalingen beroepsonderwijs
De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.2, 1.3.3, 1.3.5, 2.5.1, 2.5.2, 4.1.3, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.1.1, hoofdstuk 7, 8.1.1 tot en met 8.1.1c, 8.1.3, 8.1.4, tweede lid, 8.1.5a tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.4.3 en 8.4a.1 tot en met 8.4a.16 zijn regels voor openbare instellingen voor beroepsonderwijs.
De bepalingen vastgesteld bij of krachtens de artikelen 1.3.2, 1.3.5, 2.5.1, 2.5.2, 4.1.3, 4.2.1 tot en met 4.2.5, 6.1.1, hoofdstuk 7, 8.1.1 tot en met 8.1.1c, 8.1.3, 8.1.4, eerste en derde lid, 8.1.5a tot en met 8.2.1, 8.4.1, 8.4.2, 8.4.3 en 8.4a.1 tot en met 8.4a.16 zijn voorwaarden voor bekostiging van beroepsopleidingen aan bijzondere instellingen.
Artikel 1.2.1. Doelstellingen onderwijs
Educatie is gericht op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van volwassenen door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften, mogelijkheden en ervaringen alsmede bij maatschappelijke behoeften. Waar mogelijk sluit de educatie aan op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs. Educatie omvat niet activiteiten op het niveau van het hoger onderwijs.
Beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de studenten en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren. Beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend beroepsonderwijs en het algemeen voortgezet onderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet het hoger onderwijs.
§ 1. Taken instellingen
Artikel 1.3.1. Taken instellingen
Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen, onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor:
- a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen,
- b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het zorg dragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen educatie en beroepsopleidingen,
- c. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanoriëntatie,
- d. het bieden van mogelijkheden voor loopbaanbegeleiding gedurende de inschrijving en na diplomering,
- e. de afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving op nationaal en internationaal gebied in het algemeen en ten aanzien van de arbeidsmarkt in het bijzonder.
§ 2. Kwaliteitszorg
§ 3. Overige voorschriften
Artikel 1.3.3. Karakter openbaar onderwijs
Het openbaar onderwijs draagt bij aan de ontwikkeling van de studenten en vavo-studenten met aandacht voor de godsdienstige, levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden zoals die leven in de Nederlandse samenleving en de Caribische regio en met onderkenning van de betekenis van de verscheidenheid van die waarden.
Openbaar onderwijs wordt gegeven met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging.
Artikel 1.3.4. Instandhouding instelling
Een instelling kan in stand gehouden worden door:
- a. een natuurlijke persoon, of
- b. een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
Een rechtspersoon die een instelling in stand kan houden kan zijn:
- a. een openbaar lichaam of een door een openbaar lichaam ingestelde openbare rechtspersoon, dan wel
- b. een privaatrechtelijke rechtspersoon.
Artikel 1.3.5. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in het Tweede Boek, titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.
Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering BES, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student of vavo-student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student of vavo-student van de instelling, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.
Titel 4. Erkenning beroepsopleidingen en opleidingen educatie
Titel 5. Raad onderwijs arbeidsmarkt
Artikel 1.5.1. Raad onderwijs arbeidsmarkt
Onze Minister stelt voor een openbaar lichaam of voor een combinatie van openbare lichamen een Raad onderwijs arbeidsmarkt in.
De raad is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.
De raad heeft een bestuur bestaande uit vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, uit vertegenwoordigers van werknemersorganisaties en uit vertegenwoordigers van de instellingen.
Onze Minister kan de raad subsidiëren voor de uitoefening van zijn taken.
Voor zover het vierde lid van toepassing is, zijn titel 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4 tot en met 19 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 1.5.2. Taken Raad onderwijs arbeidsmarkt
De raad adviseert Onze Minister over de doelmatigheid van de beroepsopleidingen die de instellingen voornemens zijn te verzorgen of reeds verzorgen, gelet op de arbeidsmarktrelevantie van die opleidingen.
De raad draagt bij aan een doelmatige en doelgerichte inzet van overheidsmiddelen door het doen van voorstellen, welke beroepsopleidingen voor bekostiging uit ’s Rijks kas in aanmerking komen.
De raad doet in voorkomende gevallen voorstellen aan Onze Minister inzake het ontwikkelen van beroepsopleidingen dan wel delen van beroepsopleidingen die relevant zijn voor de regionale arbeidsmarkt.
De raad draagt bij aan de bevordering van de kwaliteit van de plaatsen waar de beroepspraktijkvorming wordt verzorgd.
De raad draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat er een toereikend aantal bedrijven en organisaties van voldoende kwaliteit beschikbaar zijn die de beroepspraktijkvorming voor de opleidingen verzorgen. De raad is voorts belast met een regelmatige beoordeling van die bedrijven en organisaties.
Titel 5. Raad onderwijs arbeidsmarkt
Artikel 1.6.1. Exameninstellingen
Onze Minister besluit op aanvraag van het bevoegd gezag van een exameninstelling, dat de exameninstelling het recht heeft tot examinering van een beroepsopleiding in opdracht van een instelling, indien die exameninstelling in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald over:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 1.3.2 voor zover het betreft de examinering,
- b. de examens, en
- c. de rechtsbescherming, bedoeld in hoofdstuk 7, titel 5.
Onze Minister besluit binnen drie maanden na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid. Indien de beschikking niet binnen drie maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Artikel 2.1.2. Einde bekostiging beroepsopleiding
De aanspraak op bekostiging voor een beroepsopleiding eindigt van rechtswege met ingang van het tijdstip waarop de erkenning ten aanzien van die opleiding is ingetrokken.
Onze Minister kan, de eilandsraad gehoord, besluiten dat een beroepsopleiding, verzorgd door een instelling, niet meer voor bekostiging in aanmerking komt, indien mede gezien de arbeidsmarktomstandigheden niet langer sprake is van voldoende behoefte aan die opleiding.
Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop de aanspraak op bekostiging voor een bepaalde beroepsopleiding ontnomen wordt zodanig dat de ingeschreven studenten de beroepsopleiding waarvoor zij zijn ingeschreven, aan dezelfde of aan een andere instelling binnen een redelijke tijd kunnen voltooien.
Titel 1. Planning
Artikel 2.2.4. Aftrekposten rijksbijdrage
Op de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.1 kan volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels een bedrag in mindering worden gebracht in verband met de kosten waarop aanspraak wordt gemaakt door personeel dat is benoemd met voorbijgaan van:
- a. personeel dat een gelijksoortige functie uitoefent aan een instelling van het bevoegd gezag, of
- b. personeel dat een gelijksoortige functie heeft uitgeoefend aan een instelling van het bevoegd gezag, en
- 1°. in het genot is van wachtgeld, of
- 2°. van een andere ontslaguitkering en direct aan die ontslaguitkering voorafgaand langer dan een jaar onafgebroken in dienst is geweest van het bevoegd gezag.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt, indien het betreft openbaar onderwijs, onder «instelling van het bevoegd gezag» verstaan elke binnen het desbetreffende openbaar lichaam gelegen instelling.
Artikel 2.2.6. Voorziening in huisvesting door het openbaar lichaam
De eilandsraad of het bestuurscollege draagt overeenkomstig hoofdstuk 11, paragraaf 6, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 zorg voor de voorzieningen in de huisvesting van instellingen op het grondgebied van het openbaar lichaam.
Titel 3. Begroting, verslaglegging en gegevensverstrekking
Artikel 2.3.1. Jaarrekening
Het bevoegd gezag van een instelling voor beroepsonderwijs stelt jaarlijks een jaarrekening vast over het afgelopen jaar.
In de jaarrekening legt het bevoegd gezag verantwoording af over het financiële beheer van de instelling voor zover het betreft de ingevolge deze wet uit 's Rijks kas ontvangen middelen. Uit de jaarrekening dient te blijken dat sprake is van een rechtmatige en doelmatige aanwending van de rijksbijdrage. Van niet doelmatige aanwending van de rijksbijdrage is in ieder geval sprake voor zover bedragen daaruit worden aangewend voor het op enigerlei wijze compenseren van de extraneï voor examengeld. Bij ministeriële regeling kunnen met het oog op de verantwoording van de rechtmatigheid en doelmatigheid van de aanwending van de rijksbijdrage nadere voorschriften worden gegeven voor de inrichting van de jaarrekening.
Het resultaat van het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft wordt verrekend met de algemene reserve van de instelling.
Het bevoegd gezag dient de jaarrekening voor 1 juli van het jaar volgend op het boekjaar bij Onze Minister in. De jaarrekening gaat vergezeld van de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige.
Het bevoegd gezag maakt de jaarrekening, vergezeld van de overige gegevens en de verklaring, bedoeld in het vierde lid, openbaar. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven over de wijze en het tijdstip waarop openbaarmaking plaatsvindt.
Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het ten behoeve van Onze Minister beschikt over een overzichtelijke informatieverzameling van de financiële gegevens die op enigerlei wijze van belang zijn voor de berekeningswijze, bedoeld in artikel 2.2.2.
Het bevoegd gezag houdt per begrotingsjaar nauwkeurig boek van baten en lasten en draagt er zorg voor dat de baten en lasten nauwkeurig en herkenbaar zijn verwerkt in de in het zesde lid bedoelde informatieverzameling.
Het bevoegd gezag bewaart de informatieverzameling en de desbetreffende boeken en bescheiden, bedoeld in het zesde en zevende lid, gedurende een periode van zeven jaren.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de gegevens en de wijze van ordening daarvan.
Artikel 2.3.2. Jaarverslag
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het afgelopen jaar vast en maakt het openbaar. Het jaarverslag bevat ten minste het verslag, bedoeld in artikel 1.3.2, derde lid, voor zover dat in het desbetreffende jaar is uitgebracht, dan wel de hoofdpunten van laatstgenoemd verslag, alsmede de hoofdpunten van de bevindingen van de inspectie met betrekking tot de examens en informatie over schorsing en verwijdering van studenten, vavo-studenten en deelnemers in het afgelopen jaar.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting en de wijze en het tijdstip van openbaarmaking van het jaarverslag.
Artikel 2.3.3. Informatie beroepsonderwijs
De instellingen dragen er zorg voor dat zij beschikken over geordende gegevens ten behoeve van het door Onze Minister te voeren beleid met betrekking tot het beroepsonderwijs en verlenen desgevraagd medewerking aan door of namens Onze Minister uit te voeren onderzoek dat geheel of mede op deze gegevens is gebaseerd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften vastgesteld omtrent de wijze van beschikbaarstelling van de in het eerste lid bedoelde gegevens.
Bij de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens voorschriften vastgesteld over de wijze van ordening van de informatie en over de kengetallen waarover informatie beschikbaar is of wordt verstrekt, en kan worden bepaald dat Onze Minister een bijdrage in de kosten voor het verzamelen of verstrekken van deze gegevens is verschuldigd. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan deze bijdrage worden vastgesteld.
Artikel 2.3.4. Gebruik persoonsgebonden nummer BES door bevoegd gezag
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer aan een beroepsopleiding gebruiken in het verkeer met de deelnemer op wie het nummer betrekking heeft, of, indien de deelnemer minderjarig is, met de ouders, voogden of verzorgers van deze deelnemer.
Het bevoegd gezag verstrekt het persoonsgebonden nummer BES van iedere deelnemer aan een beroepsopleiding aan Onze Minister, tezamen met de volgende gegevens van de deelnemer:
- a. geslacht, geboortedatum en postcode van de woonplaats,
- b. de datum van inschrijving of einde inschrijving,
- c. de kwalificatie,
- d. de leerweg,
- e. het al dan niet hebben van een handicap of chronische ziekte die extra ondersteuning vraagt van de instelling,
- f. de hoogste vooropleiding,
- g. het uitstroomniveau of het behaalde diploma en de datum waarop het diploma is behaald,
- h. de omvang van beroepspraktijkvorming, de datum van begin en einde daarvan, de afsluitdatum van de beroepspraktijkvormingsovereenkomst en het betrokken bedrijf dat of de betrokken organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt,
- i. het registratienummer van de instelling,
- j. het volgen van de opleiding in voltijd of deeltijd,
- k. indien van toepassing het zijn van examendeelnemer,
- l. het al dan niet voor bekostiging in aanmerking komen van de deelnemer, en
- m. indien van toepassing de reden van uitstroom.
Bij ministeriële regeling kan een nadere specificatie worden gegeven van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, en kan worden bepaald welke van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, niet langer behoeven te worden verstrekt. Bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden gesteld omtrent de tijdstippen en de wijze van verstrekking van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer aan een beroepsopleiding, al dan niet tezamen met een of meer van de gegevens, bedoeld in het tweede en zevende lid, gebruiken in het verkeer met Onze Minister ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging van de instelling.
Het bevoegd gezag en het hoofd, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Leerplichtwet BES, gebruiken het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer aan een beroepsopleiding in contacten met een openbaar lichaam in het kader van de Leerplichtwet BES, tezamen met de gegevens die noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving van die wet door het openbaar lichaam.
Het bevoegd gezag gebruikt bij de opgave aan het bestuurscollege, bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, het persoonsgebonden nummer BES van de betrokkene.
Indien de gegevens over de nationaliteit van de leerling niet zijn opgenomen in de basisadministratie bedoeld in artikel 1 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES worden deze gegevens door het bevoegd gezag verstrekt aan Onze Minister.
Het bevoegd gezag gebruikt het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer in het contact met een andere school of een school of instelling voor ander onderwijs ten behoeve van de in- en uitschrijving van die deelnemer of ten behoeve van het volgen een doorlopende leerroute vmbo-mbo of de geïntegreerde route vmbo-basisberoepsopleiding, bedoeld in artikel 2.107l van de Wet voortgezet onderwijs 2020. Onder dit contact wordt mede begrepen de uitwisseling van leergegevens en direct met het leren samenhangende begeleidingsgegevens. Bij algemene maatregel van bestuur worden de gegevens, bedoeld in de vorige volzin, gespecificeerd. Het bevoegd gezag bewaart in de administratie van de school een verklaring van instemming van de ouders dan wel de leerling, indien deze de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt, met de uitwisseling van de gegevens.
Het bevoegd gezag kan het persoonsgebonden nummer BES van een deelnemer eenmalig gebruiken ten behoeve van het genereren van een pseudoniem voor deze deelnemer met het oog op het bieden van voorzieningen in het kader van het onderwijs en de begeleiding van deelnemers. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat het pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de deelnemers zijn geregistreerd.
Het bevoegd gezag kan het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, gebruiken voor het genereren van een ander pseudoniem voor een deelnemer in het kader van de toegang tot en het gebruik van digitale leermiddelen of het digitaal afnemen van toetsen en examens, waarbij het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat dit andere pseudoniem wordt bewaard in de systemen waarin de deelnemers zijn geregistreerd. Dit andere pseudoniem wordt uitsluitend verstrekt aan een leverancier die een digitaal product of een digitale dienst aanbiedt bestaande uit leerstof of toetsen en de daarmee samenhangende digitale diensten.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen andere gevallen worden aangewezen dan het geval, bedoeld in het tiende lid, waarvoor het bevoegd gezag op basis van het pseudoniem, bedoeld in het negende lid, een ander pseudoniem kan genereren.
Daarbij worden in ieder geval de categorieën van ontvangers van dit andere pseudoniem aangewezen.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de voorwaarden waaronder de pseudoniemen, bedoeld in het negende tot en met het elfde lid, kunnen worden gegenereerd en gebruikt. Deze voorwaarden betreffen in ieder geval de duur en de beveiliging, waaronder de gescheiden opslag van de pseudoniemen.
Artikel 2.3.5. Verwerking gegevens door Minister
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 2.3.6. Gebruik gegevens uit basisregister onderwijs door Minister en inspectie
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 2.3.7. Gebruik persoonsgebonden nummer door openbaar lichaam
Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde omtrent het gebruik van het persoonsgebonden nummer BES door het openbaar lichaam, gebruikt het openbaar lichaam het persoonsgebonden nummer BES van een leerplichtige en kwalificatieplichtige deelnemer of een persoon als bedoeld in artikel 8.1.8, eerste lid, uitsluitend ten behoeve van:
- a. het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet BES;
- b. de uitvoering van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES;
- c. de verwerking van de gegevens, bedoeld in artikel 21, eerste en derde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Artikel 2.3.8. Onderzoek vanwege Minister
Onze Minister kan naast het deskundigenonderzoek, bedoeld in artikel 2.3.1, vierde lid, een onderzoek instellen of doen instellen naar de jaarrekening en naar de gegevens, bedoeld in artikel 2.3.3, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de doelmatigheid van het beheer van de instelling.
Artikel 2.3.9. Informatieplicht ministeriële deskundige
Vervallen
Artikel 2.3.10. Accountantsprotocol
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de boekhouding, de jaarrekening en de administratie van de instellingen.
Artikel 2.3.11. Correctie rijksbijdrage; verrekening vorderingen
Indien de vaststelling van de rijksbegroting daartoe noopt, kan Onze Minister tot acht weken na die vaststelling correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen acht weken na de vaststelling van de rijksbegroting een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het desbetreffende jaar of betaalt uit in dat jaar.
Indien uit de jaarrekening, uit de verklaring van de deskundige, bedoeld in artikel 2.3.1, vierde lid, uit de resultaten van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.8, blijkt dat de rijksbijdrage op onjuiste gronden is vastgesteld dan wel de besteding daarvan niet rechtmatig of niet doelmatig was, kan Onze Minister binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening correcties aanbrengen op de rijksbijdrage. Onze Minister maakt het bevoegd gezag binnen een jaar na ontvangst van de jaarrekening een correctie als bedoeld in de eerste volzin bekend. Onze Minister verrekent de correctie met de rijksbijdrage voor het eerstvolgende jaar of betaalt uit in dat jaar.
Onverminderd het eerste en tweede lid is Onze Minister bevoegd tot verrekening van vorderingen krachtens deze wet van of op het bevoegd gezag met vorderingen krachtens een andere wet.
Artikel 2.4.1. Bijdrage voor derden
Onze Minister kan aan andere rechtspersonen dan die waarvan de instellingen uitgaan, een bijdrage toekennen ter bevordering van de verwezenlijking van de in artikel 1.2.1 bedoelde doelstellingen van de educatie en het beroepsonderwijs dan wel ten behoeve van de afstemming tussen onderwijs en arbeidsmarkt. In dat geval worden bij ministeriële regeling daaromtrent regels gegeven. Bij de toepassing van dit artikel zijn de titels 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 4, 5, 9 en 10 van de Wet overige OCW-subsidies van toepassing.
Artikel 2.5.1. Opheffing instellingen
Bij de opheffing van een openbare instelling en bij de beëindiging van de bekostiging van een bijzondere instelling draagt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk na de opheffing dan wel na de beëindiging van de bekostiging, zorg voor de vaststelling van een eindafrekening. De eindafrekening wordt aan Onze Minister gezonden en gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige.
Tenzij met Onze Minister een andere regeling wordt getroffen, is het bevoegd gezag aan het Rijk een bedrag verschuldigd, indien de eindafrekening een batig saldo bevat. Het bedrag wordt door Onze Minister vastgesteld en mag niet hoger zijn dan het saldo van de eindafrekening. Bij de vaststelling van het bedrag wordt rekening gehouden met door het bevoegd gezag uit de eigen middelen aan investeringen bestede gelden.
Indien de in het eerste lid bedoelde opheffing dan wel beëindiging van de bekostiging zich voordoet, maakt het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk aan Onze Minister bekend welke maatregelen het heeft genomen teneinde te waarborgen dat de aan die instelling ingeschreven studenten en vavo-studenten het onderwijs aan een andere instelling kunnen voltooien.
Artikel 2.5.2. Beheer van de middelen
Het bevoegd gezag beheert de middelen van de instelling op zodanige wijze dat een behoorlijke exploitatie en het voortbestaan van de instelling zijn verzekerd.
Hoofdstuk 3. Zorgstructuur
Artikel 3.1. Handelingsplan
Het bevoegd gezag van een instelling waar een student of vavo-student met een specifieke onderwijsbehoefte is ingeschreven, stelt voor deze student of vavo-student elk studiejaar een handelingsplan op.
Het handelingsplan wordt opgesteld in overeenstemming met de student of vavo-student of indien de student of vavo-student minderjarig is tevens met diens ouders, voogden of verzorgers.
Indien de inschrijving van de in het eerste lid bedoelde student of vavo-student plaatsvindt op of na 1 augustus wordt het handelingsplan zo spoedig mogelijk maar uiterlijk een maand na die inschrijving opgesteld.
Het bevoegd gezag evalueert jaarlijks het handelingsplan met de student of vavo-student of indien de student of vavo-student minderjarig is tevens met diens ouders, voogden of verzorgers.
Artikel 3.2. Samenwerkingsverband
Het bevoegd gezag is voor elk van zijn instellingen aangesloten bij een samenwerkingsverband met, voor zover aanwezig in het openbaar lichaam:
- a. een of meer instellingen,
- b. een of meer scholen voor primair onderwijs,
- c. een of meer scholen voor voortgezet onderwijs,
- d. de uitvoeringsinstantie, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES, en
- e. een expertisecentrum onderwijszorg.
In afwijking van het eerste lid kan een samenwerkingsverband bestaan uit de betrokkene, bedoeld in de onderdelen a, b, c of d die gezamenlijk een expertisecentrum onderwijszorg in stand houden.
Het samenwerkingsverband stelt zich ten doel een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen instellingen en in samenwerking met de betrokkenen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, te realiseren en wel zodanig dat zoveel mogelijk studenten, vavo-studenten en leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.
Per openbaar lichaam is er één samenwerkingsverband.
Indien een bevoegd gezag wenst deel te nemen aan het samenwerkingsverband, wordt deze deelname door de bevoegde gezagsorganen van het samenwerkingsverband niet geweigerd.
Bij of krachtens ministeriële regeling worden regels gesteld over de wijze waarop een geschil tussen de organisaties, bedoeld in het eerste lid, over aangelegenheden die het samenwerkingsverband aangaan, wordt beslecht.
Artikel 3.3. Eilandelijk zorgplan
Het bevoegd gezag stelt samen met de bevoegde gezagsorganen die samenwerken in een samenwerkingsverband en met het expertisecentrum onderwijszorg indien artikel 3.2 eerste lid, van toepassing is, jaarlijks voor 1 mei een gezamenlijk eilandelijk zorgplan vast voor het daaropvolgende studiejaar.
Het eilandelijk zorgplan bevat in elk geval een beschrijving van:
- a. de wijze waarop wordt voldaan aan artikel 3.2, eerste en derde lid,
- b. de wijze, waarop de bekostiging voor de zorgvoorzieningen, bedoeld in artikel 2.2.1, vierde lid, onderdelen j en k wordt ingezet,
- c. de wijze waarop de subsidie voor de taken, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, en voor zover van toepassing het zevende lid van dat artikel, wordt ingezet,
- d. de beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van studenten, vavo-studenten en leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte,
- e. de procedures voor de handelingsgerichte diagnose van studenten, vavo-studenten en leerlingen, en
- f. de wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen.
Het eilandelijk zorgplan wordt voor 15 mei voorafgaand aan het studiejaar waarop het betrekking heeft, toegezonden aan de inspectie.
Artikel 3.4. Expertisecentrum onderwijszorg
Onze Minister kan op verzoek een rechtspersoon aanwijzen die naar zijn oordeel in staat is deskundige ondersteuning te bieden aan studenten en vavo-studenten met een specifieke onderwijsbehoefte waarin de instelling redelijkerwijs niet kan voorzien en waaronder in elk geval de volgende taken worden verstaan:
- a. het verzorgen van onderwijsondersteunende activiteiten aan studenten en vavo-studenten met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis,
- b. het verzorgen van ambulante begeleiding ten behoeve van studenten en vavo-studenten met een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, geestelijke of meervoudige handicap of stoornis,
- c. het verrichten van handelingsgerichte diagnostiek ten behoeve van de studenten en vavo-studenten op verzoek van het bevoegd gezag, het samenwerkingsverband of de ouders, of
- d. het op verzoek van een bevoegd gezag, het samenwerkingsverband of de ouders van studenten en vavo-studenten adviseren en collegiaal consulteren.
De rechtspersoon, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van deze wet aangeduid als een expertisecentrum onderwijszorg.
Een student of vavo-student die binnen een locatie van het expertisecentrum onderwijszorg wordt begeleid, blijft ingeschreven bij de instelling. Het bevoegd gezag van deze instelling blijft verantwoordelijk voor de student of vavo-student tijdens het verblijf binnen het expertisecentrum onderwijszorg. Onder deze verantwoordelijkheid valt in elk geval de zorg voor het geven van adequaat onderwijs door een docent die daartoe bevoegd is op grond van artikel 4.2.1.
Het bevoegd gezag vergoedt voor het begeleiden van zijn student of vavo-student, bedoeld in het derde lid, naar redelijkheid en indien dit naar oordeel van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, nodig is, de kosten die worden gemaakt door:
- a. het expertisecentrum onderwijszorg, en
- b. een ander bevoegd gezag van een instelling of school als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES of de Wet voortgezet onderwijs 2020.
Per openbaar lichaam is er één expertisecentrum onderwijszorg.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)