Burgerlijk Wetboek BES Boek 1

Type Wet Bes
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 526
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Het verzoek of de vordering daartoe kan worden gedaan door dezelfde personen die de curatele kunnen verzoeken of vorderen.

3.

De curatele eindigt voorts wanneer bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak ten behoeve van de betrokken persoon een bewind als bedoeld in titel 19, dan wel een mentorschap als bedoeld in titel 20, is ingesteld.

Artikel 390
1.

Alle uitspraken waarbij een curatele wordt verleend of opgeheven, een provisioneel bewind wordt ingesteld of een uitspraak tot ondercuratelestelling wordt vernietigd, worden binnen tien dagen nadat zij kunnen worden ten uitvoer gelegd, vanwege de verzoekers in de Staatscourant benevens in twee door de rechter aan te wijzen dagbladen bekendgemaakt. In geval de verzoekers daarmede nalatig zijn, zijn zij hoofdelijk gehouden aan derden de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden.

2.

De bekendmaking van een ondercuratelestelling op eigen verzoek of op vordering van het Openbaar Ministerie geschiedt vanwege de curator, indien deze bij de ondercuratelestelling is benoemd, of anders vanwege de griffier.

Artikel 391

Ter griffie van de rechtbank Den Haag berusten openbare registers, waarin aantekening wordt gehouden van rechtsfeiten die betrekking hebben op curatele. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke rechtsfeiten aangetekend worden en op welke wijze deze aantekening geschiedt.

Titel 17. Levensonderhoud

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 392
1.

Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden:

  • a. de ouders;
  • b. de kinderen;
  • c. behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders.
2.

Deze verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders en stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en stiefkinderen en jegens hun kinderen, bedoeld in artikel 395a, slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde.

3.

De in het eerste lid genoemde personen zijn niet verplicht levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de echtgenoot of een vroegere echtgenoot overeenkomstig titel 6, 9 of 10 kan worden verkregen.

Artikel 394

De verwekker van een kind dat alleen een moeder heeft, alsmede de man die als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, is als ware hij ouder verplicht tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind dan wel, na het bereiken van de meerderjarigheid van het kind, tot het voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie overeenkomstig de artikelen 395a en 395b. Nadien bestaat deze verplichting slechts in geval van behoeftigheid van het kind.

Artikel 395

Een stiefouder is, onverminderd artikel 395a, alleen verplicht gedurende zijn huwelijk levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende kinderen van zijn echtgenoot.

Artikel 395a
1.

Ouders zijn verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun meerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt.

2.

Een stiefouder is gedurende zijn huwelijk jegens de tot zijn gezin behorende meerderjarige kinderen van zijn echtgenoot die de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt, verplicht te voorzien in de in het eerste lid bedoelde kosten.

Artikel 395b
1.

Heeft de rechter het bedrag bepaald dat een ouder of stiefouder dan wel, overeenkomstig artikel 394, de verwekker of de man die in artikel 394 daarmee is gelijkgesteld ter zake van de verzorging en opvoeding van zijn minderjarig kind of stiefkind moet betalen en is deze verplichting tot aan het meerderjarig worden van het kind van kracht geweest, dan geldt met ingang van dit tijdstip de rechterlijke beslissing als een tot bepaling van het bedrag ter zake van levensonderhoud en studie als in artikel 395a bedoeld.

2.

Hetzelfde geldt indien de rechter met toepassing van artikel 406a het bedrag heeft vastgesteld dat een ouder of stiefouder ter bestrijding van de kosten van een maatregel van kinderbescherming aan de voogdijraad moet uitkeren.

3.

De voogdijraad draagt zorg dat de gelden die hem krachtens dit artikel worden uitgekeerd, aan het kind worden uitbetaald.

4.

Voor de toepassing van dit artikel is bevoegd de voogdijraad die laatstelijk voor het meerderjarig worden van het kind overeenkomstig artikel 239 bevoegd was op te treden. Deze raad kan ook wijziging van het bedrag dat is verschuldigd ter zake van levensonderhoud en studie, verzoeken.

5.

In afwijking van het eerste en tweede lid is het bedrag aan het kind verschuldigd en dient dit ook aan hem te worden betaald, indien het kind aan de voogdijraad schriftelijk heeft medegedeeld van optreden van deze laatste volledig af te zien.

Artikel 396
1.

De verplichting van behuwdkinderen en van schoonouders tot het verstrekken van onderhoud vervalt wanneer het huwelijk van het behuwdkind is ontbonden.

2.

De verplichting bestaat niet jegens een behuwdkind dat is gescheiden van tafel en bed en jegens een schoonouder nadat deze is hertrouwd.

Artikel 397
1.

Bij de bepaling van het volgens de wet door bloed- en aanverwanten verschuldigde bedrag voor levensonderhoud wordt enerzijds rekening gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.

2.

Zijn meerdere bloed- of aanverwanten tot het verstrekken van levensonderhoud aan dezelfde persoon verplicht, dan is ieder van hen gehouden een deel van het bedrag te voldoen dat de tot onderhoud gerechtigde behoeft. Bij de bepaling van dit deel wordt rekening gehouden met ieders draagkracht en de verhouding waarin een ieder tot de gerechtigde staat.

Artikel 398
1.

Wanneer hij die tot levensonderhoud verplicht is, buiten staat is het daartoe vereiste geld op te brengen, kan de rechter in eerste aanleg bevelen dat hij de bloed- of aanverwant aan wie hij levensonderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het nodige voorzien.

2.

Ouders zijn steeds bevoegd de rechter te verzoeken hun toe te staan zich van hun onderhoudsplicht jegens hun behoeftig meerderjarig kind op de in het eerste lid omschreven wijze te kwijten.

Artikel 399

De rechter kan de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd; onverminderd hetgeen in afdeling 2 is bepaald omtrent de voorziening in de kosten van de verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen en stiefkinderen.

Artikel 400
1.

Indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen, en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, hebben zijn echtgenoot, zijn vroegere echtgenoot, zijn ouders, zijn kinderen en stiefkinderen voorrang boven zijn behuwdkinderen en zijn schoonouders.

2.

Overeenkomsten waarbij van het volgens de wet verschuldigde levensonderhoud wordt afgezien, zijn nietig.

Artikel 401
1.

Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De voorafgaande zin is niet van toepassing op een verzoek tot wijziging van een termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel 157 of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158.

2.

De termijn die de rechter heeft vastgesteld op grond van artikel 157, derde of vijfde lid dan wel zesde lid, tweede zin, of die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158, kan op verzoek van een van de gewezen echtgenoten worden gewijzigd in geval van zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de verzoeker kan worden gevergd. Verlenging is niet mogelijk indien de rechter zulks ingevolge artikel 157, vijfde lid, heeft bepaald. Op een verzoek tot verlenging is artikel 157, vijfde lid, tweede en derde zin, van overeenkomstige toepassing.

3.

Partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat het eerste lid, eerste zin, van toepassing is op een verzoek tot wijziging van een termijn die is opgenomen in een overeenkomst als bedoeld in artikel 158.

4.

Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

5.

Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Artikel 402
1.

De rechter die het bedrag van een uitkering tot levensonderhoud bepaalt, wijzigt of intrekt, stelt tevens de dag vast van welke dit bedrag verschuldigd is of ophoudt verschuldigd te zijn.

2.

Bij de vaststelling van een bedrag bepaalt de rechter tevens of dit wekelijks, maandelijks of driemaandelijks moet worden voldaan.

3.

Zouden op de dag dat de uitspraak ten uitvoer kan worden gelegd, reeds meer dan één termijn verschenen zijn of meer dan één termijn terugbetaald moeten worden, dan kan de rechter ook daarvoor een betaling in termijnen toestaan.

Artikel 402a
1.

De bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud worden jaarlijks van rechtswege gewijzigd met een door de Minister van Justitie vast te stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde lid, overeenkomt met de ontwikkeling der lonen overeenkomstig de laatste gegevens over een geheel jaar, per 30 september van enig jaar, van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

2.

De wijziging gaat in op 1 januari volgende op de in het eerste lid genoemde datum. De beschikking waarin het percentage is vastgesteld, wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

3.

Het percentage van de wijziging van de bedragen voor levensonderhoud kan worden afgerond op tienden van een procent. Daarbij vindt, indien van het procentuele verschil der lonen het tweede of een volgend cijfer achter de komma 5 bedraagt, voor wat betreft die cijfers afronding naar beneden plaats.

4.

De wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur worden uitgesloten. Daarbij kan tevens worden bepaald dat en op welke wijze het bedrag voor levensonderhoud anders dan van rechtswege periodiek zal worden gewijzigd.

5.

Bij de uitspraak, waarbij de tweede zin van het vierde lid toepassing heeft gevonden, en ook nadien, kan de rechter een regeling geven omtrent de wijze en de tijdstippen waarop de tot uitkering verplichte persoon aan de tot uitkering gerechtigde gegevens dient te verschaffen ten behoeve van de vaststelling van de wijziging van het bedrag voor levensonderhoud. Deze beslissingen kunnen worden gegeven en nadien worden gewijzigd op verzoek van de tot uitkering verplichte of gerechtigde persoon.

6.

De uitsluiting van de wijziging van rechtswege kan bij rechterlijke uitspraak worden ingetrokken. Voor zover het een uitsluiting betreft waarbij de tweede zin van het vierde lid niet is toegepast, kan de intrekking alleen geschieden in de gevallen, bedoeld in artikel 401.

7.

De tenuitvoerlegging van een executoriale titel betreffende de betaling van levensonderhoud geschiedt met inachtneming van de op het tijdstip van de tenuitvoerlegging ingegane wijzigingen van rechtswege dan wel met inachtneming van de wijzigingen overeenkomstig de tweede zin van het vierde lid.

Artikel 403

Geen uitkering is verschuldigd over de tijd die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken.

Afdeling 7. Verklaring inzake ouderlijke verantwoordelijkheid

Artikel 404
1.

Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen.

2.

Gelijke verplichting bestaat voor een stiefouder in het geval van artikel 395.

Artikel 406
1.

Komt een ouder of stiefouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk na, dan kan zowel de voogdijraad als de andere ouder of voogd de rechter in eerste aanleg verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder of stiefouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren.

2.

De rechter kan het in het eerste lid bedoelde bedrag reeds bepalen gelijktijdig met een door hem te geven beslissing omtrent het gezag.

Artikel 406a

Een op artikel 394 gegrond verzoek kan ten behoeve van een minderjarig kind door hem die het gezag over het kind heeft, worden gedaan. De ouder of voogd van het kind behoeft de in artikel 349, eerste en tweede lid, bedoelde machtiging niet.

Artikel 406b
1.

De erfgenamen van de in artikel 394 bedoelde verwekker of van de man die in artikel 394 daarmee is gelijkgesteld, kunnen na zijn overlijden verplicht worden tot betaling van een som ineens ter zake van levensonderhoud en studie van het kind dat de leeftijd van 21 jaren nog niet heeft bereikt.

2.

De in het vorige lid bedoelde som is ten hoogste gelijk aan het wettelijk erfdeel waartoe het kind gerechtigd zou zijn geweest, indien de erflater zijn vader was.

3.

De aanspraken moeten door de wettelijke vertegenwoordiger van het kind of het kind zelf binnen een jaar na het overlijden van de erflater bij het gerecht in eerste aanleg geldend worden gemaakt.

Artikel 406c
1.

Bij iedere beschikking, waarbij:

  • a. ingevolge een der artikelen 262, 263 of 326 de plaatsing van een minderjarige in een van de daarbedoelde inrichtingen of elders dan in een inrichting wordt bevolen,
  • c. de gezinsvoogd machtiging wordt verleend om aanwijzing te geven tot een maatregel, als bedoeld in artikel 260, derde lid, stelt de rechter tevens vast welk bedrag de ouders of – indien deze onvermogend dan wel overleden zijn -de minderjarige ter bestrijding van de kosten van bedoelde maatregelen aan de voogdijraad moeten betalen.
2.

De in het eerste lid bedoelde beslissing omtrent de kosten is uitvoerbaar bij voorraad.

Artikel 407
1.

Wijziging van het bedrag van een periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding kan zowel door de voogdijraad als door hem die het gezag over het kind uitoefent, worden verzocht.

2.

Gelijktijdig met een door de rechter in eerste aanleg te geven uitspraak betreffende het over de kinderen uit te oefenen gezag na ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed kan de rechter op verzoek van een ouder het bedrag wijzigen van een, in verband met de voorafgegane gezagsvoorziening, bepaalde periodieke uitkering tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

Artikel 408

Een periodieke uitkering of som ineens tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding waarvan het bedrag door de rechter is bepaald, moet ten behoeve van het kind aan de voogdijraad worden betaald.

Afdeling 3. Kosten van bevalling

Artikel 408a
1.

De verwekker van een kind – zelfs al was het dood geboren – is verplicht om aan de moeder van het kind de kosten van haar bevalling en van haar onderhoud gedurende de eerste zes weken na de bevalling te vergoeden. Artikel 394, derde en vierde lid, is daarbij van toepassing.

2.

De vergoeding van de kosten wordt naar billijkheid en met inachtneming van het plaatselijk gebruik vastgesteld.

3.

Het vorderingsrecht vervalt na verloop van een jaar, te rekenen van de dag der bevalling.

Afdeling 4. Uitkering tot levensonderhoud na beëindiging van een langdurige buitenhuwelijkse samenleving anders dan door de dood

Artikel 408b

Hebben twee personen langdurig samengeleefd als waren zij gehuwd en is aan deze samenleving anders dan door de dood een einde gekomen, dan kan de rechter, indien dat redelijk is, aan een van hen op diens verzoek ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud toekennen. Het bepaalde omtrent een uitkering tot levensonderhoud aan een gewezen echtgenoot is van overeenkomstige toepassing.

Titel 18. Afwezigheid, vermissing en vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Afdeling 1. Onderbewindstelling in geval van afwezigheid

Artikel 409
1.

Indien iemand die zijn woonplaats heeft verlaten niet voldoende orde op het bestuur van zijn goederen heeft gesteld, en er noodzakelijkheid bestaat om daarin geheel of gedeeltelijk te voorzien of de afwezige te doen vertegenwoordigen, benoemt de rechter in eerste aanleg, op verzoek van belanghebbenden of op vordering van het Openbaar Ministerie, een bewindvoerder, ten einde het bewind over het geheel of een gedeelte van de goederen van de afwezige te voeren en diens overige belangen waar te nemen.

2.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt met iemand die zijn woonplaats heeft verlaten, gelijk gesteld hij wiens bestaan onzeker is geworden of die onbereikbaar is, ook al staat niet vast dat hij zijn woonplaats heeft verlaten.

Artikel 410
1.

Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340, 342 tot en met 357, 358, eerste lid, en 359 tot en met 363 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks ter griffie een rekening in te dienen van zijn bewind.

2.

De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

3.

Goedkeuring van een ingediende rekening door de rechter brengt geen nadeel toe aan de bevoegdheid van de rechthebbenden om na het einde van het bewind over dezelfde tijdruimte rekening en verantwoording te vragen, voor zover dit niet onredelijk is.

4.

De bewindvoerder kan ook voor andere dan vermogensbelangen van de afwezige opkomen, behoudens voor zover de rechter zulks heeft uitgesloten.

5.

De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

Artikel 411

Het bewind eindigt:

  • a. door een gezamenlijk besluit van de rechthebbende en de bewindvoerder;
  • b. door opzegging door de rechthebbende aan de bewindvoerder met inachtneming van een termijn van een maand;
  • c. wanneer de dood van de rechthebbende komt vast te staan.

Afdeling 2. Personen wier bestaan onzeker is

Artikel 412
1.

Wanneer aan een persoon wiens bestaan onzeker is een erfdeel of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven mocht zijn, anderen zouden gerechtigd zijn, verleent de rechter in eerste aanleg aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris.

2.

De rechter kan zo nodig openbare oproepingen bevelen en behoedmiddelen ten behoeve van de belanghebbenden voorschrijven.

3.

Indien na het verlenen van de machtiging mocht blijken dat de vermiste op de dag van het openvallen der nalatenschap heeft bestaan, kan de teruggave van de in bezit gekomen goederen en van de vruchten worden gevorderd, op de voet en onder de beperkingen als hierna bij de verklaring van vermoedelijk overlijden is aangegeven.

4.

Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op een uitkering uit levensverzekering, waartoe de persoon wiens bestaan onzeker is de eerstgeroepen begunstigde is.

Artikel 413
1.

Is het bestaan van een persoon onzeker en is de in het tweede lid aangegeven tijdruimte verlopen, dan kunnen belanghebbenden de rechter in eerste aanleg verzoeken dat hij hun zal gelasten de vermiste op te roepen ten einde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat hij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat.

2.

De in het eerste lid bedoelde tijdruimte beloopt vijf jaren, te rekenen van het vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn leven. De termijn wordt verkort tot een jaar, indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.

3.

Het gelasten van de oproeping van de vermiste en de verklaring van rechtsvermoeden van overlijden, bedoeld in het eerste lid, kunnen ook worden gevorderd door het openbaar ministerie.

Artikel 414
1.

De rechter in eerste aanleg stelt dag en uur vast waartegen de vermiste moet worden opgeroepen. De oproep loopt op een termijn van een maand of zoveel langer als de rechter mocht bevelen. De oproeping geschiedt overeenkomstig Boek 1, titel 10, afdeling 3, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

2.

Indien de vermiste niet verschijnt, noch iemand voor hem opkomt die behoorlijk van het in leven zijn van de vermiste doet blijken, verklaart de rechter dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, onverminderd zijn bevoegdheid de beschikking, bedoeld in het eerste lid, eerst nog eenmaal te herhalen alsmede het horen van getuigen en de overlegging van bewijsstukken te gelasten, ten bewijze dat is voldaan aan de vereisten die artikel 413 stelt.

3.

De beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, noemt de dag waarop de vermiste wordt vermoed te zijn overleden; als zodanig geldt de dag, volgende op die van de laatste tijding van zijn leven, tenzij voldoende vermoedens bestaan dat hij daarna nog enige tijd in leven was.

4.

De rechter kan tevens bepalen, dat de kosten die een verzoeker als bedoeld in artikel 413, eerste lid, heeft gemaakt, ten laste van het vermogen van de vermiste worden gebracht.

Artikel 416

Geen hogere voorziening is toegelaten tegen beschikkingen, houdende bevel tot oproeping van de vermiste.

Artikel 417
1.

Zodra de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, in kracht van gewijsde is gegaan, zendt de griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, een afschrift van de beschikking aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verlaten woonplaats of, bij gebreke van verlaten woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van de gemeente ’s-Gravenhage. Deze ambtenaar maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, welke in overeenstemming is met de beschikking en dit uitdrukkelijk vermeldt.

2.

Deze akte bewijst ten aanzien van een ieder dwingend dat de vermiste op de in de akte vermelde dag is overleden.

Artikel 418
1.

Erfgenamen en legatarissen van hem die vermoedelijk overleden is verklaard, zijn verplicht alvorens zij de goederen der nalatenschap in bezit nemen, ten genoegen van de rechter in eerste aanleg zekerheid te stellen voor hetgeen zij aan de vermoedelijk overleden verklaarde, mocht deze terugkeren, of aan erfgenamen of legatarissen die een beter recht mochten hebben, moeten afdragen.

2.

De erfgenamen zijn verplicht na de inbezitneming een behoorlijke boedelbeschrijving op te maken.

3.

Registergoederen mogen niet vervreemd of bezwaard worden, tenzij om gewichtige redenen en met verlof van de rechter in eerste aanleg. Kunnen zij bij een boedelscheiding niet zonder verkoop worden verdeeld, dan worden zij onder bewind van een derde gesteld, die de inkomsten van die goederen overeenkomstig hetgeen dienaangaande bij de verdeling is vastgesteld, zal uitkeren.

4.

De verdeling geschiedt bij authentieke akte, waaruit tevens moet blijken wat aan legatarissen of andere gerechtigden is uitgekeerd.

5.

De goederen der nalatenschap mogen niet worden verkwist en daaruit mogen niet bovenmatige giften worden gedaan.

6.

Erfgenamen en legatarissen zijn verplicht desgevraagd aan de rechter de nodige inlichtingen te geven.

7.

De in dit artikel genoemde verplichtingen vervallen op het door de rechter bepaalde tijdstip, en uiterlijk na verloop van vijf jaren na de dag waarop de akte overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt. De rechter die de beschikking, houdende verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat, geeft kan, gelet op de omstandigheden van het geval, daarbij tevens bepalen dat een of meer der in dit lid artikel genoemde verplichtingen niet zullen bestaan.

Artikel 419

De akte waarbij zekerheid is gesteld, de boedelbeschrijving en de akte van verdeling moeten in origineel of in authentiek afschrift worden neergelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg.

Artikel 420
1.

Wanneer het aan de rechter in eerste aanleg blijkt dat een erfgenaam of legataris de hem in de artikelen 418 en 419 opgelegde verplichtingen niet is nagekomen, kan hij voor de goederen die aan die erfgenaam of legataris uit de nalatenschap toekomen, een bewindvoerder benoemen, wiens bewind eindigt wanneer de rechter beslist dat de betrokkene alsnog zijn wettelijke verplichtingen heeft nageleefd.

2.

Voor zover de rechter niet anders bepaalt, vinden op het bewind van de bewindvoerder de artikelen 338, 339, 340, 342 tot en met 357, 358, eerste lid, en 359 tot en met 363 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bewindvoerder verplicht is jaarlijks ter griffie een rekening in te dienen van zijn bewind.

3.

De bewindvoerder komt als beloning toe 5% van de netto-opbrengst der door hem beheerde goederen, tenzij de rechter daarvoor om bijzondere redenen een ander bedrag vaststelt.

4.

De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ontslaan en door een ander vervangen.

Artikel 421

Hetgeen in de artikelen 418 tot en met 420 is bepaald omtrent erfgenamen die goederen uit de nalatenschap ontvangen, is van overeenkomstige toepassing op de echtgenoot die goederen ontvangt ten gevolge van de ontbinding van een huwelijksgemeenschap of de beëindiging van een deelgenootschap. Voor het uit dezen hoofde ontvangene behoeft echter geen zekerheid te worden gesteld.

Artikel 422
1.

Wanneer de vermiste terugkeert, of wanneer blijkt dat de dag van overlijden in de akte van overlijden onjuist is vermeld, is ieder die enige goederen van de vermiste ingevolge de artikelen 418 tot en met 421 in zijn bezit of onder zijn bewind heeft, aan de teruggekeerde of aan hen die alsdan blijken tot de goederen gerechtigd te zijn, rekening, verantwoording en afgifte schuldig.

2.

Rechten door derden te goeder trouw verkregen, worden geëerbiedigd. In geval echter goederen om niet zijn vervreemd, kan de rechter aan de rechthebbenden, en ten laste van hem die daardoor voordeel heeft genoten, een naar billijkheid te bepalen vergoeding toekennen.

3.

Is het leven van de vermiste ten behoeve van derden verzekerd geweest, dan behouden dezen hun recht op hetgeen aan hen op het tijdstip van de terugkeer van de verzekerde is uitbetaald of als reeds opeisbaar was verschuldigd; in dat geval kunnen aan de verzekering geen andere rechten op de uitkering worden ontleend.

Artikel 423
1.

Indien binnen vijf jaar na de dag waarop de akte van overlijden overeenkomstig artikel 417 is opgemaakt, wordt bewezen dat deze akte onjuist is, zijn zij die te goeder trouw de vruchten van de nalatenschap hebben genoten, slechts verplicht daarvan de helft terug te geven; wordt de onjuistheid later bewezen, dan behoeven zij geen vruchten terug te geven.

2.

Indien eerst meer dan tien jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, wordt bewezen dat de akte onjuist is, zijn zij die de goederen te goeder trouw in bezit hebben genomen, slechts verplicht de alsdan nog aanwezige goederen in de staat waarin zij zich bevinden, af te geven, benevens de prijs van de vervreemde goederen of de goederen die daarvoor in de plaats zijn getreden; alles zonder enige vruchten of vergoeding voor niet meer aanwezige goederen en zonder verplichting van rekening en verantwoording.

3.

Iedere verbintenis tot teruggave vervalt wanneer twintig jaar na de dag waarop de akte is opgemaakt, zijn verlopen.

Afdeling 3. Vaststelling van overlijden in bepaalde gevallen

Artikel 426
1.

Indien het lichaam van een vermist persoon niet is kunnen worden teruggevonden doch, alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn overlijden als zeker kan worden beschouwd, kan op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van iedere belanghebbende de rechter in eerste aanleg verklaren dat de vermiste is overleden:

  • a. indien de vermissing heeft plaatsgevonden in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
  • b. indien de vermissing heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuisbehorend schip of luchtvaartuig;
  • c. indien de vermiste een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonplaats hebbende of gehad hebbende Nederlander was;
  • d. indien de vermiste zijn woon- of verblijfplaats had in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
2.

Indien een persoon buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is overleden en geen overlijdensakte is opgemaakt of kan worden overgelegd, kan op vordering van het Openbaar Ministerie of op verzoek van iedere belanghebbende de rechter in eerste aanleg verklaren dat die persoon is overleden:

  • a. indien het overlijden heeft plaatsgevonden tijdens een reis met een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba thuisbehorend schip of luchtvaartuig;
  • b. indien de overledene een in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonplaats hebbende of gehad hebbende Nederlander was;
  • c. indien de overledene zijn woon- of verblijfplaats had in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
3.

Voor zover mogelijk bevatten de vordering of het verzoek, bedoeld in het eerste en tweede lid, of daarmee vergezeld gaande bescheiden de in artikel 427 genoemde gegevens.

Artikel 427
1.

De beschikking, houdende verklaring dat de in artikel 426 bedoelde persoon is overleden, noemt de dag en zo mogelijk het uur van het overlijden. Indien de dag van overlijden niet bekend is, wordt deze door de rechter in eerste aanleg vastgesteld en in de beschikking vermeld. De rechter houdt hierbij rekening met alle bewijzen en aanwijzingen omtrent de omstandigheden waaronder of het tijdstip waarop het overlijden moet hebben plaatsgehad.

2.

Voorts vermeldt de beschikking de geslachtsnaam, de voornamen, de kunne en, zo mogelijk, de plaats van het overlijden, de woonplaats van de overledene, de plaats en de dag van geboorte van de overledene en de geslachtsnaam en de voornamen van de persoon of van de personen met wie de overledene gehuwd is geweest.

Artikel 429

De griffier van het college waarvoor de zaak laatstelijk aanhangig was, zendt een afschrift van de beschikking, zodra deze in kracht van gewijsde is gegaan, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ‘s-Gravenhage. Deze maakt van de beschikking een akte van inschrijving op, die hij in het register van overlijden opneemt.

Artikel 430

De akten, opgemaakt volgens artikel 429, gelden als akten van overlijden in de zin van artikel 19f, eerste lid.

Titel 19. Onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen

Artikel 431
1.

Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan de rechter in eerste aanleg een bewind instellen over één of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die behoren tot een huwelijksgemeenschap waarin hij gehuwd is, en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot staan.

2.

Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld.

Artikel 432
1.

Instelling van het bewind kan worden verzocht door de rechthebbende, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot de vierde graad ingesloten, zijn voogd, zijn curator of zijn mentor, bedoeld in titel 20; zij kan ook worden gevorderd door het Openbaar Ministerie.

2.

De rechter voor wie een verzoek of vordering tot ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind.

3.

Een verzoek of vordering tot instelling van een bewind ten behoeve van een rechthebbende die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van een curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het bewind.

4.

In geval van een bestuursopdracht, of een verzoek daartoe, als bedoeld in artikel 91, zijn het tweede en het derde lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 433
1.

Tenzij bij de onderbewindstelling anders is bepaald, omvat het bewind ook de goederen die geacht moeten worden in de plaats van een aan het bewind onderworpen goed te treden, benevens de vruchten en andere voordelen die een onder bewind staand goed oplevert.

2.

De rechter in eerste aanleg kan, hetzij op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 432, eerste lid, of van een bewindvoerder, hetzij op vordering van het Openbaar Ministerie, hetzij ambtshalve, het ingestelde bewind tot een of meer andere goederen van de rechthebbende uitbreiden of een of meer goederen uit het bewind ontslaan; hij kan tevens handelingen als bedoeld in artikel 441, tweede lid, onderdeel f, aanwijzen en de aanwijzing van zulke handelingen intrekken.

Artikel 434
1.

In beschikkingen als bedoeld in de artikelen 432 en 433, tweede lid, bepaalt de rechter ambtshalve welke goederen onder bewind worden gesteld, onderscheidenlijk uit het bewind worden ontslagen.

2.

Onderbewindstelling van een goed en het ontslag van een goed uit het bewind treden in werking daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 431, tweede lid, treedt de onderbewindstelling in werking op het tijdstip waarop de rechthebbende meerderjarig wordt.

Artikel 435
1.

De rechter die het bewind instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. In alle andere gevallen geschiedt de benoeming door de rechter in eerste aanleg. De rechter vergewist zich van de bereidheid van de door hem te benoemen persoon.

2.

Zo nodig kan een tijdelijke bewindvoerder worden benoemd.

3.

De rechter volgt bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

4.

Tenzij het derde lid is toegepast, wordt, indien de rechthebbende is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Huwt de rechthebbende of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot of andere levensgezel van de rechthebbende in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt benoemd.

5.

Handelingsonbekwamen, zij van wie één of meer goederen onder een bewind als bedoeld in deze titel zijn gesteld, en zij die in staat van faillissement verkeren, kunnen niet bewindvoerder worden.

6.

Rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid kunnen tot bewindvoerder worden benoemd.

7.

De benoemde wordt bewindvoerder daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 436
1.

De bewindvoerder is verplicht zo spoedig mogelijk een beschrijving van de aan het bewind onderworpen goederen op te maken en een afschrift daarvan in te leveren ter griffie van het ingevolge artikel 429c, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES bevoegde gerecht in eerste aanleg.

2.

De artikelen 339, 363 en 364 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien tot het bewind registergoederen behoren, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk de desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, te doen inschrijven. Is een onderneming of een aandeel in een vennootschap onder firma onder bewind gesteld, dan is de bewindvoerder verplicht de desbetreffende rechterlijke beschikkingen en zijn benoeming in het handelsregister te doen inschrijven.

4.

Tenzij de rechter anders bepaalt, is de bewindvoerder verplicht zo spoedig mogelijk een rekening te openen bij een ingevolge de Wet toezicht bank- en kredietwezen 1994 BES geregistreerde kredietinstelling; de bewindvoerder is voorts verplicht om uitsluitend voor de betalingen die hij bij de vervulling van zijn taak verricht of ontvangt, zoveel mogelijk van deze rekening gebruik te maken.

5.

De rechter kan te allen tijde de bewindvoerder ten verhore doen oproepen. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

Artikel 437
1.

De rechter kan twee of meer bewindvoerders benoemen, indien hij dit in het belang van een goed bewind nodig acht.

2.

Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan kan, tenzij de rechter anders bepaalt, ieder van hen alle werkzaamheden die tot het bewind behoren, alleen verrichten.

3.

Bij verschil van mening tussen de bewindvoerders beslist op verzoek van een van hen de rechter. Deze kan ook een verdeling van het loon vaststellen.

Artikel 438
1.

Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder.

2.

Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de rechter in eerste aanleg over de onder het bewind staande goederen beschikken.

Artikel 439
1.

Indien een rechtshandeling ongeldig is omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.

2.

Indien een goed is vervreemd of bezwaard door iemand die daartoe ingevolge het bewind niet bevoegd was, kan deze onbevoegdheid aan een verkrijger van het goed of een beperkt recht daarop slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of had behoren te kennen.

Artikel 440
1.

Gedurende het bewind kunnen schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438, tweede lid, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald.

2.

Indien de onderbewindstelling alle goederen betreft die daarvoor krachtens artikel 431, eerste lid, in aanmerking komen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van niet onder het bewind staande goederen waarop verhaal mogelijk zou zijn.

Artikel 441
1.

Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende.

2.

Hij behoeft echter toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de rechter in eerste aanleg voor de volgende handelingen:

  • a. beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder het bewind staand goed, tenzij de handeling als een gewone beheersdaad kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt;
  • b. een making of gift waaraan lasten of voorwaarden zijn verbonden, aannemen;
  • c. geld lenen of de rechthebbende als borg of hoofdelijke medeschuldenaar verbinden;
  • d. overeenkomen dat een boedel waartoe de rechthebbende gerechtigd is, voor een bepaalde tijd onverdeeld wordt gelaten;
  • f. andere bij de instelling van het bewind of nadien aangewezen handelingen.
3.

De rechter in eerste aanleg kan ook aan de bewindvoerder een doorlopende machtiging met zodanige voorwaarden als hij geraden acht, verlenen om handelingen als in het tweede lid bedoeld, te verrichten, en een verleende machtiging te allen tijde wijzigen of intrekken.

4.

De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd de verdeling te vorderen van goederen waarvan een onverdeeld aandeel tot zijn bewind behoort. Tot een verdeling, ook al geschiedt zij krachtens rechterlijk bevel, behoeft de bewindvoerder toestemming of machtiging overeenkomstig het tweede lid. De rechter in eerste aanleg kan, in stede van machtiging te verlenen, met overeenkomstige toepassing van artikel 181 van Boek 3 een onzijdig persoon benoemen, die in plaats van de bewindvoerder de rechthebbende bij de verdeling vertegenwoordigt.

5.

De bewindvoerder is, met uitsluiting van de rechthebbende, bevoegd een aan de rechthebbende opgekomen erfenis te aanvaarden. Tenzij de aanvaarding geschiedt met toestemming van de rechthebbende, kan de bewindvoerder niet anders aanvaarden dan onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur kan het bedrag genoemd in het tweede lid, onderdeel e, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 442
1.

Heeft iemand als bewindvoerder een rechtshandeling verricht, dan richten de rechten en verplichtingen van de wederpartij zich naar hetgeen dienaangaande is bepaald Boek 3, titel 3. Regels die de bevoegdheid van een bewindvoerder betreffen en feiten die voor een oordeel omtrent zijn bevoegdheid van belang zijn, kunnen niet aan de wederpartij worden tegengeworpen, indien deze daarmee niet bekend was of had behoren te zijn.

2.

De rechthebbende is, onverminderd artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de bewindvoerder in zijn hoedanigheid in naam van de rechthebbende verricht. Wanneer hij onder bewind staande goederen aanwijst die voor de schuld voldoende verhaal bieden, is hij niet verplicht de schuld ten laste van zijn overige vermogen te voldoen.

Artikel 443

De bewindvoerder kan alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 444

Een bewindvoerder is jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

Artikel 445
1.

De bewindvoerder legt, tenzij andere tijdstippen zijn bepaald, jaarlijks en aan het einde van het bewind rekening en verantwoording af aan de rechthebbende, alsmede aan het einde van zijn taak aan zijn opvolger. De rekening en verantwoording wordt afgelegd ten overstaan van de rechter in eerste aanleg.

2.

Indien de rechthebbende niet in staat is de rekening op te nemen, of het onzeker is wie de rechthebbende is, wordt de rekening en verantwoording afgelegd aan de rechter. Goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de rechter belet niet dat de rechthebbende na het einde van het bewind nogmaals over dezelfde tijdsruimte rekening en verantwoording vraagt, voor zover dit niet onredelijk is.

3.

De rechter kan de bewindvoerder, hetzij op diens verzoek, hetzij ambtshalve, vrijstellen van de verplichting om de periodieke rekening en verantwoording te zijnen overstaan af te leggen; hij kan ook bepalen dat deze wijze van aflegging der rekening en verantwoording slechts over een door hem te bepalen aantal jaren zal geschieden.

4.

Voor het overige vindt het aangaande de voogdijrekening in titel 14, afdeling 6, paragrafen 10 en 11, bepaalde overeenkomstige toepassing.

Artikel 446
1.

Voor zover de rechter in eerste aanleg niet anders bepaalt, wordt bij het afleggen van de periodieke rekening en verantwoording hetgeen de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht, onder aftrek van de verschuldigde beloning, aan de rechthebbende uitgekeerd. Op verzoek van de rechthebbende kan de rechter andere tijdstippen voor de uitkering vaststellen.

2.

Bij zijn eindrekening en verantwoording draagt de bewindvoerder alle goederen af aan hem die na hem tot het beheer der goederen bevoegd is. De bewindvoerder is bevoegd de afdracht op te schorten tot de voldoening van een hem toekomend saldo.

3.

Wordt de rekening en verantwoording aan de rechter afgelegd, dan blijven, tenzij de rechter anders bepaalt, de netto-opbrengst of de af te dragen goederen onder het bewind van de bewindvoerder, totdat de rechthebbende tot de ontvangst in staat is of de onzekerheid wie rechthebbende is, is opgeheven.

Artikel 447
1.

Tenzij de beloning bij de instelling van het bewind anders is geregeld, komt de bewindvoerder of, wanneer er meer bewindvoerders zijn, hun tezamen 5% der netto-opbrengst van de onder bewind staande goederen toe. Op grond van bijzondere omstandigheden kan de rechter in eerste aanleg, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de bewindvoerder of van de rechthebbende, voor bepaalde of onbepaalde tijd de beloning anders regelen dan bij de instelling of door de wet is aangegeven.

2.

Zijn er twee of meer bewindvoerders, dan wordt het loon dat hun gezamenlijk toekomt, tussen hen verdeeld in evenredigheid met de betekenis van de door ieder van hen verrichte werkzaamheden.

Artikel 448
1.

De taak van de bewindvoerder eindigt:

  • a. bij het einde van het bewind;
  • b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd;
  • c. door zijn dood, faillietverklaring of ondercuratelestelling;
  • d. door de instelling van een bewind als bedoeld in deze titel over één of meer van zijn goederen;
  • e. door ontslag, dat hem door de rechter in eerste aanleg met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.
2.

Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder of de rechthebbende, op vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de rechter in eerste aanleg voorlopige voorzieningen in het bewind treffen en de bewindvoerder schorsen.

3.

Een gewezen bewindvoerder blijft verplicht al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is, dit heeft aanvaard. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdeel c, rust deze verplichting op zijn erfgenamen, onderscheidenlijk de curator, indien zij van het bewind kennis dragen; in het geval, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, geldt dit voor de bewindvoerder, belast met het daar bedoelde bewind.

4.

Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 449
1.

Het bewind eindigt door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld, en door de dood of ondercuratelestelling van de rechthebbende.

2.

De rechter in eerste aanleg kan, indien de oorzaken die tot de onderbewindstelling aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan, het bewind opheffen op verzoek van de rechthebbende of op vordering van het Openbaar Ministerie; de beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst.

Titel 20. Mentorschap ten behoeve van meerderjarigen

Artikel 450
1.

Indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, kan de rechter in eerste aanleg te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

2.

Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het mentorschap reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld.

3.

Het mentorschap kan eveneens worden ingesteld, indien te verwachten is dat een meerderjarige binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.

Artikel 451
1.

Het mentorschap kan worden verzocht door de betrokken persoon, zijn echtgenoot of andere levensgezel, zijn bloedverwanten in de rechte lijn en die in de zijlijn tot en met de vierde graad, zijn voogd, zijn curator of zijn bewindvoerder, bedoeld in titel 19. In het in artikel 450, derde lid, bedoelde geval kan het mentorschap uitsluitend worden verzocht door de betrokkene.

2.

Het mentorschap kan, behoudens in het in artikel 450, derde lid, bedoelde geval, voorts worden gevorderd door het Openbaar Ministerie of worden verzocht door degene die de instelling waar de betrokkene duurzaam wordt verzorgd, exploiteert of die daarvan de leiding heeft. In het laatste geval wordt in het verzoekschrift tevens vermeld waarom de in het eerste lid genoemde personen – bloedverwanten in de zijlijn in de derde en vierde graad daaronder niet begrepen – niet tot indiening van een verzoek zijn overgegaan.

3.

De rechter bij wie een verzoek of vordering tot ondercuratelestelling aanhangig is, kan bij afwijzing daarvan ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap.

4.

Een verzoek of vordering tot omzetting van curatele in mentorschap ten behoeve van een persoon die onder curatele is gesteld, wordt aanhangig gemaakt bij de rechter die bevoegd is over opheffing van de curatele te beslissen. Deze rechter kan, bij opheffing van de curatele, ook ambtshalve overgaan tot instelling van het mentorschap.

5.

Het mentorschap treedt in werking daags nadat de griffier de beschikking heeft verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip van ingang vermeldt. In het geval, bedoeld in artikel 450, tweede lid, treedt het mentorschap in werking op het tijdstip waarop de betrokken persoon meerderjarig wordt.

Artikel 452
1.

De rechter die het mentorschap instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een mentor. In geval van vervanging van de mentor geschiedt de benoeming door de rechter in eerste aanleg. De rechter vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.

2.

Zo nodig kan een tijdelijke mentor worden benoemd.

3.

De rechter volgt bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

4.

Tenzij het derde lid is toegepast, wordt, indien de betrokkene is gehuwd of een andere levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot of de andere levensgezel tot mentor benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd. Huwt de betrokkene of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot of andere levensgezel van de betrokkene in de plaats van de tegenwoordige mentor wordt benoemd.

5.

Indien ten behoeve van de betrokkene in een bewind als bedoeld in titel 19, is voorzien, wordt, indien de bewindvoerder een natuurlijke persoon is, bij voorkeur de bewindvoerder tot mentor benoemd.

6.

Geen mentor kunnen worden:

  • a. handelingsonbekwamen;
  • b. zij ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld;
  • c. rechtspersonen;
  • d. de direct betrokken of behandelend hulpverlener;
  • e. personen behorende tot de leiding of tot het personeel van de instelling waar de betrokkene verblijft.
7.

De taak van de mentor vangt aan daags nadat de benoeming is verstrekt of verzonden, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt.

Artikel 453
1.

Tenzij uit wet of verdrag anders voortvloeit, is de betrokkene tijdens het mentorschap onbevoegd rechtshandelingen te verrichten in aangelegenheden betreffende zijn verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding.

2.

Met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde rechtshandelingen vertegenwoordigt de mentor de betrokkene in en buiten rechte, tenzij op grond van wet of verdrag vertegenwoordiging uitgesloten is. De mentor kan de betrokkene toestemming verlenen deze rechtshandelingen zelf te verrichten.

3.

Ten aanzien van andere handelingen dan rechtshandelingen betreffende de in het eerste lid genoemde aangelegenheden treedt de mentor, voor zover de aard van de desbetreffende handeling dit toelaat, in plaats van de betrokkene op.

4.

De mentor geeft aan de betrokkene raad in hem betreffende aangelegenheden van niet-vermogensrechtelijke aard en waakt over diens belangen ter zake.

5.

Verzet de betrokkene zich tegen een handeling van ingrijpende aard in aangelegenheden als in het tweede en derde lid bedoeld, dan kan die handeling slechts plaatsvinden indien zij kennelijk nodig is ten einde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen.

Artikel 453a
1.

Indien de rechter dit noodzakelijk acht, beslist hij tevens dat artikel 246 van overeenkomstige toepassing is.

2.

Tijdens het mentorschap kan de rechter een beslissing nemen als in het eerste lid bedoeld, hetzij op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, of van de mentor, hetzij op vordering van het Openbaar Ministerie, hetzij ambtshalve.

Artikel 454
1.

De mentor is gehouden degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld zo veel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. De mentor bevordert dat de betrokkene rechtshandelingen en andere handelingen zelf verricht, indien deze tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat kan worden geacht. Hij betracht de zorg van een goed mentor.

2.

De mentor is jegens de betrokkene aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed mentor te kort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.

Artikel 455

Degene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld, is, onverminderd artikel 172 van Boek 6, aansprakelijk voor alle schulden die voortspruiten uit rechtshandelingen die de mentor in zijn hoedanigheid in naam van de betrokkene verricht.

Artikel 456

De mentor kan alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de betrokkene of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 457
1.

Een rechtshandeling verricht in strijd met artikel 453, is overeenkomstig het tweede en derde lid vernietigbaar.

2.

Indien de rechtshandeling is verricht door of gericht tot de betrokkene, kan een beroep op de vernietigbaarheid slechts worden gedaan jegens een persoon die het mentorschap kende of had behoren te kennen; jegens een zodanige persoon wordt de betrokkene vermoed onbevoegd te zijn geweest.

3.

Indien de rechtshandeling is verricht door of gericht tot de mentor, kan een beroep op de vernietigbaarheid slechts worden gedaan jegens een persoon die de onbevoegdheid van de mentor kende of had behoren te kennen.

Artikel 458

Voor zover een of meer van de goederen van de betrokkene onder een bewind als bedoeld in titel 19, staan, is de bewindvoerder, indien hij niet tevens mentor is, niet tot optreden bevoegd ten aanzien van aangelegenheden als in artikel 453, eerste lid, bedoeld.

Artikel 459
1.

De mentor doet desgevraagd van zijn werkzaamheden verslag aan de rechter in eerste aanleg. De rechter kan te allen tijde verschijning van de mentor in persoon gelasten. Deze is verplicht alle door de rechter gewenste inlichtingen te verstrekken.

2.

Aan het einde van zijn mentorschap doet de mentor van zijn werkzaamheden schriftelijk verslag aan zijn opvolger, aan de rechter in eerste aanleg, alsmede aan de betrokkene indien het mentorschap door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld of door opheffing eindigt.

Artikel 460
1.

De mentor mag de bij de vervulling van zijn taak noodzakelijk gemaakte kosten aan de betrokkene in rekening brengen.

2.

De rechter kan aan de mentor ten laste van de betrokkene een beloning toekennen indien hij zulks redelijk acht, de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking genomen.

Artikel 461
1.

De taak van de mentor eindigt:

  • a. bij het einde van het mentorschap;
  • b. door tijdsverloop, indien hij voor een bepaalde tijd was benoemd;
  • c. door zijn dood;
  • d. door zijn ondercuratelestelling of door instelling van een mentorschap te zijnen behoeve;
  • e. door ontslag, dat hem door de rechter in eerste aanleg met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.
2.

Het ontslag wordt hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de betrokkene, op vordering van het Openbaar Ministerie of ambtshalve. Hangende het onderzoek kan de rechter in eerste aanleg voorlopige voorzieningen in het mentorschap treffen en de mentor schorsen.

3.

Een gewezen mentor blijft verplicht al datgene te doen wat niet zonder nadeel voor de betrokkene kan worden uitgesteld, totdat wederom een persoon bevoegd is ten aanzien van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 453, eerste lid. In de gevallen, genoemd in het eerste lid, onderdeel d, rust deze verplichting op diens curator of mentor, indien deze van het mentorschap kennis draagt.

4.

Artikel 384 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 462
1.

Het mentorschap eindigt door het verstrijken van de tijdsduur waarvoor het is ingesteld, en door de dood of ondercuratelestelling van de betrokkene.

2.

De rechter in eerste aanleg kan, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat, het mentorschap opheffen op verzoek van de betrokkene of zijn mentor, dan wel op vordering van het Openbaar Ministerie. De beschikking treedt in werking zodra zij in kracht van gewijsde is gegaan, tenzij zij een eerder tijdstip van ingang aanwijst.

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 377aa

In deze Titel wordt verstaan onder:

  • a. het verdrag: het op 19 oktober 1996 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299);
  • b. Onze Minister: Onze Minister van Veiligheid en Justitie;
  • c. Gerecht in eerste aanleg: het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 377bb

De afdelingen 1, 2, 4, 6 en 7 zijn mede van toepassing op internationale kwesties van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen die niet door het verdrag worden beheerst.

Artikel 377cc
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het op 25 oktober 1980 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139) en artikel 377j van dit Boek, is deze wet van toepassing op kinderen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt.

2.

Bereikt een kind ten aanzien waarvan een verzoek op grond van het verdrag of van deze wet in behandeling is, de leeftijd van achttien jaren, dan wordt de behandeling van dat verzoek ambtshalve gestaakt. Hetzelfde geldt voor maatregelen ter uitvoering van een beslissing op een verzoek.

Afdeling 2. Taak en bevoegdheden van de centrale autoriteit

Artikel 377dd
1.

Onze Minister wordt voor de openbare lichamen aangewezen als centrale autoriteit, bedoeld in artikel 29 van het verdrag. Bij in de Staatscourant openbaar te maken besluit wijst hij de onder zijn ministerie ressorterende dienst, diensten of vertegenwoordigers op de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba aan, die aldaar wordt of worden belast met de taak van centrale autoriteit.

2.

De centrale autoriteit is belast met de in hoofdstuk V van het verdrag omschreven taken van de centrale autoriteit. Deze centrale autoriteit is als zodanig tevens belast met de behandeling van verzoeken om tussenkomst in internationale kwesties betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, wanneer deze niet door het verdrag worden beheerst. Bij de behandeling van deze verzoeken worden de bepalingen van hoofdstuk V van het verdrag zoveel mogelijk in acht genomen.

3.

In het bijzonder neemt de centrale autoriteit alle passende maatregelen om te bevorderen dat in de omstandigheden waarin het verdrag of deze wet van toepassing is, minnelijke schikkingen tot stand komen met betrekking tot de bescherming van de persoon of het vermogen van het kind.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)