Burgerlijk Wetboek BES Boek 4

Type Wet Bes
Publication 2015-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 304
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Op verzoek van een belanghebbende kan de rechter in eerste aanleg een of meer erfgenamen van een nalatenschap die beneficiair is aanvaard, gelasten zekerheid te stellen voor hun beheer en de nakoming van hun overige verplichtingen. De rechter in eerste aanleg stelt het bedrag en de aard van de zekerheid vast.

2.

Komt de erfgenaam zijn verplichting tot het stellen van zekerheid niet na, dan kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van een belanghebbende een of meer vereffenaars benoemen. De bepalingen van de dertiende titel betreffende de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn op de vereffenaars zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1062

Binnen de tijd van drie maanden, te rekenen van het verloop des termijns bij artikel 1051 bepaald, zal de erfgenaam verplicht zijn om, door middel van een aankondiging in een der in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verschijnende nieuwsbladen, alsmede door aanplakking aan het gebouw van het gerecht in eerste aanleg, de onbekende schuldeisers op te roepen, ten einde zowel aan dezen, als aan degenen die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadelijk rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en hun schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zover het bedrag der nalatenschap toereikend zal zijn.

Artikel 1063

1.

Na het aanzuiveren der rekening en verantwoording, zal de erfgenaam aan de schuldeisers, welke op dat tijdstip mochten bekend zijn, hun vorderingen, hetzij in het geheel, hetzij in evenredigheid van het beloop der nalatenschap, moeten voldoen.

2.

De schuldeisers, die na de uitdeling opkomen, zullen, naarmate dat zij zich aanmelden, alleen uit de onverkochte goederen en het overschot worden betaald.

Artikel 1064

Indien er enig verzet plaatsheeft, kunnen de schuldeisers niet worden voldaan, dan tengevolge ener rangschikking door de rechter te regelen.

Artikel 1065

1.

De legatarissen kunnen de voldoening van hun legaten niet eisen, dan na verloop van de bij artikel 1062 bepaalde termijn, en na de uitbetaling waarvan bij artikel 1063 gesproken wordt.

2.

De schuldeisers, die na de voldoening der legaten opkomen, hebben alleen hun verhaal tegen de legatarissen.

3.

Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren na de dag, op welke de uitbetaling aan de legataris heeft plaatsgehad.

Artikel 1066

1.

De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan niet vroeger in zijn eigen goederen worden aangesproken, dan nadat hij, tot het afleggen zijner rekening zijnde aangemaand, mocht zijn in gebreke gebleven aan die verplichting te voldoen.

2.

Na het aanzuiveren der rekening zijn zijn eigen goederen alleen aansprakelijk voor de voldoening der geldsommen, welke, van de nalatenschap afkomstig, in zijn handen zijn gekomen.

Artikel 1067

De kosten van verzegeling, van boedelbeschrijving, van het opmaken der rekening, mitsgaders alle andere, die op een wettige wijze gemaakt zijn, komen ten laste der nalatenschap.

Artikel 1068

De bepalingen van de artikelen 1051, 1057 en volgende zijn insgelijks toepasselijk op erfgenamen, die, zonder zich van het recht van beraad bediend te hebben, een erfenis onder het voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de verklaring af te leggen bij het slot van artikel 1055 vermeld.

Artikel 1069

Een bepaling, waarbij de erflater zoude hebben verboden om van het recht van beraad en van het voorrecht van boedelbeschrijving gebruik te maken, is nietig en van onwaarde.

Titel Vijftiende. Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen

Afdeling Eerste. Van het aanvaarden van erfenissen

Artikel 1070

Een erfenis kan of zuiver, of onder het voorrecht van boedelbeschrijving worden aanvaard.

Artikel 1071

Niemand is gehouden een hem opgekomen erfenis te aanvaarden.

Artikel 1072

Erfenissen, aan minderjarige en onder curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wettiglijk worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepalingen, welke die personen betreffen.

Artikel 1073

Het aanvaarding ener erfenis heeft een terugwerkende kracht tot op de dag, waarop dezelve is opengevallen.

Artikel 1074

De aanvaarding ener erfenis geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgend; dezelve geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men in een authentiek of onderhands geschrift de titel of de hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; de aanvaarding geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgenaam een daad verricht, welke zijn mening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan den dag legt, en waartoe hij slechts in zijn hoedanigheid als erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest.

Artikel 1075

Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden dienende alleen tot bewaring, alsook die, welke strekken om op de nalatenschap toezicht te hebben, of dezelve bij voorraad te beheren, worden niet gerekend daden te zijn, welke de stilzwijgende aanvaarding ener erfenis kenschetsen.

Artikel 1076

1.

Indien erfgenamen verschillen omtrent het al of niet aanvaarden ener erfenis, kan de ene dezelve aanvaarden, en de andere die verwerpen.

2.

Indien erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aanvaarding ener erfenis, wordt dezelve onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaard.

Artikel 1077

Wanneer iemand, aan wie een erfenis is opgekomen, overleden is zonder die verworpen of aanvaard te hebben, zijn deszelfs erfgenamen bevoegd de erfenis in zijn plaats te aanvaarden of te verwerpen, en de bepaling van het voorgaande artikel is op hen toepasselijk.

Artikel 1078

Hij, die voor zijn erfdeel een erfenis heeft aanvaard, vermag het aandeel niet te verwerpen, hetwelk hem door recht van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel 1080 voorzien.

Artikel 1079

Een aanvaarding is vatbaar voor vernietiging op grond van dwaling, indien de erfenis meer dan de helft is verminderd ten gevolge der ontdekking van een op het ogenblik der aanvaarding onbekende uiterste wilsbeschikking.

Artikel 1080

Het aandeel van een erfgenaam behoort na de vernietiging van zijn aanvaarding niet door aanwas aan zijn mede-erfgenamen, dan voor zover zij het aanvaarden.

Artikel 1081

De bevoegdheid om een erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van de dag waarop dezelve is opengevallen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zij door een van degenen, die door de wet, of door een uiterste wil, daartoe geroepen zijn, onverminderd echter de rechten van derden op de nalatenschap, door enige wettige titel verkregen.

Artikel 1082

De erfgenaam, die de erfenis verworpen heeft, kan dezelve nog aanvaarden, zolang zij nog niet door degenen, welke door de wet of door een uiterste wil geroepen worden, aanvaard is, behoudens de rechten van derden, zoals bij het voorgaande artikel gezegd is.

Afdeling Tweede. Van het verwerpen van erfenissen

Artikel 1083

1.

Het verwerpen ener erfenis moet uitdrukkelijk geschieden, en moet plaatshebben door middels ener verklaring, afgelegd ter griffie van het gerecht in eerste aanleg, onder welks ressort de erfenis opengevallen is.

2.

Het bepaalde bij het tweede lid van artikel 1050 is hier van toepassing.

Artikel 1084

De erfgenaam, die de erfenis verwerpt, wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn.

Artikel 1085

Het erfdeel van degene, die de erfenis verwerpt, vervalt aan degenen, die tot hetzelve zouden zijn geroepen, indien degene, die verwerpt, bij het overlijden des erflaters niet in leven ware geweest.

Artikel 1086

Hij, die een erfenis verworpen heeft, kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hij de enige erfgenaam in zijn graad is, of indien al de erfgenamen de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde, en erven bij gelijke delen.

Artikel 1087

1.

De schuldeisers van degene, die ten nadele hunner rechten een erfenis heeft verworpen, kunnen zich door de rechter in eerste aanleg doen machtigen om de nalatenschap in naam van hun schuldenaar, in zijn plaats en voor hem te aanvaarden.

2.

In dat geval wordt de verwerping der erfenis niet verder dan ten voordele der schuldeisers, en ten belope van hun schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig ten voordele van de erfgenaam, die de erfenis heeft verworpen.

Artikel 1088

De bevoegdheid om een erfenis te verwerpen kan door geen verjaring verloren gaan.

Artikel 1089

Men kan, zelfs bij huwelijkse voorwaarden, geen afstand doen van de erfenis van iemand, die nog in leven is, noch de rechten vervreemden, welke men bij vervolg van tijd op zodanige erfenis mocht kunnen verkrijgen.

Artikel 1090

Erfgenamen, welke goederen, tot een nalatenschap behorende, hebben te zoek gemaakt of verborgen gehouden, verliezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven zuivere erfgenamen, niettegenstaande hun verwerping, zonder dat zij enig deel in het te zoek gemaakte of verborgene mogen vorderen.

Artikel 1091

[Vervallen]

Titel Zestiende. Van boedelscheiding

Afdeling Eerste. Van boedelscheiding en haar gevolgen

Artikel 1092

[vervallen]

Artikel 1093

[vervallen]

Artikel 1094

[vervallen]

Artikel 1095

[vervallen]

Artikel 1096

[vervallen]

Artikel 1097

[vervallen]

Artikel 1098

[vervallen]

Artikel 1099

[vervallen]

Artikel 1100

[vervallen]

Artikel 1101

[vervallen]

Artikel 1102

[vervallen]

Artikel 1103

[vervallen]

Artikel 1104

[vervallen]

Artikel 1105

[vervallen]

Artikel 1106

[vervallen]

Artikel 1107

[vervallen]

Artikel 1108

[vervallen]

Artikel 1109

[vervallen]

Artikel 1110

[vervallen]

Artikel 1111

[vervallen]

Afdeling Tweede. Van inbreng

Artikel 1112

De erfgenamen moeten alle schenkingen onder de levenden, welke zij van de erflater hebben genoten, inbrengen en wel als volgt:

  • 1°. door de erfgenamen in de nederdalende linie, hetzij dezelve de nalatenschap zuiver, of onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, en hetzij dezelve slechts tot het wettelijk erfdeel of tot meer zijn geroepen; tenware de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij een authentieke akte, of bij uiterste wil, van de verplichting tot inbreng zijn ontheven;
  • 2°. door alle andere erfgenamen, hetzij bij versterf, hetzij bij uiterste wil, doch alleen in het geval dat de erflater of schenker de inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of bedongen.

Artikel 1113

De erfgenaam, die de erfenis verwerpt, is niet gehouden in te brengen hetgeen aan hem geschonken is, dan ter aanvulling van zodanig gedeelte als waardoor het wettelijk erfdeel zijner medeërfgenamen mocht verkort zijn.

Artikel 1114

Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel, behoeft dat meerdere niet te worden ingebracht, onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel.

Artikel 1115

1.

De ouders behoeven de giften niet in te brengen, die aan hun kind door deszelfs grootouders gedaan zijn.

2.

Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de erfenis zijner grootouders beurt, niet in te brengen de door dezen aan zijn ouders gedane gift.

3.

Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling die erfenis beurt, de giften inbrengen, welke aan zijn ouders gedaan zijn, zelfs indien het kind de nalatenschap zijner ouders mocht hebben verworpen.

4.

Het kind is echter, in geval van zodanige verwerping, niet jegens zijn medeërfgenamen in de grootouderlijke nalatenschap aansprakelijk voor de schulden zijner ouders.

Artikel 1116

1.

Giften, welke aan de ene echtgenoot door een der ouders van de andere echtgenoot gedaan zijn, zijn zelfs voor de helft niet aan inbreng onderworpen, al ware het ook, dat de geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.

2.

Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenoten door de vader of de moeder van een hunner gedaan zijn, moet de inbreng voor de helft plaatshebben.

3.

Wanneer de giften aan de echtgenoot door zijn eigen vader of zijn eigen moeder gedaan zijn, moet hij dezelve voor het geheel inbrengen.

Artikel 1117

1.

De inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap des schenkers; dezelve is slechts door de ene erfgenaam ten behoeve van de andere verschuldigd.

2.

Ten behoeve van legatarissen of van schuldeisers van de boedel heeft geen inbreng plaats.

Artikel 1118

Inbreng geschiedt, hetzij door het genotene in natura in de boedel terug te brengen, hetzij door zoveel minder dan de andere deelgenoten te ontvangen.

Artikel 1119

1.

De inbreng van goederen kan geschieden ter keuze des inbrengers, hetzij door dezelve in natura terug te geven, zoals zij zich op het ogenblik van de inbreng bevonden, hetzij door het inbrengen der waarde, welke zij ten tijde der gift hadden.

2.

In het eerste geval is de inbrenger verantwoordelijk voor de vermindering, welke de goederen door zijn schuld hebben ondergaan, en verplicht om dezelve te zuiveren van de beperkte rechten die hij daarop heeft gevestigd.

3.

De inbrenger heeft recht op vergoeding van de door hem gemaakte kosten die hij niet zou hebben gedragen, indien hij vruchtgebruiker was geweest.

Artikel 1120

De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze des inbrengers door de betaling van deszelfs bedrag, of door zich dat bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedelen.

Artikel 1121

[vervallen]

Artikel 1122

Behalve de schenkingen, in artikel 1112 aan inbreng onderworpen, moet ook worden ingebracht al hetgeen is verstrekt om aan de erfgenaam een stand, een beroep of bedrijf te verschaffen, of ter betaling van deszelfs schulden, en al hetgeen ten huwelijk is gegeven.

Artikel 1123

Aan inbreng zijn niet onderworpen:

de kosten van verzorging en opvoeding;

de uitkeringen tot noodzakelijk levensonderhoud;

de uitgaven tot het aanleren van enige tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;

de kosten van studie;

de kosten tot plaatsvervanging of nummerverwisseling in ‘s de krijgsmacht van het Koninkrijk;

de bruiloftskosten, klederen en kleinoden tot huwelijksuitzet gegeven.

Artikel 1124

De rente en vruchten van hetgeen aan inbreng is onderworpen worden eerst verschuldigd van de dag, dat een erfenis is opengevallen.

Artikel 1125

Al hetgeen door toeval en zonder schuld van de begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet te worden ingebracht.

Afdeling Derde. Van de betaling der schulden

Artikel 1126

De erfgenamen, die een erfenis hebben aanvaard, moeten in de betaling der schulden, legaten en andere lasten zoveel dragen, als in evenredigheid staat met hetgeen ieder uit de nalatenschap ontvangt.

Artikel 1127

Zij zijn tot die betaling persoonlijk, en ieder naarmate van de hoegrootheid van zijn erfdeel, gehouden, onverminderd de rechten der schuldeisers op de gehele nalatenschap, zolang die nog is onverdeeld, mitsgaders die der hypothecaire schuldeisers.

Artikel 1128

1.

Indien tot de nalatenschap behorende goederen met pand of hypotheek bezwaard zijn, heeft ieder der medeërfgenamen het recht om te vorderen, dat die lasten uit de boedel worden gekweten, en de goederen van het verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der kavelingen worde overgegaan.

2.

Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat waarin zij zich bevindt, moet het bezwaarde goed worden geschat op dezelfde voet als de overige goederen; alsdan wordt de hoofdsom der lasten van de gehele prijs des goeds afgetrokken, en de erfgenaam, aan wie het goed te beurt is gevallen, blijft alsdan alleen ten aanzien zijner medeërfgenamen met de voldoening der schuld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.

3.

Indien de lasten alleen op het goed gevestigd zijn, zonder dat daarbij een personeel verband bestaat, kan geen der medeërfgenamen vorderen, dat de last worde afbetaald, en alsdan wordt het goed onder de verdeling begrepen, onder aftrek van de hoofdsom dier lasten.

Artikel 1129

[vervallen]

Artikel 1130

[vervallen]

Artikel 1131

Een legataris is niet voor de schulden en lasten der nalatenschap verbonden.

Artikel 1132

[vervallen]

Artikel 1133

De schuldeisers en de legatarissen van de overledene mogen van de schuldeisers van de erfgenaam vorderen, dat de boedel van de overledene worde afgescheiden van die des erfgenaams.

Artikel 1134

Indien tot de nalatenschap een registergoed behoort en de schuldeisers of legatarissen hun rechtsvordering tot afscheiding binnen zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen hebben aangevangen, zijn zij bevoegd om het instellen daarvan te doen inschrijven in de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3, waartoe aan de bewaarder mede een authentiek afschrift van de akte van overlijden van de erflater of een ander bewijs dat de rechtsvordering binnen de voormelde termijn is ingesteld, wordt aangeboden. Na de inschrijving kan de erfgenaam het goed niet vervreemden of bezwaren ten nadele van de rechten van de eisers ten laste der nalatenschap

Artikel 1135

Dat recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, zodra er schuldvernieuwing in de schuldvordering tegen de overledene plaatsheeft, door de erfgenaam als schuldenaar aan te nemen.

Artikel 1136

Hetzelve recht verjaart door het tijdsverloop van drie jaren.

Artikel 1137

De schuldeisers van de erfgenaam hebben geen bevoegdheid, om die afscheiding des boedels tegen de schuldeisers der nalatenschap te vorderen.

Afdeling Vierde. Van de vernietiging van aangegane boedelscheiding

Artikel 1138

[vervallen]

Artikel 1139

[vervallen]

Artikel 1140

[vervallen]

Artikel 1141

[vervallen]

Artikel 1142

[vervallen]

Artikel 1143

[vervallen]

Artikel 1144

[vervallen]

Artikel 1145

[vervallen]

Artikel 1146

[vervallen]

Afdeling Vijfde. Van boedelverdeling, door bloedverwanten in de opgaande linie tussen hun afkomelingen onderling of tussen dezen en hun langstlevende echtgenoot gemaakt

Artikel 1147

De bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij notariële akte, tussen hun afkomelingen onderling of tussen dezen en hun langstlevende echtgenoot de verdeling hunner goederen maken. Op deze verdeling is artikel 186, eerste lid, van Boek 3 niet van toepassing.

Artikel 1148

Indien al de goederen, welke de bloedverwant in de opgaande linie op de dag van zijn overlijden nalaat, niet in de verdeling begrepen zijn geweest, zullen die niet verdeelde goederen volgens de wet worden verdeeld.

Artikel 1149

Indien de verdeling niet gemaakt is tussen al de kinderen, die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afkomelingen der vooroverledene, zal de verdeling geheel en al nietig zijn. Er kan een nieuwe verdeling in de wettelijke vorm worden gevorderd, hetzij door de kinderen of afkomelingen, die daarbij geen aandeel gekregen hebben, hetzij zelfs door degenen, tussen welke de verdeling gemaakt is.

Artikel 1150

De verdeling overeenkomstig artikel 1147 gemaakt, kan worden vernietigd uit hoofde van benadeling, meer dan een vierde bedragende. Zij kan alsmede worden vernietigd, indien de verdeling, en hetgeen met vrijstelling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van de een of ander der afkomelingen mocht hebben verkort. De benadeelde kan de grond tot vernietiging inroepen.

Artikel 1151

De erfgenamen, die een beroep doen op een der in het vorige artikel bedoelde gronden tot vernietiging, zullen de kosten, tot de schatting der goederen vereist, moeten voorschieten, en die kosten zullen te hunnen laste blijven, indien hun vordering ongegrond bevonden wordt.

Titel Zeventiende. Van onbeheerde nalatenschappen

Artikel 1152

Wanneer, bij het openvallen ener nalatenschap, zich niemand opdoet, die daarop aanspraak maakt, of wanneer de bekende erfgenamen dezelve verwerpen, wordt de nalatenschap als onbeheerd beschouwd.

Artikel 1153

1.

De rechter in eerste aanleg, onder wiens ressort de nalatenschap opengevallen is, moet, op verzoek der belanghebbende personen, of op de voordracht van het openbaar ministerie, een curator benoemen. Van elke benoeming geeft de griffier van het gerecht in eerste aanleg onverwijld kennis aan de Procureur-Generaal.

2.

Indien de curatele verleend wordt ter zake dat zich niemand opdoet, die als erfgenaam aanspraak op de nalatenschap maakt, benoemt de rechter bij voorkeur tot curator de gestelde uitvoerder van de uiterste wil, tenware deze mocht verlangen door een ander vervangen te worden.

Artikel 1154

1.

De curator is gehouden de nalatenschap te doen verzegelen, en door een notaris een boedelbeschrijving te doen opmaken, mitsgaders de nalatenschap te beheren en tot effenheid te brengen.

2.

Hij is verplicht, door oproepingen in de openbare nieuwspapieren of andere doelmatige middelen, de erfgenamen op te sporen.

3.

Hij moet in rechten optreden ten aanzien der rechtsvorderingen, die tegen de nalatenschap zijn aangevangen, en alle rechten, die de overledene toebehoorden, uitoefenen en voortzetten. Hij is verplicht het gerede geld, hetwelk zich in de nalatenschap bevindt, mitsgaders de opbrengst der verkochte goederen, in de kas der gerechtelijke consignatiën te storten, ten einde te strekken tot behoud der rechten van de belanghebbende partijen, en daarvan, aan wie zulks zal behoren, rekening te doen.

Artikel 1155

Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van het openvallen der nalatenschap, geen erfgenaam opdoet, zal de slotrekening moeten worden gedaan aan de Staat, hetwelk bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten goederen te doen stellen.

Artikel 1156

De artikelen 1062 tot en met 1065 en 1067 zijn ook op de curators van onbeheerde nalatenschappen toepasselijk. Zij kunnen als loon in rekening brengen twee en een half ten honderd der ontvangsten en anderhalf ten honderd der uitgaven.

Titel Achttiende t/m twintigste

Artikelen 1157 t/m 1249

[vervallen]

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)