Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 230
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Een belangrijke doelstelling van het Nederlandse nationaliteitsrecht is van oudsher het nastreven van enkelvoudige nationaliteit. Daaruit vloeit voort dat het Nederlanderschap verloren kan gaan indien men daarnaast ook een andere nationaliteit heeft en de band met Nederland niet meer effectief is, bijvoorbeeld door langdurig verblijf buiten het Koninkrijk. De Nederlandse wetgever heeft dit uitgangspunt vastgelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c RWN (en voor minderjarigen in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d RWN). De verliesbepalingen neergelegd in artikel 16 RWN hebben daarnaast als doelstelling het bevorderen van de nationaliteitsrechtelijke eenheid van het gezin.

paragraaf 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

De optant overlegt zoveel als mogelijk bewijzen van de uitoefening van zijn Unierechten en van de wijze waarop hij door het verlies van het Unieburgerschap bij de uitoefening van die rechten is belemmerd. Een verblijf in een Europese lidstaat moet met bewijzen worden aangetoond en de stelling dat het op het verliesmoment redelijkerwijs voorzienbaar was dat de rechten als Unieburger zouden worden uitgeoefend, moet zoveel als mogelijk met bewijsmiddelen worden onderbouwd. Als de optant stelt dat hij/zij in een EU-lidstaat familieleven met een familielid onderhield, moet de optant, indien mogelijk, aantonen dat dit een familielid betreft.

Het gaat in alle gevallen om bewijsmiddelen die zien op het moment dat de optant de Nederlandse nationaliteit is kwijtgeraakt. Alle bewijsstukken die door de optant van belang worden geacht, kunnen aangeleverd worden. Grotere waarde zal worden gehecht aan bewijsstukken van officiële overheidsinstanties.

3.2.1. Soorten bewijsmiddelen

paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring

Mevrouw A, meneer B en hun kinderen X en Y leggen een optieverklaring af op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder q RWN. Zij hebben de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning gehad in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat sprake is van vijf jaar feitelijk en onafgebroken verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (stabiel hoofdverblijf). Verder kan worden geconcludeerd dat, omdat de betrokkenen in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning, er geen sprake is van frustratie van het vertrektraject en het onttrekken aan toezicht van de autoriteiten van de openbare lichamen binnen het Koninkrijk. Gelet hierop hoeft Onze Minister (lees IND-BES) hierover geen advies te vragen.

Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

In Europees Nederland wordt staatloosheid vanaf 1 oktober 2023 op basis van artikel 4 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid vastgesteld door de civiele rechter in Den Haag. Daarnaast kan in het Europese deel van het Koninkrijk staatlosheid worden vastgesteld op basis van artikel 5 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, als sprake is van evidente staatloosheid.

Hoewel de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid en het Besluit evidente staatloosheid alleen gelden in Europees Nederland, kunnen onderdelen van het Besluit evidente staatloosheid en informatie uit de Regeling evidente staatloosheid in voorkomende gevallen wel gebruikt worden om staatloosheid, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, tweede onderdeel, RWN vast te stellen. Ook kan desgewenst gebruik gemaakt worden van de werkinstructie van de IND inzake het beoordelen van evidente staatloosheid op www.ind.nl.

Paragraaf 2. Peilmoment stabiel hoofdverblijf

Paragraaf 2.2.5. (overige) over te leggen documenten

Als de optant bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering van de bevestiging van de optieverklaring, kan Onze Minister (lees: IND-BES) in de bezwaarfase als sprake is van nova een nieuw advies bij de lokale toelatings- en vertrekautoriteiten vragen. Zie ook paragraaf 1.1.

Bij het afleggen van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap verklaart de meerderjarige vreemdeling en de minderjarige vreemdeling die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt tevens bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot bevestiging wordt niet bekendgemaakt dan nadat de verklaring van verbondenheid daadwerkelijk is afgelegd.

paragraaf 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

Paragraaf 2.2.5.1. Algemeen

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt zonder uitzondering in het Nederlands afgelegd. Hiervan kan dus niet worden afgeweken, ook niet voor optanten die uitsluitend het Papiaments of het Engels machtig zijn.

Wordt de toezegging een verklaring van verbondenheid af te leggen niet nagekomen en is geen ontheffing van het mondeling of schriftelijk afleggen verleend, dan zal de optiebevestiging niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet worden verkregen. Immers, pas door de bekendmaking wordt iemand Nederlander.

In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BvvN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder b, BvvN is bepaald dat in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Onze Minister bevoegd is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de optieverklaringen zijn voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geregeld in de artikelen 3 tot en met 6 en 13 tot en met 18 BvvN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BvvN aangehouden. Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BvvN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.

paragraaf 2. Procedure

paragraaf 2.2. Afleggen van de optieverklaring

paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon

Omdat het van belang is dat de optant aantoont dat hij degene is die hij opgeeft te zijn, dient hij bij als hoofdregel in persoon te verschijnen bij het afleggen van zijn optieverklaring (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BvvN). Onze Minister (lees: IND-BES) die de verklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen omtrent de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant gevraagd een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) over te leggen. Voorts wordt de optant gevraagd andere bewijsstukken over te leggen, zoals een geboorteakte (zie hierna onder paragrafen 2.2.3 en 2.2.5 bij onderhavig artikellid).

Een optieverklaring ten behoeve van een optant die wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt afgelegd door zijn curator.

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

paragraaf 2.2.1.3. Medeverkrijging; Kinderen van de optant

De minderjarige kinderen van de optant, waarvan het de bedoeling is dat zij delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door hun ouder, en die twaalf jaar of ouder zijn, worden mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de medeverkrijging (zie de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Ingevolge artikel 2, vierde lid, RWN wordt een kind van twaalf jaar of ouder op zijn verzoek in de gelegenheid gesteld om een zienswijze omtrent de medeverkrijging naar voren te brengen.

Hebben kinderen de leeftijd van zestien jaar bereikt, dan is verschijning in persoon voorgeschreven om een instemmingsverklaring af te geven (artikel 6, derde lid, BvvN). Zij dienen zich met een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) te legitimeren. Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie de toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).

Indien in gevallen, waarin verschijning in persoon is voorgeschreven, dit om zwaarwegende redenen niet kan worden verlangd, kan de optieverklaring of de verklaring van al dan niet instemming met de (mede)verkrijging van het Nederlanderschap worden afgelegd door een daartoe schriftelijk gemachtigde meerderjarige persoon, mits voldoende zekerheid kan worden verkregen over de identiteit van de gemachtigde en de persoon wiens nationaliteit in het geding is (artikel 3, tweede lid, BvvN).

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen optieverklaringen

Bij zwaarwegende redenen wordt gedacht aan fysieke en/of psychische onmogelijkheid om in persoon te verschijnen. De door betrokkene en/of zijn gemachtigde aangevoerde zwaarwegende redenen dienen te worden aangetoond aan de hand van een gemotiveerde medische verklaring van een onafhankelijk (behandelend) medisch specialist (zie de toelichting bij artikel 2, tweede lid, RWN).

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens

paragraaf 2.2.5.4. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

De duur van het hoofdverblijf zal over het algemeen uit de (historische adresgegevens in de) basisadministratie persoonsgegevens afgeleid kunnen worden. Als dit niet mogelijk is, wordt van de optant (aanvullend) ander bewijs verlangd. Met betrekking tot de in de optieverklaring genoemde minderjarige kinderen is het van belang dat uit de basisadministratie persoonsgegevens blijkt of anderszins wordt aangetoond wat de geslachtsnaam, voornamen, plaats en datum van geboorte van de ouders van de minderjarige kinderen zijn en wie het gezag over de kinderen uitoefent. Voorts zal over het algemeen uit de basisadministratie persoonsgegevens (moeten) blijken dat de in de optieverklaring genoemde kinderen hoofdverblijf in de openbare lichamen Saba, Sint Eustatius of Saba hebben.

paragraaf 2.2.5.5. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Met ingang van 1 maart 2009 verklaart betrokkene bij het afleggen van de optieverklaring dat hij bereid is een verklaring van verbondenheid af te leggen. Deze verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens af, in beginsel op een naturalisatieceremonie, voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en vervolgens de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen voor de optieverklaringen die op of ná 1 maart 2009 worden afgelegd. De bereidheid van de optant tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt met het formulier ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36) vastgelegd op het moment dat de optieverklaring wordt ingediend.

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

De optant wordt geinformeerd dat van de verklaring van verbondenheid twee varianten bestaan. Is de optant religieus, dan kan hij de verklaring van verbondenheid bevestigen met ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’. Anders kiest hij voor ‘Dat verklaar en beloof ik’. Aan de optant wordt uitgelegd dat de keuze voor de bevestiging aan de optant is.

De optant geeft, na het invullen van zijn (persoons)gegevens, op de bereidverklaring aan of hij wel of niet bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen door het aankruisen van één van de bolletjes. Vervolgens dateert en ondertekent de verzoeker de bereidverklaring.

Het ondertekenen van de bereidverklaring (model 1.36), is net als het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid een voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap. Van deze verplichting wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Zie hiervoor artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BvvN. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin het voor de optant niet mogelijk is de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen.

Indien een optant bij het afleggen van de optieverklaring wel bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar is hij vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de bereidverklaring in te vullen en te ondertekenen, dan geldt het volgende. De IND-BES tekent de bereidheid van de optant aan op de bereidverklaring, maar de bereidverklaring wordt vervolgens niet ondertekend, immers de optant is hiertoe niet in staat. De overige formulieren kunnen in voorkomende gevallen ingevuld worden door bijvoorbeeld een gemachtigde of curator.

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

Indien Onze Minister (lees: IND-BES) een verzoek om de verklaring van verbondenheid schriftelijk te mogen afleggen (gemotiveerd) weigert, is dit een beslissing waartegen de optant rechtsmiddelen kan instellen.

paragraaf 2.2.4.2. Waarheidsverklaring

Verder dient de optant een zogenaamde waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 6, vierde lid, BvvN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in de optieverklaring (zie modellen 1.1 tot en met 1.13 en model 1.37), verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens, betreffende zichzelf en de in de optieverklaring genoemde personen naar waarheid heeft verstrekt en geen relevant gegeven heeft verzwegen.

Paragraaf 2.2.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Voor optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b (tenzij de optant meerderjarig is), artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, RWN, artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d en k t/m o RWN (tenzij de optant 16 jaar of ouder is), en artikel II RRWN (2008) (tenzij de optant meerderjarig is) geldt geen openbare orde toets.

paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

Let op! Minderjarige optanten van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k t/m o die op het moment van het afleggen van de optieverklaring jonger zijn dan 16 jaar hoeven model 1.14 niet te ondertekenen. Voor deze optanten geldt geen openbare orde eis en geen eis van toelating en hoofdverblijf.

paragraaf 2.2.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

paragraaf 2.2.5. (overige) over te leggen documenten

paragraaf 2.2.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die opteert voor het Nederlanderschap, moet deze vreemdeling nationaliteit- en identiteitvaststellende documenten overleggen (zie onder meer artikel 6 BvvN en paragraaf 2.2.5.1 en 2.2.5.3 bij artikel 6, tweede lid, RWN). Dit geldt ook voor de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verstrekt, waarbij hij is vrijgesteld van het ‘paspoortvereiste’. De vreemdeling met een verblijfsvergunning die in de vreemdelingrechtelijke procedure is vrijgesteld van het zogenoemde ‘paspoortvereiste’, kan, indien hij verkrijging van het Nederlanderschap door optie beoogt, ruimschoots voorafgaand aan het starten van de optieprocedure zorg dragen voor verkrijging van de daarvoor noodzakelijke bewijsstukken; waarmee een geldig nationaal paspoort en een (indien nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.

paragraaf 2.7.2.1. Bezwaarschrift gegrond

paragraaf 2.4.2.3. Geen gevaar voor de openbare orde, etc.

Of een reguliere optant die in het bezit is van een van een asielgerechtigde afhankelijke verblijfsvergunning kan worden vrijgesteld van het documentenvereiste wordt per zaak op individuele merites beoordeeld. Als er sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld gerede twijfel aan de gestelde identiteit en/of nationaliteit) is het mogelijk dat wel een paspoort en/of geboorteakte verlangd wordt.

Paragraaf 2.2.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

Chrétien heeft zich gewend tot de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is. Hij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een paspoort teneinde zijn identiteit aan te tonen bij het afleggen van zijn optieverklaring. Door de autoriteiten van het land waarvan Chrétien onderdaan is, is hij (nog) niet in het bezit gesteld van het gevraagde paspoort, maar heeft hij een brief ontvangen waarin is opgenomen dat hij in het bezit wordt gesteld van het gevraagde paspoort, mits hij een aantal documenten overlegt. Naar aanleiding van deze brief heeft optant geen actie ondernomen, maar legt hij de brief bij de IND over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood.

Chrétien heeft een brief verzonden naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken van het land waarvan hij onderdaan is. In deze brief verzoekt hij in het bezit te worden gesteld van een paspoort. Op deze brief van Chrétien wordt door het Ministerie van Binnenlandse Zaken van dat land niet gereageerd. In voorkomende gevallen is er géén sprake van bewijsnood.

paragraaf 2.2.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

paragraaf 2.7.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

Uitzonderingen daargelaten (bijvoorbeeld in geval van op goede gronden gerezen twijfel), wordt van overlegging van documenten afgezien indien deze in eerdere instantie reeds zijn overgelegd en verwerkt in de basisadministratie persoonsgegevens of in een akte van de burgerlijke stand. Hierbij geldt dat de verwerking van gegevens in de burgerlijke stand moet hebben plaatsgevonden op basis van, indien nodig, gelegaliseerde documenten.

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling is verschuldigd; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, beoordeelt Onze Minister (lees:IND-BES) de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast waarbinnen deze gegevens alsnog moeten zijn aangeleverd (artikel 14, tweede lid, BvvN). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de door Onze Minister (lees:IND-BES) gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten niet worden overgelegd, kan Onze Minister (lees:IND-BES) het verzoek om naturalisatie afwijzen.

Na de betaling van de optiegelden; de vaststelling dat geen betaling is verschuldigd; of de beslissing tot gehele ontheffing van betaling, beoordeelt Onze Minister (lees:IND-BES) de optieverklaring op zijn volledigheid. Zonodig verzoekt hij de optant om aanvulling van de gegevens en stelt hij een termijn vast waarbinnen deze gegevens alsnog moeten zijn aangeleverd (artikel 14, tweede lid, BvvN). Het verdient aanbeveling een en ander op schrift te stellen en het bericht onmiddellijk aan de optant mee te geven. Indien de door Onze Minister (lees:IND-BES) gevraagde gegevens niet worden verstrekt of de documenten niet worden overgelegd, kan Onze Minister (lees:IND-BES) het verzoek om naturalisatie afwijzen.

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

Paragraaf 2.4.2.2. Verblijfsrechtelijke status optant

Behoudens bij opties op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en p, RWN, artikel 28 RWN en artikel II RRWN (2008), onderzoekt Onze Minister (lees: IND-BES) de verblijfsrechtelijke gegevens van de optant en van de kinderen die met het oog op medeverkrijging in de optieverklaring zijn genoemd (artikel 16, eerste lid, BvvN). Aan de hand van het verblijfsdocument waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken in combinatie met de gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens (en – indien voorhanden – de gegevens in de vreemdelingrechtelijke systemen kan worden beoordeeld of er sprake is van ‘toelating’ dan wel ‘toelating voor onbepaalde tijd’ (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Indien optant dan wel een van de kinderen die in de optieverklaring wordt genoemd niet in het bezit is van een verblijfsdocument, wordt hem verzocht een verblijfsdocument te verkrijgen.

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen, vraagt op grond van artikel 6, derde lid RWN advies aan de IND. Voor de autoriteit in de openbare lichamen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is dat de IND in het Europese deel van het Nederland. Het advies van de IND beperkt zich tot de beoordeling of het verlies van het Unieburgerschap in het individuele geval gevolgen heeft gehad die vanuit het oogpunt van het Unierecht onevenredig zijn. De autoriteit die de optieverklaring in ontvangst heeft genomen stelt derhalve eerst zelf vast of de optant het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren en deelt de verliesdatum en de verliesgrond mee aan de IND. Ook stelt de autoriteit vast dat met het verlies van het Nederlanderschap tevens het Unieburgerschap verloren is gegaan.

paragraaf 2.6.1. Weigering bevestiging verklaring van de optant

Indien het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond is, wordt dit schriftelijk en gemotiveerd aan de indiener van het bezwaarschrift kenbaar gemaakt onder vermelding van de instantie waarbij en de termijn waarbinnen een beroepschrift kan worden ingediend.

Tegen een beslissing op het bezwaarschrift (bijvoorbeeld ongegrondverklaring) kan beroep worden ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Vervolgens kan tegen de uitspraak van het Gerecht hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Vanaf 1 augustus 2008 is de gezaghebber verplicht de persoon aan wie het Nederlanderschap is verleend uit te nodigen voor een ceremonie waarin de verkrijging van het Nederlanderschap wordt gevierd. Vanaf deze datum treedt de optiebevestiging pas in werking door uitreiking daarvan aan de betrokkene, in de regel op een naturalisatieceremonie. Met ingang van 1 maart 2009 is voor het verkrijgen van het Nederlanderschap nog een vereiste ingevoerd, namelijk het afleggen van de verklaring van verbondenheid. Uitgangspunt bij de verklaring van verbondenheid is dat deze in persoon en mondeling wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie. De optiebevestiging wordt aan de betrokkene bekendgemaakt door uitreiking en pas dan treedt het besluit tot verkrijging van het Nederlanderschap in werking. Vanaf 1 maart 2009 zijn ook de (mede)optanten, die op het tijdstip van afleggen van de optieverklaring, zestien jaar of ouder waren, verplicht op een naturalisatieceremonie te verschijnen. Zie artikel 60a, derde lid, BvvN. Vanaf 1 maart 2009 moet de minderjarige medeoptant, die zestien jaar of ouder was op het tijdstip van het afleggen van de optieverklaring, verplicht op een naturalisatieceremonie verschijnen om aldaar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Het besluit tot bevestiging van de optieverklaring werkt terug tot de dag van de dagtekening door Onze Minister (lees:IND-BES) (zie ook onder ‘algemeen’ van paragraaf 2.12.2).

paragraaf 2.8. (hoger) beroep

paragraaf 2.10.1. De oproeping

paragraaf 2.10.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

Het besluit werkt na bekendmaking terug tot het moment waarop het besluit is gedagtekend (artikel 60a, eerste lid BvvN). Dit betekent dat een nieuw feit dat zich heeft voorgedaan in de periode tussen het besluit tot bevestiging van de optieverklaring en de bekendmaking daarvan, geen reden vormt de optiebevestiging opnieuw te beoordelen. Wie in deze tussenliggende periode in strijd met de openbare orde handelt, verkrijgt niettemin het Nederlanderschap. Ook de als minderjarige aangemelde persoon die in de tussenliggende periode meerderjarig is geworden, wordt niet opnieuw aan de voorwaarden getoetst. Hoewel een op of na de dagtekening overleden persoon niet meer in persoon kan verschijnen, zal ook deze persoon Nederlander worden zodra de optiebevestiging aan een belanghebbende is uitgereikt of bekendgemaakt. Overigens dient als regel de betrokken optant in de tussenliggende periode wel te voldoen aan zijn vreemdelingrechtelijke verplichtingen; hij is tot de uitreiking immers geen Nederlander. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft echter geen gevolgen voor de uitreiking van het besluit.

De gezaghebber reikt het besluit tot bevestiging van de optieverklaring uit binnen negen weken nadat Onze Minister (lees:IND-BES) heeft vastgesteld dat optant heeft voldaan aan alle voorwaarden voor optie. Wegens bijzondere omstandigheden kan deze termijn met een redelijke periode worden verlengd. Zie artikel 60a, vierde lid BvvN.

paragraaf 2.10.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 1. Algemeen

Hetzelfde geldt wanneer een medeoptant van zestien of zeventien jaar, die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet op de naturalisatieceremonie is verschenen om daar de verklaring van verbondenheid af te leggen. Ook in dit geval wordt de uitreiking aangehouden. Zie artikel 60a, derde lid, BvvN. Indien de medeoptant binnen één jaar na ondertekening van de optiebevestiging nog altijd niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd) vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan. Zie artikel 60a, elfde lid, BvvN. Dit geldt ook voor alle andere in de optiebevestiging genoemde personen.

Omdat de optiebevestiging zowel de optant als de minderjarigen die met hem het Nederlanderschap verkrijgen betreft, kan de bevestiging niet worden uitgereikt indien één van de opgeroepen personen die de verklaring van verbondenheid moet afleggen niet verschijnt. De uitreiking van de optiebevestiging wordt in dat geval aangehouden. Zie artikel 60a, derde lid, BvvN. Alle betrokkenen worden opnieuw uitgenodigd voor een volgende naturalisatieceremonie en tijdens die naturalisatieceremonie kunnen de in de optiebevestiging genoemde personen alsnog de verklaring van verbondenheid afleggen. Zie tevens paragrafen 2.12.1 en 2.12.2 van paragraaf ‘Toelichting ad artikel 6, derde lid, RWN. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal bij aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BvvN). Indien de (hoofd)optant na herhaalde oproepen niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt de optiebevestiging een jaar na dagtekening ervan. Zie artikel 60a, elfde lid, BvvN.

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd. Zie tevens artikel 23, tweede lid, RWN. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven indien het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.

Indien sprake is van een dergelijke situatie zal de IND-BES de gezaghebber hiervan op de hoogte stellen.

Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken

Bij het (door een gemachtigde) afleggen van de optieverklaring of na het afleggen hiervan is gebleken dat de optant vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Onze Minister (lees:IND-BES) heeft derhalve afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring en ziet af van het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de optant. In voorkomende gevallen stelt Onze Minister (lees: IND-BES) de gezaghebber hiervan op de hoogte. De optiebevestiging wordt bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

Bijvoorbeeld indien de optant vanwege langdurige ziekenhuisopname niet in staat is de naturalisatieceremonie bij te wonen, maar fysiek wel in staat is de verklaring van verbondenheid uit te spreken, kan de gezaghebber een 'privé naturalisatieceremonie' organiseren op de kamer van de optant. Na het mondeling afleggen van de verklaring van verbondenheid, reikt de gezaghebber de optiebevestiging uit.

paragraaf 2.10.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Artikel 6a

Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd, wordt deze verklaring meegezonden met de optiebevestiging aan de IND-BES.

Verlenen de autoriteiten van het land van herkomst geen of onvoldoende medewerking aan het verzoek of de verklaring van afstand, dan beslist de IND-BES over de gevolgen daarvan voor de afstandsverplichting.

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

Nadat de optant op de naturalisatieceremonie is verschenen en de optiebevestiging is uitgereikt, worden de gegevens ten aanzien van de verkrijging van het Nederlanderschap aan de afdeling Burgerzaken van het desbetreffende openbare lichaam verstrekt ter opname en verwerking in de basisadministratie persoonsgegevens. Deze gegevens betreffen de verkrijging van het Nederlanderschap, eventueel vastgestelde namen (zie tevens hieronder) en het eventuele verlies van de oorspronkelijke nationaliteit.

Bij een persoon van Surinaamse nationaliteit voegt Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) een ingevuld formulier gebaseerd op het Memorandum of Understanding inzake wederzijdse uitwisseling van informatie betreffende de verkrijging en het verlies van de nationaliteit tussen Nederland en Suriname, ondertekend op 26 augustus 2008 toe (model 1.35a).

Artikel 6a

Bij een optie op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, RWN moet een bereidheidsverklaring ingevuld worden. Op basis hiervan wordt de optant door Onze Minister: (lees: IND-unit Caribisch Nederland) geïnformeerd over zijn afstandsplicht en kan worden gecontroleerd of de optant daadwerkelijk afstand doet van zijn oorspronkelijke nationaliteit.

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Paragraaf 1. Algemeen

De optieverklaring wordt niet bevestigd als op grond van het gedrag van de optant ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit is een imperatieve weigeringsgrond. Er is geen beleidsvrijheid. Dit volgt uit de tekst van de wet.

Bij de beoordeling of ernstige vermoedens bestaan, hanteert de Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland), om redenen van rechtszekerheid en gelijke behandeling, dezelfde normen als bij naturalisatie (zie de Nota van toelichting bij artikel 10 van het Besluit van 15 april 2002 tot uitvoering van de artikelen 21 en 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Deze normen (het beleidskader) staan beschreven in de toelichting op artikel 9, eerste lid onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap in deze Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Voor optanten van vijftien jaar of jonger geldt geen openbare ordebeletsel. Is de optant 16 of 17 jaar of ouder als hij opteert, dan geldt wel het algemene openbare orde beleid zoals dat ook in de naturalisatieprocedure geldt.

Voor staatloze optanten geldt vanaf 16 jaar wel een soepeler regime dan voor niet-staatloze optanten (zie hieronder). Ook de minderjarige optant die een optie aflegt op grond van artikel 6, eerste lid en onder c RWN mag niet worden getoetst op een openbare orde beletsel (zie hieronder).

Onder ‘tenzij volkenrechtelijke verplichtingen zich daartegen verzetten’ wordt gedoeld op de positie van op het grondgebied van het (huidige Koninkrijk der Nederlanden geboren staatlozen. Dus bijvoorbeeld een in Bonaire als staatloze geboren persoon.

Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)

Op grond van de Parlementaire geschiedenis van de Rijkswet op het Nederlanderschap wordt aangenomen dat een 16- of 17-jarige optant, die een optie aflegt op grond van artikel 6, eerste lid en onder c RWN niet mag worden getoetst op een openbare orde beletsel. De parlementaire geschiedenis luidt: ‘In het Nederlandse nationaliteitsrecht wordt bij de verkrijging en verlening van het Nederlanderschap door een minderjarige de openbare ordetoets slechts aangelegd indien de minderjarige de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt (zie artikel 6, zevende lid, en artikel 11, derde en vierde lid). In de gevallen waarin een minderjarige zelfstandig de Nederlandse nationaliteit verkrijgt door optie op grond van artikel 6, eerste lid, onder b en c, staan verdragen (Verdrag van New York ter beperking van staatloosheid (Trb. 1967, 124) en het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 149)) in de weg aan het aanleggen van de openbare orde-toets. De algemene regel dat de openbare ordetoets alleen wordt aangelegd ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaar reeds hebben bereikt, behoort ook van toepassing te zijn op de minderjarige die op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, voor het Nederlanderschap opteert. Hierin voorziet de voorgestelde wijziging ‘ (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 039 (R 1702), nr. 3, p. 2).

Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken

Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken

Als het gaat om een in het buitenland uitgesproken verstoting van vóór 10-10-10, dan moet deze, om te kunnen worden erkend binnen de rechtssfeer van het openbaar lichaam, tot stand zijn gekomen in overeenstemming met de regelen van het toenmalige Nederlands-Antilliaans internationaal privaatrecht als de casus in de Nederlands-Antilliaanse rechtssfeer speelde. Indien geen aanknopingspunt vindbaar is met de rechtssfeer van de voormalige Nederlandse-Antillen wordt Nederlands internationaal privaatrecht (Boek 10 BW-NL) toegepast.

Bij de behandeling van een optieverklaring kunnen moeilijkheden worden ondervonden die vaak verband houden met de beoordeling door ambtenaren van de basisadministratie van buitenlandse verstotingsakten. Het kan daarbij voorkomen dat de ongeldigheid van een verstoting in het buitenland jaren na inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens alsnog aan de betrokken persoon moet worden tegengeworpen. Het kan dan voor hem moeilijk zijn na zo’n lange tijd nog een bewijs van de rechtsgeldige verstoting van de vrouw te verkrijgen. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) moet echter steeds de geldigheid van een eenzijdige verstoting aan de hand van het IPR van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba toetsen. Daartoe worden hier enige richtlijnen gegeven.

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

In de onderhavige bepaling is geregeld dat wanneer de optant geen geslachts- of voornamen heeft, deze in overleg met hem worden vastgesteld. Wijziging van de geslachtsnaam, is anders dan bij naturalisatie, bij de bevestiging van optie niet mogelijk.

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

Uit de tekst van de wet vloeit ook voort dat de bevestiging van het meedelen in de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit van het minderjarige kind dat op het moment van het afleggen van de verklaring jonger is dan zestien jaar, niet kan worden geweigerd als er op grond van zijn gedrag ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Dit geldt ook als dat kind op het moment van de bevestiging inmiddels zestien of zeventien jaar oud is.

Dus:

Door minderjarige kinderen die niet op de optieverklaring worden vermeld wordt het Nederlanderschap, gelet op artikel 2, eerste lid, RWN, niet herkregen. Gelet op de reikwijdte van artikel 6, achtste lid, wordt het Nederlanderschap evenmin herkregen door een kind dat ten tijde van de optie inmiddels meerderjarig is. Voor beide groepen staat natuurlijk wel de mogelijkheid open om zelfstandig een optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN af te leggen, mits zij het Nederlanderschap en daarmee het burgerschap van de Unie van rechtswege zijn verloren.

Wettekst:

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Artikel 6a

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

artikelen 6.1a en 6.2b Europees Verdrag inzake nationaliteit.

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

De optant verliest bij de verkrijging van het Nederlanderschap automatisch zijn nationaliteit op grond van het Verdrag van Straatsburg van 1963. De optant hoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

Voor verdere toelichting op dit artikellid wordt verwezen naar paragraaf 1 Algemeen van de toelichting bij artikel 9, derde lid, RWN.

Het eerste lid is niet van toepassing op de optant die in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is geboren en daar ten tijde van de verklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap zijn hoofdverblijf heeft.

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

Wettekst:

7-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

Op gelijktijdige optieverklaringen van twee met elkaar gehuwde personen of twee geregistreerde partners, moet door de IND-BES zoveel mogelijk tegelijkertijd worden beslist. Het is niet de bedoeling dat een van de (huwelijks)partners eerder Nederlander wordt, zodat de ander geen afstand meer hoeft te doen van de andere nationaliteit op grond van het feit dat hij of zij de (huwelijks)partner is van een Nederlander.

De echtgenoot of geregistreerd partner van een optant met een nationaliteit waar geen sprake is van automatisch verlies, maar waarvan het doen van afstand mogelijk is (categorie ‘B’ in de ‘landenlijst’) en die tegelijkertijd met zijn of haar echtgenoot of geregistreerd partner een optieverklaring aflegt waarbij één van hen op grond van artikel 6a, tweede lid, onder a, b of d RWN dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel d, e, f, g of h Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RVVN) niet afstandplichtig is, is ook zelf niet afstandplichtig.

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

Wettekst:

Wettekst:

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

Artikel 7

BNT: artikelen 2 t/m 5

Artikel 7

Vanaf 1 augustus 2008 treden de optiebevestiging en het naturalisatiebesluit in werking door de uitreiking in persoon ervan aan betrokkene. Voor het naturalisatiebesluit dat op of na 1 augustus 2008 is vastgesteld, geldt dat dit wordt uitgereikt op de naturalisatieceremonie. Zie artikel II van het Besluit van 19 mei 2006, tot wijziging van het BvvN. Dit Besluit is per 1 augustus 2008 ook in werking getreden voor de voormalige Nederlandse Antillen (Besluit van 31 maart 2008). Zie verder ook de bij Besluit van 10 april 2008 gewijzigde Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN,) artikel 60b BvvN en hieronder paragraaf 3.13.

WAR-BES: artikelen 3, lid 3; 7 en 55 t/m 74

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3.4.2. Waarheidsverklaring

Artikel 21 RWN bepaalt dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. Dit artikel bepaalt voorts dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld voor de wijze van inontvangstneming van verzoeken om naturalisatie en voor de verdere administratieve behandeling van verlening van het Nederlanderschap. Deze nadere regelgeving is opgenomen in de algemene maatregel van rijksbestuur BvvN (Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Artikel 2, aanhef en onder b, BvvN bepaalt dat in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba Onze Minister (lees: IND-BES) bevoegd is tot het in ontvangst nemen van verzoeken om naturalisatie. De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verzoeken om naturalisatie zijn voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba geregeld in artikel 2 tot en met 5 BVVN, 31, 32 en 39 tot en met 44 BvvN.

paragraaf 3. Procedure naturalisatie

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

Een zelfstandig verzoek van een minderjarige wordt ingediend door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) (artikel 2, derde lid, RWN, artikel 3, derde lid, BvvN). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN, artikel 3, eerste lid, BvvN) en zich te legitimeren met een geldig identiteitsbewijs.

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

De minderjarige verzoeker van twaalf jaar of ouder kan verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld om zijn zienswijze naar voren te brengen over de verlening van het Nederlanderschap. Zie model 2.2 (Verzoek om naturalisatie tot Nederlander (minderjarige) (ingediend door wettelijk vertegenwoordiger)) en model 2.10 (Formulier zienswijze (mede)verlening Nederlanderschap (minderjarigen van 12 jaar t/m 15 jaar)(indien minderjarige niet persoonlijk verschijnt). Zie voorts de toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN.

paragraaf 3.8. Voorbereiding beslissing op het verzoek om naturalisatie

Voor de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger is verschijning in persoon niet voorgeschreven, maar verdient dat wel de voorkeur. Stuit persoonlijke verschijning op bezwaar, dan wordt betrokkene schriftelijk verzocht een verklaring te ondertekenen waarin staat of al dan niet wordt ingestemd met de medeverlening van het Nederlanderschap aan het minderjarige kind en die verklaring, met een kopie van een geldig identiteitsbewijs, te zenden aan de IND-BES van het desbetreffende openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba waar het verzoek om naturalisatie van de ouder is ingediend. Voor de zienswijze van de andere ouder of wettelijk vertegenwoordiger kan gebruik worden gemaakt van model 2.13(Brief zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)) en model 2.14(Formulier zienswijze andere ouder/wettelijk vertegenwoordiger omtrent (mede)verlening Nederlanderschap aan minderjarige(n)). Zie ook de toelichting bij artikel 2 RWN.

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

De schriftelijke machtiging moet zijn ondertekend door de persoon wiens verschijning in persoon is vereist.

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Uit het afschrift uit de basisadministratie blijkt onder andere of er sprake is van een huwelijk, een in Europees Nederland geregistreerd partnerschap of een buiten Europees Nederland erkend geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN.

paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

De IND-BES informeert de verzoeker vervolgens dat hij de verklaring van verbondenheid, in beginsel op een naturalisatieceremonie, moet afleggen voordat het naturalisatiebesluit aan hem bekend kan worden gemaakt.

De verzoeker geeft, na het invullen van zijn (persoons)gegevens, op de bereidverklaring aan of hij wel of niet bereid is om de verklaring van verbondenheid af te leggen door het aankruisen van één van de bolletjes. Vervolgens dateert en ondertekent de verzoeker de bereidverklaring. De IND-BES kan bij de verzoeker reeds informeren op welke wijze hij de bevestiging wenst uit te spreken (‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ of ‘Dat verklaar en beloof ik)’. De IND-BES kan deze voorkeur vervolgens optioneel aangeven onderaan de bereidverklaring. De bereidverklaring maakt deel uit van het naturalisatiedossier.

paragraaf 3.10. Bezwaar

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

De verzoeker moet een waarheidsverklaring te ondertekenen (artikel 31, vierde lid, BvvN). In deze verklaring, waarvan de tekst is opgenomen in het verzoek om naturalisatie, verklaart de verzoeker dat hij de gevraagde gegevens naar waarheid heeft verstrekt en dat hij voor de beoordeling van het verzoek geen relevante gegevens heeft verzwegen. Voorts verklaart de verzoeker dat hij zich ervan bewust is dat het verstrekken van onjuiste gegevens of het verzwijgen van relevante gegevens kan leiden tot intrekking van het naturalisatiebesluit, zelfs als dit tot staatloosheid leidt.

Paragraaf 3.5.1. Algemeen

Er vindt geen uitwisseling van officiële stukken plaats met staten die door Nederland niet erkend zijn. De verzoeker mag daarom het naturalisatieverzoek indienen zonder een document (bij voorbeeld een geboorteakte) uit een dergelijk land. Dit geldt op dit moment voor documenten die uit Abchazië, Noord-Cyprus, Zuid-Ossetië of Taiwan zouden moeten komen.

paragraaf 3.12. Naturalisatieceremonie

Blessing heeft zich gewend tot de autoriteiten van het land waarvan zij onderdaan is. Zij heeft daar verzocht in het bezit te worden gesteld van een paspoort teneinde haar identiteit aan te tonen bij de indiening van haar verzoek om naturalisatie. Door de autoriteiten van het land waarvan Blessing onderdaan is, is ze (nog) niet in het bezit gesteld van het gevraagde paspoort, maar heeft zij een brief ontvangen waarin is opgenomen dat zij in het bezit wordt gesteld van het gevraagde paspoort, mits zij een aantal documenten overlegt. Naar aanleiding van deze brief heeft Blessing geen actie ondernomen, maar legt zij de brief bij de IND over als zijnde een bewijsstuk van bewijsnood. In dit geval is géén sprake van bewijsnood.

In principe wordt geen bewijsnood aangenomen indien gebleken is dat sprake is van één van de onderstaande omstandigheden:

Paragraaf 3.5.4. Buitenlandse akte(n) (van de burgerlijke stand)

De verzoeker dient in beginsel de volgende originele buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) over te leggen (zie voor uitzonderingen hieronder paragraaf 3.5.4):

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

In Syrië geboren vreemdelingen hoeven geen Syrisch paspoort noch een uit Syrië afkomstige geboorteakte te overleggen. De reden hiervoor is dat uit het ambtsbericht over Syrië uit juni 2022 gebleken is dat in Syrië nog steeds sprake is van een instabiele situatie, die niet alleen wordt veroorzaakt door de aard en frequentie van het geweld, maar ook door repressieve acties van de Syrische regering en andere feitelijke machthebbers in delen van het land. Daardoor kan het verkrijgen van documenten niet gevergd worden.

paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen van verzoeken

Nadat Onze Minister (lees: IND-BES) een verzoek om naturalisatie in ontvangst heeft genomen, wordt daarop een datum van ontvangst en een dienststempel geplaatst (artikel 39, zesde lid, BvvN), waarna een kopie van het verzoek, als bewijs van inontvangstneming, aan de verzoeker wordt meegegeven (artikel 39, vierde lid, BvvN).

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

Zijn de verschuldigde naturalisatiegelden wél betaald, maar de gevraagde documenten die geen betrekking hebben op de financiële positie van verzoeker, nog niet overgelegd, dan wordt dit aangetekend in het naturalisatiedossier. Onze Minister (lees: IND-BES) tekent in het naturalisatiedossier duidelijk aan dat de verzoeker weliswaar om aanvulling is gevraagd, maar dat hij in gebreke is gebleven.

Onze Minister (lees: IND-BES) stelt de verzoeker vervolgens opnieuw in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn de gevraagde documenten te overleggen. Indien de verzoeker de gevraagde documenten niet binnen deze redelijke termijn overlegt (dat wil zeggen de verzoeker legt onjuiste documenten over of reageert niet), wijst Onze Minister het verzoek om naturalisatie af.

Alsdan toetst Onze Minister (lees: IND-BES) de door de verzoeker verstrekte persoonsgegevens aan de gegevens die zijn opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens (artikel 41, eerste lid, BvvN). Heeft het verzoek mede betrekking op personen die staan ingeschreven in andere basisadministraties (kinderen voor wie medeverlening wordt verzocht), dan verzoekt Onze Minister (lees: IND-BES) het desbetreffende openbare lichaam om binnen vier weken (of in voorkomend geval de burgemeester van de gemeente dan wel de Minister van Algemene Zaken van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten om binnen tien weken) de door verzoeker verstrekte persoonsgegevens te controleren (artikel 41, tweede lid, BvvN).

Paragraaf 3.9. Overdracht naturalisatiedossier aan de IND in het Europese deel van het Koninkrijk

Paragraaf 3.9. Overdracht naturalisatiedossier aan de IND in het Europese deel van het Koninkrijk

De IND Caribisch Nederland (IND-CN) draagt het naturalisatiedossier intern over aan de IND in het Europese deel van Nederland, nadat het vooronderzoek, zoals beschreven in de paragrafen 3.1 tot en met 3.8 is afgerond. IND-CN gebruikt bij de overdracht model 2.22 (en de modellen waarnaar in model 2.22 wordt verwezen). Uit de stukken, die aan de IND in het Europese deel van Nederland worden overgedragen, moet duidelijk blijken:

paragraaf 3.10. Bezwaar

Een beslissing van Onze Minister (lees: IND in Europees Nederland) tot aanhouding of afwijzing van een verzoek om naturalisatie of tot afwijzing van een verzoek om medeverlening is een beschikking waartegen rechtsmiddelen ingesteld kunnen worden.

Een informatieve brief, waarin het beleid nader wordt toegelicht, is géén besluit in de zin van de War-BES. Een bezwaarschrift tegen een informatieve brief wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij kan worden gedacht aan een bezwaarschrift gericht tegen de bijlage bij de bekendmaking van het naturalisatiebesluit, waarin de naturalisandus wordt gewezen op de afstandsplicht.

paragraaf 3.10. Bezwaar

paragraaf 3.12. Naturalisatieceremonie

paragraaf 3.11. (hoger) beroep

De gezaghebber heeft de vrijheid om naar eigen behoefte vorm te geven aan de invulling van de naturalisatieceremonie. Vast staat wel dat de naturalisandus in beginsel in persoon moet verschijnen op de naturalisatieceremonie en daar de verklaring van verbondenheid af moet leggen.

8-alg. Toelichting algemeen

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 3.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 2.2. Toelating bij vergunning verleend

paragraaf 3.2. Beoordelingsmoment

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 3.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Wettekst:

Paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

paragraaf 2.1. Toelating van rechtswege

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

Paragraaf 3.1. Polygamie

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba)

paragraaf 3.4. Minderjarigen

paragraaf 3.4. Minderjarigen

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

paragraaf 2. Procedure

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets

paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets

paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is

8-5. Toelichting ad artikel 8, vijfde lid

Paragraaf 3.1. Polygamie

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

Paragraaf 5.7. Jeugdigen

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

Paragraaf 5.1. Misdrijven

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

9-1-a. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

Paragraaf 5.11. Schadevergoeding

Paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of het afleggen van de optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

Paragraaf 5.6. Buitenlandse feiten

Paragraaf 5.11. Schadevergoeding

Paragraaf 5.12. Gratie

Paragraaf 7.1. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

Als sprake is van een in het buitenland gepleegd delict, onderzoekt Onze Minister of het betreffende feit op grond van het Wetboek van Strafrecht BES een misdrijf is. Onze Minister neemt dan contact op met het Openbaar Ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba om te onderzoeken of de beoordeling van het misdrijf door de buitenlandse rechter vergelijkbaar is met de beoordeling naar de maatstaven van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Als het Openbaar Ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor de eis ter zitting richtlijnen hanteert, gelden die richtlijnen als uitgangspunt. Met de individuele omstandigheden kan daarbij in het algemeen geen rekening worden gehouden. Het Openbaar Ministerie van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba noch Onze Minister kan zich een oordeel vormen over het aan de strafrechter toekomend oordeel over de juiste strafmaat in een individuele casus. Het Openbaar Ministerie kan in het algemeen slechts adviseren over de eis ter zitting. De daarbij door het Openbaar Ministerie gehanteerde richtlijnen geven echter duidelijke en objectieve maatstaven aan de hand waarvan de gangbare straf voor de betreffende delicten uniform kan worden beoordeeld. Dat laat onverlet dat in zeer bijzondere (individuele) gevallen alleen dan tot een juiste toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap kan worden gekomen door af te wijken.

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Hoofdregel: afstand van de oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

paragraaf 3.4.4. Zelfstandigen

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 4. Bewijsstukken

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

paragraaf 3.5. De verzoeker zal – naar hij aantoont – door het doen van afstand vermogensrechtelijke rechten die hij ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie in het land van oorsprong bezit verliezen, waardoor hij een substantieel financieel nadeel zal lijden

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 5. Procedure afstandsverplichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN

paragraaf 3.4. Advies Onze Minister (na overleg met de Staatssecretaris van VWS)

11-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

Vóór 1 april 2003 behoefden verzoekers om naturalisatie die vielen onder de doelgroepen van het Tweede Protocol overigens evenmin afstand te doen van hun oorspronkelijke nationaliteit. De aan het Tweede Protocol ten grondslag liggende doelstellingen van integratie en van eenheid van nationaliteit binnen het gezin brachten mee dat de uitzondering op de afstandseis voor de in het Tweede Protocol genoemde gevallen niet uitsluitend beperkt kon blijven tot personen die onderdaan zijn van een land dat partij was bij het Tweede Protocol. De uitzondering op de afstandseis gold daardoor voor eenieder die verzocht om naturalisatie tot Nederlander en behoorde tot een van de doelgroepen van het Tweede Protocol, ongeacht of de verzoeker onderdaan was van een land dat partij is bij het Tweede Protocol (zie circulaire van de Staatssecretaris van Justitie van 18 juni 1997, kenmerk 631150/97/6). Voor wat betreft de afstandsverplichting verandert er in deze gevallen dus feitelijk niets na 1 april 2003.

9-3-b. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder b

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

De verzoeker die met succes een beroep wil doen op deze uitzonderingsgrond zal bij de indiening van het verzoek om naturalisatie moeten aantonen dat hij is erkend als vluchteling. De reden voor deze uitzondering op de afstandplicht is dat het niet verantwoord is een erkende vluchteling contact op te laten nemen met de autoriteiten van het land van herkomst. Om dezelfde reden is deze categorie vreemdelingen vrijgesteld van het legalisatievereiste, indien betrokkene hiertegen bezwaar maakt. De verzoeker hoeft dan ook geen bereidheidsverklaring te ondertekenen.

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

paragraaf 1.2. Geslachtsnaam minderjarige kinderen

paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde

11-1. Toelichting ad artikel 11, eerste lid

11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid

12-alg. Toelichting algemeen

12-1. Toelichting ad artikel 12, eerste lid

11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid

paragraaf 1.5. Weigering de geslachtsnaam te laten vaststellen

11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.2. Tarieven C en D

paragraaf 1.1. Tarieven

paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

paragraaf 4. Naamsvaststelling bij minderjarige kinderen

paragraaf 4. Naamsvaststelling bij minderjarige kinderen

Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen

Artikel 13

paragraaf 1.1. Tarieven

paragraaf 1. Optiegelden

paragraaf 2. Naturalisatiegelden

paragraaf 2. Naturalisatiegelden

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

paragraaf 2.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

Tot 1 april 2015 werd de terugwerkende kracht van de intrekking beperkt door artikel II RRWN. Op grond van dit artikel werkte intrekking van het Nederlanderschap nooit verder terug dan de datum van inwerkingtreding van de herziene RWN (1 april 2003). Hierdoor had het intrekkingsbesluit geen rechtsgevolg ten aanzien van de periode vóór de inwerkingtreding van de Rijkswetten van 21 december 2000 en 18 april 2002 tot wijziging van de RWN. Met andere woorden, na intrekking van het Nederlanderschap werd betrokkene geacht wél in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit, maar vanaf het moment van inwerkingtreding van de wijzigingswetten van 2000 en 2002 niet meer in het bezit te zijn geweest van de Nederlandse nationaliteit.

Paragraaf 2.1.2.3. Artikel 205 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

14-4. Toelichting ad artikel 14, vierde lid

paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

2.5.3. Individueel belang

2.5.2. Bewijslast

2.5.3. Individueel belang

2.5.6. Weging belangen

Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 4.2.2. Vreemdelingrechtelijke gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

14-8. Toelichting ad artikel 14, achtste lid

Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN

paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid

paragraaf 2.1. Misdrijven bedoeld in het tweede lid

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

14-10. Toelichting ad artikel 14, tiende lid

15-alg. Toelichting Algemeen

Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

2.4.4. Algemeen belang

paragraaf 3. Procedure tot intrekking van het Nederlanderschap en de afwikkeling

Paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

2.2.6. Weging belangen

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

2.2.2. Bewijslast

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Artikel 16

Paragraaf 3.1. Administratieve handelingen

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Evenredigheidstoets op verlies van Unieburgerschap na van rechtswege verlies van de Nederlandse nationaliteit

16-alg. Toelichting algemeen

14-8. Toelichting ad artikel 14, achtste lid

Artikel 15

paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging

paragraaf 4. Delen van kinderen in de afstand

paragraaf 1. Vrijwillige verkrijging

Paragraaf 1.1. Verlies Nederlanderschap wegens niet (tijdig) verwerpen van een (te) ontvangen vreemde nationaliteit

paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

3.3. Individueel belang

3.2. Bewijslast

Paragraaf 5. Gevolgen van de intrekking

Paragraaf 6. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit

Paragraaf 7. Administratieve verwerking van het intrekkingsbesluit

Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit

Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit

Paragraaf 9. Bezwaar tegen het intrekkingsbesluit

Artikel 18

Vestiging van het hoofdverblijf buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba wordt in ieder geval aangenomen, indien een persoon:

Artikel 2

Dit betekent dat op of na 1 januari 2005 voor verkrijging van het Nederlanderschap op gelijke wijze als een huwelijkspartner in aanmerking komt, de partner van een Nederlander als het partnerschap in het buitenland is geregistreerd en op grond van artikel 10:60 BW-NL tot en met 10:91 BW-NL in Europees Nederland wordt erkend.

2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid

BW-NL: artikelen 1:203, tweede lid; 1:207, vijfde lid; 1:230, eerste lid;

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

Om een zo groot mogelijke zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de vreemdeling, moet deze in beginsel zijn verklaringen en verzoeken in persoon afleggen bij Onze Minister (zie artikel 2 BvvN). De vreemdeling toont vervolgens zijn identiteit aan de hand van bepaalde identiteitsdocumenten (zie de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN, artikel 7 RWN, artikel 15, eerste lid aanhef en onder b, RWN en artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN).

paragraaf 1. Algemeen

Instemmen met (mede)verkrijging (optie) en (mede)verlening (naturalisatie)

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

Voor een kind van zestien jaar en ouder is vereist dat het uitdrukkelijk verklaart in te stemmen met de medeverkrijging (artikel 6, achtste lid, RWN, artikel 26, derde lid, RWN en artikel 28, derde lid, RWN) of de medeverlening (artikel 11, derde lid, RWN). Deze instemmingsverklaring moet aan dezelfde voorwaarden voldoen als in artikel 3 BvvN wordt geregeld voor de door de optant uitgebrachte optieverklaring of het door verzoeker ingediende verzoek om naturalisatie (artikel 6, vierde lid, RWN en artikel 31, derde lid, BvvN). Dit betekent derhalve dat ook het kind van zestien jaar en ouder bij medeverkrijging en medeverlening in persoon moet verschijnen bij Onze Minister (lees: IND-BES) om een instemmingsverklaring af te leggen.

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger

2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

De moeder van Antonio wil in 2007 de Nederlandse nationaliteit verkrijgen en dient een verzoek om naturalisatie in. Bij het indienen van het verzoek geeft zij aan dat zij Antonio wil laten meedelen in de verlening van het Nederlanderschap. Aan alle voorwaarden voor naturalisatie en medeverlening wordt voldaan. De man die Antonio heeft erkend, behoeft niet te worden gevraagd om een zienswijze omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap door Antonio. Weliswaar is hij de juridische vader van Antonio, maar hij wordt niet aangemerkt als ‘andere ouder’ als bedoeld in artikel 2, vierde lid RWN. De rechter heeft immers bepaald dat het niet in het belang van het kind is dat hij de zeggenschap over Antonio heeft. Zou Antonio op of ná 1 maart 2009 als pas geborene zijn erkend door de Nederlandse man, dan had Antonio op de dag van de erkenning de Nederlandse nationaliteit gekregen.

Artikel 3

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

Artikel 4

Artikel 4

Paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Als het kind is geboren vóór 1 januari 1985 en de vaststelling van het vaderschap in beginsel onherroepelijk is geworden vóór 1 april 2003, heeft het kind het Nederlanderschap niet verkregen. Met ‘in beginsel onherroepelijk’ wordt bedoeld de situatie dat de termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn verstreken. Let op! Dit neemt niet weg dat een onbekend gebleven belanghebbende alsnog de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap door middel van een rechterlijke procedure kan aantasten. Weliswaar vestigt de vaststelling van het vaderschap een familierechtelijke betrekking tussen vader en kind vanaf de geboorte, maar dit leidt dit niet tot verkrijging van het Nederlanderschap. Immers, artikel 1, aanhef en onder a, WNI (die gold tot 1 januari 1985) kent een limitatieve opsomming voor verkrijging van het Nederlanderschap, namelijk: ‘het wettig, gewettigd, of door den vader erkend natuurlijk kind’. In de opsomming wordt niet genoemd de familierechtelijke betrekking tussen vader en kind, ontstaan door gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het ligt daarom niet in de rede om deze rechtsfiguur, die pas in 1998 werd ingevoerd in het Nederlands familierecht, met terugwerkende kracht in te lezen’ in een wet die stamt uit 1892 en die bovendien niet meer van kracht is. De rechtszekerheid, die in het nationaliteitsrecht zware eisen stelt, staat hier geen ruimere dan een grammaticale interpretatie toe. Een andere opvatting zou in strijd zijn met artikel 25 RWN. Uit het voorgaande volgt tevens dat geen beroep mogelijk is op artikel 1, aanhef en onder b, WNI noch op artikel 2, aanhef en onder a, WNI.

Paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)