Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 230
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Paragraaf 3.1. Bewijslast opvoeding en verzorging

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Rijkswet inperking gevolgen Brexit (terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)

3.2. Bewijslast

Paragraaf 8. Feitelijk afstand van de oorspronkelijke nationaliteit voor datum intrekkingsbesluit

Artikel 16

Artikel 28

Als met het van rechtswege verlies van het Nederlanderschap ook het Unieburgerschap verloren is gegaan en dit verlies onevenredige gevolgen heeft gehad vanuit het oogpunt van het Unierecht, kan het Nederlanderschap gelet op het arrest van 12 maart 2019 van het Europese Hof van Justitie (C-221/17) met terugwerkende kracht worden herkregen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN. Zie verder de toelichting bij dat artikel.

Verlies van het Nederlanderschap zou voor Alexia intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van Alexia, het Nederlanderschap bezit.

Alexia zou haar Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen:

Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a RWN door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als de minderjarige daardoor de niet-Nederlandse nationaliteit van deze vreemdeling verkrijgt.

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN

Ook de andere gronden van artikel 16, tweede lid, RWN kunnen reden zijn, dat het Nederlanderschap niet verloren gaat.

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

Verlies van het Nederlanderschap zou voor Alexia intreden op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. In dit geval verliest de minderjarige de Nederlandse nationaliteit echter niet, omdat een ouder, namelijk de moeder van Alexia, het Nederlanderschap bezit.

paragraaf 1. Algemeen

Alexia zou haar Nederlanderschap door voormelde erkenning evenmin verliezen:

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

De minderjarige Fadime wordt rechtsgeldig erkend door de Turkse man Murat. Fadime bezit op het moment van de erkenning al de Turkse nationaliteit, zodat artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN op haar van toepassing is. Fadime verliest evenwel niet haar Nederlanderschap, omdat dit wordt verhinderd door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN.

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

Wettekst:

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, indien hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder (als bedoeld in artikel 11, achtste lid, RWN). Met de woorden ‘adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid’, is hier bedoeld dat, indien de minderjarige tevens de nationaliteit van de adoptiefouder bezit, daarmee alleen rekening mag worden gehouden als de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van internationaal privaatrecht en tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken. In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van betrokkene in de basisadministratie persoonsgegevens. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk artikel 62, derde lid, BvvN).

De mogelijkheid dat een minderjarige een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit aflegt, bestond niet voor 1 april 2003. Tot dat moment kon alleen een meerderjarige afstand doen van het Nederlanderschap.

De verklaring van afstand kan door een minderjarige alleen met rechtsgevolg worden afgelegd, indien hij naast het Nederlanderschap tevens de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder (als bedoeld in artikel 11, achtste lid, RWN). Met de woorden ‘adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid’, is hier bedoeld dat, indien de minderjarige tevens de nationaliteit van de adoptiefouder bezit, daarmee alleen rekening mag worden gehouden als de adoptie tot stand is gekomen in overeenstemming met de regelen van internationaal privaatrecht en tot gevolg heeft gehad dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen zijn verbroken. In de meeste gevallen zal van die nationaliteit blijken uit de beschrijving van betrokkene in de basisadministratie persoonsgegevens. Is dat niet het geval, of wordt bijvoorbeeld getwijfeld aan het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de (adoptief)ouder, dan kan overlegging van een bewijs van de nationaliteit van de minderjarige en/of zijn (adoptief)ouder worden verlangd (vergelijk artikel 62, derde lid, BvvN).

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook Boris, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar Boris al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).

Ingevolge artikel 2, derde lid, RWN, wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.

Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.

De verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.2) wordt, namens de minderjarige tot twaalf jaar, door zijn wettelijk vertegenwoordiger afgelegd. Deze minderjarige wordt hierover niet gehoord.

Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie hierna paragraaf 2.2.3 en 3).

Minderjarigen van twaalf tot zestien jaar worden geacht voldoende inzicht te hebben in de gevolgen van het doen van afstand van de Nederlandse nationaliteit. Daarom wordt het kind hierover gehoord. Ook de ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek worden gehoord om zijn eventuele bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te maken.

Indien blijkt dat zowel het kind als deze ouder bedenkingen hebben tegen de afstand van het Nederlanderschap, dan heeft de verklaring van afstand die is afgelegd door de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige geen rechtsgevolg (zie hierna paragraaf 2.2.3 en 3).

Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door Onze Minister (lees: IND-BES) alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Dit wordt gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in het Koninkrijk woont en tevens zijn of haar adres reeds ambtshalve of na navraag bekend is. Indien degene die een zienswijze naar voren kan brengen niet in het Koninkrijk woont, wordt hij/zij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen alleen indien:

De wettelijk vertegenwoordiger legt namens de minderjarige (tussen de 12 en 16 jaar), de verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.2) af. De minderjarige wordt hierover gehoord.

Indien de minderjarige aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij direct gehoord over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap.

Indien de minderjarige niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door Onze Minister (lees IND-BES) opgeroepen om gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap. Zolang de minderjarige niet gehoord is, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 Geen verlies Nederlanderschap)

Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door Onze Minister (lees: IND-BES) gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt geen duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord, dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe in de gelegenheid gesteld.

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

Paragraaf 7.3. Verzoek aan de IND

paragraaf 3.4.1. Minimum en maximum financieel nadeel

9-3-c. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder c

paragraaf 3. De namen worden op uiteenlopende wijze gespeld in documenten van gelijke rangorde

16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

De Nederlandse nationaliteit gaat voor een minderjarige eveneens verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, als de minderjarige deze niet-Nederlandse nationaliteit reeds bezat. Veelal zal overigens geen verlies van het Nederlanderschap intreden, omdat de andere ouder van Nederlandse nationaliteit is (zie artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN).

Voor Alexia geldt wel, dat zij tijdens haar minderjarigheid het Nederlanderschap alleen maar kan behouden zolang haar moeder het Nederlanderschap bezit (tenzij zij tevens behoort tot een van de andere categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN). Zodra moeder Bernadette het Nederlanderschap verliest – bijvoorbeeld als gevolg van vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit – verliest ook Alexia haar Nederlanderschap, alleen als zij nog minderjarig is.

28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid

Uit een ongehuwde Turkse vrouw is in 2004 kind Fadime geboren in Amsterdam. Fadime, die de Turkse nationaliteit bezit, is tevens van Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 3, derde lid, RWN.

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

Ingevolge artikel 2, derde lid, RWN, wordt een verklaring van afstand voor een minderjarige door zijn wettelijke vertegenwoordiger afgelegd. De minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, legt de verklaring van afstand echter zelfstandig af.

paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar

Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door het afleggen van een verklaring van afstand, indien hij de nationaliteit bezit van zijn vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid.

paragraaf 1. Algemeen

29-alg. Toelichting algemeen

28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid

De ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt wordt, op haar/zijn verzoek, gehoord om zo haar/zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind kenbaar te kunnen maken. Uit de woorden ‘op zijn verzoek’ volgt dat de andere ouder niet verplicht is bedenkingen kenbaar te maken. Indien deze ouder te kennen geeft niet gehoord te willen worden of niet reageert op een uitnodiging daartoe, dan wordt zij/hij geacht geen bedenkingen te hebben tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van haar/zijn kind.

Indien de andere ouder aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt zij/hij door Onze Minister (lees: IND-BES) gevraagd of zij/hij tegen het verlies van het Nederlanderschap door de minderjarige is. Wordt geen duidelijk antwoord gegeven op deze vraag of ontstaat twijfel over de vrijwilligheid van het afgelegde antwoord, dan wordt de andere ouder gewezen op de mogelijkheid op een later moment en alleen gehoord te worden over eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Alleen indien de andere ouder hierover gehoord wil worden, wordt hij hiertoe in de gelegenheid gesteld.

Indien de andere ouder niet aanwezig is bij het afleggen van de verklaring van afstand door de wettelijk vertegenwoordiger, wordt hij door Onze Minister (lees: IND-BES) alsnog, bijvoorbeeld middels toezending van een brief, gewezen op de mogelijkheid om gehoord te worden over zijn eventuele bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van zijn minderjarige kind. Dit wordt gedaan indien de andere ouder bekend is, hij in het Koninkrijk woont en tevens zijn of haar adres reeds ambtshalve of na navraag bekend is. Indien degene die een zienswijze naar voren kan brengen niet in het Koninkrijk woont, wordt hij/zij in de gelegenheid gesteld om een zienswijze naar voren te brengen alleen indien:

Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt het verlies van het Nederlanderschap niet in (zie tevens paragraaf 3 Geen verlies Nederlanderschap).

Het in de Bevestiging van het afleggen van een verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.3) opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in artikel 17 RWN. Deze bevestiging is een bevestiging dát er door onze Minister (lees: IND-BES) een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Het is dus niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren.

paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond

paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

paragraaf 3. Geen verlies Nederlanderschap

16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 4. Erkenning en wettiging vanaf 1 maart 2009

Met ingang van 1 maart 2009 verkrijgen minderjarige kinderen die jonger zijn dan zeven jaar en worden erkend door een Nederlander, door deze erkenning vanaf de datum van erkenning het Nederlanderschap (artikel 4, tweede lid RWN). Hetzelfde geldt voor minderjarige kinderen die zonder erkenning door wettiging het kind worden van een Nederlander (artikel 4, derde lid RWN). Indien een minderjarig kind dat zeven jaar of ouder is wordt erkend door een Nederlander verkrijgt het pas het Nederlanderschap indien het biologische vaderschap bij of binnen een jaar na erkenning wordt aangetoond door DNA-bewijs als bedoeld in het besluit DNA-onderzoek vaderschap (zie artikel 4 lid 4 RWN juncto artikel 4 lid 6 RWN). Indien de Nederlander die een kind van zeven jaar of ouder heeft erkend zijn biologische vaderschap niet kan of wil aantonen staat de mogelijkheid open van de optie op grond van artikel 6, eerste lid onder c RWN.

6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

paragraaf 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander

paragraaf 1.2. Bezit Nederlandse nationaliteit moeder ten tijde van geboorte van kind

paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit

paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit

paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.6. Vereiste documenten

paragraaf 2.1. Verkrijging van de Nederlandse nationaliteit onder de WNI 1892

paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

paragraaf 1. Algemeen

6-1-k. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k

paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte

paragraaf 1.1. Afstamming door erkenning als minderjarige van zes jaar of ouder

paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

6-1-m. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder m

paragraaf 1.2. Eerste verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

paragraaf 1.3. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Voorts eist onderdeel m dat eerst de optiegerechtigde vader van het kind het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel m. Alleen als deze optiegerechtigde vader is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen, kan er ook geopteerd worden.

paragraaf 1.4. Vereiste documenten

paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1. Algemeen

Een vreemdeling (minderjarig of meerderjarig) die de optieverklaring aflegt, verkrijgt het Nederlanderschap door de bevestiging, bedoeld in artikel 6, derde lid, RWN als cumulatief:

paragraaf 1.1. Afstamming door adoptie binnen het Koninkrijk van een minderjarige

paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

2.4. Mee te wegen rechten en factoren

2.4.1. Beroep op schending van het familie- of gezinsleven en het belang van het kind

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Procedure

Paragraaf 1.3. Het in redelijkheid niet kunnen verkrijgen van andere nationaliteit

paragraaf 2.2.1.2

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2.2.3. Te verstrekken gegevens

paragraaf 2.7.1. Onze Minister beslist

paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

Paragraaf 2.4.2.6. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN

paragraaf 2.7.2.1. Bezwaarschrift gegrond

Paragraaf 2.1. Weigering optiebevestiging wegens strafrechtelijk(e) delict(en)

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

paragraaf 3.2.3. Medeverlening (artikel 11, eerste lid, RWN)

Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets

Paragraaf 3.5.2. Buitenlands reisdocument

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

paragraaf 3.4. Minderjarigen

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 2. Toelating van rechtswege of toelating bij vergunning verleend

paragraaf 2.3.1. Procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

Paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit

paragraaf 2.3. Minderjarigen van 16 jaar en ouder

16-alg. Toelichting algemeen

Het minderjarige Nederlandse kind Alexia, geboren in Nederland, heeft de Nederlandse vrouw Bernadette als moeder. Alexia wordt erkend door de Turkse man Cevdet. Als gevolg van die erkenning is Alexia van Turkse nationaliteit. Het Nederlanderschap ontleent Alexia uitsluitend aan artikel 3, eerste lid, RWN.

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar

paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar

Na het horen van de minderjarige en/of de andere ouder, die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van twaalf heeft bereikt, kunnen zich de volgende, niet limitatieve, situaties voordoen:

Ingevolge artikel 16 RWN moet een minderjarige van 12 jaar en ouder gehoord te worden om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, verliest hij niet het Nederlanderschap.

Minderjarigen van 16 en 17 jaar worden geacht zelfstandig te kunnen beslissen over het verlies van het Nederlanderschap door een verklaring van afstand. Zij kunnen bij die rechtshandeling niet worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger.

paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond

Artikel 4

4-alg. Toelichting algemeen

4-5. Toelichting ad artikel 4, vijfde lid

Artikel 5

5-alg. Toelichting algemeen

6-1-f. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

6-1-i. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2.1.2. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode na 1 maart 1964

paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw

Paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964

paragraaf 2. De Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 12 december 1892

paragraaf 1.5. Niet eerder de Nederlandse nationaliteit verkregen door optie

paragraaf 2.2. Andere verliesgronden dan verbonden aan het sluiten van een huwelijk met een niet-Nederlander onder de WNI 1892

6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

paragraaf 1.5. Vereiste documenten

paragraaf 1.2. Eerst verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

Paragraaf 1.3. Vereiste documenten

paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2. Eerste verkrijging van het Nederlanderschap door optiegerechtigde ouder

paragraaf 2. Optanten die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

Paragraaf 3. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

Paragraaf 1.2. Staatloosheid

Paragraaf 2. Peilmoment stabiel hoofdverblijf

paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36) (zie paragraaf 2.2.4.1Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)

paragraaf 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid (artikel 60a, derde lid, BVVN en paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid)

Paragraaf 2.2.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

paragraaf 2.5. Bevestiging

paragraaf 2.8. (hoger) beroep

paragraaf 2.9. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

paragraaf 2.10.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.10.5.1. Terugmelding

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

Paragraaf 3.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

paragraaf 3.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

9-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 1. Samenvatting openbare-ordebeleid

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid

paragraaf 2.2.2. Horen ouder die geen wettelijk vertegenwoordiger is over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap van de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar

Het verlies van het Nederlanderschap treedt in als aan de wettelijke voorwaarden uit artikel 16, eerste en tweede lid, RWN wordt voldaan. Een persoon verliest het Nederlanderschap van rechtswege door het ondertekenen van de verklaring van afstand door de 16 of 17 jarige of de wettelijk vertegenwoordiger van een jonger kind.

Het in de Bevestiging van het afleggen van een verklaring van afstand van het Nederlanderschap (model 3.3) opgenomen oordeel dat de verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, kan betrokkene betwisten in een gerechtelijke procedure, voorzien in artikel 17 RWN. Deze bevestiging is een bevestiging dát er door onze Minister (lees: IND-BES) een afstandsverklaring in ontvangst is genomen. Het is dus niet een bevestiging dat het Nederlanderschap is verloren.

Ingevolge artikel 16 RWN moet een minderjarige van 12 jaar en ouder gehoord te worden om zo zijn bedenkingen over het verlies van de Nederlandse nationaliteit kenbaar te kunnen maken. Zolang de minderjarige niet is gehoord, verliest hij niet het Nederlanderschap.

Ingevolge artikel 16 RWN wordt ook de ouder die niet de wettelijk vertegenwoordiger is van de minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, op zijn verzoek, gehoord om zo zijn bedenkingen tegen het verlies van de Nederlandse nationaliteit van zijn kind kenbaar te kunnen maken. Zolang de andere ouder, ondanks zijn verzoek, niet is gehoord, treedt bij het kind het verlies van het Nederlanderschap niet op.

In 2004 is in Rotterdam kind Celine geboren uit het huwelijk van Amine en Bulent. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van Celine wonen Amine en Bulent in Rotterdam. Amine zelf is geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden. Celine verkrijgt bij haar geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN. In 2005 legt Amine, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens Celine een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Door de verklaring van afstand verliest Celine het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van artikel 16, tweede lid, RWN verhindert het intreden van het verlies. Met name belet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.

Zes jaren na de geboorte van Theun verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit en zij verliezen beiden de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Theun deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.

Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder vrijwillig een andere nationaliteit verkrijgt en hij in deze verkrijging deelt of deze nationaliteit reeds bezit.

Er is in dit geval namelijk geen sprake van verkrijging van een nationaliteit door A, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e of f, RWN. A heeft immers de Australische nationaliteit al verkregen bij geboorte.

Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.

De minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit in de situatie dat hij:

Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden, als het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN.

Een Nederlands echtpaar emigreert naar Australië, waar kind Theun wordt geboren. Theun verkrijgt bij geboorte het Nederlanderschap, maar daarnaast ook de Australische nationaliteit door geboorte op het grondgebied van Australië.

Zes jaren na de geboorte van Theun verkrijgen de ouders door naturalisatie de Australische nationaliteit en zij verliezen beiden de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Theun deelt daar niet in, omdat hij al Australiër is. Desondanks verliest hij het Nederlanderschap, aangezien hij reeds de nationaliteit bezit die zijn ouders op hun verzoek hebben verkregen.

De uitzonderingen, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN zijn op Theun niet van toepassing.

Er is in dit geval namelijk geen sprake van verkrijging van een nationaliteit door A, als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e of f, RWN. A heeft immers de Australische nationaliteit al verkregen bij geboorte.

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook Anna, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, haar Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, achtste lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien Anna, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest zij haar Nederlanderschap niet.

Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, of ingevolge artikel 15A.

Paragraaf 1

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid

Paragraaf 1

29-alg. Toelichting algemeen

1-1-c. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c

Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat voor wat betreft de vermelding van de geboortedatum in de optieverklaring dan wel het koninklijk besluit de vermelding in de basisadministratie persoonsgegevens leidend is. Dit betekent dat indien in de basisadministratie persoonsgegevens alleen het geboortejaar wordt vermeld, ook in de bevestiging of het koninklijk besluit uitsluitend het geboortejaar wordt opgenomen.

1-1-d. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d

Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat.

1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g

paragraaf 2. Toelating

paragraaf 2. Toelating

paragraaf 2.1. Aantonen toelating

paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd

Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b RWN. Een vreemdeling tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba geen bedenkingen bestaan, voldoet dan ook aan het vereiste ‘toelating voor onbepaalde tijd’. Om te voldoen aan het vereiste in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b RWN moet een vreemdeling dan ook in het bezit zijn van verblijfsrecht dat naar zijn aard geen tijdelijk karakter heeft.

paragraaf 4. Toelating minderjarigen

1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid

1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid

Artikel 2

2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

6-alg. Toelichting Algemeen

5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid

paragraaf 5. Naamskeuze voor/door de optant

paragraaf 6. Overgangsrecht

paragraaf 2.9. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

paragraaf 2.9. Verhuizing van de optant tijdens de procedure

paragraaf 2.10.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BvvN

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

Paragraaf 3.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30)

paragraaf 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 2. Afwijzing indien ten aanzien van de verzoeker is geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is

9-3. toelichting ad artikel 9, derde lid

Artikel 26

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige 12 tot 16 jaar over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

II RRWN-alg. Toelichting algemeen

16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c

Enkele maanden na de geboorte van Boris emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest Annie haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat destijds luidde (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).

De minderjarige verliest het Nederlanderschap indien zijn vader of moeder die nationaliteit verliest door:

Artikel 29

IV RRWN-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.10. Naturalisatieceremonie

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

Artikel 6a

paragraaf 3.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 3.12.1. De oproeping

paragraaf 3.11. (hoger) beroep

paragraaf 3.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 7. Procedure bij naturalisatie

Paragraaf 7.1. Verklaring verblijf en gedrag

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

paragraaf 2.4. Tarief H

Geen verlies treedt in indien:

Een minderjarige verliest de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, als de vader of moeder het Nederlanderschap verliest op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

paragraaf 4. Geen verlies Nederlanderschap omdat de procedure inzake bedenkingen tegen afstand nog niet is afgerond

II RRWN-alg. Toelichting algemeen

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

Paragraaf 1

Ook hier geldt dat geen verlies van het Nederlanderschap zal intreden indien het kind behoort tot een van de categorieën van artikel 16, tweede lid, RWN dan wel indien het staatloos zou worden (artikel 14, achtste lid, RWN).

Anna is geboren uit de ongehuwde vrouw Blessing, die weliswaar een nationaliteit bezit, maar die nationaliteit niet aan Anna heeft doorgegeven. Anna is dus staatloos.

Blessing wordt genaturaliseerd tot Nederlander, waarin Anna deelt. Blessing verliest door de naturalisatie niet haar oorspronkelijke nationaliteit. Tijdens de minderjarigheid van Anna doet Blessing afstand van het Nederlanderschap.

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook Anna, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, haar Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, ingevolge artikel 14, achtste lid, RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien Anna, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest zij haar Nederlanderschap niet.

In 2005 wordt in Nederland kind Boris geboren uit de in Australië geboren ongehuwde vrouw Annie. Annie is van Nederlandse en Australische nationaliteit. Boris verkrijgt bij zijn geboorte uitsluitend de Nederlandse nationaliteit. Hij heeft nimmer de Australische nationaliteit verkregen, omdat zijn geboorte niet is geregistreerd bij een Australisch Consulaat.

Enkele maanden na de geboorte van Boris emigreren hij en zijn moeder naar Australië. Na tien jaren hoofdverblijf in Australië verliest Annie haar Nederlanderschap ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zoals dat destijds luidde (aan haar is in die tien jaren geen Nederlands reisdocument of bewijs van Nederlanderschap afgegeven).

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook Boris, die niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN valt, zijn Nederlanderschap moeten verliezen (waar Boris al die jaren hoofdverblijf heeft gehad speelt hierbij geen enkele rol).

Artikel IV

V RRWN-alg. Toelichting algemeen

29-alg. Toelichting algemeen

Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN zou ook Bas zijn Nederlanderschap moeten verliezen. Echter, voor Bas geldt de uitzonderingscategorie als bedoeld in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN. Hij ontleent het Nederlanderschap immers tevens aan artikel 3 derde lid, RWN. Voor Bas gaat het Nederlanderschap dan ook niet verloren.

Het echtpaar Khadija en Murat, beiden geboren in Marokko in 1965, woont sedert 1995 in Nederland. In 2000 wordt in Marokko uit het huwelijk Amir geboren. Alle leden van het gezin zijn van Marokkaanse nationaliteit.

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

Paragraaf 1. Algemeen

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

26-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige 12 tot 16 jaar over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

paragraaf 2.2.3. Mogelijke situaties ná het horen

In 2004 is in Rotterdam kind Celine geboren uit het huwelijk van Amine en Bulent. Moeder en vader zijn van Turkse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van Celine wonen Amine en Bulent in Rotterdam. Amine zelf is geboren in Dordrecht uit ouders die daar toentertijd hoofdverblijf hadden. Celine verkrijgt bij haar geboorte naast de Turkse ook de Nederlandse nationaliteit, aangezien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN. In 2005 legt Amine, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger, namens Celine een verklaring van afstand af als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Door de verklaring van afstand verliest Celine het Nederlanderschap. Geen van de onderdelen van artikel 16, tweede lid, RWN verhindert het intreden van het verlies. Met name belet artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d, RWN het verlies niet, daar is immers vermeld dat de uitzondering om niet het Nederlanderschap te verliezen niet geldt in geval van het afleggen van een verklaring van afstand.

16-1-c. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 29

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

Echter, ingevolge het toen geldende artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN mag hij daardoor niet staatloos worden. Aangezien Boris, naast het Nederlanderschap, geen andere nationaliteit bezit, verliest hij zijn Nederlanderschap niet.

V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN

paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets

paragraaf 2.2. Toelating bij vergunning verleend

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

9-3. toelichting ad artikel 9, derde lid

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

Na de naturalisatie van Adriaan tot Nederlander wordt zijn zoon Bas geboren. Zowel Adriaan als Bas zijn in Nederland geboren. Bas ontleent het Nederlanderschap zowel aan artikel 3, eerste lid, RWN als aan artikel 3, derde lid, RWN.

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

In 2001 wordt vader Murat genaturaliseerd tot Nederlander. Khadija behoudt daarbij de Marokkaanse nationaliteit. Kind Amir deelt in de naturalisatie. Moeder Khadija wordt niet genaturaliseerd. Vader en kind bezitten na naturalisatie de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit.

Murat verliest in 2008 zijn Nederlanderschap door de vrijwillige verkrijging van de Deense nationaliteit op grond van de rechtstreekse werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg (zie hiervoor de toelichting onder artikel 15A RWN).

Artikel III

Murat heeft immers – op zijn verzoek – door naturalisatie de nationaliteit verkregen van een staat die op het moment van verkrijging (2008) partij is bij het Verdrag van Straatsburg, en die geen partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van dat verdrag.

16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g

Enkele maanden na zijn geboorte wordt Adam op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.

Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren indien hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkrijgt als zijn vader of moeder.

Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door Bob leidt voor Adam niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.

Van verlies op grond van deze bepaling is alleen sprake indien de vreemde nationaliteitswetgeving de mogelijkheid kent dat een (Nederlandse) minderjarige zelfstandig die vreemde nationaliteit kan verkrijgen én de minderjarige door middel van deze zelfstandige verkrijgingsgrond de vreemde nationaliteit heeft verkregen. Om tot verlies van het Nederlanderschap te kunnen leiden, moet het gaan om een nationaliteit die zijn vader of moeder ook heeft.

Aan de verkrijging moet vrijwilligheid ten grondslag liggen. Zou een minderjarige – bijvoorbeeld als gevolg van gewijzigde wetgeving in een bepaald land – van rechtswege de nationaliteit van dat land verkrijgen, terwijl dat bovendien de nationaliteit van zijn vader of moeder is, dan zal dat voor de betreffende minderjarige geen verlies van het Nederlanderschap tot gevolg hebben, omdat het element vrijwilligheid ten aanzien van de verkregen nationaliteit ontbreekt. De nationaliteit van de vader of moeder dient aldus vrijwillig te zijn verkregen, hetzij op eigen verzoek, hetzij als gevolg van een namens de minderjarige gepleegde rechtshandeling door zijn wettelijk vertegenwoordiger(s).

Behoort de minderjarige tot een van de categorieën, genoemd in artikel 16, tweede lid, RWN, dan treedt geen verlies van het Nederlanderschap in. Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN voorziet ten dele ook in het verlies van de nationaliteit als bedoeld in artikel 1, tweede lid, Verdrag van Straatsburg (zie ook de toelichting bij artikel 16A RWN).

Adam is in Nederland geboren uit het huwelijk van de Nederlandse man Bob en de in Frankrijk geboren Britse vrouw Cathy. Adam verkrijgt bij zijn geboorte het Nederlanderschap uitsluitend op grond van artikel 3, eerste lid, RWN. Het Brits burgerschap verkrijgt hij niet bij zijn geboorte, aangezien zijn moeder Brits burger door afstamming is.

Enkele maanden na zijn geboorte wordt Adam op verzoek van zijn ouders geregistreerd tot Brits burger. Ten aanzien van hem moet dus worden gesteld dat hij zelfstandig dezelfde nationaliteit verkregen heeft als zijn moeder, hetgeen ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, RWN zou moeten leiden tot verlies van zijn Nederlanderschap.

Echter, in dit geval wordt verlies van het Nederlanderschap voorkomen door artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN. De vader van Adam is Nederlander.

Een eventueel toekomstig verlies van het Nederlanderschap door Bob leidt voor Adam niet tot verlies van het Nederlanderschap. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g, RWN is, wat dat betreft, anders geredigeerd dan artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN.

Wettekst:

Wettekst:

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:

Voor de toepassing van de onderdelen a, b, c en g wordt onder een ouder mede verstaan de adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, en de persoon die mede het gezamenlijk gezag over de minderjarige uitoefent en aan wie hij het Nederlanderschap ontleent.

Wettekst:

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

16-2-alg. Toelichting algemeen

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien en zolang een ouder het Nederlanderschap bezit.

16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c

Artikel 17

29-alg. Toelichting algemeen

Artikel III

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN

Het besluit waarbij aan Adriaan het Nederlanderschap werd verleend, wordt op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d, RWN ingetrokken, aangezien hij heeft nagelaten na zijn naturalisatie al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen.

Murat vestigt zich na zijn naturalisatie tot Nederlander in Denemarken. In 2002 wordt zijn huwelijk met Khadija door echtscheiding ontbonden en trouwt hij in Denemarken met een Deense vrouw. Als hij zes jaren in Denemarken woont, wordt hij daar genaturaliseerd (in 2008). Zijn minderjarig kind Amir, die in Nederland bij Khadija verblijft, verkrijgt niet de Deense nationaliteit. Khadija bezit op het moment dat Murat de Deense nationaliteit verkrijgt nog steeds uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit en kind Amir heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

Voor A geldt derhalve dat hij in 2008 zijn Nederlanderschap verliest op grond van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg.

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

Ook Amir verliest in 2008 zijn Nederlanderschap. Voor Amir gaat het Nederlanderschap in 2008 verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, RWN. Dit omdat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge één van de verdragen genoemd in artikel 15A RWN. Het verlies van het Nederlanderschap wordt niet belet door artikel 14, zesde lid (vanaf 1 maart 2017 is dit het achtste lid), RWN aangezien Amir niet staatloos wordt (Amir bezit nog de Marokkaanse nationaliteit). Amir valt niet onder één van de uitzonderingsgevallen van artikel 16, tweede lid, RWN die verlies van het Nederlanderschap beletten.

16-1-e. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e

Met het begrip ‘ouder’ in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en g, RWN is ook bedoeld de adoptiefouder ingevolge het uit artikel 5, 5a, 5b en 5c RWN toepasselijk recht.

V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN

De huidige redactie van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN wordt geacht te gelden vanaf 1 januari 1985. Dit ondanks het feit dat de huidige redactie met ingang van 1 april 2003 in de wet is opgenomen.

16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b

16-1-d. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

1. Modellen behorende bij de optieprocedure

16-2-alg. Toelichting algemeen

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

16-2-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige 12 tot 16 jaar over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

Artikel III

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

Paragraaf 1. Algemeen

16-2-alg. Toelichting algemeen

16-2-a. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.

Wettekst:

De huidige tekst van de onderhavige bepaling vormde tot 1 april 2003 het volledige tweede lid van artikel 16 RWN (met dien verstande dat tot 1 april 2003 in plaats van ‘een ouder’ was vermeld: ‘de andere ouder’).

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien een ouder als Nederlander is overleden vóór het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.

Wettekst:

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in door het overlijden van een ouder na het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.

Bij de toepassing van deze bepaling moet ervan worden uitgegaan dat de huidige redactie terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1985. Dit ondanks het feit dat deze bepaling met ingang van 1 april 2003 in de wet is opgenomen.

Artikel 18

16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c

16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d

18-alg. Toelichting algemeen

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

1-1-d. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d

1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f

1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g

paragraaf 2.1. Aantonen toelating

paragraaf 4. Toelating minderjarigen

paragraaf 4. Toelating minderjarigen

paragraaf 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating

1-1-h. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h

1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid

Artikel 2

Artikel 2

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger

2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid

Artikel 3

3-alg. Toelichting algemeen

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid

4-6. Toelichting ad artikel 4, zesde lid

3. Verkrijging Nederlanderschap ingevolge artikel 5b RWN alleen op of na 1 januari 2004

5c-alg. Toelichting algemeen

6-alg. Toelichting Algemeen

6-1-c. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 4. Erkenning en wettiging vanaf 1 maart 2009

paragraaf 1.1. Geboorte vóór 1 januari 1985

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

3.2. Bewijslast

3.4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND

3.4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies IND

Paragraaf 4. Bezwaar: bij nova eventueel nieuw advies

paragraaf 2.7.2. Afhandeling van de beslissing

Paragraaf 2.2.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Paragraaf 2.4.2.6. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN

paragraaf 2.10. Naturalisatieceremonie

paragraaf 2.10.1. De oproeping

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

11-3. Toelichting ad artikel 11, derde lid

Artikel 1

Geen.

1-1-a. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a

Met de Minister van Justitie wordt bedoeld de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister is belast met de uitvoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Op dit moment is deze taak in handen gegeven van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

1-1-b. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b

1-1-c. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c

1-1-e. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2. Toelating

paragraaf 2.1. Aantonen toelating

paragraaf 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating

paragraaf 5.1. Procedure afgifte bericht omtrent toelating

1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid

2-1. Toelichting ad artikel 2, eerste lid

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

2-4. Toelichting ad artikel 2, vierde lid

3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid

3-2. Toelichting ad artikel 3, tweede lid

3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid

6-alg. Toelichting Algemeen

5c-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man

Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen

paragraaf 2. Oud-Nederlander of oud-Nederlands onderdaan-niet-Nederlander

6-1-h. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder h

6-1-i. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i

6-2. Toelichting ad artikel 6, tweede lid

Paragraaf 1.1. Stabiel hoofdverblijf

paragraaf 2.2.1.4. Wettelijk vertegenwoordiger/andere ouder

paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon

paragraaf 2.4. Voorbereiding van de beslissing

paragraaf 2.4.1. Toetsing juistheid verstrekte gegevens

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Paragraaf 1. Algemeen

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

9-1-c. Toelichting ad artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c

Artikel 16a

16-2-c. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c

Met deze bepaling wordt voorkomen dat, indien de onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bedoelde ouder van Nederlandse nationaliteit overlijdt ná het moment waarop krachtens artikel 16, eerste lid, RWN verlies van het Nederlanderschap zou intreden, een minderjarige zijn Nederlanderschap verliest door dit overlijden. Zie de voorbeelden vermeld bij artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid, of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap ( Stb. 268 ), behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.

Wettekst:

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien een ouder als Nederlander is overleden vóór het tijdstip waarop krachtens het eerste lid het verlies van het Nederlanderschap zou intreden.

Bij de toepassing van deze bepaling moet ervan worden uitgegaan dat de huidige redactie terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1985. Dit ondanks het feit dat deze bepaling met ingang van 1 april 2003 in de wet is opgenomen.

Met deze bepaling wordt voorkomen dat indien de onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bedoelde ouder van Nederlandse nationaliteit reeds is overleden op het moment waarop krachtens artikel 16, eerste lid, RWN verlies van het Nederlanderschap zou intreden, een minderjarige zijn Nederlanderschap verliest door de werking van artikel 16, eerste lid, RWN. Zie de voorbeelden vermeld onder artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN.

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige in het land van de door hem verkregen nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.

Wettekst:

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige voldoet aan artikel 3, derde lid, of artikel 2, onder a, van de wet van 12 december 1892 op het Nederlanderschap en het ingezetenschap ( Stb. 268 ), behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.

Bij de toepassing van deze bepaling moet ervan worden uitgegaan dat de huidige redactie terugwerkende kracht heeft tot 1 januari 1985. Dit ondanks het feit dat deze bepaling met ingang van 1 april 2003 in de wet is opgenomen.

Deze uitzonderingsgrond kan aan de orde zijn indien het verlies van het Nederlanderschap moet worden beoordeeld van een persoon die is geboren in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten of vóór 1 november 1975 in Suriname. Ook bij een geboorte buiten de genoemde landen kan sprake zijn geweest van verkrijging van het Nederlanderschap op grond van de zogenaamde ‘derde generatieregel’. Zie verder de toelichting bij artikel 3, derde lid, RWN. Zie ook de voorbeelden bij de toelichting op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, b en d, RWN.

Wettekst:

Wettekst:

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g

Artikel III

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

Artikel 6a

Paragraaf 3.5.2. Buitenlands reisdocument

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen van verzoeken

Paragraaf 3.5.3. Bewijsnood geldig buitenlands reisdocument (paspoort)

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

paragraaf 2. Naturalisatiegelden

16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

16-2-f. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

II RRWN-alg. Toelichting algemeen

17-alg. Toelichting algemeen

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige in het land van de door hem verkregen nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging zijn hoofdverblijf heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.

Deze bepaling is met ingang van 1 april 2003 in de wet opgenomen. De bepaling geldt voor gevallen die zich voordoen met ingang van 1 april 2003. Voor de toepassing van de wet moet er derhalve niet van worden uitgegaan dat de onderhavige bepaling geldt vanaf 1 januari 1985.

Deze uitzonderingsgrond op de hoofdregel die verlies van het Nederlanderschap betekent, komt voort uit het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg. Zie ook de voorbeelden bij de toelichting op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Met de zinsnede ‘het land van de door hem verkregen nationaliteit’ wordt niet het Nederlanderschap, maar een vreemde nationaliteit bedoeld.

16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g

Artikel 21

Artikel 16a

16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d

19-alg. Toelichting algemeen

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien in het geval in het eerste lid, onder e, bedoeld een ouder op het tijdstip van de verkrijging Nederlander is.

Wettekst:

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien de minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren in het land van de door hem verkregen nationaliteit zijn hoofdverblijf heeft of gehad heeft, behoudens in het geval bedoeld in het eerste lid onder b.

Deze bepaling is met ingang van 1 april 2003 in de wet opgenomen. De bepaling geldt voor gevallen die zich voordoen met ingang van 1 april 2003. Voor de toepassing van de wet moet er derhalve niet van worden uitgegaan dat artikel 16, tweede lid, aanhef en onder f, RWN geldt vanaf 1 januari 1985. Deze uitzonderingsgrond op de hoofdregel die tot verlies van het Nederlanderschap leidt, komt voort uit het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg. Zie ook de voorbeelden bij de toelichting op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, RWN. Met de zinsnede ‘het land van de door hem verkregen nationaliteit’ wordt niet het Nederlanderschap, maar een vreemde nationaliteit bedoeld.

Een Nederlandse jongen wordt op 10-jarige leeftijd geadopteerd door een Amerikaanse man en verkrijgt hierdoor de Amerikaanse nationaliteit. De jongen had al sinds zijn 4e jaar onafgebroken hoofdverblijf in Amerika. Dit betekent dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 16, tweede lid onder f RWN waardoor het verlies van het Nederlanderschap voor hem niet intreedt.

Geen.

Wettekst:

Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in indien in het geval in het eerste lid, onder e, bedoeld een ouder op het tijdstip van de verkrijging Nederlander is.

Deze bepaling is met ingang van 1 april 2003 in de wet opgenomen. De bepaling geldt voor gevallen die zich voordoen met ingang van 1 april 2003. Voor de toepassing van de wet moet er derhalve niet van worden uitgegaan dat artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, RWN geldt vanaf 1 januari 1985.

Deze uitzonderingsgrond op de hoofdregel die tot verlies van het Nederlanderschap leidt, komt voort uit het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg.

Tot 5 maart 2009 gold voornoemde verdragsverplichting ook voor Frankrijk. Voor Frankrijk is op 28 maart 1968 het Verdrag van Straatsburg van kracht geworden. De meerderjarige Nederlander die tussen 10 juni 1985 (datum inwerkingtreding Verdrag voor het hele Koninkrijk der Nederlanden) en 5 maart 2009 de Franse nationaliteit verkreeg, verloor op grond van het Verdrag van Straatsburg automatisch het Nederlanderschap. Met ingang van 5 maart 2009 is voor Frankrijk de verbondenheid aan Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geëindigd.

Geen.

Geen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)