Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 230
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De autoriteit bedoeld in artikel 6, derde lid, beoordeelt of de vreemdeling heeft voldaan aan het vereiste, genoemd in het eerste lid, of dat de vreemdeling een beroep toekomt op een van de uitzonderingen, genoemd in het tweede lid. Indien dit het geval is en ook aan de overige vereisten is voldaan, bevestigt zij schriftelijk de verkrijging van het Nederlanderschap.

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

paragraaf 2. Nadere regelgeving in het BvvN

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

Paragraaf 3.3. Te verstrekken gegevens

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

Paragraaf 3.5.1. Algemeen

paragraaf 3.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen van verzoeken

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen van verzoeken

paragraaf 3.7.1. Beoordeling bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij verzoeken om naturalisatie ingediend op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 3.12. Naturalisatieceremonie

paragraaf 3.12.1. De oproeping

paragraaf 3. Verblijfsrecht

paragraaf 3.1. Aantonen verblijfsrecht

paragraaf 3.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

paragraaf 3.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 3.2. Beoordelingsmoment

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets

paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling

paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30)

paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba)

Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of het afleggen van de optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

Paragraaf 2. Staatloosheid

Paragraaf 5.7. Jeugdigen

Paragraaf 5.1. Misdrijven

Paragraaf 5.3. Cumulatie van sancties

Paragraaf 5.7. Jeugdigen

Paragraaf 5.12. Gratie

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

9-3-d. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder d

11-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.4. Advies Onze Minister (na overleg met de Staatssecretaris van VWS)

9-4. Toelichting ad artikel 9, vierde lid

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

paragraaf 3.3. Blokkeringstermijnen

11-5. Toelichting ad artikel 11, vijfde lid

paragraaf 2.3. Belangenafweging

paragraaf 2. Naamswijziging

Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen

paragraaf 2.1. Tarieven naturalisatiegelden

paragraaf 2.5. Categoriale vrijstelling van leges

Paragraaf 1. Intrekkingsmogelijkheid bij fraude beperkt tot 12 jaar na uitvaardigen Koninklijk Besluit

paragraaf 2.1.1. Gebruik van valse identiteit bij naturalisatie of optie

2.5.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid

2.4.1. Rechten Unieburgerschap

Paragraaf 1.2. Ondanks vrijwillige verkrijging andere nationaliteit geen verlies Nederlanderschap

Paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging

2.2.2. Bewijslast

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

Paragraaf 2.2. Evenredigheidstoets Unieburgerschap

16-2-b. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b

2.2.4. Algemeen belang

15-1-b. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

16-2-e. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid

RWN: artikel 1.2

Geen.

Hoofdregel van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest, ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, tenzij de nationaliteit wordt verkregen van een land dat was aangesloten bij het 2e protocol (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.

De regeling van artikel 15, tweede lid, RWN die in bepaalde gevallen verlies van het Nederlanderschap door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit uitsluit, is zonder nadere beperking in strijd met volkenrechtelijke verplichtingen die Nederland heeft ten aanzien van bepaalde staten.

Die volkenrechtelijke verplichtingen volgen uit:

De verplichtingen uit het Verdrag van Straatsburg en de TOS hebben voorrang boven de regeling neergelegd in de RWN, met name in artikel 15, tweede lid, RWN.

Het verlies van het Nederlanderschap treedt overigens ook niet in op grond van het artikel 15A RWN, maar op grond van de rechtstreeks werkende bepaling van het Verdrag van Straatsburg of van de TOS.

Artikel 22

15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

Artikel III

15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)

paragraaf 4.1. Voornemenprocedure

Paragraaf 4.2.1. Besluit tot intrekking van het Nederlanderschap

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

Paragraaf 2.1.2.2. Artikel 134a van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

2.2.2. Bewijslast

2.2.2. Bewijslast

Artikel 15

Paragraaf 2. Rijkswet inperking gevolgen Brexit (terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

15-1-e. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder e

15a-alg. Toelichting algemeen

Bij het Verdrag van Straatsburg zijn op dit moment alleen Nederland en Oostenrijk partij. Bij het op 2 februari 1993 te Straatsburg tot stand gekomen Tweede Protocol (Trb. 1994, 265), dat een uitzondering biedt op de verliesgronden uit het Verdrag van Straatsburg, is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij (zie verder de toelichting op artikel 15A, aanhef en onder a, RWN).

Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015;

Hoofdregel van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is dat vrijwillige verkrijging van de nationaliteit van een ander verdragsland automatisch leidt tot verlies van de oorspronkelijke nationaliteit. Dit betekent dat een meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een ander verdragsland verkrijgt, het Nederlanderschap verliest, ook al zou hij behoren tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, tenzij de nationaliteit wordt verkregen van een land dat was aangesloten bij het 2e protocol (verdrag gaat immers boven de wet). Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit het verdrag.

Van verlies als bedoeld in Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg is alleen sprake bij verkrijging van de nationaliteit van landen waarvoor het Verdrag van Straatsburg in werking is getreden en die Hoofdstuk I van het Verdrag toepassen of toegepast hebben.

Artikel 24

26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid

23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid

23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

Paragraaf 1. Algemeen

10-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

Artikel 11

paragraaf 2.4. Niet bijzondere gevallen

10-alg. Toelichting algemeen

10-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 1.3. Nederlandse kinderen

Artikel 12

Artikel 13

paragraaf 1.4. Correctie van kennelijke misslagen in het koninklijk besluit

paragraaf 1.2. Categoriale vrijstelling van optiegelden

paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

paragraaf 2.2. Intrekking Nederlanderschap wegens valse verklaringen, bedrog of verzwijging van relevante feiten

paragraaf 3.4.2. Vaststelling van het inkomen en vermogen

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

9-3-a. Toelichting ad artikel 9, derde lid, aanhef en onder a

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3. Topsporters

paragraaf 1.1. Tarieven

14-1. Toelichting ad artikel 14, eerste lid

paragraaf 5.1. Verzending, uitreiking en publicatie van het intrekkingsbesluit

paragraaf 2.1. Belangenafweging

Paragraaf 2.2

15-3. Toelichting ad artikel 15, derde lid

2.2.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

paragraaf 2. Tot inontvangstneming bevoegde autoriteit

paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar

Paragraaf 2. Intrekking van het Nederlanderschap

15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid

15-4. Toelichting ad artikel 15, vierde lid

Partijen bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg (nu en in het verleden):

Nederland (gehele Koninkrijk): vanaf 10 juni 1985;

Oostenrijk: vanaf 1 september 1975;

22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid

26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid

24-alg. Toelichting algemeen

Duitsland: van 18 december 1969 tot 22 december 2002;

Italië: van 10 juni 1985 tot 4 juni 2010 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);

Artikel 25

Artikel 26

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36)

paragraaf 2.2.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 2.2.5.7. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

paragraaf 2.4.2.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (bij optieverklaringen afgelegd op of ná 1 maart 2009)

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

paragraaf 2.5. Bevestiging

Paragraaf 2.2.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

paragraaf 2.3.3. Beoordeling verschuldigdheid optiegelden

paragraaf 2.10. Naturalisatieceremonie

paragraaf 2.5. Bevestiging

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.10.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

paragraaf 2.10.5. Procedurele aspecten na uitreiking

Paragraaf 2.10.5.1. Terugmelding

6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid

6a-2-b. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder b

6a-3. Toelichting ad artikel 6a, derde lid

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

7-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.2. Indiening verzoek om naturalisatie

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

6a-2-d. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder d

6a-4. Toelichting ad artikel 6a, vierde lid

6a-5. Toelichting ad artikel 6a, vijfde lid

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

paragraaf 3.6.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen van verzoeken

paragraaf 3.4. Af te leggen verklaringen

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

Paragraaf 3.4.3. Verklaring verblijf en gedrag

Paragraaf 3.5.1. Algemeen

paragraaf 3.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

8-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.12. Naturalisatieceremonie

paragraaf 3.8.2. Toetsing voorwaarden (mede)naturalisatie/naamsvaststelling en naamswijziging

paragraaf 3.11. (hoger) beroep

paragraaf 2.2. Toelating bij vergunning verleend

paragraaf 2.2. Toelating bij vergunning verleend

paragraaf 3.3. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning

paragraaf 3. Verblijfsrecht

paragraaf 2.2. Toelating bij vergunning verleend

paragraaf 3.3. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning

paragraaf 3.3. Weigering tot opneming in Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba)

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten

paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Bijlage

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de WTU-BES kan worden ingetrokken

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Paragraaf 5.10. Sepots en voorwaardelijke sepots

Artikel 9

Paragraaf 5.5. Taakstraffen

Paragraaf 5.8. Vijfjaartermijn

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

Paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

Paragraaf 7.4. Afwijzing als ernstige vermoedens bestaan dat verzoeker een gevaar vormt voor de veiligheid van het Koninkrijk

Paragraaf 3. Uitzonderingscategorieën

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

paragraaf 3.5.2. Vaststelling van het vermogen/vermogensgrenzen

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

paragraaf 5.2. De verzoeker valt niet onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9 en is niet bereid afstand te doen en doet een beroep op een van de uitzonderingen 3.4 tot en met 3.8

paragraaf 3.5. Beslissing

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

paragraaf 3.5. Beslissing

paragraaf 3. Topsporters

11-8. Toelichting ad artikel 11, achtste lid

10-alg. Toelichting algemeen

11-alg. Toelichting algemeen

Artikel 12

Paragraaf 1. Namenreeks of naamsketen

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

paragraaf 1.4. In een enkel geval geen optiegelden verschuldigd

paragraaf 2.3. Tarieven F en G

Paragraaf 3. Betaling van de verschuldigde optie- en naturalisatiegelden

paragraaf 5.2. Administratieve verwerking van het besluit tot intrekking door de ontvangende autoriteit

14-5. Toelichting ad artikel 14, vijfde lid

14-7. Toelichting ad artikel 14, zevende lid

paragraaf 2.1.3. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c

Paragraaf 1.3. Een andere nationaliteit/statenopvolging

Paragraaf 2. Rijkswet inperking gevolgen Brexit (terugtreden Verenigd Koninkrijk uit de EU)

3.5. Peilmoment unierechtelijke evenredigheidstoets

paragraaf 1.3. Onderbreking van het hoofdverblijf langer dan een jaar

19-alg. Toelichting algemeen

Artikel 15a

België: van 19 juli 1991 tot 28 april 2008;

Frankrijk: van 28 maart 1968 tot 5 maart 2009 (geldt ook voor Tweede Protocol, zie hieronder);

Luxemburg: van 12 november 1971 tot 9 juli 2009;

16-1-b. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b

Paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

Paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

4-2. Toelichting ad artikel 4, tweede lid

4-2. Toelichting ad artikel 4, tweede lid

4-4. Toelichting ad artikel 4, vierde lid

4-5. Toelichting ad artikel 4, vijfde lid

Artikel 5

5-alg. Toelichting algemeen

5a-alg. Toelichting algemeen

Artikel 5c

5c-alg. Toelichting algemeen

5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid

Artikel 6

Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen

paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man

6-1-d. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d

6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e

6-1-i. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder i

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2.1. Gevolgen van het huwelijk voor de nationaliteit van de vrouw

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.2.1.1. Gehuwde vrouw: huwelijk in periode tot 1 maart 1964

paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

paragraaf 1.4. Voorbeelden: welke situaties vallen onder deze optiemogelijkheid

paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit

paragraaf 1.2.2. Geboorte uit een ongehuwde vrouw met de Nederlandse nationaliteit

paragraaf 1.3. De vader is niet-Nederlander ten tijde van geboorte van kind

Een kind wordt in 1976 in Amsterdam geboren als kind van een ongehuwde Nederlandse moeder. Het verkrijgt daardoor de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 1 sub c WNI 1892. In 1978 trouwt de moeder in Australië met een Australische man. Het kind wordt hierdoor op tweejarige leeftijd gewettigd. Deze wettiging wordt erkend op grond van de CIEC-overeenkomst inzake wettiging door huwelijk. Het kind wordt door deze wettiging het juridisch kind van deze man vanaf de datum van het huwelijk en verkrijgt daardoor de Australische nationaliteit. Hij wordt door de wettiging geacht nooit de Nederlandse nationaliteit te hebben bezeten op grond van artikel 2ter WNI 1892, en hij wordt hiermee vreemdeling.

6-1-j. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder j

paragraaf 1.1. Verkrijging Nederlanderschap door adoptie onder de WNI

paragraaf 1.3. Bezit Nederlandse nationaliteit adopiefmoeder ten tijde van onherroepelijk uitspraak

Voorwaarde is ook dat op het moment dat adoptieuitspraak onherroepelijk werd, de adoptiefmoeder de Nederlandse nationaliteit bezat. Het Nederlanderschap heeft zij in de meeste gevallen door geboorte van rechtswege verkregen (door bijvoorbeeld afstamming van een Nederlandse vader; zie paragraaf 2.1). Als eerste zal bekeken moeten worden waar de adoptiefmoeder is geboren of heeft gewoond. Als dat in Nederland is, dan is er een persoonskaart in Nederland aanwezig waaruit haar nationaliteit zal blijken. Als de adoptiefmoeder in het buitenland is geboren of nooit in Nederland heeft gewoond dan zijn de afstammings- en nationaliteitsgegevens op de persoonskaart van haar ouders relevant om te bepalen of de adoptiefmoeder het Nederlanderschap heeft verkregen door geboorte of anderszins.

paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte

paragraaf 1.2. Afstamming door geboorte

paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner

6-1-l. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder l

paragraaf 1.2. Bewijs biologisch vaderschap erkenner

In beginsel is de bewijsvoering ter zake van het biologisch vaderschap hierbij vrij.

Een uit een Oekraïnse ongehuwde vrouw geboren kind wordt op 10-jarige leeftijd in 2009 in Rotterdam erkend door een Duitse man. Deze Duitse man is in 1980 in Duitsland geboren staande een huwelijk van een Duitse vader en een Nederlandse moeder. Zij heeft niet de Duitse nationaliteit verkregen na dit huwelijk.

paragraaf 1.3. Vereiste documenten

Voorts eist onderdeel o dat eerst de optiegerechtigde adoptiefouder van het kind het Nederlanderschap verkrijgt. Daarna pas kan het kind gebruik maken van de optiemogelijkheid in onderdeel o. Alleen als deze optiegerechtigde adoptieouder is overleden en dus niet het Nederlanderschap heeft kunnen verkrijgen kan er ook geopteerd worden.

2.1. Rechten Unieburgerschap

2.3. Peildatum unierechtelijke evenredigheidstoets

2.4.1. Beroep op schending van het familie- of gezinsleven en het belang van het kind

Paragraaf 3. Procedure voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel

paragraaf 2. Procedure

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant

paragraaf 2.2.1.2

Paragraaf 2.2.5.2. Buitenlands reisdocument

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen optieverklaringen

paragraaf 2.10.1. De oproeping

paragraaf 2.10.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

paragraaf 2.7. Bezwaar

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen optieverklaringen

paragraaf 2.10.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 2.3.4. Beoordeling volledigheid optieverklaring/inverzuimstelling

paragraaf 2.10.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 2.4.2.5. Onderzoek naar zienswijze kind/wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Paragraaf 2.4.2.6. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

Paragraaf 2.10.5.2. Administratieve verwerking en archivering van de bevestiging

Paragraaf 2.10.5.2. Administratieve verwerking en archivering van de bevestiging

6-4. Toelichting ad artikel 6, vierde lid

Artikel 6a

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid

7-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 3.2.1. Meerderjarige verzoeker

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

paragraaf 3.11. (hoger) beroep

Paragraaf 3.9. Overdracht naturalisatiedossier aan de IND in het Europese deel van het Koninkrijk

Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens

Paragraaf 3.5.2. Buitenlands reisdocument

paragraaf 3.6. Inontvangstneming verzoek

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

paragraaf 1.1. Oud-Nederlanders en voormalig Nederlands onderdanen-niet-Nederlander

2.3.2.3. Rol van en procedure bij de Gezaghebber

Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de WTU-BES kan worden ingetrokken

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 5.11. Schadevergoeding

Paragraaf 3. Afwijzing als de verblijfstitel op grond van de WTU-BES kan worden ingetrokken

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

paragraaf 3.1. Verzoeker bezit de nationaliteit van een Staat, wier wetgeving bepaalt dat de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt tot het verlies van die nationaliteit. Verzoeker behoeft geen bereidheidsverklaring te ondertekenen

paragraaf 3.7. Voor de verzoeker van wie niet kan worden verlangd dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, geldt de verplichting om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit niet

paragraaf 3.8. De verzoeker heeft – naar hij stelt en aantoont – bijzondere en objectief waardeerbare redenen om geen afstand te doen van zijn oorspronkelijke nationaliteit

paragraaf 3.9. Een verzoeker is onderdaan van een Staat, welke niet door Nederland wordt erkend

Bijlage 1. Overzicht afstandsbepalingen in de nationaliteitswetgevingen van de staten der Verenigde Naties

paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

paragraaf 2.2. Tarieven C en D

Artikel 12

paragraaf 2. Naamswijziging

paragraaf 4. Naamswijziging bij minderjarige kinderen

paragraaf 1. Algemeen

15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

Denemarken: van 17 december 1972 tot 26 augustus 2015;

Dat betekent bijvoorbeeld, dat een Nederlander, die op 20 augustus 2007 vrijwillig de Deense nationaliteit heeft verkregen, op dat moment op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg automatisch zijn Nederlandse nationaliteit verloor.

Artikel 22c

Het verlies op grond van Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg geldt niet als het betreffende verdragsland ook partij is bij het Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag van Straatsburg (Trb. 1994, nr. 265). Het Tweede Protocol maakt het voor elke verdragsluitende partij mogelijk om in bepaalde gevallen door middel van de eigen interne wetgeving de hoofdregel van het verdrag uit te sluiten, waarbij elke staat, die ratificeert, zelf ten aanzien van die gevallen bepaalt in welke mate van dat recht gebruik wordt gemaakt. De gevallen als hier bedoeld, zijn:

25-alg. Toelichting algemeen

24-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.3. Inontvangstneming optieverklaring

paragraaf 2.10.2. De uitreiking/naturalisatieceremonie

paragraaf 2.3.1. Bevoegdheid in ontvangst nemen optieverklaringen

paragraaf 2.3.2. Ontvangstbevestiging

paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan

paragraaf 2.6.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging

paragraaf 2.10.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 2.10.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Bijlage

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

Paragraaf 2.10.5.2. Administratieve verwerking en archivering van de bevestiging

6a-2-a. toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

6-9. Toelichting ad artikel 6, negende lid

Artikel 7

paragraaf 3.2.4. Wettelijk vertegenwoordiger/(andere) ouder

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 3.8.1. Onderzoek juistheid verstrekte persoonsgegevens

paragraaf 3.7.4. Buitenbehandelingstelling

paragraaf 3.12.5. Procedurele aspecten na uitreiking

paragraaf 3.1. Aantonen verblijfsrecht

Artikel 8

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets

paragraaf 2.3.1. Procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 4. Afleggen verklaring van verbondenheid

Paragraaf 2.1.1. De voorlichtingsfase

Paragraaf 2.2. Volledige vrijstelling van de naturalisatietoets

8-1-e. Toelichting ad artikel 8, eerste lid en onder e

Paragraaf 5. Afwijzing als in de periode van vijf jaar direct voorafgaande aan het verzoek om naturalisatie of het afleggen van de optieverklaring (of de beslissing daarop) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer gelegd

Artikel 9

Artikel 9

9-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

Paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 3.4. Verzoeker zal – naar hij aantoont – voor het doen van afstand een bedrag aan leges moeten betalen van zodanige hoogte dat hij daardoor een substantieel financieel nadeel zal lijden

paragraaf 3.4.3. Niet-zelfstandigen (ofwel loontrekkenden)

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

Paragraaf 1. Algemeen

9-5. Toelichting ad artikel 9, vijfde lid

11-7. Toelichting ad artikel 11, zevende lid

Paragraaf 3. Wijziging van uitsluitend voornamen

paragraaf 1. Optiegelden

Paragraaf 2.2. In mindere mate een belangenafweging in het kader van artikel 14, tweede lid RWN

paragraaf 2. Intrekking wegens vreemde krijgsdienst

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3. Evenredigheidstoets verlies Unieburgerschap

15a-a. Toelichting ad artikel 15a, aanhef en sub a (Verdrag van Straatsburg)

Noorwegen: van 27 december 1969 tot 19 december 2019;

Zweden: van 6 april 1969 tot 29 juni 2002.

De Nederlander, die vrijwillig de Oostenrijkse nationaliteit verkrijgt, verliest nog steeds automatisch zijn Nederlandse nationaliteit.

Nederland heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt door opneming in de RWN in artikel 15, tweede lid, RWN en in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, RWN.

Frankrijk: in werking tussen 24 maart 1995 en 05 maart 2009

Italië: in werking tussen 24 maart 1995 en 4 juni 2010

Nederland: in werking sinds 20 augustus 1996, in RWN verwerkt sinds 1 april 2003.

Bij het Tweede Protocol is sinds 4 juni 2010 alleen Nederland partij. De laatste volzin van artikel 15A kan daardoor op dit moment geen gevolg hebben. Die uitzondering zal zich namelijk niet meer voor kunnen doen, zolang geen ander land partij is bij het Tweede Protocol.

Het bovenstaande betekent dan ook dat vanaf 1 april 2003 de meerderjarige Nederlander, die vrijwillig de nationaliteit van een verdragsland verkrijgt, op een moment dat het land partij bij Hoofdstuk I van het Verdrag is, het Nederlanderschap verliest, tenzij:

Artikel 1, tweede lid, RWN bepaalt dat voor de toepassing van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN onder ‘echtgenoot’ niet is begrepen ‘geregistreerd partner’; en dat onder ‘huwelijk’ niet is begrepen ‘geregistreerde partnerschap’. Artikel 1, tweede lid RWN, vloeit voort uit het Verdrag van Straatsburg. Hieronder wordt een en ander met voorbeelden verduidelijkt.

27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid

15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

De Nederlander Bernhard, die in 1949 in Nederland is geboren, woont sedert 1990 in Italië en wordt in januari 2004 tot Italiaan genaturaliseerd. Ten tijde van zijn naturalisatie is hij gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit.

23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid

In dit geval echter, biedt het Tweede Protocol wél soelaas. Immers, Italië is ook partij bij het Tweede Protocol en uit het bepaalde in artikel 15A, aanhef en onder a, RWN, tweede zin vloeit voort dat verlies van het Nederlanderschap in dat geval niet intreedt, mits betrokkene behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Welnu, Bernhard behoort tot een van die categorieën, namelijk categorie c; hij is immers gehuwd met een vrouw van Italiaanse nationaliteit. De conclusie is dan ook, dat Bernhard zijn Nederlanderschap niet heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.

Artikel 16

15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

Artikel 15a

paragraaf 6. Berichtgeving aan andere autoriteiten

15-1-c. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

15-1-d. Toelichting ad artikel 15, eerste lid, aanhef en onder d

15a-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 2.2. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tussen de 12 en 16 jaar

paragraaf 2.2.1. Horen minderjarige 12 tot 16 jaar over bedenkingen tegen het verlies van het Nederlanderschap

Paragraaf 2. Voorwaarden intrekking van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid

Artikel 22b

De Nederlander Anton, die in 1950 in Oostenrijk is geboren, wordt in januari 2004 genaturaliseerd tot Oostenrijker. Ten tijde van zijn naturalisatie woont hij in Oostenrijk. Kijken we uitsluitend naar artikel 15, eerste en tweede lid, RWN dan zouden we tot de conclusie komen, dat Anton zijn Nederlanderschap niet heeft verloren. Immers, hij is geboren in het land waarvan hij de nationaliteit heeft verkregen en hij woont daar ten tijde van die verkrijging, en artikel 15, tweede lid, aanhef en onder a, RWN bepaalt dan dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.

Echter, Oostenrijk is partij bij het Verdrag van Straatsburg, zodat in dit geval wel verlies van het Nederlanderschap intreedt. Het verlies vloeit rechtstreeks voort uit artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg. Het Tweede Protocol biedt Anton geen soelaas, aangezien Oostenrijk daarbij geen partij is.

Aangezien Italië partij is bij het Verdrag van Straatsburg, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat Bernhard, ondanks het feit dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN, als gevolg van de directe werking van artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg zijn Nederlanderschap heeft verloren door zijn naturalisatie tot Italiaan.

De in voorbeeld 2 bedoelde Bernhard is niet gehuwd met een Italiaanse vrouw. Wel zijn Bernhard en de vrouw partners in een in Nederland geregistreerd partnerschap. Voor het overige is de casus exact hetzelfde als die bij voorbeeld 2.

26-alg. Toelichting algemeen

15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid

Artikel 16

paragraaf 3.3. Volgens de nationaliteitswetgeving van veel Staten geldt dat eerst dan afstand van de nationaliteit kan worden gedaan nadat een andere nationaliteit is verkregen (bijvoorbeeld ter voorkoming van staatloosheid)

9-2. Toelichting ad artikel 9, tweede lid

Paragraaf 5.3. De verzoeker is wél bereid afstand te doen

11-alg. Toelichting algemeen

paragraaf 1. Algemeen

paragraaf 1.1. Geslachtsnaam gehuwde vrouwen

Paragraaf 1. Algemene wettelijke uitgangspunten

15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

paragraaf 2.1.2.1. Artikel 83 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht

paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht

2.2.2. Bewijslast

De uitkomst is hier echter anders. Weliswaar is Italië ook partij bij het Tweede Protocol, maar in dit geval kan ten aanzien van Bernhard niet worden gesteld dat hij behoort tot een van de categorieën, genoemd in artikel 15, tweede lid, RWN. Immers, ingevolge artikel 1, tweede lid, RWN mag voor de toepassing van artikel 15A RWN onder huwelijk niet tevens geregistreerde partnerschap worden verstaan. Bernhard verliest dan ook zijn Nederlanderschap als gevolg van de directe werking van het Verdrag van Straatsburg (artikel 1, eerste lid, Verdrag van Straatsburg) en hij kan zich niet beroepen op het gestelde in de tweede zin van artikel 15A, aanhef en onder a, RWN.

15a-b. Toelichting ad artikel 15A, aanhef en onder b (Toescheidingsovereenkomst Nederland/Suriname)

Artikel 4

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Kind geboren vóór 1 januari 1985, Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Paragraaf 1. Algemeen

4-1. Toelichting ad artikel 4, eerste lid

Artikel 5

5-alg. Toelichting algemeen

Artikel 5

5-alg. Toelichting algemeen

2. Verhouding met Haags adoptieverdrag 1993

2. Verhouding met Haags adoptieverdrag 1993

3. Verkrijging Nederlanderschap ingevolge artikel 5b RWN alleen op of na 1 januari 2004

5b-1. Toelichting ad artikel 5b, eerste lid

6-alg. Toelichting Algemeen

Artikel 5c

paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

paragraaf 3.1. Voorlichtingsfase

paragraaf 3.2.5. Gemachtigde

paragraaf 3.2.6. Uitsluitend schriftelijk verzoek

Paragraaf 3.5.7. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

paragraaf 3.4.4. Bereidheidsverklaring afstand

Paragraaf 3.9. Overdracht naturalisatiedossier aan de IND in het Europese deel van het Koninkrijk

Paragraaf 3.5.7. Bewijsnood (gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse documenten

Paragraaf 3.9. Overdracht naturalisatiedossier aan de IND in het Europese deel van het Koninkrijk

Paragraaf 3.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten

paragraaf 3.7.2. Beoordeling verschuldigdheid naturalisatiegelden

paragraaf 3.7.3. Beoordeling verplichting afleggen naturalisatietoets

paragraaf 3.11. (hoger) beroep

paragraaf 3.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

paragraaf 2. Toelating van rechtswege of toelating bij vergunning verleend

Paragraaf 3.2. Beoordeling buitenlandse verstotingsakten

Artikel 9

Paragraaf 4. Afwijzing als er serieuze verdenkingen bestaan dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd waarop nog een sanctie kan volgen

Paragraaf 7.2. Gegevens van de Justitiële documentatiedienst bij naturalisatie

paragraaf 4.1. Voornemenprocedure

paragraaf 2.1.2. Misdrijven bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b

Paragraaf 1.1. Stuiting van de verliestermijn

paragraaf 2. Afleggen verklaring van afstand

paragraaf 2.1. Afstand Nederlanderschap door minderjarigen tot 12 jaar

De voorbeelden 2 en 3 gelden voor de periode van 1 april 2003 tot 5 maart 2009 ook in het geval B de Franse nati onaliteit heeft verkregen. Vanaf 5 maart 2009 is Frankrijk geen partij meer bij Hoofdstuk I van het Verdrag van Straatsburg. Artikel 15A is sindsdien niet meer van toepassing als een Nederlander vrijwillig de Franse nationaliteit verkrijgt. De Nederlander verliest zijn nationaliteit bij het verkrijgen van de Franse nationaliteit op grond van artikel 15 lid 1 onder a, tenzij één van de gronden van artikel 15 lid 2 van toepassing is.

BvvN: artikelen 3 en 62 t/m 64

Wettekst:

Voorts gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren indien hij ingevolge de op 25 november 1975 te Paramaribo gesloten Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname ( Trb. 1975, nr. 132 ) de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.

De TOS bevat bepalingen op grond waarvan ook na 25 november 1975 (datum onafhankelijkheid Suriname) de Surinaamse nationaliteit (van rechtswege of door optie) kan worden verkregen. Artikel 2, eerste lid, TOS bepaalt dat verkrijging van de Surinaamse nationaliteit ingevolge de TOS verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft. Daarmee is duidelijk dat een Nederlander, die ingevolge één van de bepalingen van de TOS de Surinaamse nationaliteit verkrijgt, zijn Nederlanderschap verliest, zulks ongeacht het bepaalde in artikel 15, tweede lid, RWN. Overigens kan op grond van de TOS de Surinaamse nationaliteit thans alleen nog maar worden verkregen op grond van artikel 7 TOS.

RRWN: artikelen III en V

RWN: artikelen 1.1b; 2.2; 11.8; 14.4 en 16A

RRWN: artikelen III en V

BvvN: artikelen 3 en 62 t/m 64

Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, RWN. Artikel 16, tweede lid, RWN bepaalt de gevallen waarin, als uitzondering op de hoofdregelen van verlies, toch geen verlies van het Nederlanderschap intreedt.

16-alg. Toelichting algemeen

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

16-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 1.2. Intrekking geen terugwerkende kracht

2.2.2. Bewijslast

paragraaf 2. Overgangsrecht artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c

Artikel 25

Als gevolg van artikel III RRWN moet, wat betreft de toepassing van artikel 16, tweede lid, RWN, ervan worden uitgegaan dat de uitzonderingen uit artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN reeds vanaf 1 januari 1985 gelden.

Op grond van het toen geldende artikel 16 RWN heeft een minderjarige vóór 1 april 2003 het Nederlanderschap verloren. Nu wordt vastgesteld dat de betreffende persoon destijds behoorde tot een van de categorieën zoals genoemd in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder b, c, of d, RWN. Deze persoon wordt geacht nooit zijn Nederlanderschap te hebben verloren. Zie ook de toelichting onder artikel 16, tweede lid, RWN en onder artikel III RRWN.

Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren door gerechtelijke vaststelling van het ouderschap, erkenning, wettiging of adoptie door een vreemdeling, indien hij diens nationaliteit daardoor verkrijgt, of deze reeds bezit.

Dit artikel regelt uitsluitend het verlies van het Nederlanderschap door minderjarigen. Behalve in het onderhavige artikel zijn ook verliesbepalingen voor minderjarigen opgenomen in artikel 14, tweede, derde, vierde en zesde lid, RWN. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN definieert het begrip ‘meerderjarigheid’. Uit die bepaling vloeit voort dat personen jonger dan achttien jaar, minderjarig zijn. Echter, personen, jonger dan achttien jaar, zijn wél meerderjarig indien:

Bedacht moet worden, dat verlies van het Nederlanderschap als hier bedoeld nooit kan intreden indien betrokkene daardoor staatloos zou worden (vergelijk artikel 14, achtste lid, RWN) en verder dat – ook al valt de minderjarige in principe onder een van de verliesbepalingen van artikel 16, eerste lid, RWN – géén verlies zal intreden indien artikel 16, tweede lid, RWN van toepassing is.

Met het begrip ‘vader of moeder’ in artikel 16, eerste lid, RWN wordt mede bedoeld:

De adoptie c.q. gezagsvoorziening moet dus het kind het Nederlanderschap hebben bezorgd (denk daarbij wat betreft de gezagsvoorziening aan de optie bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, RWN). Is dat niet het geval, omdat het kind reeds op een andere grond Nederlander was, dan zal voor het kind geen verlies van het Nederlanderschap intreden indien zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent het Nederlanderschap verlie(st)(zen), of, indien het kind zelfstandig dezelfde vreemde nationaliteit verkrijgt als zijn adoptiefouder(s)/de persoon die mede het gezamenlijk gezag over hem uitoefent.

26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

Artikel III

Paragraaf 1. Algemeen

16-1-a. Toelichting ad artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a

1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g

Dat de Wet Toelating en Uitzetting BES (WTU-BES), het Besluit Toelating en Uitzetting BES (BTU-BES), de Regeling Toelating en Uitzetting BES (RTU-BES) en de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (CTU-BES) een andere definitie van het begrip ‘vreemdeling’ hanteert is voor de toepassing van de RWN niet relevant.

1-1-f. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f

Personen die, met inachtneming van de betreffende nationaliteitswetgeving, werkelijk door geen enkel land als onderdaan worden aangemerkt, zijn staatloos in de zin van de RWN. Hiermee is de definitie van het begrip ‘staatloze’ in overeenstemming met de definitie in artikel 1 van het Verdrag van New York van 28 september 1954, betreffende de status van staatlozen (Trb. 1957,22).

1-1-g. Toelichting ad artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g

Wettekst:

paragraaf 2.1. Aantonen toelating

Naast de WTU-BES zijn ook het Besluit Toelating en Uitzetting BES (BTU-BES), de Regeling Toelating en Uitzetting BES (RTU-BES) en de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (CTU-BES) van kracht.

paragraaf 2. Toelating

Vollopen van een termijn van toelating voor een optie of een naturalisatie

paragraaf 3. Toelating voor onbepaalde tijd

Op de wijze als beschreven in de toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan dit vereiste.

paragraaf 4. Toelating minderjarigen

Paragraaf 5. Onafgebroken periode(n) van toelating/‘verblijfsgat’

Sedert 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, derde lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), tien jaar (artikel 8, derde lid RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in het Koninkrijk moet zijn toegelaten. Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de hierboven genoemde termijnen. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen. Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag.

Sedert 1 april 2003 is in verschillende artikelen in de RWN als voorwaarde opgenomen dat een vreemdeling een bepaalde periode, van één jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN), twee jaar (artikel 8, derde lid, RWN), drie jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, artikel 8, vierde en vijfde lid, RWN en artikel 11, derde, vierde en vijfde lid, RWN), vijf jaar (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN), tien jaar (artikel 8, derde lid RWN) of vijftien jaar (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder g en h, RWN) onafgebroken in het Koninkrijk moet zijn toegelaten. Dit houdt in dat er in de vereiste periode geen zogeheten ‘verblijfsgaten’ mogen voorkomen. Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de hierboven genoemde termijnen. Na de onderbreking begint de termijn opnieuw te lopen. Of sprake is van een verblijfsgat is op zich een vreemdelingrechtelijke vraag.

1-2. Toelichting ad artikel 1, tweede lid

In onderstaande paragraaf wordt een nadere uitleg gegeven van het begrip ‘hoofdverblijf’, zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie paragraaf 2).

Artikel 2

Artikel 2

2-2. Toelichting ad artikel 2, tweede lid

2-3. Toelichting ad artikel 2, derde lid

paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 2. Rechtshandelingen minderjarigen door tussenkomst van wettelijk vertegenwoordiger

paragraaf 3. Wettelijk vertegenwoordiger

2-5. Toelichting ad artikel 2, vijfde lid

Artikel 3

3-alg. Toelichting algemeen

3-1. Toelichting ad artikel 3, eerste lid

3-3. Toelichting ad artikel 3, derde lid

Artikel 4

4-alg. Toelichting algemeen

Paragraaf 1. Algemeen

Paragraaf 3. Kind geboren op of ná 1 januari 1985; Nederlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003

Paragraaf 5. Uitzondering: de vader is geen Nederlander (kind geboren op of na 1 januari 1985; vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003)

4-3. Toelichting ad artikel 4, derde lid

4-6. Toelichting ad artikel 4, zesde lid

5-alg. Toelichting algemeen

5a-alg. Toelichting algemeen

Artikel 5b

1. Wet conflictenrecht adoptie (Wcad)

6-alg. Toelichting Algemeen

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

6-1-b. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b

paragraaf 2.2.2. Uitsluitend schriftelijk optieverklaring afleggen

paragraaf 2.2.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 1.36)

paragraaf 2.2.5.4. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

paragraaf 2.4.2.4. Naamsvaststelling en naamskeuze bij optie

Paragraaf 2.4.2.6. Adviesprocedure bij optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, RWN

paragraaf 2.7.2.2. Bezwaarschrift tegen weigering medeverkrijging Nederlanderschap door kind gegrond

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

paragraaf 2.10.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

6-6. Toelichting ad artikel 6, zesde lid

6-5. Toelichting ad artikel 6, vijfde lid

Paragraaf 1. Algemeen

6-7. Toelichting ad artikel 6, zevende lid

6-8. Toelichting ad artikel 6, achtste lid

Paragraaf 2.2. Weigering van de optiebevestiging wegens meervoudige huwelijken

paragraaf 3. Procedure naturalisatie

6a-1. Toelichting ad artikel 6a, eerste lid

6a-2-a. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a

6a-2-c. Toelichting ad artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder c

6a-6. Toelichting ad artikel 6a, zesde lid

paragraaf 3.4.1. Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid (model 2.30)

paragraaf 3.10. Bezwaar

Paragraaf 3.5.6. Verkrijging, vertaling en legalisatie van buitenlandse documenten

Paragraaf 3.5.2. Buitenlands reisdocument

paragraaf 3.8. Voorbereiding beslissing op het verzoek om naturalisatie

8-1-a. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a

Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Paragraaf 5.9. Geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke straffen

paragraaf 5.1. De verzoeker valt onder uitzonderingscategorie 3.1, 3.2 of 3.9

11-6. Toelichting ad artikel 11, zesde lid

Artikel 16

26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid

paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003

6-1-a. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a

paragraaf 3. Vereiste van opvoeding en verzorging door de Nederlandse man

paragraaf 2. Erkenning en wettiging van minderjarigen vóór 1 april 2003

Paragraaf 3.2. Bewijsmiddelen

6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)