Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.

4.2. Verblijfsvoorwaarden

3.1. Inleiding

5.2. Geldigheidsduur

De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar verlengd worden, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.

Hoofdstuk 9. Investeerders

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan onder voorwaarden worden verleend onder een beperking die verband houdt met verblijf als investeerder (zie artikel 7, zevende lid, WTU-BES en artikel 5.2, eerste lid, onder k, BTU-BES).

2. Verblijfsvoorwaarden

3. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

4. Gezinshereniging

Hoofdstuk 10. Vrijwilligers

Aan de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

Hoofdstuk 10. Vrijwilligers

Aan een vreemdeling die vrijwilligerswerk verricht in de openbare lichamen kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend onder een beperking verband houdend met ‘verblijf als vrijwilliger’, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 5.2, eerste lid, onder m, BTU-BES). De verblijfsvoorwaarden voor dit verblijfsdoel zijn hieronder uitgewerkt in beleidsregels.

3. Vereiste bescheiden

Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 9, eerste lid, WTU-BES van toepassing. Deze staan in hoofdstuk 3.

5.2. Arbeidsmarktaantekening

4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

1. Inleiding

Beleidsregel:

1.1. Inleiding

1.2. Beleid gezinshereniging

1.3. Beleid gezinsvorming

In het kader van gezinsvorming kan verblijf in de openbare lichamen worden toegestaan op grond van een huwelijk, geregistreerd partnerschap, of niet-geregistreerd partnerschap gesloten op een tijdstip dat een van de echtgenoten al in de openbare lichamen verbleef.

Het bestaan van een geldig huwelijk moet met gelegaliseerde documenten worden aangetoond. Als het huwelijk, gesloten buiten een land van het Koninkrijk, wegens strijd met de openbare orde, niet voor erkenning door de openbare lichamen in aanmerking komt, dan heeft dit tot gevolg dat dit huwelijk niet de basis kan vormen voor verlening van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf.

2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

2.3.1. Beperking

2.3.1. Beperking

2.2. Vereiste bescheiden

Op grond van artikel 5.25 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

4.1. Verblijfsvoorwaarden

Op grond van artikel 5.10 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van een relatie verleend, als de vreemdeling een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt met de in de openbare lichamen gevestigde hoofdpersoon. Van een duurzame en exclusieve relatie is sprake als de (homo- of heteroseksuele) relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen.

4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

4.3.1. Beperking

4.3.1. Beperking

4.2. Vereiste bescheiden

Op grond van artikel 5.25 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste één jaar en kan de verblijfsvergunning telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd.

Akten:

Het gestelde rechtmatig gezag van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de hoofdpersoon moet in beginsel met gelegaliseerde bescheiden worden aangetoond.

5.2. Vereiste bescheiden

5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders

5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders

5.3. Kinderen geboren uit rechtmatig verblijvende ouders

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Bovengenoemde arbeidsmarktaantekening staat niet in de weg dat bij andere wetten beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid door minderjarigen gesteld worden.

5.5. Geldigheidsduur

6.2. Vereiste bescheiden

6.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

6.4. Geldigheidsduur

7.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

Inmenging op het familie- en gezinsleven, dan wel het privé-leven wordt aangenomen, als de vreemdeling:

7.4.2. Arbeidsmarktaantekening

1. Inleiding

Als het verblijf wordt verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven, is het verblijfsrecht altijd tijdelijk van aard.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’.

7.5. Geldigheidsduur

Hoofdstuk 12. Buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen

Het verschil tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen is een juridisch verschil.

3.2. Vereiste bescheiden

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

3.3.1. Beperking

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid is niet toegestaan’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘arbeid is niet toegestaan’.

3.3.3. Voorschrift

De verblijfsvergunning krijgt dezelfde geldigheidsduur als de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd van de hoofdpersoon. Als de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft of Nederlander is, bedraagt de geldigheidsduur vijf jaren.

Hoofdstuk 13. Wedertoelating

Verder kan onderscheid gemaakt worden tussen Nederlanders die in of buiten de openbare lichamen zijn geboren en getogen.

2.2.1. Verblijfsvoorwaarden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

De ouders zijn beiden geboren en getogen op Saba en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. De ouders verhuizen naar Venezuela alwaar hun kinderen zijn geboren. De kinderen hadden bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. De ouders en de kinderen verkrijgen na verloop van tijd de Venezolaanse nationaliteit en verliezen daarbij de Nederlandse nationaliteit. Een van de kinderen verblijft inmiddels in Colombia en verzoekt nu om wedertoelating tot Saba op grond van het feit dat hij oud-Nederlander is.

2.3.2. Verblijfsvoorwaarden

Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren, omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie of optie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd worden verleend.

Aan de meerderjarige vreemdeling die het Nederlanderschap heeft verloren, omdat hij na de totstandkoming van zijn naturalisatie of optie heeft nagelaten al het mogelijke te doen om zijn oorspronkelijke nationaliteit te verliezen, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd worden verleend.

3.3. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor onbepaalde tijd

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

6. Geldigheidsduur

Aan personen die een verzoek als bedoeld in artikel 17 RWN hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.

De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak zal doen.

2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel

Als het openbare orde criterium wordt tegengeworpen, wordt de vreemdeling niet uitgezet, zolang niet is beslist op de procedure ex artikel 17 RWN. De vreemdeling overlegt in ieder geval een volledig afschrift van het cassatieberoepschrift.

De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.

8.6.1. Verblijfsvoorwaarden

3. Getuige-aangever

2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel

2.2. Vereiste bescheiden

In afwijking van de algemene voorwaarden genoemd in artikel 9 WTU-BES wordt de aanvraag niet afgewezen:

Ondertussen moet een geldig document voor grensoverschrijding worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan het slachtoffer de nationaliteit bezit.

2.2. Vereiste bescheiden

3. Getuige-aangever

4.2. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in hoofdstuk 14 van de CTU-BES.

De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking als genoemd in hoofdstuk 14 van de CTU-BES.

4.2.2. Arbeidsmarktaantekening

4.2.3. Voorschrift

5.2. Getuige-aangever

6. Verlenging

7. Gezinshereniging

7. Gezinshereniging

Voor verlening van een verblijfsvergunning komen in aanmerking:

1. Inleiding

Op grond van artikel 5.22 BTU-BES wordt de vergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:

Op grond van artikel 5.22 BTU-BES wordt de vergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf verleend aan de vreemdeling die:

3. Voortgezet verblijf voor de overige gezinsleden

3.3.1. Beperking

3.3.3. Voorschrift

4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner

In dergelijke gevallen wordt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning slechts verleend voor de duur van maximaal één jaar. Bij elk verzoek om verlenging dient vastgesteld te worden dat de bijzondere gezinsband nog steeds bestaat.

Voorbeeld 1:

4.2. Vereiste bescheiden

3.2. Vereiste bescheiden

Een ouder die verblijf heeft verband houdend met bescherming, maar die niet betrokken is bij het leven van zijn biologische kind, vormt geen objectieve belemmering. Dat de vertrekkende ouder ‘hoopt’ dat deze ouder in de toekomst wel betrokken wil zijn bij het leven van het bewuste kind is onvoldoende reden om op dit moment een objectieve belemmering aan te nemen.

3.2. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

3.3.1. Beperking

5.2. Vereiste bescheiden

5.3.1. Beperking

5.3.3. Voorschrift

Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending

Als een getuige-aangever aangifte heeft gedaan en de aangifte uiteindelijk heeft geleid tot een veroordeling van de verdachte(n), moet bij de beoordeling van het risico van represailles per geval bezien worden of zwaar gewicht dient te worden toegekend aan deze veroordeling. Als de veroordeling de conclusie rechtvaardigt dat in geval van de getuige-aangever bij terugkeer naar het land van herkomst gevaar voor represailles aanwezig is, kan hieraan doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de belangenafweging op grond van artikel 5.24 BTU-BES.

5.2. Vereiste bescheiden

2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag

2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag

2.2.2. Vervolging vanwege godsdienst

2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging

2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep

2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing

2.5.1. Refugiés sur place

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

2.5. Bijzondere situaties

2.6.3. Artikel 1C

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

2.6.4. Artikel 1D

2.6.6. Artikel 1F

2.6.6. Artikel 1F

Factoren die een rol spelen bij het bepalen van de ernst van een misdrijf zijn de aard van de handeling en de omvang van de gevolgen van de handeling. Wanneer er wordt gesteld dat een ernstig misdrijf is gepleegd om een politieke doelstelling na te streven, wordt een predominantie test uitgevoerd, dat wil zeggen dat het politieke element van het misdrijf afgewogen wordt tegen het commune element ervan en dat wordt gekeken of wordt voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat wil zeggen dat beoordeeld moet worden in hoeverre het delict dat betrokkene heeft gepleegd, zich verhoudt tot het bereiken van het beoogde politieke doel. Met andere woorden: had hij dit doel misschien ook op een andere, minder vergaande, manier kunnen bereiken.

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

Om artikel 1F tegen te kunnen werpen dient er sprake zijn van een ernstig vermoeden dat de betrokken vreemdeling heeft deelgenomen aan een misdrijf vallend onder artikel 1F. De bewijslast hierbij ligt in dit bijzondere geval bij de Minister.

3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden

2.7. Terugzending (refoulement)

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

Actoren van een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM kunnen onder meer zijn:

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

Bij de bepaling of de mensenrechten van een bevolkingsgroep systematisch worden geschonden, zal de beschikbare landeninformatie een richtsnoer vormen om te concluderen of deze situatie zich in een land van herkomst van de vreemdeling voordoet. Deze situatie zal zich niet snel voordoen. Indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij behoort tot een bevolkingsgroep van wie mensenrechten systematisch worden geschonden, komt hij in aanmerking voor bescherming. zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07

4.2. Toetsingsvolgorde

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de zelfde kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om beperkte indicaties aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling, intimidatie of beroving. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot dezelfde kwetsbare minderheidsgroep.

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

4.2.3. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan artikel 3 EVRM

Maar het EVRM verplicht in beginsel niet tot het verlenen van een verblijfsvergunning; er moet enkel worden afgezien van uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst. Indien de vreemdeling naar een ander land kan worden uitgezet waar diens toelating wordt gewaarborgd is dit onder het EVRM ook toegestaan.

4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid

Hierbij kan het gestelde onder artikel 1C van het Vluchtelingenverdrag worden betrokken.

4.4. Openbare orde en nationale veiligheid

4.4.1. Algemeen

4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag

4.4.3. Openbare orde en artikel 3 EVRM

5. De procedure van verzoeken om bescherming

5.1. Start van de procedure

5.2. Situatie in bewaring

5.3. Handelingen in het kader van het toezicht

5.1. Start van de procedure

5.2. Situatie in bewaring

5.8. Het horen van de vreemdeling en de beslissing

In het geval dat de gezinsleden zelfstandig om bescherming verzoeken, moeten van hen dezelfde gegevens verstrekt te worden.

5.4. Geen aantekeningen in documenten

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet

In het geval de vreemdeling het verslag corrigeert, verwerkt de IND-unit Caribisch Nederland de correcties in het verslag. De medewerker van de IND-unit Caribisch Nederland maakt het verslag definitief. In het definitieve verslag gehoor vermeldt de IND-unit Caribisch Nederland dat de vreemdeling correcties heeft voorgesteld en dat deze zijn verwerkt. De IND-unit Caribisch Nederland geeft de vreemdeling een exemplaar van het aangepaste en uitgeprinte verslag van het gehoor mee en voegt tevens een exemplaar toe aan het dossier van de vreemdeling. De datum van het gehoor en de gegevens uit het gehoor worden door de IND-unit Caribisch Nederland in het registratiesysteem vastgelegd.

5.10.2. Ingangsdatum

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden

5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag

De politie of ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk in kennis over het vertrek van de vreemdeling aan wie bescherming geweigerd is.

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

5.14. Regeling van het verblijf na inwilliging van de aanvraag

Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

Achtergebleven gezinsleden kunnen vanuit het buitenland een mvv voor gezinshereniging aanvragen. Kiezen zij ervoor om zonder mvv spontaan in te reizen, dan dienen zij een zelfstandige aanvraag te doen voor een vergunning tot verblijf verband houdend met bescherming.

7. Herhaalde aanvraag

Indien bij de jaarlijkse verlenging blijkt dat de grond voor bescherming is vervallen, kan de gevraagde verlenging van de bescherming worden geweigerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de situatie in het land van herkomst ingrijpend is gewijzigd of als de vreemdeling vrijwillig zich weer onder de bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst heeft begeven.

Als blijkt dat de houder van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming een strafbaar feit heeft gepleegd op de openbare lichamen, stelt de politie de IND unit Caribisch Nederland hiervan zo snel mogelijk in kennis. De IND unit Caribisch Nederland toetst aan het beleidskader voor de openbare orde en beoordeelt of er aanleiding bestaat het toegestane verblijf te beëindigen.

1. Inleiding

Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in artikel 16, tweede lid, WTU-BES. De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.

2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn

Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie artikel 16a, tweede lid, WTU-BES). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.

2.4.1. Het stellen van aantekeningen in reisdocumenten

3.7. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

Aantekeningen over verwijdering mogen nooit worden geplaatst in de identiteits- of reisdocumenten van:

Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is het gevolg van:

3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In artikel 16b WTU-BES is opgenomen dat de vreemdeling kan worden uitgezet als hij de openbare lichamen niet uit eigen beweging verlaat binnen de daartoe gestelde termijn. De rechter kan in zijn uitspraak beoordelen of er beletselen bestaan tegen uitzetting. Als de rechter de beschikking in stand laat, wordt daarmee bevestigd dat de vreemdeling de openbare lichamen moet verlaten.

6. Ongewenstverklaring

3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:

3.3. Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

Artikel 16b, derde lid WTU-BES bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. De ambtenaar belast met de uitzetting vraagt bij twijfel of het voor een vreemdeling verantwoord is om te reizen een verklaring ‘fit to fly’ aan bij een daartoe geautoriseerde arts.

6.3. Procedurele aspecten

6.4.2. Aanvraag

6.4.3. Termijnen

6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

6.4.2. Aanvraag

De aanvraag moet:

2.1. Vrijheidsbeperkende maatregelen

6.4.4. De inhoud van de aanvraag

Het overleggen van een verklaring als bedoeld onder d, kan achterwege blijven als het overleggen van een dergelijke verklaring niet mogelijk is, dit bijvoorbeeld vanwege de algemene (oorlogs)situatie of het ontbreken van een registratie in dat land.

1. Inleiding

2. Bezwaar en beroep algemeen

2.2.3. Het lichten van vreemdelingen

2. Bezwaar en beroep algemeen

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.4. Beroep

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

Mocht een toerist langer dan voornoemde drie maanden op het grondgebied van de openbare lichamen willen verblijven, dan is dit mogelijk. De vrije termijn van drie maanden kan verlengd worden met maximaal drie maanden. Er moet wel sprake zijn van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c, BTU-BES. Dit wordt per individueel geval beoordeeld. Voor de aanvraag tot verlenging van de vrije termijn moet de toerist leges betalen.

Op grond van vigerende visumregelgeving zijn piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen die gedurende een aaneengesloten periode van niet langer dan 48 uur geland zijn, en geen gevaar opleveren voor de openbare orde en veiligheid uitgezonderd van de visumplicht.

7.1.4. Transitpassagiers van vliegtuigen

Op grond van artikel 2v, tweede lid, onder c, WTU-BES worden geen stempels aangebracht in de documenten voor grensoverschrijding van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van de openbare lichamen verblijven.

Op grond van artikel 4.2 en 4.3 BTU-BES mogen bemanningsleden van zeeschepen de openbare lichamen binnenkomen zonder toelating tot verblijf. De toelating tot verblijf vervalt op het tijdstip van vertrek van het zeeschip (zie hoofdstuk 2 CTU-BES).

7.1.5. Zeelieden

Hoofdstuk 2. Toelating van rechtswege

1. Inleiding

Voor de regels over de verplichting tot aanmelding na binnenkomst bij de Korpschef wordt verwezen naar hoofdstuk 1 ‘Toegang’, paragraaf 4.6 ‘Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen’.

Ten aanzien van toelating van rechtswege is in dit hoofdstuk het volgende onderscheid gemaakt:

2. Nederlanders

2.1. Algemeen

De toegang en toelating van Nederlanders tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden sinds 10 oktober 2010 beheerst door de WTU-BES.

2.2. Uitleg artikel 1a WTU-BES

Als de Nederlander binnen deze zes maanden op het grondgebied van de openbare lichamen wil werken, dan moet de Nederlander een verklaring van rechtswege aanvragen. Aan deze aanvraag zijn leges verbonden. Zie hiervoor de Regeling toelating en uitzetting BES. Voor de opsomming van vereisten en bescheiden wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2 van dit hoofdstuk.

2.3. Toelating van rechtswege

2.3.1. Toepassing van artikel 5a WTU-BES

3. Bijzondere categorieën

3.1. Bijzondere categorieën

Zolang de vreemdeling militair is en is gestationeerd in de openbare lichamen.

3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege

3.2.2. Vereiste bescheiden

3.2.3. Verklaring

Als de vreemdeling of Nederlander toelating van rechtswege meent te hebben op een andere grond in artikel 3 WTU-BES, moet hij daarvoor een nieuwe verklaring vragen waaruit de toelating van rechtswege blijkt. Pas dan kan immers getoetst worden of hij toelating van rechtswege heeft op de nieuwe grond.

Ad b:

De volgende categorieën hebben verblijf in de vrije termijn in de openbare lichamen voor maximaal drie maanden per tijdvak van zes maanden, als bedoeld in artikel 5a WTU-BES:

4.2. Categorieën

Bemanningsleden van schepen (zeelieden) en luchtvaartuigen mogen zonder toelating bij vergunning verleend in de openbare lichamen binnenkomen en er verblijven gedurende een periode van maximaal drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden, met dien verstande dat hun toelating vervalt op het tijdstip van vertrek van het schip of luchtvaartuig (zie artikel 4.3 BTU-BES).

4.2.2. Bemanningsleden van schepen en luchtvaartuigen

4.3. Verklaring

4.4. Uitzondering op de termijn

Bijzondere omstandigheden zijn in ieder geval niet:

Hoofdstuk 3. Toelating bij vergunning verleend

1.1. Inleiding

1.2. Beperking

1.4. Arbeidsmarktaantekening

1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht

1.5. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht

1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen

1.7. Voorschriften

De volgende voorschriften tot het stellen van zekerheid kunnen aan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verbonden (zie artikel 5.4 BTU-BES):

1.9.1. Mvv-vereiste

1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

1.9.1. Mvv-vereiste

1.9.1.1. Vrijstellingen

Als het kind niet direct na de geboorte is aangemeld, dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. De verblijfsvergunning wordt verleend als naar het oordeel van Onze Minister voldoende is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in de openbare lichamen heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Bij aanvragen van kinderen die in de openbare lichamen zijn geboren, is het niet rechtvaardig de aanvraag af te wijzen, omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv.

1.9.1.2. Toetsing van de vrijstellingscategorie

1.9.1.3. Hardheidsclausule

1.9.2. Geldig document voor grensoverschrijding

1.9.3. Middelen van bestaan

1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan

1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan

1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid

1.12.1. Verlengen van de vergunning

1.11. Vertrektermijn

1.12. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd

1.12.3. Gronden intrekking

1.12.3.2. Voortzetting verblijf na intrekking verblijfsvergunning

2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

2.3. Intrekking van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

3.1. De mvv-aanvraag

3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling

3.1.2. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de referent

3.2. De aanvraag om een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd

3.1.5. Mvv en verlening verblijfsvergunning bepaalde tijd

3.2.1. De vereisten voor het indienen van de aanvraag

3.3. Aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

3.4. Onderbouwende gegevens en bescheiden

3.5. Specifieke bepalingen procedure verblijfsvergunning (on)bepaalde tijd

Wanneer moeten de leges worden terugbetaald:

Als niet wordt voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag biedt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling de gelegenheid om binnen twee weken het verzuim te herstellen. Deze termijn is echter niet bedoeld om de vreemdeling alsnog in de gelegenheid te stellen om inhoudelijk aan de voorwaarden te voldoen. Als het gaat om het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding, dan geeft de IND unit Caribisch Nederland de aanvrager vier weken de tijd om dit verzuim te herstellen.

3.7.4. Bevoegdheid

3.7.5. Bekendmaking

3.7.5.1. Algemene regels

Een verklaring, inhoudende dat de Landsverordening toelating en uitzetting niet op de houder ervan van toepassing is, wordt, indien een vreemdeling daarvan de houder is en deze op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet woonplaats heeft op Bonaire, Sint Eustatius of Saba, aangemerkt als een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, afgegeven op grond van de WTU-BES.

1. Inleiding

1.1. Samenhang tussen de WTU-BES en de Wav BES

2.1. Verblijfsvoorwaarden

2.2. Vereiste bescheiden

2.3.1. 1-loket procedure

3. Buitenlandse werknemers voor wie een TWV niet is vereist

3.1. Verblijfsvoorwaarden

3.2.1. Vreemdelingen met aantekening ‘arbeid vrij toegestaan’

4.3. Stagiaires en praktikanten

Hier gelden de beleidsregels zoals vermeld in 2.6.3.

4.3.4. Geldigheidsduur

4.4. Kortdurende arbeid (maximaal drie maanden)

4.3.5. Voortzetting van verblijf

4.4. Kortdurende arbeid (maximaal drie maanden)

4.4.3. Arbeidsovereenkomst of stage voor maximaal drie maanden

4.4.4. Grensarbeiders

4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen

5.4. Arbeidsongeschiktheid

5.3. Werkloosheid

5.3.1. Houders van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

6. Strafbepalingen in de WTU-BES

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt niet verleend aan de vreemdeling die:

5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en SZW-BES

4.2. Arbeidsmarktaantekening

4.3. Voorschriften

Hoofdstuk 6. Het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag

1. Inleiding

2.2. Vereiste bescheiden arbeid als zelfstandige op grond van het Verdrag

Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting.

6. Geldigheidsduur

3. Aanvraag gedurende verblijf in de vrije termijn

4. Verblijfsvoorwaarden

4. Verblijfsvoorwaarden

3. Aanvraag gedurende verblijf in de vrije termijn

4. Verblijfsvoorwaarden

Dit verblijfsrecht is tijdelijk van aard. Dit moet uitdrukkelijk in de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt verleend, worden vermeld.

6.2. Arbeidsmarktaantekening

7. Het verrichten van arbeid

9. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling

Een pensioenuitkering moet op het tijdstip waarop de aanvraag om een verblijfsvergunning is ontvangen of de beschikking wordt gegeven nog ten minste één jaar beschikbaar zijn. Dit kan worden aangetoond met een verklaring of brief van het pensioenfonds.

Ten aanzien van deze voorwaarden zijn de beleidsregels met betrekking tot de algemene voorwaarden van artikel 9, eerste lid, WTU-BES van toepassing. Deze staan in hoofdstuk 3 van de CTU-BES.

Hoofdstuk 9. Investeerders

2. Verblijfsvoorwaarden

5.3. Arbeidsmarktaantekening

5.1. Beperking

5.2. Arbeidsmarktaantekening

4. Gezinshereniging

5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

3. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Het verblijfsrecht van de hoofdpersoon/vrijwilliger is tijdelijk (zie artikel 5.3, tweede lid, onder f, BTU-BES). Artikel 5.9, tweede lid, BTU-BES en bovenstaande beleidsregel maken het mogelijk dat ook in dat geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verband houdend met gezinshereniging kan worden verleend.

2.2. Vereiste bescheiden

1.1. Inleiding

2.2. Vereiste bescheiden

2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

Een schijnhuwelijk is een huwelijk dat wordt aangegaan met als doel de nog niet of niet meer tot de openbare lichamen toegelaten buitenlandse partner een verblijfsrecht te verschaffen. Het gaat hierbij om voorgenomen huwelijken die op de openbare lichamen zullen plaatsvinden en huwelijken die in het buitenland zijn gesloten.

2.3.1. Beperking

2.3.2. Arbeidsmarktaantekening

2.3.3. Voorschrift

2.4. Geldigheidsduur

3. Schijnhuwelijk

4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

4.3.1. Beperking

4.3.2. Arbeidsmarktaantekening

4.3.3. Voorschrift

4.4. Geldigheidsduur

5. Minderjarige kinderen

5.1. Verblijfsvoorwaarden

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking: ‘gezinshereniging bij (naam ouder(s))’.

6. Verruimde gezinshereniging

Verder wordt de eis gesteld dat achterlating van de persoon die om toelating verzoekt bij zijn/haar kind in de openbare lichamen een onevenredige hardheid oplevert.

5.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

7.3. Belangenafweging

3. Buitenlandse pleegkinderen

7.4.2. Arbeidsmarktaantekening

7.5. Geldigheidsduur

Hoofdstuk 12. Buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse pleegkinderen

1. Inleiding

3.3.1. Beperking

2.3. Oud-Nederlanders die geboren en getogen zijn buiten de openbare lichamen

2.3.3. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:

8.5. Aard van het verblijfsrecht

8.6. Verlenging geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Hoofdstuk 14. Mensenhandel

1. Inleiding

2. Slachtoffer mensenhandel

De aanvraag wordt niet afgewezen:

4.2.3. Voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

6.2. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht. Als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.

7.1. Algemeen

2. Voortgezet verblijf na verblijf als minderjarige in het kader van gezinshereniging

2.3.2. Arbeidsmarktaantekening

2.3.3. Voorschriften

3. Voortgezet verblijf voor de overige gezinsleden

Bij de beoordeling of artikel 8 EVRM aanleiding vormt om toch voortzetting van het verblijf toe te staan moet gedacht worden aan de volgende omstandigheden:

Voorbeeld 2:

Er kan ook sprake zijn van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten de openbare lichamen voort te zetten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan:

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

3.3.3. Voorschrift

3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

4.1. Verblijfsvoorwaarden

4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

4.3.2. Arbeidsmarktaantekening

4.3.3. Voorschrift

4.4. Geldigheidsduur

5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

5.3.2. Arbeidsmarktaantekening

5.3.3. Voorschrift

5.4. Geldigheidsduur

2.2. Vervolgingsgronden

2.2.2. Vervolging vanwege godsdienst

2.2.4. Vervolging vanwege nationaliteit en ras

2.4. Vervolging wegens dienstweigering of desertie

aanleiding zijn om tot vluchtelingschap te besluiten, indien de betrokkene ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van de dienstplicht.

2.5. Bijzondere situaties

2.5.1. Refugiés sur place

De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt heet ‘refugié sur place’. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.

2.5.3. Minderjarige vreemdelingen

2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag

2.6.4. Artikel 1D

2.6.5. Artikel 1E

3.2.1. Uitzonderlijke situatie

3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep

3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter

4.1. Afwijzing zonder statusbepaling

4.2.1. Algemeen

4.2.2. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan het Vluchtelingenverdrag

4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag

4.4.3. Openbare orde en artikel 3 EVRM

5. De procedure van verzoeken om bescherming

5.3. Handelingen in het kader van het toezicht

Wanneer een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen en er geen aanleiding bestaat om de vreemdeling in bewaring te stellen, dient de ambtenaar belast met grensbewaking (die tevens bevoegd is om handelingen in het kader van toezicht uit te voeren) of de ambtenaar belast met toezicht handelingen uit te voeren ter voorbereiding van de indiening en behandeling van de aanvraag om bescherming.

5.8. Het horen van de vreemdeling en de beslissing

5.10. De strekking van de beslissing

5.10.1. Inwilligende beslissing

5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet

5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet

5.11. Kennisgeving van beslissingen en aanzegging van vertrek

5.12. Vertrek van de vreemdeling

De vreemdeling kan zich in verbinding stellen met de IND unit Caribisch Nederland om een afspraak te maken voor de indiening van een tweede of opvolgende aanvraag. Op de afgesproken datum wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld de aanvraagformulieren te ondertekenen. De vreemdeling wordt gevraagd de nieuwe feiten en omstandigheden te noemen. Indien de IND unit Caribisch Nederland constateert dat er sprake is van een herhaling van hetgeen al in de eerdere procedure naar voren is gebracht, wordt het gehoor gestopt. De IND unit Caribisch Nederland brengt in dit geval de politie of de ambtenaar belast met de grensbewaking, direct – telefonisch en schriftelijk – van het voorlopig oordeel op de hoogte dat de betrokkene de afronding van de procedure niet mag afwachten. Een voorlopige voorziening gericht tegen het vertrek mag, indien er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn, niet worden afgewacht.

Hoofdstuk 17. Vertrek, uitzetting en ongewenstverklaring

2. Vertrek

2. Vertrek

2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst

2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn

2.4. Reisdocumenten

3. Uitzetting

3.4. Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting

3.7. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

4. Bericht van vertrek of uitzetting

5. Vreemdelingen in de strafrechtketen

6. Ongewenstverklaring

6.1. Inleiding

6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

6.5.1. Inleiding

6.5.3. Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing

Hoofdstuk 18. Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

2.2.1. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen

2.2.2. Aanmelding vreemdeling

2.2.3. Het lichten van vreemdelingen

1. Inleiding

2. Bezwaar en beroep algemeen

2.1. Vereisten voor de indiening van bezwaar

De IND-unit Caribisch Nederland streeft er naar om binnen uiterlijk vier maanden na de datum van indiening op het bezwaarschrift te beslissen (zie artikel 69, eerste lid, WarBES).

In het geval de vreemdeling bezwaar of beroep instelt tegen een beschikking waarbij hem verder verblijf wordt ontzegd, neemt de IND-unit Caribisch Nederland het verblijfsdocument niet in als de uitzetting hangende het bezwaar of beroep mag worden afgewacht.

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

Een vreemdeling mag een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting afwachten, tenzij:

2.4. Beroep

De IND-unit Caribisch Nederland is verplicht om bij de beschikking mededeling te doen van de mogelijkheid van het indienen van beroep en de termijn waarbinnen het beroepschrift moet zijn ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg (artikel 16, lid 4, WarBES). De beroepstermijn bedraagt, in afwijking van de WarBES, vier weken.

Als betrokkene verblijft op Saba of Sint Eustatius, dan moet het beroepschrift worden gestuurd naar de Griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg te Sint Maarten.

De IND-unit Caribisch Nederland kan, in het geval gewichtige redenen daartoe aanleiding geven, het verstrekken van inlichtingen of stukken weigeren dan wel meedelen dat uitsluitend het Gerecht in Eerste Aanleg kennis mag nemen van de verstrekte inlichtingen of stukken. Hiervan is sprake als de beslissing berust op vertrouwelijke informatie.

Het Gerecht in Eerste Aanleg kan aanvullende informatie inwinnen bij de IND-unit Caribisch Nederland, maar ook bij andere overheidsinstanties.

2.5. Hoger beroep

Een vreemdeling kan in hoger beroep gaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Wanneer een vreemdeling in hoger beroep gaat, moet hij een kopie van het hoger beroepschrift aan de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (dus de IND-unit Caribisch Nederland) verzenden.

3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming

In de situatie van vrijheidsontneming gelden bijzondere rechtsmiddelen. Deze zijn uitgewerkt in de artikelen 22j – 22x, WTU-BES.

4. Klachten

De Awb is niet van toepassing op de openbare lichamen, met uitzondering van hoofdstuk 9 (klachtbehandeling). Dit betekent dat vreemdelingen volgens hoofdstuk 9 van de Awb klachten kunnen indienen tegen de gedragingen van de IND unit Caribisch Nederland tot een jaar nadat de gedraging plaats heeft gevonden. Ongeacht de geldende wettelijke termijn ontvangt de IND unit Caribisch Nederland de klachten bij voorkeur zo snel mogelijk nadat de gedraging zich heeft voorgedaan.

De IND-BES unit doet de ingekomen klacht zoveel mogelijk informeel af, waarbij de IND unit Caribisch Nederland in samenspraak met de klager een oplossing zoekt. Van de informeel gemaakte afspraken wordt een telefoonnotitie gemaakt. Hierin wordt vastgelegd of de klager akkoord gaat dat de IND unit Caribisch Nederland de klacht als afgehandeld mag beschouwen. De klager wordt de telefoonnotitie toegezonden. Indien de klager niet akkoord gaat met een informele afdoening, wordt schriftelijk aangegeven of de klacht als gegrond of ongegrond wordt beschouwd. Als de klager niet tevreden is over de klachtafhandeling of indien de klachtafhandeling niet tijdig heeft plaatsgevonden, kan de klager zich wenden tot de Nationale ombudsman.

Modellen CTU-BES

De ambtenaar weigert de toegang aan de vreemdeling die is gesignaleerd in een van bovengenoemde database. Hiervan kan worden afgeweken als Onze Minister dit noodzakelijk acht op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van het land of internationale betrekkingen.

2.3.1. Geldig document voor grensoverschrijding

De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte moet steeds aan elk van de volgende voorwaarden zijn voldaan:

2.3.2. Visum voor kort verblijf, terugkeervisum, machtiging tot voorlopig verblijf (mvv)

De regels over het terugkeervisum worden nader uitgewerkt in paragraaf 6 van dit hoofdstuk.

2.3.3. Het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf

Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf moet aannemelijk worden gemaakt. Ter onderbouwing hiervan moet de vreemdeling alle gegevens verstrekken en beschikbare documenten tonen. Indien het doel en de voorgenomen verblijfsduur niet voldoende aannemelijk zijn gemaakt wordt de toegang op grond van artikel 2r, eerste lid, onder c, WTU-BES geweigerd.

2.3.4. Voldoende middelen van bestaan

2.3.5. Geen gevaar voor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen

2.3.6. Signalering (inter)nationale database

Bij twijfel kan de ambtenaar belast met de grensbewaking contact opnemen met de IND-unit Caribisch Nederland en de zaak voorleggen. De IND-unit Caribisch Nederland beslist of aan de vreemdeling alsnog toegang moet worden verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, in het belang van het land of de internationale betrekkingen. In het laatste geval dient de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op te nemen met de Directie Consulaire Zaken en Visumbeleid (DCV) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De vreemdeling moet natuurlijk ook voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang.

3.1. Algemeen

Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen betreffende mensenhandel. Zie hiervoor hoofdstuk 14 CTU-BES.

Het kan voorkomen dat een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning voor bescherming te willen indienen. Voor de procedure wordt verwezen naar hoofdstuk 16 CTU-BES.

3.2. Minimumcontrole en grondige controle

Een grondige controle bij uitreis staat uitgewerkt in artikel 2t, derde lid, WTU-BES. Daarbij kan worden onderzocht:

3.3. Stempel

3.5. Toegangsverlening onder voorwaarden

Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking aan de vreemdeling ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend als er sprake is van:

De aantekeningen worden geplaatst door middel van het aanbrengen van de sticker ’Doorlating onder voorwaarden openbare lichamen’ (MBES45). Deze sticker moet in het paspoort worden aangebracht. De inreisstempel wordt half op en half onder het laminaat geplaatst.

3.6. Toegangsweigering

3.6.1. Algemeen

De toegang wordt geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking. De ambtenaar kan ook een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 2o, eerste en tweede lid, WTU-BES opleggen.

Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel voor zover mogelijk) moeten voortdurend in acht worden genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.

3.6.2. Procedure voor weigering toegang aan de grens

Iedere toegangsweigering moet worden geregistreerd. De volgende zaken met betrekking tot de vreemdeling moeten worden bijgehouden:

3.6.3. Weigering toegang gevaar openbare orde en nationale veiligheid

In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen. De ambtenaar belast met grensbewaking informeert de Korpschef van het openbare lichaam waar de vreemdeling toegang is geweigerd, over de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

3.6.4. Aanwenden rechtsmiddelen

Het beroep kan binnen vier weken worden ingediend bij het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Bonaire. De behandeling van het beroepschrift mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht. Zie hoofdstuk 19 CTU-BES.

3.6.5. De toegang blijft geweigerd

Overtreding van voornoemde aanwijzingen is een strafbaar feit op grond van artikel 26 WTU-BES.

3.6.7. Verplichtingen voor vervoerder

Ten aanzien van de zeevaart moet als het gaat om vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, het vertrek worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.

4. Verplichtingen in het kader van toezicht

4.1. Algemeen

Ten aanzien van vreemdelingen kan worden voorzien in een verplichting tot het – zonodig in persoon – verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de toepassing van het bepaalde bij en op grond van de WTU-BES.

De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle hier in de openbare lichamen aanwezige vreemdelingen, ongeacht of zij rechtmatig of onrechtmatig in de openbare lichamen verblijven. De vordering is steeds gericht tot de vreemdeling zelf, tenzij het kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar betreft. Ten aanzien van vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijke vertegenwoordiger.

4.2. De verplichting tot opgave van verhuizing

4.3. De verplichting tot het verstrekken van gegevens

De verplichting tot het op vordering verstrekken van gegevens kan worden opgelegd aan alle aanwezige vreemdelingen. De vordering is gericht op de vreemdeling zelf, tenzij het gaat om kinderen jonger dan twaalf jaar. Ten aanzien van vreemdelingen die jonger zijn dan twaalf jaar kan een vordering worden gericht tot de wettelijk vertegenwoordiger (artikel 6.34, vierde lid, BTU-BES).

Aanleiding tot het opleggen van deze verplichting bestaat bijvoorbeeld als:

4.3.3. Melding door de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf

4.3.5. Verstrekken van gegevens over (vroegere) buitenlandse werknemers

Op grond van artikel 3.37 BTU-BES zijn werkgevers verplicht om ten aanzien van vreemdelingen aan wie het niet was toegestaan arbeid te verrichten desgevraagd gegevens te verstrekken aan de Korpschef. De verplichting geldt voor daartoe gevorderde werkgevers van wie bij de Korpschef bekend is dat zij vreemdelingen in dienst gehad hebben die illegaal in de openbare lichamen hebben verbleven of die ongeoorloofd in de openbare lichamen arbeid hebben verricht. De gevraagde gegevens moeten onmiddellijk of binnen een door de Korpschef aangegeven termijn worden verstrekt.

In het algemeen zal er aanleiding bestaan de werkgever te verplichten de gegevens te verstrekken over alle vreemdelingen, die op een bepaalde datum (te weten de datum waarop de vordering wordt gedaan) bij hem in dienst zijn, evenals de vreemdelingen (of bepaalde categorieën van vreemdelingen) die vanaf die datum bij hem tewerkgesteld worden. Het gaat om de volgende gegevens van zijn werknemers:

4.3.6. Mededeling over het zoeken of gaan verrichten van arbeid

Het ligt voor de hand in dit geval evenmin vrijstelling van de meldplicht te verlenen.

4.3.7. Mededeling over vervallen verblijf van rechtswege dan wel verblijfsdoel

4.4.1. Foto en vingerafdrukken

De in artikel 6.41, onder b, BTU-BES genoemde verplichting mag alleen worden opgelegd als daartoe, naar het oordeel van de desbetreffende ambtenaar, in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat. Dit wil zeggen, alleen in speciale daarvoor in aanmerking komende gevallen. De verplichting zich te laten fotograferen en vingerafdrukken van zich te laten nemen behoort in ieder geval te worden opgelegd aan vreemdelingen:

4.6. Aanmelding na binnenkomst in de openbare lichamen

Voor de berekening van het verblijf worden voorgaande verblijven in de openbare lichamen binnen een tijdvak van zes maanden onmiddellijk voorafgaande aan de binnenkomst mede in aanmerking genomen.

In het algemeen rust de aanmeldplicht op de vreemdeling zelf. Een uitzondering op deze regel bestaat voor kinderen jonger dan twaalf jaar. Degenen bij wie deze kinderen wonen of verblijven, zijn in dit geval tot aanmelding verplicht.

4.6.2. Verblijf korter dan drie maanden

De verplichting tot aanmelding geldt ingevolge artikel 6.44, derde lid BTRU-BES niet voor de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of op grond van gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.

4.7. Periodieke aanmelding

4.7.1. Periodieke aanmelding ex artikel 6.47 BTU-BES

De vreemdeling moet zich dan wekelijks melden, tenzij de Korpschef een andere termijn stelt. De verplichting geldt niet voor vreemdelingen die rechtens van hun vrijheid zijn beroofd.

Bij aanvang van de procedure tot het verlenen van een verblijfsvergunning moet de vreemdeling door de Korpschef erop worden gewezen dat op hem, hangende de beslissing op zijn aanvraag een meldplicht rust (artikel 22h, eerste lid, onder f, WTU-BES juncto artikel 6.47, eerste lid, onder b, BTU-BES).

4.7.2. Individuele verplichting tot periodieke aanmelding

Betreffende het opleggen van de verplichting wordt door de Korpschef de bij artikel 6.25, eerste lid, onder e, BTU-BES voorgeschreven aantekening in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling geplaatst. In de gevallen als omschreven in het derde lid van artikel 6.25 BTU-BES wordt de aantekening geplaatst op een afzonderlijk inlegblad.

4.8. Inleveren van het document waaruit het rechtmatige verblijf blijkt

Het niet voldoen aan deze verplichting is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit.

4.9. Toezicht op documenten

4.9.1. Aangifte van vermissing van documenten

De IND unit Caribisch Nederland moet hierover worden bericht.

Het niet voldoen aan de verplichting van artikel 6.40 BTU-BES is op grond van het bepaalde in artikel 26 WTU-BES een strafbaar feit. Dit kan ertoe leiden dat er door Burgerzaken geen nieuw verblijfsdocument wordt afgegeven.

4.9.2. Vervanging van identiteitspapieren

4.9.3. Gedragslijn bij vreemdelingen zonder documenten

Een vreemdeling die, bij aanmelding of bij aantreffen, niet (meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, moet op grond van artikel 22d WTU-BES worden staande gehouden en gehoord. Zijn identiteit moet worden vastgelegd aan de hand van:

Van alle aangetroffen bescheiden, zoals reisbiljetten, diploma’s en dergelijke, moeten fotokopieën worden gemaakt. Op basis van aanwezige informatie zal de KMar proberen het voor het vertrek van de vreemdeling benodigde document te verkrijgen.

5. Verplichtingen vervoerders, en gezagvoerders

5.1. Verplichtingen voor vervoerders

Voor de openbare lichamen geldt dat vooral voor:

die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole plaatsvindt en zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.

5.1.1. De zorgplicht

De hierboven bedoelde controle houdt minimaal het volgende in:

5.1.2. De afschriftplicht

Eerdergenoemde lijst kan worden aangepast als ervaringsgegevens hiertoe aanleiding geven. Wanneer de lijst is aangepast wordt de lijst per brief kenbaar gemaakt aan de luchtvervoerders die vliegen vanaf een bepaalde locatie waarop de afschriftplicht van toepassing is. Hierbij zal worden aangegeven per wanneer de afschriftplicht geldt.

5.1.3. De passagiersinformatieplicht

De passagiersgegevens worden elektronisch door de luchtvervoerder verstrekt. De ambtenaar belast met de grensbewaking die vordert tot het verzamelen en verstrekken van de passagiersgegevens, schrijft een specifieke wijze van elektronische verstrekking voor (artikel 3.2 BTU-BES). Voorgeschreven kan worden om de gegevens via een daartoe ter beschikking gesteld geautomatiseerd systeem of via een beveiligde internetverbinding aan te leveren. De door de luchtvervoerder verzamelde gegevens moeten voor het einde van de instapcontrole, de zogenaamde ‘flightclosure’, worden overgelegd.

5.1.4. De terugvoerplicht

Voor vreemdelingen die geen verzoek tot bescherming indienen, moet het vertrek worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is.

5.1.5. Strafrechtelijke aansprakelijkheid

5.1.6. Aansprakelijkheid voor uitzetting- en verblijfskosten

Als het niet mogelijk is om de vreemdeling binnen redelijke tijd naar een plaats buiten de openbare lichamen te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting, waaronder ook de verblijfskosten, uit de openbare lichamen, kunnen worden verhaald op een reder of luchtvaartmaatschappij (zie artikel 22, tweede lid, WTU-BES juncto artikel 8.3 BTU-BES). Deze kosten omvatten volgens artikel 8.3 BTU-BES in ieder geval de kosten die verbonden zijn aan:

Ook als het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten, is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.

5.2. Verplichtingen voor gezagvoerders

De overheid van de openbare lichamen kan de vervoerder opleggen om op de passagierslijst naast de namen van de reizigers ook andere gegevens vast te leggen.

6. Terugkeervisum

6.1. Algemeen

De aanvraag (of wijziging) van een terugkeervisum moet in persoon plaatsvinden bij een loket van de IND-unit Caribisch Nederland. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden overgelegd:

Een terugkeervisum wordt geweigerd ten behoeve van de terugkeer uit het land van herkomst van de vreemdeling die een aanvraag verband houdend met bescherming als bedoeld in artikel 12a WTU-BES heeft gedaan en die in afwachting is van een beslissing op die aanvraag.

6.4. Geldigheidsduur

Onze Minister kan vrijstelling dan wel ontheffing verlenen van het eerste en tweede lid. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan niet worden verlengd.

6.5. Kosten

6.6. Wijzigen

In het geval dat de vreemdeling er voor kiest om:

Wijzigen van een terugkeervisum kan géén verlenging (artikel 2j, vierde lid, WTU-BES) en evenmin een omzetting van een enkele reis in een meervoudig terugkeervisum met zich meebrengen. Wel kan de reden (de oorzaak) of ook de beoogde duur van het verblijf in het land van herkomst van de aanvraag wijzigen, waardoor aanleiding kan bestaan de duur van het terugkeervisum in te korten. Inkorten vindt plaats door het aanbrengen van een nieuw sticker, waarbij het oorspronkelijke sticker ongeldig wordt gemaakt middels het doorhalen van de oude sticker door de IND unit Caribisch Nederland.

6.7. Intrekking

Als een ambtenaar van toezicht op grond van art 2c, sub b, c of d, WTU-BES een terugkeervisum wil intrekken moet hier eerst contact over worden opgenomen met de IND unit Caribisch Nederland. Als toestemming wordt verleend voor intrekking, dan moet de intrekking van het terugkeervisum worden voorzien van een dienststempel en een paraaf van de desbetreffende ambtenaar belast met toezicht op vreemdelingen.

7. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën vreemdelingen

7.1. Specifieke voorschriften voor categorieën vreemdelingen

7.1.1. Vreemdelingen die van rechtswege toelating tot verblijf hebben

Nederlanders hebben op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES van rechtswege toelating tot verblijf.

Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart.

De strekking van deze uitspraak is dat Amerikaanse onderdanen in het Caribisch Deel van het Koninkrijk de openbare lichamen aanspraak hebben op gelijke behandeling als Nederlanders die niet in het Caribisch Deel van het Koninkrijk zijn geboren. Dit betekent dat Amerikaanse onderdanen, net als die Nederlanders, op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid WTU-BES op het grondgebied van de openbare lichamen van rechtswege toelating tot verblijf hebben.

7.1.2. Toeristen

Nederlanders mogen maximaal zes maanden binnen een tijdvak van een jaar als toerist op het grondgebied van de openbare lichamen verblijven (artikel 4.2, derde lid, BTU-BES), zonder verblijf van rechtswege toegekend. Deze termijn kan niet worden verlengd.

7.1.3. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen

7.1.5. Zeelieden

Hoofdstuk 2. Toelating van rechtswege

1. Inleiding

2. Nederlanders

2.1. Algemeen

2.2. Uitleg artikel 1a WTU-BES

3.1. Bijzondere categorieën

3.2.1. Indiening van de aanvraag

3.2.2. Vereiste bescheiden

3.2.3. Verklaring

4. Verblijf in de vrije termijn

1. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Hoofdstuk 3. Toelating bij vergunning verleend

1.1. Inleiding

Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie artikel 5.2, tweede lid, BTU-BES).

1.3. Ingangsdatum

1.4. Arbeidsmarktaantekening

1.6. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen

1.8. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

1.9. Afwijzingsgronden van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

1.9.1. Mvv-vereiste

1.9.1.1. Vrijstellingen

1.9.1.3. Hardheidsclausule

1.9.2. Geldig document voor grensoverschrijding

1.9.3. Middelen van bestaan

1.9.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan

1.9.3.2. Duurzaamheid middelen van bestaan

1.9.3.3. Voldoende middelen van bestaan

1.9.4. Openbare orde en nationale veiligheid

1.9.5. Medisch onderzoek

1.9.6. Niet voldoen aan de beperking

3.1.1. Aanvraagprocedure mvv ingediend door de vreemdeling

3.6.1. Restitutie leges

3.7.1. Herstel verzuim

3.7.3. Rechtmatig verblijf hangende besluitvorming

3.8. Overgangsrecht

3.8.1. Geldige verblijfstitels, verklaringen van verblijf van rechtswege en nvt-verklaringen

3.8.2. In behandeling zijnde verzoeken

3.8.3. Voortgezet verblijf na vijf jaar

Hoofdstuk 4. Arbeid in loondienst

1. Inleiding

3.2. Vrijgestelde categorieën vreemdelingen

4. Bijzondere categorieën vreemdelingen

4.1. Nederlandse zeeschepen

4.2. Internationale luchtvaart en scheepvaart

4.3.1. Inleiding

4.3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

4.4.2. Meldplicht

4.4.3. Arbeidsovereenkomst of stage voor maximaal drie maanden

4.4.4. Grensarbeiders

4.4.4.1. Verblijfsvoorwaarden

4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen

4.5. Van rechtswege toegelaten vreemdelingen

5.5. Samenwerking met de arbeidsbemiddelingsorganisatie en de RCN-unit SZW

Hoofdstuk 5. Arbeid als zelfstandige

2. Verblijfsvoorwaarden

3. Vereiste bescheiden

4. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

4.3. Voorschriften

De geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is een jaar. Deze kan daarna steeds met een jaar worden verlengd, als aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan.

6. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

6.2. Arbeidsmarktaantekening

9. Verandering van opleiding of onderwijsinstelling

3.2. Verblijfsvoorwaarden

3.1. Inleiding

4. Overwinteraars

4.3. Vereiste bescheiden

4.3. Vereiste bescheiden

4. Gezinshereniging

5.2. Arbeidsmarktaantekening

3. Vereiste bescheiden

4.2. Arbeidsmarktaantekening

4.3. Voorschriften

6. Gezinshereniging

Hoofdstuk 11. Gezinshereniging en gezinsvorming

2.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

3. Schijnhuwelijk

3. Schijnhuwelijk

4.2. Vereiste bescheiden

4.2. Vereiste bescheiden

4.3. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

5. Minderjarige kinderen

5.2. Vereiste bescheiden

5.3.2. Vereiste bescheiden

5.4. Beperkingen, arbeidsmarktaantekeningen en voorschrift

5.4.2. Arbeidsmarktaantekening

3.2. Vereiste bescheiden

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Tegen het verblijf van de vreemdeling mag geen bezwaar bestaan uit oogpunt van openbare orde of nationale veiligheid.

8.1. Verblijfsvoorwaarden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex artikel 17 RWN’.

8.3.2. Arbeidsmarktaantekening

8.6.2. Vereiste bescheiden

4. De beslissing

4.2.2. Arbeidsmarktaantekening

4.2.2. Arbeidsmarktaantekening

5. Geldigheidsduur

2.3.1. Beperking

2.3.3. Voorschriften

3.3.1. Beperking

4.2. Vereiste bescheiden

4.3.1. Beperking

4.3.2. Arbeidsmarktaantekening

4.3.3. Voorschrift

5.2. Vereiste bescheiden

5.3.1. Beperking

5.3.2. Arbeidsmarktaantekening

5.3.3. Voorschrift

2. Bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag

2.1. De vreemdeling is verdragsvluchteling op grond van artikel 1A

2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging

2.2. Vervolgingsgronden

2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging

2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing

2.6.1. Algemeen

2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag

2.6.5. Artikel 1E

2.7. Terugzending (refoulement)

3.2. Individualiseringsvereiste in de jurisprudentie

3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter

4.4.2. Openbare orde en het Vluchtelingenverdrag

5.4. Geen aantekeningen in documenten

5.5. Aanmelding en meldplicht

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)