Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De meerderjarige oud-Nederlander die buiten de openbare lichamen is geboren en die woont in een ander land dan dat waarvan hij onderdaan is, kan in aanmerking komen voor verblijf in de openbare lichamen, als er naar het oordeel van de Minister sprake is van bijzondere banden met de openbare lichamen.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

3. Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef onder d of f, RWN)

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:

3.1. Algemeen

3.2. Verblijfsvoorwaarden voor een vergunning voor bepaalde tijd

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:

De verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling die:

4.1. Verblijfsvoorwaarden

3.4. Vereiste bescheiden

3.4. Vereiste bescheiden

Bij de aanvraag om een verblijfsvergunning voor bepaalde- of onbepaalde tijd moet de vreemdeling de volgende bescheiden overleggen:

4. Oud-Nederlanders (artikel 15, eerste lid, aanhef onder b, RWN)

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling:

5.1. Beperking

Het gaat hier om een vrijwillige handeling. De vreemdeling realiseert zich dat hij toch niet zijn oorspronkelijke nationaliteit wil verliezen en kiest er daarom zelf voor om afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit, voordat hij hiertoe wordt gedwongen. De vreemdeling moet binnen twee jaar nadat hij de verklaring van afstand heeft afgelegd een aanvraag om een verblijfsvergunning indienen.

4.2. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

5. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De genoemde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt aan de oud-Nederlanders verleend onder de beperking ‘wedertoelating’.

5.2. Arbeidsmarktaantekening

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.

7. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning

Als artikel 7 Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen BES van toepassing is, wordt de arbeidsmarktaantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

5.3. Voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6, tweede lid, WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

7. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning

7. Verlenging en intrekking van de verblijfsvergunning

7.1. Verlenging

De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘wedertoelating’ wordt niet afgewezen om de reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend.

7.2. Intrekking

Gegeven de aard van de toelatingsgrond – een periode van eerder verblijf in Nederland – zal het zich niet voordoen dat de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking ‘wedertoelating’ kan worden ingetrokken, omdat niet meer wordt voldaan aan de beperking. Wel is het uiteraard mogelijk dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt, die hebben geleid tot de verlening van de verblijfsvergunning. Verblijfsbeëindiging om die reden is niet uitgesloten.

Aan personen die een verzoek als bedoeld in artikel 17 RWN hebben ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend.

8.1. Verblijfsvoorwaarden

De verblijfsvergunning kan worden verleend aan de persoon die bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek, als bedoeld in artikel 17 RWN, heeft ingediend, als:

6. Geldigheidsduur

De beoordeling van de vraag of het verzoek ex artikel 17 RWN klaarblijkelijk van elke grond is ontbloot, en de beslissing of de persoon hangende de beslissing op dat verzoek als vreemdeling uit de openbare lichamen zal worden verwijderd, geschiedt uitsluitend bij de IND unit Caribisch Nederland.

8.2. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

8.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

8.3.1. Beperking

De verblijfsvergunning wordt verleend onder de beperking ‘in afwachting verzoek ex artikel 17 RWN’.

8.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: 'arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’.

8.3.3. Voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning is als voorschrift verbonden de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten aan opname of verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

8.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

8.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

De verblijfsvergunning wordt verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste een jaar of zoveel korter als het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba uitspraak zal doen.

Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt daarom niet in aanmerking voor naturalisatie of optie op grond van deze verblijfsvergunning.

Het verblijfsrecht is tijdelijk van aard. De houder van deze vergunning komt daarom niet in aanmerking voor naturalisatie of optie op grond van deze verblijfsvergunning.

Het begrip mensenhandel bevat de volgende elementen:

Nadat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een negatieve uitspraak heeft gedaan op het verzoek ex artikel 17 RWN, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen om de enkele reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend, als:

Nadat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een negatieve uitspraak heeft gedaan op het verzoek ex artikel 17 RWN, wordt de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning niet afgewezen om de enkele reden dat niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend, als:

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

8.6.3. Geldigheidsduur

8.6.3. Geldigheidsduur

De geldigheidsduur van de vergunning kan worden verlengd met maximaal een jaar of zoveel korter als de Hoge Raad uitspraak zal doen.

Mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.

In deze paragraaf wordt het rechtmatige verblijf van slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel voorafgaande aan de aangifte en gedurende de periode van opsporing, vervolging en berechting in feitelijke aanleg na aangifte van mensenhandel geregeld.

In deze paragraaf wordt het rechtmatige verblijf van slachtoffer- en getuige-aangevers en slachtoffers die op andere wijze medewerking verlenen aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel voorafgaande aan de aangifte en gedurende de periode van opsporing, vervolging en berechting in feitelijke aanleg na aangifte van mensenhandel geregeld.

Mensenhandel is een grove schending van de rechten van de mens en een ernstig misdrijf. Het delict is strafbaar gesteld in artikel 286f van het Wetboek van Strafrecht BES. Dit artikel ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit.

2. Slachtoffer mensenhandel

2.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffer mensenhandel

8.6.3. Geldigheidsduur

Het begrip mensenhandel bevat de volgende elementen:

Het behandelen met respect van het slachtoffer en van de getuige-aangever die aangifte doet, maakt daarvan onderdeel uit. Evenals het garanderen van de veiligheid van slachtoffers en het beschermen van de rechten van de slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel.

In dit hoofdstuk wordt uiteengezet onder welke voorwaarden de verblijfsvergunning in het kader van mensenhandel kan worden verleend.

De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning indient wegens verblijf als slachtoffers van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges.

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 7 WTU-BES, kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 7 WTU-BES, kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

4.1. Beslissing op de aanvraag

3. Getuige-aangever

3.1. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever

De vreemdeling die een aanvraag om een verblijfsvergunning indient wegens verblijf als slachtoffers van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges.

Kinderen van het slachtoffer van mensenhandel die een mvv-aanvraag in het kader van gezinshereniging indienen, zijn eveneens vrijgesteld van het betalen van leges.

2.2. Vereiste bescheiden

3. Getuige-aangever

De getuige-aangever van mensenhandel is vrijgesteld van het betalen van leges voor het indienen van een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 7 WTU-BES, kan onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel worden verleend, als:

4.2.3. Voorschrift

Getuige-aangevers zijn vreemdelingen die niet zelf slachtoffer zijn van mensenhandel maar hier wel getuige van zijn geweest. Getuige-aangevers kunnen vreemdelingen zijn die zelf werkzaam zijn in dezelfde sector als het slachtoffer. Tevens kunnen het personen zijn, die werkzaam zijn buiten deze sector en die kennis dragen van mensenhandel. Alleen de getuige-aangevers die geen geldige verblijfstitel hebben in de openbare lichamen kunnen rechten ontlenen aan de in deze paragraaf omschreven procedure.

5. Geldigheidsduur

Ondertussen moet een geldig document voor grensoverschrijding worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan het slachtoffer de nationaliteit bezit.

4.1. Beslissing op de aanvraag

3.1. Verblijfsvoorwaarden getuige-aangever

De IND-unit Caribisch Nederland neemt naar aanleiding van de aanvraag om een verblijfsvergunning contact op met het OM. Wat de getuige-aangevers betreft is de stem van het OM doorslaggevend of een verblijfsvergunning zal worden verstrekt of niet. Criterium is hierbij de vraag of de aanwezigheid van de getuige-aangever in de openbare lichamen gewenst is voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek tegen de verdachte.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

4. De beslissing

Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag is ingediend te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, voordat op de aanvraag kan worden beslist.

Ten aanzien van de termijn waarbinnen op de aanvraag dient te worden beslist, wordt onderscheid gemaakt of het een aanvraag van een slachtoffer of van een getuige-aangever betreft. Op de aanvraag van een slachtoffer dient – onvoorziene omstandigheden daargelaten – binnen 24 uur nadat de aanvraag is ingediend te worden beslist. Bij een aanvraag van een getuige-aangever is het praktisch niet haalbaar binnen een dergelijke termijn te beslissen. Dit in verband met het verplicht consulteren van het OM, voordat op de aanvraag kan worden beslist.

De IND unit Caribisch Nederland stelt de politie in kennis van de beslissing op de aanvraag om een verblijfsvergunning.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

4.2.1. Beperking

5. Geldigheidsduur

Op het verblijfsdocument zal evenwel worden vermeld ‘beperking conform beschikking Minister’

Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Bij de verlening wordt de arbeidsmarktaantekening gesteld: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

4.2.3. Voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

5. Geldigheidsduur

De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor een periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan en hiertegen geen beroep in cassatie is ingesteld, komt de grond aan de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel te ontvallen. Het OM doet hiervan melding aan de IND unit Caribisch Nederland, alsmede aan het slachtoffer van mensenhandel.

5.2. Getuige-aangever

De verblijfsvergunning wordt in beginsel voor de periode van één jaar verleend. De verblijfsvergunning is geldig zolang het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht.

7. Gezinshereniging

7.1. Algemeen

De IND-unit Caribisch Nederland trekt de verblijfsvergunning vervolgens in.

Het bovenstaande geldt ook als de strafzaak door het OM wordt geseponeerd of tegen de uitspraak van de rechtbank in het proces tegen de verdachte geen beroep is ingesteld dan wel het gerechtshof uitspraak heeft gedaan. Het OM doet hiervan melding aan de IND-unit Caribisch Nederland, alsmede aan de getuige-aangever van mensenhandel.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht. Als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.

6.1. Verblijfsvoorwaarden slachtoffermensenhandel

1. Inleiding

De geldigheid van de verblijfsvergunning wordt niet verlengd als er geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit ter zake waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend.

Bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag moet de IND unit Caribisch Nederland bij het OM na gaan of er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek dan wel of de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte heeft plaatsgevonden.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de getuige-aangever kan worden verlengd zolang er sprake is van een strafrechtelijk opsporings- en vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan. Hierbij is van belang dat het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen noodzakelijk acht. Als het OM de aanwezigheid van de vreemdeling in de openbare lichamen niet van belang acht, wordt de aanvraag om verlenging afgewezen.

6.3. Vereiste bescheiden

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

7. Gezinshereniging

De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het ontbreken van voldoende zelfstandige en duurzame middelen van bestaan.

De eerste aanvraag om een verblijfsvergunning verband houdend met mensenhandel wordt niet afgewezen als de vreemdeling niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt. Ondertussen moet een geldig document voor grensoverschrijding worden aangevraagd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het land waarvan het slachtoffer de nationaliteit bezit. Bij de aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning zal, als de vreemdeling nog steeds niet beschikt over een geldig document tot grensoverschrijding, worden beoordeeld of er aanleiding is (tijdelijk) vrij te stellen van het paspoort vereiste, omdat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie hoofdstuk 3 CTU-BES).

De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar het oordeel van de Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan.

Het slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, is vrijgesteld van het betalen van leges.

Het slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel die in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, is vrijgesteld van het betalen van leges.

De aanvraag wordt niet afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien er sprake is van een inbreuk op de openbare orde die naar het oordeel van de Minister rechtstreeks verband houdt met het feit waarvan aangifte is gedaan.

7.1. Algemeen

2. Voortgezet verblijf na verblijf als minderjarige in het kader van gezinshereniging

7. Gezinshereniging

Om te verzekeren dat de minderjarige kinderen slechts verblijf krijgen gedurende de periode van toelating van de slachtoffer- of de getuige-aangever, krijgt de aan hen verstrekte verblijfsvergunning dezelfde geldigheidsduur als die van de slachtoffer- of de getuige-aangever.

Hoofdstuk 15. Voortgezet verblijf

Een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf wordt alleen op aanvraag verleend.

Een verblijfsvergunning in het kader van voortgezet verblijf wordt alleen op aanvraag verleend.

Hoofdstuk 15. Voortgezet verblijf

Naast de voorwaarden zoals beschreven in de artikelen 5.22, 5.23 en 5.24 BTU-BES gelden ook de algemene voorwaarden zoals beschreven in artikel 9 WTU-BES.

2. Voortgezet verblijf na verblijf als minderjarige in het kader van gezinshereniging

De vreemdeling die als minderjarige in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging komt na vijf jaar verblijf in aanmerking voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Ook de minderjarige die als pleeg- of adoptiekind verblijf heeft gehad, kan onder deze voorwaarden in aanmerking komen voor voortgezet verblijf.

2.1. Verblijfsvoorwaarden

2.2. Vereiste bescheiden

Wanneer de minderjarige gedurende de periode van vijf jaar meerderjarig wordt, komt hij ook in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze regel geldt ook wanneer het kind gedurende het grootste gedeelte van de vijf jaar meerderjarig is geweest.

Een kind krijgt op 17 jarige leeftijd verblijf bij ouders. Wanneer dit kind 22 jaar oud is komt hij in aanmerking voor voortgezet verblijf. Deze vreemdeling is gedurende bijna de gehele verblijfsperiode van vijf jaar meerderjarig geweest.

Daarnaast gelden de algemene voorwaarden voor verblijf:

Wanneer de vreemdeling op het moment van de aanvraag van de verblijfsvergunning nog minderjarig is, geldt het vereiste zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan niet.

Wanneer niet aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan, betekent dit niet zonder meer dat de vergunning wordt geweigerd. Individuele omstandigheden kunnen altijd een rol spelen. (zie verder paragraaf 5.).

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan, TWV niet vereist’.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

3. Voortgezet verblijf voor de overige gezinsleden

3.1. Verblijfsvoorwaarden

3.3.1. Beperking

Als het gaat om een meerderjarig kind dat nog feitelijk bij zijn ouders woont, studeert en financieel afhankelijk is van zijn ouders, dan mag het inkomen van de ouders meegenomen worden bij de middeleneis.

3.1. Verblijfsvoorwaarden

Een meerderjarige kind dat als minderjarige minimaal vijf jaar verblijf heeft gehad in de openbare lichamen in het kader van gezinsvorming of gezinshereniging kan eveneens voortgezet verblijf (dus een sterker verblijfrecht) verkrijgen als de ouders zelf dit (nog) niet hebben.

Voorbeeld:

3.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Dat de relatie op het moment van aanvragen van de vergunning voor voortgezet verblijf is verbroken, is niet van belang. Wel is van belang dat gedurende de voorafgaande periode van vijf jaar aan alle voorwaarden voor verblijf is voldaan en dat nog steeds aan de voorwaarden van artikel 9 WTU-BES wordt voldaan. Wanneer de relatie binnen een periode van vijf jaar is verbroken bestaat er in beginsel, geen recht op voortgezet verblijf.

3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Een echtpaar is gedurende zes jaar gehuwd geweest. Gedurende de afgelopen vijf jaar heeft de vrouw verblijf bij haar echtgenoot gehad. Gedurende deze periode is aan alle voorwaarden voor verblijf voldaan. De echtgenote verzoekt om voortgezet verblijf, omdat zij inmiddels gescheiden is van haar echtgenoot. Zij kan, mits zij aan de voorwaarden voor verblijf voldoet, in het bezit gesteld worden van de verblijfsvergunning.

4. Voortgezet verblijf na overlijden van (huwelijks) partner

3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Uitzondering op deze regel zijn:

Wanneer vastgesteld wordt dat een vreemdeling niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf voldoet en niet tot inwilliging van de aanvraag kan worden overgegaan, wordt altijd rekening gehouden met de werking van artikel 8 EVRM. In sommige gevallen kan er toch reden bestaan om de vreemdeling voortzetting van het verblijf toe te staan, zonder verblijf onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ te verlenen. Het verblijf dat dan verleend wordt, is verblijf in het kader van artikel 8 EVRM.

4.1. Verblijfsvoorwaarden

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

3.3.1. Beperking

Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is acht jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. Het kind woont bij zijn moeder, maar de vader brengt en haalt het kind twee dagen in de week naar en van school. Het kind eet dan bij hem. Hij heeft samen met de moeder regelmatig contact met de school over de voortgang van het kind en wanneer er belangrijke beslissingen genomen moeten worden doen de ouders dit samen. De ouders hebben nog regelmatig contact over het kind. De vader draagt ook bij in de kosten van levensonderhoud van het kind. De ouders zijn voor deze regeling niet naar een rechter geweest. Zij hebben de afspraken in goede harmonie gemaakt en houden zich er ook aan.

4.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Uit de (huwelijks)relatie is een kind geboren. Het kind is 12 jaar oud en gaat naar school. Het kind heeft een dubbele nationaliteit, de Nederlandse en de Venezolaanse. De vader geeft, af en toe, geld aan de moeder voor het levensonderhoud van het kind. Soms ziet hij het kind wanneer zijn ex-partner zijn familie bezoekt. Hij gaat nooit alleen met zijn kind op stap en is niet betrokken bij de opvoeding van het kind.

In dit geval is er geen noemenswaardige band tussen vader en kind en ook geen reden om daarom woonachtig te blijven op de openbare lichamen.

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

In dat geval is het volgende van belang: hij die stelt toont aan. Niet de IND-unit Caribisch Nederland toont aan dat het niet zo is, de vreemdeling bewijst dat het wel zo is.

3.4. Geldigheidsduur van de verblijfsvergunning

Een vrouw die stelt dat haar kind niet zal worden toegelaten tot het land waar zij naar toe terug moet keren, dient dit aan te tonen door het overleggen van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land. Uit deze verklaring moet blijken dat het kind niet wordt toegelaten tot het land van herkomst van de moeder.

3.2. Vereiste bescheiden

3.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’’.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

De IND unit Caribisch Nederland kan aan een slachtoffer of getuige-aangever van mensenhandel aan wie voor de duur en in het belang van het strafproces tijdelijk verblijf in Nederland was toegestaan een verblijfsvergunning verlenen op grond van artikel 5.24 BTU-BES.

Wanneer de (huwelijks) partner binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling op grond van de voorwaarden van artikel. 5.24, derde lid, BTU-BES in aanmerking voor voortgezet verblijf ook al is nog geen sprake van vijf jaar verblijf. In dat geval wegen de humanitaire omstandigheden zwaar mee. Wel dient de vreemdeling te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Wanneer de (huwelijks) partner binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling op grond van de voorwaarden van artikel. 5.24, derde lid, BTU-BES in aanmerking voor voortgezet verblijf ook al is nog geen sprake van vijf jaar verblijf. In dat geval wegen de humanitaire omstandigheden zwaar mee. Wel dient de vreemdeling te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Wanneer de vreemdeling is toegelaten in het kader van het ouderenbeleid en de verblijfgever – het kind van de ouder – binnen vijf jaar komt te overlijden komt de vreemdeling niet in aanmerking voor voortgezet verblijf. Bij de boordeling van de aanvraag moet een afweging gemaakt worden op grond van artikel 5.25 BTU-BES. Voortgezet verblijf op grond van bijzondere, individuele humanitaire omstandigheden kan nog steeds gewenst zijn. De vreemdeling moet in dat geval de bijzondere omstandigheden onderbouwen.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

5. Voortgezet verblijf wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden

5. Voortgezet verblijf wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden

5.1. Verblijfsvoorwaarden

Artikel 5.24 BTU-BES regelt de mogelijkheid dat ook wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor verblijf als genoemd in artikel 5.22 en 5.23 BTU-BES die hierboven in paragraaf 2 en 3 zijn beschreven, toch voortgezet verblijf verleend kan worden vanwege bijzondere omstandigheden.

5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

De vreemdeling moet de bijzondere individuele omstandigheden zelf onderbouwen met een schriftelijke verklaring en aanvullende stukken. Het belang van de vreemdeling kan alleen in bijzondere omstandigheden zwaarder wegen dan het algemeen belang van de overheid.

De IND unit Caribisch Nederland verleent de verblijfsvergunning als sprake is van aantoonbaar ondervonden (seksueel) geweld binnen de familie dat heeft geleid tot de feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie.

5.3.2. Arbeidsmarktaantekening

Huiselijk geweld, waaronder seksueel geweld, wordt aangetoond door:

5.4. Geldigheidsduur

Er zijn verschillende situaties mogelijk die kunnen leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning voortgezet verblijf aan slachtoffers of getuige-aangevers van mensenhandel.

Hoofdstuk 16. Aanvragen om bescherming tegen terugzending

5.4. Geldigheidsduur

Een veroordeling op grond van één van de andere in de strafzaak ten laste gelegde misdrijven is ook voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.

Als de aangifte of het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafzaak door het slachtoffer, terzake mensenhandel tot een veroordeling van de verdachte heeft geleid, wordt aangenomen dat terugkeer voor het slachtoffer risico’s met zich brengt.

Om het recht op voortgezet verblijf niet geheel afhankelijk te maken van het verloop van de strafzaak zal, als de strafzaak niet tot een veroordeling leidt, doch de uitspraak anders luidt, en er wel tenminste drie jaar is verstreken tussen de verlening van de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel en het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke uitspraak, de verblijfsduur van het slachtoffer als belangrijkste humanitaire factor wegen. Hierbij is dan ook van belang dat de rechterlijke uitspraak in de strafzaak onherroepelijk is geworden.

Bij deze grond tot inwilliging is doorslaggevend dat het slachtoffer drie jaar of langer heeft bijgedragen aan de opsporing of de vervolging én er een rechterlijke uitspraak is gedaan. In het geval de zaak eerder geseponeerd is geweest en de daadwerkelijke vervolging eerst na een beklag ter hand is genomen, telt de termijn van de beklagprocedure mee voor de berekening van de driejaren termijn.

De IND unit Caribisch Nederland kan de verblijfsvergunning voortgezet verblijf ook verlenen als:

Aanvragen om voortgezet verblijf na afloop van de verblijfsvergunning verband houdend met de vervolging van mensenhandel van vreemdelingen die niet onder één van de hierboven genoemde categorieën vallen kunnen alleen voor voortgezet verblijf in aanmerking komen als naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden van de vreemdeling niet gevergd kan worden dat hij de openbare lichamen verlaat.

Bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag betrekt de IND unit Caribisch Nederland in elk geval de volgende factoren:

De vreemdeling geeft aan welke klemmende redenen van humanitaire aard naar zijn mening tot voortgezet verblijf dienen te leiden en onderbouwt het beroep met terzake relevante gegevens en documenten.

Bij de beoordeling van de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie wordt rekening gehouden met specifieke culturele achtergrond en het eventuele prostitutieverleden van betrokkene, duurzame ontwrichting van familierelaties, de eventuele maatschappelijke opvattingen over prostitutie en het overheidsbeleid terzake.

5.3. Beperking, arbeidsmarktaantekening en voorschrift

5.3.1. Beperking

De hiervoor genoemde factoren zijn niet de enige factoren die van belang zijn voor de beoordeling of aan het slachtoffer of de getuige-aangever, op grond van klemmende redenen van humanitaire aard verblijf dient te worden toegestaan. Buiten de reeds genoemde factoren kan bijvoorbeeld gedacht worden aan psychische problemen waarvoor de vreemdeling in Nederland in behandeling is, de zorg die de vreemdeling heeft voor kinderen die in Nederland zijn geboren of een opleiding volgen, de positie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst. Hierbij is nog van belang dat, indien psychische of andere medische omstandigheden worden aangevoerd, dit slechts als onderdeel van de te wegen factoren kan worden meegenomen. Indien enkel een beroep wordt gedaan op medische omstandigheden dan ligt beoordeling in het kader van het beleid medische behandeling meer in de rede.

Het is nadrukkelijk de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling om bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf aan te geven welke factoren van belang zijn, en die met terzake relevante gegevens en bescheiden te onderbouwen. Hij is daartoe de meest gerede partij. Als het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard niet, of niet afdoende met terzake relevante gegevens en bescheiden is onderbouwd bij het indienen van de aanvraag om voortgezet verblijf, stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling in de gelegenheid dit gebrek te herstellen. In beginsel wordt de vreemdeling hiertoe een termijn van twee weken gegund. Bij de beoordeling van het beroep op klemmende redenen van humanitaire aard, wordt altijd een belangenafweging gemaakt, waarbij de belangen van de vreemdeling worden afgewogen tegen die van de Staat.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederlands, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend onder de beperking: ‘voortgezet verblijf’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Op de verblijfsvergunning staat de aantekening: ‘Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

Aan de verlening van de verblijfsvergunning wordt het voorschrift verbonden dat de vreemdeling voldoet aan de verplichting voldoende verzekerd te zijn tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting (zie artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder c, BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

De verblijfsvergunning is geldig voor de duur van vijf jaar (art. 6 lid 2 WTU-BES en art. 5.28 BTU-BES).

Het EG-recht is op de openbare lichamen niet van toepassing. Dat betekent dat de invloed die de EG-richtlijnen, zoals Richtlijn EG/2004/83 (de Kwalificatie- of Definitierichtlijn), hebben gehad op de Nederlandse interpretatie van de voornoemde Verdragen vanaf circa 2006 niet geldt,

Een vreemdeling kan op verschillende wijze te kennen geven dat hij voor bescherming op de openbare lichamen in aanmerking wenst te komen. Hij kan dit bijvoorbeeld doen in de zeehavens of op de luchthavens bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In het geval hij zich al op het grondgebied bevindt, kan hij dit aangeven bij de ambtenaar belast met het toezicht of bij de IND unit Caribisch Nederland.

Een vreemdeling kan op verschillende wijze te kennen geven dat hij voor bescherming op de openbare lichamen in aanmerking wenst te komen. Hij kan dit bijvoorbeeld doen in de zeehavens of op de luchthavens bij een ambtenaar belast met de grensbewaking. In het geval hij zich al op het grondgebied bevindt, kan hij dit aangeven bij de ambtenaar belast met het toezicht of bij de IND unit Caribisch Nederland.

Voor de indiening van een aanvraag om bescherming moet de vreemdeling worden doorverwezen naar de IND unit Caribisch Nederland.

Een vreemdeling kan op de openbare lichamen bescherming inroepen tegen terugzending (refoulement) naar zijn land van herkomst als hij niet over de juiste documenten beschikt voor toegang en/of toelating tot de openbare lichamen maar wel voldoet aan de non-refoulement criteria die in de volgende internationale verdragen zijn vastgelegd, namelijk:

Het vorenstaande is vastgelegd in artikel 12a van de WTU-BES.

Het EG-recht is op de openbare lichamen niet van toepassing. Dat betekent dat de invloed die de EG-richtlijnen, zoals Richtlijn EG/2004/83 (de Kwalificatie- of Definitierichtlijn), hebben gehad op de Nederlandse interpretatie van de voornoemde Verdragen vanaf circa 2006 niet geldt.

2.2. Vervolgingsgronden

2.2.1. Discriminatie als daad van vervolging

In de verschillende fasen van de beschermingsprocedure handelen de ambtenaren belast met het toezicht en met de grensbewaking in overeenstemming met de door de IND unit Caribisch Nederland namens de Minister van Asiel en Migratie gegeven aanwijzingen. Hierdoor wordt gewaarborgd dat internationale afspraken uniform worden nageleefd en dat de belangen van de vreemdeling optimaal tot hun recht komen.

De IND unit Caribisch Nederland is de organisatie die het beschermingsbeleid op de openbare lichamen uitvoert. Een aanvraag om bescherming kan daarom formeel alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland.

dan is de vreemdeling geen vluchteling.

2.1. De vreemdeling is verdragsvluchteling op grond van artikel 1A

Een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming kan worden verleend op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES indien de vreemdeling verdragsvluchteling is.

Een verdragsvluchteling is een persoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Een vreemdeling kan worden erkend als vluchteling als hij afkomstig is uit een land, waarin hij gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege:

Een vreemdeling moet zich wel buiten het land van zijn nationaliteit bevinden voordat hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking kan komen.

Als de vervolging:

dan is de vreemdeling geen vluchteling.

Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir: na de vlucht wordt vastgesteld of de vreemdeling op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet gegronde vrees voor vervolging had (zie ook réfugiés sur place).

2.2.3. Vervolging vanwege politieke overtuiging

Het is mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een hele (bevolkings)groep te vrezen heeft voor vervolging. Een dergelijke groep kan bestaan uit:

Wanneer alle leden van deze groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. Ook in het geval van groepsvervolging moet op individuele basis worden vastgesteld of een vreemdeling vluchteling is, door te beoordelen of hij tot de betrokken groep behoort.

Vervolging kan plaatsvinden door:

Van de vreemdeling van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft van de zijde van de centrale autoriteiten, kan niet verwacht worden dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich ergens anders in het land van herkomst te vestigen.

2.2.4. Vervolging vanwege nationaliteit en ras

Vervolging door derden wordt alleen aangenomen als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging. Om dit te kunnen beoordelen dient te worden onderzocht of de vreemdeling aangifte heeft gedaan bij de (lokale) autoriteiten en, wanneer dit niet het geval is, waarom hij dit niet heeft gedaan.

Onder een (internationale) organisatie wordt in dit verband verstaan:

Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.

Als de vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, wordt hij aangemerkt als staatloze. In dat geval moet eerst het land van herkomst worden vastgesteld, vóór de beoordeling of betrokkene gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst.

Als land van herkomst van een staatloze wordt aangemerkt, een land:

Bepalend hiervoor is de vraag of de vreemdeling in het betreffende land het centrum van zijn activiteiten (werk, wonen, familie) heeft.

2.2.5. Vervolging vanwege het behoren tot een sociale groep

Het behoren tot een verboden geloof, het verspreiden van pamfletten voor een verboden politieke partij, het voeren van een strijd tegen misstanden in de lokale samenleving kunnen motieven zijn die in de volledige samenhang van het verhaal en bezien tegen de lokale achtergrond kunnen leiden tot een conclusie dat een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het land van herkomst persoonlijk een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, Een beroep op de algemene situatie is over het algemeen onvoldoende om vluchtelingschap aan te nemen.

Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen. Dat wil zeggen: handelingen en gedachten die voortvloeien uit een (godsdienstige) stroming en overtuiging dat de mens door een bovennatuurlijke macht wordt geleid, of de overtuiging dat er geen bovennatuurlijke besturing bestaat en/of dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.

Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake als de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake als de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

Een beschermingszoeker wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, als hij:

In het geval de vreemdeling vóór zijn vlucht geen bescherming aan de autoriteiten heeft gevraagd, moet worden onderzocht waarom dat niet is gebeurd. Als dit wel is gebeurd, maar de vreemdeling heeft het na één mislukte poging niet bij een andere overheidsinstantie geprobeerd, moet worden onderzocht waarom het bij één poging is gebleven.

Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen. Dat wil zeggen: handelingen en gedachten die voortvloeien uit een (godsdienstige) stroming en overtuiging dat de mens door een bovennatuurlijke macht wordt geleid, of de overtuiging dat er geen bovennatuurlijke besturing bestaat en/of dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.

Het begrip ‘godsdienst’ omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen. Dat wil zeggen: handelingen en gedachten die voortvloeien uit een (godsdienstige) stroming en overtuiging dat de mens door een bovennatuurlijke macht wordt geleid, of de overtuiging dat er geen bovennatuurlijke besturing bestaat en/of dat de mens zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen.

Hierbij kan het gaan om het deelnemen aan, of het zich onthouden van, formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen. Het kan ook gaan om andere religieuze activiteiten of uitingen of om vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald.

Onder het begrip ‘godsdienst’ valt iedere godsdienst, levensbeschouwing of sekte, waartoe de vreemdeling behoort of waarvan de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘Actoren van vervolging’) stellen dat de vreemdeling ertoe behoort.

2.3. Politieke en commune delicten en discriminatoire of onevenredige bestraffing

Beperkingen op het recht een godsdienst te belijden moeten dusdanig streng zijn, dat het leven als gevolg van de overtuiging in het land van herkomst daardoor ernstig wordt belemmerd. Van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat personen die gevlucht zijn uit hun land van herkomst omdat ze verborgen moesten houden dat ze de overtuiging van een minderheidsgroepering aanhangen, kunnen erkend worden als om godsdienst vervolgde vluchteling.

Te denken valt bijvoorbeeld aan een situatie waarin de autoriteiten van een land personen die een bepaalde godsdienst belijden actief opspoort en ze, onder bedreiging van gevangenis- of lijfstraffen, verbiedt om hun geloof uit te oefenen.

Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt onder andere in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over bijvoorbeeld het beleid of de methoden van de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘Actoren van vervolging’), ofwel dat laatstgenoemden stellen dat de vreemdeling deze overtuiging heeft.

Het begrip ‘politieke overtuiging’ houdt onder andere in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft over bijvoorbeeld het beleid of de methoden van de autoriteiten of andere actoren van vervolging (zie paragraaf 2.1, kopje ‘Actoren van vervolging’), ofwel dat laatstgenoemden stellen dat de vreemdeling deze overtuiging heeft.

Om vervolging vanwege politieke overtuiging te kunnen aannemen dient de bedoelde opvatting, mening of gedachte onder de aandacht van de autoriteiten of andere actoren van vervolging te zijn gekomen, of moet het waarschijnlijk zijn dat dit alsnog zal gebeuren.

2.4. Vervolging wegens dienstweigering of desertie

Als de vreemdeling een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen; of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, in de volgende gevallen worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging:

Het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat ook het behoren tot een groep die wordt bepaald:

Het begrip ‘nationaliteit’ is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat ook het behoren tot een groep die wordt bepaald:

De omvang van deze groepering is daarbij niet relevant.

Hierbij kan gedacht worden aan een volk zonder eigen staat, maar met een eigen taal, geschiedenis en achtergrond.

Voor het bepalen van ‘ras’ als vervolgingsgrond kan onder andere worden afgegaan op de aspecten:

Bij het vaststellen van ras kan zowel op etnografische als sociale aspecten worden teruggegrepen.

Indien een overheid aanleiding ziet in een uiterlijk kenmerk van een persoon of een groep om over te gaan tot vervolging dan is er sprake van vervolging als hier bedoeld.

Een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als:

Een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als:

Deze categorie functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.

Onder vervolging wegens het behoren tot een sociale groep als bedoeld in artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt mede vervolging wegens seksuele geaardheid begrepen.

Als een vreemdeling zich beroept op problemen vanwege de (gestelde) seksuele geaardheid moet de aanvraag worden beoordeeld met bijzondere aandacht voor de positie van homoseksuelen in het land van herkomst.

Als er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval als het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. Voor de conclusie dat er sprake is van vluchtelingschap moet wel sprake zijn van een strenge bestraffingsmaatregel. Zo zal een enkele boete meestal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De vreemdeling moet (indien mogelijk met documenten) aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging.

Van vreemdelingen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen.

Als de vreemdeling niet daadwerkelijk homoseksueel is, maar het geloofwaardig is dat de autoriteiten of andere actoren van vervolging hem of haar als zodanig beschouwen en het aannemelijk is dat vervolging plaatsvindt of zal vinden, is hij eveneens te beschouwen als verdragsvluchteling.

2.5. Bijzondere situaties

2.5.1. Refugiés sur place

Als de betrokken vreemdeling zich erop beroept dat er sprake is van discriminatie die specifiek tegen vrouwen is gericht, dan blijft de toepasselijkheid van één van de vervolgingsgronden een voorwaarde voor het concluderen van vluchtelingschap. Uiteraard geldt ook in deze gevallen het individualiseringsvereiste. Zo is het enkele bestaan van kledingvoorschriften voor vrouwen nog geen vorm van discriminatie op grond waarvan vervolging kan worden aangenomen.

Vervolging ingesteld vanwege een overtreding of een misdrijf dat over het algemeen als commuun delict (een ‘normaal’, niet politiek delict) wordt beschouwd levert in beginsel geen vluchtelingschap op. Er is sprake van een commuun delict, als de betrokkene in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

Vervolging ingesteld vanwege een overtreding of een misdrijf dat over het algemeen als commuun delict (een ‘normaal’, niet politiek delict) wordt beschouwd levert in beginsel geen vluchtelingschap op. Er is sprake van een commuun delict, als de betrokkene in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

Bestraffing wegens commune delicten leidt over het algemeen niet tot de conclusie dat de betrokkene verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing die wel verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag.

Hiervan is sprake als:

2.5.2. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

In dat geval kan de betrokkene worden gezien als een verdragsvluchteling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in plaats van de gebruikelijke strafmaat van één jaar gevangenisstraf voor een individu twee jaar gevangenisstraf wordt opgelegd omdat hij behoort tot een geloofsgroepering waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Een ander voorbeeld kan zijn als de straf geheel of gedeeltelijk in de brandende zon zonder bescherming moet worden doorgebracht in plaats van in een gewone cel omdat hij behoort tot een sociale groep waar de vervolgende instantie bezwaar tegen heeft. Er moet een causaal verband zijn tussen één van de vervolgingsgronden van het verdrag en de zwaarte van de bestraffing.

Een land kan een dienstplicht instellen. Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In de volgende gevallen kan dienstweigering of desertie desondanks leiden tot vluchtelingschap.

Een land kan een dienstplicht instellen. Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet aangemerkt als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In de volgende gevallen kan dienstweigering of desertie desondanks leiden tot vluchtelingschap.

Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling als hij:

Bij deze categorie is de dienstweigering of desertie niet de oorzaak van de vervolging. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid dat de vreemdeling behoort tot een van de genoemde groeperingen. De dienstweigering of desertie is slechts een aanleiding om tot vervolgingsmaatregelen over te gaan. Het enkele feit dat de dienstweigering wordt bestraft, leidt hier dan ook niet tot de conclusie dat de vreemdeling vluchteling is. Het moet gaan om een bestraffing met:

2.5.3. Minderjarige vreemdelingen

Bij deze categorie gaat het om een evenwicht tussen het onvervreemdbare recht van een staat om zich te verdedigen en het eveneens onvervreemdbare recht van het individu op gewetensvrijheid. Dit evenwicht kan blijken uit het feit dat aan het individu de mogelijkheid wordt geboden om een vervangende, niet-militaire dienstplicht te vervullen.

Als die mogelijkheid in het land van herkomst niet wordt geboden, kan:

2.5.3. Minderjarige vreemdelingen

2.6.1. Algemeen

Verder moet het gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging.

2.6. Artikelen 1B tot en met 1F Vluchtelingenverdrag

Hier is eigenlijk sprake van twee subcategorieën. Er is sprake van een militaire actie die:

2.5.1. Refugiés sur place

Een resolutie van het Europees Parlement en een verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN kunnen niet als zodanig worden beschouwd.

In een dergelijke veroordeling moet zijn opgenomen dat de militaire actie als zodanig als onrechtmatig wordt aangemerkt.

Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is geen internationale veroordeling vereist. Wel moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict om bijvoorbeeld burgerslachtoffers te voorkomen. Een dergelijke vaststelling kan worden gedaan door:

2.5. Bijzondere situaties

Deze activiteiten kunnenaanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van activiteiten die de vreemdeling in het land van herkomst heeft ontplooid.

De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt heet ‘refugié sur place’. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.

2.6.4. Artikel 1D

Ten eerste kan iemand een refugié sur place worden doordat de omstandigheden in het land van herkomst zich, tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst, zodanig wijzigen (bijvoorbeeld door een machtswisseling), dat hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

2.6.6. Artikel 1F

Ten tweede is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren. Hierbij kan gedacht worden aan:

Deze activiteiten kunnenaanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van activiteiten die de vreemdeling in het land van herkomst heeft ontplooid.

Een bij het Vluchtelingenverdrag aangesloten land heeft een eigen bevoegdheid op het gebied van de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend. De plicht van ieder aangesloten land tot samenwerking met UNHCR zoals deze is vastgelegd in artikel 35 van het Vluchtelingenverdrag doet hier niet aan af. Wanneer de UNHCR een vreemdeling al als vluchteling heeft erkend, hoeft dit oordeel dus niet te worden overgenomen.

Een bij het Vluchtelingenverdrag aangesloten land heeft een eigen bevoegdheid op het gebied van de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend. De plicht van ieder aangesloten land tot samenwerking met UNHCR zoals deze is vastgelegd in artikel 35 van het Vluchtelingenverdrag doet hier niet aan af. Wanneer de UNHCR een vreemdeling al als vluchteling heeft erkend, hoeft dit oordeel dus niet te worden overgenomen.

Als de vreemdeling al door de UNHCR als vluchteling is erkend, wordt bekeken of deze erkenning:

Vaak heeft de UNHCR geen tijd om een individueel onderzoek in te stellen en beoordeelt de UNHCR een verzoek om bescherming vooruitlopend op nader individueel onderzoek ‘prima facie’.

Verder wordt bekeken in hoeverre de beoordeling van de situatie in het land van herkomst – die tot stand is gekomen op onder meer een landgebonden positie van de UNHCR – op dezelfde wijze wordt beoordeeld en of deze nog actueel is.

Overigens zal in een zaak waarin een individuele verklaring door de UNHCR is gegeven ook altijd een individuele toets plaatsvinden, waarbij gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst sinds de verklaring worden meegewogen.

In het Vluchtelingenverdrag zijn geen aparte bepalingen opgenomen over (alleenstaande) minderjarige vreemdelingen. Indien hij vergezeld wordt door zijn ouder(s), kan hij vanwege het behoren tot het gezin een afhankelijke status krijgen in het geval de hoofdpersoon van het gezin wordt erkend en toegelaten als vluchteling. Indien het minderjarige kind een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon, heeft hij in beginsel geen recht op een afhankelijke status. Maar indien de minderjarige in dit geval zelfstandige vluchtmotieven heeft, kan hij vanwege deze zelfstandige motieven mogelijk op eigen titel een vergunning tot verblijf op grond van artikel 12a WTU-BES krijgen.

In het Vluchtelingenverdrag zijn geen aparte bepalingen opgenomen over (alleenstaande) minderjarige vreemdelingen. Indien hij vergezeld wordt door zijn ouder(s), kan hij vanwege het behoren tot het gezin een afhankelijke status krijgen in het geval de hoofdpersoon van het gezin wordt erkend en toegelaten als vluchteling. Indien het minderjarige kind een andere nationaliteit heeft dan de hoofdpersoon, heeft hij in beginsel geen recht op een afhankelijke status. Maar indien de minderjarige in dit geval zelfstandige vluchtmotieven heeft, kan hij vanwege deze zelfstandige motieven mogelijk op eigen titel een vergunning tot verblijf op grond van artikel 12a WTU-BES krijgen.

Een minderjarige vreemdeling niet wordt begeleid door zijn ouders of een voogd kan ook vanwege zelfstandige motieven in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf op grond van artikel 12a WTU-BES. Om te kunnen vaststellen of een minderjarige vreemdeling als vluchteling kan worden erkend, gelden dezelfde criteria als voor volwassen vreemdelingen. Bij de beoordeling van een aanvraag om bescherming van een minderjarige vreemdeling moet wel rekening worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de minderjarige, in relatie tot zijn (persoonlijke en culturele) achtergrond. Over het algemeen genomen geldt dat van een minderjarige niet dezelfde mate van onderbouwing en gedetailleerdheid van verklaringen kan worden verwacht als van een volwassene.

Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:

De toets aan artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt pas uitgevoerd indien is vastgesteld dat de situatie onder 1C tot en met 1F Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.

De toets aan artikel 1A Vluchtelingenverdrag wordt pas uitgevoerd indien is vastgesteld dat de situatie onder 1C tot en met 1F Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.

Op grond van artikel 1B hebben landen die bij het Vluchtelingenverdrag zijn aangesloten, de mogelijkheid om de reikwijdte van het verdrag geografisch en in tijd te beperken. Nederland en de openbare lichamen kennen een dergelijke beperking niet. Dat betekent dat personen vanuit de hele wereld als vluchteling kunnen worden beschouwd. Artikel 1B heeft op de openbare lichamen dus geen zelfstandige betekenis.

Op grond van artikel 1B hebben landen die bij het Vluchtelingenverdrag zijn aangesloten, de mogelijkheid om de reikwijdte van het verdrag geografisch en in tijd te beperken. Nederland en de openbare lichamen kennen een dergelijke beperking niet. Dat betekent dat personen vanuit de hele wereld als vluchteling kunnen worden beschouwd. Artikel 1B heeft op de openbare lichamen dus geen zelfstandige betekenis.

2.6.3. Artikel 1C

Een vreemdeling verliest op grond van artikel 1C Vluchtelingenverdrag zijn recht op erkenning als vluchteling wanneer:

Voorbeelden van e en f zijn bijvoorbeeld situaties dat er in een land een machtswisseling heeft plaatsgevonden, waardoor onderdanen van dit land en personen die in dit land hun gewone verblijfplaats hadden, weer veilig kunnen terugkeren nadat zij eerder vanwege het heersende regime waren gevlucht.

Dat is alleen anders wanneer de situatie in dat land voor een individuele vluchteling, ondanks de gewijzigde situatie, nog altijd niet veilig is.

Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen de personen die zich nog in het voormalig mandaatgebied bevinden van rechtswege, dus automatisch, onder het Vluchtelingenverdrag vallen.

3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling

2.6.5. Artikel 1E

Als een vreemdeling dezelfde rechten en plichten heeft als een geboren Nederlandse onderdaan van de openbare lichamenis het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing. De opstellers van het Verdrag hadden de vreemdelingen van Duitse herkomst voor ogen die zich na de Tweede Wereldoorlog rond 1951 vestigden in Duitsland.

Als een vreemdeling dezelfde rechten en plichten heeft als een geboren Nederlandse onderdaan van de openbare lichamenis het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing. De opstellers van het Verdrag hadden de vreemdelingen van Duitse herkomst voor ogen die zich na de Tweede Wereldoorlog rond 1951 vestigden in Duitsland.

Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES. Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.

Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES. Zij komen evenmin voor bescherming in aanmerking op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.

Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming toekomt op grond van het Vluchtelingenverdrag, wordt daarom eerst de toepasselijkheid van artikel 1F Vluchtelingenverdrag onderzocht voordat wordt bezien of de vreemdeling een verdragsvluchteling in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag is. Voor het tegenwerpen van artikel 1F is een (buitenlands) strafvonnis niet nodig, omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden. Wordt artikel 1F tegengeworpen, dan is de toets aan het Vluchtelingenverdrag afgerond.

Ingevolge artikel 1F zijn de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een individu of een land dat een gewapende aanval op burgers heeft ingezet.

Belangrijke instrumenten ter invulling van art. 1Fa zijn bijvoorbeeld:

2.7. Terugzending (refoulement)

Deze pre-dominantietest wordt toegepast bij relatieve politieke misdrijven als mishandeling (tenzij mishandeling hier moet worden beschouwd als foltering/marteling), drugshandel, roofovervallen met buitensporig geweld en brandstichting.

3.2.1. Uitzonderlijke situatie

Voorbeelden van dit soort misdrijven zijn onder meer moord, doodslag, verkrachting, foltering, genocide, slavernij, slavenhandel, hoogverraad en het verstoren van verkiezingen, vliegtuigkaping, aanslagen op internationaal beschermde personen, ontvoering, gijzeling, vrijheidsberoving en bomaanslagen en -brieven.

De doelstellingen van de VN staan opgesomd in de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. De beginselen van de VN staan opgesomd in artikel 2 van het Handvest. Artikel 1F (c) is van toepassing op gevallen van schendingen van deze doelstellingen en beginselen. Het heeft in het bijzonder betrekking op personen met een hoge openbare functie die uit hoofde van hun verantwoordelijkheden handelingen hebben bevolen of toegestaan die in strijd zijn met genoemde doelstellingen en/of beginselen, alsmede op personen die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor dergelijke handelingen, bijvoorbeeld omdat zij deel uitmaakten van de veiligheidsdiensten.

De volgende handelingen vallen in ieder geval onder artikel 1F(c):

3.1. Foltering of onmenselijke behandeling

Bezien moet worden of de vreemdeling individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het misdrijf/de misdrijven. Daarvoor dient er een ernstig vermoeden te zijn dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen ('personal participation') en weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de misdrijven ('knowing participation').

3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of iemands opzet ook gericht was op het plegen van het misdrijf overeenkomstig artikel 30 van het Statuut van Rome.

Wanneer het vermoeden bestaat dat een vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, dient voor advies hoe te handelen bij de beoordeling van de aanvraag contact te worden opgenomen met de unit 1F van de IND in Nederland.

In het geval is vastgesteld dat een vreemdeling een vluchteling is, dan mag deze vreemdeling niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement; zie artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag).

In het geval is vastgesteld dat een vreemdeling een vluchteling is, dan mag deze vreemdeling niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement; zie artikel 33, eerste lid, Vluchtelingenverdrag).

In beginsel zal terugzending van een vreemdeling aan de orde zijn als de openbare lichamen een vreemdeling van het grondgebied willen verwijderen of willen voorkomen dat de vreemdeling het grondgebied betreedt. Landen van herkomst worden geacht hun eigen onderdanen terug nemen. Terugzending van een vreemdeling zal dus in beginsel plaatsvinden naar het land waar de vreemdeling de nationaliteit van heeft. De vreemdeling heeft als gevolg van het Vluchtelingenverdrag in deze situatie het recht zich te beroepen op zijn status van vluchteling.

Als de vreemdeling zich erop beroept dat hij vluchteling is, moet voorafgaand aan de terugzending worden onderzocht of de terugzending van de vreemdeling naar het land van zijn nationaliteit een schending van het Vluchtelingenverdrag is. Er moet ook worden onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om de vluchteling van het grondgebied te verwijderen zonder dat er sprake is van schending van het Vluchtelingenverdrag. Dit kan als bescherming ergens anders kan worden verleend of als één van de andere gronden van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is (artikel 1B tot en met 1F: zie 4.2.6).

Artikel 33 , tweede lid, Vluchtelingenverdrag staat een uitzondering op het verbod van refoulement toe, namelijk wanneer de vluchteling een bedreiging vormt van de nationale veiligheid of de openbare orde.

3. Bescherming in het EVRM tegen foltering of onmenselijke behandeling

Op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU, kan een verblijfsvergunning worden verleend voor bescherming, indien de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter

Deze bepaling is ontleend aan artikel 3 EVRM. De verwijdering naar een land waar iemand een reëel risico (‘real risk’) loopt aan een dergelijke behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van dit artikel. Indien dit reële risico aannemelijk is gemaakt of geworden, is dit in beginsel aanleiding tot verlening van een verblijfsvergunning bescherming. De enkele mogelijkheid (mere possibility) van schending van artikel 3 EVRM is onvoldoende.

Vreemdelingen kunnen bescherming inroepen tegen terugkeer naar het land van herkomst als zij aannemelijk maken dat zij na de verwijdering naar dat land een reëel risico (‘real risk’) lopen te worden onderworpen aan:

In het geval van een reëel risico mag het gastland dat is aangesloten bij het EVRM de betrokken vreemdeling niet terugsturen naar zijn land van herkomst, omdat dit een schending is van artikel 3 EVRM. De openbare lichamen zijn aangesloten bij het EVRM.

3.2.1. Uitzonderlijke situatie

3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep

Indien de behandeling niet plaatsvindt door de centrale autoriteiten van een land, maar bijvoorbeeld door de lokale autoriteiten, is van belang dat de betrokkene, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b. WTU, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen.

Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM door derden wordt alleen aangenomen als de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling.

Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES, dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM is niet alleen de persoonlijke situatie van de vreemdeling van belang, maar ook de situatie in zijn land van herkomst. Met andere woorden: de individuele aspecten die de vreemdeling naar voren brengt, moeten worden afgewogen tegen de gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Hoe slechter de situatie in het land van herkomst (‘most extreme cases’) hoe minder ‘distinguishing features’ nodig zijn om een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM aan te tonen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de Mens. Er zijn vier situaties te onderscheiden.

Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES, dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. Bij de beantwoording van de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM is niet alleen de persoonlijke situatie van de vreemdeling van belang, maar ook de situatie in zijn land van herkomst. Met andere woorden: de individuele aspecten die de vreemdeling naar voren brengt, moeten worden afgewogen tegen de gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst. Hoe slechter de situatie in het land van herkomst (‘most extreme cases’) hoe minder ‘distinguishing features’ nodig zijn om een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM aan te tonen. Dit vloeit voort uit de jurisprudentie van het Europese Hof van de rechten van de Mens. Er zijn vier situaties te onderscheiden.

Wanneer er in het land van herkomst sprake is van een uitzonderlijk slechte veiligheidssituatie, kan de vreemdeling in aanmerking komen voor bescherming om de enkele reden dat hij uit dit land komt (zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07). Van een uitzonderlijke situatie als hier bedoeld zal slechts zelden sprake zijn en er zijn nog geen voorbeelden van bekend. In de jurisprudentie zal dit criterium verder uitgewerkt worden. Het zal in ieder geval moeten gaan om een situatie gaan waarin heel veel gebruik wordt gemaakt van dodelijke wapens zodat het gevaar om een dodelijk slachtoffer te worden heel erg groot is.

Wanneer er in het land van herkomst sprake is van een uitzonderlijk slechte veiligheidssituatie, kan de vreemdeling in aanmerking komen voor bescherming om de enkele reden dat hij uit dit land komt (zie de uitspraak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, EHRM 17 juli 2008, nr 25904/07). Van een uitzonderlijke situatie als hier bedoeld zal slechts zelden sprake zijn en er zijn nog geen voorbeelden van bekend. In de jurisprudentie zal dit criterium verder uitgewerkt worden. Het zal in ieder geval moeten gaan om een situatie gaan waarin heel veel gebruik wordt gemaakt van dodelijke wapens zodat het gevaar om een dodelijk slachtoffer te worden heel erg groot is.

In het geval UNHCR in een actuele positie over een land verklaart dat in dit land sprake is van een uitzonderlijke slechte veiligheidssituatie, is deze positie in beginsel leidend voor de beoordeling maar niet bindend voor het verbod op uitzetting. Dat wil zeggen dat als er naast deze informatie van UNHCR ook andersluidende objectieve informatie beschikbaar is uit andere bronnen, de uitkomst van de weging van de informatie en de bronnen kan zijn dat de situatie toch niet zodanig uitzonderlijk slecht is dat de terugkeer van betrokkene een schending van het verdrag betekent.

Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de UNHCR de situatie in een bepaald land aanmerkt als uitzonderlijk slecht, terwijl uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat de aard en de intensiteit van het geweld in het land niet dusdanig is, dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger in dat land een reëel risico op ernstige schade loopt.

3.2.2. De mensenrechten van een bevolkingsgroep worden systematisch geschonden

3.2.3. Kwetsbare minderheidsgroep

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)