Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang:

Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang:

In het landgebonden beleid dat in Nederland onder de Vreemdelingenwet is uitgewerkt, zijn verschillende groepen aangewezen als kwetsbare minderheidsgroepen. Deze aangewezen groepen gelden ook op de openbare lichamen als kwetsbare minderheidsgroepen. Indien in Nederland wijzigingen in deze aanwijzing worden doorgevoerd, gelden ze ook op de openbare lichamen. Voor de meest actuele informatie over kwetsbare minderheidsgroepen kan contact worden opgenomen met de IND in het Europese deel van Nederland.

Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat een schending van artikel 3 EVRM dreigt, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU-BES.

3.3. Het verbod op uitzetting heeft een absoluut karakter

In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Dit kan echter anders zijn, als er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden.

Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf al uit het land was vertrokken. Het oordeel, dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 12 WTU kan dus ook gevormd worden op basis van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na vertrek van de vreemdeling.

Zie uitspraak Salah Sheekh (nr. 1948/04), tegen Nederland

3.2.4. Individuele indicaties in de persoonlijke omstandigheden

Als geen sprake is van een situatie als genoemd in de paragrafen 3.2.1, 3.2.2, of 3.2.3 dient de vreemdeling, om toch in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning bescherming voor bepaalde tijd op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, WTU, aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde behandeling. De bewijslast is hoog. De vreemdeling dient specifieke individuele kenmerken (‘special distinguishing features’) naar voren te brengen, waaruit dit persoonlijk risico op een behandeling in de zin van artikel 3 EVRM valt af te leiden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij vanwege het feit dat hij overspel heeft gepleegd bij terugkeer in zijn land van herkomst een reëel risico loopt te worden bestraft met zweepslagen. Zie de uitspraken inzake Vilvarajah en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, uitspraaknummers 13163/87, 13164/87, 13165/87, 13447/87, 13448/87.

Artikel 3 EVRM heeft een absoluut karakter, dat wil zeggen dat het geen uitzonderingen toelaat op het bereik ervan. Anders dan het Vluchtelingenverdrag (artikel 33, tweede lid), kent het EVRM geen uitzondering op de plicht van non-refoulement wanneer de vreemdeling een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde.

Artikel 3 EVRM heeft een absoluut karakter, dat wil zeggen dat het geen uitzonderingen toelaat op het bereik ervan. Anders dan het Vluchtelingenverdrag (artikel 33, tweede lid), kent het EVRM geen uitzondering op de plicht van non-refoulement wanneer de vreemdeling een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde.

Dit betekent dat wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat hem een reëel risico op executie of de doodstraf wacht of een andere onmenselijke behandeling in zijn land op grond van het feit dat hij daar een commuun delict heeft gepleegd, het EVRM de terugkeer naar het land van herkomst verbiedt.

4. De beoordeling van aanvragen om bescherming

Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling rechtstreeks naar de openbare lichamen is gekomen kan de al in het vervolgingsland bestaande bedoeling van de vreemdeling om juist op de openbare lichamen bescherming te verkrijgen een rol spelen. Dit is alleen het geval als het bestaan van deze bedoeling uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt.

Bij de beoordeling van de aanvraag om bescherming wordt eerst bekeken of de aanvraag zonder specifieke statusbepaling kan worden afgehandeld:

Bij de beoordeling van de aanvraag om bescherming wordt eerst bekeken of de aanvraag zonder specifieke statusbepaling kan worden afgehandeld:

Een verzoek om bescherming kan worden afgewezen zonder statusbepaling als:

4.2. Toetsingsvolgorde

4.2.1. Algemeen

Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling rechtstreeks naar de openbare lichamen is gekomen kan de al in het vervolgingsland bestaande bedoeling van de vreemdeling om juist op de openbare lichamen bescherming te verkrijgen een rol spelen. Dit is alleen het geval als het bestaan van deze bedoeling uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt.

Het kan ook zijn dat er sprake is van een derde land waar de toelating en het verblijf gewaarborgd is. Het is niet noodzakelijk dat de vreemdeling in een derde land eerder verbleven heeft, maar er moet wel op grond van objectieve feiten en omstandigheden worden beoordeeld of betrokkene tot het land zal worden toegelaten.

Voorts moet er sprake zijn van enige omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat betrokkene beschermd is tegen refoulement.

Indien de toelating in een eerder ontvangend of derde land een tijdelijk of voorlopig karakter kent hoeft dit geen aanwijzing te zijn dat de betrokkene aangewezen is op bescherming op de openbare lichamen, aangezien een verblijfstitel verband houdend met bescherming op de openbare lichamen eveneens een tijdelijke karakter kent.

4.2. Toetsingsvolgorde

Wanneer een aanvraag om bescherming niet zonder statusbepaling kan worden afgewezen, dient eerst te worden beoordeeld of de vreemdeling een verdragsvluchteling is en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES

Wanneer een aanvraag om bescherming niet zonder statusbepaling kan worden afgewezen, dient eerst te worden beoordeeld of de vreemdeling een verdragsvluchteling is en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES

Als de vreemdeling hier niet voor in aanmerking komt, dient te worden beoordeeld of de vreemdeling bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM staat te wachten en in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid, onder b, WTU-BES.

Daartoe wordt allereerst beoordeeld of het relaas geloofwaardig is, zie 4.3.

4.2.2. Toetsingsvolgorde bij toetsing aan het Vluchtelingenverdrag

De toetsing aan het Vluchtelingenverdrag vindt plaats in de volgende volgorde:

De toetsing aan het Vluchtelingenverdrag vindt plaats in de volgende volgorde:

Bij de beoordeling of betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag speelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling een grote rol (zie 4.4.3).

Wanneer wordt geconstateerd dat betrokkene een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan kan hij in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf voor bescherming als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, WTU-BES. De aanvraag dient echter eerst nog getoetst te worden aan de vraag of betrokkene een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en openbare orde.

Binnen het uitgangspunt dat er steeds sprake is van een individuele beoordeling, valt de toets in vier achtereenvolgende stappen uiteen. Om praktische redenen geldt de volgende volgorde:

Binnen het uitgangspunt dat er steeds sprake is van een individuele beoordeling, valt de toets in vier achtereenvolgende stappen uiteen. Om praktische redenen geldt de volgende volgorde:

Het gaat steeds om de beoordeling van de situatie zoals die is in het land van herkomst op het moment dat het vertrek van de vreemdeling naar het land van herkomst aan de orde is. Dat geldt dus:

5. De procedure van verzoeken om bescherming

4.3. Bewijslast en geloofwaardigheid

De vreemdeling hoeft niet expliciet te bewijzen maar moet aannemelijk maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Hij moet alle relevante gegevens aanreiken. Zijn verklaringen moeten:

De vreemdeling hoeft niet expliciet te bewijzen maar moet aannemelijk maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Hij moet alle relevante gegevens aanreiken. Zijn verklaringen moeten:

Wanneer de verklaringen van de vreemdeling niet consistent of geloofwaardig zijn en/of niet passen in wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst, heeft de vreemdeling onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij voor bescherming in aanmerking komt en dient de aanvraag om bescherming te worden afgewezen.

Als de vreemdeling niet over zodanig bewijs beschikt, moet hij een verklaring hebben voor het ontbreken ervan. Slaagt hij hierin, dan kan nader onderzoek worden ingesteld en/of hem het voordeel van de twijfel worden toegekend.

4.4. Openbare orde en nationale veiligheid

Zodra de ambtenaar belast met de grensbewaking duidelijk is dat de vreemdeling bescherming wil aanvragen, moet hij eerst beoordelen of de vreemdeling in dit kader toegang krijgt om zich in persoon op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland te melden. Als de ambtenaar overweegt de toegang te weigeren, moet hij hiervoor een bijzondere aanwijzing vragen aan de IND unit Caribisch Nederland. Weigering van de toegang kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het geval er sprake is van een claimmogelijkheid op een vervoerder of in het geval er aanleiding is voor het vermoeden dat de vreemdeling zich aan het toezicht gaat onttrekken.

4.4.1. Algemeen

Aanvragen om bescherming kunnen worden afgewezen indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Op verschillende manieren kan duidelijk worden dat de vreemdeling een misdrijf heeft gepleegd:

Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard.

Onder gevaar voor de gemeenschap of de nationale veiligheid wordt ook verstaan de situatie waarin het verlenen van een verblijfsvergunning zou betekenen dat de openbare lichamen zouden worden tot een gastland van mensen die elders de publieke rechtsorde ernstig schokten door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren.

Als de vreemdeling een verdragsvluchteling is, mag de betrokkene een verblijfsvergunning geweigerd worden en mag de vreemdeling uitgezet worden op grond van artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag als:

Als de vreemdeling een verdragsvluchteling is, mag de betrokkene een verblijfsvergunning geweigerd worden en mag de vreemdeling uitgezet worden op grond van artikel 33, tweede lid, van het Vluchtelingenverdrag als:

Een gevaar voor de nationale veiligheid is een afwijzingsgrond ontleend aan het algemeen belang. Dit is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling en wordt per geval beoordeeld. Er dienen concrete aanwijzingen te zijn, bijvoorbeeld een ambtsbericht van een (inter-)nationaal ministerie of inlichtingendienst.

Er is sprake van een bijzonder ernstig misdrijf als:

Voor het weigeren van de vergunning is tevens vereist dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap van de openbare lichamen. Dit wordt ex nunc (op het moment van de beslissing) beoordeeld. Het feit dat sinds de veroordeling een aanzienlijke tijd is verstreken zonder dat recidive heeft plaatsgevonden, kan een aanwijzing vormen dat de vreemdeling geen gevaar meer oplevert. In geval van een bijzonder misdrijf wordt een verjaringstermijn van tien jaren gehanteerd.

Indien de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugkeer naar het land van herkomst omdat er een reëel risico is op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, betekent dit niet automatisch dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot tijdelijk verblijf. In de onderstaande situaties wordt de betrokkene niet teruggezonden, maar wordt de gevraagde vergunning niet verleend.

Indien de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugkeer naar het land van herkomst omdat er een reëel risico is op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, betekent dit niet automatisch dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning tot tijdelijk verblijf. In de onderstaande situaties wordt de betrokkene niet teruggezonden, maar wordt de gevraagde vergunning niet verleend.

5. De procedure van verzoeken om bescherming

Deze weigeringsgrond komt overeen met de in artikel 1F Vluchtelingenverdrag onder a. genoemde misdrijven

Er is sprake van een ernstig misdrijf als:

Deze afwijzingsgrond komt overeen met de handelingen, bedoeld in artikel 1F, onder c, Vluchtelingenverdrag.

5.5. Aanmelding en meldplicht

Of hiervan sprake is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval beoordeeld. Voor verdere informatie kan de medewerker van de IND unit Caribisch Nederland contact opnemen met de unit 1F van de IND in het Europese deel van Nederland.

Onder vreemdelingen die bescherming verzoeken wordt in dit verband ook begrepen vreemdelingen wier verzoek om bescherming is afgewezen of die hun verzoek om bescherming hebben ingetrokken. In deze gevallen is het plaatsen van aantekeningen echter wel mogelijk als de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn verzoek om bescherming én

Een aanvraag om bescherming kan alleen worden ingediend bij de IND unit Caribisch Nederland. Voorafgaand aan de indiening van de aanvraag dient de vreemdeling contact op te nemen met een ambtenaar belast met de grensbewaking en/of het toezicht.

5.3. Handelingen in het kader van het toezicht

Steeds dienen de ambtenaren belast met de grensbewaking en het toezicht in contacten met vreemdelingen die niet over de juiste documenten beschikken en daarom in beginsel geen recht op toegang of toelating hebben, zorgvuldig te beoordelen of een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen, ook al verzoekt de vreemdeling niet met zoveel woorden om bescherming.

Zodra de ambtenaar belast met de grensbewaking duidelijk is dat de vreemdeling bescherming wil aanvragen, moet hij eerst beoordelen of de vreemdeling in dit kader toegang krijgt om zich in persoon op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland te melden. Als de ambtenaar overweegt de toegang te weigeren, moet hij hiervoor een bijzondere aanwijzing vragen aan de IND unit Caribisch Nederland. Weigering van de toegang kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het geval er sprake is van een claimmogelijkheid op een vervoerder of in het geval er aanleiding is voor het vermoeden dat de vreemdeling zich aan het toezicht gaat onttrekken.

De ambtenaar belast met het toezicht dan wel de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt tevens in overleg met de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten of dat hij op afspraak bij de IND unit Caribisch Nederland kan verschijnen voor de indiening van de aanvraag.

5.2. Situatie in bewaring

In het geval de vreemdeling de procedure in bewaring moet afwachten wordt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld dat de vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen. De vreemdeling wordt op de locatie waar de bewaring ten uitvoer wordt gelegd in de gelegenheid gesteld een aanvraagformulier te ondertekenen. Hij wordt omtrent de aanvraag in bewaring gehoord door de IND unit Caribisch Nederland. De rechtsbijstandverlener die de vreemdeling bijstaat in het kader van de inbewaringstelling, wordt vooraf door de IND unit Caribisch Nederland geïnformeerd over de datum waarop het gehoor plaatsvindt.

Wanneer een vreemdeling een aanvraag om bescherming wil indienen en er geen aanleiding bestaat om de vreemdeling in bewaring te stellen, dient de ambtenaar belast met grensbewaking (die tevens bevoegd is om handelingen in het kader van toezicht uit te voeren) of de ambtenaar belast met toezicht handelingen uit te voeren ter voorbereiding van de indiening en behandeling van de aanvraag om bescherming.

5.7. Melding op afspraak en het indienen van de aanvraag bij de IND unit Caribisch Nederland

Voor zover een goede communicatie dit vergt moet voor dit eerste contact een betrouwbare tolk worden ingeschakeld. De tolk kan in persoon of op afstand worden ingezet via telefoon of videoconference.

In het kader van toezicht en de voorbereiding op de indiening en behandeling van de aanvraag wordt de identiteit van de vreemdeling vastgesteld. De vreemdeling en diens kleding en bagage worden onderzocht op de aanwezigheid van reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In het geval de vreemdeling vergezeld wordt door gezinsleden, geldt voor hen hetzelfde. De gegevens van de vreemdeling(en) worden geregistreerd, voorzover hun gegevens nog niet in de vreemdelingenadministratie voorkomen.

In het geval de hoofdpersoon vergezeld wordt door gezinsleden die ouder zijn dan twaalf jaar, vraagt de toezichthouder de gezinsleden of zij bescherming willen omdat de hoofdpersoon problemen heeft met terugkeer of dat zij vanwege hun eigen identiteit en/of activiteiten problemen hebben met terugkeer. De IND unit Caribisch Nederland legt uit dat het verschil relevant is omdat in het geval zij zelf problemen vrezen, zij zelf een aanvraag om bescherming kunnen indienen en zij zelf gehoord worden. In het geval zij zelf niet gehoord willen worden, kunnen zij om gezinshereniging vragen en in aanmerking komen voor een afgeleide vergunning tot verblijf (zie onder 6.)

De toezichthouder of, indien nodig de IND unit Caribisch Nederland stelt de vreemdeling(en) bij het eerste contact in de gelegenheid de motieven voor de aanvraag om bescherming op schrift te stellen.

Op basis van de verzamelde gegevens gaat de ambtenaar na of betrokkene(n) in de beschikbare (opsporings)registers voorkomt/voorkomen.

Vervolgens wordt telefonisch een afspraak gemaakt voor de vreemdeling(en) voor een gesprek met de IND unit Caribisch Nederland op het openbare lichaam waar hij verblijft.

De volgende gegevens van de vreemdeling worden bij dit telefoongesprek telefonisch aan de IND unit Caribisch Nederland verstrekt:

5.6. Voorbereidende handelingen van de IND unit Caribisch Nederland

Per fax of op andere geschikte wijze worden aanvullend op het gesprek kopieën van documenten en de schriftelijke verklaring met de asielmotieven doorgegeven aan de IND unit Caribisch Nederland.

Er worden zo min mogelijk originele documenten van de vreemdeling ingenomen. Als originele documenten worden ingenomen, krijgt de vreemdeling een bewijs van ontvangst en een afschrift van de stukken. Als er twijfel bestaat of terugkeer mogelijk is enkel op basis van kopieën van de reisdocumenten, kunnen de reisdocumenten worden ingenomen totdat de terugkeer feitelijk wordt geëffectueerd of op het moment dat terugkeer niet aan de orde is omdat de gevraagde vergunning wordt afgegeven of omdat beslist is dat er weliswaar geen vergunning behoeft te worden afgegeven, bijvoorbeeld vanwege artikel 1F maar dat een gedwongen uitzetting naar het land van herkomst een schending van artikel 3 EVRM betekent en niet wordt overwogen.

Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van iemand die om bescherming verzoekt nooit aantekeningen mogen worden geplaatst, daar dit – bij afwijzing van het verzoek – voor de vreemdeling moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich mee kan brengen.

Met nadruk wordt erop gewezen dat in de identiteits- en/of reisdocumenten van iemand die om bescherming verzoekt nooit aantekeningen mogen worden geplaatst, daar dit – bij afwijzing van het verzoek – voor de vreemdeling moeilijkheden in zijn land van herkomst met zich mee kan brengen.

5.6. Voorbereidende handelingen van de IND unit Caribisch Nederland

Onder vreemdelingen die bescherming verzoeken wordt in dit verband ook begrepen vreemdelingen wier verzoek om bescherming is afgewezen of die hun verzoek om bescherming hebben ingetrokken. In deze gevallen is het plaatsen van aantekeningen echter wel mogelijk als de vreemdeling niet langer enige procedure voert over zijn verzoek om bescherming én

De vreemdeling meldt zich bij de toezichthouder aan als hij bescherming wil vragen. De vreemdeling krijgt bij de aanmelding een periodieke meldplicht opgelegd. Hangende de beslissing op zijn aanvraag geldt in beginsel een wekelijkse aanmeldplicht. De ambtenaar maakt in het kader van toezicht een aantekening op een inlegformulier bij het reisdocument van de vreemdeling waaruit blijkt wanneer en waar de betrokkene zich moet melden en of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten.

5.10. De strekking van de beslissing

In het geval de vreemdeling is vergezeld door gezinsleden gelden de aanwijzingen ook voor hen.

De ambtenaar belast met het toezicht wijst de vreemdeling erop dat de aanvraag kan worden afgewezen wegens het ontbreken van een belang indien de vreemdeling zonder opgaaf van reden niet verschijnt. De vreemdeling wordt er tevens op gewezen eventuele wijzigingen omtrent zijn bereikbaarheid direct door te geven.

5.6. Voorbereidende handelingen van de IND unit Caribisch Nederland

De IND unit Caribisch Nederland verwerkt de gegevens die ten aanzien van de vreemdeling die om bescherming wil verzoeken beschikbaar zijn gesteld en stelt een dossier samen. Voordat de afspraak voor indiening van de aanvraag en een gehoor met de vreemdeling gemaakt wordt, regelt de IND unit Caribisch Nederland zo nodig dat een tolk op het afgesproken tijdstip beschikbaar is.

5.10.3. Afwijzende beslissing met de beslissing dat de vreemdeling mag worden uitgezet

In het geval het om een gezin gaat, bereidt de IND unit Caribisch Nederland ook vragen voor die aan de gezinsleden gesteld worden en bepaalt de IND unit Caribisch Nederland de volgorde waarin gehoord gaat worden. De IND unit Caribisch Nederland gaat na of er nog aanvullende handelingen verricht moeten worden. Hierbij valt te denken aan het eventueel collegiaal raadplegen van de IND in Nederland vooraf, tijdens of na het gehoor met het oog op dossieronderzoek of voor nader overleg. Een planning vooraf van de duur van het gehoor en over de mogelijkheid gezinsleden separaat van elkaar te horen kunnen nuttig zijn.

Zodra de vreemdeling zich meldt bij de IND unit Caribisch Nederland stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling(en) in de gelegenheid om de aanvraagformulieren en de antecedentenverklaring te ondertekenen. De aanvraag kan door de hoofdpersoon worden ondertekend mede namens de minderjarige kinderen in het geval zij hebben aangegeven dat zij niet zelfstandig hoeven te worden gehoord omdat zij geen zelfstandige motieven hebben.

Zodra de vreemdeling zich meldt bij de IND unit Caribisch Nederland stelt de IND unit Caribisch Nederland de vreemdeling(en) in de gelegenheid om de aanvraagformulieren en de antecedentenverklaring te ondertekenen. De aanvraag kan door de hoofdpersoon worden ondertekend mede namens de minderjarige kinderen in het geval zij hebben aangegeven dat zij niet zelfstandig hoeven te worden gehoord omdat zij geen zelfstandige motieven hebben.

5.8. Het horen van de vreemdeling en de beslissing

Nadat de IND-unit Caribisch Nederland de door de vreemdeling ondertekende aanvraagformulieren heeft gevoegd in het dossier, wordt de vreemdeling al dan niet met tussenkomst van een tolk en al dan niet in het bijzijn van een (rechts)hulpverlener gehoord over de motieven om beschermd te worden tegen terugkeer. Tevens vraagt de IND-unit Caribisch Nederland naar de gezinssamenstelling en naar de persoonsgegevens van eventuele achtergebleven gezinsleden die mogelijk later nog gezinshereniging willen vragen. Ook wordt gevraagd naar het eventuele verblijf in derde landen voorafgaand aan de komst naar de openbare lichamen.

Nadat de IND-unit Caribisch Nederland de door de vreemdeling ondertekende aanvraagformulieren heeft gevoegd in het dossier, wordt de vreemdeling al dan niet met tussenkomst van een tolk en al dan niet in het bijzijn van een (rechts)hulpverlener gehoord over de motieven om beschermd te worden tegen terugkeer. Tevens vraagt de IND-unit Caribisch Nederland naar de gezinssamenstelling en naar de persoonsgegevens van eventuele achtergebleven gezinsleden die mogelijk later nog gezinshereniging willen vragen. Ook wordt gevraagd naar het eventuele verblijf in derde landen voorafgaand aan de komst naar de openbare lichamen.

De IND-unit Caribisch Nederland stelt tijdens het gehoor een verslag van het gehoor op.

Na afloop van het gehoor ontvangt de vreemdeling een exemplaar van het afgedrukte concept-verslag van het gehoor.

De IND-unit Caribisch Nederland neemt ter plaatse het concept-verslag met hem door, zo nodig door tussenkomst van de tolk, en de vreemdeling krijgt de gelegenheid ter plaatse correcties aan te brengen.

5.10.1. Inwilligende beslissing

De IND-unit Caribisch Nederland gaat vervolgens na of alle gegevens aanwezig zijn om te beslissen op de aanvraag of dat er eerst andere handelingen moeten worden verricht, zoals het uitvoeren van een onderzoek naar de reisroute of naar een eventueel strafregister van de vreemdeling. Zoveel mogelijk wordt direct gehandeld. Dat betekent dat hetzij het wordt onderzoek gestart hetzij direct de beslissing wordt genomen.

Indien de beslissing niet direct wordt genomen, stelt de IND-unit Caribisch Nederland de vreemdeling op de hoogte van de vermoedelijke datum waarop de beslissing genomen zal worden. De IND-unit Caribisch Nederland informeert de vreemdeling tevens of hij, in het geval de wachtperiode dit rechtvaardigt, naar tijdelijk werk kan gaan zoeken. De vreemdeling wordt erop gewezen dat hij een werkgever moet zoeken die bereid is voor hem een tewerkstellingsvergunning aan te vragen. Als hij een werkgever heeft gevonden, dient hij de IND-unit Caribisch Nederland op de hoogte te stellen zodat de IND-unit Caribisch Nederland ten behoeve van de tewerkstellingsvergunning kan aangeven tot wanneer hij in verband met de lopende toelatingsprocedure in de openbare lichamen mag blijven.

Het is mogelijk dat zich tijdens de procedure feiten of omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor de inhoud van de te nemen beslissing.

Het is mogelijk dat zich tijdens de procedure feiten of omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor de inhoud van de te nemen beslissing.

Hierbij moet gedacht worden aan:

Van dergelijke feiten of omstandigheden moet de IND unit Caribisch Nederland onmiddellijk in kennis worden stellen in verband met de consequenties voor de beschikking Het kan ook voorkomen dat de IND unit Caribisch Nederland in verband met de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag nog nadere informatie behoeft. In voorkomende gevallen zal de politie gevraagd worden deze informatie te verzamelen.

5.10. De strekking van de beslissing

De beslissing op de aanvraag kan inwilligend of afwijzend zijn.

De beslissing op de aanvraag kan inwilligend of afwijzend zijn.

5.10.1. Inwilligende beslissing

In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugzending wordt dit in beschikking aan de vreemdeling vastgelegd. Tevens wordt hierin aangetekend:

In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling beschermd moet worden tegen terugzending wordt dit in beschikking aan de vreemdeling vastgelegd. Tevens wordt hierin aangetekend:

De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de uitreiking van de beslissing.

5.10.2. Ingangsdatum

Indien de aanvraag wordt ingewilligd geldt de datum van de indiening van de aanvraag in beginsel als ingangsdatum voor de te verlenen vergunning. Indien de inwilliging berust op feiten en/of omstandigheden die zich na het indienen van de aanvraag hebben voorgedaan, wordt de aanvraag ingewilligd met ingang van de dag dat door de vreemdeling is aangetoond dat aan de voorwaarden voor bescherming wordt voldaan.

In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling niet tegen terugkeer beschermd hoeft te worden, maakt de IND unit Caribisch Nederland een gemotiveerde afwijzende beschikking op de aanvraag. Tevens beslist de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling van het grondgebied verwijderd mag worden. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. Daarbij wordt vermeld dat het aanwenden van rechtsmiddelen het besluit niet schorst. Wel mag de vreemdeling een tijdig aanhangig gemaakte voorlopige voorziening afwachten (zie hoofdstuk 19).

In het geval de beslissing inhoudt dat de vreemdeling niet tegen terugkeer beschermd hoeft te worden, maakt de IND unit Caribisch Nederland een gemotiveerde afwijzende beschikking op de aanvraag. Tevens beslist de IND unit Caribisch Nederland of de vreemdeling van het grondgebied verwijderd mag worden. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. Daarbij wordt vermeld dat het aanwenden van rechtsmiddelen het besluit niet schorst. Wel mag de vreemdeling een tijdig aanhangig gemaakte voorlopige voorziening afwachten (zie hoofdstuk 19).

De vreemdeling wordt verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen in het geval hij een rechtsmiddel heeft ingesteld.

5.10.4. Bijzondere situatie: de vreemdeling krijgt geen verblijfsvergunning maar mag niet worden uitgezet

In bijzondere gevallen kan de beslissing op de aanvraag inhouden dat de betrokkene vanwege het belang van de openbare orde en/of vanwege artikel 1F uitgesloten wordt van verblijf, maar niet mag worden uitgezet naar het land van herkomst. Aangehecht aan de negatieve beschikking wordt gewezen op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het meervoudig besluit. In het geval rechtsmiddelen worden ingesteld wordt de vreemdeling verzocht de IND unit Caribisch Nederland en de politie hiervan in kennis te stellen.

6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden

In tegenstelling tot de gebruikelijke werkwijze (zie tekst hieronder), wordt de beschikking in dit geval in drievoud per brief aan de politie aangeboden met het verzoek om:

Het derde exemplaar is bestemd voor de administratie van de politie.

In dit geval wordt de vreemdeling verzocht na te gaan of er een derde land bereid is hem toe te laten. De periodieke meldplicht blijft gelden zolang er nog gebruik kan worden gemaakt of is gemaakt van de mogelijkheid om rechtsmiddelen in te stellen.

De IND unit Caribisch Nederland registreert de uitkomst van de beslissing en de datum van de verzending van de beslissing.

De beschikking wordt in beginsel door de IND-unit Caribisch Nederland in persoon uitgereikt.

De beschikking wordt in beginsel door de IND-unit Caribisch Nederland in persoon uitgereikt.

5.12. Vertrek van de vreemdeling

Aan de vreemdeling wordt verzocht om de IND-unit Caribisch Nederland en de politie in kennis te stellen van eventuele rechtsmiddelen die hij instelt.

Een afschrift van de beschikking wordt per brief aan de politie aangeboden. Tevens wordt de politie verzocht de periodieke meldplicht te beëindigen, tenzij de vreemdeling inmiddels naar aanleiding van een afwijzende beschikking een rechtsmiddel heeft ingesteld dat het aangezegde vertrek opschort.

Er kan zo nodig aansluitend aan de uitreiking van de beschikking worden overgegaan tot inbewaringstelling, voorzover is voldaan aan de voorwaarden voor inbewaringstelling. In dit geval dient de vreemdeling onmiddellijk vertrek aangezegd te worden en direct na het uitreiken van de beschikking in de gelegenheid te worden gesteld een advocaat te raadplegen.

Als het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken en zijn adres onbekend is, maakt de IND-unit Caribisch Nederland een proces-verbaal op. Daarin wordt opgenomen dat het niet mogelijk is om de afwijzende beschikking aan de vreemdeling in persoon uit te reiken, terwijl vast staat dat hij niet verblijft op het laatst bekende adres. De IND-unit Caribisch Nederland dient de beschikking op een andere geschikte wijze bekend te maken. In het geval de vreemdeling een gemachtigde heeft, kan de beschikking naar de gemachtigde worden gezonden.

Wanneer de aanvraag om bescherming is afgewezen, wordt op de aan de vreemdeling uit te reiken beschikking aangetekend:

5.12. Vertrek van de vreemdeling

De politie of ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de IND unit Caribisch Nederland zo spoedig mogelijk in kennis over het vertrek van de vreemdeling aan wie bescherming geweigerd is.

Als de vreemdeling niet in bewaring is gesteld en de vreemdeling de openbare lichamen niet uit eigen beweging heeft verlaten binnen de vertrektermijn dan moet tot uitzetting worden overgegaan.

5.13. Rechtsmiddelen na afwijzing van de aanvraag

9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen

Wanneer de vreemdeling de rechtbank verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen gericht tegen de uitzetting hangende het beroep, mag de vreemdeling deze eerste spoedprocedure in beginsel in de openbare lichamen afwachten.

Als de vreemdeling minvermogend is kan hij voor de indiening van een beroep een rechtsbijstandverlener via een toevoeging vragen.

Wanneer de aanvraag om beschikking wordt ingewilligd, wordt de vreemdeling op de hoogte gesteld van de wijze waarop hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsdocument voor verblijf. Verder wordt hij gewezen op het belang dat hij tijdig vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het document om verlenging vraagt.

6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden

Voorts wordt hem verzocht binnen drie maanden een TBC-onderzoek te ondergaan. De IND hoeft niet op de hoogte gesteld te worden van de uitkomsten van dit onderzoek omdat het wel of niet ondergaan van dit onderzoek geen consequenties heeft voor het verblijfsrecht verband houdend met bescherming.

Het verblijfsdocument voor bepaalde tijd verband houdend met bescherming wordt verleend voor de duur van een jaar. Op het document komt de aantekening ‘Arbeid is vrij toegestaan’.

5.15. Doormigratie

Bescherming op de openbare lichamen wordt tijdelijk verleend. De vreemdeling wordt aangemoedigd door de IND unit Caribisch Nederland om door te migreren naar een ander land in de regio waar zijn toelating en bescherming gewaarborgd is en zijn kansen op de arbeidsmarkt wellicht beter zijn.

6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden

6. Afgeleide status voor gezinsleden en nareizende gezinsleden

Als aan de hoofdpersoon van een gezin een verblijfsvergunning is verleend verband houdend met bescherming op grond van artikel 12a, eerste lid en onder a of b, WTU-BES, kan een van hem afhankelijk gezinslid in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning. Er zijn daarbij twee situaties te onderscheiden:

Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:

1. Inleiding

9. Verblijfsbeëindiging

Wanneer de gezinsleden zijn ingereisd met een mvv, dienen zij zich te melden bij de IND unit Caribisch Nederland voor het indienen van een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf om redenen verband houdend met bescherming. Hiernaar wordt verwezen in de brieven bij de afgifte van de mvv. Ook gezinsleden die zijn ingereisd zonder een mvv, dienen zich voor het indienen van deze aanvraag te vervoegen bij de IND unit Caribisch Nederland.

7. Herhaalde aanvraag

Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan is de vreemdeling gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2.3. Vertrektermijnen

2.2. Vertrek naar een ander land dan het land van herkomst

De IND unit Caribisch Nederland maakt zo spoedig mogelijk een beslissing op de aanvraag en stelt, indien mogelijk, de vreemdeling hiervan schriftelijk in kennis. De politie wordt eveneens geïnformeerd.

9.1. Verblijfsbeëindiging omdat de grond voor bescherming is vervallen

In het geval wel sprake is van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden is er geen sprake van een herhaalde maar van een opvolgende aanvraag en wordt gehandeld als bij een eerste aanvraag.

8. Verlenging van de verblijfstitel

Zodra de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend om verlenging van het verblijf verband houdend met bescherming, beoordeelt de IND unit Caribisch Nederland of de gronden voor bescherming nog steeds van toepassing zijn.

Zolang de noodzaak tot bescherming blijft bestaan en er geen contra-indicaties bekend zijn die tot verblijfsbeëindiging aanleiding geven, kan het verblijfsdocument worden verlengd met een jaar. De vreemdeling kan in dat geval worden vrijgesteld van het vereiste om in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.

9. Verblijfsbeëindiging

Indien bij de jaarlijkse verlenging blijkt dat de grond voor bescherming is vervallen, kan de gevraagde verlenging van de bescherming worden geweigerd. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de situatie in het land van herkomst ingrijpend is gewijzigd of als de vreemdeling vrijwillig zich weer onder de bescherming van de autoriteiten van het land van herkomst heeft begeven.

9.3. Verblijfsbeëindiging in verband met een strafbaar feit

Ook hangende de geldigheid van de vergunning tot verblijf kan verblijfsbeëindiging worden ingezet. In dit geval wordt een intrekkingsprocedure gestart.

9.2. Verblijfsbeëindiging in verband met onjuiste gegevens

Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.

Wanneer na afgifte van de vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming blijkt dat de vergunning is verleend op onjuiste gegevens die door de vreemdeling zijn verstrekt, kan de vergunning worden ingetrokken en het rechtmatig verblijf van de vreemdeling worden beëindigd. Hetzelfde geldt als de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden. De intrekking dient te berusten op het uitgangspunt dat de vergunning nimmer zou zijn verstrekt als op het moment van de verlening de feiten bekend waren geweest zoals ze nu bekend zijn geworden.

9.3. Verblijfsbeëindiging in verband met een strafbaar feit

9.3. Verblijfsbeëindiging in verband met een strafbaar feit

Als blijkt dat de houder van een vergunning tot tijdelijk verblijf verband houdend met bescherming een strafbaar feit heeft gepleegd op de openbare lichamen, stelt de politie de IND unit Caribisch Nederland hiervan zo snel mogelijk in kennis. De IND unit Caribisch Nederland toetst aan het beleidskader voor de openbare orde en beoordeelt of er aanleiding bestaat het toegestane verblijf te beëindigen.

Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in artikel 16, tweede lid, WTU-BES. De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.

In hoofdstuk 9 WTU-BES zijn regels opgenomen over het vertrek, de uitzetting en de ongewenstverklaring van de vreemdeling. Uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft, deze uit eigen beweging verlaat. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit de openbare lichamen. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in artikel 16 en 16a WTU-BES.

In hoofdstuk 9 WTU-BES zijn regels opgenomen over het vertrek, de uitzetting en de ongewenstverklaring van de vreemdeling. Uitgangspunt is dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft, deze uit eigen beweging verlaat. De vreemdeling is daarbij zelf verantwoordelijk voor het vertrek uit de openbare lichamen. Deze eigen verantwoordelijkheid is neergelegd in artikel 16 en 16a WTU-BES.

De termijn waarbinnen deze vreemdelingen de openbare lichamen moeten verlaten varieert en is geregeld in artikel 16a WTU-BES.

Uitzetting vindt plaats:

2.1. Het vorderen van medewerking aan de voorbereiding van vertrek

Van de vreemdeling kan worden geëist dat hij meewerkt aan de voorbereiding van zijn vertrek uit de openbare lichamen. Deze eis kan ook gesteld worden als een aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken, terwijl de werking van het besluit is opgeschort. Dit is neergelegd in artikel 16, tweede lid, WTU-BES. De ambtenaar belast met het toezicht zal aan de vreemdeling duidelijk maken wat er wordt verlangd. In de vreemdelingenadministratie wordt dit geregistreerd.

Vreemdelingen die de openbare lichamen moeten verlaten, zijn vrij te gaan naar ieder land waar de toegang is gewaarborgd. Toegang tot een ander land dan het land van herkomst moet de vreemdeling zelf aannemelijk maken. Als de vreemdeling niet is vertrokken in de vertrektermijn en de overheid de uitzetting van de vreemdeling op zich heeft genomen, wordt de uitzetting niet opgeschort wanneer de vreemdeling aangeeft naar een ander land te willen vertrekken.

2.3. Vertrektermijnen

Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in artikel 16a, vierde lid, WTU-BES de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.

2.3.1. De algemene termijn van vier weken

De vreemdeling van wie het rechtmatig verblijf is geëindigd, moet de openbare lichamen op eigen gelegenheid binnen vier weken (vertrektermijn) verlaten. Dit is op grond van artikel 16a, eerste lid, WTU-BES. De vertrektermijn van vier weken gaat in nadat het rechtmatig verblijf is geëindigd. Voldoet de vreemdeling niet aan deze verplichting, dan kan uitzetting aan de orde zijn.

2.3.2. In mindering brengen van beroepstermijn op de vertrektermijn

Als de vreemdeling geen gebruik maakt van de beroepstermijn, kan deze in mindering worden gebracht op de vertrektermijn van vier weken (zie artikel 16a, tweede lid, WTU-BES). Omdat de beroepstermijn vier weken bedraagt, moet de vreemdeling de openbare lichamen in deze gevallen onmiddellijk verlaten. Reden hiervoor is dat de vreemdeling al voorbereidingen voor zijn vertrek heeft kunnen treffen.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in artikel 16a, vierde lid, WTU-BES de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.

Er kunnen zich omstandigheden voordoen, die het wenselijk maken om een kortere vertrektermijn te geven. Om die reden is in artikel 16a, vierde lid, WTU-BES de bevoegdheid van de Minister opgenomen om de vertrektermijn tot minder dan vier weken te verkorten.

De vertrektermijn kan in de volgende gevallen verkort worden in het belang van de uitzetting:

2.3.4. Onthouden van een vertrektermijn

In een aantal gevallen wordt de vreemdeling geen vertrektermijn gegund (zie artikel 16a, derde lid, WTU-BES). Dit geldt voor de vreemdeling:

2.4. Reisdocumenten

Wanneer een vreemdeling niet beschikt over geldige reisdocumenten, moet hij hier zoveel mogelijk zelf voor zorgen.

Ten aanzien van het plaatsen van aantekeningen over de verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:

Ten aanzien van het plaatsen van aantekeningen over de verwijdering in het reisdocument van de vreemdeling, gelden de volgende hoofdregels:

3. Uitzetting

Rechtstreeks, dan wel indirect door middel van een tussenstop, naar een land waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend.

3.1. Inleiding

Uitzetting is een bevoegdheid en geen verplichting van de Minister. De titel tot uitzetting is het gevolg van:

3.5. Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

5. Vreemdelingen in de strafrechtketen

Indien geen van de bovenstaande opties mogelijk is:

Rechtstreeks, dan wel indirect door middel van een tussenstop, naar een land waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar de toegang wordt verleend.

Van belang is dat in het kader van de uitzetting nooit aan de autoriteiten van het land van herkomst van de vreemdeling, noch aan autoriteiten van het land van doorreis of bestemming, wordt meegedeeld dat de vreemdeling eerder om bescherming heeft gevraagd. Er worden ook geen documenten verstrekt waaruit dit blijkt. Om te voorkomen dat deze informatie de genoemde autoriteiten bereikt, mag ook nooit aan het personeel van de vervoersmaatschappij waarmee de vreemdeling wordt uitgezet, worden meegedeeld dat de vreemdeling bescherming heeft gevraagd. Er wordt alleen aangegeven dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in de openbare lichamen (meer) heeft.

3.2. Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt vooralsnog geen uitzetting plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht is ingegaan:

Een verzoek om een voorlopige voorziening mag niet in de openbare lichamen worden afgewacht:

De Minister is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. De feitelijke uitzetting geschiedt door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.

De Minister is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting. De feitelijke uitzetting geschiedt door de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.

Middels model MBES18 worden vooraf alle revelante omstandigheden gemeld. Het gaat hierbij om informatie over het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden. Dit kan van belang zijn voor de veiligheid in het algemeen of de veiligheid van de ambtenaren die belast zijn met de begeleiding tijdens de vlucht. Als het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft, kan de KMar besluiten de vreemdeling te begeleiden tijdens de vlucht.

Middels model MBES18 worden vooraf alle revelante omstandigheden gemeld. Het gaat hierbij om informatie over het gedrag van de vreemdeling en medische omstandigheden. Dit kan van belang zijn voor de veiligheid in het algemeen of de veiligheid van de ambtenaren die belast zijn met de begeleiding tijdens de vlucht. Als het gedrag van de vreemdeling daartoe aanleiding geeft, kan de KMar besluiten de vreemdeling te begeleiden tijdens de vlucht.

In hoofdstuk 6 van de Ambtsinstructie BES voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.

In hoofdstuk 6 van de Ambtsinstructie BES voor de politie, Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de uitzetting.

De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:

De meerdere ziet toe op de registratie van deze melding.

3.6. Geen uitzetting om gezondheidsredenen

Artikel 16b, derde lid WTU-BES bepaalt dat de uitzetting achterwege moet blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. De ambtenaar belast met de uitzetting vraagt bij twijfel of het voor een vreemdeling verantwoord is om te reizen een verklaring ‘fit to fly’ aan bij een daartoe geautoriseerde arts.

Op grond van artikel 22 WTU-BES is de gezagvoerder, reder of de luchtvaartmaatschappij die een, niet tot verblijf in de openbare lichamen gerechtigde, vreemdeling heeft aangebracht verplicht deze vreemdeling voor zijn rekening weer uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren (zie hoofdstuk 1 CTU-BES).

Op grond van artikel 22 WTU-BES is de gezagvoerder, reder of de luchtvaartmaatschappij die een, niet tot verblijf in de openbare lichamen gerechtigde, vreemdeling heeft aangebracht verplicht deze vreemdeling voor zijn rekening weer uit de openbare lichamen te vervoeren of doen vervoeren (zie hoofdstuk 1 CTU-BES).

Onder de toepassing van artikel 22 WTU-BES vallen niet alleen vreemdelingen:

Verstekelingen vallen ook onder deze regelgeving.

De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit de openbare lichamen aan de IND-unit Caribisch Nederland en de Korpschef door het vertrek te registreren in het Border Management System (BMS) en het verstrekken van het formulier MBES45 aan de IND-unit Caribisch Nederland en de Korpschef.

De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit de openbare lichamen aan de IND-unit Caribisch Nederland en de Korpschef door het vertrek te registreren in het Border Management System (BMS) en het verstrekken van het formulier MBES45 aan de IND-unit Caribisch Nederland en de Korpschef.

De vreemdeling die strafrechtelijk gedetineerd is en geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, wordt zo spoedig mogelijk (afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van zowel de overheid als de gedetineerde) na het ontslag uit de gevangenis/huis van bewaring uit de openbare lichamen verwijderd. Hiertoe worden voorbereidingen voorafgaand aan zijn ontslag genomen. Dit kunnen zijn:

De vreemdeling die strafrechtelijk gedetineerd is en geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, wordt zo spoedig mogelijk (afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van zowel de overheid als de gedetineerde) na het ontslag uit de gevangenis/huis van bewaring uit de openbare lichamen verwijderd. Hiertoe worden voorbereidingen voorafgaand aan zijn ontslag genomen. Dit kunnen zijn:

De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie artikel 16d, eerste lid WTU-BES):

De ongewenstverklaring is een administratieve maatregel, bedoeld om bepaalde vreemdelingen te weren, die niet (langer) in de openbare lichamen mogen verblijven.

6.4. Opheffing van de ongewenstverklaring

6.4.1. Inleiding

De ongewenstverklaring heeft tot gevolg dat de vreemdeling:

De vreemdeling kan ongewenst worden verklaard (zie artikel 16d, eerste lid WTU-BES):

6.4.1. Inleiding

Het betreft hier vreemdelingen die bij herhaling een bij de WTU-BES strafbaar gesteld feit hebben begaan (zie artikel 26 WTU-BES). Om bij een tweede of latere overtreding tot ongewenstverklaring over te kunnen gaan, wordt een proces-verbaal opgemaakt als er een overtreding wordt geconstateerd. Of er is sprake van een transactie dan wel een uitgevaardigde strafbeschikking ter zake van de gepleegde strafbare feiten.

Nadat de vreemdeling tweemaal een op basis van de WTU-BES strafbaar gesteld feit heeft begaan, wordt zijn ongewenstverklaring voorgesteld aan de hand van de opgemaakte processen-verbaal, transactie of strafbeschikking.

Het betreft hier vreemdelingen van wie het verblijfsrecht, door intrekking of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, is beëindigd. Dit op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling voor een misdrijf, waarbij een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer is opgelegd (zie artikel 14, onder a WTU-BES). De veroordeling moet een misdrijf betreffen waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd. Als aan een vreemdeling de maatregel als bedoeld in artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht BES is opgelegd, kan dit inhouden dat het verblijfsrecht pas bij verlenging van die maatregel kan worden beëindigd. Na intrekking van het verblijfsrecht of het niet-verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning kan tot ongewenstverklaring worden overgegaan.

6.3. Procedurele aspecten

Vreemdelingen vormen een gevaar voor de openbare orde als zij:

Een taakstraf is:

De taakstraf komt in plaats van een gevangenisstraf. In het geval dat de vreemdeling wordt veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf wordt de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt genomen. Dit betekent dat iedere taakstraf wordt tegengeworpen ongeacht de duur van de taakstraf. Het is niet vereist dat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Een ander land dat een vreemdeling ongewenst heeft verklaard, kan een onderbouwd verzoek doen om de vreemdeling ook in de openbare lichamen ongewenst te verklaren. Aan een dergelijk verzoek moet een verdrag ten grondslag liggen. Op dit moment zijn er geen verdragen gesloten die hierop zien en die gelden voor de openbare lichamen.

Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, wordt in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst verklaard. Hierbij moet worden gedacht aan de vreemdelingen van wie het verblijf is geweigerd dan wel is beëindigd op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (een oorlogsmisdrijf, of een misdrijf tegen de vrede of tegen de menselijkheid).

6.3. Procedurele aspecten

Voordat besloten wordt een vreemdeling ongewenst te verklaren, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. De vreemdeling kan daarbij feiten en omstandigheden aanvoeren die naar diens mening bij de besluitvorming moeten worden betrokken. Deze zienswijze kan de vreemdeling mondeling of schriftelijk naar voren brengen. Van een mondelinge zienswijze wordt een verslag of proces-verbaal opgemaakt. Personen die volgens de verklaring van de vreemdeling iets in diens voordeel kunnen aanvoeren, worden ook zoveel mogelijk in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen. Wanneer de vreemdeling weigert zijn zienswijze te geven, of wanneer het niet mogelijk is gebleken de vreemdeling naar diens zienswijze te vragen, wordt niet afgezien van het voornemen om de vreemdeling ongewenst te verklaren. De beslissing om de vreemdeling ongewenst te verklaren wordt dan ook genomen. In de beschikking wordt de reden vermeld waarom de zienswijze ontbreekt.

De beschikking waarmee de vreemdeling ongewenst wordt verklaard, vermeldt:

6.4.4. De inhoud van de aanvraag

6.5.1. Inleiding

De ongewenstverklaring treedt onmiddellijk in werking nadat de beschikking bekend is gemaakt. De vreemdeling heeft vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer in de openbare lichamen. De vreemdeling moet de openbare lichamen onmiddellijk uit eigen beweging verlaten en kan daartoe worden uitgezet (zie artikel 16b, eerste lid WTU-BES).

Tegen een beschikking waarbij de vreemdeling ongewenst is verklaard, kan binnen vier weken een bezwaarschrift worden ingediend. De ongewenstverklaring heeft onmiddellijke werking en de vreemdeling wordt in principe uitgezet. Het indienen van een bezwaarschrift leidt er niet toe dat de werking van het besluit wordt opgeschort (zie artikel 16a WTU-BES).

6.4.1. Inleiding

De ambtenaar belast met grensbewaking is bevoegd een aantekening te plaatsen in het reisdocument van de vreemdeling over de reden van weigering van de toegang (zie artikel 6.23 BTU-BES).

De hier bedoelde aantekening luidt: ‘ongewenst verklaard op (datum beschikking Minister)’.

6.4.2. Aanvraag

Het plaatsen van een dergelijke aantekening kan onder omstandigheden gevolgen hebben voor de doorreis of toelating tot een derde land. Als door deze aantekening de doorreis van de vreemdeling door, of diens toelating tot, een derde land wordt bemoeilijkt, mag deze aantekening niet in het document voor grensoverschrijding worden geplaatst.

De aanvraag moet:

6.4.1. Inleiding

6.4.3. Termijnen

In artikel 8.5 BTU-BES zijn nadere regels gesteld over de mogelijkheden en bevoegdheden om de ongewenstverklaring op te heffen.

De vreemdeling moet expliciet om opheffing van zijn ongewenstverklaring vragen.

1. Inleiding

6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd wordt niet ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring.

6.4.3. Termijnen

De ongewenstverklaring wordt op aanvraag van de vreemdeling opgeheven, wanneer hij:

Bij het vaststellen van deze termijnen wordt er vanuit gegaan, dat na het verstrijken van de respectievelijke termijnen het gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid in een aanvaardbare mate is geweken. Ook wordt er vanuit gegaan dat het algemeen belang (gediend met de ongewenstverklaring) in redelijkheid moet wijken voor het persoonlijk belang van de vreemdeling. Er kunnen zich echter (uitzonderlijke) gevallen voordoen, waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het persoonlijk belang van de vreemdeling zwaarder moet wegen vóórdat de hierboven genoemde termijn is verstreken. Het persoonlijk belang van de vreemdeling weegt alleen zwaarder als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die niet zijn meegewogen bij de totstandkoming van de algemene regel (lees: de bovengrens). Het enkele gegeven dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en buiten de openbare lichamen heeft verbleven, wordt niet aangemerkt als een bijzonder feit of omstandigheid.

6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

Een ongewenstverklaring op grond van een gevaar voor de nationale veiligheid wordt alleen op aanvraag opgeheven als de vreemdeling ten minste tien jaren onafgebroken buiten de openbare lichamen verbleef. Zolang de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid wordt de ongewenstverklaring echter niet opgeheven. Het gevaar voor de nationale veiligheid is geweken als dat blijkt uit ambtsberichten van de AIVD, de Dienst Nationale Recherche, ((inter)nationale) ministeries of inlichtingendiensten.

De termijn die de ongewenst verklaarde vreemdeling ten minste buiten de openbare lichamen moet verblijven begint weer opnieuw te lopen (zie artikel 8.5, tweede lid BTU-BES) als hij:

Bij de aanvraag moet in ieder geval de volgende informatie worden verstrekt (zie artikel 8.5 derde lid, BTU-BES):

Bij de aanvraag moet in ieder geval de volgende informatie worden verstrekt (zie artikel 8.5 derde lid, BTU-BES):

6.5. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

Hieronder staan (niet limitatief) verblijfsdoelen vermeld die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.

Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring vindt alleen plaats in zeer uitzonderlijke en dringende gevallen. Aan de tijdelijke opheffing worden voorwaarden gesteld ten aanzien van de plaats van binnenkomst en de duur van het verblijf in de openbare lichamen (zie artikel 8.6 BTU-BES).

2.2.2. Aanmelding vreemdeling

Een verzoek tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring:

Het verzoek moet minimaal de volgende gegevens bevatten:

Het verzoek moet minimaal de volgende gegevens bevatten:

Hieronder staan (niet limitatief) verblijfsdoelen vermeld die kunnen leiden tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring.

Aan de overkomst van de vreemdeling worden de volgende voorwaarden gesteld:

2. Maatregelen

Ook tijdens het verblijf in de openbare lichamen blijft de vreemdeling ondertoezicht. Hoe dat toezicht wordt ingericht, wordt per individueel geval bezien. Dit hangt onder meer af van de ernst van de feiten die tot de ongewenstverklaring hebben geleid en van de reden waarom tot de tijdelijke opheffing daarvan is besloten. Waar mogelijk wordt de toe te passen vorm van toezicht afgestemd met de instantie die om de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring heeft verzocht.

De WTU-BES kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:

1. Inleiding

1. Inleiding

Vanwege het ingrijpende karakter blijft de toepassing van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel beperkt tot het strikt noodzakelijke. De beginselen van proportionaliteit (doelmatigheid) en subsidiariteit (toepassen lichter middel indien mogelijk) worden voortdurend in acht genomen. De uitvoering van deze maatregelen is met strikte waarborgen omkleed.

De Awb is niet van toepassing op beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. Ten aanzien van een klachtbehandeling is de Awb wel van toepassing (hoofdstuk 9 Awb).

2.1. Vrijheidsbeperkende maatregelen

De WTU-BES kent vijf maatregelen van vrijheidsbeperking:

De WTU-BES kent vier vrijheidsontnemende maatregelen:

De WTU-BES kent vier vrijheidsontnemende maatregelen:

2.2.1. Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen

De ambtenaar belast met grensbewaking, het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een maatregel op grond van artikel 2o, artikel 15b, eerste lid of artikel 15c, eerste lid, WTU-BES oplegt, brengt de IND unit Caribisch Nederland, namens de Minister, hiervan op de hoogte door middel van een vastgesteld model (zie artikel 7.6 BTU-BES). Dit gebeurt vóór het verstrijken van de in artikel 22l, eerste lid, WTU-BES genoemde termijn. Deze mededeling aan De Minister vindt ook plaats als de maatregel inmiddels is opgeheven. In verband met de kennisgeving van De Minister aan het Gerecht of een beroep bij de rechtbank van de vreemdeling tegen één van deze maatregelen wordt een aantal noodzakelijke bescheiden aan De Minister verzonden.

De ambtenaar belast met grensbewaking, het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een maatregel op grond van artikel 2o, artikel 15b, eerste lid of artikel 15c, eerste lid, WTU-BES oplegt, brengt de IND unit Caribisch Nederland, namens de Minister, hiervan op de hoogte door middel van een vastgesteld model (zie artikel 7.6 BTU-BES). Dit gebeurt vóór het verstrijken van de in artikel 22l, eerste lid, WTU-BES genoemde termijn. Deze mededeling aan De Minister vindt ook plaats als de maatregel inmiddels is opgeheven. In verband met de kennisgeving van De Minister aan het Gerecht of een beroep bij de rechtbank van de vreemdeling tegen één van deze maatregelen wordt een aantal noodzakelijke bescheiden aan De Minister verzonden.

Op verzoek van de vreemdeling wordt zo snel mogelijk mededeling gedaan van de uitvoering van een maatregel op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid of 15c, eerste lid WTU-BES. De mededeling wordt gedaan aan de naaste verwanten en aan een in het Koninkrijk gevestigde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is. Er wordt tijdens de contacten met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geen mededeling gedaan omtrent een door de vreemdeling ingediende toelatingsaanvraag.

Er wordt geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan als de vreemdeling geen contact met de betreffende vertegenwoordiging wenst.

Wordt een vrijheidsontnemende maatregel aan een minderjarige opgelegd dan wordt hier, ambtshalve, zo spoedig mogelijk mededeling van gedaan bij de ouder(s) of de voogd van die minderjarige, voor zover die zich in de openbare lichamen bevinden. Is dat niet mogelijk, dan wordt de zich in het Koninkrijk bevindende diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging ingelicht.

Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen, bij de uitzetting van een vreemdeling, wordt een aanmeldformulier vreemdeling (MBES18) opgemaakt. Het ingevulde formulier bevat informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, WTU-BES en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van ingang van de maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen worden gelijk aangebracht. Hierna wordt het formulier bewaard in de vreemdelingenadministratie.

Ten behoeve van een zorgvuldige en efficiënte informatievoorziening aan alle betrokkenen, bij de uitzetting van een vreemdeling, wordt een aanmeldformulier vreemdeling (MBES18) opgemaakt. Het ingevulde formulier bevat informatie om de vrijheidsontneming en de uitzetting van een vreemdeling zo probleemloos mogelijk te laten verlopen. Het wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, WTU-BES en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van ingang van de maatregel tot zijn uitzetting of invrijheidstelling. Eventuele wijzigingen en aanvullingen worden gelijk aangebracht. Hierna wordt het formulier bewaard in de vreemdelingenadministratie.

MBES18 wordt ingevuld door of namens de ambtenaar die verantwoordelijk is voor het opleggen van de maatregel. Deze ambtenaar is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen op het formulier. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een inrichting plaatsvindt, is de ambtenaar die in die inrichting verantwoordelijk is voor uitzetting verantwoordelijk voor het formulier. Nadat de uitzetting is uitgevoerd, stuurt de ambtenaar die belast is met de grensbewaking het hele formulier aan de ambtenaar die verantwoordelijk was voor de oorspronkelijke vrijheidsbeneming.

Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, WTU-BES kan de vreemdeling voor korte duur naar een andere locatie (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, als dit nodig is voor de toepassing van de WTU-BES. De op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid WTU-BES opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.

Gedurende de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontneming op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid, WTU-BES kan de vreemdeling voor korte duur naar een andere locatie (bijvoorbeeld politiebureau, brigade van KMar, een ambassade of consulaat etc.) overgebracht worden, als dit nodig is voor de toepassing van de WTU-BES. De op grond van artikel 2o, 15b, eerste lid, of 15c, eerste lid WTU-BES opgelegde maatregel blijft gedurende de tijd dat de vreemdeling gelicht is van kracht.

Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt zo veel mogelijk een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd in plaats van een vrijheidsontnemende maatregel om het vertrek voor te bereiden.

Onder het begrip ‘gezin’ wordt hier verstaan:

Als sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar van onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt zo veel mogelijk een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan één ouder. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Echter, als het gezin de toegang tot de openbare lichamen is geweigerd, kan het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd, ongeacht of sprake is van een één- of tweeoudergezin. Dit is in het belang van een effectieve grensbewaking. Vrijheidsontneming van het gehele gezin blijft verder beperkt tot die situaties waarin gedwongen vertrek op korte termijn kan worden gerealiseerd. De beschikbaarheid van het gezin kan in dat geval noodzakelijk worden geacht en kan een reden zijn om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen. In de regel wordt aangenomen dat het gedwongen vertrek op korte termijn realiseerbaar is op het moment dat reisdocumenten (op korte termijn) beschikbaar (zullen) zijn.

De bewaring van een gezin met minderjarige kinderen mag niet langer duren dan veertien dagen. Deze termijn kan slechts worden overschreden indien de binnen de hier bedoelde termijn geplande uitzetting geen doorgang kan vinden vanwege:

Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie artikel 22k WTU-BES). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie hoofdstuk 4 WarBES).

Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank (zie artikel 22k WTU-BES). Het indienen van bezwaar of administratief beroep tegen deze maatregelen is niet mogelijk (zie hoofdstuk 4 WarBES).

De Minister kan aan de Korpschef en aan de Commandant der Koninklijke Marechaussee aanwijzingen geven over de uitvoering van de WTU-BES, ook ten aanzien van de in dit hoofdstuk genoemde maatregelen (zie artikel 22b, tweede lid, WTU-BES).

Hoofdstuk 19. Rechtsmiddelen

De WarBES bepaalt welke rechtsmiddelen mogelijk zijn tegen beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. In de WTU-BES zijn enkele uitzonderingen op enkele bepalingen over rechtsmiddelen in de WarBES opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de termijnen voor het indienen van rechtsmiddelen.

De WarBES bepaalt welke rechtsmiddelen mogelijk zijn tegen beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. In de WTU-BES zijn enkele uitzonderingen op enkele bepalingen over rechtsmiddelen in de WarBES opgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de termijnen voor het indienen van rechtsmiddelen.

De Awb is niet van toepassing op beschikkingen die op de openbare lichamen zijn gegeven. Ten aanzien van een klachtbehandeling is de Awb wel van toepassing (hoofdstuk 9 Awb).

Het indienen van bezwaar is niet verplicht (zie artikel 54 WarBES). Dit betekent dat een vreemdeling rechtstreeks bij het Gerecht in Eerste Aanleg in beroep kan gaan tegen een beschikking van de IND-unit Caribisch Nederland.

Het indienen van bezwaar is niet verplicht (zie artikel 54 WarBES). Dit betekent dat een vreemdeling rechtstreeks bij het Gerecht in Eerste Aanleg in beroep kan gaan tegen een beschikking van de IND-unit Caribisch Nederland.

De IND-unit Caribisch Nederland kan besluiten een dergelijk beroepschrift als een bezwaarschrift te behandelen. Dit gebeurt in de volgende gevallen:

Daarnaast kan het Gerecht in eerste aanleg de IND-unit Caribisch Nederland voorafgaande aan de openbare behandeling van het beroepschrift verzoeken om binnen een bepaalde termijn te verklaren of de IND-unit Caribisch Nederland bereid is de beschikking in heroverweging te nemen.

Wanneer de IND-unit Caribisch Nederland van plan is om voorafgaand aan een beroepschrift een bezwaarschrift te behandelen, dan wordt de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in de beschikking opgenomen (zie artikel 56, vierde lid, WarBES).

2.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening

Een bezwaarschrift in mvv-zaken moet worden toegezonden aan de IND-unit Caribisch Nederland.

2.4. Beroep

In een bezwaarschrift moet de volgende informatie staan (artikel 57, vierde lid, WarBES):

Bij het bezwaarschrift worden zo mogelijk een kopie van de beschikking en de overige op de beschikking betrekking hebbende stukken overgelegd.

De bezwaartermijn bedraagt, in afwijking van de WarBES, vier weken.

Een bezwaarschrift mag worden ingediend door de volgende personen (zie artikel 7, WarBES):

2.5. Hoger beroep

Wanneer een bezwaarschrift niet voldoet aan (één van) de hierboven genoemde vereisten, dan stelt de IND-unit Caribisch Nederland de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid om binnen een termijn van twee weken alsnog het verzuim te herstellen.

De IND-unit Caribisch Nederland verleent voor het indienen van de nadere gronden, als bedoeld in artikel 57, vierde lid, onder c, WarBES, bij het bezwaarschrift uitstel:

3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming

Als door het uitstel de benodigde tolk niet tijdig beschikbaar is, geldt het gestelde onder a. Na afloop van de uitsteltermijn van vijf werkdagen gaat de IND-unit Caribisch Nederland ervan uit dat de zaken van de betreffende advocaat door de kantoorgenoten of collega’s zijn overgenomen.

2.5. Hoger beroep

De IND-unit Caribisch Nederland wijst een verzoek om uitstel af bij wijziging van de rechtshulpverlener.

Bij niet of niet tijdige indiening van de gronden het bezwaar verklaart de IND-unit Caribisch Nederland het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.

3. Bijzondere rechtsmiddelen in de situatie van vrijheidsontneming

Onder eilandskinderen van de openbare lichamen wordt verstaan: Nederlanders die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en hun Nederlandse kinderen.

Voor het begrip ‘woonplaats’ is aangesloten bij de definitie zoals genoemd in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES. Daaruit volgt dat perioden van afwezigheid van de openbare lichamen binnen de referteperiode van een jaar niet in de weg staan aan de behandeling als eilandskind van de openbare lichamen. De duur en de reden van afwezigheid binnen de referteperiode is niet van belang, zolang vaststaat dat de betrokken Nederlander in de referteperiode ononderbroken zijn woonplaats op de openbare lichamen heeft gehad. De referteperiode van een jaar heeft tot doel om te voorkomen dat Nederlanders zich voor 10 oktober 2010 vestigen in de openbare lichamen met het oogmerk behandeld te worden als eilandskind van de openbare lichamen.

2.3. Toelating van rechtswege van Nederlanders

2.3. Toelating van rechtswege

Onder eilandskinderen van de openbare lichamen wordt verstaan: Nederlanders die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba zijn geboren of de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen en hun Nederlandse kinderen, waar dan ook geboren.

Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart.

2.3.2. Toelating van rechtswege op grond van artikel 3, vijfde en zesde lid, WTU-BES

3.1. Bijzondere categorieën

Voor vreemdelingen die vallen onder één van de bovengenoemde categorieën is het mvv-vereiste niet van toepassing. Het mvv-vereiste is alleen een afwijzingsgrond voor de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en is geen voorwaarde voor toelating van rechtswege.

Ad b:

Ad c:

3.2.1. Indiening van de aanvraag

Gedurende de tijd dat de openbare lichamen met toestemming van de bevoegde autoriteit wordt aangedaan.

3.2.2. Vereiste bescheiden

3.2.3. Verklaring

3.2. De toekenning van de toelating van rechtswege

Het gaat hier om visumplichtige toeristen die naar de openbare lichamen komen en vervolgens een verklaring van rechtswege willen aanvragen.

De aanvrager moet beschikken over een gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag uit alle landen waar hij de afgelopen vijf jaar heeft verbleven. De verklaring moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit en mag op het moment van indiening van de aanvraag niet ouder zijn dan drie maanden.

Dit geldt alleen als uit de geboorteakte blijkt dat het kind niet het biologisch kind is van beide ouders. In dat geval moet een rechterlijke uitspraak overgelegd worden waaruit blijkt dat het ouderlijk gezag / voogdij aan de in de openbare lichamen verblijvende ouder is toegewezen.

De verklaring dient uiterlijk twee maanden voor aankomst in de openbare lichamen te zijn afgegeven door de bevoegde autoriteit. Indien de verklaring van goed gedrag recenter is afgegeven wordt deze aangemerkt als een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de WTU-BES.

4. Verblijf in de vrije termijn

3.2.4. Einde toelating van rechtswege

3.2.4. Einde toelating van rechtswege

Ten aanzien van de in artikel 3, vijfde lid, WTU-BES genoemde categorie geldt dat als de Nederlander niet langer beschikt over huisvesting dan wel over voldoende middelen van bestaan, de toelating van rechtswege eindigt.

4.1. Algemeen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)